Reactie juridische analyse prof. mr. N. Peters inzake het invaren naar het nieuwe pensioenstelsel
Brontekst
Versie 63f4ec1ed3409aee · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 668 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 12 november 2024Op 23 januari 2024 is de motie van het lid Joseph aangenomen over hetopstellen van een juridische analyse inzake het invaren naar het nieuwestelsel.1De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) heeftde opdracht voor deze analyse verleend aan prof. Peters. In de procedure-vergadering van 22 oktober 2024 heeft de vaste commissie voor SZW mijverzocht om een reactie op deze analyse.2De juridische analyse heb ik met veel interesse gelezen. Het betreft eenruime uiteenzetting van de juridische vraagstukken die het invaren metzich meebrengt in het licht van het Europees (eigendoms)recht. Vanwegedie ruime uiteenzetting baken ik mijn reactie daarom als volgt af.Allereerst deel ik mijn algemene bevindingen. Vervolgens ga ik in op eenaantal specifieke aandachtspunten die prof. Peters benoemt dan welonderwerpen die eveneens in uw Kamer tijdens de wetsbehandelingaandachtig zijn besproken. Tot slot ga ik in op de mogelijke aansprakelijk-heidsrisico’s voor de Staat, werkgevers, pensioenfondsen en de mogelijkegevolgen voor het rechtsstelsel.1. Algemene bevindingen In de juridische analyse staat de vraag centraal of bij het invaren van depensioenen sprake is van ongerechtvaardigde inmenging in het eigen-domsrecht waardoor en/of waarna risico’s bestaan voor de Staat,werkgevers, het rechtsstelsel en pensioenfondsen. In de juridischeanalyse is getoetst aan artikel 1 van het Eerste Protocol, de artikelen 14 en8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en deartikelen 16, 17, 21 en 27 van het Handvest van de grondrechten van de1Kamerstukken II 2023–2024, 32 043, nr. 632.2Kamerstukken II 2023–2024, 32 043, nr. 664 – bijlage «Juridische analyse inzake motie Josephover risico’s bij invaren». kst-32043-668ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6681 Europese Unie (Handvest). Inmenging kan bestaan uit ontneming vaneigendomsrecht of regulering ervan. De regering heeft in dit kader bij deindiening van de Wet toekomst pensioen onderbouwd dat bij het invarennaar het nieuwe pensioenstelsel sprake is van regulering van heteigendomsrecht en niet van ontneming. Immers, ook al worden welandere regels van toepassing op de ingevaren pensioenen, bestaandepensioenaanspraken en pensioenrechten komen als gevolg van hetinvaren niet te vervallen. In de juridische analyse van prof. Peters wordtdeze conclusie ook onderschreven.Inmenging is geoorloofd volgens het EVRM indien deze (1) bij wet isvoorzien, (2) het algemeen belang dient, en (3) de «fair balance» testdoorstaat (d.w.z. dat de genomen maatregelen proportioneel zijn en geenonevenredige last opleggen). Volgens het Handvest is inmenginggeoorloofd indien (1) de beperking bij wet is voorzien, en (2) de beperkingde wezenlijke inhoud eerbiedigt van het recht dat wordt beperkt. Prof.Peters heeft het invaren aan deze criteria getoetst. Ik lees zijn analyse kortsamengevat als volgt:•Het invaren is bij wet voorzien. Daarmee is deze kenbaar. Wanneerdeelnemers afdoende worden geïnformeerd is (ook) sprake vanvoldoende voorzienbaarheid.•De regering heeft aannemelijk gemaakt dat het invaren het algemeenbelang dient, gelet op de noodzakelijke overgang naar het nieuwepensioenstelsel.