Advies afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Brontekst
Versie d6313a2dff76e2f9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 922Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 inverband met de verstrekking van eenaanvullende tegemoetkoming aan studenten dieonder het studievoorschotstelsel hebbengestudeerdNr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADERRAPPORT Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State d.d. 24 september 2025 en het nader rapport d.d. 31 maart2026, aangeboden aan de Koning door de Minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad vanState is cursief afgedrukt.Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 juli 2025,nr. 2025001657, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van deRaad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wetrechtstreeks aan mij te doen toekomen.Dit advies, gedateerd 24 september 2025, nr. W05.25.00188/I, bied ik Uhierbij aan.De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.Bij Kabinetsmissive van 15 juli 2025, no. 2025001657, heeft Uwe Majesteit,op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijde Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangiggemaakt een voorstel van wet houdende wijziging van de Wet studiefinan-ciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullendetegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelselhebben gestuurd, met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel voorziet in een tweede (aanvullende) financiëletegemoetkoming voor studenten die zonder basisbeurs hebben gestu-deerd, omdat de regering de eerder door de wetgever vastgesteldetegemoetkoming te laag vindt. Daarnaast wordt een grondslag gecreëerdom een beperkt aantal nieuwe groepen studenten alsnog in aanmerking telaten komen voor de eerdere tegemoetkoming en in vervolg daarop ookvoor de tweede tegemoetkoming.De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat zwaarwe-gende redenen moeten bestaan voor het voorzien in een juridischonverplichte tegemoetkoming. Gelet hierop is de inhoudelijke motivering kst-36922-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 41 voor het verstrekken van een aanvullende financiële tegemoetkoming niettoereikend.Daarnaast wijst zij op het bezwaar dat een aanvullende tegemoetkomingafbreuk doet aan het doel en de betekenis van de eerdere tegemoet-koming. Voorkomen moet worden dat zowel die eerdere als de aanvul-lende onverplichte betaling worden opgevat als compensatie of louter eenfinanciële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kan worden, inplaats van als een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijkekwestie wordt afgesloten.In verband met deze opmerkingen dient het voorstel nader te wordenoverwogen.1. Achtergrond en motivering voorstel Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgeverbesloten om als gebaar te voorzien in een financiële tegemoetkomingvoor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en binnen dediplomatermijn zijn afgestudeerd. De wetgever vond het wrang voor dezestudenten dat zij, anders dan de studenten voor en na hen, geen gebruikhebben kunnen maken van de basisbeurs.De tegemoetkoming waarin toen is voorzien, bedraagt € 34,17 per maand,wat voor een studie van vier jaar neerkomt op een bedrag van € 1.640,16(prijspeil 2025). Voor deze tegemoetkoming, waarvoor naar verwachtingruim 900.000 studenten in aanmerking komen, is in totaal € 1,15 miljardvrijgemaakt.Dit wetsvoorstel voorziet in een aanvullende financiële tegemoetkomingvoor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd. Deze komtvolgens de toelichting voort uit de politieke wens om een extra financieelgebaar te maken. De enige motivering die hiervoor wordt gegeven, is datde regering het bedrag van de eerdere tegemoetkoming te laag vindt.Daarnaast voorziet het voorstel in een uitbreiding van de doelgroep. Hetbetreft (oud-)studenten die door bijzondere omstandigheden geendiploma hebben kunnen behalen of daardoor langer hebben gedaan overhet behalen van een diploma. Deze nieuwe groepen (oud-)studentenkomen in aanmerking voor zowel de eerste tegemoetkoming als deaanvullende tegemoetkoming.De aanvullende tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand, of€ 2.136,00 gerekend over vier jaar (prijspeil 2026). Voor de aanvullendetegemoetkoming is in totaal € 1,4 miljard beschikbaar. De hogere kostenzijn deels gelegen in de voorgestelde uitbreiding van de doelgroep voorbeide tegemoetkomingen.12. Beoordeling herhaalde (aanvullende) tegemoetkoming a. Motivering Naar aanleiding van het eerdere wetsvoorstel