KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag

5 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5a27546729c4847b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 774Voorstel van wet van het lid Bushoff totwijziging van de Mededingingswet in verbandmet de uitbreiding van het concentratietoezicht(Wet inroepbevoegdheid ACM)Nr. 7 VERSLAG De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbe-reidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uitte brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de indiener op de gestelde vragen en degemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht decommissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoendevoorbereid.I. ALGEMEEN DEEL De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededin-gingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wetinroepbevoegdheid ACM) (het wetsvoorstel).De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.De leden van de CDA-fractie willen allereerst hun waardering uitsprekenvoor het lid Bushoff en zijn ondersteuning voor het opstellen en indienenvan deze uitgebreide initiatiefwet. Zij zijn zich er terdege van bewust dathet opstellen van een dergelijk initiatiefwetsvoorstel veel tijd endenkkracht vergt. De memorie van toelichting biedt bovendien eeninteressant overzicht van het internationale mededingingsbeleid.De leden van de CDA-fractie staan in beginsel niet onwelwillendtegenover de doelstelling van het wetsvoorstel. Op basis van onderzoekvan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) constateren zij dat inbepaalde markten sprake is van een afname van de concurrentie. Eengoed functionerende concurrentie draagt echter juist bij aan innovatie,economische weerbaarheid, betaalbare prijzen en keuzevrijheid voorconsumenten. Met betrekking tot de risico’s die kunnen ontstaan door een kst-36774-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 71 reeks kleinere overnames, zogenoemd «kralenrijgen», of door deovername van innovatieve concurrenten die onder de huidige omzet-drempels blijven, herkennen deze leden de door de initiatiefnemergeschetste problematiek. Dat geldt in het bijzonder voor sectoren waarinde markt lokaal of regionaal is georganiseerd, zoals delen van dezorgsector.Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat het wetsvoorsteleen ingrijpende uitbreiding van het instrumentarium van de ACM behelst.Deze leden achten het daarom van belang dat overtuigend wordtaangetoond dat een generieke inroepbevoegdheid noodzakelijk, proporti-oneel en uitvoerbaar is. Zij hebben in dat kader vragen over de gevolgenvoor de rechtszekerheid van ondernemingen, de administratieve lasten endoorlooptijden voor het bedrijfsleven, de uitvoerbaarheid voor de ACM ende afweging tussen een generieke bevoegdheid en meer sectorspecifiekealternatieven.Daarnaast zien de leden van de CDA-fractie dat het voorliggendewetsvoorstel veel open normen hanteert en veel beoordelingsruimte laatvoor de ACM. Daarin kan een spanning ontstaan tussen onafhankelijkeuitvoering en democratische legitimiteit. Ook daar zullen zij op ingaan.1. Inleiding De leden van de D66-fractie delen de analyse die ten grondslag ligt aanhet wetsvoorstel: ook concentraties die onder de huidige omzetdrempelsblijven, kunnen de mededinging en daarmee het belang van consumentenschaden, in het bijzonder via «kralenrijgen» en zogenoemde killeracquisities. Deze leden wijzen erop dat het versterken van het mededin-gingsinstrumentarium met een inroepbevoegdheid aansluit bij deafspraak in het coalitieakkoord om de ACM als marktmeester twee nieuweinstrumenten te geven – de call-inbevoegdheid en de New CompetitionTool – en bij voorstellen die de leden van de D66-fractie zelf hebbengedaan, onder meer bij de op 22 oktober 2024 door de Kamer aange-nomen motie die de regering verzocht een call-inbevoegdheid in deMededingingswet op te nemen.1 Deze leden steunen de hoofdlijn van hetvoorstel en hebben daarbij nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie waarderen de inzet die de initiatiefnemer opdit onderwerp toont. Deze leden delen de opmerking van de indiener in detoelichting dat het beter is om onevenredige