•De belangrijkste toets zit in de proportionaliteits- en evenredigheids-toets. Daar wordt uitgebreid bij stilgestaan in de analyse. Kernelementis dat sprake moet zijn van evenwichtigheid in de belangenafweging.Uit zowel de juridische analyse van prof. Peters als de onderbouwing enbehandeling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) blijkt dat aan devoorwaarden voor inmenging van het eigendomsrecht is voldaan. Daarbijtekent prof. Peters aan dat het uiteindelijke oordeel hierover afhangt vande manier waarop aan de wettelijke voorwaarden invulling wordtgegeven. Dat oordeel onderschrijf ik. Hiervoor is het van belang datsprake is van een evenwichtige besluitvorming en een evenwichtigproces, waarbij alle belangen voldoende worden meegenomen. In de Wettoekomst pensioen zijn hiertoe uitgebreide waarborgen in de vorm vanaangescherpte governancevereisten en normatieve voorschriftenopgenomen. Voor de volledigheid merk ik nog op dat bij de totstand-koming van de Wtp uitvoerig is stilgestaan bij de juridische houdbaarheidvan de stelselherziening. In de memorie van toelichting (hoofdstuk 10) isde wetgeving, net als in deze juridische analyse, getoetst aan Europesewetgeving, ook specifiek ten aanzien van invaren. Daarnaast heeft deRaad van State geoordeeld dat met het invaren weliswaar sprake is vanregulering van eigendom, maar dat daarvoor een rechtvaardiging bestaaten de maatregelen proportioneel worden geacht. De Raad van Stateonderschrijft de toelichting zonder nadere opmerkingen.32. Specifieke aandachtspunten In de juridische analyse komt een aantal punten naar voren die meeraandacht verdienen, daar ga ik in dit onderdeel graag nader op in. Aan deorde komen achtereenvolgens: 2.1) buiten werking stellen individueelbezwaarrecht, 2.2) hoorrecht, 2.3) informatievoorziening, 2.4) samenhangvan diverse omstandigheden, 2.5) discriminatie naar leeftijd, en 2.6)bijzondere pensioenvormen.3Kamerstukken II 2021–2022, 36 067 nr. 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6682 2.1 Buiten werking stellen individueel bezwaarrecht In zijn juridische analyse concludeert prof. Peters dat het buiten werkingstellen van het individueel bezwaarrecht op zichzelf genomen de fairbalance-test doorstaat, hoewel het tijdelijk buiten werking stellen van hetbezwaarrecht in beginsel afbreuk kan doen aan de wezenlijke inhoud vanhet pensioenrecht.Dat het evengoed gerechtvaardigd is, heeft te maken met de door deregering aangevoerde redelijke gronden4 voor het buiten werking stellenvan het individueel bezwaarrecht gedurende de transitie. Daar komt bijdat boven op de bestaande waarborgen vanuit de governance, de Wtpextra waarborgen heeft gecreëerd, waaronder onder meer het«hoorrecht». In paragraaf 2.2. ga ik verder in op het hoorrecht.Een belangrijk bezwaar tegen het individueel bezwaarrecht is de groteimpact voor deelnemers bij het maken van deze keuze en de gevolgenhiervan. Namelijk de gevolgen die het heeft voor het individu, maar ookde gevolgen van de individuele keuze voor het collectief van het pensioen-fonds. Dat is moeilijk te verenigen met de belangrijke uitgangspunten inhet pensioenstelsel, namelijk de collectiviteit en onderlinge solidariteittussen deelnemers van verschillende generaties.Als alternatief voor een wettelijk individueel bezwaarrecht bespreekt prof.Peters de opt-out. Bij de opt-out wordt op vrijwillige basis een individueelbezwaarrecht bij invaren toegekend. Voor diegenen die gebruik hebbengemaakt van de opt-out wordt de waarde van de pensioenaanspraken enpensioenrechten niet ingevaren. De analyse stelt dat een opt-out of eenander alternatief zoals een referendum, de kans op het aantal rechtszakenvermindert, vanwege het feit dat individuen de mogelijkheid hebben omniet in te