KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs

19 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ea0747a4cba78849 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 777 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUREN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 december 2024Met deze brief informeer ik u over de voortgang op verschillende thema’s.Daarnaast geef ik u een update over de uitvoering van verschillendeaangenomen moties en toezeggingen die zijn gedaan. Tot slot bied ik u deresultaten van enkele onderzoeken aan.1. Knelpunten Samen naar School in het Voortgezet Onderwijs Op 18 juni 2024 heeft uw Kamer een motie van het lid Westerveld(GroenLinks-PvdA) aangenomen die oproept om Samen naar School-klassen in het voortgezet onderwijs (hierna: vo) verder te stimuleren. Demotie verzoekt om een analyse te maken van de knelpunten en een plante maken om deze weg te nemen, waaronder de benodigde aanpassingenin wet- en regelgeving, en dit plan voor het einde van het jaar naar deKamer te sturen.1 Hierbij informeer ik uw Kamer over de stand van zaken.Op dit moment verstrek ik subsidie aan partijen voor de ondersteuningvan Samen naar School-initiatieven in het primair onderwijs (hierna: po),bijvoorbeeld aan de Nederlandse Stichting het Gehandicapte Kind. Aandeze partijen heb ik gevraagd om te komen tot een eerste versie van eenanalyse. Daarvoor zijn onder andere gesprekken gevoerd met meerdereinitiatiefnemers van Samen naar School-klassen en andere belangheb-benden.Uit de analyse blijkt dat de verdergaande invoering van Samen naarSchool-klassen in het vo stuit op enkele wettelijke belemmeringen. Tedenken valt bijvoorbeeld aan het principe dat de verschillende school-soorten zijn gericht op het behalen van het diploma en om voor tebereiden op aansluitend vervolgonderwijs en daarbij deel te nemen aaneen eindexamen. Voor de leerlingen waar het hier om gaat is dit echterniet haalbaar. Verder zijn scholen verplicht om in de eerste leerjaren van1Kamerstukken II, 2023/24, 31 497, nr. 487 kst-31293-777ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7771 het vo hun onderwijs aan de hand van kerndoelen in te richten. Voorleerlingen in een Samen naar School-klas is echter een aangepaste leerlijnof zelfs een aangepast curriculum nodig.Naast wettelijke belemmeringen zijn er ook belemmeringen die in depraktijk worden ervaren. Zo zijn scholen terughoudend in het inschrijvenomdat daarmee de zorgplicht passend onderwijs gaat spelen, ook als deSamen naar School-klas toch niet de beste plek voor een leerling blijkt tezijn. Ook gaan sommige scholen ervan uit dat binnen een onderwijs-niveau hooguit één keer gedoubleerd zou mogen worden, maar dat staatniet zo in de wet.Op meerdere plekken in het land wordt al gebruik gemaakt van mogelijk-heden die er binnen de wet zijn voor variatie in het onderwijsprogrammaen het leertempo. Tegelijkertijd concludeert de verkenning dat er nog veelruimte is voor verbetering om leerlingen met een beperking regulier vo telaten volgen. De motie roept het kabinet ook op om concrete stappen tezetten om deze doelgroep beter te ondersteunen. We gaan hierover dekomende periode verder in gesprek met het veld om te kijken wathiervoor nodig is. Uw Kamer wordt daarover in 2025 nader geïnformeerd.2. Voortgang subsidie Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs Tot en met vorig jaar konden scholen gebruik maken van de subsidiere-geling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs. In navolging van demotie van het lid Rudmer Heerema (VVD)2 is bovenstaande subsidiere-geling gemaakt om scholen, in eerste instantie voor twee jaar, teondersteunen bij de wettelijke verplichting van 90 minuten bewegingson-derwijs of om bewegen door de schooldag heen te stimuleren. Metingang van schooljaar 2023/2024 is de urennorm bewegingsonderwijs inwerking getreden.3 In totaal hebben 1613 