marktconcentraties tevoorkomen dan dat dit achteraf wordt gecorrigeerd. Deze leden hebbennog enkele opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemer de gezond-heidszorg aanhaalt als sector waarbij in zijn ogen onwenselijkeovernames plaatsvinden. Tegelijkertijd ontbreekt in de toelichting de notiedat investeringen in bijvoorbeeld de gezondheidszorg nodig zijn om deNederlandse consument te bedienen. Een overname kan additioneelkapitaal in een sector teweegbrengen. Deelt de initiatiefnemer dezeconstatering? Zo ja, waarom meent hij dat het voorgestelde wetsvoorstelproportioneel is ten aanzien van een mogelijke reductie in investeringenin de economie?De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemer in detoelichting zelf erkent dat overnames en schaalvergroting positieveeffecten kunnen hebben, zoals efficiënter werken, kwaliteitsverbetering eninnovatie. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe in de voorgestelde1Kamerstuk 36 495, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 72 inroepbevoegdheid voldoende wordt gewaarborgd dat legitiemeschaalvergroting en bedrijfsgroei niet onnodig worden belemmerd. Deinitiatiefnemer verwijst terecht naar het Towercast-arrest en de mogelijk-heden die dit arrest biedt voor de ACM om niet-meldingsplichtigeovernames te toetsen aan het verbod op misbruik van een economischemachtspositie. De initiatiefnemer merkt daarbij op dat de bewijslast vooringrijpen hoog is.De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer te reflecteren op devraag in hoeverre deze hoge bewijslast juist niet proportioneel is, gelet opde ingrijpende aard van overheidsoptreden bij overnames en concen-traties. Deze leden merken daarbij op dat ingrijpen in een overnamezorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd dient te zijn. Deze leden vragen hoede initiatiefnemer aankijkt tegen de eerste Nederlandse praktijkervaringensinds het schrappen van artikel 24, tweede lid, van de Mededingingswet.De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer het adviesvan de Afdeling advisering van de Raad van State pareert met de stellingdat het risico op mededingingsbeperkende concentraties zich niet beperkttot enkele specifieke sectoren, maar een breder structureel karakter heeft.Deze leden vragen de initiatiefnemer echter nader te onderbouwen opbasis van welke concrete Nederlandse praktijkvoorbeelden, marktanalysesof empirische gegevens hij concludeert dat een generieke inroepbe-voegdheid voor de gehele economie noodzakelijk en proportioneel is, inplaats van een meer sectorspecifieke benadering.2. Aanpassing van de Mededingingswet Verhouding tot de generieke omzetdrempelsDe leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer eenverhoging van de generieke omzetdrempels voor de reguliere meldings-plicht buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel laat. Deze leden begrijpendie afbakening, maar wijzen erop dat beide onderwerpen inhoudelijknauw samenhangen. De ACM heeft in haar Wetgevingsbrief 2025 zelfbepleit de generieke omzetdrempel – die voor het laatst in 2003 isaangepast – te verhogen van € 30 miljoen naar € 50 miljoen, en weluitdrukkelijk in combinatie met een inroepbevoegdheid voor onderdrem-pelige overnames. Volgens de ACM daalt het aantal verplichte meldingendaardoor van gemiddeld circa 130 naar ongeveer 75 per jaar, waardoorcapaciteit vrijkomt om gericht de daadwerkelijk problematische concen-traties – waaronder kralenrijgen en killer acquisities – in te roepen en teonderzoeken. De ACM presenteert de drempelverhoging en de inroepbe-voegdheid daarmee als communicerende vaten; ook D66 heeft dezecombinatie eerder bepleit.De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer hoe hij eeneventuele verhoging van de generieke omzetdrempel naar € 50 miljoen,conform het advies van de ACM, beoordeelt. Ziet de initiatiefnemer dedrempelverhoging en de inroepbevoegdheid eveneens als complemen-taire, samenhangende maatregelen, en zo ja, wat betekent dit voor deweging van het voorliggende wetsvoorstel? Acht de initiatiefnemer eeninroepbevoegdheid zónder gelijktijdige verhoging van de generiekedrempel evenwichtig, mede gelet op de