KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 25 april 2024, over Mentale gezondheid van jongeren en studenten

19 jul 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dd7131f9bce574ea · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1150 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 19 juli 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vastecommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 25 april2024 overleg gevoerd met de heer Dijkgraaf, Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, en de heer Van Ooijen, Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport, over:–de brief van de voorzitter van de vaste commissie voorOnderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 april 2024 inzakeopenbaarmaking van het onderzoeksrapport en factsheetMentale gezondheid van jongeren en studenten in Nederland(Kamerstuk 31 288, nr. 1114);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 7 februari 2024 inzake beleidsreactie op eindadviesPlatform Perspectief Jongeren (Kamerstuk 36 410 VIII,nr. 108);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 14 juni 2023 inzake onderzoek naar risicofactorenen oplossingen van prestatiedruk en stress van studenten(Kamerstuk 31 288, nr. 1057);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 4 juli 2023 inzake aanpak studentenwelzijn in hetmiddelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en hetwetenschappelijk onderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 1067);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 30 november 2023 inzake resultaten MonitorMentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hogeronderwijs 2023 (Kamerstuk 31 288, nr. 1091);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 11 november 2021 inzake kabinetsreactie resulta-ten Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studen-ten hoger onderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 931);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 29 juni 2022 inzake beantwoording vragen commis-sie over de kabinetsreactie resultaten Monitor Mentale kst-31288-1150ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11501 gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs(Kamerstuk 31 288, nr. 931) (Kamerstuk 31 288, nr. 967);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 8 juni 2023 inzake integrale aanpak socialeveiligheid in hoger onderwijs en wetenschap (Kamerstuk29 240, nr. 131);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 5 juni 2023 inzake inspectierapport Sturen opblijvende veiligheid in het hoger kunst- en mode-onderwijs:Voer (voor) het gesprek (Kamerstuk 29 240, nr. 130);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 16 mei 2023 inzake reactie op verzoek commissieover belangstelling voor slimmer inrichten van het collegejaar(Kamerstuk 31 288, nr. 1038);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 28 maart 2023 inzake belangstelling voor slimmerinrichten van het collegejaar (Kamerstuk 31 288, nr. 1026);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 27 maart 2023 inzake derde advies Platform PerspectiefJongeren (Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 209);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 13 juli 2022 inzake Qompas-rapport Financiëlestress bij scholieren (Kamerstuk 31 289, nr. 518).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap,Michon-DerkzenDe fungerend voorzitter van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijnen Sport,EerdmansDe griffier van de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11502 Voorzitter: PijpelinkGriffier: HulsAanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Blaauw, Ceder, Ergin,Hertzberger, Van Houwelingen, Krul, Martens-America, Paternotte,Pijpelink, Tseggai en Van Zanten,en de heer Dijkgraaf, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ende heer Van Ooijen, Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn enSport.Aanvang 12.31 uur.De voorzitter:Goedemiddag, allemaal. Welkom bij het commissiedebat over de mentalegezondheid van jongeren en studenten. Ik heet de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, de heer Dijkgraaf, en de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Van Ooijen en de beidemedewerkers van harte welkom. Ik verwelkom ook de Kamerleden. Ik zaleven hun naam en fractie noemen, ook voor de mensen op de publieketribune. Dat zijn mevrouw Tseggai van GroenLinks-PvdA en mevrouwRosanne Hertzberger van Nieuw Sociaal Contract. Ik zie voorts de heerPaternotte van D66, de heer Van Houwelingen van Forum voorDemocratie, de heer Blaauw van de PVV, de heer Krul van het CDA enmevrouw Martens-America van de VVD. Ik heet ook alle mensen op depublieke tribune en de mensen die vanaf andere plekken meeluisteren en-kijken, van harte welkom.Voor de commissieleden geldt in de eerste termijn een spreektijd van vierminuten per fractie. Daar komen vier interrupties bij. In de tweede termijnheeft u een spreektijd van 1 minuut en 20 seconden. Wat de interruptiesbetreft stel ik voor dat we vier losse vragen aanhouden. Dat geldt straksook voor de interrupties bij beide bewindspersonen.Het debat duurt tot iets voor 15.30 uur, zodat de heer Dijkgraaf tijd heeftom naar zijn volgende verplichting te gaan. Ik heb inmiddels begrepen dathet wellicht nog iets eerder afgelopen moet zijn. We gaan zien hoever wekomen.De heer Paternotte (D66):Voorzitter. Volgens mij zijn er nog plenaire stemmingen tijdens dit debatvoorzien. Weet u al hoe u daarmee om wilt gaan?De voorzitter:Als dat het geval is, dan krijgen we een seintje. Dan schorsen we eventjes.Goed dat u het zegt. Dat is waar.Dan starten we nu met de inbreng van het Kamerlid Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Het aantal jongeren en jongvolwassenen metpsychische klachten neemt toe. Ik vind het dan ook goed dat we hiervandaag over spreken. Ik wil de jongeren die het betreft, die volgens mijin groten getale aanwezig zijn en meekijken, bedanken voor hun aanwe-zigheid en hun interesse.Prestatiedruk, sociale druk, financiële onzekerheid en zorgen overmaatschappelijke problemen spelen allemaal een negatieve rol in hetmentale welzijn van studenten en jongeren. Er lijkt in de huidige prestatie-samenleving voor jongvolwassenen simpelweg geen ruimte meer omverkeerde levens- en studiekeuzes te maken, zeker als je geen materiëleen immateriële buffers vanuit huis hebt meegekregen. Er ligt volgens mijeen prima onderzoeksrapport dat op verzoek van deze commissie isopgesteld. Ook staan er vandaag tal van andere rapporten en analyses opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11503 de agenda. Maar toch valt mij op dat daarin ook een aantal blinde vlekkenzitten, zoals de mentale gezondheid van kinderen die jonger zijn dan11 jaar, non-binaire jongeren en een hele grote groep mbo-studenten.Mijn eerste vraag is dan ook of de Minister en de Staatssecretaris wel eencompleet overzicht hebben, zodat we echt alle jongeren kunnen bereikenen helpen. Zou de Minister dan wel de Staatssecretaris ook kunnenreflecteren op deze groepen die niet zijn meegenomen in het onderzoek?Op de agenda van vandaag staat volgens mij ook een goede eerste aanzetvoor een aanpak studentenwelzijn, maar ik vraag me af of die welambitieus genoeg is, gezien de beperkte financiële middelen en deomvang van de problemen. Het lijkt nu vooral de bedoeling te zijn ombestaande structuren te versterken en niet om de aanpak op te schalen.GroenLinks-PvdA is vooral geïnteresseerd in concrete acties die teverwachten zijn bij onderwijsinstellingen. Wij hebben hier zelf ook eenaantal ideeën over. Zo zouden met name internationale studenten baatkunnen hebben bij een betere voorlichting over hun rechten in hetalgemeen en bij een betere toegankelijkheid van de geestelijke gezond-heidszorg. Daarnaast schrijft de wet voor dat onderwijsinstellingen eenzorgplicht hebben ten opzichte van al hun studenten.De voorzitter:Ik onderbreek u even, want er is een interruptie van mevrouwMartens-America.Mevrouw Martens-America (VVD):Misschien heb ik het niet goed begrepen. Willen we vanuit Nederland ooknog beleid gaan maken op het mentale welzijn van internationalestudenten? Is dat wat GroenLinks-Partij van de Arbeid hier voorstelt?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ja, met name omdat internationale studenten het soms best wel lastighebben als ze in Nederland komen en vooral niet weten waar ze terecht-kunnen met mentale klachten. Volgens mij hoeft er dus eigenlijk niet eensapart beleid te komen, want dat is er al. Er zijn al genoeg mogelijkheden,maar meestal weten ze niet waar ze terechtkunnen.De voorzitter:Oké, vervolgt u uw betoog.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik was gebleven bij de zorgplicht. Er zijn op dit gebied de afgelopenperiode al goede stappen gezet, maar toch lopen de ervaringen vanstudenten per onderwijsinstelling zeer uiteen. We zijn dan ook benieuwdnaar de stappen die de Minister sinds afgelopen zomer heeft gezet om dezorgplicht voor sociale veiligheid ook in te voeren. Toen hebben we voorde laatste keer daar iets over gehoord.Voorzitter. Dan nu mijn belangrijkste punt van vandaag: geld. Geld isnamelijk een grote bron van stress onder studenten. Uit de Monitormentale gezondheid blijkt dat ruim 40% van de studenten financiëlezorgen heeft. Uit de meeste recente cijfers van het Nibud blijkt datstudenten die uitwonend zijn zeker € 1.000 per maand nodig hebben omrond te kunnen komen. Waar we voor andere groepen in de samenlevingallerlei regelingen hebben om aan dat sociaal minimum te komen, geldtdat voor studenten vaak niet. Zij moeten in hun inkomen voorzien door decombinatie van studiefinanciering, werk en een ouderlijke bijdrage. Tevaak lukt dat studenten gewoon niet.Dat brengt mij bij het onderwerp stagevergoedingen. Daar zijn gisterenschokkende cijfers over naar buiten gekomen. Grote groepen studentenmoeten een verplichte stage lopen om een opleiding af te kunnen ronden.Gisteren bleek uit de Kamerbrief van de Minister dat maar liefst 60% vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11504 de mbo’ers, 25% van de hbo’ers en 35% van de wo’ers geen stagever-goeding krijgt. Van deze groepen doen de meeste studenten die stageomdat het verplicht is voor het afronden van hun opleiding. Die studentenworden dus geacht om naast een volledige werkweek op hun stageplek,geld te verdienen met een bijbaan om in hun inkomen te voorzien. Als jezeven dagen per week moet werken op zo jonge leeftijd, dan is het nietvreemd dat je last krijgt van mentale uitputting en andere mentaleklachten. GroenLinks-PvdA wil daarom graag dat we het recht op eenstagevergoeding wettelijk vastleggen dan wel onbetaalde stagesverbieden. Ik zou graag willen weten hoe de Minister hiernaar kijkt. Ikdenk er namelijk over na om hier een motie over in te dienen.Voorzitter. We zijn goed op weg, maar als we het mentale welzijn vanstudenten en jongeren echt op willen krikken, zijn er meer concrete enambitieuze stappen nodig.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Hertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):Voorzitter. Nieuw Sociaal Contract maakt zich zorgen over het grote aantaljongeren en scholieren dat ongelukkig is, dat in de put zit, dat aandepressies leidt of dat zelfs suïcidale gedachten heeft. Het is vrij zeker eencomplex probleem. Ook de toename ervan heeft meer dan één oorzaak.Bestaanszekerheid, gebrek aan woningen, minder kans op een vastcontract en ook een eenzamer bestaan spelen een rol. Maar ik wil vandaagtwee factoren eruit lichten. De eerste gaat specifiek over mediagebruik opjonge leeftijd. De tweede gaat over hoe we het systeem vergevingsge-zinder kunnen maken, zodat mensen minder hard vallen en makkelijkeropstaan.Allereerst, overmatig mediagebruik heeft waarschijnlijk een grote impactop de mentale gesteldheid van jongeren. Nieuw Sociaal Contractconstateert tevreden dat het dringende advies van deze Minister om detelefoon uit het klaslokaal te verbannen, is omarmd. Door anekdotischbewijs zien we dat dit ook zijn vruchten afwerpt. Sorry, dit advies was nietvan deze Minister, maar wel van OCW, waartoe deze Minister ook behoort.Zoiets werkt alleen maar als er echt draagvlak is in de maatschappij. Ikhoop dat ik straks ook voor mijn kinderen, nu 5 en 8 jaar, een school vindwaar die telefoon in het kluisje blijft. Dit is een kenmerk van een schoolwaar sociaal-menselijk contact en de mentale gezondheid van leerlingenworden bevorderd. De vraag is wat er dan nog meer mogelijk is. Wanneerwordt zoiets echt maatschappelijk gedragen? Wat zit er nog meer in hetvat? Dit moet niet top-down vanuit Den Haag gebeuren, maar dient vanuitgemeenschappen georganiseerd te worden. Bij het notaoverleg Digitali-sering vroeg mijn collega Six Dijkstra de Staatssecretaris afgelopenmaandag hoe zij de kansen ziet voor participatie via burgerinitiatieven enburgerberaden. Zo kunnen we de samenleving zelf laten besluiten wat zijacceptabel en wenselijk vindt in de deelname van onze jeugd in dedigitale wereld. In Ierland en in Duitsland hebben scholen en ouderssamengewerkt om pilots te realiseren voor een telefoon- of socialemedia-vrije jeugd voor de kinderen in die gemeenschappen. Hoe beziet deMinister de kansen voor dit soort burgerinitiatieven van ouders samenmet scholen, in samenwerking met bijvoorbeeld zijn collega op DigitaleZaken? Wil de Minister toezeggen om vanuit OCW aan te sluiten bijinitiatieven om dit soort burgerparticipatie te faciliteren?Voorzitter. Het tweede punt dat we willen aansnijden, is hoe we studentenkunnen helpen die psychische problemen krijgen. Er is een groep dieondanks de preventieve programma’s of alle goedbedoelde ondersteu-nende begeleiding toch gewoon thuis komt te zitten met een dijk van eendepressie en maandenlang niet in staat is om uit bed te komen. Dat is deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11505 harde realiteit van mentale gezondheid: studenten die uitvallen. Het leedis zeker groot wanneer dat in een vergevorderd stadium van de studiegebeurt, in het zicht van finish. In aanloop naar dit debat spraken we meteen aantal studenten dat uitviel in het laatste jaar van hun opleiding in hetmbo of hbo. Dat zijn echt rotverhalen. Zij moeten vaak van vooraf aanbeginnen, staan met lege handen, hebben vaak een dijk van een studie-schuld en hebben soms geen startkwalificatie. Dit zijn geen mensen diehier hun recht komen opeisen. Uitvallen gaat vaak gepaard met gevoelensvan schaamte, schuld en mislukking. Mentale gezondheid is mindermakkelijk bespreekbaar dan fysieke gezondheid. Hoe zorgen wij ervoordat mensen die met mentale problemen te maken krijgen weer makke-lijker kunnen opstaan? Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat we het systeemzo inrichten dat het hen niet tegen de grond werpt, maar helpt opstaan enhelpt terug in te stromen?In de verhalen die wij tegenkwamen, deed het systeem soms hettegenovergestelde. Een jonge vrouw die ons haar verhaal vertelde, vieldoor een depressie uit in het laatste jaar van haar mbo 4-opleidingverpleegkunde. Toen zij was opgekrabbeld, klopte zij aan bij haaropleiding – dat was al een behoorlijke stap – en kreeg daar de deur in hetgezicht; ze moest van vooraf aan beginnen. De reden was dat de opleidingte veel veranderd zou zijn, of zoiets. Dat is doodzonde. De prijs die destudent betaalt, is hier te hoog. De prijs die instelling betaalt, is te hoog.En de prijs die de samenleving betaalt, is te hoog. In het mbo krijgenuitvallers een mbo-verklaring mee. Dit is een standaardformulier met deafgeronde vakken en het uitstroomniveau. Dat had zij ook, maar datmocht niet baten. Doet die mbo-verklaring wat zij moet doen? Het ideekwam uit het reageerakkoord van Rutte III ...De voorzitter:Komt u tot een afronding, gezien de tijd?Mevrouw Hertzberger (NSC):Ja. Het idee mondde uit in de Wet versterken positie mbo-studenten. Diehad als doel om uitvallers een sterkere positie te geven. De vraag is:kunnen wij die mbo-verklaring ook versterken? Wat kan de Minister doenom die mbo-verklaring toch te laten doen wat zij moet doen? De tweedevraag is: ziet de Minister ook kansen om deze mbo-verklaring bijvoorbeelduit te breiden naar het hbo, om zo de uitvallers een makkelijke instroom tebieden?