scholen in het po deelgenomenaan de subsidieregeling, verdeeld over twee jaren.In de vorige kabinetsperiode is besloten de bestedingstermijn van desubsidie te verlengen tot en met 31 juli 2024. Daarmee is ook de evaluatieverschoven van eind 2023 naar eind 2024. De evaluatie van de subsidiere-geling geeft voor een deel een beeld in hoeverre de subsidieregelingeffectief is geweest. Over de resultaten van de evaluatie van de subsidie-regeling wordt uw Kamer begin 2025 geïnformeerd.Vanuit de voormalige prestatieboxmiddelen was € 8 miljoen per jaarbeschikbaar waarmee een extra impuls kon worden gegeven aan dekwaliteit van bewegingsonderwijs. Recent is besloten de gereserveerdemiddelen voor bewegingsonderwijs op te nemen in de Rijksbredesubsidietaakstelling.3. Reactie op brief rondom een thuiszittende jongere Op 3 juli 2024 heeft de vaste commissie een brief ontvangen van eenbezorgde ouder in het kader van passend onderwijs aan een thuiszittendejongere. De commissie heeft mij vervolgens verzocht op deze brieftereageren.4 In deze individuele casus is Gedragswerk ingezet. Deze heeftmet de ouder en de jongere gesproken en uiteindelijk bemiddeld om eenpassende oplossing te vinden. Ook de directeur van het samenwerkings-verband heeft een gesprek gehad met de jongere en de ouder. Dankzij hetdoorzettingsvermogen van de jongere, zijn vader en de gesprekken met2Kamerstukken II, 2020/21, 35 570-VIII, nr. 423Kamerstukken II, 2021/22, 31 293, nr. 64142024D31354Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7772 Gedragswerk is het de jongere gelukt zijn vmbo diploma te halen. Deschool van de jongere heeft met hulp van het samenwerkingsverbandervoor gezorgd dat de jongere nu kan proberen zijn havo diploma tebehalen.4. Toegankelijkheid van digitale leermiddelen Tijdens het commissiedebat Passend Onderwijs van mei 2024 (Kamerstuk31 497, nr. 492) heb ik toegezegd om op basis van een lopend onderzoekte bezien of een nulmeting van de toegankelijkheid van digitale leermid-delen nodig en mogelijk is.5 Op 22 november heeft uw Kamer een briefontvangen over leermiddelen.6 Hiermee heb ik uw Kamer ook eenliteratuuronderzoek over kwaliteitscriteria van leermiddelen aangebodenwaarbij de mate van toegankelijkheid in het gebruik van Nederlandseleermiddelen is onderzocht. De conclusie is dat hier vrijwel niets bekendover is in gepubliceerde onderzoeken. Daarom zal er een aanvullendonderzoek worden uitgezet waarin een nulmeting zal plaatsvinden op defysieke en digitale toegankelijkheid van lesmateriaal, toetsmateriaal,overige leermiddelen en devices waarbij in kaart wordt gebracht wat hetprobleem is, wat de oorzaak is en wat de schaal van het probleem is. UwKamer wordt in 2025 nader geïnformeerd over de uitkomsten van denulmeting.5. Reactie Kamermotie over tracking en Big Tech in het onderwijs Graag informeer ik uw Kamer ook naar aanleiding van de motie over hettracken van leerlingen in het schoollokaal en het ontwikkelen vanEuropese alternatieven voor onderwijsproducten en diensten van Big Tech(Van Baarle, DENK).7 In de recente brief over digitalisering en leermid-delen in het funderend onderwijs die ik uw Kamer heb gestuurd8 isingegaan op de stand van zaken en vervolgacties met betrekking tot hetverkennen van alternatieven voor Big Tech in onderwijs, in reactie op demotie Kathmann (GroenLinks/PvdA)9. Voor wat betreft het andere aspect,tracking van leerlingen, herhaal ik graag mijn constatering op22 november jl. dat de toepassing van de Algemene VerordeningGegevensbescherming (AVG) laat zien dat EU-regelgeving al een effectiefinstrument is om publieke waarden in het onderwijs te borgen. Voordatdigitale leermiddelen gebruikt gaan worden moet duidelijk zijn wat erwaarvoor verwerkt gaat worden door de aanbieder van de middelen. Voorverwerkingen met een mogelijk hoog-risico dient men op grond van deAVG altijd een data protection impact assessment (DPIA) uit