varen.Ten aanzien van de opt-out variant merk ik op dat deze variant op zichzelfook juridische risico’s kent. Bij een opt-out vindt er namelijk eveneens eenvermogenstoedeling plaats uit het collectieve vermogen waarbijdeelnemers die gebruik maken van de opt-out in het oude stelsel blijven.In zo’n situatie speelt ook het vraagstuk over de evenwichtigheid voordeelnemers die wel invaren en de vraag wat het perspectief is vandeelnemers die in het oude stelsel achterblijven. Het doorbreken van derisicodeling kan ertoe leiden dat achterblijvers in het Financieel Toetsings-kader (FTK) kwetsbaarder worden voor financiële schokken. Bovendienkan dit pensioenuitvoerders een aanleiding geven om minder risicovol tebeleggen, waardoor het rendement voor deelnemers die achterblijvenlager is en de kans op korten wordt vergroot. Een en ander maakt dat hetdaarmee de vraag is of een opt-out of referendum de kans op rechtszakeneffectief zal beperken, aangezien deze verdelings- en evenwichtigheids-vraagstukken ook hier optreden. Voor de volledigheid merk ik nog op dater verschillende nadelen kleven als (een vorm van) individueel bezwaar-recht wel zou worden toegepast, zodra de besluitvorming over deevenwichtigheid van de transitie al op andere tafels heeft plaatsgevonden.De evenwichtigheid wordt dan immers aangetast.Het is vervolgens ook de vraag hoe een opt-out of referendum zichverhoudt tot de wettelijke taak, en de daarbij behorende wettelijkevoorschriften, van een pensioenfondsbestuur in het kader van hetbewaken van de evenwichtigheid voor alle groepen deelnemers.Daarnaast verwacht ik dat een alternatief voor het individueel bezwaar-recht, zoals een opt-out of referendum, tot meer complexiteit in deuitvoering van het invaarproces bij pensioenfondsen zal leiden. Denk4Kamerstukken II 2021–2022, 32 043, nr. 584.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6683 hierbij onder meer aan het verschaffen van informatie aan deelnemers omde individuele keuze op te baseren, waarbij diverse afhankelijkhedenzullen moeten worden gemodelleerd (zoals verwachte economischeontwikkelingen gecombineerd met verschillende scenario’s waarin eenbepaald aantal deelnemers heeft gekozen voor invaren of een opt-out).Tevens zal dit een aanzienlijke vertraging betekenen in de praktischevoorbereiding van de transitie naar het nieuwe stelsel. In de tussentijd,waarin de keuze gemaakt dient te worden en daarna door het fondsgeeffectueerd, zullen deelnemers langer in het oude stelsel blijven.2.2 Hoorrecht (artikel 150g Pw) In zijn juridische analyse geeft prof. Peters aan dat over de effectiviteit vanhet hoorrecht niet te lichtvaardig moet worden gedacht. Prof. Petersrefereert ook aan kritiek op het hoorrecht, dat dit niet voldoende tegen-wicht zou bieden aan het buitenwerking stellen van het individueelbezwaarrecht. Echter, het te lichtvaardig terzijde stellen van de inbrengvanuit het hoorrecht brengt risico met zich mee. Dit komt ook in het recentafgerond juridisch onderzoek naar aanleiding van de motie Joseph/Vermeer naar voren.5Het hoorrecht is ingesteld als een van de extra waarborgen in de Wtp, alsmeest passende maatregel binnen de arbeidsvoorwaardelijke fase.6Uitgangspunt is dat bij de onderhandelingen over de nieuwe pensi-oenovereenkomst en het besluit of er al dan niet een verzoek tot invarenaan het pensioenfonds wordt gedaan, sociale partners niet alleenrekening houden met de belangen van werknemers, maar ook met debelangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden. Het fondsbe-stuur richt zich op de belangen van alle belanghebbenden, waaronderslapers