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie een interruptie van de heer Paternotte.De heer Paternotte (D66):Het is inderdaad een terechte analyse van mevrouw Hertzberger van hoeuitvallers ook afhakers kunnen worden, terwijl ze eigenlijk al heel veelwerk verzet hebben en al veel geleerd hebben. Ziet zij iets in eenperspectief waarbij je, eigenlijk net zoals in de bachelor-masterstructuur,ook al eerder een graad hebt die je iets meer houvast geeft als je eenuitvaller bent maar al wel het grootste deel van de opleiding afgerondhebt?De voorzitter:Mevrouw Hertzberger voor een reactie.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ja, daar zien wij iets in. Wij hebben ook al een aantal gesprekken gevoerdmet de Vereniging Hogescholen om te bekijken wat hiervoor de opties zijnen of de Ad hiervoor nuttig kan zijn. Zoals de Ad ooit is ingestoken, zouTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11506 het hiervoor een optie kunnen zijn. Maar zoals die er nu uitziet, is het datniet. Het is nu namelijk echt een ander opleidingstraject geworden.Hetzelfde zie je een beetje in het mbo. Vroeger was er in het mbo ook demogelijkheid om te stapelen. Dat leverde dan weer een geheel eigenproblematiek op. Dus wij kiezen er hierbij even voor om te kijken of diembo-verklaring verstrekt kan worden en echt kan dienen als die trede.Misschien kan die zelfs met een toezegging van de examencommissiegepaard gaan, waarbij de examencommissie zegt: als jij binnen zoveeljaar terugkomt met deze mbo-verklaring, zeggen wij toe dat wij jou lateninstromen op een bepaald niveau, zodat je een korte eindsprint kunttrekken en alsnog een diploma kunt behalen. Dat is de versterkingwaarnaar we echt op zoek zijn en dat is ook de verbreding richting hethbo.De voorzitter:Oké, dank u wel. Heeft u nog interruptie op dat punt, meneer Paternotte?De heer Paternotte (D66):Ja, ik heb eigenlijk nog een andere interruptie. Dit is namelijk een mooipunt. We hebben het over studentenwelzijn en we weten dat financiën ookeen belangrijke zorg zijn voor veel studenten, dus ik denk dat mevrouwHertzberger de vraag wel ongeveer ziet aankomen. We hebben hetnamelijk al een paar keer met elkaar gehad over de compensatie van depechgeneratie. Daarbij zijn de ogen van de natie op Nieuw SociaalContract gericht vanwege dat amendement-Omtzigt. Nu is dinsdag haarmotie aangehouden, dus misschien wil zij daar wat context bij schetsen,zodat we iets meer weten over hoe nu verder.Mevrouw Hertzberger (NSC):Zeker. Nieuw Sociaal Contract is vastberaden om die tegemoetkoming teverhogen. Wij vinden namelijk ook dat de huidige tegemoetkoming depechgeneratie geen recht doet. Er is een aantal manieren om dit op goedewijze uit te voeren. Dat is bijvoorbeeld een rentemaatregel, een tegemoet-koming of een jaarlijkse toelage. Dat is een behoorlijk complex verhaal.Waar wij last van hebben gehad, is dat wij ...De voorzitter:Kunt u proberen om het kort toe te lichten? Het is namelijk een interruptie.Mevrouw Hertzberger (NSC):Maar, voorzitter, het is een complex verhaal kan ik u vertellen. Het isbehoorlijk makkelijk geweest om hier vorige week te claimen dat hetamendement-Omtzigt 6 miljard zou vrijmaken en dat wij de pechgeneratiedaadwerkelijk tot diep in hun vijftiger jaren 190 miljoen per jaar zoudenblijven overmaken. Dat is een hele vervelende situatie geweest en ik denkdat dit ook een valse belofte, een vals frame, is geweest richting diepechgeneratie. Op dit moment zien wij niet voldoende draagvlak. Wijstaan voor ons plan om die tegemoetkoming te verhogen met het geld uithet amendement-Omtzigt. We moeten nog een manier vinden waarop datbreder gedragen wordt, zodat de Kamer zich daar ook achter kan scharen.De voorzitter:Intussen is ook meneer Ergin van DENK aangeschoven. Van hartewelkom. Ik kijk even of er nog een interruptie is.De heer Paternotte (D66):Ik hoor iets over een frame. Het amendement-Omtzigt zegt natuurlijk dathet geld van de opbrengst van het amendement vanaf 2029 structureelwordt ingezet voor de pechgeneratie. Misschien kan mevrouw Hertz-berger dan zeggen wat daarmee bedoeld werd. Als het structureel wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11507 ingezet voor een pechgeneratie die de komende 35 jaar bezig is metterugbetalen, ga je ervan uit dat hen dat in die periode helpt. Het voorsteldat mevrouw Hertzberger vorige week deed, levert ongeveer € 1.100 perstudent van de pechgeneratie op. Ik denk dat uiteindelijk iedereen op zoekis naar duidelijkheid. Kijk naar NSC. Mevrouw Hertzberger zegt: het is eencomplex vraagstuk. Dat geloven we allemaal, maar het is nu natuurlijk weleen halfjaar of zeven maanden na dat amendement. Ik denk dat menseninmiddels wel recht hebben op duidelijkheid.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik denk dat wij heel helder zijn geweest over wat onze ambitie hierbij was.Deze week hebben wij helaas moeten constateren dat er niet genoegdraagvlak voor is. Ik moet eerlijk zeggen dat de middenweg ... Dat is dusniet claimen 6 miljard naar voren te kunnen halen of tot 2060 eenpechgeneratie te blijven compenseren. Daarbij kan DUO uiteindelijk hetonderscheid tussen thuis- en uitwonende studenten niet maken. Datonderscheid zat er ook niet in bij meneer Paternotte. Dat betekent dus datje thuiswonende studenten in dat luchtkasteel twee keer zou overmakenwat zij ooit zijn misgelopen. Rechtvaardigheid en zorgvuldigheid zijnhierbij dus belangrijk. Claimen dat bijvoorbeeld iedereen 100% gecom-penseerd zou kunnen worden, zoals in de motie-Paternotte wordt gedaan,is echt een belofte die niemand hier kan nakomen. Het zou heel eerlijk zijnvan meneer Paternotte als hij dat ook zou toegeven.De voorzitter:Ik kijk even naar meneer Paternotte. Wilt u daar nog op reageren?De heer Paternotte (D66):Ik merk enigszins dezelfde geagiteerdheid als vorige week. Ik wildeproberen om dat in dit debat te vermijden. Maar ik snap zelf heel goed– dat hoor je ook vanuit de studentenorganisaties – dat de enormeverwachtingen vorig jaar waren dat het zou gaan om een substantiëlecompensatie. Gaat het om een groot bedrag? Ja, maar het gaat natuurlijkook om een heel groot bedrag dat die studenten – dat zijn heel veelmensen in Nederland – bij elkaar zijn misgelopen: € 14.000 per persoon.Daar heeft het kabinet een paar stappen op gezet. Maar het voorstel vanmevrouw Hertzberger levert € 1.000 op, of iets meer dan € 1.000,bovenop die € 14.000. Ik snap wel dat mensen daarvan zeggen: dat is fijn.Maar dat maakt niet hét verschil bij de zorgen over financiën of bij hetkunnen kopen van een huis. Daarom vragen mensen zich af: waaromwordt dat amendement-Omtzigt niet gewoon ingezet? Daar heeft deMinister ook een aantal opties voor neergelegd. Kan mevrouw Hertz-berger in ieder geval aangeven wanneer zij denkt dat NSC met eenvoorstel gaat komen?Mevrouw Hertzberger (NSC):Het blijft gewoon wonderlijk om hier steeds, elke week, hetzelfde debat tevoeren met de partij die nota bene verantwoordelijk is voor het afschaffenvan de studiebeurs. Destijds werden de beloftes gedaan dat de studie-schuld niet zou meetellen voor de hypotheek, dat de rente toch wel laagzou blijven en dat mensen met een gerust hart konden lenen. Dat zijnallemaal beloftes die destijds niet zijn waargemaakt. Nu horen we weer debelofte dat er 6 miljard zou zijn vrijgemaakt uit het amendement-Omtzigt.Dat is wederom een absoluut luchtkasteel. Nieuw Sociaal Contract komtzo snel mogelijk met een goede, rechtvaardige en zorgvuldig uit te voerencompensatie of tegemoetkoming voor deze leenstelselstudenten. Wij ziennamelijk ook hoe groot de nood is en dat het echt noodzakelijk is dat ditgebeurt. Maar wat betreft die € 14.000 die meneer Paternotte net weernoemde: dat gaat over de uitwonende studenten. De thuiswonendestudenten zijn € 5.000 misgelopen. Het probleem is – dat heb ik meneerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11508 Paternotte nooit horen erkennen – dat DUO van deze studenten niet weetof ze thuis- of uitwonend waren. Ze hoefden immers geen beurs tekrijgen, dus was het niet noodzakelijk om dat te registreren. Het is dus nietmogelijk om iedereen 100% te compenseren. Het is ook niet mogelijk ommet een kasschuif 6 miljard naar voren te halen. Een rentemaatregel ...De voorzitter:Komt u tot een afronding, mevrouw Hertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):Een rentemaatregel heeft niet de voorkeur, volgens mij ook niet van derest van de Kamer. Wij hebben hier een middenoptie op tafel gelegd. Daaris momenteel niet genoeg draagvlak voor. We komen zo snel mogelijk metiets waar hopelijk wel genoeg draagvlak voor is.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Als ik mevrouw Hertzberger zo hoor, zou ik bijna willen zeggen: «kan niet»bestaat niet. Misschien heeft dat ook iets te maken met het feit dat ik zelfonderdeel van die pechgeneratie ben. Ik heb toch het gevoel dat er watlicht zit tussen het amendement-Omtzigt en het verhaal van mevrouwHertzberger nu. Ik begrijp gewoon niet zo goed wat NSC nou precies wil.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik zal het dan toch weer moeten uitleggen. Wat betreft het gevoel het niette snappen: er zijn heel veel gevoelens. Er ligt gewoon een brief van deMinister die laat zien wat de dilemma’s zijn. Je maakt geld vrij uit eenstructurele reeks, die versobering van de expatregeling, die in principe totsint-juttemis zal duren. Je moet op een gegeven moment besluiten dat jedaarvan een deel gaat vrijmaken voor de pechgeneratie. MeneerPaternotte claimt dan dat dat tot en met 2060 zou zijn. Dat hoeft niet perse tot 2060 te zijn, want als je voor een jaarlijkse toelage kiest, kun je dezemensen in principe tot aan sint-juttemis geld blijven overmaken. Wijvinden dat de pijn van deze pechgeneratie waarschijnlijk niet op de langetermijn zit, want deze mensen gaan zeer waarschijnlijk boven modaalverdienen en zijn ook hoogopgeleid. Vooral in deze vroege fase zijn zij metwat ze zijn misgelopen oneerlijk op een achterstand gezet ten opzichte vanandere generaties. Wij hebben dus de keuze: hoe zet je structureel geld invoor een rechtvaardige en zorgvuldige tegemoetkoming, waarbij jebijvoorbeeld niet een enorm groot verschil maakt tussen iemand die éénjaar onder het leenstelsel studeerde en iemand die nul jaar onder hetleenstelsel studeerde? Dat kan bijvoorbeeld niet met een rentemaatregel.Wij hebben besloten dat de mooiste optie is om een deel van het geldnaar voren te halen. Dat betekent een verhoging van de tegemoetkoming,een eenmalige uitbetaling op korte termijn. Daarvoor ...De voorzitter:Ik snap dat u de tijd wilt nemen om het goed uit te leggen, maar ...Mevrouw Hertzberger (NSC):Ja, het is complex en ...De voorzitter:Ik verzoek u tot een afronding te komen.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik ben blij dat ik het heel even kan toelichten. Ik zal tot een afrondingkomen. Als we die tegemoetkoming, waarin we dus kunnen differentiërennaar hoelang iemand onder het leenstelsel studeerde en waarmee we dusrecht kunnen doen aan ieders situatie, naar voren kunnen halen, hebbenwe een kasschuif nodig over de meerjarige begroting heen. Met dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 11509 kasschuif leg je dus een heleboel geld ten laste van 2026. Dat vindensommige partijen in de Kamer ook niet leuk. Wij zoeken hierin eenmiddenweg en wij hopen dan ook op brede steun voor ons plan.De voorzitter:Dank u wel. Meneer Krul, ik had u net over het hoofd gezien, excuses. Hetwoord is nu aan u voor een interruptie.De heer Krul (CDA):Dat geeft niks, voorzitter. Ik vind het opmerkelijk dat mevrouw Hertzbergerde schuld van dat ze haar eigen plan niet kan uitwerken nu vooral bij D66legt. Het rookgordijn dat hier wordt neergelegd, vind ik opmerkelijk, wanthet wordt nu onnodig complex gemaakt. Ik heb dit debat met mevrouwHertzberger vlak na de verkiezingen gehad. Toen was het gelukkig nog ietssimpeler, want toen zei ze: we komen snel met een voorstel dat recht doetaan de compensatie van de pechgeneratie. Nu kan ik er gewoon geentouw meer aan vastknopen en dat geldt niet alleen voor mij, maar ookvoor al die studenten die bij mij in de mailbox kruipen en vragen: waarblijft het nou?Ik heb geen antwoord gehoord op de vraag van de heer Paternotte:wanneer komt dat voorstel? Dat probeer ik in eerste instantie dan maarhelder te krijgen: wanneer komt dat voorstel van NSC? MevrouwHertzberger heeft namelijk zelf gezegd: deze mensen kunnen nietwachten. Wat vindt zij zelf een schappelijke termijn om hier eens boter bijde vis te doen?De voorzitter:Mevrouw Hertzberger voor een reactie.Mevrouw Hertzberger (NSC):Wij hebben vorige week een voorstel gedaan en wij hebben aangegevenwat onze absolute voorkeur heeft, maar wij zijn niet alleen. NSC heefttwintig zetels in dit parlement en we hebben een meerderheid nodig omzo’n motie ondersteund te krijgen. Ik kijk dus ook naar de rest van deKamer en dan constateer ik dat er op dit moment te weinig draagvlak isvoor onze voorkeursoptie. Wij komen er zo snel als mogelijk mee. Erlopen onderhandelingen; er is een formatie aan de gang, zoals umisschien in de krant heeft gelezen. Wij zullen naar meerderhedenzoeken, want dat is gewoon nodig op dit moment.De heer Van Houwelingen (FVD):Mevrouw Hertzberger zei zojuist iets interessants, namelijk dat depechgeneratie later waarschijnlijk veel, of in ieder geval behoorlijk, zalgaan verdienen. Is dat zo? Is het niet zo dat we misschien juist te veeltheoretisch opgeleiden hebben, zeker als het gaat om studies alscommunicatiewetenschappen en bedrijfskunde? Verklaart dat niet vooreen deel dat jongeren en studenten stress ervaren, omdat ze weldoorhebben dat het diploma dat ze hebben gehaald eigenlijk niet zo veelwaard is en dat hun dat financieel ook niet zo veel gaat opleveren? Hoekijkt u daartegenaan?De voorzitter:Voordat ik mevrouw Hertzberger weer het woord geef, verwelkom ik deheer Ceder van de ChristenUnie. Welkom. Het woord is aan u voor eenreactie, mevrouw Hertzberger.Mevrouw Hertzberger (NSC):De vraag is of ze het gevoel hebben dat ze eigenlijk voor niets dieopleiding doen of dat hun diploma nutteloos is. Als je naar de werkeloos-heidscijfers kijkt, lijkt me het tegenovergestelde aan de hand. Ik denk datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115010 er nog nooit zo veel vraag is geweest naar afgestudeerden. Er is zelfs hetprobleem van groenpluk, waarover wordt gesproken, waarbij mensenzelfs voordat ze zijn afgestudeerd al niet te weerstane aanbiedingenkrijgen. Ik weet dus niet of dat nou zozeer bijdraagt aan de mentaleproblematiek van deze generatie.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb een korte vervolgvraag. We hebben inderdaad een krappearbeidsmarkt en dat zal zich ook wel doorvertalen naar theoretischopgeleiden. Volgens mij is het ondertussen algemeen bekend, maar ik benbenieuwd hoe mevrouw Hertzberger daarnaar kijkt, dat juist die praktischopgeleiden meer kunnen verdienen. Als je een goede loodgieter bent, kunje meer verdienen dan als je bijvoorbeeld communicatiewetenschappenhebt gestudeerd. Mevrouw Hertzberger zei zojuist dat de pechgeneratiewel goed gaat verdienen, maar dat vraag ik me dus af. Het hangtnatuurlijk af van de studie die je gedaan hebt. Misschien gaan ze, helaas,helemaal niet beter verdienen dan bijvoorbeeld een loodgieter en dan tiktzo’n studieschuld wel extra hard aan.De voorzitter:Mevrouw Hertzberger, ik hoorde geen vraag, maar misschien wilt u er nogop reageren.Mevrouw Hertzberger (NSC):Volgens mij lijkt alles erop te wijzen dat mensen die een theoretischeopleiding volgen – «hoogopgeleid» mag ik niet meer zeggen, volgensmij – over het algemeen veel geld gaan verdienen en ook hele goedekansen op een goede baan hebben. Het vraagstuk van bestaanszekerheid– dat is voor Nieuw Sociaal Contract belangrijk – zit daar dus niet, maarhet vraagstuk van de gelijke behandeling van studenten, jaar op jaar, wel.Deze generatie is een onrechtvaardigheid aangedaan. Ik weet niet of ik devraag daarmee heb beantwoord. Of het een goed idee is om loodgieter teworden of communicatie te gaan studeren moet iedereen voor zichzelfbesluiten, volgens mij.