lasten voor het bedrijfsleven ende gerichtheid van het toezicht?De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de ACM blijkens detoelichting verwacht per saldo geen extra middelen nodig te hebben voorde uitvoering van de inroepbevoegdheid. Tegelijkertijd heeft de Ministervan Economische Zaken en Klimaat in het commissiedebat MarktordeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 73 en consumentenbescherming van 2 oktober 2025 gemeld dat de ACMheeft aangegeven het inroepen van fusies binnen de bestaande capaciteitte kunnen opvangen, mits dit wordt gecombineerd met de verhoging vande algemene omzetdrempel. Het voorliggende wetsvoorstel voorzietechter niet in die verhoging. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe deaanname dat de ACM geen extra middelen nodig heeft, zich verhoudt totde voorwaarde die de ACM aan dat capaciteitsoordeel lijkt te hebbenverbonden. Hoe waarschijnlijk acht de initiatiefnemer het dat de ACM deinroepbevoegdheid binnen de bestaande capaciteit kan uitvoerenwanneer het aantal verplichte reguliere meldingen niet gelijktijdig wordtteruggebracht, en is hij bereid het oordeel van de ACM op dit puntexpliciet te maken?Tot slot vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor de wijze waaropde omzetdrempels in de toekomst worden geactualiseerd. Deze ledenconstateren dat de generieke omzetdrempel sinds 2003 niet is aangepast,mede doordat een aanpassing telkens een wetswijziging vergt. Zij vragende initiatiefnemer of hij mogelijkheden ziet om de omzetdrempels (zowelde generieke drempel als de in dit voorstel gehanteerde drempel) eenmeer dynamisch karakter te geven, bijvoorbeeld door te voorzien in eengrondslag voor periodieke of automatische indexatie, dan wel vooraanpassing bij algemene maatregel van bestuur, zodat de drempelskunnen meebewegen met bijvoorbeeld de inflatie zonder dat daarvoortelkens een wetswijziging nodig is. Hoe weegt de initiatiefnemer eendergelijke systematiek, mede gelet op enerzijds de rechtszekerheid envoorspelbaarheid voor ondernemingen en anderzijds de wens om dedrempels actueel en effectief te houden?Asymmetrische omzetdrempel en reikwijdteDe leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer het voorstelnaar aanleiding van de internetconsultatie heeft aangepast, zodat tenminste één van de betrokken ondernemingen een omzet in Nederland vanten minste € 30 miljoen moet behalen voordat de inroepbevoegdheid kanworden toegepast. Deze leden begrijpen dat hiermee wordt voorkomendat zeer kleine transacties onder de bevoegdheid vallen, en dat ditrechtszekerheid voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) biedt. Tegelijkertijdvragen deze leden aandacht voor het type concentraties dat juist deaanleiding voor dit voorstel vormt. Bij kralenrijgen bouwt een partijregionale of lokale marktmacht op via een reeks op zichzelf kleineovernames, waarbij ook de verwervende partij – bijvoorbeeld eenopkomende keten of een investeringsvehikel – aanvankelijk een beperkteomzet kan hebben. Deze leden vragen de initiatiefnemer in hoeverre deasymmetrische drempel van € 30 miljoen voldoende ruimte laat om dezekralenrijgstrategieën te kunnen inroepen. Bestaat het risico dat problema-tische roll-ups in lokale of nichemarkten, waarbij in een vroege fase geenvan de betrokken partijen de € 30 miljoen haalt, alsnog buiten bereik vande bevoegdheid blijven?RechtszekerheidDe leden van de D66-fractie hechten aan voorspelbaar en proportioneeltoezicht. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft kantteke-ningen geplaatst bij de breedte van de bevoegdheid en bij de rechtsze-kerheid voor ondernemingen. Deze leden vragen de initiatiefnemer nadertoe te lichten hoe de voorspelbaarheid voor ondernemers wordt geborgd,onder meer via het detectieproces van de ACM en de gehanteerdetermijnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 74 De leden van de VVD-fractie lezen dat met het wetsvoorstel wordtvoorgesteld om in de Mededingingswet een bepaling op te nemen dat deACM als uitzondering op de geldende omzetdrempels in de huidige wet,de bevoegdheid krijgt om melding van een concentratie te eisen waarvande ACM reden heeft om aan te nemen