KamerkringInloggen
Kamerbrief

Afronding intern onderzoek geweldsaanwending Mosul, Irak, 22 maart 2016

25 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie fcf7825e72ee2929 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 925Bestrijding internationaal terrorismeNr. 1019 BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 maart 2026Op 30 maart 2023 is uw Kamer geïnformeerd over het instellen van eenintern onderzoek naar een vermoeden van burgerslachtoffers als gevolgvan een Nederlandse wapeninzet in Mosul, Irak. Op 14 maart 2025 bent ugeïnformeerd over de stand van zaken van het onderzoek van Defensie.1Met deze brief informeer ik u, conform de informatieafspraken met deKamer uit 20202, over de uitkomsten van dit onderzoek. Defensieconcludeert dat er met de kennis van nu geen sprake was van eenlegitiem militair doelwit. De luchtaanval had naar alle waarschijnlijkheidzeven burgerslachtoffers tot gevolg. Defensie biedt excuses aan voor deonvoorziene gevolgen van de luchtaanval en spreekt hiervoor medelevennaar de nabestaanden uit. De conclusie van Defensie komt overeen metde uitkomsten van het feitenonderzoek van het Openbaar Ministerie (OM)naar deze luchtaanval. Uw Kamer is in april 2025 op de hoogte gesteldvan de afronding van het OM-onderzoek.3Het interne onderzoeksrapport van Defensie bied ik hierbij aan de Kameraan, waarbij operationele details, persoonsgegevens en gegevensherleidbaar tot individuen gelakt zijn. Een technische briefing voor eennadere toelichting is indien gewenst mogelijk. Ook heb ik betrokkenen,zoals de nabestaanden van de slachtoffers van de aanval, de betrokkenmilitairen van Defensie en partnerlanden, op de hoogte gesteld van deafronding van het rapport.AanleidingOp 30 maart 2023 publiceerden NRC, NOS en Nieuwsuur dat eenNederlandse luchtaanval vermoedelijk zeven burgerslachtoffers tot gevolghad gehad. Daarop startte Defensie een onderzoek naar de Nederlandse1Kamerstuk 27 925, nr. 984.2Kamerstuk 27 925, nrs. 723, 727 en 746.3Kamerstuk 27 925, nr. 988. kst-27925-1019ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 925, nr. 10191 luchtaanval op 22 maart 2016. De luchtaanval was onderdeel vanOperation Inherent Resolve (OIR), de coalitie die in Irak en Syrië tegen ISISopereerde. Het doelwit bestond uit twee aangrenzende gebouwen op hetuniversiteitsterrein van Mosul. Eén van de gebouwen vormde het doelwitvoor Nederlandse F-16’s, het andere gebouw was het doelwit voor eencoalitiepartner. De gebouwen werden volgens de inlichtingen van decoalitie beide door ISIS gebruikt als hoofdkwartier.Het onderzoek richtte zich op de gevolgen van de luchtaanval, eenbeoordeling van de rechtmatigheid van de luchtaanval en een beoor-deling van de operationele uitvoering. Om tot een beoordeling te komenheeft een interne onderzoekscommissie een veelheid aan bronnenverzameld en bestudeerd. De commissie heeft onder andere Iraakseburgers geïnterviewd, een bezoek aan de locatie van de luchtaanvalgebracht en documentatie bestudeerd, waaronder militaire data, openbronnen, documentatie uit Irak en materiaal vanuit de coalitie.De onderzoekscommissie trekt drie hoofdconclusies en doet op basisdaarvan aanbevelingen. Hieronder ga ik daar nader op in, inclusief hoeDefensie opvolging geeft aan de aanbevelingen.Hoofdconclusie 1: Gevolgen van de luchtaanvalOp basis van de informatie waar Defensie binnen dit onderzoek overbeschikt had de wapeninzet naar alle waarschijnlijkheid zeven doden totgevolg. Op basis van meerdere bronnen kan er vanuit worden gegaan dathet hier burgers betreft. Zij bevonden zich tijdelijk in het door Nederlandaangegrepen gebouw, omdat het gebouw naar alle waarschijnlijkheiddienst