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even rond. We vervolgen de eerste termijn met de heerPaternotte.De heer Paternotte (D66):Dank u wel, voorzitter. Student worden is natuurlijk geweldig, want dewereld ligt aan je voeten, je gaat nieuwe vrienden maken, je gaat nieuwedingen leren en je krijgt ook nog eens geweldig onderwijs. Dat is eigenlijkeen recept voor succes, maar toch gaat het niet altijd goed. Want de helftvan de studenten heeft psychische klachten, een op de tien studentenzelfs ernstige klachten – dat zijn gemiddeld zo’n twee studenten perwerkgroep – en drie op de vier studenten voelt zich emotioneel uitgeput.De druk is heel groot en ik denk dat goed te verklaren is waarom.Mevrouw Hertzberger noemde terecht de impact van media, maar dezegeneratie maakt zich ook zorgen over de grote uitdagingen van deze tijd.Toen ik opgroeide in de jaren negentig, was het idee dat alles steeds beterwerd. Inmiddels is er een oorlog op het continent en staart de klimaat-crisis ons continu vol in het gezicht. Daar maken veel mensen zich zorgenover. Dan is er ook nog heel veel druk om van alles te doen. Op detelefoon is er altijd wel iemand te zien die het beter doet. De druk omperfect te zijn is toegenomen.Als we hier in Den Haag kunnen kiezen voor jongeren, gebeurt dat vaakniet. Studenten zeggen: ik kom niet rond, ik kan geen huis vinden, ik voelte veel studiedruk, als ik inlog op Mijn DUO zie ik die schuld staan en diestaart mij in het gezicht. Daar hebben we net het debat over gevoerd. OpTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115011 basis van wat mevrouw Hertzberger zei, heb ik het idee dat dit weleenskan blijven hangen, terwijl de brief van de Minister over de compensatievoor de pechgeneratie er nu al sinds december ligt. We kunnen daaruiteen keuze maken die ook recht doet aan de studenten. Laten we die keuzenou maken en zorgen dat ze serieuze compensatie krijgen, want dat is welde verwachting die voor de verkiezingen is gewekt, toen bijna alle partijenzeiden: de inkomenspositie van studenten gaat ons na aan het hart. Wijwillen hier dan in ieder geval met de partijen die niet formeren naarkijken, want bijna de hele niet-formerende groep partijen in de Kamerstaat met mij onder een motie die hiervoor ook een voorstel doet. Ik hebNSC voorgesteld om daarover in overleg te gaan. Daar was afgelopenweek geen behoefte aan, maar dat aanbod staat nog steeds, want wemoeten er echt voor zorgen dat er iets gaat gebeuren voor de pechgene-ratie wat recht doet aan de belofte van voor de verkiezingen.Voorzitter. Er is ook een zilveren randje, want ondanks al deze zorgen overde studenten van nu, is dit wel een generatie die openlijk praat overmentale problemen zonder dat er een stigma is of daar een taboe op ligt.Dat is wel knap. Deze generatie zegt wat ze nodig heeft. Mijn oproep aanhet kabinet is dus: nodig ze uit, praat erover, luister en doe.Voorzitter. Een tweede punt. De cijfers over studentenwelzijn die iknoemde, komen uit de Monitor hoger onderwijs. Mbo-studenten zijndaarin niet meegenomen. Dat vind ik niet kunnen. Zowel het RIVM als deinspectie roept ertoe op om hen beter te monitoren, dus mijn vraag is ofde mbo-studenten meegenomen kunnen worden in de volgende rondevan het studentenwelzijnsonderzoek.Voorzitter. Het onderwijs zelf is hier ook serieus mee bezig. Dat is heelgoed, want we moeten toe naar een echte onderwijsgemeenschap. Als jeop je werk niet komt opdagen, word je vrij snel gebeld, en op de basis-school en de middelbare school gebeurt dat ook. De enige plek in hetleven waar dat niet gebeurt, dus dat je er misschien dagenlang niet benten dat niemand daarachteraan gaat, is het vervolgonderwijs. Dat is bestgek. Dit moet beter; noem het een zorgplicht. Het ISO vraagt concretestappen en ik snap dat. Welke acties ziet de Minister voor zich om tezorgen voor persoonlijke aandacht voor elke student, naast de zelfregievan de instellingen? Kan een zorgplicht hieraan bijdragen? Hoe denkt deMinister over minimumnormen voor studentbegeleiding?Voorzitter, tot slot. Ik zie geweldige initiatieven. Die zijn non-profit, vaakdoor jongeren en voor jongeren, op het gebied van eenzaamheid, welzijnen sociale veiligheid. Het zijn organisaties die jonge mensen echtbereiken, vaak beter dan Den Haag of onderwijsinstellingen. Voorbeeldenzijn Join Us, WachtVerzachter, Lieve Mark, GELIJKSPEL en Stichting TimeOut, waar ik zelf nog weleens langs ben geweest. Ik wil beide Ministersertoe oproepen om deze initiatieven met beide handen aan te grijpen enze te versterken waar ze kunnen. Werk samen, ondersteun ze structureel,geef ze aandacht. Graag een reactie van beide Ministers over hoe ze datgaan doen en welke kansen zij daarvoor zien.De voorzitter:Dank u wel. Ik heet inmiddels ook mevrouw Van Zanten van de BBBwelkom. Voor degenen die ietsje later waren, zeg ik voor de duidelijkheidnog even dat we een spreektijd van vier minuten en vier interrupties perfractie hanteren. De heer Paternotte heeft net gesproken. Met zijn aantalinterrupties zit hij inmiddels ook aan de limiet. Ik zie geen interrupties opde bijdrage van D66. Dan gaan we naar de heer Van Houwelingen. Gaatuw gang.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank u, voorzitter. De mentale gezondheid van jongeren staat zwaar onderdruk. Dat erkent het kabinet ook zelf. Onderzoek van het Verwey-JonkerInstituut laat zien dat tussen 2017 en 2021 het aantal jongeren opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115012 basisscholen en middelbare scholen met mentale problemen is gestegenmet meer dan 50%. Meer dan 50% in nog geen vier jaar tijd, dus het isdramatisch. Het is ook niet zo verbazingwekkend, want je zal maar jongzijn en nu in deze tijd, in deze samenleving, moeten opgroeien. Dan wordtje om te beginnen elke dag wijsgemaakt dat er een klimaatcrisis is en dathet leven op deze planeet teneinde komt. Het werd net ook al genoemd.Ja, dan ga je je natuurlijk zorgen maken. Dat snap ik wel. Dat blijkt ook uitonderzoek. Een op de vijf jonge mensen zegt regelmatig tot vaak stress tevoelen als ze aan de zogenaamde – want dat is het natuurlijk – klimaat-crisis denken. Ze voelen zich moedeloos, machteloos. Ze piekeren eroveren slapen slecht. Dat gebeurt dus – dan kijk ik ook maar even de Ministeraan – ook op scholen. Op middelbare scholen en op basisscholen wordtdus die angst gezaaid. Daar begint het mee. Daar hebben we heel veelvoorbeelden van. We kennen ook mensen die op universiteiten studeren.Die komen dan in een woke omgeving terecht waarin ze zich totaal nietthuis voelen, die je alleen maar als indoctrinatie kan omschrijven, eensoort madrassa’s, waar ze zich niet thuis voelen en ook stoppen metstuderen. Dus dat levert ook stress op. Dat heeft dan te maken metonderwijskwaliteit.Maar ik denk dat het grootste probleem – dat werd net ook al evengenoemd – toch wel heel duidelijk is dat jongeren financieel gezien geenenkel toekomstperspectief meer hebben. Als je jong bent vandaag de dagen je wil een woning kopen, een starterswoning, dan kost die, begrijp ikvan makelaars – ik heb het over een geschakelde rijtjeswoning van 60vierkante meter, bijvoorbeeld in Beverwijk – vier ton. Vier ton en dan hebje nog niks. Dan heb je nog geen keuken. Dus als je dat wil financieren– jongeren hebben natuurlijk vaak weinig spaargeld – dan moet je tochminstens een inkomen hebben van een ton. Een ton! Er zijn nog geen halfmiljoen mensen in Nederland die een inkomen hebben van een ton ofmeer. Als je dan met z’n tweeën bent, is het € 50.000. Dat verdienenjongeren ook niet. Tot 25 verdien je gemiddeld zo’n € 20.000 per jaar. Dushet is onmogelijk als je jong bent om een woning te kopen. Je komt nietaan starterswoningen, dus je kunt nooit die ladder op. Je moet dus bij jeouders blijven wonen. Je komt niet uit de startblokken. Je komt niet uit destartblokken, je kunt geen gezin beginnen. Dat is natuurlijk ook ontzettendstressvol.Ja, en hoe komt dat? Dat heeft natuurlijk ook weer alles te maken met hetbeleid dat dit kabinet al die jaren heeft gevoerd. Onder Rutte zijn er eenmiljoen migranten bij gekomen. Ja, dat geeft druk op de woningmarkt.Dan heb je dus ook onze jongeren die geen woning meer kunnen kopen.Dat levert dus stress op. Dat is dus zeer zorgelijk. Hoe los je dat op? Dit isdan een woningmarktprobleem. Dan moet je dus de migratie aanpakken.Dan moet je inderdaad ook stoppen ... Die woningen worden heel duurgemaakt, want elke woning moet tegenwoordig een warmtepomp hebbenenzovoort, enzovoort. Ja, daar kun je om lachen, maar jongeren kunnendus door dit soort gekkigheid hun leven eigenlijk niet meer aan. Ja, daarkun je wel om lachen. Ze wonen op zolder bij hun ouders thuis. Het is echtheel dramatisch. Dat is, denken wij, een hele grote stressor. Er zijnnatuurlijk veel meer oorzaken, zoals mevrouw Hertzberger terechtopmerkte, maar dit is de hele belangrijke oorzaak, waar wij ons heel veelzorgen over maken.Voorzitter. Om het kort samen te vatten: dat we al die mentale problemenzo enorm snel zien toenemen bij jongeren komt – dat is ook logisch –natuurlijk niet door die jongeren zelf. Dat zou gek zijn; dan zouden jongemensen ineens veranderd zijn. Dat heeft alles te maken met de samen-leving en met de tijd waarin ze nu opgroeien. Zolang de samenleving nietverandert en zolang dit soort waanzinnig beleid niet verandert, blijvenonze jongeren zich mentaal slecht ontwikkelen en zullen ze zich ook nietbeter gaan voelen.Dank u, voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115013 De voorzitter:Dank u wel. Intussen was er een interruptie van de heer Krul.De heer Krul (CDA):Ik dank de heer Van Houwelingen voor zijn betoog. Ik heb een vraag overeen onderwerp dat hij niet aangestipt heeft. Dat is de rol van social mediaen die soms toch ook kwalijke algoritmes, die ervoor zorgen dat helejonge mensen binnen drie likes of drie clicks op een filmpje zomaarterechtkomen in ellenlange fuiken van hele korte filmpjes die nepnieuwsverspreiden en die mensen, jonge mensen, kwetsbare mensen, op heleradicale ideeën brengen. Vindt de heer Van Houwelingen ook niet dat weiets zouden moeten doen aan het verbieden van die algoritmes waarbijjonge mensen, die zo kwetsbaar zijn, dat soort paden op wordengestuurd?De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de vraag. Sociale media zijn natuurlijk wat ze zijn. Het is nieuwetechnologie. Dit werd 500 jaar geleden ook gezegd over de boekdrukkunst.Die zou ook heel gevaarlijk zijn, ook voor jongeren. Het is inderdaad hoe jeze gebruikt. Sociale media hebben natuurlijk hun schaduwkanten, maarook heel veel positieve kanten, want mensen vinden elkaar op socialemedia. Dus inderdaad, dat heeft voor- en nadelen. Maar als u het mijvraagt, zit daar niet het grote probleem. Dat zit echt ergens anders. Ik denkdat de meeste jongeren vooral druk ervaren, financieel, zoals ik net zei, endoor de tijd waarin ze leven, de woke-ideologie. Ik denk dat dat heel veelstress veroorzaakt en dat daar veel van de klachten vandaan komen.De voorzitter:Oké, dank u wel. Dan vervolgen wij met de bijdrage van de heer Blaauw.Gaat uw gang.De heer Blaauw (PVV):Dank u wel, voorzitter. De conclusies van het rapport over de mentalegezondheid van jongeren en studenten in Nederland zijn verontrustend.Het stelt niet alleen dat het aantal jongeren met mentale problemendrastisch hoog is, maar ook dat dit aantal over de jaren is toegenomen.Hoe komt dit nou en waarom komt het probleem nu pas echt aan hetlicht? Gelukkig biedt het rapport ons wel wat verklaringen hiervoor.Terecht wordt onder andere – een aantal eerdere sprekers hebben het ookgenoemd – het socialmediagebruik onder de aandacht gebracht. Het isook niet opvallend dat wanneer het gebruik van social media onderjongeren steeg, de mentale gezondheid een duik maakte. De ondervin-dingen van het rapport lijken dit te ondersteunen.Voorzitter. De gemiddelde jongere zit gemiddeld vijf uur per dag op zijn ofhaar mobiele telefoon. Dat is vijf uur per dag waarin de echte wereldplaatsmaakt voor een meer virtuele wereld, waarin social media jongereneen ideale wereld voorschotelen. Het rapport erkent de stijging inschadelijk socialmediagebruik, maar lijkt het te bagatelliseren door hetgewicht van andere vermeende oorzaken te benadrukken. In hoeverreonderschrijft de Minister deze door het rapport geleverde analyse? Is hetsocialmediagebruik niet een van de grotere boosdoeners dan andereoorzaken voor de staat van de mentale gezondheid van jongeren enstudenten? En ziet de Minister het toenemende socialmediagebruik juistals vooruitstrevend, moderniserend of toch meer als schadelijk?Voorzitter. Hoewel de PVV de conclusies van het rapport in grote lijnenondersteunt, blijven wij er uiteraard kritisch naar kijken. Zo wordtaangenomen dat er daadwerkelijk een toename van prestatiedruk is, maardan meer gevoelsmatig, zonder daar een verantwoording van objectievestandaarden over te vermelden. Wel is de subjectieve beleving van destudent meegenomen. Daardoor kunnen jongeren en studenten aangevenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115014 dat ze mentale problemen hebben door bijvoorbeeld een confronterendbericht op X of door klimaatverandering. Want in het rapport wordt dat alsoorzaak genoemd van waarom jongeren niet lekker in hun vel zitten,bijvoorbeeld negatieve gedachten over klimaatverandering. Het rapportneemt naar onze mening dezelfde verkeerde afslag wanneer het aankomtop het onderwerp van discriminatie. Wederom is het niet een feitelijkevaststelling van een discriminatiecultuur in Nederland die impact heeft opde mentale gesteldheid van de jongeren, maar vooral een kwestie vanindividuele belevingen. Sneeuwt daardoor een toch wel ernstig iets alsdiscriminatie daardoor niet te veel onder?Voorzitter. De PVV beoordeelt de laatste adviezen van het PlatformPerspectief Jongeren, PPJ, dan ook in het licht van deze hiervoorgenoemde overwegingen. De focus zou moeten liggen op mentaleproblemen van jongeren en studenten die bijvoorbeeld door kleinereklassen met betere en voldoende leraren in een vroeg stadium kunnenworden opgemerkt, uitgesproken en wellicht, na middelen, wordenaangepakt. Dat is ...De voorzitter:Ik onderbreek u even, want er is een interruptie van mevrouw Tseggai opdit punt.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ja, ik sloeg even aan op de «individuele belevingen». Ik dacht namelijk:als je onderzoek doet en honderden mensen bevraagt over bepaaldeproblemen, en zij allemaal dezelfde individuele beleving hebben, danworden op een gegeven moment heel veel individuele belevingen bijelkaar toch een collectief probleem? Of ligt dat dan aan mij?De heer Blaauw (PVV):Dank u wel voor uw vraag. Daarom benadrukte ik het begrip «discrimi-natie» ook even, want als er echt gediscrimineerd wordt, is dat natuurlijkeen ernstige aantijging. Maar als je het gevoel hebt ... Dat mis ik dus eenbeetje in dat rapport. Wat zijn dan die opmerkingen of gevallen waarin destudent aangeeft: ik ben gediscrimineerd? Dan wil ik weten: is datdiscriminatie, echt pure discriminatie volgens het begrip «discriminatie»,of is dat een – ja, hoe zeg je dat – ordinaire scheldpartij? Maar is dat danmeteen discriminatie? Dat bedoelde ik daarmee te zeggen. Het begrip«discriminatie» dient niet ondergesneeuwd te worden door alles daarmaar op te gooien.De voorzitter:Mevrouw Tseggai nog?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Maar u weet toch niet, zeg ik via de voorzitter, wat de opmerkingen zijnwaarmee deze studenten te maken hebben gehad? Dus dan weet je tochook niet dat het per se niét discriminatie is?De heer Blaauw (PVV):Nee, mevrouw Tseggai heeft inderdaad gelijk. Daarom vraag ik dat ook:wat zijn nou die concrete gevallen? Toevallig heb ik de factsheet hier bijme. Ik vind het niet specifiek genoeg. Dat is waarom ik dat vraag. Ik wiljuist, net als mevrouw Tseggai hoop ik, weten: wat zijn nou die specifiekegevallen en is dat discriminatie of niet?De voorzitter:Dank u wel. Ik zag een interruptie van de heer Ergin.