en gepensioneerden. Dat neemt niet weg dat slapers en gepensio-neerden mogelijk minder betrokken worden of dat zo ervaren bij deonderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling. Om die reden is inde arbeidsvoorwaardelijke fase een hoorrecht gecreëerd voor vereni-gingen van gewezen deelnemers en verenigingen van pensioengerech-tigden. Daarnaast kan het hoorrecht waardevolle input geven ten behoevevan de besluitvorming. Pas als het hoorrecht qua proces niet op juistewijze zou zijn uitgevoerd, zou dat gevolgen kunnen hebben voor deevenwichtigheid. De werkgever en/of sociale partners moet(en) aangevenwat zij met het hoorrecht hebben gedaan. Het oordeel van degenen dievan het hoorrecht gebruik hebben gemaakt, is daarmee navolgbaar.De evenwichtige belangenafweging houdt niet op na de arbeidsvoorwaar-delijke fase, waardoor het oordeel vanuit het hoorrecht van belang blijft.De pensioenfondsbesturen en andere betrokken gremia passen deevenwichtige belangenafweging namelijk opnieuw toe in de implementa-tiefase. Belangrijk is dat het pensioenfondsbestuur het besluitvormings-proces over het invaren zorgvuldig insteekt, niet alleen vanwege hetproces, maar ook omdat de inhoud van het voorgenomen besluit5Zie «Verzamelbrief Pensioenonderwerpen najaar 2024 (Kamerstuk 32 043, nr. 666), bijlage 4»: Indit onderzoek is de hoofdconclusie dat er op dit moment geen redenen zijn om aan te nemendat het hoorrecht juridisch gezien niet voldoet. Er is ook een vergelijking gemaakt met anderehoorrechten waaruit naar voren komt dat een gebrekkige toepassing van het hoorrechtserieuze gevolgen kan hebben bij een rechter. Een invaarbesluit is dan vernietigbaar of terug tedraaien. Om die reden hebben niet alleen alle betrokken partijen in de arbeidsvoorwaardelijkefase er baat bij om het proces rondom het hoorrecht goed te laten verlopen, maar ook hetpensioenfondsbestuur en overige gremia in de implementatiefase.6Het hoorrecht is op zichzelf een bijzondere maatregel omdat de arbeidsvoorwaardenvormingprimair bij de sociale partners ligt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6684 materieel bezien evenwichtig moet zijn. Gelet op de impact van hetinvaren heeft het verantwoordingsorgaan hierbij een adviesrecht.Het oordeel van de raad van toezicht zal zich bij uitstek toespitsen op dezorgvuldigheid van het besluitvormingsproces en heeft in dat verbanddan ook aanvullend goedkeuringsrecht toebedeeld gekregen bij hetinvaarbesluit. Het invaarbesluit wordt tevens voorgelegd aan toezicht-houder DNB die de besluitvorming over evenwichtige belangenafwegingmeeweegt bij haar oordeel om al dan niet een invaarverbod op te leggen.2.3 Informatievoorziening In zijn juridische analyse merkt prof. Peters op dat het aannemelijk is dathet Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zal oordelen datde gevolgen van het invaren voldoende voorzienbaar zijn, als een van devoorwaarden voor gerechtvaardigde inmenging. Alleen als de informatie-voorziening over de gevolgen van het invaren niet realistisch is en decommunicatie erover niet tijdig plaatsvindt, zou dat anders kunnen zijn. Ikhecht samen met de partijen in de sector zeer aan het belang van goedeinformatievoorziening. De sector richt zich bij het invaren op eenrealistische informatievoorziening en tijdige communicatie. Juridischrisico’s kunnen bestaan, maar worden mede gemitigeerd door onder meerde opgestelde wettelijke kaders inzake de informatievoorziening. Om eenrealistisch beeld aan deelnemers te geven, tonen pensioenuitvoerders deverschillende uitkomsten van het ouderdomspensioen met