dat die concentratie de daadwerke-lijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan opsignificante wijze zou kunnen belemmeren. Die bevoegdheid kan wordeningeroepen als daarnaast één van de bij de concentratie betrokkenondernemingen voldoet aan de omzetdrempel van € 30 miljoen inNederland. Deze leden lezen daarnaast dat de ACM zou hebben aange-geven dat indien de inroepbevoegdheid in de Mededingingswet wordtopgenomen, zij op dit punt guidance zal geven door via een leidraadvooraf duidelijk te maken waar zij op let bij het mogelijk inroepen vanconcentraties. Deze leden vragen de indiener toe te lichten of de Kamernog een rol speelt in deze guidance en zo nee, waarom niet.2.1 Enkele oplossingsrichtingen De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschil-lende alternatieven bespreekt, waaronder lagere omzetdrempels,sectorspecifieke drempels en marktaandeeldrempels. Deze ledenbegrijpen de door de initiatiefnemer genoemde bezwaren tegen dezealternatieven, maar missen een nadere onderbouwing waarom devoorgestelde asymmetrische omzetdrempel uiteindelijk de meestproportionele en effectieve oplossing vormt. Kan de initiatiefnemertoelichten waarom is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoenbij slechts één van de betrokken ondernemingen? Welke alternatievedrempels zijn overwogen en op basis van welke criteria is deze keuzegemaakt?De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de initiatiefnemer, geletop de mogelijke gevolgen van de voorgestelde inroepbevoegdheid voorondernemingen, investeringen en overnametrajecten, heeft overwogen debevoegdheid in eerste instantie slechts van toepassing te laten zijn op éénof enkele specifieke sectoren waarin de geschetste problematiek zich hetmeest nadrukkelijk voordoet.De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemer kan toelichtenwaarom niet is gekozen voor een meer gefaseerde of sectorspecifiekeinvoering, zodat eerst ervaring kan worden opgedaan met de praktischeuitvoering, de effecten op de markt en de gevolgen voor de rechtsze-kerheid van ondernemingen.De leden van CDA-fractie vragen de initiatiefnemer uiteen te zettenwaarom het voorgestelde model volgens hem beter scoort op rechtsze-kerheid, uitvoerbaarheid, administratieve lasten en effectiviteit dan debesproken alternatieven. Kan de initiatiefnemer deze vergelijkingschematisch weergeven, bijvoorbeeld in tabelvorm, waarbij het voorge-stelde model wordt afgezet tegen alternatieven zoals lagere omzet-drempels, andere transactiewaarde drempels, sectorspecifieke drempels,marktaandeeldrempels en invoering voor specifieke sectoren in plaats vangeneriek? Daarnaast merken deze leden op dat de ACM eerder heeftvoorgesteld de huidige omzetdrempel van € 30 miljoen te verhogen naar€ 50 miljoen, juist om de toezichtcapaciteit gerichter in te kunnen zettenop concentraties waarbij de grootste risico’s voor de mededingingbestaan2. Hoe verhoudt de keuze van de initiatiefnemer om dezelfdeomzetdrempel van € 30 miljoen als aanknopingspunt voor de inroepbe-2ACM, 17 maart 2025, ACM/25/193908 ACM Wetgevingsbrief 2025. (https://www.acm.nl/system/files/documents/2025-acm-wetgevingsbrief.pdf)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 75 voegdheid te hanteren zich tot deze eerdere aanbeveling van de ACM?Heeft de initiatiefnemer overwogen aan te sluiten bij een hogereomzetdrempel en zo ja, waarom is daarvan afgezien?Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de voorgesteldeomzetdrempel zich verhoudt tot eventuele toekomstige wijzigingen van dereguliere omzetdrempels in het concentratietoezicht. Indien de generiekeomzetdrempels worden verhoogd, stijgt de drempel voor de inroepbe-voegdheid dan automatisch mee? Is sprake van een dynamischekoppeling of van een zelfstandig in de wet vastgelegde drempel?2.2 Voorstellen op hoofdlijnen Open norm en rechtszekerheidDe leden van de CDA-fractie lezen dat het uitgangspunt voor toepassingvan de nieuwe bevoegdheid is dat sprake moet zijn van het risico dat dooreen concentratie de mededinging op de Nederlandse markt, of een deeldaarvan, op significante wijze zou kunnen worden belemmerd. Deinitiatiefnemer merkt daarbij zelf op dat