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115015 De heer Ergin (DENK):Ik wil de woordvoerder van de PVV wel helpen bij die specifieke gevallenen bij aantallen en bij welke vormen zich dan precies voordoen. Wellichtstaat dat niet in het rapport waaraan wordt gerefereerd, maar volgens mijheeft de Kamer gisteren nog een brief gekregen. In die brief gaat het over30% meer meldingen van discriminatie, met herkomst op nummer één,seksuele gerichtheid op nummer twee en ook een stijging bij antisemi-tisme; volgens mij is er straks nog een debat over deze specifiekeverschijningsvorm. We zien een extreme stijging van discriminatievanwege godsdienst of huidskleur. Dus ik vraag me af waarom de VVVhier ... PVV? De PVV, niet de VVD; dat zou ik van de VVD niet verwachten.Dus ik vraag me af waarom de PVV de constatering in het rapport ... Ik ziehet als een poging tot bagatellisering. Ik leg het even open en eerlijk neer.Ik ben benieuwd of de PVV hiermee dit vraagstuk bagatelliseert.De heer Blaauw (PVV):Ik denk dat het juist gebagatelliseerd wordt door alles maar op discrimi-natie te gooien. Ik vind het heel goed dat de heer Ergin hier die gevallenaangeeft, maar dan nog staat voor mij de vraag: wat zijn dan diespecifieke gevallen? Ik geloof best in de percentages die de heer Erginnoemt: zoveel procent voelt zich gediscrimineerd op basis van dit of dat.Maar dan wil ik die gevallen weten. Dat is alles. Ik wil juist dat niet alles opdiscriminatie wordt gegooid, maar dat we, als er daadwerkelijk sprake vanis, daar hulp kunnen bieden. Ik denk dat door het uiteindelijk massaal opdiscriminatie te gooien, de hulp die we kunnen bieden niets meervoorstelt.De voorzitter:De heer Ergin nog met een reactie.De heer Ergin (DENK):Ik wil hier toch wel op doorgaan, omdat de PVV, niet de VVV of de VVD,kennelijk alle voorbeelden opgesomd wil hebben. Zo werkt dat natuurlijkniet. De politie stelt jaarlijks een rapport op. Onderzoekers die eenkwalitatief onderzoek uitvoeren, gaan af op het fenomeen en geven in hetrapport meestal een weergave van de voorbeelden die ze het vaakst zijntegengekomen. Wat mij enorm verbaast, is dat de PVV, als het om ditonderwerp gaat, alleen maar vragen blijft stellen om het onderwerp, datenorm veel impact heeft op bijvoorbeeld mentale gezondheid, toch eenbeetje te bagatelliseren, om het als het ware klein te maken, waardoor wemet elkaar een discussie gaan hebben over: klopt het nou wel of klopt hetnou niet, wat is het nou wel of wat is het nou niet? Ik zou aan de PVVwillen vragen: erken het nou gewoon. Geef nou gewoon aan: inNederland is er sprake van discriminatie, van te veel discriminatie; er zijnverschillende verschijningsvormen; daar moeten we gewoon werk vanmaken.De voorzitter:De heer Blaauw voor een reactie daarop.De heer Blaauw (PVV):Ik hoorde allereerst geen vraag en ik wil toch bij mijn vorige antwoordblijven. Om echt een structureel probleem te erkennen wil ik zo veelmogelijk gedetailleerde zaken en voorbeelden hebben.Voorzitter. Ik ... Mag ik verder, trouwens?De voorzitter:Ja, u heeft nog een kleine minuut spreektijd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115016 De heer Blaauw (PVV):Dat komt goed uit, want ik was tot mijn afronding gekomen.Voorzitter. De PVV beoordeelt de laatste adviezen van het PlatformPerspectief Jongeren, PV... PPJ; nu ga ik zelf ook bijna in de fout. De focuszou moeten liggen op mentale problemen van jongeren en studenten, diedoor kleinere klassen met voldoende leraren in een vroeg stadium wordenopgemerkt, uitgesproken en aangepakt. Dat is wat een goede pedago-gische relatie, zoals het PPJ in het advies noemt, zou moeten inhouden.Helaas moet ik dat ook zeggen uit eigen ervaring. Graag nog een reactievan de Minister daarop, en dan niet op mijn eigen ervaring, maar op deverbetering van de pedagogische relatie.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Er was nog een interruptie van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Er wordt vaak gezegd dat de prestatiedruk in het onderwijs een van deredenen is waarom er zo veel mentale problemen zijn. Ik ben benieuwdhoe de PVV daarover denkt.De heer Blaauw (PVV):Wat ons opvalt, is dat de prestatiedruk naar onze mening op zich niet isgegroeid, maar dat wel het aantal meldingen daarover gegroeid is en dathet meer gevoelsmatig is. Ik zou bijna zeggen: vroeger lag die lat volgensmij nog veel hoger. Dat zeg ik even als 30-jarige; over «vroeger» mag ikeigenlijk nog niet eens spreken. Daarom ben ik juist benieuwd naar waardie gevoelsmatigheid vanuit jongeren en studenten vandaan komt,waarom die prestatiedruk zo is gestegen.De voorzitter:Welkom bij de groep van mensen die «vroeger» zegt. Mevrouw Hertz-berger voor een interruptie.Mevrouw Hertzberger (NSC):Hoe ziet de heer Blaauw de mogelijkheden om socialmedia- en telefoon-gebruik te beperken? Hij erkent het als een probleem. Wat zijn deoplossingen?De heer Blaauw (PVV):Volgens mij is mijn partij een van de voorvechters geweest van eenverbod van mobiele telefoons op scholen. Dat betreft natuurlijk deonderwijsinstellingen in het funderend en het voortgezet onderwijs. In hetvervolgonderwijs worden jongeren en studenten ouder en meerderjarig,dus ik denk dat het daar meer een eigen verantwoordelijkheid is. Je kunthet natuurlijk nooit verbieden, dus laten we de norm stellen dat hetgebruik in ieder geval verminderd dient te worden.De voorzitter:Mevrouw Tseggai heeft ook nog een interruptie.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik heb nog even een andere vraag aan de PVV. Ik ken de PVV als een partijdie graag een hogere koopkracht regelt voor mensen. Ik vroeg me dus afhoe zij naar een stagevergoeding kijken.De heer Blaauw (PVV):Hier is gisteren toevallig belangrijk nieuws over naar buiten gekomen. Ikwil daar eigenlijk nog even beter naar kijken voordat ik hier echt eenconcreet antwoord op geef. Ik vond het nieuwsbericht namelijk schrik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115017 barend. Ik wil daar graag in duiken, zodat ik er echt een beter beeld vankrijg. Dat kunnen we straks mooi in het reces doen. Dus ik moet hetantwoord nog wel even schuldig blijven aan mevrouw Tseggai.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Tseggai, u heeft eigenlijk geen interrupties meer. Ikga me daar toch maar aan houden. Dan vervolgen wij met de heer Krul.De heer Krul (CDA):Voorzitter, dank u wel. Je zou maar jong zijn in deze tijd. Soms denk ik:was ik het nog maar. Dan hoor ik andere mensen zeggen dat ik niet moetzeuren met mijn 29 jaar. Maar goed, een jongere ben ik niet meer. Ik zouhet graag willen zijn, omdat de jeugd de toekomst heeft. Zij hebben al dieprachtige kansen nog voor het oprapen liggen. Maar aan de andere kantleiden al die kansen en al die keuzes die gemaakt moeten worden ook totheel veel druk: vanuit de maatschappij, vanuit ouders, vanuit opleidingen,vanuit vrienden en vooral ook van de sociale media. Jongeren mogen enkunnen heel veel keuzes maken, maar de keerzijde is dat er ook veel drukwordt uitgeoefend op jongeren waardoor ze keuzes moeten maken. Ookmoeten ze weerstand bieden aan allerlei verleidingen die ze tegenkomen,of het nu van de overheid is, die ze een lening in de vorm van eenstudieschuld probeerde aan te praten, of van online invloeden zoalsgokken, of door de maakbare samenleving waarin successtory’s via socialmedia worden verspreid. Ik had een interruptiedebatje met meneer VanHouwelingen. Ik ben echt geschrokken wat je daarop tegenkomt. Binnendrie clicks op YouTube of Instagram kijk je naar een kale Engelse man meteen sigaar in zijn mond die de meest verschrikkelijke vrouwonvriendelijkedingen vertelt. Daar stellen wij onze kinderen aan bloot. Maar er zijn ookkinderen die in groep 5 al bezig zijn met portfolio’s, of die op hun 12de inde brugklas al een gesprek hebben met een loopbaancoach. Als je op je16de niet weet wat je wil worden later, dan ben je echt te laat, wordt ergezegd. We leggen te veel druk op de cruciale jaren waarin kinderen enjongeren in alle rust hun talenten moeten ontdekken en ontwikkelen.Moeten we tegenmacht bieden tegen het steeds verder ontwikkelendemeritocratisch ideaal, vraag ik met een licht ideologische ondertoon aanbeide bewindspersonen.Voorzitter. De mentale gezondheid van tieners en jongvolwassenenverslechtert. Dat is een feit. Het CDA ziet dat het na corona nog niet veelbeter gaat. Jongeren vereenzamen en mentale klachten nemen toe.Sterker nog, inmiddels is suïcide doodsoorzaak nummer één onderjongeren. Het begint bij het bespreekbaar maken van mentale gezondheid.Daar ziet het CDA echt het zilveren randje, waar de heer Paternotte ookover sprak. Deze generatie vindt het steeds makkelijker om dit soortcomplexe zaken bespreekbaar te maken. Ook onderwijsinstellingen doengoed werk. Decanen doen hun best om het gesprek op gang te brengen.Maar als jongeren worden doorverwezen naar de reguliere zorg, lopen zevaak weer vast, terwijl er met de decaan of de docent over praten al eendrempel was die genomen moest worden. De hulpketen moet in orde zijn.Ziet het kabinet dit ook? Er zijn heel veel goede initiatieven, maar het is devraag of die overal worden gebruikt. Mij lijkt dat het wiel niet opnieuwuitgevonden moet worden, maar dat bestaande goedlopende initiatievenmoeten worden verspreid. Hoe kunnen we goedkope, kleinschaligeinitiatieven beter verspreiden, vraag ik dan ook aan de Minister.Voorzitter. Nog één punt, dat ik nog niet heb gehoord, namelijk dat er ookgewoon een verschil zit tussen de mentale gezondheid van mannen envrouwen. We zien dat met name jonge vrouwen steeds vaker en steedsmeer psychische klachten ontwikkelen dan jongvolwassen mannen. Indecember hebben we een voortgangsrapportage gehad van de Staatsse-cretaris over de brede kabinetsaanpak mentale gezondheid. Ziet deStaatssecretaris dit probleem ook en kunnen we niet meer doen, metTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115018 acties of beleid, specifiek gericht op deze doelgroep? We weten er immersgewoon nog te weinig over.Voorzitter. Ik laat het hier even bij in de eerste termijn.De voorzitter:Dank u wel. Op de valreep is er nog een interruptie van de heer VanHouwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Als ik de woorden van de heer Krul goed beluister en begrijp, dan is hijbezorgd over het gebruik van sociale media op scholen. Ik heb daarovereen vraag aan de heer Krul. Stel dat je dat wil limiteren. Als ik het betoogvan de heer Krul goed proef, dan zou hij dat willen. Is dat dan iets wat deoverheid, de Staat, zou moeten opleggen of iets wat scholen, bijvoorbeeldchristelijke scholen en openbare scholen, zelf zouden moeten kunnenbesluiten? Dat is een principiële vraag, denk ik.De heer Krul (CDA):Ik maak even een onderscheid tussen twee dingen. Aan de ene kant denkik dat het mobieltje uit de klas moet verdwijnen. Daar is het CDA altijd eenvoorvechter van geweest. Mijn voorganger, René Peters, heeft daar grotestappen in gezet. Het mobieltje op school is gewoon een slechte zaak.Maar waar ik specifiek op doel in mijn betoog, zijn die verschrikkelijkealgoritmes die de bigtechbedrijven toepassen, waardoor hele jongemensen eigenlijk zonder dat ze dat weten en zonder dat ze dat goeddoorhebben, zomaar binnen een paar clicks of binnen een paar short-filmpjes op hele, toch wel gewoon gevaarlijke drek terechtkomen, die diekwetsbare mensen onnodig beïnvloedt. Ik vind echt dat de overheid dataan banden moet leggen. Daar is de overheid al wel mee bezig, maar hetis zo verrekte lastig omdat het grens-, verdrags- en allesoverschrijdend is.Ik vind echt dat de overheid daar een rol in heeft, want we moeten diekwetsbare groep zo veel mogelijk beschermen.De voorzitter:Ik zie dat meneer Van Houwelingen ...De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb geen antwoord op mijn vraag gekregen. Ik ben echt heel benieuwd.Ik wil gewoon antwoord op mijn vraag. Moeten scholen zelf over hetgebruik van mobiele telefoons in de klas kunnen gaan of is dat iets wat deStaat moet bepalen? Dat is mijn vraag.De heer Krul (CDA):Scholen zeggen dan vaak: we willen het wel, maar kom dan met beleid. Inalle eerlijkheid, we zijn voor een verbod op mobieltjes in de klas. Wehebben daar ook voor gepleit. Je zou dan zeggen: je moet daar beleid opmaken als Rijksoverheid. Tegelijkertijd zien we ook dat er veel scholen zijndie het zelf doen. Ja, dat is mij om het even. Maar social media in de klas– dat is waar de heer Van Houwelingen naar vroeg – moet de overheidnatuurlijk aanpakken. Je kan niet van scholen verwachten dat zij zich in ditsoort zaken gaan mengen. Dat moet de overheid echt aanpakken.De voorzitter:Dank u wel. Er was ook nog een interruptie van de heer Ceder? Ja, de heerCeder.De heer Ceder (ChristenUnie):Over social media wil ik nog even opmerken dat het in dit land gewoonverboden is om een socialmedia-account te hebben onder de 16 jaar. Datwordt gewoon niet gehandhaafd. Dat maakt ook dat ik bij het debat overTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115019 digitalisering om strengere wetgeving heb gevraagd om het tehandhaven. De bedrijven doen dat niet. We zien inderdaad het mentalewelzijn van jongeren, en met name van meisjes, achteruit kelderen. Ikhoop dus, als ik dit zo hoor, op brede steun binnen de fracties.Even een andere vraag. Dat is even een notie. Ik hoor het CDA praten overmentale welzijn, en zeggen: het begint bij het bespreekbaar maken. Wekennen het CDA als een diepgewortelde ideologische partij, maar ik vinddit best een lichte benadering. U geeft aan: er is een crisis; suïcide isdoodsoorzaak nummer één in dit land. Er zijn nog andere cijfers. Een opde acht heeft inmiddels een vorm van jeugdzorg nodig. Als we nietuitkijken gaat het naar een op de zes. Eenzaamheid, stress, onrust: hetneemt allemaal toe. Ik wil het CDA toch vragen om een reflectie te gevenen een spade dieper te gaan. Hebben we niet gewoon een zieke samen-leving gecreëerd? Ik ben het er helemaal mee eens dat het bespreekbaargemaakt moet worden, maar eigenlijk zouden we hier het gesprek watdieper moeten voeren. Hoe kan het dat dit met onze kinderen gebeurt ineen van de rijkste landen op aarde? Als de heer Krul dat met mij eens is,zou ik toch van het CDA willen vragen om daarop wat meer te reflecteren.De heer Krul (CDA):Graag zelfs. We zitten in een verziekte samenleving, in die zin dat weelkaar uit het oog zijn verloren. Dat leidt met name bij de jongeregeneraties tot steeds heftigere consequenties. Als je het hebt over hetbespreekbaar maken en die bronaanpak anderzijds, dan heb je het over aldie terreinen die we al besproken hebben, zoals het aanpakken vandiscriminatie, armoede onder jongeren en verhoogde prestatiedruk. Allefactoren, die ook uit die monitoring blijken, die heel belangrijk zijn en diedruk zetten op het mentale welzijn van jonge mensen, moet je aanpakken.Tegelijkertijd, en dat is ook een beetje de licht ideologische vraag die ikhier stel, leven we ook in een samenleving die zich steeds meer voegtnaar een maakbaarheidsideaal. Daarbij is er een meritocratie. Altijd maarbeter moet presteren en alles uit prestaties halen, zorgt ervoor dat jongemensen met een totaal verkeerd beeld opgroeien. Ik denk dat dit zelfs ditdebat nog een beetje overstijgt in de zin dat we daarover een veel bredergesprek nodig hebben. Maar natuurlijk is het meer dan alleen een verbodop social media of meer dan alleen het bespreekbaar maken in de klas.Het is een heel ingewikkeld vraagstuk, waaraan de laatste jaren ontzettendweinig gedaan is. Daar plukken we nu de wrange vruchten van.Voorzitter, dan nog heel kort. De heer Ceder maakte ook een opmerkingover het gebruik onder de 16 jaar. Ja, daarop moet gehandhaafd worden.Dat is heel erg ingewikkeld. Stel dat we meer zouden kunnen doen aanleeftijdsverificatie. Op dat punt kunnen we nu echt te weinig. Het gaat nietalleen om social media. Ook het bestellen van drugs en experimentelemedicijnen is veel te eenvoudig voor jonge mensen. Op dat punt heeft deChristenUnie een bondgenoot aan het CDA, en dat had zij al.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik vroeg me het volgende af. Het klinkt heel erg als een verbod, hethandhaven en het allemaal top-down in één keer onmogelijk maken. Detelefoon is de klas uitgegaan met een dringend advies. Omdat erdraagvlak is in de maatschappij, is dat eigenlijk in de praktijk omarmd. Erzijn weinig hakken in het zand gegaan. Als er draagvlak voor is bij oudersen in scholengemeenschappen, is het dan een idee om te bekijken hoe jede burgerparticipatie hierin kunt faciliteren en ondersteunen? Dat kun jedoen, zodat niet alleen scholengemeenschappen, maar ook jongeren enouders zelf zeggen: wij bepalen met elkaar dat onze kinderen tot 16 jaargeen sociale media doen. Ziet de heer Krul kansen in dit soort maatschap-pelijke initiatieven?