behulp vanscenariobedragen, gebaseerd op het pessimistisch, verwacht en optimis-tisch scenario. Daarnaast dienen pensioenuitvoerders hierbij waarrelevant doelgroep specifieke toelichtingen op te nemen. Deze toelich-tingen, waaronder een toelichting afhankelijk van de leeftijd of beleg-gingshorizon, helpen om de risico’s individueel inzichtelijk en voordeelnemers relevant te maken. Daarnaast is er als gezegd bij verschillendestakeholders zoals de pensioenfondsen, pensioenuitvoeringsorganisatiesen toezichthouders te constateren dat er veel aandacht is voor realistischeen tijdige informatievoorziening. Hier ziet ook de Autoriteit FinanciëleMarkten (AFM) als toezichthouder op toe. De AFM kijkt daarbij onder meernaar de mate waarin de informatie correct, duidelijk en evenwichtig is, entijdig wordt verstrekt. Dat leidt ertoe dat ik er op dit moment nog steedsalle vertrouwen in heb dat de gevolgen van het invaren in de gegevenomstandigheden voldoende voorzienbaar zullen zijn.2.4 Samenhang van diverse omstandigheden leidt tot ongeoorloofdeinmenging? Zoals eerder beschreven is onder voorwaarden inmenging in heteigendomsrecht toegestaan. In de juridische analyse van prof. Peters isten aanzien van een aantal specifieke omstandigheden onderzocht ofvoldaan wordt aan een van de voorwaarden van de fair balance-test. Hetbetreft de volgende omstandigheden:a)risico’s van het actuarieel omrekenen bij invaren;b)het mogelijk nadeel door invaren;c)de verschuiving van vermogen; en/ofd)het buiten werken stellen van het individueel bezwaarrecht.In de juridische analyse wordt geconcludeerd dat zodra deze omstandig-heden op zichzelf worden bezien, de fair balance-test kan wordendoorstaan. Daarnaast wordt vastgesteld dat een stapeling van dezeomstandigheden tot een ongeoorloofde inmenging kan leiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6685 Het algemene uitgangspunt is dat de transitie als geheel evenwichtigmoet zijn. De evenwichtigheid moet worden beoordeeld aan de hand vande transitie-effecten. In het transitieplan worden de effecten van dewijziging van de pensioenovereenkomst, de wijze waarop wordtomgegaan met de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten,en de gemaakte afspraken over compensatie opgenomen. Het individuheeft de mogelijkheid om naar de civiele rechter te gaan als hij vanoordeel is dat het invaren van zijn pensioen voor hem een onevenredignadeel oplevert. Ook kan een individu zich wenden tot de externegeschilleninstantie met een klacht of geschil over de uitvoering door hetpensioenfonds van de besluitvorming over het invaren.De kans dat deze samenhang tot een ongeoorloofde inmenging leidt, zalik niet afdoen als niet aanwezig. De kans dat sprake kan zijn van eenongeoorloofde inmenging vanwege een samenhang van omstandighedenacht ik minder groot dan gepresenteerd door prof. Peters. Ik wijs daarbijop het wettelijke kader om te komen tot een evenwichtige belangenaf-weging, waaronder ook de eerder genoemde waarborgen, die deze kansop een ongeoorloofde inmenging doen verminderen. Het (extra) pakketaan waarborgen ziet er als volgt uit.1.Sociale partners moeten de evenwichtigheid van de transitieverantwoorden aan de hand van de transitie-effecten. Deze verant-woording moet worden opgenomen in het transitieplan. De transitie-effecten worden in ieder geval berekend door het netto profijt en depensioenverwachting.2.Verenigingen van gewezen deelnemers en pensioengerechtigdenhebben een hoorrecht.3.Pensioenfondsen hebben een eigen, wettelijke verantwoordelijkheidom het verzoek tot invaren te beoordelen op evenwichtigheid.4.De