voor een tegemoetkomingvoor studenten die zonder basisbeurs hebben gestudeerd, heeft deAfdeling er op gewezen dat het voorzien in een tegemoetkoming als deze1Het beslag dat beide tegemoetkomingen leggen op de collectieve middelen is het equivalentvan (bijvoorbeeld) 20% van de onderwijsbegroting voor het hoger onderwijs voor het jaar2025. De gecombineerde geraamde uitgaven voor «aandeel hoger onderwijs» (beleidsartikelen6 en 7) bedragen namelijk € 11,56 miljard (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 42 zeer ongebruikelijk is. Omdat er geen enkele juridische verplichting is omdeze studenten op enigerlei wijze tegemoet te komen, moeten er voor hetmaken van een dergelijk gebaar zwaarwegende redenen bestaan en is eenovertuigende motivering vereist.2Niet iedere nadeelsituatie kan leiden tot een onverplichte tegemoet-koming door de overheid. Uitgangspunt zou moeten zijn dat hiervooralleen in uitzonderlijke, diepingrijpende situaties aanleiding bestaat.Omdat ook dan de overheid het algemeen belang in acht dient te nemen,moet de beslissing om een groep getroffen burgers onverplicht tegemoette komen niet enkel zijn ingegeven door het belang van deze groep.Daarbij komt dat ieder handelen van de overheid, in welke vorm dan ook,uiteindelijk wordt betaald uit de collectieve middelen, die maar één keerkunnen worden besteed. Ook daarom verdient het verstrekken van eenonverplichte tegemoetkoming een zorgvuldige afweging en besluit-vorming.3De toelichting bij dit wetsvoorstel bevat geen nieuwe argumenten voorhet verstrekken van een aanvullende tegemoetkoming. In plaats daarvanwordt aangesloten bij de motivering voor de eerdere tegemoetkoming. DeAfdeling blijft daarom bij haar eerdere advies dat er geen aanleiding isvoor het geven van een onverplichte tegemoetkoming. Het is nietaannemelijk dat door de afschaffing van de basisbeurs een klemmendesituatie is ontstaan voor alle circa één miljoen (oud-) studenten die inaanmerking komen voor de (aanvullende) tegemoetkoming.b. Finaliteit Hier komt bij dat, indien de overheid een situatie onverplicht aan zichtrekt, het van belang is dat de erkenning eenmalig en definitief is.4 Eennieuwe onverplichte tegemoetkoming kan aan het eerdere gebaar zijnbetekenis ontnemen. Het risico bestaat dat zowel die eerdere als deaanvullende onverplichte betaling zullen worden opgevat als compensatieof louter een financiële meevaller, waarover blijvend onderhandeld kanworden, in plaats van als een betekenisvol gebaar waarmee eenmaatschappelijke kwestie wordt afgesloten.Dat geldt nog sterker in dit geval, omdat de regering niet motiveertwaarom de eerdere onverplichte betaling «te laag» zou zijn en waarom detwee betalingen bij elkaar opgeteld wel «passend» zouden zijn. Het isdaardoor in het geheel niet duidelijk of het voorstel bijdraagt aan eenbehoefte aan erkenning. Dit vergroot het risico dat de tegemoetkomingverkeerd zal worden begrepen.Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling af te zien van hetverstrekken van een aanvullende onverplichte tegemoetkoming.In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hogeronderwijs heeft de regering uiteengezet waarom zij van mening is dataanleiding bestaat om (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het2Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 september 2022 over hetwetsvoorstel Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (W05.22.0113/I), Kamerstukken II2022/23, 36 229, nr. 4.3In een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties,getiteld «Tegemoetkomen doe je niet zomaar», heeft de Afdeling deze gedachten naderuitgewerkt met de bedoeling de overheid een aantal uitgangspunten aan te reiken voor hetomgaan met klemmende situaties. Zie voor het afwegingskader de website van de Raad vanState.4Zie nader afweging 9 van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bijklemmende situaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 43 leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking te brengen voor eentegemoetkoming. De regering heeft gemotiveerd dat zij hiertoe juridischniet verplicht is, maar zich daartoe wel geroepen voelt gezien debijzondere situatie waarin deze (oud-)studenten verkeren. De regeringachtte het voor de (oud-)studenten die gedurende de – relatief korte –periode van het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders danvoorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen makenvan een basisbeurs. Bij de behandeling van de Wet herinvoeringbasisbeurs hoger onderwijs heeft het parlement deze motiveringgewogen en bekrachtigd. Waar deze motivering