deed als woongebouw en waarschijnlijk niet als hoofdkwartier vanISIS. De meeste bewoners waren op het moment van de luchtaanval al uithet gebouw vertrokken. Op basis van de gevoerde interviews concludeertde onderzoekscommissie dat de Iraakse burgers die bij de aanval zijnomgekomen niet meer permanent in het gebouw woonden, maar zich hiertijdelijk begaven om bezittingen te verhuizen naar een andere woning. Dedodelijke slachtoffers betroffen twee mannen, vier vrouwen en een kind,en waren afkomstig uit twee verschillende families.Hoofdconclusie 2: Beoordeling van de rechtmatigheidHet aangegrepen doel betrof op basis van de destijds beschikbareinformatie een legitiem militair doelwit. Het gebouw was door de coalitieaangemerkt als gebouw dat door ISIS werd gebruikt als hoofdkwartier. Detoegang tot het gebouw zou bewaakt zijn door een wachtpost van ISIS enniet vrij voor burgers toegankelijk zijn. De inlichtingen over het doeldateerden van 1 februari 2016 en de tijdsperiode tussen deze datum en dedatum van de luchtaanval viel binnen de destijds door de coalitiegehanteerde termijn voor gebruik van inlichtingen voor doelontwikkeling.Er was bij Nederland geen informatie bekend die de inhoud van dezeinlichtingen in twijfel had moeten trekken.Echter, er was op basis van de informatie waar Defensie binnen ditonderzoek thans over beschikt, geen sprake van een legitiem militairdoelwit. Uit de beschikbare bronnen, waaronder gesprekken die doorDefensie zijn gevoerd met Iraakse burgers en de aangeleverde bewijs-stukken die Defensie heeft beoordeeld, blijkt dat het doel ten tijde van deluchtaanval naar alle waarschijnlijkheid een woonfunctie had enwaarschijnlijk niet in gebruik was als hoofdkwartier van ISIS. Daarnaastzouden burgers toegang hebben gehad tot het gebouw en zou er geensprake zijn van een wachtpost van ISIS. Op basis van deze informatie hadhet gebouw, achteraf bezien, niet aangevallen mogen worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 925, nr. 10192 Op basis van deze hoofdconclusie beveelt de onderzoekscommissie aan inde totstandkoming van missies en operaties waarbij wapeninzet isvoorzien aandacht te besteden aan de (rest)risico’s die verbonden zijn aanafhankelijkheid van coalitiepartners in de inlichtingenketen. Eerder lichtteDefensie in de kabinetsreactie op het rapport van de commissieSorgdrager al toe welke stappen reeds zijn gezet om de inlichtingenpositievan Nederland te versterken – zoals de oprichting van de Target SupportCell die met targetingexperts een bijdrage levert aan het targetingproces –en welke aanvullende stappen Defensie zal zetten.4 Defensie zal in devoorbereiding op missies en operaties in het militair advies en artikel100-brieven blijvend aandacht besteden aan de risico’s en deze zoveel alsmogelijk mitigeren, hoewel een zekere mate van afhankelijkheid ook in detoekomst onvermijdelijk zal zijn.Daarnaast merkt de onderzoekscommissie op dat de tijdsduur tussen delaatste update van de inlichtingen en de betreffende wapeninzet relatieflang was. De onderzoekscommissie beveelt aan in de totstandkoming vanmissies en operaties een afweging te maken welke tijdsduur doorNederland acceptabel wordt geacht. Hoewel het onderzoek concludeertdat de tijdsduur voor de betreffende luchtaanval binnen de door decoalitie gehanteerde termijn viel en dat een kortere tijdsduur niet perdefinitie tot een andere afloop zou hebben geleid, zal Defensie in detoekomst op voorhand bepalen wat voor Nederland acceptabele tijds-duren zijn. Nederland kan zo nodig voorwaarden of caveats stellen voorNederlandse wapeninzetten. Het vaststellen van een termijn zal onderandere afhankelijk zijn van het soort