Hoofdlijnenbrief wet maatschappelijke ondersteuning
Brontekst
Versie 5c1b4d959d82e506 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 538Zorg en maatschappelijke ondersteuningNr. 365 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 december 2024Iedereen woont het liefst zo lang mogelijk en zo gezond mogelijk thuis.Met een stevig sociaal netwerk en genoeg voorzieningen in de buurt. Enmet toegang tot ondersteuning en zorg dichtbij of toegang tot demedisch-specialistische zorg, zodat iedereen zo lang mogelijk mee kandoen in en aan de samenleving. Maar er zijn forse uitdagingen als we ditmogelijk willen (blijven) maken. De druk op de (in)formele zorg is enorm.Denk hierbij aan de demografische ontwikkelingen zoals de dubbelevergrijzing, maar ook de financiële en personele uitdagingen. Het isbelangrijk dat we ervoor zorgen dat ondersteuning en zorg ook in detoekomst beschikbaar blijft, vooral voor kwetsbare mensen die dat echtnodig hebben.Daarom zetten we in op de beweging van zorg naar gezondheid enwelzijn: een veerkrachtige samenleving, waarin we eerder problemensignaleren en voorkomen, zorgen dat mensen elkaar kunnen onder-steunen en dat (formele) hulp, ondersteuning of eerstelijns zorg kanworden geboden in de eigen leefomgeving. Dat doe ik samen met deMinister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris vanJeugd, Preventie en Sport. Die beweging stimuleren we met de verschil-lende zorgakkoorden en programma’s.1 Gemeenten spelen hierbij eencruciale rol. Zij zijn verantwoordelijk voor een groot deel van het sociaaldomein, waaronder de uitvoering van de Wet maatschappelijke onder-steuning (Wmo 2015). Een goed werkende Wmo 2015 goed functione-rende uitvoeringspraktijk is noodzakelijk om uitvoering te kunnen gevenaan de ambities in de zorgakkoorden. Gemeenten en regio’s hebben veelverschillende voorzieningen, die op maat worden aangeboden en diebijdragen aan oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken énindividuele hulpvragen van bewoners. Bijvoorbeeld het ondersteunen vanmantelzorgers en vrijwilligers, het verminderen en voorkomen van1Integraal Zorg Akkoord (IZA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), Wonen, Ondersteuningen Zorg voor Ouderen programma (WOZO), Hervormingsagenda Jeugd. kst-29538-365ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3651 eenzaamheid, het regelen van huishoudelijke hulp en het aanbieden vanhulpmiddelen en beschermd wonen. Deze ondersteuning is belangrijkvoor de participatie en zelfredzaamheid van mensen. Ook zorgengemeenten, in samenwerking met zorgverzekeraars, voor samenwerkingmet het medisch domein, bijvoorbeeld met wijkverpleegkundigen enhuisartsen.Sinds mijn aantreden als Staatssecretaris van Langdurige en Maatschap-pelijke Zorg heb ik veel persoonlijke gesprekken gevoerd met mensen diegebruik maken van of werken in de maatschappelijke ondersteuning.Bijvoorbeeld tijdens werkbezoeken aan hulpverleners, vrijwilligers,ouderen en mensen met een beperking. Uit deze gesprekken haal ik opdat maatschappelijke ondersteuning het verschil kan maken in iemandsleven. Zo vertelde een vrijwilliger bij een cultureel centrum dat zijn inzetdaar hem zelfvertrouwen en zingeving gaf, waardoor hij minder medischehulp nodig had. Ook heb ik gezien dat professionals, vrijwilligers enmantelzorgers ontzettend hard werken om een onuitwisbare bijdrage televeren aan het welzijn van een ander. We moeten dat koesteren en het ismijn ambitie ervoor te zorgen dat op meer plekken op deze manier wordtgehandeld, gedacht en gewerkt.Om mensen maatschappelijke ondersteuning te kunnen blijven leveren iseen goed werkende Wmo 2015 en goed functionerende uitvoerings-praktijk bij gemeenten en (zorg)aanbieders nodig. Hier wil ik mij dezekabinetsperiode voor inzetten. In deze brief schets ik op hoofdlijnen mijnambities ten aanzien van de Wmo 2015. Dit doe ik aan de hand van devolgende thema’s:–Een toekomstbestendige Wmo (waaronder Inkomens- en vermogens-afhankelijke eigen bijdrage);–Samenwerking tussen het medisch en sociaal domein;–Sociale basis en mantelzorg.Daarnaast informeer ik uw Kamer over de stand van zaken op verschil-lende lopende dossiers en de uitvoering van moties en toezeggingen, ditoverzicht treft u aan in de bijlage.2Een toekomstbestendige WmoIn 2015 is de Wmo in werking getreden. Sindsdien is niet meer funda-menteel gekeken naar de werking van de Wmo 2015 als geheel.3 Maar hethuidige stelsel en de uitvoering kennen beperkingen. Op de lange termijnknelt het, er is sprake van een sturingsvraagstuk en van krapte op dearbeidsmarkt. Daarnaast zijn er zorgen op financieel vlak en staat demaatschappelijke houdbaarheid onder druk. Dat roept de vraag op of hetstelsel klaar is voor de toekomst. Ik zie namelijk dat er iets anders nodig isom ondersteuning en zorg te kunnen (blijven) garanderen.Daarom is een onderzoekstraject gestart naar de toekomst enhoudbaarheid van de Wmo 2015. Het doel is om samen met gemeententot een objectief en breed gedragen beeld te komen van de kansen enuitdagingen. Ook worden (beleids)keuzes uitgewerkt en voorgelegd.Parallel hieraan wordt een Meerjarenagenda ontwikkeld, samen met2In een aparte brief informeer ik u samen met de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg, de Staatssecretaris JPS en de Staatssecretaris Rechtsbescherming over het themageweld in afhankelijkheidsrelaties. In die brief nemen we u onder meer mee in de concreteverbeteringen die het traject «Goed georganiseerd landschap van hulp-, meld en steunpunten»toe nu toe heeft opgeleverd en de opbrengsten van de prevalentiemonitor Huiselijk Geweld enSeksueel Geweld.3Wel heeft het SCP in 2020 een evaluatie gemaakt van de drie decentralisaties in het sociaaldomein (de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3652 cliënten, gemeenten en zorg- welzijnsaanbieders. In deze agenda moetenacties landen die (1) een oplossing bieden voor concrete knelpunten in deuitvoering, (2) zorgen voor gelijkgerichte inbreng bij de (nieuwe)zorgakkoorden en (3) daarmee bijdragen aan verbeteringen binnen hethuidige stelsel. Denk bijvoorbeeld aan het terugdringen van administra-tieve lasten door standaardisering van contracten of het schrappen vanhet woud aan productcodes.Het is mijn persoonlijke ambitie om met de Meerjarenagenda het verschilte maken voor knelpunten waar mensen en professionals in het dagelijksleven tegenaan lopen. Uiteraard met oog voor ieders rol en verantwoor-delijkheid. Het is mijn verantwoordelijkheid om randvoorwaarden tecreëren zodat gemeenten en aanbieders van zorg, welzijn en onder-steuning het merkbare verschil kunnen maken. De Meerjarenagenda iseen instrument om knelpunten aan te pakken, maar waar nodig enmogelijk onderneem ik al concrete acties, vooruitlopend op het vaststellenvan deze agenda. Het passend en langdurig beschikken waar gemeentenmee aan de slag zijn is zo’n voorbeeld.Eén onderdeel van de Wmo 2015 gaat mij bijzonder aan het hart: goedvindbare en adequate cliëntondersteuning. Al jaren wordt vanuit hetministerie en gemeenten gewerkt om deze beter vindbaar te maken enhelaas lukt dat nog niet overal (goed) genoeg. Hoewel de Meerjaren-agenda een agenda is van en voor het hele veld, is mijn persoonlijke inzetom via de Meerjarenagenda ook de onafhankelijke cliëntondersteuning(nogmaals) als thema vast te pakken en in de dagelijkse praktijk tot eenbetere vindbaarheid te komen. Intussen gaan we door met concreteprojecten in 2025, een nadere toelichting is opgenomen in de bijlage bijdeze brief.Onderdeel van een toekomstbestendige Wmo is ook passende finan-ciering. Voor de korte termijn ga ik door met het wetsvoorstel van deInkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage binnen de Wmo2015. Deze wetswijziging is noodzakelijk om de (steeds schaarserwordende) ondersteuning beschikbaar te houden, juist voor die mensendie het meest kwetsbaar zijn en aangewezen zijn op de Wmo 2015,waarover ik hieronder meer toelichting geef. Verder wordt samen met defondsbeheerders en gemeenten gewerkt aan een nieuwe financie-ringsvorm van de Wmo 2015. Daarbij worden verschillende mogelijk-heden verkend en uitgewerkt. Deze afspraak ligt verankerd in deVoorjaarsnota 2024.Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrageBij Voorjaarsnota 2023 heeft het vorige kabinet aangekondigd hetabonnementstarief Wmo 2015 te zullen vervangen door een Inkomens- envermogensafhankelijke eigen bijdrage (ivb). Daarvoor is een wetsvoorstelin voorbereiding. Op 8 mei jl. heeft het vorige kabinet het wetsvoorstelvoor advies voorgelegd aan de Raad van State. Op 28 augustus jl. heeft deRaad van State geadviseerd om het voorstel van wet vervangingabonnementstarief Wmo 2015 overtuigender te motiveren en zo nodigaan te passen of deels te heroverwegen. De periode sindsdien benut ikom het advies van de Raad van State te verwerken en het wetsvoorstelaan te passen. Mijn streven is om het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk inhet eerste kwartaal van 2025 aan te bieden aan de Tweede Kamer.De planning om de Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrageWmo 2015 per 1 januari 2026 in te voeren was reeds ambitieus, maar ismet het kritische advies van de Raad van State onder nog hogere drukkomen te staan. Samen met (vertegenwoordigers van) de partijen in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3653 uitvoeringsketen, ben ik inmiddels tot de conclusie gekomen dat dezeplanning niet meer realistisch is, omdat er voldoende tijd moet zittentussen de publicatie van het wetsvoorstel en het moment van inwerking-treding. Om zowel aan burgers en aanbieders van ondersteuning, als aanuitvoerende partijen – zoals het CAK en gemeenten – de kans te gevenzich goed voor te bereiden op dit wetsvoorstel, wordt de beoogdeimplementatiedatum opgeschoven naar 1 januari 2027.De druk om dit wetsvoorstel in te voeren blijft echter onverminderd hoog.Deze wijziging is nodig om ondersteuning vanuit de Wmo 2015beschikbaar te houden juist voor degenen die er het meest afhankelijk vanzijn, zeker in het licht van de vergrijzing en de krapte op de arbeidsmarkt.Vanwege de benodigde wijziging in de planning is een besparingsverliesin 2026 onafwendbaar. De financiële consequenties van het verschuivenvan de beoogde implementatiedatum naar 1 januari 2027 zullen door hetkabinet worden besproken bij de aankomende voorjaarsbesluitvorming.Graag informeer ik u hierbij ook over de status van het programma bij hetCAK om de Inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage Wmo2015 in te voeren. Duidelijk is geworden dat de meerjarige kosten van deICT-component van het programma meer bedragen dan € 5 miljoen. Hetprogramma is daarom conform het «Handboek PortfoliomanagementRijk» aangemeld ter toetsing bij het Adviescollege ICT-toetsing. Meerinformatie over dit programma wordt, zo spoedig mogelijk na verzendingvan deze brief, gepubliceerd op het Rijks ICT-dashboard.Samenwerking tussen het medisch domein en sociaal domeinDe samenwerking tussen het medisch en sociaal domein is één van debeoogde speerpunten in het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. Dit isnoodzakelijk om de beoogde transformatie in zorg, ondersteuning enwelzijn op gang te brengen en te houden. En ook om de eerstelijns- enmedisch-specialistische zorg toegankelijk te houden. Het is geen doel opzich om mensen buiten de zorg te houden, het gaat erom dat dehulpvraag op de juiste plek wordt opgepakt en wordt beantwoord.Hulpvragen voor het sociaal domein moeten dus ook vooral in het sociaaldomein worden opgepakt. Dit verlicht de druk op de huisartsen, want veelvragen die aan de huisarts gesteld worden zijn niet per definitie medischvan aard. Juist voor de inwoner is dit wezenlijk: voor niet medischevragen zijn juist in het sociaal domein (snellere) en meer passendeantwoorden te vinden.Voor de verbinding met het sociaal domein is extra inspanning noodza-kelijk. Zodat de opgestelde regioplannen daadwerkelijk gaan leiden tot degewenste inzet op welzijn en ondersteuning. Bijvoorbeeld door de socialebasis te versterken, stappen te zetten met de inrichting van lokale teams(in relatie tot eerstelijnssamenwerkingsverbanden) en de uitvoering vande IZA Transformatieplannen in het sociaal domein. Samen metgemeenten, zorgverzekeraars en andere organisaties in het domein vanondersteuning en zorg, willen de Minister van VWS, de Staatssecretarisvan Jeugd, Preventie en Sport (JPS) en ik zo snel mogelijk tot concreteafspraken komen.Samen met vele andere partijen zijn de akkoorden IZA, het ProgrammaWonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO), de Hervormings-agenda Jeugd en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) vastge-steld. Eén van de rode draden in de verschillende akkoorden is de«beweging van zorg naar welzijn en gezondheid». Daarvoor is eennauwere samenwerking tussen het sociaal en medisch domein nodig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3654 Deze beweging vraagt een andere werkwijze en inzet. Ik ondersteundaarom gemeenten en haar partners bij invulling aan deze samenwerkingen samen werken we aan het realiseren en/of verstevigen van debenodigde randvoorwaarden. En, door een stevige samenwerking oplokaal niveau tussen deze domeinen wordt zorg en ondersteuningpassender en eenvoudiger te vinden voor inwoners.Het is van groot belang gezamenlijk een grotere focus op gezondheid enwelzijn te hebben. Dat doen we onder andere de acties in de lopendezorgakkoorden te continueren4 en door nieuwe afspraken – met de daarbijpassende randvoorwaarden – te maken in het aanvullend zorg- enwelzijnsakkoord en het hoofdlijnenakkoord ouderenzorg. Maar dit doenwe vooral ook door te werken aan een stevige en toekomstbestendigeWmo 2015.Sociale basis en mantelzorgIn (zorgzame) buurten en wijken, kunnen inwoners en organisaties, vanuitde sociale basis, bijdragen aan de sociale samenhang, het welzijn en degezondheid van mensen. Het is goed te beseffen dat de sociale basis nietvan de overheid is en lokaal veel verschijningsvormen en eigenaren kent.Als overheid (landelijk en lokaal) kunnen wij wel helpen de sociale basis telaten bloeien. De sociale basis heeft een belangrijke intrinsieke waarde inzichzelf, en is van betekenis voor mensen. Mensen die zich eenzaamvoelen, mentale, fysieke, financiële of gezinsproblemen hebben, kunnen –waar mogelijk – terugvallen op steun van vrienden, familie, buren, gezin,clubgenoten, collega’s, mede buurtbewoners, vanuit bewonersinitiatievenof laagdrempelige (professionele) ondersteuning in de wijk zoalsaangeboden door gemeenten en organisatie. Een sterke sociale basisdraagt eraan bij dat (hulp)vragen zoveel mogelijk in het «gewone» levenworden opgelost en werkt daarmee ook preventief.Een sterke sociale basis is dus een van de randvoorwaarden voor hetbehoud van kwaliteit en houdbaarheid van onze zorg en ondersteuning inNederland. Het versterken van de sociale basis wordt meegenomen in degesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord. In dit kaderwerken we ook een afspraak uit over de benodigde basisfuncties- envoorzieningen/basisinfrastructuur op het snijvlak van het medisch ensociaal domein.In de uitvoering liggen de grootste beïnvloedingsmogelijkheden lokaal.Gemeenten en Rijk hebben – op grond van de Wmo 2015, de Wet PubliekeGezondheid en de Jeugdwet – een belangrijke verantwoordelijkheid in hetfaciliteren en versterken van de lokale sociale basis. Aansluitend hieropben ik ook met de zorgverzekeraars in gesprek over hun rol in hetversterken van de sociale basis en de daaraan gerelateerde samenwerkingtussen het medisch en sociaal domein. Vervolgens wil ik, samen metgemeenten, bevorderen dat de betrokken maatschappelijke partners, zoalshet sociaal werk, mantelzorgers en vrijwilligers en burgerinitiatieven hunbijdrage aan de sociale basis kunnen leveren. Een belangrijk uitgangspuntis dat de uitvoering zal passen bij ieders rol en verantwoordelijkheid én delokale situatie.MantelzorgDaarnaast zet ik de uitvoering van de Mantelzorgagenda, zoals eerdergedeeld met uw Kamer, met kracht voort. Het is namelijk van groot belang4Via het Integraal Zorgakkoord (IZA), Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen(WOZO) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3655 om mantelzorgers te faciliteren wanneer zij zorgen voor familie, vriendenof anderen. De Mantelzorgagenda is nu bijna anderhalf jaar in uitvoering.De eerste resultaten zijn zichtbaar. De handreiking over mantelzorgwo-ningen is beschikbaar voor gemeenten. Met het aanpassen