het niet mogelijk is om voorafvolledig duidelijk te maken wanneer van een dergelijk risico sprake zalzijn. Deze leden constateren dat hier sprake is van een open norm die deACM aanzienlijke beoordelingsruimte laat.De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de ACM voornemens ishierover guidance te geven via een leidraad en achten dat op zichzelfverstandig. Zij vragen de initiatiefnemer echter in hoeverre een dergelijkeleidraad voldoende waarborgen biedt voor rechtszekerheid. Hoe beoor-deelt de initiatiefnemer het risico dat ondernemingen hierdoorterughoudender/risicomijdender worden met investeringen, bedrijfsgroeiof reguliere overnames? Heeft de initiatiefnemer de mogelijke omvangvan deze effecten op het vestigingsklimaat en de algemene marktdy-namiek onderzocht en inzichtelijk gemaakt en wat is zijn weging hiervan?De leden van de CDA-fractie merken op dat begrippen als «kralenrijgen»en «killer acquisities» een belangrijke rol spelen in de onderbouwing vanhet wetsvoorstel, maar geen juridische begrippen zijn die in de wetworden gedefinieerd. Hoe wordt voorkomen dat hierover in de praktijkonduidelijkheid ontstaat? Is de initiatiefnemer van mening dat de ACMdeze begrippen in haar leidraad nader dient af te bakenen aan de handvan concrete en objectief toetsbare criteria, zodat voor ondernemingenvooraf beter voorspelbaar is wanneer een concentratie mogelijk onder dereikwijdte van de inroepbevoegdheid valt?Informele zienswijzeDe leden van de CDA-fractie achten het positief dat ondernemingenvooraf een informele zienswijze van de ACM kunnen vragen om meerduidelijkheid te verkrijgen over de mogelijke toepassing van de inroepbe-voegdheid. Deze leden merken daarbij op dat snelheid, voorspelbaarheiden kwaliteit van dergelijke zienswijzen cruciaal zijn voor ondernemingendie zich in een overnametraject bevinden.De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer in hoeverre hijverwacht dat ondernemingen juist vanwege de open norm en debeoordelingsruimte van de ACM in grotere aantallen gebruik zullenmaken van deze mogelijkheid. Op welke gegevens of ervaringen is deverwachting gebaseerd dat dit aantal beperkt zal blijven? Tevens vragendeze leden hoe wordt voorkomen dat de ACM door een groot aantalverzoeken om informele zienswijzen overbelast raakt. Hoe wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 76 voorkomen dat hierdoor de doorlooptijden oplopen of dat de kwaliteit endaarmee de praktische waarde van deze zienswijzen onder druk komt testaan? Is bij de raming van de uitvoeringskosten expliciet rekeninggehouden met een substantiële toename van dergelijke verzoeken?3. Consultatie De leden van de VVD-fractie lezen dat een aantal organisaties tijdens deinternetconsultatie heeft aangedrongen op een verhoging van deomzetdrempels. Deze leden constateren dat de indiener ervoor heeftgekozen de inroepbevoegdheid mogelijk te willen maken als één bedrijfbij een overname, fusie of joint venture een omzet heeft die groter is dan€ 30 miljoen. Waarom heeft de indiener er niet voor gekozen om aan dekant van de partij die wordt overgenomen eveneens met een omzet-drempel te werken?De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover de mogelijkheidvoor ondernemingen om een voorgenomen fusie of overname vrijwilligvia een eenvoudig (online) formulier aan de ACM voor te leggen. Dezeleden achten het van belang dat ondernemingen op een laagdrempeligewijze vooraf duidelijkheid kunnen verkrijgen. Deze leden vragen deinitiatiefnemer echter nader toe te lichten wat de juridische status enrechtsgevolgen zijn van een dergelijke informele zienswijze van de ACM.In hoeverre kunnen ondernemingen hier daadwerkelijk op vertrouwen?Bestaat het risico dat ondernemingen op basis van een informelebeoordeling menen voldoende zekerheid te hebben verkregen, terwijl deACM op een later moment alsnog besluit de concentratie in te roepen ofnader onderzoek te starten?De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel nietsverandert aan de bestaande rolverdeling tussen de Nederlandse Zorgau-toriteit (NZa) en de ACM. Deze leden vragen de initiatiefnemer nader toete lichten in hoeverre wordt voorkomen dat zorgaanbieders