te voeren. Erzal bij de proportionaliteit en subsidiariteitsvraag een goede onder-bouwing noodzakelijk zijn waarom het verwerken van specifieke gegevensnoodzakelijk is. De ict-coöperaties SURF en SIVON, respectievelijk voorhet hoger onderwijs en het funderend onderwijs, adviseren scholen eninstellingen over privacy in leermiddelen, het uitvoeren van DPIA’s en hetbeoordelen van verwerkersovereenkomsten die scholen afsluiten metleveranciers. In het licht van het bestaande juridische instrumentarium iseen Europees wettelijk verbod niet noodzakelijk.5TZ202405–0716Kamerstukken II, 2023–2024, 32 034, nr. 547Kamerstukken 2022–2023, 32 034, nr. 468Kamerstukken 2024–2025, 32 034, nr. 549Kamerstukken II 2022/23, 32 761, nr. 277Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7773 6. Stand van zaken naar aanleiding van toezegging tijdensvmbo-debat over onderzoek vijfjarig vmbo Tijdens het commissiedebat over het vmbo op 27 juni 2024 (Kamerstuk30 079, nr. 123) heb ik toegezegd de vier beleidsvarianten voor eenvijfjarig vmbo, zoals eerder benoemd in de brief van 7 juni 2024 over hetvmbo, uit te werken in een beleidsreactie, inclusief de variant met hetoriëntatiejaar.10 Ik zal deze uitwerking niet meer dit jaar naar uw Kamersturen, maar meenemen in mijn verkenning naar de toekomst vanberoepsgerichte profielen in het vmbo. In deze verkenning onderzoek iknamelijk of de huidige profielenstructuur in het vmbo nog passend en teorganiseren is in het onderwijsveld en in de maatschappij en of dit stelselaanpassing behoeft. De varianten van een eventueel verlengd vmbo staanniet los van deze verkenning. Een vijfjarig vmbo houdt immers verbandmet vraagstukken over de organisatie van het vmbo, het curriculum,bekostiging, benodigde docenten, huisvesting en instroom op het mbo.De verkenning zal ik in het vierde kwartaal van 2025 naar uw Kamersturen.7. Leerlingenvervoer Het leerlingenvervoer staat al enige tijd onder druk. Te vaak komt het voordat vervoer uitvalt of vertraagd is. De gevolgen van deze problematiekkunnen zeer groot zijn voor leerlingen die gebruik maken van het vervoer.Om beter inzicht te krijgen in de orde van grootte hiervan, heeft mijnministerie twee peilingen naar het leerlingenvervoer onder scholenuitgezet: één over de periode voor de zomervakantie en één over deperiode erna. Ook is de Monitor Leerlingenvervoeruit 2022 herhaald, omeen beter beeld te krijgen van de ontwikkelingen van het leerlingen-vervoer en gemeentelijk beleid.11 De belangrijkste resultaten van dezetwee peilingen en monitor vindt uw Kamer hieronder, de rapporten zijn tevinden in de bijlage.12Recent heeft ook de Kinderombudsman, naar aanleiding van eenuitzending van Zembla van 8 december jl., aandacht gevraagd voor deproblematiek in het leerlingenvervoer. Ik erken de problemen die deKinderombudsman adresseert. Ook zijn enkele oplossingsrichtingen diede Kinderombudsman oppert interessant om nader te verkennen, metname het centraal stellen van het kind en het zien van vervoer als eenvorm van zorg. Ik zal het eerste punt dan ook onder de aandacht brengenvan de VNG en het tweede bij de Staatssecretaris van VWS.Verschillen tussen gemeenten grootDe resultaten van de onderzoeken zijn zorgwekkend. Zo geven scholenaan dat gemiddeld één op de vijf leerlingen per schoolweek tenminste éénkeer te laat komt op school en dat een kwart van de leerlingen door hetvervoer regelmatig niet goed kan meedoen aan de les. Dit is veront-rustend. Temeer omdat de verschillen tussen gemeenten groot zijn. Dit zitniet alleen in de mate dat leerlingen te laat komen op school, maar ook inhun beleidskeuzes. Denk aan kwaliteitsafspraken met vervoerders, hetgezamenlijk aanbesteden van het leerlingenvervoer met andere vormenvan doelgroepenvervoer en (afspraken over) maximale reistijden.10Toezegging TZ202406–060, Kamerstukken II 2023/2024, 30 079, nr. 12211Leerlingenvervoer in Nederland, monitor 