opgaat voor de eerderingevoerde tegemoetkoming, gaat deze ook op voor de aanvullendetegemoetkoming. De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoet-koming dienen immers samen één doel; namelijk om richting(oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebbengestudeerd een gebaar te maken ter erkenning van bovengenoemdebijzondere, wrange, situatie.De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling dat eenonverplichte tegemoetkoming in beginsel «eenmalig» en «definitief»hoort te zijn. De regering beschouwt de combinatie van de eerderingevoerde tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming als«definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep(oud-)studenten een sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning.Dit is niet alleen in het belang van de (oud-)studenten die het aangaat,maar ook in het algemeen belang. Met dit gebaar zet de regering een puntachter deze maatschappelijke kwestie.De regering heeft zich in dit geval geroepen gevoeld om op het punt«eenmalig» van het uitgangspunt van de Afdeling af te wijken. Deregering is namelijk van mening dat de eerder ingevoerde tegemoet-koming te laag is. Daarom heeft de regering in vervolg op de € 1,0 miljarddie beschikbaar is gesteld voor de tegemoetkoming, € 1,4 miljardbeschikbaar gesteld voor een aanvullende tegemoetkoming.5 Dezebudgetten hebben het kader gevormd voor de hoogte van de bedragenvan de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Bij eenonverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan per definitie geeneenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van de nadeelsituatie enhet bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is. De ervaring vanelke (oud)-student met het leenstelsel is immers anders. Deze ervaring zalonder andere afhankelijk zijn van de periode dat de (oud-)student zonderbasisbeurs onder het leenstelsel heeft gestudeerd en of deze toenthuiswonend of uitwonend was. Ook na afstuderen zal de ervaring peroud-student anders zijn. Deze ervaring zal onder andere afhankelijk zijnvan het inkomen dat zij verdienen en hun verdere financiële situatie. Er isdaarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot een passendbedrag aan tegemoetkoming. Hierbij heeft de regering een afweginggemaakt tussen het belang van de betrokken groep (oud-)studenten bijeen sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning en het beroepdat hiermee wordt gedaan op de collectieve middelen.In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bijklemmende situaties stelt de Afdeling onder meer dat «er [{] geenalgemeen antwoord te geven [is] op de vraag wanneer de overheid zicheen situatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele enintegrale afweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen,5Deze budgetten zijn (en worden) feitelijk nog verhoogd in verband met de indexering van detegemoetkomingen. Zie (bijvoorbeeld) voor de tegemoetkoming – Kamerstukken II 2023/24,36 454, nr. 5, en voor de aanvullende tegemoetkoming – paragraaf 5.3 van de memorie vantoelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 44 zullen ethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basisvormen voor het onverplichte handelen door de overheid. Ook debeschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.»6 Deregering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afwegingom tot een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben metname sociale en politieke overwegingen en de beschikbare publiekemiddelen een rol gespeeld.Zoals de Afdeling in haar advies benadrukt, verdient het verstrekken vaneen onverplichte tegemoetkoming een zorgvuldige afweging en besluit-vorming. Evenals bij de tegemoetkoming is bij de aanvullende tegemoet-koming mede daarom het voorstel om de grondslag bij wet in formele zinte regelen. Daarmee wordt ook de aanvullende tegemoetkoming en dehoogte daarvan voluit democratisch gelegitimeerd en is een zorgvuldigeen transparante procedure gegarandeerd. Het initiatief voor de aanvul-lende tegemoetkoming ligt bij de regering, maar uiteindelijk zijn deregering en het parlement samen verantwoordelijk voor de definitieveafweging en besluitvorming.Naar aanleiding van voorgaande zijn paragraaf 2.1.1 en 2.1.2 van dememorie van toelichting aangevuld.3. Verwerking persoonsgegevens Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens merkt de Afdeling opdat voor de toetsing aan hoger recht in de toelichting geen link wordtgelegd met het relevante juridische kader. De voorgestelde aanvullendetegemoetkoming zou op dit punt in ieder