in de praktijkmet dubbel toezicht of dubbele toetsing worden geconfronteerd. Hoeverhouden de sectorspecifieke concentratietoets van de NZa en devoorgestelde inroepbevoegdheid van de ACM zich concreet tot elkaar?Bestaat het risico dat een concentratie eerst door de NZa wordt beoor-deeld en vervolgens alsnog door de ACM wordt ingeroepen? Tevensvragen deze leden hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra administra-tieve lasten, langere doorlooptijden en meer onzekerheid voor betrokkenzorgaanbieders.4. Financiële paragraaf De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens de indiener de ACMverwacht dat het wetsvoorstel niet zal leiden tot extra benodigdemiddelen bij de toezichthouder. In de toelichting wordt daarbij verwezennaar de verwachting dat het aantal overnames, fusies of joint ventures datdaadwerkelijk «ingeroepen» zal worden, zeer beperkt zijn. Dat laatonverlet dat de ACM veel meer zaken moet behandelen om te kijken of ermogelijk sprake is van een overname, fusie of joint venture waarbij het deinroepbevoegdheid zou willen toepassen. De leden van de VVD-fractievragen in dit licht om een toelichting op de stelling dat het wetsvoorstelniet tot extra benodigde middelen bij de ACM zal leiden.De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de initiatiefnemer steltdat er «slechts geringe administratieve lasten» te verwachten zijn als ditwetsvoorstel wordt aangenomen. Deze leden vragen de indiener of hijbereid is het wetsvoorstel voor te leggen aan het Adviescollege ToetsingRegeldruk (ATR) en zo niet, waarom niet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 77 De leden van de CDA-fractie lezen dat de toezichtskosten voor de ACMvolgens de toelichting slechts beperkt zouden toenemen en dat wordtuitgegaan van ongeveer 500 uur extra capaciteit per jaar voor hetbehandelen van informele meldingen en zienswijzen. Deze leden vragenin hoeverre deze inschatting realistisch is, gelet op de potentieel bredereikwijdte van de voorgestelde inroepbevoegdheid en de mogelijketoestroom van verzoeken om informele zienswijzen van ondernemingendie vooraf zekerheid wensen te verkrijgen.De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer om nader toe telichten welke aannames aan deze capaciteitsinschatting ten grondslagliggen. Is bij deze berekening rekening gehouden met het risico datgrotere aantallen ondernemingen uit voorzorg contact zullen opnemenmet de ACM?Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat deACM bij een grotere toestroom van verzoeken onvoldoende capaciteitheeft om tijdig en zorgvuldig op dergelijke verzoeken te reageren. Zijn ervolgens de initiatiefnemer voldoende waarborgen om te voorkomen datondernemingen gedurende langere tijd in onzekerheid verkeren over eenvoorgenomen concentratie?De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de prioritering binnende ACM vorm zal krijgen bij zowel de behandeling van verzoeken om eeninformele zienswijze als het gebruik van de voorgestelde inroepbe-voegdheid. Wie bepaalt welke zaken voorrang krijgen en op basis vanwelke criteria wordt die afweging gemaakt?Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen datde behandeling van informele zienswijzen gaat concurreren met de inzetvan capaciteit voor formele onderzoeken en handhaving. Acht deinitiatiefnemer het risico aanwezig dat de ACM door prioriteringskeuzesminder capaciteit beschikbaar heeft voor andere mededingingsvraag-stukken?5. Overig EvaluatieDe leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geenevaluatiebepaling bevat los van de invoeringstoets na één jaar. Gelet opde ingrijpende aard van de voorgestelde bevoegdheid, de mogelijkegevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen en de onzekerheidover de uitvoeringslasten voor zowel de ACM als het bedrijfsleven, achtendeze leden een evaluatie van groot belang. Deze leden vragen deinitiatiefnemer hoe hij de evaluatie van deze wet voor zich ziet. Acht deinitiatiefnemer het wenselijk om binnen een vooraf bepaalde termijn nainwerkingtreding de werking van de wet te evalueren? Zo ja, welke termijnacht hij daarvoor passend?Tevens vragen de leden van de CDA-fractie of de