van de wet- enregelgeving en het opstellen van de handreiking wordt het eenvoudigerom een mantelzorgwoning te kunnen bouwen op het eigen terrein.Daarnaast worden werkgevers en werknemers actief ondersteund bij hetmaken van afspraken over de combinatie van mantelzorg en werk. Ook isde Sociaaleconomische Raad (SER) gestart met een onderzoek naar werken mantelzorg teneinde een advies hierover te kunnen uitbrengen.Daarnaast is er in het wetsvoorstel «Participatiewet in Balans» en hetwetsvoorstel «Versterking Regie Volkshuisvesting» expliciete aandachtvoor de positie van mantelzorgers.Voor het komende jaar zie ik een aantal prioriteiten waar ik op wilversnellen, naast de reguliere uitvoering van de acties die in de Mantel-zorgagenda zijn opgenomen. Ik wil graag versnellen op drie onderwerpen(1) Ondersteuning van mantelzorgers, (2) het verbeteren van de samen-werking tussen formele zorgverleners en het informeel netwerk en (3) hetfaciliteren van werkende mantelzorgers. Met deze prioritering binnen debestaande acties van de mantelzorgagenda wil ik inzetten op eengelijkgerichter ondersteuningsaanbod, een passende oplossing voor hetknelpunt bij complexe logeerzorg, een versnelling aanbrengen bij hetoplossen van praktische knelpunten van werkgevers en werknemers, hetuitwerken van het advies van de SER over Werk en Mantelzorg en desamenwerking tussen formele zorgverleners en het informeel netwerkverbeteren. Met de uitwerking van deze ambities wil ik randvoorwaardencreëren zodat mensen voor elkaar kunnen zorgen, maar tegelijkertijdkunnen blijven participeren in de maatschappij.Tot slotEr is werk aan de winkel. Ik ben er van overtuigd dat we de juiste stappenzetten. Dat doen we in het groot, door over de toekomst en houdbaarheidvan ondersteuning en zorg na te denken. Maar ook in het klein, metgerichte acties die helpend zijn voor mensen die de ondersteuning en zorgecht nodig hebben. Een uitgebreide toelichting hierover leest u in debijlage van deze brief.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3656 Inhoudsopgave1.Verbetering van het stelsel71.1.Houdbaarheidsonderzoek Wmo 201571.2.Wmo-toezicht91.3.Het verlichten van administratieve lasten dooreenheid van taal102.Sociale basis en mantelzorg112.1.Sociale basis112.2.Mantelzorg122.3.Vrijwillige Inzet132.4.Moties en toezeggingen143.Het verbeteren van samenwerking, toegang enprofessionalisering143.1.Lokale teams143.2.Passend beschikken153.3.Samenwerking sociaal domein-medisch domein153.4.Cliëntondersteuning164.Het aanbod en de kwaliteit van Wmo-voorzieningen164.1.Convenant meeverhuizen164.2.Verkenning «Zicht op zinvolle daginvulling»175.Wonen en zorg196.Cliëntervaringsonderzoek over de Wmo 201519 1. Verbetering van het stelsel 1.1. Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Er zijn verschillende demografische en maatschappelijke ontwikkelingendie impact hebben op de levering van maatschappelijke ondersteuningdoor gemeenten. Bijvoorbeeld de tekorten op de arbeidsmarkt, de(dubbele) vergrijzing, het langer thuis wonen en digitalisering. Welkeimpact deze ontwikkelingen op de lange termijn hebben, is moeilijk tevoorspellen. Daarom hebben we met de VNG een ambitie geformuleerdom tot een gezamenlijk beeld van de nabije toekomst te komen: een«onderzoek naar de houdbaarheid van de Wmo 2015 (hierna: houdbaar-heidsonderzoek)». Het huidige kabinet zet dit voort met als doel eenobjectief en breed gedragen beeld te krijgen van de kansen en uitda-gingen t.a.v. de Wmo 2015 voor de toekomst.Het houdbaarheidsonderzoek bestaat uit twee fases. Fase A is een analysevan verschillende deelstudies. In fase B worden verschillende beleids-opties en maatregelen onderzocht die een bijdrage zouden kunnenleveren aan de houdbaarheid van de Wmo 2015. Op 5 februari 2024 en7 oktober 2024 heeft uw Kamer de eerste twee deelproducten van ditonderzoekstraject ontvangen: de historische analyse Wmo 2015 en hetonderzoek naar de sociale basis.5 In deze eerdere rapportage is uw Kamergeïnformeerd over de ontwikkelingen in de Wmo en de toename in hetgebruik van individuele maatwerkvoorzieningen in de Wmo. Ditonderzoek zet ik voort: de onderzoeken uit fase A worden separaatopgeleverd en in deze fase zonder uitgebreide beleidsmatige duidingaangeboden aan uw Kamer. Het is van belang dat die beleidsmatigeduiding van de onderzoeken pas plaatsvindt op basis van een totaalbeeld.Als samenwerkende partijen zijn we dan ook voorzichtig met het trekkenvan (voorbarige) conclusies op basis van de deelproducten.5Kamerstukken 2023–2024, 29 538, nr. 357 en Kamerbrief over houdbaarheidsonderzoek Wmo2015: deelproduct A2 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlBIJLAGETweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3657 Vervolg houdbaarheidsonderzoekInwoners, cliënten, gemeenten en (zorg)aanbieders hebben een belang-rijke stem in het houdbaarheidsonderzoek. De onafhankelijke procesbege-leider van het houdbaarheidsonderzoek is en gaat op meerderemomenten met hen in gesprek, als aanvulling op de onderzoeken. Ik merkdat er grote waardering is voor deze opzet. De studies en gesprekkenvormen het raamwerk op basis waarvan ik, samen met gemeenten en desamenwerkende partijen (VNG en de Ministeries van BZK en Financiën), infase B, gerichte beleidsmatige voorstellen wil uitwerken, ter bevorderingvan de houdbaarheid van de Wmo 2015. Ik blijf de Kamer regelmatiginformeren over de vorderingen van het onderzoek, waarbij ookdeelstudies worden gedeeld. De planning is om het onderzoekstraject inieder geval voor het einde van 2025 geheel af te ronden met eeneindrapport waarin aanbevelingen staan die een (fundamentele) bijdragekunnen leveren aan de houdbaarheid van de Wmo 2015.Meerjarenagenda Wmo 2015Met de VNG, cliëntorganisaties en zorgbranches werk ik ondertussen ookeen Meerjarenagenda Wmo 2015 uit. Genoemde partijen hebben in hetafgelopen jaar de behoefte uitgesproken om meer gelijkgericht met elkaaraan tafel te zitten, bijvoorbeeld als het gaat om inbreng bij de (zorg)ak-koorden. het gesprek over het effect van deze zorgakkoorden op de Wmo2015 is vooralsnog gefragmenteerd georganiseerd. De Meerjarenagendadient die fragmentatie te voorkomen. Zo kunnen de komende jarengelijkgerichte bestuurlijke afspraken worden gemaakt en op de korte enmiddellange termijn meer actiegericht gewerkt worden aan het verbeterenvan de uitvoering.Hierbij hebben we specifieke aandacht voor de inbreng van inwoners.Hoewel het houdbaarheidsonderzoek de stem van inwoners en cliëntenbetrekt, is de opzet van dat onderzoek meer beleidsmatig en technisch vanaard. De ambitie is om in de Meerjarenagenda Wmo 2015 het perspectiefvan de inwoner sterk en concreet naar voren brengen. De totstandkomingvan de Meerjarenagenda wordt begeleid door een onafhankelijkekwartiermaker. Hier hecht ik waarde aan, omdat het bij uitstek geenagenda van alleen mijn departement is, maar samen met het veld.Daarnaast zie ik de Meerjarenagenda Wmo 2015 ook als plek om deresultaten en adviezen van het houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015, naafronding van het onderzoek, in de praktijk te brengen. Een wenselijkeffect van de Meerjarenagenda Wmo 2015 is dat we leren vanuitverschillende (deel)belangen een stukje autonomie op te offeren en vanuitgedeeld belang beter, sterker en gelijkgerichter samen te werken, enzodoende (straks) ook de meer fundamentele aanpassingen op basis vanhet houdbaarheidsonderzoek samen te kunnen realiseren.Ik ben blij met het enthousiasme en de bijdragen van de betrokkenorganisaties aan een houdbare Wmo 2015 en het verbeteren van deuitvoeringspraktijk. Zoals eerder genoemd zijn de opgaven voor detoekomst groot. We hebben daarom een gezamenlijk beeld van beleid enuitvoering nodig om tot de juiste interventies te komen. Ik hoop deMeerjarenagenda Wmo 2015 eind 2025 – samen met de partners – aan uwKamer te kunnen presenteren.Financiële positie gemeenten en werken aan nieuw financieringsmodelHet gemeentelijk domein staat onder druk: het knelt in de uitvoering.Gemeenten moeten moeilijke keuzes maken in hun begrotingen, omdatmet name de kosten voor de uitvoering van de Wmo 2015 en JeugdwetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3658 volgens hen uit de pas lopen met de beschikbare middelen. Bij deVoorjaarsnota 