operatie, het type doel en deomgeving van het doel. Qua type doel kan onderscheid gemaakt wordentussen bijvoorbeeld objecten die naar hun aard en naar hun gebruik eenlegitiem militair doelwit vormen. Het gebruik van een object kan eerderaan verandering onderhevig zijn dan de aard van een object.Hoofdconclusie 3: Beoordeling van de operationele uitvoeringHet doelwit is conform de toen geldende procedures aangegrepen. Er zijngeen procedurele onvolkomenheden geconstateerd. Nederland had in devoorbereiding op en de uitvoering van de wapeninzet geen aanwijzingendat de wapeninzet mogelijk tot burgerslachtoffers zou leiden. Daarmee isbij de wapeninzet betrokken medewerkers van Defensie geen verwijt temaken. Defensie had ook na de wapeninzet zelf op basis van de reguliereinformatieverzameling ten behoeve van de Battle Damage Assessment(BDA) geen aanwijzingen van vermoedens van burgerslachtoffers. In 2023werd Defensie pas op de hoogte gesteld van een vermoeden vanburgerslachtoffers als gevolg van het journalistieke onderzoek van NRC,NOS en Nieuwsuur.Defensie hecht er waarde aan de gevolgen van wapeninzetten goed tekunnen monitoren en waar mogelijk eerder op de hoogte te zijn vanvermoedens van burgerslachtoffers. De onderzoekscommissie beveelt aante overwegen om in toekomstige missies en operaties proactief eventuelegevolgen van een wapeninzet beter te monitoren, bijvoorbeeld door hetverzamelen van (online) mediaberichtgeving, als aanvulling op dereguliere informatieverzameling na een wapeninzet. Een gedegeninformatieverzameling na een wapeninzet is van belang voor het effectiefoptreden van de krijgsmacht. Defensie onderzoekt wat de mogelijkhedenzijn voor het uitbreiden van de reguliere methoden. In 2024 opendeDefensie reeds een meldpunt waar partijen buiten Defensie, zoals burgersen ngo’s, zich kunnen melden als ze aanvullende informatie bezitten oververmoedens van burgerslachtoffers.4Kamerstuk 27 925, nr. 985.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 925, nr. 10193 Beoordeling USCENTCOMNaast de drie hoofdconclusies constateert de onderzoekscommissie ookdat het Ministerie van Defensie in 2017 niet door United States CentralCommand (USCENTCOM), het operationele hoofdkwartier te Tampa in deVerenigde Staten) van waaruit OIR werd aangestuurd, op de hoogte isgesteld van een melding over deze luchtaanval en de beoordelingdaarvan. In 2017 meldde ngo Airwars bij USCENTCOM een vermoedenvan burgerslachtoffers ten gevolge van deze Nederlandse inzet. Destijdsoordeelde USCENTCOM over mogelijke burgerslachtoffers dat dit nietgeloofwaardig («non credible») was. USCENTCOM beriep zich hierbij opde informatie dat alleen ISIS-leden het gebouw konden betreden en dat deBDA, opgesteld door de coalitie, geen bewijs van burgerslachtoffers hadopgeleverd. Bij het oordeel non credible was het destijds niet gebruikelijkdat een betrokken coalitiepartner werd geïnformeerd over een dergelijkemelding.Defensie heeft USCENTCOM vanaf 2023 doorlopend geïnformeerd overnieuwe informatie die zij tot haar beschikking had over de gevolgen vandeze luchtaanval, en heeft USCENTCOM verzocht het oordeel uit 2017 teherevalueren. USCENTCOM gaf hierop in september 2025 aan debeoordeling non credible te handhaven, zonder daarbij een inhoudelijketoelichting te geven.De onderzoekscommissie beveelt aan betere afspraken te maken mettoekomstige coalitiepartners over het delen van informatie overmeldingen van vermoedens van burgerslachtoffers als gevolg van eenNederlandse wapeninzet. Het is van belang dat Nederland altijd direct opde hoogte wordt gesteld wanneer een coalitiepartner dergelijkemeldingen ontvangt. Zo kan Defensie immers een onderzoek