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115020 De heer Krul (CDA):Natuurlijk. Uiteindelijk is het het mooist en ook het meest effectief als hetvanuit de samenleving georganiseerd wordt. Als politiek of overheid kanje daar alleen maar achter aanlopen als het ware, maar soms heb je ookvisie en een stap naar voren nodig. Wij zijn bij het CDA wel gewend dat jesoms wat langer moet roepen en dat als het draagvlak er dan eenmaal is,het ineens iets van de samenleving is. We hebben dat gemerkt bij hetleenstelsel, dat wij altijd al een slecht idee vonden. Daar was eerst ookdraagvlak voor, maar dat was een ontzettend slecht idee en na een paarjaar zie je dat dit toch omwisselt. Dat zag je ook bij het mobieltjesverbod.In het begin was daar ook minder draagvlak voor. Dat is ook langzaamgegroeid. Het liefst organiseert de samenleving zichzelf, maar soms heb jeals politiek ook visie nodig op bepaalde onderwerpen en moet je voor demuziek uit durven lopen.De voorzitter:Dank u wel. Dan vervolgen wij met de bijdrage van mevrouw Martens-America. Gaat uw gang.Mevrouw Martens-America (VVD):Dank, voorzitter. We bespreken vandaag een ingewikkeld, verdrietig entevens heel complex probleem. De cijfers vertellen ons dat het niet goedgaat met de mentale gezondheid van onze studenten in het hogeronderwijs. Het zijn percentages die ons achter de oren doen krabben,vooral de verschillen tussen jongens op het mbo en meiden in het wo, enüberhaupt de meiden versus de jongens. Wo-leerlingen scoren lager opmentale problemen, mbo- en vmbo-leerlingen scoren hoger op gedrags-problemen, en tieners met een migratieachtergrond hebben meergedragsproblemen en vaker last van hyperactiviteit. Kortom, het is eenheel complex probleem, verspreid over verschillende groepen. Laat ikduidelijk zijn: de cijfers zijn niet goed. Ze zijn niet goed voor studenten eneen uitdaging voor eenieder die hieraan iets moet doen. Dat er geeneenduidige reden is, maakt het extra complex. Waarom juist nu? Erworden zo ontzettend veel zaken genoemd. Meerdere redenen wordengenoemd, waaronder social media en prestatiedruk. Daarover hebben wehet hier net al uitgebreid gehad.Ik ga proberen twee onderwerpen los te bespreken. Enerzijds is dat hetfeit dat de mentale gezondheid van studenten onder druk staat, wat wezeer serieus moeten nemen. Anderzijds zijn dat de inhoudelijke vraag-tekens bij de oplossingen die veel worden genoemd en aangedragen.Want altijd is de oplossing voor de problematiek rondom mentalegezondheid die ik vooral vanuit de linkerkant vanuit deze Kamer vaakhoor, het wegnemen van mogelijke barrières en drempels. Het BSA moetworden afgeschaft. Selectie aan de poort moet worden verboden. Je magniet meer cum laude afstuderen. En vandaag las ik: een scriptie aan deUniversiteit Leiden is al te veel; we moeten toewerken naar een projectdat wordt opgeleverd. Dat is niet prestatiedruk voorkomen. Dat is elkevorm van presteren en excelleren volstrekt onmogelijk maken. Daarmeezijn studenten niet geholpen, wat de VVD betreft. We hebben excellentestudenten nodig. De studenten van nu komen in de toekomst en in deaankomende jaren terecht op de arbeidsmarkt, waar ook deze eisenworden gesteld. Voor de VVD is het simpel: we moeten mentale proble-matiek verhelpen en aanpakken, maar niet door elke vorm van presta-tiedruk af te schaffen. Mijn fractie ziet met lede ogen aan dat de tendensrondom studenten, rondom het hebben van de ambitie om excellent tezijn, draait naar de drang om binnen ons vooraanstaande onderwijs eenzesjescultuur te creëren: iedereen even weinig druk; iedereen een zes.Maar laten we eerlijk zijn: de ambitie om excellent te zijn, zal blijvenbestaan. Wat de VVD betreft is daar niets mis mee. Wat de VVD betreftgooien we de kans om ambitieus te zijn niet op een en dezelfde hoop metTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115021 mentale problemen. Wat mij betreft doen we er zelfs een tandje bovenopen zorgen we ervoor dat het ook in het mbo mogelijk is om te excelleren.Hoe kijkt de Minister daartegenaan?Tegelijkertijd sluiten we onze ogen niet voor de dalende mentalegezondheid. We pleiten voor inzet op vroegsignalering en het vroegtijdigoplossen van deze problemen. Studenten hebben zelf een zinvolleoplossing aangedragen. Ik ben benieuwd hoe de Minister hiernaar kijkt. Ishij bereid mentale gezondheid te verankeren, bijvoorbeeld in de introduc-tieweken? Hoe zorgt de Minister dat studenten weten waar ze terecht-kunnen als ze gezondheidsproblematiek hebben?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik denk al wat langer na over dit onderwerp, ook omdat ik in de commissieJeugdzorg zit. Over het thema excellentie heb ik de volgende gedachte endie wil ik even voorleggen aan de VVD. Ik ben het er helemaal mee eensdat je talenten en potentieel volledig moet benutten, want die heb jegekregen. Ieder heeft zijn eigen talenten en doet dat naar eigen vermogen.In de samenleving die wij gecreëerd hebben, waarin het individu centraalstaat – ik noem die even de «postmoderne liberale samenleving» – is deene kant van de munt dat we verantwoordelijk zijn voor ons eigen succes.Wij kunnen excelleren; we mogen excelleren. De overheid moet daarvoorde randvoorwaarden scheppen. Maar de andere kant van de munt is datals je verantwoordelijk bent voor je eigen succes, je ook verantwoordelijkbent voor je eigen falen en dat je niet kunt terugvallen op de samenlevingen kunt zeggen: nou ja, er waren ook andere aspecten waardoor het nietgelukt is. Als ik het verhaal van mevrouw Martens-America hoor, ben ikeen beetje bang dat we wel oog hebben voor het aansporen van jongerenom hun succes na te jagen. Maar is dit in de kern niet ook de weeffout vande samenleving van nu? Heel veel jongeren worden aangespoord om debeste versie van zichzelf te halen, maar heel veel redden dat gewoon nietomdat het leven niet maakbaar is. Vervolgens zitten ze in een neerwaartsevicieuze cirkel, waarbij de overheid zegt: ja, maar dat is wel uw eigen keusgeweest. Ik ben even benieuwd of u de andere kant van de munt herkentals u het heeft over het excelleren, ook in het mbo. Want als het niet lukt,heeft iemand dan gefaald en zeggen we dat dan als samenleving? Ik beneven benieuwd hoe u daarnaar kijkt.Mevrouw Martens-America (VVD):Het hoeft natuurlijk geen geheim te zijn dat ik een liberale samenlevingenorm toejuich en daar de grote voordelen van zie. Nee, absoluut. Laat ikdaarover eerlijk zijn. Maar wat de VVD betreft draaien we het vraagstukom. Hoe kan het zo zijn dat onze generatie steeds minder weerbaar is? Diepresentatiedrang of de drang om succesvol te worden is er altijd algeweest, bij alles en iedereen. Wat misschien niet voor iedereen evenpositief nieuws is, is dat ook vrouwen zich wat dat betreft nu mengen opdat niveau. Je ziet dus ook in de cijfers dat we daarin nog een hoopuitdagingen te overwinnen hebben. Maar de vraag die mijn fractie hiereerlijk durft te stellen, is: hoe zorgen we ervoor dat deze nieuwe generatieweerbaar wordt? De vraag die ik hier namelijk op tafel durf te leggen, is: isonze definitie van druk veranderd? Naar mijn mening is die definitiehetzelfde gebleven, alleen vinden we het op dit moment heel spannend ensnel te zwaar. Op de arbeidsmarkt heb je ook pieken, moet je ook eenscriptie inleveren en werk je ook met deadlines. Als wij al die prikkels bijdeze generatie wegnemen, waar bereiden wij onze jeugd dan op voor?Daar maak ik mij heel veel zorgen over.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115022 Dan in relatie tot de situatie waarin het fout gaat. Dat zijn ook mijn vragenaan de Minister. Hoe zorgen we ervoor dat het bespreekbaar wordt ininstellingen en dat helemaal niet erg is om het niet te halen of om foutente maken? Ik heb voor alles gemiddeld een zes gehaald. Ik ben op demavo begonnen en eerste generatie. Het is hoe je ermee omgaat. Het zijnde opvoeding en de ouders. Daarover maak ik mij heel erg veel zorgen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Ceder nog voor een vervolgvraag?De heer Ceder (ChristenUnie):Ja. Ik ben blij dat we dit gesprek voeren, want dat gaat verder dan eencampagne over mentale gezondheid, wat ook belangrijk is. Maar ik maakme gewoon zorgen over de vele facetten daarvan. We komen er als Kamernooit aan toe om te kijken waar die aan liggen. Ik ben het eens met dat weeen weerbare samenleving moeten hebben. Ik maak me er ook zorgenover in hoeverre die weerbaarheid er nu is, ook vergeleken met generatieshiervoor. Maar een groot verschil is wel dat de samenleving veranderd is.Dat is juist mijn punt. Wij hebben de verantwoordelijkheden steeds meerbij het individu neergelegd. Dat is verregaand. Dat geeft u net ook aan. Wezien in de cijfers dat vrouwen het nog zwaarder hebben. De samenlevingis aan het veranderen geweest en tegelijkertijd vragen we nog welhetzelfde van deze jongeren. Mijn vraag is: kan het zo zijn dat de samen-leving waarin ze opgroeien, dus los van de jongeren, in de afgelopendecennia dusdanig veranderd en verhard is dat niet alleen succes eeneigen keuze is geworden maar ook het falen? En kan dat een reden zijn ...Misschien moeten we dat verder verkennen, dat juist dat keihard falen endat de bal vooral bij het individu gelegd wordt een reden kan zijn waaromhet zo verstikkend voelt, waarom jongeren zich zo eenzaam voelen en dieonrust, die interne onrust, continu ervaren.De voorzitter:Ik hoorde geen vraag, maar ik wil toch even naar mevrouw Martens.Mevrouw Martens-America (VVD):Nee, maar ik wil er wel graag op reageren, want ik heb het gevoel dat deheer Ceder zijn interrupties gebruikt om hier een beschouwing neer teleggen. Dat mag hè, maar dat vraagt een ander debat, een waarin weinderdaad meer tijd hebben om hierover met elkaar van gedachten tewisselen. Alleen, ik vind individualisering geen probleem. Ik vind wel datwe in de samenleving moeten gaan kijken wat we vragen van mensen. Alsik kijk naar tien jaar geleden, toen ik ben afgestudeerd, versus nu, dan zieik dat de definitie van wat te zwaar is, is veranderd. Ik maak mij zorgenover het feit dat er een generatie opgroeit die een andere definitie heeftvan druk en prestatiedruk dan een aantal jaar geleden. Dat wil ik nietbagatelliseren, want dat is een probleem. Daar hebben we mee te dealen.Daar komen gezondheidsuitdagingen uit voort. Maar totdat we dat scherphebben, kunnen we ook niet nadenken over de oplossingen die wedaaraan moeten hangen. Ik ben dus oprecht ook heel benieuwd hoe deMinister daarop reflecteert in relatie tot het voorbereiden op dearbeidsmarkt.De voorzitter:Er was ook nog een interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Ik volg het verhaal van mevrouw Martens heel goed en ik ben het tot eenbepaald punt ook met haar eens. We moeten ook ruimte maken om teexcelleren. Maar wat ik alleen niet begrijp aan haar verhaal, en die vraagwil ik graag terugleggen, is of het juist niet belangrijk is om onnodigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115023 barrières weg te nemen om ervoor te kunnen zorgen dat mensen kunnenexcelleren. Is de gedachte om barrières weg te nemen juist niet bedoeldom meer studenten de mogelijkheid te bieden om te kunnen excelleren,zou ik aan mevrouw Martens willen vragen.Mevrouw Martens-America (VVD):Nee. Mijn medewerker zegt altijd: life is tough, get a helmet. Ik denk datwe dat motto iets meer moeten gaan nastreven. Ik neem dit moment oméén zin te halen uit de brief die gisteren naar de Kamer is gekomen,namelijk: «De Universiteit Leiden heeft in de Master Crisis & SecurityManagement de scriptie vervangen door een innovatieve opzet van eenonderzoeksportfolio. In plaats van één piekbelasting aan het einde van hetcollegejaar voor zowel student als docent, wordt er nu gedurende het jaargewerkt aan het onderzoeksportfolio.» Dit is volgens mij alles wat er opdit moment fout gaat, want als we al niet eens meer in staat zijn om éénscriptie in te leveren ... En laten we eerlijk zijn: iedereen weet hoe het isom een scriptie in te leveren. Dat is verschrikkelijk; dat ga ik absoluut nietbagatelliseren. Maar als dat al niet lukt, hoe ga je dan om met deadlinesop je werk? Dit is oprecht het fundament onder mijn zorgen. Hoe gaan weermee om zodat deze generatie wel leert hoe je omgaat met pieken?Volgens mij is dat het allergrootste probleem. Ik hoop dat we daar met z’nallen een serieus gesprek over kunnen hebben, want als wij het bij EZK dehele dag hebben over hoe we talenten gaan aantrekken en dat we die vanover de hele wereld naar Nederland moeten halen, en wij zelfs de scriptiegaan afschaffen, dan zie ik dat heel somber in.De heer Ergin (DENK):Mevrouw Martens-America geeft antwoord op de vraag of een scriptievervangen moet worden door een project. Dat was niet mijn vraag.Volgens mij is dat ook niet de ontwikkeling die ik zou toejuichen, zeg ik alsiemand die heel lang over zijn scriptie heeft gedaan. Maar de vraag is ...En ik wil die vraag toch nogmaals benoemen, omdat mevrouw Martens-America heel uitgesproken is over prestatiedruk, maar ook over excel-leren. Dat volg ik ook redelijk, maar zij zou toch moeten erkennen dat erbinnen ons onderwijssysteem ... Ik wil best de discussie aangaan over watnou een belemmering en een barrière is; dat is prima. Maar is mevrouwMartens-America het met DENK, met mij, eens dat we, als die barrières erzijn – en die zijn er – ook moeten gaan kijken hoe we die barrières kunnenwegnemen, zodat leerlingen en studenten waar dan ook in het onderwijs-systeem juist de mogelijkheid krijgen om te kunnen excelleren?Mevrouw Martens-America (VVD):In mijn eerdere antwoord gaf ik wel antwoord op die vraag, namelijk datwij een andere definitie hebben van wat een barrière is. Ik vind hetschrijven van een scriptie, dat u wellicht definieert als een barrière, eenbelangrijk onderdeel van het voorbereid worden op hoe de echte wereldwerkt hierna. Een aantal barrières die de afgelopen jaren, vooral vanuit delinkerkant van de Kamer, zijn voorgedragen, zijn het BSA afschaffen,selectie aan de poort afschaffen, solliciteren voor stageplekken afschaffen,studenten die hun bachelor nog niet hebben afgerond alvast toelaten toteen masteropleiding, een speciaal fonds voor eerstegeneratiestudentenen minder honoursprogramma’s. Kijk, als dat de definitie is van eenbarrière, dan is Nederland over een, twee, drie, vier, vijf, zes jaar een landwaar iedereen gemiddeld een 6 nastreeft. En dat is een oprechte zorg. Duswat ik wil, is goed laten onderzoeken wat de gevolgen zijn van dezevolgens mij al tientallen tot honderden jaren gangbare zaken in het hogeronderwijs en waarom die nu, op dit moment, ineens een barrière zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115024 De voorzitter:Dank u wel. Ik zie geen interrupties meer. Dan gaan wij verder met debijdrage van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Dank u wel, voorzitter. Gisteren nog maakte de Minister van Sociale Zakenen Werkgelegenheid bekend dat ze zich zorgen maakt over eenburn-outsamenleving. Toen ik dat zag, schrok ik wel van deze consta-tering. We hebben vandaag een heleboel rapporten die gaan over detrends van de afgelopen jaren. We hebben heel veel signalen uit desamenleving en eigenlijk weten we allemaal dat het sinds het jaar2020/2021 op vele fronten minder goed gaat met de mentale gezondheidvan studenten, maar ook breder in de samenleving. Een van de trends diewe zien, is de burn-out. Je zou daarvan denken dat dat iets is waar metname jongvolwassenen of juist mensen die wat ouder zijn qua leeftijdtegen aanlopen, dat het een probleem is in die hoek. Maar we zieneigenlijk sinds afgelopen winter dat een op de vier werkenden en metname de groep van 18 tot en met 34 jaar te maken heeft metburn-outklachten.De helft van de jongeren voelt zich eenzaam. Dat is niet verrassend.Gezien het feit dat in de maatschappij prestatie zo centraal staat enindividualisme zo centraal staat, is het niet bijzonder om deze constateringte zien. We zien dat leerlingen en studenten als ze 17 of 18 worden in hetdiepe worden gegooid zonder dat de overheid ze duidelijk en op allefronten vasthoudt. De prestatiedruk is zeker een onderdeel van de staatvan de mentale gezondheid, maar ook de financiële druk. Misschien is diewel het allerbelangrijkst. We zien in alle onderzoeken als rode lijn dat datbest een negatieve impact heeft op de mentale gezondheid.We kunnen aan de Ministers of aan de