Opheffing handhavingsmoratorium
Brontekst
Versie 3de5f1c0f910dc80 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 282Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsectorNr. 587 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 december 2024Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën, over degevolgen van het opheffen van het handhavingsmoratorium metbetrekking tot de kwalificatie van de arbeidsrelaties voor de loonheffingenin de zorg. Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging die ik tijdenshet CD eerstelijnszorg van 7 november jl. heb gedaan om u voorafgaandaan het CD arbeidsmarkt in de zorg te informeren over wat de opheffingvan het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 voor de zorg betekent.Vooropgesteld, veel zelfstandigen kiezen bewust voor het ondernemer-schap en leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan onze economie.Tegelijkertijd is het al langer een onderwerp van gesprek dat er veelzelfstandigen in de zorg werkzaam zijn, en dat dit aantal sterk is gestegen.Ik zie dat er in zorg en welzijn regelmatig zzp’ers worden ingezet terwijl erop basis van wet- en regelgeving sprake is van een dienstbetrekking(schijnzelfstandigheid). In de brief van 10 februari 20201 benadrukte hettoenmalige kabinet al het belang van een goede balans tussenmedewerkers in loondienst en flexwerkers, waaronder zzp’ers, om zo dekwaliteit en continuïteit van zorg te kunnen blijven borgen. Het tegengaanvan schijnzelfstandigheid is hierbij van groot belang. Diezelfde lijn wordtvoortgezet door het huidige kabinet. De opheffing van het handhavings-moratorium is dan ook een van de maatregelen van het kabinet omschijnzelfstandigheid tegen te gaan.De opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 betekentdat er weer volledig gehandhaafd gaat worden op de kwalificatie van dearbeidsrelatie voor de loonheffingen. Er is geen sprake van een veran-dering in wet- en regelgeving. De opheffing is in 2022 aangekondigd.2 Desector heeft zich daarmee de afgelopen jaren op het opheffen van hethandhavingsmoratorium kunnen voorbereiden.1Kamerstukken II, 2019/20, 29 282, nr. 396, p.1.2Kamerstukken II, 2021/22, 31 066, nr. 1094, p.14. kst-29282-587ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 282, nr. 5871 Ook voor zorg en welzijn geldt het uitgangspunt dat schijnzelfstandigheidonwenselijk is. In het Integraal Zorgakkoord [september 2022] is – met hetoog op de benodigde voorbereiding op de handhaving – opgenomen datpartijen afspreken dat schijnzelfstandigheid wordt vermeden.3 Zo is onderandere afgesproken dat brancheorganisaties een rol nemen in hetvoorkomen van schijnzelfstandigheid en hun leden aansporen om zich tehouden aan wet- en regelgeving. Hiervoor hebben verschillende branche-organisaties in de zorg de afgelopen jaren trajecten uitgevoerd insamenwerking met VWS, SZW en Financiën/Belastingdienst.De verschillende brancheorganisaties hebben hun leden ieder op huneigen wijze geïnformeerd over de inzet van zzp’ers, onder andere viawebinars. De gemene deler in al die voorlichting is dat bij de beoordelingvan de arbeidsrelatie op basis van de bestaande wet- en regelgeving enrelevante jurisprudentie, alle feiten en omstandigheden, in onderlingverband bezien, meewegen.Al met al hebben deze trajecten meer duidelijkheid verschaft; zo is voorbetrokken branches inzichtelijk geworden dat veel van de huidige zzp’ersin de zorg feitelijk in loondienst werkzaam zouden moeten zijn. Dit geldtbijvoorbeeld voor veel van de zzp-zorgmedewerkers die werkzaam zijn ininstellingsverband. Ook vaste waarnemers in de eerstelijnszorg kunnen inalgemene zin niet als zzp’er werken. Voor assistenten en anderszinsondersteunende zorgmedewerkers geldt hetzelfde. Voor de echt onderne-mende zelfstandigen blijft in zorg en welzijn onveranderd ruimte, zoalsook is toegelicht in de brief van 10 februari 2020 voornoemd.Bij het verkrijgen van meer duidelijkheid over wanneer inzet van zzp’erswel en niet mogelijk is in de zorg, is een aantal specifieke deelgebieden(bijvoorbeeld avond-, nacht- en weekenddiensten, kortdurendewaarneming en kwetsbare patiënten die specifieke eerstelijnszorg nodighebben in instellingen) naar voren gekomen waar gegeven de organisatievan zorg extra duiding wenselijk is. Deze casuïstiek is bekend bij mijnministerie en wij buigen ons hier reeds over.Omdat 2025 ook het jaar wordt waarin weer volledig wordt gehandhaafden de sector gebaat is bij duidelijkheid, wil ik samen met het Ministerievan SZW en Financiën/ de belastingdienst verder verkennen hoe wij, inspecifieke situaties deze duiding zoveel als mogelijk kunnen geven. Metbehulp van casussen verwacht ik deze duidelijkheid verder vorm tekunnen geven. Dit stelt de sector in staat om de uitkomsten daarvan teverdisconteren in hun bedrijfsvoering en op basis daarvan concrete extrastappen te zetten om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Primair