2024 zijn daarom afspraken gemaakt met de VNG. Er is eenmitigerende financiële maatregel getroffen (toevoeging van 75 mln in2026 in het gemeentefonds oplopend tot 300 mln in 2029) ter compensatievan de autonome demografische groei binnen de Wmo 2015. Daarnaast isafgesproken bij de Voorjaarsbesluitvorming 2024 dat in de toekomst (eennader te bepalen deel van) de Wmo 2015 niet langer via de algemeneuitkering van het gemeentefonds wordt bekostigd, maar via een andermeer passend financieel-bestuurlijk arrangement. Hierbij zal nadrukkelijkook oog zijn voor de verantwoordelijkheidsverdeling en risicoverdelingtussen Rijk en gemeenten. Ik ben hierover in gesprek met o.a. de VNG, hetMinisterie van Financiën en het Ministerie van BZK. Dit doe ik inafstemming met de Staatssecretaris van JPS, vanwege de samenhangmet het jeugddomein in het voorveld en bij de lokale teams, en omdat ookbinnen het jeugdomein het financieringsstelsel, onder de loep wordtgenomen. Ik verwacht uw Kamer hier na de zomer van 2025 verder over tekunnen informeren.1.2. Wmo-toezicht In de afgelopen jaren is door de IGJ meerdere keren gerapporteerd dathet Wmo-toezicht divers is georganiseerd en zich in algemene zinonvoldoende heeft ontwikkeld. De IGJ constateert dat de kwaliteit van hettoezicht niet bij alle gemeenten op orde is. Dit moet verbeterd worden,zoals ook is onderschreven door het veld.Inmiddels zijn diverse verbetermaatregelen in gang gezet die het toezichtin de praktijk moeten verstevigen. In opdracht van het Ministerie van VWSis nader onderzoek verricht, mede naar aanleiding van de bevindingenvan de IGJ. Dit leidde tot aanbevelingen voor goed toezicht. Veldpartijenhebben vervolgens, in samenspraak met het Ministerie van VWS, eenvisie ontwikkeld op goed kwaliteitstoezicht in de Wmo 2015. Ook is eenbeleidskader gemaakt met verbetermaatregelen voor de taken, bevoegd-heden en verantwoordelijkheden van de Wmo-toezichthouder engemeenten.6 Onderdelen van de voorstellen die moeten helpen bij hetverbeteren van de kwaliteit van het Wmo-toezicht en gericht zijn op hetprofessionaliseren van het toezicht landen in een stimuleringsprogrammadat vanaf begin 2025 wordt uitgevoerd door de VNG en GGD-GHOR.Vooruitlopend daarop heeft de GGD-GHOR in opdracht van VWSafgelopen voorjaar een nieuw model toetsingskader Wmo-toezichtontwikkeld.7Tenslotte is er een wetswijziging van de Wmo 2015 in voorbereidinggericht op de versterking van het toezicht in de Wmo 2015. De wijzigingricht zich op nadere kaders voor de inrichting van adequaat toezicht, eenversteviging van het onafhankelijk functioneren van de Wmo-toezicht-houder, transparantie van het Wmo-toezicht en de samenwerking tussengemeenten bij het organiseren van het Wmo-toezicht. In de voorbereidingis met verschillende gemeenten en toezichthouders verkend hoe dit in dewet verankerd kan worden. De inzet is erop gericht om het concept-wetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2025 in (internet)consultatie tebrengen.6Kamerstukken 2022–2023 29 538, nr. 3507Landelijk-toetsingskader-Wmo-toezicht.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3659 1.3. Het verlichten van administratieve lasten door eenheid van taal Onderzoeken open house en taakgerichte inkoopOnderdeel van de gemeentelijke taak t.a.v. de Wmo 2015 is voldoendekwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning in te kopen en daarbijaanbieders te selecteren die in staat zijn dit te bieden. Gemeenten kunnendit op verschillende manieren doen, bijvoorbeeld via aanbesteden, eenopen house constructie en subsidies.Recent is een onderzoek opgeleverd waarin uitvoerig onderzocht is welkeinvloed de open house methode heeft op onder meer de kwaliteit,betaalbaarheid en toegankelijkheid van de maatschappelijke onder-steuning. Dit onderzoek is thans gedeeld met uw Kamer in de voortgangs-brief jeugd van najaar 2024.8Daarnaast is een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de waarde enwerking van de taakgerichte uitvoeringsvariant, waarbij gemeentenafspraken met aanbieders van maatschappelijke ondersteuning makenvoor het uitvoeren van jeugdzorg en de maatschappelijke ondersteuning,voor een gehele populatie of een gebied. Anders dan bij de inspannings-gerichte uitvoeringsvariant (de zogenoemde P*Q variant) wordt dus bij detaakgerichte uitvoeringsvariant niet per maatwerkvoorziening gecontrac-teerd, gedeclareerd en verantwoord. Dit vraagt om vertrouwen tussen degemeente en de aanbieder voor maatschappelijke ondersteuning. Uit hetverkennend onderzoek blijkt dat gemeenten het lastig vinden eenuitvoeringsvariant te kiezen die aansluit bij de visie van de gemeente.De onderzoeken laten zien dat niet alleen het verhogen van het kennis-niveau maar ook verdere contractstandaardisatie van het inkoopprocesgemeenten en aanbieders kunnen helpen om de inkoop eenvoudiger enefficiënter vorm te geven. VWS draagt samen met gemeenten enaanbieders bij aan die verdere standaardisatie via het Ketenbureaui-Sociaal Domein. De contractstandaarden voor diensten van maatschap-pelijke ondersteuning zijn op 29 november 2024 vastgesteld door deAlgemene ledenvergadering van de VNG en kunnen vanaf 1 januari 2025worden toegepast door gemeenten. Daarna volgen contractstandaardenvoor hulpmiddelen en vervoer.De vaststelling van de contractstandaarden Wmo 2015 is de eerste stap,de standaardisatiewens (ook in de praktijk) is namelijk groter. Verderestandaardisatie van inkoop helpt de inkoop- en aanbestedingsprocessente vereenvoudigen en beperkt daarmee ook de administratieve lasten vangemeenten en aanbieders, zonder dat het de beleidsruimte vangemeenten te veel beperkt. De VNG, het Ketenbureau i-Sociaal Domein enhet Ministerie van VWS ondersteunen gemeenten en (zorg)aanbieders bijbovenstaande vraagstukken, met als doel te komen tot structurelevereenvoudiging.Standaardisatie en GegevensuitwisselingVanuit verschillende akkoorden, ontwikkelingen9 en de NVS (NationaleVisie en Strategie voor het gezondheidsinformatiestelsel) wordt hetbelang van aansluiting van het sociaal domein (hier: de Wmo 2015) opgegevensuitwisseling steeds meer benadrukt. Bij een effectieve en8Voortgangsbrief Jeugd | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl9Ontwikkelingen zoals: scenario-analyse landelijk dekkend netwerk, EHDS (waarbij delen van hetsociaal domein wel binnen de scope vallen in tegenstelling tot de Wegiz), HeroriëntatieGrondslagen, API strategie, Actieplan ICT Markt, Publiek houderschap: rapport Nictiz over FHIR,generieke functies.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36510 efficiënte samenwerking speelt informatievoorziening een cruciale rol. Eris een groeiend aantal mogelijkheden voor gegevensuitwisseling endigitalisering en daarnaast groeit ook de informatiebehoefte. Enerzijdshebben professionals die vanuit verschillende domeinen samenwerkengegevens nodig om een cliënt goed te kunnen helpen (primair gebruik) enanderzijds is het van belang dat we op basis van beschikbare gegevensonderbouwde (beleidsmatige) keuzes maken voor de toekomst (secundairgebruik).Gegevensuitwisseling wordt vaak genoemd als knelpunt in domein-overstijgende samenwerking (zoals het medisch- en het sociaal domein).Knelpunten die genoemd worden zijn bijvoorbeeld dat de diversedomeinen hun eigen focus, logica, doelstelling en terminologie hebben(m.a.w. een andere taal spreken). Momenteel wordt verkend hoe hetsociaal domein kan aansluiten op de diverse ontwikkelingen en gegevens-uitwisseling domein-overstijgende samenwerking kan versterken.Uniformiteit, harmonisatie en standaardisatie is daarbij de fundamentelebasis in de weg naar interoperabiliteit10 van domein-overstijgendegegevensuitwisseling en het verminderen van administratieve lasten.De huidige informatievoorziening is niet ingericht op domein-overstijgende samenwerking, maar is specifiek gericht op de Wmo 2015.Sinds de decentralisatie in 2015 heeft VWS samen met de VNG,gemeenten, aanbieders en ict-leveranciers al veelvoudig ingezet opstandaardisatie en het voorkomen van (onnodige) administratieve last enregeldruk. Een goed voorbeeld van het ontwikkelen van standaarden is deiStandaard iWmo. De ontwikkeling van de iWmo heeft gezorgd voor eenafname van administratieve last en meer uniformiteit in de backoffice.Maar het kan en moet beter. Uit diverse onderzoeken blijkt dat het huidigeberichtenverkeer aan vernieuwing toe is.Inzet vanuit de WmoDe aankomende periode wil ik dan ook verder inzetten op de doorontwik-keling van een uniform berichtenverkeer (iWmo). Uniformering, harmoni-satie en standaardisatie bieden hiervoor de fundamentele basis om desamenwerking tussen professionals te faciliteren en aan de groterwordende informatiebehoefte te voorzien. Het terugdringen van het aantalproductcodes in de Wmo 2015 om zo min mogelijk (onnodige) administra-tieve last te hebben, is hierbij een absolute noodzaak. Daarnaast is hetbelangrijk om inzichtelijk te maken welke informatiebehoefte er is omdomein-overstijgende samenwerking beter mogelijk te maken en wat ervoor nodig is om de informatievoorziening in de Wmo te laten aansluitenop andere domeinen. Onder de noemer «eenheid van taal» werk ik dekomende periode aan verregaande standaardisatie en harmonisatie.2. Sociale basis en mantelzorg 2.1. Sociale basis Op 6 juli 2023 hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer geïnformeerdover het versterken van de sociale basis en de positie van de mantel-zorgers. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang enresultaten op dit vlak. Ook geef ik aan welke ambities ik zelf heb om de10Interoperabiliteit is «de mogelijkheid van systemen, partijen, of individuen om met elkaarsamen te werken, te communiceren en informatie uit te wisselen». Daarvoor moet datavrijelijk kunnen stromen tussen systemen en organisaties. Als zorgorganisaties informatieduidelijk vastleggen en digitaal uitwisselen, én elkaar daarbij begrijpen, dan zijn zij«interoperabel».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36511 sociale basis verdergaand te versterken en de mantelzorgagenda metkracht voort te zetten. Zoals ik dit ook tijdens de begrotingsbehandelingvan VWS al met uw Kamer heb gedeeld, vind ik dit van groot belang. In deafgelopen periode is ingezet op het faciliteren en ondersteunen vangemeenten om de sociale basis te versterken. De volgende resultaten zijnbereikt:–Organisaties van het sociaal werk zijn gefaciliteerd om met mandaat-gemeenten afspraken te maken over de uitvoering van de regioplan-nen binnen het IZA. Met het toekennen van een subsidie aan SociaalWerk Nederland is de betrokkenheid van sociaal werk versterkt. In14 regio’s zijn sociaal werk organisaties betrokken bij het maken vanafspraken over de opgave voor de regio.–Bijna alle gemeenten beschikken over een lokale beleidsvisie op deSociale Basis. Dit blijkt uit de monitor van het RIVM11.–In 2024 is in opdracht van VWS en in samenwerking met o.a. de VNGen Sociaal Werk Nederland een verandertheorie sociale basisontwikkeld en in september gepubliceerd. Deze verandertheorie biedtconcrete bouwstenen voor gemeenten en maatschappelijke organisa-ties bij het verder vormgeven en versterken van de sociale basis.–Nederlandse Organisatie Vrijwilligerswerk (NOV) heeft een aanvul-lende subsidie ontvangen om vrijwilligersorganisaties beter in staat testellen een grotere en meer verscheiden doelgroep te bereiken voor devrijwillige inzet.Voor de komende periode zie ik het als belangrijkste opdracht om samenmet gemeenten, maatschappelijke partners en de samenleving de socialebasis verder te versterken. Op lokaal niveau draagt de sociale basis in(zorgzame) buurten en wijken bij aan sociale samenhang, het welbe-vinden en de gezondheid van mensen. Mensen met problemen ofondersteuningsvragen op het gebied van eenzaamheid, mentale enfysieke gezondheid en financiën, kunnen terugvallen op steun vanuitbewonersinitiatieven of laagdrempelige ondersteuning in de wijk. Eensterke sociale basis heeft daarmee ook een preventief effect en levert zoeen belangrijke bijdrage aan de kwaliteit en de houdbaarheid van onzezorg.2.2. Mantelzorg De mantelzorgagenda is bijna 1.5 jaar in uitvoering en op 6 juli 2023 aanuw Kamer gestuurd. De eerste resultaten zijn zichtbaar. Zo is er eenhandreiking over mantelzorgwoningen beschikbaar voor gemeentenwaardoor het eenvoudiger wordt om een beslissing te nemen over hetbouwen van een mantelzorgwoning. Daarnaast worden werkgevers enwerknemers actief ondersteund bij het maken van afspraken over decombinatie van mantelzorg en werk en is de SER gestart het onderzoeknaar Werk en Mantelzorg. In het wetsvoorstel Participatiewet in Balans enhet wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting is mede door de inzetvan de mantelzorgagenda expliciete aandacht voor de positie vanmantelzorgers. Deze en andere resultaten zijn weergegeven in bijlage«Factsheet VWS voortgang Mantelzorgagenda 2023–2024».Ik zet de uitvoering van de mantelzorgagenda met kracht voort. Het is vangroot belang om mantelzorgers te faciliteren wanneer zij moeten zorgenvoor familie, vrienden of anderen. Voor het komende jaar zie ik een aantalprioriteiten waar ik op wil versnellen, naast de reguliere uitvoering van deacties die in de mantelzorgagenda zijn opgenomen. Ik doe dit op drieonderwerpen:1.Ondersteuning van mantelzorgers. Dit doe ik door:–Het opzetten en uitvoeren van een communicatiestrategie.11Kamerstukken II, 2024/2025, 32 793, nr. 793Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36512 –Het verbeteren van het aanbod van mantelzorgondersteuning,waaronder het aanbod van laagdrempelige respijtzorg, op lokaalniveau. Hierbij wil ik verkennen in hoeverre het mogelijk is om toteen gelijkgerichter aanbod te komen.–Verbetering van het aanbod van complexe logeerzorg. Hiervoor wilik afspraken maken met gemeenten en zorgkantoren.2.Het verbeteren van de samenwerking tussen formele zorgverleners enhet informeel netwerk. Dit doe ik in ieder geval door op dit moment teinventariseren welke acties en maatregelen al worden uitgevoerd enwat nog meer nodig is.3.Het faciliteren van werkende mantelzorgers. Dit doe ik door:–Het faciliteren van de Stichting Werk en Mantelzorg. Deze stichtinggaat in 2025 afspraken maken met diverse sectoren hoe werk enmantelzorg kan worden gecombineerd. Waar bieden de Ministervan SZW en ik ondersteuning bij deze gesprekken.–De SER is bezig met de uitvoering van het onderzoek naar Werk enMantelzorg. Dit is in het derde kwartaal van 2025 gereed. Op basisvan aanbevelingen van de SER zullen de Minister van VWS en iksamen met de andere verantwoordelijk bewindspersonen vervolg-stappen bepalen.In de bijlage treft u de inhoudelijke reactie op het onderzoeksrapport«Ondersteuningsbehoeften van mantelzorgers die zorgen voor een naastemet levenslange en levensbrede zorg- of ondersteuningsvraag»12, dat op20 maart 2024 naar uw Kamer is gestuurd13. Het onderzoek geeft eenbeter beeld van de ondersteuningsbehoefte van een specifieke groepmantelzorgers. Ik benut de aanbevelingen uit het rapport bij de actiesgericht op de ondersteuning van de mantelzorgers uit de Mantelzorg-agenda.2.3. Vrijwillige Inzet Ik zet de acties en maatregelen op het terrein van vrijwillige inzet voort.Met de aanpak regeldruk vrijwilligerswerk, de uitvoering van de gratisVOG en met het verstrekken van verschillende subsidies wordt gewerktaan de vernieuwing van vrijwillige inzet. Daarnaast kijk ik naar demogelijkheden om tot vernieuwing te komen. In samenwerking metmaatschappelijke partners en fondsen verken ik de mogelijkheden om toteen gezamenlijke aanpak te komen. Een aantal lopende projectenbevorderen verder de vrijwillige inzet:–Een projectsubsidie voor het Oranje Fonds voor het opzetten van eenregeling voor eenmalige financiële toekenning voor individuelevrijwilligersorganisaties, die hierop een beroep kunnen doen. Dithebben veel organisaties al gedaan: het is een succesvol project.–Het project Samen Ouder Worden van de Vereniging NederlandseOrganisaties Vrijwilligerswerk (NOV) heeft een doorstart gemaakt metsteeds meer verschillende vrijwilligersinitiatieven, georganiseerd vooren door ouderen. Het project is tot slot een samenwerking aangegaanmet de campagne «Praat Vandaag Over Morgen».