Staatssecretaris vragen om nogeen campagne op te zetten. We kunnen vragen om nog een overleg-moment in te plannen met partners. Dat kunnen we allemaal doen, maarik wil vandaag eigenlijk een slag dieper gaan. Ik ben vandaag specifiek opzoek naar oplossingen voor problemen waarvan we het ontstaan kunnenverklaren. We kunnen op zoek gaan naar pleisteroplossingen, maareigenlijk wil ik op zoek gaan naar daadwerkelijke, concrete oplossingenwaar we ook als overheid, ook als Kamer invloed op hebben. Volgens mijmoeten we ook in deze commissie inzien dat we niet alles kunnen fiksen,dat niet alles binnen onze invloedssfeer ligt, dat er ook zaken zijn waar wijals politiek minder invloed op hebben.We zien – dat was volgens mij de constatering van de Minister gisterennog – dat 60% van de mbo-studenten geen stagevergoeding ontvangt enwe zien dat heel veel studenten en leerlingen moeite hebben met hetvinden van een stageplek. Dat zien we ook in de onderzoeken terug. Wemoeten ons volgens mij juist focussen op onderdelen waar wij invloed ophebben. Daarom zou ik willen vragen aan de Minister of het niet tijd is omde stagevergoeding gewoon in de wet te verankeren, zodat iedereen daargewoon recht op heeft, en scholen te verplichten om meer verantwoorde-lijkheid te nemen als het gaat om het vinden van een stageplek.Voorzitter. We zien gewoon op alle fronten dat er snel meer aandachtnodig is voor mentaal welzijn. Nogmaals, ik heb een aantal concreteideeën vanuit de praktijk. Ik ga daar geen vragen over stellen, omdat ikvind dat we echt deze uitdaging bij de kern moeten aanpakken en dat weop zoek moeten gaan naar snelle oplossingen, zodat we zo snel mogelijken zo maximaal mogelijk een positieve impact kunnen hebben op de staatvan de mentale gezondheid. In een ander debat ben ik best bereid om eenaantal voorstellen te doen, ook vanuit ervaringen in Schiedam, vanuit hetjeugdbeleid, maar ook vanuit positieve initiatieven zoals YETSFoundation, die juist studenten en leerlingen enorm helpt bij hethervinden van hun talenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115025 Tot zover mijn vragen, voorzitter. Nog een laatste opmerking. Ik moethelaas deze commissievergadering verlaten. Dit is de laatste Kamerdagvoor het zomerreces. De agenda is superdruk, dus ik moet vandaag dehele dag op en neer gaan.De voorzitter:Laten we hopen dat het zomer wordt.De heer Ergin (DENK):Als we het over prestatiedruk hebben. Ik hoop dat u mij begrijpt.De voorzitter:U maakt zelf uw eigen keuzes. Ik zei «laten we hopen dat het zomerwordt», want vooralsnog gaan we op weg naar het meireces. Maar diezomer is van harte welkom in ieder geval. Dank u wel, meneer Ergin. Ikzag geen interrupties. Wij vervolgen met de bijdrage van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank, voorzitter. De jongeren in ons land hebben te maken met eenmentalegezondheidscrisis. Het woord «crisis» neem ik niet licht in demond, maar we hebben de cijfers gezien: als het zo doorgaat, heeft een opde zes jongeren binnenkort een vorm van jeugdzorg nodig en suïcide isdoodsoorzaak nummer één bij jongeren onder de 30. Het is alarmfaserood. We hebben een generatie die op zoek is naar rust, naar zekerheid,naar gezien worden, rust, zekerheid en zingeving die deze samenlevingniet biedt. Integendeel.Deze zoektocht naar rust en zingeving is van alle tijden. Vroeger werdbenadrukt dat zingeving en waarheid buiten onszelf gevonden moestenworden. Denk aan eer, denk aan excellent leven, denk aan de potentialiteitdie Aristoteles noemt. Nu vertelt de samenleving een ander verhaal. Wezijn hier allen opgegroeid met de belofte dat geluk, waarheid en zingevingin jezelf moeten worden gevonden. Succes is maakbaar, als je maar hardgenoeg werkt. Dat is op zich een logische conclusie, maar als je datdoortrekt, kom je in de problemen. Dan kom je in een samenleving die elkindividu uiteindelijk aan zichzelf overlevert. Succes is een eigen keuze,maar dat maakt ook dat falen of het niet redden een eigen keuze is en jeeigen schuld, iets waar we allemaal niets aan kunnen doen. Die druk isimmens. We willen een perfecte familie, maar ook het meeste halen uitonze carrière. We willen rust, maar we willen tegelijkertijd helemaal nietsmissen. We willen onszelf niet teleurstellen, maar vooral anderen nietteleurstellen. We kunnen ons niet veroorloven om onszelf te zijn, want alswe dat doen, wetend dat we niet perfect zijn, dan worden we in dezesamenleving afgeschreven.Voorzitter. Het is ingewikkeld. Ik moest bij de voorbereiding van dit debatook steeds denken aan de uitspraak van Jezus van Nazareth 2.000 jaargeleden, die een aantal simpele woorden zei. Hij zei: kom naar mij, julliedie vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.Behoefte aan rust is van alle tijden. Iedereen is op zoek naar rust enprobeert die op een bepaalde manier te vinden. Deze woorden hebbenvoor zovelen, ook voor mij, perspectief geboden. Voor mij was het in iedergeval de ontdekking dat waarheid en zingeving niet alleen in jezelf tevinden zijn en ook niet in wat andere mensen van je vinden, maar dat dewaarheid een persoon is die vrijheid geeft.Voorzitter, terug naar de stukken. Die zoektocht naar rust vraagt om eenzorgvuldige aanpak. Het Trimbos-instituut wijst op de stapeling vanonzekerheden die leiden tot onrust, prestatiedruk en stress. Dit vraagt omeen scherpe blik van de overheid en de samenleving. Uiteindelijk is ercultuurverandering nodig. Voor seksueel grensoverschrijdend gedrag– ook zo’n thema dat om een cultuurverandering vraagt – hebben we eenregeringscommissaris aangesteld. Mijn vraag is of we gezien de urgentieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115026 van dit thema niet ook bijvoorbeeld een regeringscommissaris voormentaal welzijn van jongeren moeten aanstellen, niet om met meeractieprogramma’s te komen of adviezen om reclames op te stellen, maarom scherp te kijken naar de gevolgen van het huidige voorgenomenbeleid. Ik heb het over iemand die gevraagd en ongevraagd advies kangeven, die juist het gesprek in de samenleving kan aanjagen, die deoverheid, maar ook het onderwijs, instellingen en bedrijven erbij kanbetrekken en kritisch kan bevragen over of iets werkelijk bijdraagt aan rusten zekerheid voor jongeren.Voorzitter. Ik heb nog een paar andere vragen. In de plannen komt deaandacht voor persoonsvorming en identiteitsontwikkeling maarzijdelings langs, terwijl ontdekken wie je bent en wat je waarden zijn juistvan groot belang is als het gaat om omgaan met onzekerheden. En dezesamenleving voegt steeds meer onzekerheden toe. Is de Minister bereidom te verkennen hoe er zowel in het voortgezet onderwijs als in hetvervolgonderwijs meer ruimte kan worden gecreëerd voor die persoons-vorming? Ik stel deze vraag bewust breed. Het gaat immers bijvoorbeeldom aandacht in het curriculum, maar ook om of er überhaupt ruimte isdoordat bijvoorbeeld te toetsingsdruk hoog is.De voorzitter:Gezien de tijd vraag ik u om af te ronden.De heer Ceder (ChristenUnie):Mag ik nog één vraag stellen, voorzitter? Is de Minister bereid om tenaanzien van het suïcidebeleid jaarlijks, bijvoorbeeld in de Staat van hetOnderwijs, te rapporteren over hoe het beleid in de praktijk kan wordengebracht?Tot zover, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan wij verder met mevrouw Van Zanten van de BBB.Gaat uw gang.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank, voorzitter. In haar boek Het verlaten individu beschrijft psychiater enauteur Esther van Fenema hoe geluk in onze tijd een marketingproduct isgeworden, zogenaamd voor iedereen binnen handbereik, in een tijdwaarin iedereen selfmade is en je zelf verantwoordelijk bent voor je eigengeluk en dus ook voor je ongeluk. Zelf verantwoordelijkheid nemen voorje leven is een groot goed. Toch weegt deze manier van denken zwaarvoor de jeugd. De drang tot presteren, schoonheidsidealen en de invloedvan sociale media leggen een zware druk op jongeren. Daarnaast wordtmentale problematiek vaak veroorzaakt door pesten en buitensluiten,zowel online als in real life. In een opiniepeiling onder ruim 1.000jongeren geeft de helft aan dat er geen aandacht is voor mentalegezondheid op school of niet te weten of de school daar überhauptaandacht aan besteedt. Vrijwel alle jongeren zeggen hier wel behoefte aante hebben. Dus hoe kunnen we de activiteiten die zijn bedoeld om dementale gezondheid te verbeteren grotere bekendheid geven op scholen?Hoe onderzoeken we of de activiteiten voldoende bijdragen aan hunwelbevinden? Graag een reactie van de Minister.Een groep die niet vaak wordt genoemd, maar juist wel heel veelaandacht behoeft, is de groep leerlingen met een beperking of eenspeciale ondersteuningsbehoefte. Binnen deze groep zijn de schooluitvalen het psychisch lijden het hoogst. De mentale problematiek was bij dezegroep al voor de coronapandemie reden tot zorg. Pas toen reguliereleerlingen en studenten ook problemen kregen met hun mentale welzijndoor de pandemie, werden de problemen bij deze specifieke doelgroeperkend. De problemen van deze doelgroep worden vaak verkeerdTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115027 begrepen en daarnaast is de benodigde hulpverlening vaak onbereikbaarwegens lange wachtlijsten. Psychische klachten worden vaak erger als zeniet op tijd worden gesignaleerd en behandeld. BBB is een grootvoorstander van een goede verbinding tussen het onderwijs, de GGD ende zorg. Hierdoor kunnen problemen sneller worden gesignaleerd eneffectiever worden behandeld. Graag een reactie van de Minister op hoedeze verbinding kan worden verbeterd.Een andere groep ik die wil noemen – de heer Paternotte noemde die ookal even – zijn de mbo-leerlingen. Op het mbo is er vaak niet de aandachtvoor mentale problematiek zoals die er in het hoger onderwijs is. Wehoren ook dat mbo-studenten die meestal niet tijdig weten te signalerenen vervolgens niet goed weten hoe ze die moeten aanpakken. Kan dit eenverplicht onderdeel worden van de lerarenopleiding? Graag een reactie.Ik hoor ook graag van de Minister wat er wordt gedaan tegen Jodenhaatop scholen, waar veel Joodse scholieren en studenten fysiek en mentaallast van hebben, die niet meer naar school durven of zelfs gedwongenworden van school te wisselen.We leven in een tijd met veel maatschappelijke thema’s die de toekomstvan onze jongeren raken. Zo werd vorig jaar uit onderzoek bekend dat eenop de vijf jongeren regelmatig tot vaak stress voelt als aan de klimaatcrisiswordt gedacht. De heer Van Houwelingen zei het net ook al. Nog eenreden om op te houden met dat klimaatgedram. Ja, er is een probleem,maar het is geen reden om jongeren slapeloze nachten of depressies tebezorgen.Tot slot. Als samenleving moeten we erkennen dat elk kind anders is enmag afwijken van de norm, zonder meteen het stempel «afwijkend» tekrijgen, en weg van het verstikkende Instagramideaal. Mentaleweerbaarheid ligt wat BBB betreft in het leren omgaan met teleurstel-lingen, niet in het verzachten van de omstandigheden. Zo kunnenjongeren op de juiste manier beginnen aan hun volwassen leven. Latenwe dus wat meer omkijken naar elkaar en de jongeren die dat nodighebben de juiste zorg en begeleiding bieden. Laten we hierop inzettenvanuit onderwijs, de zorg, ouders en ook de politiek.Dank.De voorzitter:Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Krul. Gaat uw gang.De heer Krul (CDA):«Meer omkijken naar elkaar» zijn woorden die het CDA uit het hartgegrepen zijn. Ik heb net een betoog van de VVD gehoord waarin gezegdwerd «met individualisering op zich is niks mis», terwijl we ook weten datde mens eigenlijk pas echt tot zijn recht komt in de relatie tot een andermens. Ik ben heel benieuwd – de ChristenUnie heeft dat net ook gezegd –hoe de BBB daarnaar kijkt. Ziet de BBB ook het risico dat als we te veel hetindividuele succes najagen en te veel nadruk leggen op het zelf presteren,het excelleren, we dan misschien wel die prestaties hebben, maar minderonderdeel worden van een gemeenschap, minder relaties hebben met deander en dus ook het mentale welzijn en de gezondheid onder drukzetten? Is dat ook een beetje het verhaal van de BBB, vraag ik, omdat wedan een mooie coalitie op dit onderwerp kunnen vormen.Mevrouw Van Zanten (BBB):Dank voor de vraag van het CDA. Ik denk dat het een het ander niet hoeftuit te sluiten. Individuele prestaties, het streven naar excelleren, lijkt BBBgewoon heel belangrijk, want met mediocriteit hebben we gewoon ookniet zo veel. Het is prima om te streven naar succes. Dat lijkt me juist heelbelangrijk en heel goed. Daarnaast moeten we ook oog hebben voorelkaar en beseffen dat je ook kunt falen. Je kunt ook fouten maken. Jekunt ook met teleurstellingen te maken krijgen. Daar moet je als kind, alsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115028 jongere, mee leren omgaan. Het is niet erg om fouten te maken. Vanfouten leer je en daarna kan je gewoon weer verder, en niet opgeven omtoch het beste uit jezelf te halen.De voorzitter:Dank u wel. Er is ook een interruptie van mevrouw Hertzberger. Gaat uwgang.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik hoorde mijn collega Van Zanten even spreken over de informatievoor-ziening en de beschikbare mogelijkheden, bijvoorbeeld op het mbo. In deaanloop naar dit debat hebben we ook gehoord van studentenorgani-saties dat het soms lastig is om informatie te vinden, ook op de verschil-lende scholen van het vervolgonderwijs. Ziet de BBB bijvoorbeeld wat ineen centraal informatiepunt, zodat er één punt komt waar iedereen metmentale problemen naartoe kan?Mevrouw Van Zanten (BBB):Ik vind het idee van mevrouw Hertzberger helemaal niet gek. Ik benbenieuwd wat de Minister hiervan vindt en wat het ministerie aanoplossingen hiervoor heeft. Maar ik vind dit zeker geen gekke suggestie.De voorzitter:Dank u wel. Er is ook een interruptie van de heer Ceder. Gaat uw gang.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik kan de lijn van de BBB volgen dat mensen moeten kunnen excelleren.Daar ben ik het helemaal mee eens. Je hebt talenten en gaven gekregen;die moet je ook naar vermogen inzetten. Maar bent u het niet met mijeens dat we dat in theorie zo moeten doen, maar dat er in de praktijk weleen tendens is ontstaan dat als jij niet presteert, als jij niet je gymnasiumhaalt, als jij niet als je op de universiteit gemiddeld cum laude slaagt, weeen samenleving gecreëerd hebben ... Ik heb rechten gestudeerd en ikwist: als je niet cum laude afgestudeerd bent, hoef je niet aan te kloppenbij de advocatenkantoren om je binnen te halen. Bent u het niet met meeens dat de andere kant van die medaille is, als we niet uitkijken – nou,«niet uitkijken»? – dat het nu zo is dat we een samenleving van opwaartsedruk hebben gecreëerd, waarin we gewoon zien dat die niet overeenkomtmet de werkelijkheid en dat dat de reden kan zijn waarom heel veeljongeren in die ratrace op een gegeven moment zeggen: ja, maar dit trekik niet meer?Mevrouw Van Zanten (BBB):Interessante vraag. Om te refereren aan de woorden van mevrouwMartens-America: ik denk toch het volgende. Toen ik afstudeerde – dat isnog ietsje langer dan twintig jaar geleden – hadden we te maken metdezelfde dingen, maar ik geloof niet dat we daar mentaal heel veelzwakker van zijn geworden. Ik vraag me ook heel erg af waarom dat indeze tijd nou juist een zoveel zwaardere belasting is. Dan ga je denken aande combinatie van de prestatiedruk én de social media. Die laatste was erin mijn tijd nog niet. We hadden Hyves, maar dat was het ook wel.Facebook kwam net op. Maar goed, ik kan me dus heel goed voorstellendat social media en de schoonheidsidealen die daarop als ideaalbeeldverschijnen, heel erg bijdragen aan die druk. Dat geldt ook voor al diekinderen die nu op Snapchat en TikTok moeten zitten. Maar ik geloof nietdat excelleren in de opleiding die je doet ... Daarbij maakt het helemaalniet uit of je op een vmbo, mbo, hbo of universiteit zit om het beste uitjezelf te halen. Wat vind je leuk om te doen? Zorg dat je daar goed inwordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115029 De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat we hiermee de eerste termijn van de commissiebeëindigen. We zitten even met een logistiek puntje. Het voorstel is om teschorsen tot 14.40 uur. Dat zou dan incluis de stemmingen in de plenairezaal zijn, zodat