geval getoetst moeten wordenaan de AVG. In dat verband merkt de Afdeling in het bijzonder op dat deAVG vereist dat wordt geëxpliciteerd waarom de verwerking voor eenander doel gelet op de in die bepaling genoemde factoren verenigbaar ismet het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijnverzameld.7 De toelichting maakt deze afweging nu nog niet.Daarnaast voorziet het voorstel in de verwerking van bijzondere persoons-gegevens door DUO. In dat verband vereist de AVG dat duidelijk is opwelke uitzondering op het verbod op het verwerken van bijzonderepersoonsgegevens een beroep wordt gedaan.8 Als een beroep zouworden gedaan op de uitzondering dat de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens noodzakelijk is om redenen van zwaarwegendalgemeen belang, moeten er bovendien passende en specifieke maatre-gelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en defundamentele belangen van de betrokkene.9 Het ligt in de rede dezewaarborgen, mede gelet op artikel 10 van de Grondwet, verder te regelen.Het in de toelichting enkel verwijzen naar een DPIA is in dat kaderonvoldoende.10De Afdeling adviseert om in de paragraaf over de verhouding tot hogerrecht expliciet in te gaan op het relevante juridische kader. Daarbij zou inieder geval moeten worden ingegaan op het verder verwerken vanpersoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor deze aanvankelijk6Afdeling advisering van de Raad van State, «Tegemoetkomen doe je niet zomaar. Eenafwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties», mei2025, p. 12.7Artikel 6, vierde lid, van de AVG.8Artikel 9 van de AVG.9Artikel 9, tweede lid, sub g, van de AVG.10Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart 2025 overhet wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II 2024/25,36 777, nr. 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 45 zijn verzameld, en het verder regelen van passende en specifiekewettelijke waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsge-gevens.Verdere verwerking persoonsgegevens ten behoeve van de tegemoetko-mingenBij de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullendetegemoetkoming worden persoonsgegevens die al bekend zijn bij DUOverder verwerkt voor een ander doel dan het doel waarvoor de persoons-gegevens aanvankelijk zijn verzameld. Hierop werd in de memorie vantoelichting ingegaan in de voormalige paragraaf 4.5 – gevolgen voor debescherming van de persoonlijke levenssfeer. Naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling heeft de regering deze toelichting inhoudelijkverplaatst naar de (nieuwe) paragraaf 3.1.1 – gegevensverwerkingambtshalve toekenning – en daarin nader uiteengezet aan de hand vanartikel 6, vierde lid, AVG waarom de verwerking voor dit andere doelverenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijkzijn verzameld.Verwerking bijzondere persoonsgegevens ten behoeve van de tegemoet-komingBij de toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming kan het nodig zijnom bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) teverwerken. De Afdeling heeft in haar advies terecht geconstateerd dat inhet wetsvoorstel en de memorie van toelichting onvoldoende aandachtwas besteed aan deze op grond van artikel 9, eerste lid, AVG in beginselverboden verwerking van persoonsgegevens. De regering wenst dit teherstellen en heeft daarom het wetsvoorstel en de memorie vantoelichting op het punt van gegevensverwerking aangevuld.De regering is van mening dat ten aanzien van de verwerking van dezebijzondere persoonsgegevens in het kader van de toekenning op aanvraagvan de tegemoetkoming een beroep kan worden gedaan op de uitzonde-ringsgrond van artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Zoals de Afdelingin haar advies terecht constateert, moeten bij een beroep op dezeuitzonderingsgrond onder meer passende en specifieke maatregelenworden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de funda-mentele belangen van de betrokkene. Voorgesteld wordt om voorbedoelde verwerking van bijzondere persoonsgegevens een explicietewettelijke grondslag en wettelijke waarborgen op te nemen. Daarbij wordtaangesloten bij de eveneens bij dit gewijzigde voorstel van wet voorge-stelde wettelijke grondslag en waarborgen ten aanzien van de maatre-gelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs met betrekking tot deverwerking van bijzondere persoonsgegevens (gegevens overgezondheid), waarop hierna zal worden ingegaan. In verband met dezeaanvulling van het wetsvoorstel op het punt van gegevensverwerking (denieuwe artikelen 11.6 en 11.7) is paragraaf 3.1.1 – gegevensverwerkingtoekenning op aanvraag – toegevoegd aan de memorie van toelichting.Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevensDe regering heeft naar aanleiding van het advies van de Afdeling bredergekeken naar de grondslag en waarborgen voor de verwerking vanbijzondere persoonsgegevens. Naast de verwerkingen van bijzonderepersoonsgegevens in het kader van de tegemoetkoming en de aanvul-lende tegemoetkoming, gaat het dan om de voorzieningen binnen dezogenoemde Voorziening Prestatiebeurs: de verlenging van de duur vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 46 de prestatiebeurs vanwege handicap of chronische ziekte,11 de omzettingvan de prestatiebeurs in een gift in geval van bijzondere omstandig-heden,12 de verlenging van de diplomatermijn in geval van bijzondereomstandigheden,13 en de nieuwe aanspraak op studiefinancieringverband houdend met handicap of chronische ziekte.14De aanleiding voor deze bredere blik is dat ten aanzien van de nieuwegroepen rechthebbende (oud-)studenten de toepassingsvoorwaardenvoor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aansluitenbij de toepassingsvoorwaarden voor de omzetting van de prestatiebeursin een gift in geval van bijzondere omstandigheden, respectievelijk deverlenging van de diplomatermijn in geval van bijzondere omstandig-heden. De regering heeft geconstateerd dat de nu van toepassing zijndegrondslag en waarborgen ten aanzien van de maatregelen binnen deVoorziening Prestatiebeurs met betrekking tot de verwerking vanbijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) niet voldoenaan de daarvoor op grond van de AVG geldende verplichtingen. Deregering wenst dit te herstellen en heeft daarom het wetsvoorstel en dememorie van toelichting op het punt van gegevensverwerking aangevuld.De regering heeft gemotiveerd dat voor de verwerking van dezebijzondere persoonsgegevens bij de maatregelen binnen de VoorzieningPrestatiebeurs een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgrondin artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Daarbij heeft de regeringvoorgesteld om voor bedoelde verwerking van bijzondere persoonsge-gevens een expliciete wettelijke grondslag en wettelijke waarborgen op tenemen. Hierbij zijn de volgende waarborgen voorgesteld.Voorgesteld wordt om verschillende wettelijke bewaartermijnen op tenemen voor gegevens over gezondheid die zijn verwerkt in het kader vanbesluiten over bovengenoemde voorzieningen.Daarnaast wordt voorgesteld om wettelijk te regelen dat bedoeldegegevens over gezondheid alleen toegankelijk zijn voor daartoe geautori-seerde personen. Daarbij wordt voorgesteld om een delegatiegrondslagop te nemen om dit bij ministeriële regeling verder uit te werken.In het gewijzigde voorstel van wet is met de voorgestelde wettelijkegrondslag en waarborgen ten aanzien van de maatregelen binnen deVoorziening Prestatiebeurs met betrekking tot de verwerking vanbijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) voldaan aande daarvoor op grond van de AVG geldende verplichtingen. In verbandmet deze aanvulling van het wetsvoorstel op het punt van gegevensver-werking (de nieuwe artikelen 11.6 en 11.7) is paragraaf 3.1.2 toegevoegdaan de memorie van toelichting.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwarenbij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer derStaten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.De waarnemend vvice-president van de Raad van State,L.F.M. Verhey11Artikelen 4.12 en 5.2b WSF 2000. Alsmede de met de verlenging van de duur van de prestatie-beurs vanwege handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 5.2b WSF 2000, samenhan-gende (gedeeltelijke) kwijtschelding van studieschuld voor ho-studenten met handicap ofchronische ziekte, bedoeld in artikel 12.31 WSF 2000.12Artikelen 4.13, 4.14, derde lid, 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000.13Artikelen 4.14, eerste en tweede lid, en 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000.14Artikelen 4.14, vierde lid, en 5.16, vierde lid, WSF 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 47 Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een technische verduidelijkingaan te brengen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting metbetrekking tot de indexering van de bedragen van de tegemoetkomingen.Verduidelijkt is dat de indexering plaatsvindt aan de hand van artikel 11.1,eerste lid, WSF 2000.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en degewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 48
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.