–Good Busy zet zich in voor het stimuleren van medewerkersvrijwilli-gerswerk en weet steeds meer bedrijven en organisaties te enthousias-meren voor het integreren van vrijwillige inzet onder werktijd.12Ondersteuningsbehoeften van mantelzorgers die zorgen voor een naaste met een levenslangeen levensbrede zorg-of ondersteuningsvraag13Kamerbrief over voortgangsrapportage Toekomstagenda: «zorg en ondersteuning voormensen met een beperking» | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36513 2.4. Moties en toezeggingen Uw kamer heeft mij verzocht om met gemeenten in gesprek te gaan overhet stoppen met het eisen van een mantelzorgverklaring en meer vanuitvertrouwen mantelzorgers te ondersteunen (Motie van het Lid Bikker;14 ).In de Wmo 2015 is geen voorschrift opgenomen over een mantelzorgver-klaring. Gemeenten hebben de ruimte om een dergelijke verklaring tevragen, bijvoorbeeld in het kader van een mantelzorgwoning. Dit geeftechter inderdaad geen blijk van vertrouwen richting mantelzorgers.Daarom heb ik met de VNG en MantelzorgNL afgesproken om in de vormvan een handreiking gemeenten te helpen om vanuit vertrouwenmantelzorgers te ondersteunen met goede voorbeelden over mantelzorg-woningen. Daarnaast is voor gemeenten ondersteuning beschikbaarvanuit het Adviesteam Mantelzorg. Zij kunnen gemeenten helpen bij hetontwikkelen van mantelzorgbeleid. Veel gemeenten maken al gebruik vandeze ondersteuning. Ik beschouw hiermee de motie als afgedaan.In het commissiedebat Ouderenzorg heb ik de Kamer toegezegd15 terug tekomen op de mogelijkheden voor het toepassen van een vrijwilligersver-goeding voor mantelzorgers. Gemeenten hebben, op grond van de Wmo2015, de wettelijke taak om mantelzorgers een jaarlijkse blijk vanwaardering te geven. Dit wordt ook wel het mantelzorgcompliment,mantelzorgwaardering of mantelzorgvergoeding genoemd. Het is aangemeenten zelf om hier een passende invulling aan te geven. Dit kan eenfinanciële tegemoetkoming zijn of een ander soort gebaar. Daarnaasthebben gemeenten ook de wettelijke taak om mantelzorgondersteuningaan te bieden. Financiële ondersteuning, zoals tegemoetkoming van reis-of parkeerkosten, kan hier onderdeel van zijn. Bij de inwerkingtreding vande Wmo 2015 hebben gemeenten financiële middelen ontvangen om demantelzorgondersteuning en waardering op gepaste wijze in te vullen. Opdit moment heb ik geen ambitie om daarnaast een aanvullende financiëleregeling op te stellen.3. Het verbeteren van samenwerking, toegang en professionali-sering 3.1. Lokale teams Stevige (integrale) lokale teams zijn belangrijk in de beweging om mensenzo dichtbij mogelijk in hun leefomgeving, met de juiste zorg of onder-steuning te helpen. Medewerkers kijken laagdrempelig naar de ondersteu-ningsbehoefte op alle levensgebieden. Ook kijken zij wat het sociaalnetwerk van iemand kan betekenen en hoe dit versterkt kan worden.Indien nodig, leiden zij vervolgens toe naar de juiste ondersteuning ofbieden zij zelf hulp, betrekken expertise of verwijzen naar specialistischezorg. Het doel is dat deze stevige multidisciplinaire lokale teams voorWmo én Jeugdhulp in iedere gemeente worden georganiseerd. Omdaarin eenduidigheid te realiseren heeft de VNG eerder dit jaar hetrichtinggevend kader voor toegang, lokale teams en integrale dienstver-lening in het sociaal domein vastgesteld.16 Deze afspraken wordenuitgewerkt in een convenant met alle betrokken partners en er wordtgewerkt aan een instrument waarmee gemeenten inzicht krijgen in waar14Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(XVI) voor het jaar 2024, Tweede Kamer der Staten-Generaal, Tweede Kamer, vergaderjaar2023–2024, 36 410 XVI, nr. 69 / Motie lid Bikker: ze verzoekt de regering om het gesprek tevoeren met gemeenten om te stoppen met het eisen van een mantelzorgverklaring en vanuitvertrouwen mantelzorgers te ondersteunen15Toezegging TZ202410-168 (Kamerstuk 29 389, nr. 128). Over de toepassing van de vrijwilligers-vergoeding voor mantelzorgers (lid El Abassi).16Richtinggevend kader toegang lokale teams en integrale dienstverlening (vng.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36514 zij staan t.o.v. het richtinggevend kader. Daarbij is het belangrijk dat deteams een nauwe verbinding hebben / krijgen met het veiligheidsdomien,de eerstelijnszorg en aandacht hebben voor bestaanszekerheid. Deontwikkeling van stevige lokale teams ondersteunt VWS op verschillendemanieren:–Met ondersteuning aan gemeenten door het ondersteuningsteam Zorgvoor de Jeugd en regioadviseurs (van de VNG).–Met ondersteuning aan lokale teams d.m.v. leernetwerken van deAssociatie wijkteams–Het delen van kennis en inzicht o.a. door het platform sociaal domein–Een specifiek werkpakket op het gebied van veiligheid ontwikkeld doorhet Toekomstscenario kind – en gezinsbescherming3.2. Passend beschikken Voor mensen met een langdurige stabielere ondersteuningsvraag,waaronder mensen met een levenslange, levensbrede beperking ofmensen die vanwege een psychische aandoening langdurig behoeftehebben aan ondersteuning, is het vervelend als zij elke keer hun verhaalopnieuw moeten doen. Een passende beschikkingsduur zorgt voor meerrust en zekerheid voor deze inwoners. Bovendien kunnen er administra-tieve lasten en kosten voorkomen worden aan de kant van gemeenten.Daarom hebben mijn ambtsvoorgangers en blijf ik mij inzetten om eenpassende beschikkingsduur tot norm te maken binnen de Wmo. Sinds deinwerkingtreding van de Wmo 2015 is het al mogelijk langduriger tebeschikken. Ik stimuleer en ondersteun gemeenten om dit toe te passen.Met het leertraject «Verrassend Passend» is het Ketenbureau i-SociaalDomein i.s.m. de VNG en het CAK op een actiegerichte manier metgemeenten aan de slag om toe te werken naar een passende beschik-kingsduur. In de brief Geestelijke gezondheidszorg | Tweede Kamer derStaten-Generaal zorg van 7 mei 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd overhet leertraject Verrassend Passend dat afgelopen jaar is gestart. In dezomer van 2024 is een enquête uitgezet onder gemeenten. Hier hebben54 gemeenten op gereageerd. 40% van deze gemeenten gaf aan voor deverschillende Wmo-producten een verschillend «afsprakenkader» tegebruiken om de looptijd van de beschikking vast te stellen. Daarnaast zet45% van de gemeenten momenteel verdere stappen in het leveren vanmaatwerk bij het vaststellen van de looptijd van de beschikking.17 Deontwikkelde handreiking18 met praktische tips voor het toepassen van eenpassende beschikkingsduur in de Wmo 2015 en de Jeugdwet helptgemeenten hun beschikkingsproces zo in te richten dat zij voldoen aan dewet, terwijl ondersteuning zo flexibel mogelijk kan worden ingezet.3.3. Samenwerking sociaal domein-medisch domein In de periode van november 2023 – maart 2024 hebben Bureau EMMA enPieter Hilhorst in opdracht van VWS een verkenning uitgevoerd naar dekansen en knelpunten als het gaat om de samenwerking tussen hetsociaal en medisch domein.19 Hieruit kwam naar voren dat er velesamenwerkingsverbanden en initiatieven bestaan en bijkomen die goedvan de grond komen en impact maken op het leven van mensen, maar dater ook knelpunten zijn waaronder financiële en organisatorischeknelpunten die het opschalen en verder brengen van de initiatievenbemoeilijkt. De input vanuit de verkenning is benut om verder invulling te17Uitkomsten enquête passend beschikken in de Wmo (vng.nl)18Handreiking verrassend passend (vng.nl)19Rapport verkenning Betere samenwerking tussen medisch- en sociaal domein=betere zorg(emma.