startenwanneer Nederlandse betrokkenheid aannemelijk is. Defensie onder-schrijft deze aanbeveling en voert reeds verkennende gesprekken met eenaantal partnerlanden over het delen van informatie over meldingenbinnen de International Contact Group on Civilian Harm Mitigation andResponse.5Excuses en vrijwillige tegemoetkomingHet is zeer te betreuren dat deze luchtaanval onbedoeld burgerslachtofferstot gevolg heeft gehad. Ik ben mij ervan bewust dat dit een blijvendeimpact heeft op de getroffen families. Ik heb de nabestaanden daarommijn excuses aangeboden voor de onvoorziene gevolgen van deze aanval.Daarnaast heb ik, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden van ditspecifieke geval, besloten de nabestaanden een vrijwillige financiëletegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geensprake van een legitiem militair doelwit. Bovendien heeft Defensie degeleden schade met grote waarschijnlijkheid eigenstandig in kaart kunnenbrengen. Een tegemoetkoming is daarom gepast en uitvoerbaar.Over de vrijwillige tegemoetkoming heeft Defensie reeds contact met deadvocaat van de nabestaanden. Via de advocaat heeft Defensie denabestaanden op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het onderzoek.Defensie heeft de advocaat ook laten weten bereid te zijn denabestaanden van een toelichting te voorzien.5In dit verband bespreekt Nederland met belangrijke militaire partnerlanden stappen voor hetminimaliseren van burgerslachtoffers en het adresseren ervan. Zie ook Kamerstuk 27 925,nr. 985Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 925, nr. 10194 SlotWanneer Defensie in het buitenland deelneemt aan missies en operatiesbestaat het risico dat hierbij burgerslachtoffers vallen. Nederlandsemilitairen zetten zich ervoor in om op basis van onder andere hethumanitair oorlogsrecht de burgerbevolking zoveel als mogelijk te ontzienen burgerslachtoffers te voorkomen. Als militair handelen, ondanks hetnemen van alle praktisch uitvoerbare voorzorgsmaatregelen, toch leidt totburgerslachtoffers, laat dat niet alleen diepe sporen na bij de getroffenenmaar ook bij de militairen zelf. Daarom wil ik nadrukkelijk mijn waarderingen respect uitspreken voor hun inzet en professionaliteit, toen en nu.De afgelopen jaren heeft Defensie reeds stappen gezet op het verbeterenvan procedures rondom burgerslachtoffers, zoals het openen van eenmeldpunt burgerslachtoffers en het verbeteren van de informatievoor-ziening richting de Kamer. De uitkomsten en aanbevelingen van onder-havig onderzoek laten zien dat er ruimte is voor aanvullende stappen.Defensie zal aan de slag gaan met de aanbevelingen en deze ook bezien inde bredere context van het mitigeren van het risico op burgerslachtoffers.Het uitvoeren van interne onderzoeken zoals deze helpt Defensie te lerenvan missies en operaties en te verbeteren waar mogelijk. Onderhavigonderzoek is de eerste keer dat Defensie een intern onderzoek naar eenvermoeden van burgerslachtoffers uitvoerde conform nieuwe onderzoeks-procedures aangaande intern onderzoek bij geweldsaanwending, die zijnvastgelegd in 2023 in een aanwijzing van de Secretaris-Generaal.6 Metdeze ervaring is het streven dat dergelijk onderzoek in de toekomst snellerkan worden afgerond.De Minister van Defensie,D. Yes¸ilgöz-Zegerius6Kamerstuk 27 925, nr. 985. Zie ook Defensie.nl voor een toelichting op de werkwijze vanDefensie aangaande (voor)onderzoek naar vermoedens van burgerslachtoffers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 925, nr. 10195

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bbb990e864555ebd

14 okt 2026 · 5ede2b27f9b9ffb3

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.