2022 Oberon onderzoek en advies12Rapport LeerlingenvervoerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7774 Omdat de kwalitatieve verschillen tussen gemeenten zo groot zijn, heb ikde VNG verzocht om gemeenten op te roepen hun verantwoordelijkheidte pakken, en gemeenten hierin te ondersteunen. De noodzaak hiervanblijkt namelijk opnieuw uit het monitoronderzoek: zo kan 81% van degemeenten geen onderscheid maken naar de reden van vervoer en weet50% van de gemeenten niet hoe lang kinderen gemiddeld onderweg zijn.Ik verwacht dat gemeenten tenminste hun administratieve zaken op ordehebben, zodat ze ook gerichter beleid kunnen maken en de gemeente-raden in staat stellen om hun controlerende taak uit te kunnen oefenen.Ook hierover ga ik met de VNG in gesprek.Aantallen leerlingen stabiel; vervoerskosten gestegenIn het schooljaar 2023/24 maakten 75.000 leerlingen gebruik van eengemeentelijke vervoersvoorziening. Vergeleken met de vorige metingbetekent dat een absolute toename van 3.000 leerlingen. Dit komt deelsdoor een toename van het totaal aantal leerlingen13 en het vervoer vanOekraïense leerlingen.14 Ook de kosten van het leerlingenvervoer zijnabsoluut gezien gestegen, namelijk van € 236 miljoen naar € 299 miljoen.Dit komt deels door de stijging van het aantal leerlingen, maar met namedoor een prijspeilstijging van 18,5%. Voor (een groot deel van) dezestijging zijn gemeenten, middels de accresontwikkeling15 en tweespecifieke uitkeringen16 voor het vervoer van Oekraïense leerlingen,gecompenseerd via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijk-relaties.Reistijd aangepast vervoer nog fors en weinig afspraken over maximalereistijdDe reistijden van het leerlingenvervoer zijn fors en gemeenten makenbeperkt afspraken over de maximale reistijden. Ongeveer 75% van degemeenten heeft een maximale reistijd afgesproken van meer dan eenuur, ondanks de richtlijn van de VNG van één uur. Eén op de vijfgemeenten geeft aan geen afspraken te hebben gemaakt over demaximale reistijd. Zoals hierboven genoemd, weet bovendien de helft vande gemeenten niet hoe lang leerlingen daadwerkelijk onderweg zijn.Gemeenten die het weten melden een reistijd van gemiddeld 50 minuten.Ik heb de VNG verzocht om de richtlijn duidelijker en actiever te communi-ceren en de gemeenten die geen maximale reistijd hebben hierop tewijzen.Overige resultaten monitorAndere resultaten uit de monitor zijn hieronder weergegeven.–Het soort vervoer (eigen vervoer, openbaar vervoer, aangepastvervoer) en het vervoer per onderwijssoort zijn stabiel.–Gemeenten kunnen beperkt onderscheid maken in reden van vervoeren vervoer per onderwijssoort (respectievelijk 19% en 55% van degemeenten kan dit).–Regionale samenwerking van gemeenten is gemeengoed (91%), maarhet maken van afspraken met onderwijs (scholen en samenwerkings-verbanden) kan beter (37%).13In 2021/22 maakte 3,0% van alle leerlingen gebruik van het leerlingenvervoer. In 2023/24 wasdat 3,1%.14In 2021/22 was het aandeel Oekraïense leerlingen in het vervoer naar schatting 0,5% van hettotaal, nu is dat 2,8%.15In 2022 was de accresontwikkeling 7,3%; in 2023 was die 8,2%.16In 2022 bedroeg deze decentrale uitkering € 9,2 miljoen; in 2023 was die € 21,4 miljoen. Zie debijlage bij Kamerstukken II 2022–23, 36 200-B, nr. 4 en de bijlage bij Kamerstukken II 2023–24,36 410-B, nr. 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7775 –Het gezamenlijk aanbesteden van leerlingenvervoer met anderevormen van doelgroepenvervoer stijgt, maar kan beter (van 49% naar58%).–Ondanks dat gemeenten inzetten op het vergroten van zelfredzaam-heid en zelfstandigheid, is dit nog niet terug te zien in de cijfers.