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36515 geven aan ondersteuning van gemeenten en haar partners en afsprakente maken in het AZWA over de randvoorwaarden die dit mogelijk maken.Zo wordt er ondersteuning geboden aan gemeenten door het PlatformSociaal Domein (regioadviseurs), werken de Werkplaatsen SociaalDomein aan verschillende projecten voor verdere kennisontwikkelingrondom deze opgave en is er gewerkt aan een betaaltitel voor domein- ensectoroverstijgende samenwerking. In het aanvullend akkoord zorg- enwelzijn waar nu aan gewerkt wordt, staat betere samenwerking tussen hetsociaal en medisch domein centraal en wat er nodig is om deze samen-werking te versterken.3.4. Cliëntondersteuning Sommigen mensen hebben bij het regelen van zorg en ondersteuningiemand nodig die tijdelijk naast hen staat en met hen meedenkt. In deWmo 2015 is bepaald dat gemeenten (gratis) cliëntondersteuning moetenaanbieden, dat het beschikbaar moet zijn voor inwoners die daar behoefteaan hebben en dat bij deze ondersteuning het belang van betrokkenen hetuitgangspunt is. Eerder zijn middelen beschikbaar gesteld voor deversterking van cliëntondersteuning. Met het koplopertraject en met hetvervolg daarop, de specifieke uitkering Versterking Clientondersteuning,zijn inmiddels 199 gemeenten bereikt20. In 2025 stel ik de specifiekeuitkering nog éénmaal open en kunnen nog eens 25 gemeentenaanspraak doen op de beschikbare middelen. Daarnaast ben ikvoornemens een verkenning uit te voeren naar kwaliteitseisen aan defunctie van cliëntondersteuner en de verankering hiervan. De aanleidinghiervoor zijn de verschillen tussen gemeenten bij de invulling van defunctie van cliëntondersteuning. Er is behoefte aan meer eenduidigheiden een duidelijkere positionering van de functie. Dit zorgt er voor datzowel inwoners als professionals beter weten wat zij kunnen verwachtenvan een cliëntondersteuner.4. Het aanbod en de kwaliteit van Wmo-voorzieningen 4.1. Convenant meeverhuizen Tijdens het plenaire debat over de implementatie van het VN-verdragHandicap van 4 april 2024 heeft het lid De Kort (VVD) een motie ingediendwaarin hij de regering verzoekt om een onderzoek uit te voeren naar demate van ondertekening en naleving van het convenant meeverhuizen ende knelpunten en oorzaken van onvoldoende naleving in kaart tebrengen.21Met deze brief bied ik u het onderzoeksrapport «Implementatie Verbeter-agenda Hulpmiddelen» aan. Ik heb dit onderzoek laten uitvoeren doorSignificant Public om inzicht te krijgen in de stand van zaken van deimplementatie en de ervaring van gemeenten met de producten uit deVerbeteragenda Hulpmiddelen, met daarbij bijzondere aandacht voor hetconvenant meeverhuizen.De Verbeteragenda Hulpmiddelen bouwt voort op het in 2020 opgesteldelandelijk normenkader hulpmiddelen en had als doel om de toegang toten levering van (Wmo-)hulpmiddelen merkbaar te verbeteren.22 Dit heeft20Terugblik op 7 jaar Koploperproject Cliëntondersteuning (movisie.nl)21Motie van het lid De Kort c.s., Kamerstukken 2023/24, 24 170, nr. 317.22Brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over hulpmiddelenbeleid in degezondheidszorg, Kamerstukken 2019/20, 32 805, nr. 103.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36516 verschillende handreikingen opgeleverd en twee convenanten: hetconvenant meeverhuizen en het convenant maatwerkprocedure.23Uit het onderzoek blijkt dat gemeenten grotendeels aansluiten bij hetlandelijk beleid en het landelijk normenkader hulpmiddelen, maar dat zijhiervan op meerdere onderdelen afwijken. In bijna een derde van degemeenten wordt bijvoorbeeld een deel van de cliënten niet goedgeïnformeerd over de mogelijkheden om hulpmiddelen aan te schaffenvia een persoonsgebonden budget (pgb). Van de aan het onderzoekdeelnemende gemeenten geeft een meerderheid zelf aan te handelenvolgens convenant maatwerkprocedure (63%) en convenant meever-huizen (83%), maar slechts een derde tot de helft heeft deze convenantenondertekend. De belangrijkste redenen voor het niet ondertekenen zijn deincidentele aard van de ervaren problemen, zelf gevonden oplossingenvoor knelpunten in de hulpmiddelendienstverlening en onduidelijkheidover de implicaties van ondertekening.De meerwaarde van het ondertekenen van het convenant meeverhuizenwordt voor gemeenten vooral zichtbaar als ook andere regiogemeentendezelfde uitgangspunten en werkwijze hebben. Bij complexe problematiekwordt het verhuisproces vaak ingewikkelder door de betrokkenheid vanandere partijen, zoals Wlz-instellingen.Ter verbetering hiervan doet Significant aanbevelingen gericht aan hetMinisterie van VWS. Zo adviseren zij om te investeren in de samen-werking van gemeenten met Wlz-instellingen en zorgkantoren rondom hetconvenant meeverhuizen en het commitment te stimuleren om maatwerk-hulpmiddelen mee te verhuizen. Daarnaast adviseren zij nader onderzoekte doen naar de naleving van de bepalingen in de Wmo zoals demaximale termijn van zes weken voor het beoordelen van een aanvraagen het informeren van cliënten over de mogelijkheid om een hulpmiddelmiddels een pgb aan te schaffen. Gemeenten worden erop gewezen datzij de verplichting hebben cliënten op deze mogelijkheid te wijzen.Ik zal in ieder geval de samenwerking tussen gemeenten, zorgkantoren enWlz-instellingen nagaan om een beter beeld te krijgen van de aard enomvang van de problematiek bij verhuizingen van gemeente naar eenWlz-instelling. Op basis hiervan zal ik bekijken wat eventueel extra nodigis om ervoor te zorgen dat cliënten hun op maat gemaakte hulpmiddelenkunnen behouden.Daarnaast staan in de rapportage ook aanbevelingen voor de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten (VNG), de branchevereniging voor hulpmid-delenleveranciers Firevaned en aan gemeenten. Deze aanbevelingen zijndirect relevant voor het verbeteren van de naleving van het convenant. Ikvind het belangrijk dat er opvolging wordt gegeven aan deze aanbeve-lingen en dat de betrokken partijen zich hiervoor inzetten. Ik ga daarom ingesprek met Firevaned en de VNG voor de uitvoering van de aanbeve-lingen en zal de Tweede Kamer voor de zomer van 2025 informeren overde uitkomsten van dit gesprek.4.2. Verkenning «Zicht op zinvolle daginvulling» Met deze brief bied ik u de verkenning «Zicht op zinvolle daginvulling»aan.Ik heb deze verkenning door Movisie en Significant laten uitvoeren om –met onderbouwde data – beter zicht te krijgen op de wijze waarop deWmo-voorziening dagbesteding wordt vormgegeven, inclusief zicht op23VNG-project Verbeteragenda hulpmiddelen: handreikingen, convenanten, Q&A’s etc. | VNGTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36517 ontwikkelingen, aandachtspunten en kansen. Er is gekeken naar inkoop,aanbod, uitvoering en cliëntervaring.Uit de bevindingen komen de volgende aanbevelingen:–Focus op doorontwikkeling, innovatie en leren.–Draag het belang uit van een zinvolle daginvulling. Volg en deelnieuwe ontwikkelingen en ervaringen van koplopers.–Help het stigma rondom dagbesteding mee terug te dringen.–Zet in op inspraak en meedenken van gebruikers voor een breed endivers aanbod. Geef meer bekendheid aan het brede aanbod.–Oriënteer samen met relevante partijen op de mogelijkheid om beterzicht te krijgen op het veld van zinvolle daginvulling.Deze aanbevelingen en andere aandachtspunten zijn in de verkenningverder uitgewerkt. Ik vind het belangrijk dat Rijk, gemeente, aanbieders enandere betrokken partijen zich inzetten om hier opvolging aan te geven.Dat zal in ieder geval in het kader van het interdepartementaleprogramma Simpel Switchen in de participatieketen worden opgepakt.Dat programma is erop gericht mensen op de best passende plek deel telaten nemen aan de maatschappij, waarbij de inzet is om «switchen»tussen dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werkeenvoudiger te maken.Recreatieve, ontwikkelingsgerichte en arbeidsmatige dagbesteding zijneen belangrijke voorziening voor onder meer zingeving, ontwikkeling,werk, sociaal contact en op de best passende plek meedoen in demaatschappij. Het beeld uit de verkenning dat het in de maatschappij –mede door het gebruik van het woord «dagbesteding» – soms wordtgezien als slechts het bezighouden van cliënten is niet passend voor debetekenis die deze ondersteuning heeft voor cliënten.Landelijk dekkend netwerk laagdrempelige steunpuntenIn het IZA24 is afgesproken om de komende vijf jaar te komen tot eenlandelijk dekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten, zoalszelfregie- en herstelcentra, waar iedere inwoner, met name mensen metEPA (Ernstige Psychiatrische Aandoeningen), toegang tot heeft: gerunddoor vrijwilligers en ervaringsdeskundigen, ondersteund door sociaalwerkers en in verbinding met ggz professionals. Ook is er eenlink/aanspreekpunt naar huisartsen.Om de ontwikkeling van het landelijk dekkend netwerk in beeld tebrengen, is onlangs een verkennend onderzoek uitgevoerd. Hierbij stuur ikuw Kamer dit onderzoek zoals toegezegd in de schriftelijke beantwoordingop de vragen gesteld tijdens de eerste termijn van het debat over deontwerpbegroting VWS 2024. Het onderzoek geeft inzicht in de «stand vanhet land» en bevat adviezen aan de IZA-werkgroep laagdrempeligesteunpunten om de beweging richting een landelijk dekkend netwerkverder op gang te brengen. Het onderzoek laat zien dat er momenteel278 