medezeggenschapsorganen van het pensioenfonds hebben overhet verzoek tot invaren inspraak.5.Een negatief advies van het verantwoordingsorgaan wordt gedeeldmet de sociale partners.6.Het verantwoordingsorgaan kan naar de rechter gaan, indien eenadvies niet wordt gevolgd.7.Ten aanzien van het toezicht geldt: het intern toezicht heeft eenexpliciete toezichttaak op het invaarbesluit; raden van toezichthebben een goedkeuringsrecht.8.Het invaarbesluit wordt getoetst door de toezichthouder. DNB geefteen oordeel waarin onder andere duidelijk moet worden gemaakt watde effecten van de transitie zijn en waarom sprake is van eenevenwichtige transitie.Bovenstaande benadrukt dat de vormgeving van het proces tot invareneen belangrijke rol speelt in de toets op evenwichtigheid. Het is uitein-delijk ook de evenwichtigheid van de besluitvorming die de inbreuk op heteigendomsrecht naar mening van de regering rechtvaardigt.2.5 Discriminatie naar leeftijd (art. 14 EVRM) Het onderbrengen van bestaande aanspraken en rechten in een nieuwepensioenovereenkomst kan tot verschil in generatie-uitkomst leiden.Bijvoorbeeld door de afschaffing van de doorsneesystematiek en deomzetting van het omzetten van een progressieve premie naar een vlakkepremie.Dit betekent dat bij invaren sprake kan zijn van (indirecte) leeftijdsdiscrimi-natie zoals ook prof. Peters stelt in zijn juridische analyse op grond vanartikel 14 EVRM.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6686 Als dit nadeel in voldoende mate wordt gecompenseerd, zal niet snelsprake zijn van ongeoorloofde indirecte leeftijdsdiscriminatie. In hettransitieplan worden daarom afspraken vastgelegd over compensatie.Als het nadeel niet in voldoende mate is gecompenseerd, speelt de vraagof daarvoor een rechtvaardiging bestaat. Prof. Peters beziet het afschaffenvan de doorsneepremie en de invoering van een vlakke premie op heteerste gezicht als legitieme doelen. Ook wijst hij erop dat de NederlandseStaat een beoordelingsmarge heeft. Verder geldt dat in de wet eisen zijngesteld, zoals bijvoorbeeld de minimale dekkingsgraad waarbij magworden ingevaren (onder meer om te borgen dat compensatie voorafschaffing van de doorsneepremie naast premieopslag ook uit hetvermogen mogelijk is), en is er een overgangsregime7 geïntroduceerd tenaanzien van de omzetting van de progressieve premie in een vlakkepremie, waardoor deze effecten (deels) worden beperkt.2.6 Bijzondere pensioenvormen Nadeel onder zowel het EVRM als het Handvest kan zich manifesteren alsbij de tweede pijler het vroegpensioen8, ongehuwdenpensioen ennabestaandenpensioen door het invaren wegvallen. Het gaat dan ompensioenvormen die onder de Wtp niet ongewijzigd voortgezet kunnenworden. Ook kan sprake zijn van nadeel wanneer de uitkeringen lagergaan uitvallen dan onder het oude pensioenstelsel.Voor het bij invaren reeds opgebouwde nabestaandenpensioen is in deWtp overgangsrecht opgenomen waardoor deze opgebouwde aansprakenbehouden blijven. Ten aanzien van het tweede pijler vroegpensioen ben ikin overleg met het Ministerie van Financiën en de sector hoe aan devoortzetting van deze oude rechten in de praktijk het beste uitvoering kanworden gegeven. Voor dit uitvoeringspunt is ook aandacht gevraagdtijdens de consultatie van de toezeggingenwet.Gelet op de extra collectieve waarborgen in het stelsel, ook ten aanzienvan bijzondere pensioenvormen, is het aannemelijk dat het nadeeldaarom beperkt is. De effecten dienen overigens ook zichtbaar te zijn tenbehoeve van de evenwichtigheidsbeoordeling. Het enkele feit dat mogelijksprake is van (beperkt) nadeel