commissieleden eventueel in de gelegenheid zijn omnamens hun fractie te stemmen. We vervolgen dan dus om 14.40 uur. Degedachte erachter is dat we dan van 14.40 uur tot 15.30 uur een heeleindje komen met de termijn van de bewindspersoon. Dat geeft MinisterDijkgraaf hopelijk de gelegenheid om de vragen die aan hem gericht zijnte beantwoorden. Gezien het belang van dit debat – de inhoud van hetdebat en de opkomst van tien partijen bij dit commissiedebat maken welduidelijk hoe belangrijk de commissie dit onderwerp vindt – is het voorstelom de tweede termijn op een nader moment in te plannen. Dat is nu hetvoorstel voor de planning. Ik kijk even naar de Minister aan mijnrechterzijde.Minister Dijkgraaf:Ik kan niet garanderen dat ik alles binnen drie kwartier beantwoord heb. Erkomen misschien ook nog vragen tussendoor.De heer Paternotte (D66):Voorzitter, ik moet zelf bij die plenaire stemmingen zijn, maar misschienben ik wel de enige hoor. Ik kan me ook voorstellen dat de commissiegewoon om 14.30 uur door wil gaan. De Ministers kunnen dan in iedergeval mijn vragen iets later in hun beantwoording opnemen. Dat scheeltweer tien minuten.De voorzitter:Ik dacht dat de heer Krul ook zijn hoofd schudde. Dit is nu eenmaal wat erop zo’n dag als vandaag gebeurt. We proberen met alle belangen rekeningte houden, maar zeker ook met de stemmingen. Dus ik schors tot 14.40uur en we kijken hoever we daarna komen.De vergadering wordt van 14.04 uur tot 14.41 uur geschorst.De voorzitter:Geachte aanwezigen, welkom bij het vervolg van het commissiedebat vande commissie voor OCW over de mentale gezondheid van jongeren. Wevervolgen het debat. Ik ben er al achter: never a dull moment in dit huisqua planning. De stemmingen zijn om 15.15 uur. Dat betekent dat wij nutot 15.15 uur de tijd hebben. In overleg met beide bewindspersonen is hetvoorstel om de heer Van Ooijen in de eerste termijn de vragen te latenbeantwoorden die aan hem gesteld zijn. Dat lijkt namelijk te moetenkunnen in het blok dat nu nog komt. Dan kijken we daarna even hoeveeltijd er nog is om te vervolgen. Maar het voorstel is dat we met de eerstetermijn van de heer Van Ooijen beginnen. Dan komt er natuurlijk nog eennieuw commissiedebat; het tweede deel wordt nog ingepland. De heerVan Ooijen vraagt of hij daar dan niet bij hoeft te zijn. Wellicht, maar datgaan we straks nog zien. Die vraag hangt even boven de markt. Voordat ikde Staatssecretaris het woord geef, zie ik een aantal leden nog heelbedenkelijk kijken.De heer Krul (CDA):Voorzitter, ik probeer het even te begrijpen. De heer Van Ooijen is sowiesoweer aanwezig bij de tweede termijn. Het is niet zo dat hij nu even zijneerste termijn doet en dan niet bij de tweede termijn hoeft te zijn. Winnenwe hier dus echt wat mee, vraag ik even hardop. Of is het misschiengewoon beter om te zeggen: zorgvuldigheid gaat boven iets even in eenhalfuurtje proberen te proppen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115030 De voorzitter:Zorgvuldigheid moet altijd. Maar ik heb ook niet het idee dat het onzorg-vuldig zou zijn als we nu de beantwoording in de eerste termijn van deheer Van Ooijen proberen af te ronden. Die garantie heeft u dus in iedergeval van mij. Maar het idee is wel om de beantwoording van de heer VanOoijen op de vragen die echt aan hem gericht waren, nu af te ronden. Deheer Dijkgraaf gaf namelijk al aan wat langer nodig te hebben. Maar uheeft gelijk. Daarom temperde ik de verwachtingen ook al even bij de heerVan Ooijen. U heeft gelijk. Een van mijn vragen aan de commissie zalstraks ook zijn of er een tweede termijn voor de heer Van Ooijen nodig is.We zullen in ieder geval een moment inplannen waarop de beschik-baarheid van beide bewindspersonen voor het vervolg van het debatgegarandeerd is. Heb ik daarmee ook de vragen van de heer Paternottebeantwoord? U keek me namelijk heel vragend aan.De heer Paternotte (D66):Ik voelde wel mee met het punt van de heer Krul. Maar laten weinderdaad maar beginnen.De voorzitter:Oké, dank u wel. Dan gaan we voor de beantwoording in de eerste termijnluisteren naar de heer Van Ooijen.Staatssecretaris Van Ooijen:Dank, voorzitter. Volgens mij is het aantal vragen op mijn terrein namelijkbehoorlijk beperkt. Ik heb een handvol vragen die ik graag zou willenbeantwoorden. Het is volgens mij goed om dit debat met elkaar te voeren.Het eerste thema dat volgens mij direct naar bovenkwam, was social-mediagebruik. Mevrouw Hertzberger, maar onder andere ook de PVV, haddaar vragen over. Er was ook nog de vraag van de heer Krul over dealgoritmes. Wat voor andere mogelijkheden zien we om, met draagvlak,door middel van initiatieven vanuit gemeenschappen het telefoongebruiknaar beneden te brengen? Daar heeft het NJi bijvoorbeeld een toolboxvoor ontwikkeld, om ouders te ondersteunen in met name de mediaop-voeding. Daarbij hebben ze ook handvatten meegegeven aan professi-onals om het telefoongebruik naar beneden te brengen. Dat is dus zo’ninitiatief vanuit het NJi. Maar er zijn ook initiatieven waarbij ouders metelkaar afspraken maken over het telefoongebruik buiten het onderwijs om,dus na schooltijd.De heer Blaauw vroeg meer in algemene zin: wat is nou uw opvattingover het socialmediagebruik? Ik denk dat daar inderdaad stevigeproblematische effecten van uit kunnen gaan. Maar ik zou het socialm-ediagebruik ook niet categorisch als onwenselijk willen beschouwen. Datzou ik niet zo willen vaststellen. Het blijft dus een en-enverhaal. Maar wekunnen natuurlijk wel constateren dat we behoorlijk uit het lood geslagenzijn als het gemiddelde socialmediagebruik onder jongeren tussen de 12en 16 jaar op dit moment, dacht ik, vijf uur is.De voorzitter:Ik onderbreek u even, want er is een interruptie van mevrouw Hertzberger.Ik vermoed dat die nog over het vorige punt gaat.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ja, inderdaad. Ik wil de Minister het volgende vragen. Afgelopenmaandag heeft Staatssecretaris mevrouw Van Huffelen in het notaoverlegDigitalisering naar aanleiding van vragen van mijn collega, de heerSix-Dijkstra, aangegeven dat zij eigenlijk heel erg enthousiast is over ditsoort initiatieven. Er komt ook een platform vanuit het Rathenau Instituut.De vraag is of u bereid bent om echt actief samen met uw collega hierinTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115031 op te trekken om te kijken wat er mogelijk is om dit soort burgerinitia-tieven te ondersteunen vanuit het Rijk.Staatssecretaris Van Ooijen:Daar ben ik zeker toe bereid. Ik trek sowieso vaak met mijn collega vanBZK op, ook als het gaat om desinformatie op sociale media en wat wedoen op dat gebied. We trekken ook samen op wat betreft de bigtechbe-drijven. Ik ben van harte bereid om ook dit onderwerp daarin te betrekken.Dat is prima; dat doe ik met liefde. In die gesprekken neem ik ook het puntover de algoritmes mee, want dat is inderdaad een thema dat daar ookspeelt. In het overleg met de Staatssecretaris van BZK zal ik dus ook datonderwerp agenderen.Dan ga ik naar de laagdrempelige ondersteuning voor initiatieven, waaronder meer de heer Paternotte naar vroeg. Ik ben zeer bereid om dat soortinitiatieven te financieren, ook structureel, als dat financieel mogelijk is.Dat doen we onder andere via de SPUK en het GALA, zodat gemeenten,die vaak wat dichterbij staan, de initiatieven kunnen financieren. Ikfinancier bijvoorbeeld ook MIND Us, die vanuit zijn mogelijkhedenvervolgens weer een aantal inloopmogelijkheden voor jongeren finan-ciert. Ten slotte hebben we via het Trimbos-instituut ook nog via hetProgramma Stijn een aantal studentinitiatieven ondersteund. Er is duszeker ondersteuning. Het zal de wensen vast niet altijd helemaal inwil-ligen, want de financiering wordt wat overvraagd, maar er is zeker eeninitieel positieve grondhouding tegenover dit soort initiatieven, ook watbetreft het financieel bijstaan ervan.De heer Paternotte (D66):Dank voor het constructieve antwoord. Mooi om te horen dat er dingengebeuren via het Gezond en Actief Leven Akkoord. Kan hij ons, voordatwe de tweede termijn van dit debat hebben, nog iets meer informatiesturen over zijn eigen inzet en wat hij in ieder geval al weet vanuit degemeenten?Staatssecretaris Van Ooijen:Ik zou daar zeker meer informatie over kunnen geven, maar ik denkeigenlijk dat het logischer is als we eerst een voortgangsrapportagekrijgen over het GALA. Ik weet niet precies wanneer dat is, maar dat zallater zijn dan de tweede termijn, denk ik. Dan heb ik echt meer zicht opwat gemeenten op dit soort onderwerpen wel en niet financieren. Hetwordt wat ingewikkeld om dat nu bij al die gemeenten tussentijds op tevragen en op basis daarvan een ordentelijke rapportage aan uw Kamer tegeven. We kunnen natuurlijk wel even op een rijtje zetten wat we losdaarvan aan de Kamer informeren, maar dat gaat met name om deinitiatieven die we landelijk financieren. Maar dat is geen volledig beeld,zeg ik er even bij in alle eerlijkheid.De heer Paternotte (D66):Dat snap ik.Staatssecretaris Van Ooijen:Maar dat kan ik doen. Over wat we direct landelijk doen, kan ik dusinformatie verstrekken aan de Kamer.De voorzitter:Heeft u daar een termijn bij?Staatssecretaris Van Ooijen:Dat is dan iets voor de tweede termijn. Wanneer de tweede termijn wordtingepland, zal ik die informatie verschaffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115032 De heer Krul stelde een vraag over het meritocratische ideaal. Dat was eenhele existentiële vraag, dus ik kan daar een hele beschouwing over geven,maar in algemene zin zeg ik dat we vanuit VWS heel nadrukkelijk werkenaan het normaliseren van het gewone leven. Ik bedoel dat we minder denadruk leggen op prestaties, op wat er wel en niet bereikt is. Het is ookoké dat we het gesprek voeren als je hele vervelende dingen meemaakt,maar dat we dat niet per se als een probleem beschouwen. In dat opzichtdenk ik dat het VWS-domein juist behoorlijk tegenwicht wil bieden aan diemeritocratie.Dan over de verschillen tussen jongens en meisjes. Er ligt een aange-nomen motie van mevrouw Tielen naar aanleiding van het WGO Jeugdvan afgelopen januari dit jaar, dacht ik. We zijn nog bezig om de motie uitte werken. Op basis daarvan willen we kijken of het inderdaad om meerinzicht vraagt om meisjes of jonge vrouwen steviger te ondersteunen. Dusop basis van de aangenomen motie in uw Kamer ben ik nog bezig om hetwerk nader inzichtelijk te maken.Dan een vraag van de heer Ceder over de regeringscommissaris. Wehebben daar niet voor gekozen in de aanpak die we nu hebben, de aanpak«Mentale gezondheid: van ons allemaal». In deze aanpak is dat niet derichting die we kiezen. Ik weet ook niet of het van toegevoegde waarde is,want het kan ook weer leiden tot allerlei nieuw schrijven en afstemmings-overleggen. Maar mocht een nieuwe coalitie of de Kamer hier heelnadrukkelijke wensen over hebben, dan zie ik dat wel.Dan kom ik op de laatste vraag, van mevrouw Van Zanten, ten aanzien vandat centrale informatiepunt en of dat toegevoegde waarde zou hebben. Erzijn op dit moment verschillende online informatieplatforms en hulplijnenbeschikbaar. Ik ben het er wel mee eens dat dat heel veel verschillendehulplijnen zijn. Ik werk dus wel toe naar wat meer synchronisatie wat datbetreft. Tegelijkertijd zie je ook dat al die verschillende hulplijnen wel weerhun eigen rol en positie hebben. Dus ja, het moet gesynchroniseerdworden. Daarom zijn er nu onder andere ook mogelijkheden om eenaantal jaren financiële ondersteuning te gaan bieden aan dat platformvoor mentale gezondheid van jongeren en jongvolwassenen. Maar we zijnniet bezig om het helemaal te reduceren tot nog maar één centraalinformatiepunt.Tot zover, voorzitter. Ik dacht uw vragen te hebben beantwoord.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even naar mevrouw Van Zanten. Zei u nou dat u eeninterruptie had?Mevrouw Van Zanten (BBB):Nee, ik wilde even zeggen dat de vraag van mevrouw Hertzberger kwam.Staatssecretaris Van Ooijen:Och. Excuus, excuus.De voorzitter:Maar die zat ook heel aandachtig te luisteren, zag ik. Ik kijk even naar decommissie. Zijn er nog vragen voor de heer Van Ooijen? Meneer Krul, aanu het woord.De heer Krul (CDA):Ik heb toch nog één vraag over die verschillen tussen jongens en meisjes.Ik krijg toch een beetje de indruk dat de Staatssecretaris zegt «we gaannog kijken of die inzichten nieuwe acties vereisen», als ik het zo een beetjegoed vertaal. Ik zou toch het volgende willen vragen. Wij hebben indecember die eerste voortgangsrapportage gehad over de aanpak«Mentale gezondheid: van ons allemaal». Ik wil hem vragen om dit welecht een plek te geven in de volgende voortgangsrapportage. Dan zijn weTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115033 vrij schappelijk, want die zal wel in december ongeveer komen. Maar ikvraag hier toch, los van de motie, of dat een plek kan krijgen in dievoortgangsrapportage.Staatssecretaris Van Ooijen:Dat kan ik toezeggen, omdat ik die zorgen ook wel herken. We zien in diecijfers niet voor het eerst maar nu opnieuw dat er echt een verschil istussen jongens en meisjes. Dat zien we ook op andere terreinen,bijvoorbeeld bij het buiten spelen, dat natuurlijk ook vaak gerelateerd isaan beweging en mentale gezondheid. Kortom, ik ga dit zeker een plekgeven. Dan kom ik ook terug op de vraag of er ondersteunend voormeisjes misschien nog wel extra of aanvullende maatregelen nodig zijn.De voorzitter:Is dit voldoende, of zijn er nog meer vragen voor de heer Van Ooijen?Nee. Dan zijn we klaar op dit punt. Dank voor de beantwoording. Ik kijkeven naar de klok. Er is toch nog wel wat ruimte voor de heer Dijkgraafom aan te vangen met de beantwoording.Minister Dijkgraaf:Dank u, voorzitter, over prestatiedruk gesproken! Maar ik ga kijken hoeverik kom. Want we hebben het over een onderwerp dat mij, maar ook deleden van de commissie, persoonlijk raakt: het mentale welzijn vanstudenten. We hebben gesproken over prestatiedruk, stress, de worstelingvan jongeren met grote verwachtingen, de onzekerheden binnen hetonderwijs en binnen de maatschappij en de verwachtingen van henzelf envan hun omgeving. Heel veel van die factoren zijn genoemd. Ik moet ookzeggen dat ik door de beschouwingen en interrupties zie dat ditonderwerp leeft in deze commissie. Ik dank u daarvoor.Nu is het zo dat volwassen worden en je eigen weg vinden altijd gepaardgaan met enige mate van onzekerheid en stress. Wetenschappelijkonderzoek laat ook zien dat het welzijn van jongeren tijdens de adoles-centie in een dip zit. Dat kan aan het eind van de tienerjaren nog verderzakken. Dat gebeurt wereldwijd, maar de laatste jaren staat de mentalegezondheid van jongeren wel echt meer onder druk. Die cijfers liegen niet;die zijn heel zorgwekkend, net als de meest dramatische effecten daarvan.Daar maak ik mij zorgen over en daar maakt u zich zorgen over. Wekunnen daar denk ik gezamenlijk, maar zeker ook binnen het onderwijs,veel aan doen.Ik wil graag in meerdere blokjes proberen om de vragen te beantwoorden.Dat doe ik natuurlijk vanuit het perspectief van het onderwijs. Ik begin methet blokje oorzaken. Dat betreft eigenlijk de vraag: draagt het onderwijsmisschien ook bij aan de toegenomen druk op het mentale welzijn? Dankom ik op «het glas halfvol», namelijk wat we binnen het onderwijskunnen doen en welke concrete handvatten we hebben. Dan wil ik nogiets zeggen over de zorgplicht, waar een aantal vragen over waren. Tenslotte heb ik het blokje overige.Dan begin ik met een aantal vragen die gesteld zijn over in hoeverre hetonderwijs hieraan bijdraagt. In het algemeen kunnen we natuurlijk zeggendat je, zelfs als je een hele eendimensionale kijk op het onderwijs hebtwaarbij je zegt «het enige wat telt, zijn de leerprestaties», volgens mijalsnog moet toegeven dat een goede mentale gezondheid bijdraagt aande leerprestaties. Dat kennen we ook uit de sport et cetera: je moetgewoon in goede conditie en gezondheid zijn om uiteindelijk goed tekunnen leren.De heer Krul en anderen vroegen: hoe zit het met die meritocratie? DeStaatssecretaris heeft daar ook al wat over gezegd. Dat is trouwens eeninteressant debat. Ik kan het boek van filosoof Michael Sandel aanraden:De tirannie van verdienste. Daarin worden een paar interessanteopmerkingen gemaakt. Er wordt gekeken of we niet zijn doorgeschoten inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115034 