steunpunten zijn en dat er daarnaast ruim 50 initiatieven als potentieelsteunpunt kunnen worden aangemerkt. Veel laagdrempelige steunpuntenvoldoen in grote mate aan de tien kenmerken die door genoemdeIZA-werkgroep zijn opgesteld.2524Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2021–2022, 31 765, nr. 65525Handvatten voor de regio’s in het kader van realisatie van de IZA-afspraak over laagdrem-pelige steunpuntenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36518 De onderzoekers concluderen op basis van deze eerste meting en deinformatie die zij uit het veld hebben verkregen dat er meer bekendheiden een sterke ontwikkeling van laagdrempelige steunpunten gaande is.Daarnaast laat het rapport zien dat het belangrijk is vooral te kijken of ereen inhoudelijk/kwalitatief goed en regionaal dekkend netwerk is en nietalleen de focus te leggen op aantallen gerealiseerde steunpunten. Omdeze beweging verder kracht bij te zetten, start in opdracht van deIZA-werkgroep laagdrempelige steunpunten in januari 2025 een landelijkondersteuningsprogramma. In dit ondersteuningsprogramma krijgen ookadviezen uit het onderzoek opvolging, gericht op de (praktische) onder-steuningsbehoefte, waaronder governance en borging van steunpuntenen andere partijen in de regio’s. Tevens monitort het ondersteuningspro-gramma in hoeverre de ambitie om te komen tot een de landelijk dekkendnetwerk van laagdrempelige steunpunten daadwerkelijk gerealiseerdwordt. Afgelopen voorjaar is door lid Westerveld een motie ingediend26die oproept niet alleen te zorgen dat de ambitie voor een landelijkdekkend netwerk van laagdrempelige steunpunten gehaald wordt, maarer ook voor te zorgen dat deze steunpunten kunnen blijven bestaan doorstructurele financiering mogelijk te maken. Op deze motie kom ik terug inde brede ggz-brief die in het eerste kwartaal van 2025 aan uw Kamerverzonden wordt.5. Wonen en zorg Voor veel mensen die gebruik maken van zorg en ondersteuning ispassende huisvesting noodzakelijk. Dit geldt zeker voor mensen diedakloos zijn of dreigen te raken. Middels een aparte brief heb ik ugeinformeerd, mede namens de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheiden de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over debelangrijkste ontwikkelingen en de voortgang ten aanzien van de aanpakdakloosheid.Daarnaast wordt met de wet versterking regie volkshuisvesting wordt eenverbinding gelegd tussen het volkshuisvestingsprogramma en hetWmo-beleidsplan uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Hetwetsvoorstel geeft het Rijk, provincies en gemeenten de wettelijkeinstrumenten te sturen op hoeveel, waar en voor wie er wordt gebouwd,dat er sneller kan worden gebouwd en dat de meest kwetsbare groepenmensen met urgentie een woning krijgen. Het voorstel regelt ook datgemeenten in het Wmo-beleidsplan aandacht moeten besteden aan dezorg- en ondersteuningsbehoefte bij de huisvesting van de bij algemenemaatregel van bestuur aangewezen aandachtsgroepen. Daarmee wordtdit vraagstuk een integraal onderdeel van het Wm-beleid en tegelijkertijdonderdeel van de lokale besluitvorming. Het wetsvoorstel is begin maart2024 naar uw Kamer gezonden.6. Cliëntervaringsonderzoek over de Wmo 2015 Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verplicht om jaarlijks eencliëntervaringsonderzoek (CEO) uit te voeren. De resultaten moeten inzichtverschaffen in de door cliënten ervaren toegankelijkheid, kwaliteit en heteffect van de geboden ondersteuning.Voor het uitvoeren van het CEO Wmo was tot 2021 het gebruik van eenstandaardvragenlijst voorgeschreven. De wijze waarop het CEO Wmo wasingericht leverde gemeenten echter onvoldoende bruikbare sturingsinfor-matie op voor gemeenten. Voorheen werden (alleen) de kwantitatieve26Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2023–2024, 25 424, nr. 691Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36519 resultaten van de set standaardvragen gerapporteerd en gepubliceerd opwww.waarstaatjegemeente.nl. Hierdoor kunnen gemeenten hun eigengegevens over het CEO met elkaar vergelijken. Deze cijfers gaven echterweinig verdiepende informatie en de cijfers van de verschillendegemeenten konden vanwege regionale verschillen of andere werkwijzenbinnen gemeenten niet een-op-een met elkaar vergeleken worden.In januari 2021 is daarom gestart met het CEO Wmo «nieuwe stijl». Denieuwe opzet van het CEO Wmo is er enerzijds op gericht om gemeentenflexibiliteit te geven bij het inrichten van het eigen CEO zodat zij daardoorbetere lokale sturingsinformatie kunnen verkrijgen en kunnen inzetten ophet leren en verbeteren. Anderzijds is het van belang dat er met de nieuweopzet ook een landelijk beeld geschetst kan worden van de cliënterva-ringen met de Wmo.Er is daarom een rapportageformat ontwikkeld voor gemeenten met alsdoel om een landelijk beeld te verkrijgen van het doel, de opzet,uitvoering en uitkomsten van het gemeentelijke CEO en de opvolging vande resultaten. Naast de landelijke rapportage worden de hoofduitkomstenvan het door gemeenten uitgevoerde ceo en een pdf van de doorgemeenten aangeleverde rapportageformats (met toestemming van dedesbetreffende gemeenten) gepresenteerd opwww.waarstaatjegemeente.nl.In het bijgevoegde rapport van I&O Research wordt een landelijk beeldgeschetst op basis van de door gemeenten aangeleverde onderzoeksre-sultaten over de cliëntervaringen met de Wmo in 2023.Algemene conclusies over de Wmo 2015De meeste Wmo-cliënten zijn volgens de onderzoeken van gemeentenover het algemeen tevreden over de ondersteuning die zij ontvangen:vanaf het contact met de gemeente tot de effecten die zij ervaren van deondersteuning. Gekeken naar de ontwikkeling die gemeenten schetsenover de afgelopen jaren is de tevredenheid onder cliënten stabiel (hoog)gebleven of licht toegenomen. Een kleine groep constateert een lichtedaling. Uit eerdere cijfers van de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domeinop WaarStaatJeGemeente.nl (2020) blijkt dat ongeveer 75 tot 85 procentvan de Wmo-cliënten tevreden is en ongeveer 5 tot 10 procentontevreden.Bij de toegang zien gemeenten de meeste aanleiding voor verbetering.Het algemene beeld dat uit de onderzoeken van gemeenten komt, is dathet percentage cliënten dat bekend is met onafhankelijke cliëntonder-steuning laag is. Maar niet iedere cliënt heeft ook behoefte aan onafhan-kelijke cliëntondersteuning, bijvoorbeeld bij het aanvragen van enkel-voudige ondersteuning zoals hulp bij het huishouden. Positief is datsteeds meer gemeenten de bekendheid over de mogelijkheid totonafhankelijke cliëntondersteuning zien toenemen bij cliënten. Tochblijven gemeenten dit als aandachtspunt zien waarmee zij aan de slaggaan (of al zijn) om de informatievoorziening te verbeteren. Een anderverbeterpunt is de snelheid waarmee de hulp en ondersteuning wordtgeboden. Vanwege personeelstekorten moesten cliënten soms langerwachten tot zij een (keukentafel)gesprek hadden of tot dat deWmo-ondersteuning kon starten. Tot slot constateert een deel van degemeenten op basis van de resultaten van het CEO dat de bekendheid envindbaarheid van de toegang tot de Wmo-ondersteuning eenaandachtspunt is. Zes procent van de gemeenten ziet geen aanleidingvoor verbetering op basis van het CEO. Wat betreft de kwaliteit van deondersteuning zien minder gemeenten aanleiding voor verbetering:43 procent noemt geen verbeterpunten. Gemeenten die wel verbeter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36520 punten constateerden, noemen met name de aansluiting tussen dehulpvraag en de geboden hulp en de communicatie met cliënten,bijvoorbeeld over wat zij kunnen verwachten van de Wmo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 36521
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris informeert de Kamer in de volgende WOZO-brief over de volgende zaken: (1) de inzet van de Specialist Ouderengeneeskunde via de Wet langduri
De staatssecretaris informeert de Kamer in de volgende WOZO-brief over de volgende zaken: (1) de inzet van de Specialist Ouderengeneeskunde via de Wet langdurige zorg (Wlz), (2) reablement, (3) concretisering van het generieke kompas 'Samenwerken aan kwaliteit van bestaan' (incl. alle vragen die hi
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.