is het deverantwoordelijkheid van de sector om te bezien in welke gevallen sprakezou moeten zijn van een loondienstverband en wanneer inzet als zzp’ermogelijk is en hier zo nodig juridisch advies over in te winnen. Ik zieechter in zorg en welzijn ook een aantal structurele vraagstukken vanorganisatorische aard. Diverse casuïstiek op dit vlak is al bij mijnministerie ingediend en door het Ministerie van SZW en de Belasting-dienst deels voorzien van een standpunt. Daarnaast bied ik brancheorga-nisaties in zorg en welzijn tot uiterlijk 31 januari 2025 aan om aanvullendecasusposities (voorzien van een eigen standpunt) kenbaar te maken diekunnen bijdragen aan het geven van duidelijkheid. Brancheorganisatieskunnen deze casussen kenbaar maken bij mijn ministerie.Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie zijn alle feiten en omstandig-heden van die arbeidsrelatie van belang. De rechter heeft in een uitspraakbepaald dat de volgende feiten en omstandigheden van belang kunnenzijn:1.de aard en duur van de werkzaamheden2.de manier waarop de werkzaamheden en werktijden zijn bepaald3.de mate waarin de werkzaamheden én de opdrachtnemer onderdeelzijn van de organisatie van de opdrachtgever3Kamerstukken II, 2022/23, 31 765, nr. 705; «Het Integraal Zorgakkoord», p. 87/88.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 282, nr. 5872 4.wel of geen verplichting het werk persoonlijk uit te voeren5.de manier waarop afspraken tot stand zijn gekomen6.de manier waarop de beloning is bepaald en wordt uitbetaald7.de hoogte van de beloning8.de mate waarin de opdrachtnemer bij de opdracht commercieel risicoloopt9.de mate waarin de opdrachtnemer zich als ondernemer gedraagt ofkan gedragen, bijvoorbeeld: wat doet de opdrachtnemer omopdrachten en een goede naam te krijgen, hoe behandelt deBelastingdienst de opdrachtnemer, wat is het aantal opdrachtgeversen hoelang werkt de opdrachtnemer meestal voor een opdrachtge-ver?Eerder heeft de Hoge Raad ook al geoordeeld dat wet- en regelgeving dievan belang is voor de wijze waarop de samenwerking tussen de zorgaan-bieder en de zorgverlener wordt vormgegeven meeweegt in boven-staande beoordeling.4Het is daarom belangrijk dat casussen die ingebracht worden, op basisvan deze feiten en omstandigheden, voorzien zijn van een eigenstandpunt. Het bespreken van de casuïstiek is niet bedoeld om dejuridische beoordeling over te nemen. Dat is aan de sector.VWS en SZW hebben in 2024, in samenwerking met het veld, al de eerstestappen gezet om te komen tot alternatieven voor een flexibele schil. Hierga ik, samen met SZW, in 2025 mee door. De alternatieven voor eenflexibele schil zijn nodig in de situaties waarin men tot de conclusie komtdat van echte zelfstandigheid geen sprake blijkt in een bepaald deelgebiedwaar dat (in de praktijk) op dit moment wel veel voorkomt.Met u hoor ik signalen over de gevolgen van het niet kunnen inzetten vanschijnzelfstandigen. Ik realiseer mij dat het voldoen aan wet- en regel-geving en de opheffing van het handhavingsmoratorium inspanning vergten een spannend moment kan zijn voor werkgevenden en werkenden. Ditgeldt niet alleen in zorg en welzijn, maar voor alle sectoren. Hierbijworden alle sectoren gelijk behandeld. Werken met een uitzondering opde handhaving voor een bepaalde sector acht ik juridisch onhoudbaar,voor de uitvoering onhaalbaar en beleidsmatig onwenselijk, zeker uitoogpunt van rechtsgelijkheid tussen sectoren.Ondanks de uitdagingen zie ik al veel werkgevers die de organisatieanders aan het inrichten zijn zodat zij handelen conform wet- en regel-geving en daar inmiddels ook de voordelen van ervaren. Ik verwacht datde voordelen van handhaving op schijnzelfstandigheid uiteindelijk zullenopwegen tegen de huidige situatie.Daarnaast geldt, voor een zachte landing, 2025 als een «overgangsjaar».De Belastingdienst publiceert binnenkort het handhavingsplan arbeidsre-laties 2025. In dit plan is, zoals ook door de Kamer verzocht, uitgewerkthoe de Belastingdienst zorgt voor een zachte landing. Verder wordt alingezet op rijksbrede publiekscommunicatie die waar nodig wordtgeïntensiveerd, bijvoorbeeld door meer sectorgerichte communicatie omverduidelijking en bewustwording over het belang van de juiste arbeids-kwalificatie te bevorderen per doelgroep. Ik zal ook actief alle beschikbareinformatie onder de aandacht brengen van de sector zorg en welzijn.Dit alles in ogenschouw nemend ben ik van mening dat, ondanks deuitdagingen die ik zeker erken, de opheffing van het handhavingsmora-torium ook voor zorg en welzijn een belangrijke stap is die zal bijdragenaan een meer toekomstbestendige arbeidsmarkt in zorg en welzijn.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M. Agema4Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:343 (r.o. 2.4.1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 282, nr. 5873
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.