–Van individueel vervoer wordt slechts in uiterste gevallen gebruikgemaakt (1% van het aangepast vervoer).8. Aanbieden Landelijk rapport LEA/-vve aan de Kamer Ik bied uw Kamer hierbij het Landelijk rapport LEA/vve over 2023–2024van de Inspectie van het Onderwijs aan, met een themaverdieping naardoelgroepdefinitie, toeleiding en bereik van voorschoolse educatie.17Begin 2025 zal ik inhoudelijk op dit rapport reageren, als onderdeel vanmijn reactie op de resultaten van een onderzoek naar het voorkomen vanachterstanden bij de start van de basisschool. Op 21 november jl stuurdeik uw Kamer een brief waarin ik onder andere reageer op het LandelijkRapport LEA/vve van vorig jaar.189. Publicatie evaluatie van het Besluit uitwisseling leer- enbegeleidingsgegevens In 2012 is de mogelijkheid tot digitale uitwisseling van het onderwijs-kundig rapport (OKR) geformaliseerd met het Besluit uitwisseling leer- enbegeleidingsgegevens. De evaluatie van dit besluit is afgelopen jaaruitgevoerd door onderzoeksbureaus Oberon en SEO Economischonderzoek. Het rapport bied ik uw Kamer met deze brief aan.1910. Identiteitsverklaringen in het onderwijs Ik heb uw Kamer toegezegd om eind 2024 te informeren over beleid tenaanzien van identiteitsverklaringen. Laat ik hier klip en klaar maken datdiscriminatie van lhbtiq+ leerlingen absoluut onacceptabel is. Identiteits-verklaringen die sociale veiligheid van kinderen in gevaar brengen zijndan ook onacceptabel. Wanneer er sprake is van discriminatie dooridentiteitsverklaringen zal met het huidige wettelijke instrumentarium danook worden ingegrepen. Daarnaast zal het Wetsvoorstel vrij en veiligonderwijs op termijn verdere mogelijkheden bieden voor scholen en deInspectie van het Onderwijs om zicht te krijgen op onveiligheid op school,waaronder discriminatie. Onder andere met de uitbreiding van deschoolmonitor voor leerlingen, de introductie van een monitoringsver-plichting voor personeel en een meldplicht bij de Inspectie van hetOnderwijs voor ernstige incidenten. Ik buig me nog over eventuele anderemaatregelen die ik daarnaast kan of moet nemen. Daarbij respecteer ikenerzijds de onderwijsvrijheid maar wil ik anderzijds wel duidelijk makendat identiteitsverklaringen die de sociale veiligheid van kinderenbedreigen ontoelaatbaar zijn. Ik kom hier voor de zomer van 2025 bij uwKamer op terug.11. Nieuwkomersonderwijs: rapportage Tweede fase toekomst-verkenning onderwijs nieuwkomers door Berenschot en EssayNSOB «onderweg ontwerpen» Rond de zomer van 2024 hebben de Nederlandse School voor OpenbaarBestuur (NSOB) en onderzoeksbureau Berenschot geholpen met hetontwikkelen van scenario’s voor de toekomstverkenning van het nieuwko-17Bijlage Rapport Landelijk rapport LEA/-vve aan de Kamer18Kamerstukken II, 2023/2024, 31 293, nr. 76519Bijlage Rapport Evaluatie besluit uitwisseling leer- en begeleidingsgegevensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7776 mersonderwijs. Deze rapportages zend ik uw Kamer met deze verzamel-brief toe.20, 21 De scenario’s die Berenschot heeft opgeleverd zijngebaseerd op gesprekken met ruim 280 leraren, schoolleiders, deskun-digen, ouders, leerlingen en andere betrokkenen en met input van hetafwegingskader dat de NSOB heeft ontwikkeld. De scenario’s zijn eenreflectie van knelpunten en oplossingen die in het veld leven. HetMinisterie van OCW gaat nu aan de slag met het uitwerken van scenario’sdie zijn toegespitst op de verschillende sectoren (po, vo en mbo) en in dekomende periode worden getoetst op onder andere uitvoerbaarheid enwenselijkheid. U wordt hier, zoals aangegeven in mijn brief van20 november jl. in het eerste halfjaar van 2025 over geïnformeerd.22De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.L.J. Paul20Bijlage Rapport Tweede fase toekomstverkenning onderwijs nieuwkomers21Bijlage NSOB Essay Onderweg Ontwerpen22Kamerstuk 2024–2025, 36 373, nr. 24Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7777

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · dd8e984862be0495

14 okt 2026 · d5b8efcbd2587109

13 okt 2026 · bb60918ab15d42ab

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.