betekent ook hier niet dat daarmee deevenwichtigheid wegvalt.3. Aansprakelijkheidsrisico’s In lijn met de motie van het lid Joseph heeft prof. Peters bezien welke(aansprakelijkheids)risico’s van het invaren er zijn voor achtereenvolgens(1) de Staat, (2) werkgevers, (3) het rechtsstelsel en (4) pensioenfondsen.Dit zijn terechte vragen. Ik ben mij ervan bewust dat bij grote stelselherzie-ningen zoals deze, en specifiek in geval van het invaren van pensioenen,het zo is dat juridische procedures niet uit te sluiten zijn. Voor de vraaghoe succesvol de procedures zullen zijn, is van belang hoe het invarenvorm krijgt en wat de effecten ervan zijn voor de aanspraak- en pensioen-gerechtigden.Ik ben het met prof. Peters eens dat het aansprakelijkheidsrisico van deStaat (1) beperkt is. Een groot deel van de verantwoordelijkheid bij hetinvaren ligt nu eenmaal bij de sociale partners en de pensioenfondsen.Indien de Staat aansprakelijk wordt gesteld, acht ik de kans dat het EHRMdat beroep zal honoreren klein, vanwege de motivatie van de inbreuk en7Zie artikel 220g Pw.8Niet te verwarren met het vroegpensioen op grond van RVU-afspraken. Het gaat hierbij omeerdere afspraken uit het verleden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6687 dat de inbreuk te rechtvaardigen is. Het valt evenwel nooit uit te sluitendat deelnemers de Staat zullen aanspreken.Voor wat betreft het aansprakelijk stellen van werkgevers en/of pensioen-fondsen (2 en 4), deel ik de mening van prof. Peters dat veel zal afhangenvan de specifieke omstandigheden en de bij de transitie gemaakte keuzesten aanzien van de evenwichtige belangenafweging. Gelet op de reedsbestaande checks and balances binnen de huidige evenwichtige besluit-vorming door pensioenfondsbesturen (wettelijke governancevereisten)alsook de extra waarborgen vanuit de Wtp (zoals wettelijke normen tenaanzien van vermogenstoedeling), zie ik op dit moment geen redenen omaan te nemen dat de transitie onevenwichtig zal gaan verlopen.Bovenstaande zal zonder meer gevolgen hebben voor de werklast van derechtspraak en daarmee het rechtsstelsel. Ik deel de mening van prof.Peters dat de omvang hiervan mede afhankelijk is van hoe snel dehoogste rechters duidelijkheid weten te scheppen over de principiëleaspecten bij het invaren. Prof. Peters geeft daarnaast terecht aan dat hetGIP/Kifid daarbij een deel kan afvangen door klachten in behandeling tenemen over de uitvoering of toepassing van het invaarbesluit doorpensioenuitvoerders. Dit biedt voor deelnemers een laagdrempelige wijzevoor beslechting van een juridisch geschil en kan de rechtsketen daarbijontlasten. Daarnaast wil ik voor de volledigheid opmerken dat er bij detotstandkoming van de wet extra middelen ter beschikking zijn gesteldaan de rechtspraak om de potentieel hogere werklast op te vangen. Metde Raad voor de Rechtspraak en het Ministerie van Justitie en Veiligheidwordt de werklast van de rechtspraak gemonitord, en dit komt terug in deperiodieke monitoringsrapportages.Ik ga ervan uit met deze brief invulling te hebben gegeven aan het verzoekvan uw Kamer om te reageren op de juridische analyse. De analyse vanprof. Peters is een uitgebreide uiteenzetting van de juridische vraag-stukken rond invaren. Ik zie de juridische analyse als een bevestiging vanhet eerder zorgvuldig doorlopen wetstraject door het parlement en eenaanmoediging om de transitie in het belang van alle deelnemerszorgvuldig uit te voeren binnen de gestelde wettelijke kaders.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6688
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.