initiatiefnemer bereid iseen evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 78 II. ARTIKELSGEWIJS DEEL Artikel I, onderdeel AArtikel 49aDe leden van de PVV-fractie lezen dat de initiatiefnemer stelt datproblemen rondom concentratievorming zich niet alleen voordoen bijgrote overnames, maar ook in lokale markten en bij relatief kleineovernames. Deze leden zijn het ermee eens dat dergelijke overnames,zeker wanneer zij onderdeel zijn van een reeks opeenvolgendeovernames, kunnen leiden tot ongewenste marktmacht. Zij vragendaarom waarom er desondanks voor is gekozen om als voorwaarde voorde inroepbevoegdheid op te nemen dat ten minste één van de betrokkenondernemingen een omzet van € 30 miljoen in Nederland behaalt. Welkepotentieel schadelijke concentraties blijven hierdoor alsnog buiten hetbereik van de ACM? Wordt met dit initiatiefvoorstel beoogd de ACM debevoegdheid te geven om ook concentraties die onder de reguliereomzetdrempels van de Mededingingswet blijven, alsnog te onderzoekenen zo nodig tegen te houden?De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de regering eerder heeftaangekondigd de omzetdrempels voor het reguliere concentratietoezichtte willen verhogen naar € 50 miljoen. Deze leden vragen in hoeverre eendergelijke verhoging van invloed is op het voorliggende initiatiefwets-voorstel. Betekent een eventuele verhoging van de omzetdrempels datook de in dit wetsvoorstel opgenomen omzetdrempel van € 30 miljoenwordt aangepast naar € 50 miljoen, of staat deze drempel daar juridischlos van? Indien beide drempels los van elkaar staan, kan de initiatiefnemerdan toelichten waarom binnen de voorgestelde inroepbevoegdheid isgekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen?De leden van de PVV-fractie begrijpen dat niet altijd op voorhand duidelijkis wanneer sprake is van ongewenste lokale of regionale marktmacht.Deze leden onderschrijven daarom het belang van een inroepbe-voegdheid voor de ACM, zodat de toezichthouder kan ingrijpen wanneerzij signalen ziet dat er ongewenste situaties ontstaan. Tegelijkertijdmerken deze leden op dat de ACM niet altijd volledig zicht zal hebben opontwikkelingen in specifieke markten of regio’s. Zou het daarom wenselijkzijn om een meldpunt in te richten waar ondernemers en anderensignalen kunnen melden over mogelijk ongewenste marktmacht ofconcentratievorming? Kan de initiatiefnemer toelichten of een dergelijkmeldpunt volgens hem kan bijdragen aan het tijdig signaleren vansituaties waarin gebruik van de inroepbevoegdheid wenselijk is?Artikel IIIDe leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geenspecifieke termijn bevat voor de inwerkingtreding van de voorgesteldebevoegdheid. Zij vragen de initiatiefnemer welke termijn hij redelijk achttussen de aanvaarding van het wetsvoorstel en de daadwerkelijkeinwerkingtreding daarvan. Daarbij vragen deze leden in het bijzonderwelke voorbereidingstijd volgens de initiatiefnemer noodzakelijk is voorde ACM. De voorgestelde inroepbevoegdheid lijkt immers in belangrijkemate afhankelijk van de ontwikkeling van guidance, een leidraad en demogelijkheid voor ondernemingen om vooraf een informele zienswijze teverkrijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 79 Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe de initiatiefnemer hetrisico beoordeelt dat de bevoegdheid formeel in werking treedt voordatdeze ondersteunende instrumenten voldoende zijn uitgewerkt. Acht deinitiatiefnemer het wenselijk dat de leidraad en de werkwijze rondominformele zienswijzen beschikbaar zijn voordat de bevoegdheid daadwer-kelijk van kracht wordt, mede om onzekerheid bij ondernemingen tebeperken?Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie aan welke voorwaardenvolgens de initiatiefnemer moet zijn voldaan voordat de ACM deze nieuwebevoegdheid op een voorspelbare, uitvoerbare en rechtszekere wijze kantoepassen.De voorzitter van de commissie,Van EijkDe adjunct-griffier van de commissie,KrijgerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 710

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 4330ed06353c5d88

14 okt 2026 · 65d77a8119de10a5

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.