deze fase van de ontwikkeling van onze samenlevingen en of hetonderwijs z’n eigen draagvlak eigenlijk niet ondergraaft. Ik denk dat hetbelangrijk is dat het onderwijs op een of andere manier die prestatiedrukverlicht en onrealistische verwachtingen tegengaat; dat heeft u eigenlijkallemaal gezegd. Het moet ook een plek zijn waar je de vaardighedenkrijgt om in 2024 je weg te kunnen vinden; daar kom ik zo op. Onzesamenleving is een andere samenleving dan die van 20 of 50 jaar geleden.Daar gaan we ook niks aan veranderen. Dat zal trouwens de komende tijdook nog zo zijn.Ik denk dat het wel belangrijk is om wat dat betreft de verschillendefactoren in kaart te brengen. Ik vind het ook interessant dat we in hetTrimbos-onderzoek zien dat een belangrijke factor de keuzestress is. Datheeft volgens mij ook te maken met het gegeven dat er veel meermogelijkheden zijn. Ik heb van dat Trimbos-onderzoek ook geleerd dat wedie discussie altijd in een positief daglicht moeten voeren. We moeten dusniet alleen maar zeggen: wat vreselijk dat je in deze moeilijke omstandig-heden zit. We moeten ook zeggen: «Dit is het leven nu. Wat kunnen wedaaraan doen?» Velen van u hebben al gezegd hoe mooi het is dat juistjongeren zeggen: we willen niet alleen dat het erkend wordt, maar wewillen ook de instrumenten hebben om er iets aan te gaan doen.De heer Blaauw en anderen vroegen ook wat het effect van sociale mediais. Heel veel onderzoeken laten zien dat er in ieder geval een sterkecorrelatie is tussen het gebruik van sociale media en onze mentalegezondheid. Ik denk niet dat er een een-op-een correlatie te vinden is,maar het is wel interessant dat we bij de experimenten die we in hetfunderend onderwijs hebben gedaan, eigenlijk alleen maar hele positieveresultaten zien. Dat gaat natuurlijk over het gebruik van sociale media ínhet onderwijs. Buiten het onderwijs hebben we daar natuurlijk minderover te zeggen. Er werd al gezegd dat het mes aan twee kanten snijdt,zoals bij iedere technologie. Maar ik denk dat we ons allemaal wel zorgenmaken over de ongebreidelde ontwikkeling van sociale media en wat ditdoet voor de mentale gezondheid, met name van jongeren. Dat is ietswaar we volgens mij ook in het onderwijs continu zicht op moetenhouden. We moeten ook goed kijken wat de effecten zijn van de maatre-gelen die we nu in het funderend onderwijs hebben getroffen.Het is volgens mij ook belangrijk dat we breed kijken naar alle vormen vanonderwijs, ook naar het vervolgonderwijs. Onder andere mevrouwTseggai en de heer Paternotte vroegen: «Hebben we eigenlijk wel allegoede gegevens hier? Hoe zit het met allerlei andere groeperingen?» Deontwikkeling van de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolkingwordt langjarig gevolgd in de Monitor mentale gezondheid. Daarbijhouden we ook rekening met groepen die nu ontbreken; dat zullen we ookzeker in de toekomst doen, want het is van groot belang dat we eenvolledig beeld krijgen. U vroeg ook naar mbo-studenten. Daar zijn wellandelijke cijfers over: vanuit de Werkagenda mbo wordt het percentagembo-studenten gemonitord dat een slechte mentale gezondheid heeft. Wemaken ook jaarlijks een «test je leefstijl»-monitor, waar 20.000mbo-studenten gebruik van maken. We monitoren dat zowel in het mboals in het hbo en het wo. We vinden het belangrijk om daarvoor zo veelmogelijk een uniform beeld te krijgen.Dan stelde mevrouw Martens de vraag hoe het nou zit met excellentie.Gaan we het woord «excellentie» nu uitbannen? Mijn streven is steedsgeweest om vooral te kijken naar de verschillende vormen van excellentie.We kunnen in de volledige waaier van het vervolgonderwijs kijken hoe weandere vormen van excelleren kunnen bevorderen. Ik vind dehogescholen een heel goed voorbeeld. Kijk wat er de afgelopen jaren inhet hbo is gebeurd. We hebben daar nu praktijkgericht onderzoek aantoegevoegd. We zijn nu aan het experimenteren met een professionaldoctorate. We zien dat daarin de lat dus eigenlijk hoger wordt gelegd. Inhet mbo hebben we bijvoorbeeld de Skills vakwedstrijden. We hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115035 ook de stichting MBO excellent, die juist is opgericht om excellentie in hetmbo te bevorderen. Die stichting speelt een belangrijke rol. Het NRO heeftdaarnaast onderzoek gedaan naar excellentietrajecten in het vervolgon-derwijs. Wat betreft het tegengaan van prestatiedruk gaat het, denk ik,vaak om de vraag of de student op de juiste plek zit. Ik denk dat we hetmet elkaar eens zijn dat iedereen de beste versie van zichzelf moetworden en dat er heel veel uitdagingen zijn die je voor jezelf kan stellen.Maar stel je ook de juiste uitdaging voor jezelf? Weet je je plek in hetonderwijs te vinden? Word je daarin ook op de juiste manier begeleid enuitgedaagd?De voorzitter:Dank u wel. Er zijn twee interrupties. De eerste is van de heer VanHouwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. De Minister stelt dat excellentie ook eenplaats moet hebben in het onderwijs; dat is fijn om te horen. Maar deMinister spreekt ook consequent over een waaier, niet meer over een trap.Hoe verhoudt zich dat dan tot elkaar?Minister Dijkgraaf:Het mooie van een waaier is dat die twee dimensies heeft, dus verschil-lende richtingen. Je kunt dan ook verder doorlopen in die richting. Ik denkdat dat een belangrijk beeld is. Ik noem nog een beeld: je studeertbijvoorbeeld op het mbo en je hebt pas écht succes als je daarna deoverstap maakt naar het hbo, dan naar het wo gaat en daarna misschienook nog wel gaat promoveren. Dan hebben we één speciaal pad aange-geven. Dat is een prima pad. Het is ook heel mooi dat studenten dat padweten te volgen. Maar er kunnen ook andere mogelijke paden zijn. Deuitdagingen in het vervolgonderwijs zijn nog niet gelijkelijk verdeeld. Jezou willen kijken of je in het beroepsonderwijs nog meer kunt doen omjuist daar excellentie te bevorderen en uit te dagen. We zien ook heel veelvan onze vakspecialisten ... Die samenleving vraagt daarom. Ook daar kanje je steeds verder in verdiepen. De technologie wordt ingewikkelder ende maatschappij wordt dat ook. In die zin moet je die uitdagingen hebben.Maar je moet studenten volgens mij ook de middelen in handen gevenom met die uitdagingen om te gaan; daar kom ik straks in mijn tweedeblokje op. Dat heeft, denk ik, een harde kant, namelijk de kant van devaktechnische kennis die je moet hebben, maar het heeft ook eenzogeheten zachte kant, die trouwens keihard is. Hoe ga je om met dit soortkeuzes? Hoe vind je voor jezelf de juiste uitdaging? Hoe ga je om mettegenslag et cetera? Eerlijk gezegd is dat iets wat iedereen in het leventegenkomt. Idealiter zou ook iedereen in het onderwijs dit tegengekomen.Daarom streven we er echt naar om excellentie en uitdaging gelijk-waardige begrippen te maken die niet alleen zijn voorbehouden aan éénvorm van onderwijs.Mevrouw Martens-America (VVD):Ik heb toch het gevoel dat de Minister en ik dichter bij elkaar liggen dandat het misschien lijkt. Volgens mij delen we namelijk de mening dat datin vele vormen kan, alleen zegt de praktijk natuurlijk iets anders. We ziende afgelopen jaren veel, vooral universitaire, instellingen naar buitenkomen. Volgens mij hebben we afgelopen maand voorbij zien komen datook de toga ter discussie staat, omdat die ongelijkheid in de hand zouwerken. Tel daarbij op het feit dat het predicaat cum laude onder drukstaat. We zien dus een andere beweging dan wat ik de Minister hier hoorzeggen. Er is natuurlijk niemand die zegt dat je cum laude moet afstu-deren; dat is een keus. Op dit moment ontnemen wij mensen die keus.Hoe ziet de Minister dat? Ik heb de Minister natuurlijk ook in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115036 mbo-debat naar het volgende gevraagd. Ik ben het er helemaal mee eensdat we ervoor moeten zorgen dat mensen op de juiste plek zitten. Maar ophet moment dat mensen er nu voor kiezen om van mbo 3 naar niveau 2 tegaan, moeten ze alles terugbetalen. Er zit dus wel veel licht tussen wat wezeggen te doen en hoe het werkt in de praktijk. Hoe reflecteert de Ministerdaarop?Minister Dijkgraaf:Allereerst is het echt aan onderwijsinstellingen zelf om keuzes te makenwat betreft de prikkels. Zijn dat de juiste prikkels? Hoe kun je de uitdagingvormgeven? Wat is effectief en wat is niet effectief? Ik zie onderwijs-instellingen daar hun eigen keuzes in maken. Ik heb daar niet eennormerend antwoord op. Mevrouw Martens stelde hierover terecht eenvraag. Als je meer bewegingsruimte creëert in het onderwijs, dan is datgoed. Ook die universiteiten zelf geven namelijk aan dat lang niet iedereenop de universiteit op z’n plek is. Dan denk ik ook: goh, misschien faaltiemand wel omdat diegene gewoon niet met de juiste opleidingbegonnen is. Kan je iemand dan op een goede manier doorgeleiden? Kanje dat op zo’n manier doen dat je niet een heleboel gehaalde onderwijs-prestaties verliest? Hoe kunnen we dat dus meer flexibel maken? Hoekunnen we daarbij ondersteunen? Dat zijn hele goede vragen. Dat heeft temaken met de inrichting van programma’s. Het heeft ook te maken met definanciële ondersteuning et cetera. Ik vind het heel goed om daar metelkaar het debat over te voeren. Als u zegt dat daar nog grote uitdagingenliggen, dan ben ik het totaal met u eens.De voorzitter:Dank u wel. U vervolgt uw betoog.Minister Dijkgraaf:Ik denk dat ik wat dat betreft op dit moment klaar ben met het blokjeoorzaken. Ik wil nu doorgaan met de aanpak.Velen van u hebben al gezegd dat het onderwijs een heel belangrijke rolheeft. Het heeft eigenlijk geen excuus om er niet wat aan te doen. Datheeft niet alleen te maken met het bespreekbaar maken, maar ook methetgeen wij de studenten in handen kunnen geven om door het moderneleven te navigeren. Het punt van veerkracht, het punt van hetbespreekbaar maken: onderwijs is een uitgelezen plek om je voor tebereiden op het leven en om jongeren handvatten te geven om met dieuitdagingen om te gaan.Wij faciliteren al heel veel. De afgelopen jaren hebben wij bijvoorbeeldmet de middelen uit het NP Onderwijs, mbo-scholen, hogescholen enuniversiteiten al verschillende initiatieven kunnen laten nemen om hetwelzijn van studenten te verbeteren. Er zijn heel veel mooie initiatievengenomen. Vele daarvan heb ik zelf gezien. Ik vind het ook heel mooi dathet een onderwerp is dat de verschillende onderwijsvormen verbindt. DeHogeschool Utrecht en de Universiteit Utrecht hebben bijvoorbeeld eengezamenlijk programma waarbij zij welzijn integreren in het curriculum.Een ander mooi voorbeeld uit Utrecht is trouwens het project Geestkrachtvan het MBO Utrecht. Daarbij doen studenten ook onderzoek naarmentaal welzijn.Er zijn ook extra middelen beschikbaar gesteld voor het mbo vanuit deWerkagenda mbo, en voor het hbo en wo vanuit het bestuursakkoord enhet Kader Studentenwelzijn. Zo werken onderwijsinstellingen verder aanpreventie en aan vergroting van kennis en kunde, en versterken zij desamenwerking in de regio. Op heel veel manieren zetten wij daar dus opin. De komende jaren doen wij dat ook vanuit het Programma Studenten-welzijn, het zogeheten Programma Stijn. Daarbij wordt gewerkt aan hetvergroten van kennis en kunde van docenten en onderwijsprofessionals,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115037 opdat zij mentale problemen bij studenten beter kunnen signaleren enadresseren.Mevrouw Hertzberger (NSC):Ik kom nogmaals op mijn centraal informatiepunt. Daar was net eventjeswat verwarring over, maar dat hindert niet. Het idee is dat er bij een boelkennisinstellingen toch best wel wat versnippering ontstaat, wat zekerwordt ervaren als je laagdrempelig informatie wil opvragen over wat erbeschikbaar is. Vanuit de studentenorganisaties kwam dan ook de vraagof het mogelijk is om aan elke kennisinstelling een centraal informatiepuntte verbinden waar al die initiatieven te vinden zijn.Minister Dijkgraaf:Het Programma Stijn dat ik net noemde, werkt juist aan het verspreidenvan kennis over de verschillende sectoren. MIND Us, dat de Staatssecre-taris al noemde, helpt ook mee aan het verspreiden van goedevoorbeelden. Een van de dingen die we doen, is bijeenkomsten organi-seren waarop de verschillende onderwijsinstellingen van elkaar kunnenleren, opdat deze aanpak zo veel mogelijk gelijk verloopt en men de bestevoorbeelden met elkaar kan delen en elkaar ook regelmatig kan bevragenop de aanpak.De voorzitter:Oké. U kunt uw betoog vervolgen.Minister Dijkgraaf:Mevrouw Tseggai vroeg ook of het eigenlijk wel ambitieus genoeg is en ofde financiële middelen voldoende zijn. In de Werkagenda mbo en hetKader Studentenwelzijn voor hbo en wo zijn heel ambitieuze afsprakengemaakt. Dat vraagt natuurlijk wel om een cultuurverandering. Die is nietdirect geregeld, maar de middelen die daarbij horen zorgen zeker al vooreen heel goed begin. Op dit moment hebben wij geen signalen dat dehuidige middelen voor het verbeteren van het studentenwelzijn ontoe-reikend zijn, maar we gaan natuurlijk wel beide evalueren. En als die niettoereikend blijken te zijn, dan staan we er zeker voor open om daaraannog meer versterking te bieden. Bijvoorbeeld uit het ProgrammaStudentenwelzijn, het Programma Stijn, financieren we de komende tweejaar een heleboel studenteninitiatieven. Sommige werden al genoemd:Lieve Mark, Frisse Gedachtes, waarbij je kan chatten met psychologiestu-denten, of GELIJKSPEL, waar onderwerpen die taboe zijn wordengeadresseerd door studenten voor studenten. Het zijn allemaal initiatievenmet, voor en door studenten die mentale gezondheid bespreekbaarmaken en laagdrempelig hulp bieden.Door meer leden werd gevraagd hoe we die activiteiten beter aandachtkunnen geven. Dat doen we onder andere door Stijn en door andereinitiatieven waarbij ze deze organisaties bij elkaar brengen. Ik denk dat devraag van mevrouw Martens – hoe kunnen we dat verankeren in deintroductieweken? – een goede is. Ik zou zeggen: niet alleen in deintroductieweken. Je moet het ook echt meer en meer gaan invlechten inhet curriculum. Wat ik keer op keer leer, is: doe niet iets wat op zichzelfstaat, maar zorg ervoor dat het terugkomt in het curriculum. Voorlichtingin de introductieweek is vaak gericht op sociale binding en informatie-voorziening. Dat draagt zeker al bij, maar preventie en het versterken vande binding met medestudenten en de onderwijsinstelling is onderdeel vanhet algemene kader. Het zou, denk ik, veel meer gewoon een doorlopendelijn in het onderwijsprogramma moeten zijn.Er werd ook gevraagd hoe we ervoor zorgen dat ze weten waar zeterechtkunnen. Het is natuurlijk heel belangrijk dat studenten met eenondersteuningsvraag binnen een onderwijsinstelling goed terechtkunnen.Informatievoorziening is een blijvend aandachtspunt. Ik heb ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115038 beetje naar aanleiding van de vervolgvraag van mevrouw Hertzberger inhet Landelijk Kader Studentenwelzijn afgesproken dat instellingen zorgenvoor een duidelijke informatievoorziening en vindbaarheid van hethulpaanbod binnen de instelling. Nogmaals, er ligt ook een groteverantwoordelijkheid bij de instellingen zelf om die informatievoorzieningte verbeteren. We hebben eigenlijk twee verschillende agenda’s die we zoveel mogelijk op elkaar proberen te laten aansluiten: voor het mbo, envoor het hbo en wo aan de andere kant. In het mbo zijn trouwens al veelexterne zorgmedewerkers in de school aanwezig. Eigenlijk is het mbo erin een heleboel opzichten bijna beter op voorbereid, ook omdat men daarmoet dealen met een veelheid aan problemen. Maar ook in deWerkagenda mbo heb ik afgesproken dat onderwijsinstellingen metstudenten in gesprek gaan over mentaal welzijn en laagdrempeligevoorzieningen treffen voor studenten.De voorzitter:Gezien de tijd ga ik het debat hier afbreken, want anders komen weallemaal te laat op de plek waar we nu moeten zijn. Het was mooi geweestals dit blokje nog net afgerond had kunnen zijn.Minister Dijkgraaf:Net niet.De voorzitter:Maar we zijn een flink eindje op weg.Het vervolg van dit commissiedebat staat ingepland voor 18 juni van18.00 tot 20.00 uur. Dan vervolgen we de eerste termijn en maken we detweede termijn af. Ik zie de heer Krul schudden, maar het is niet anders. Iklees nu wel nog even de volgende toezegging op.–De Staatssecretaris heeft toegezegd voor de tweede termijn op een rijte zetten welke initiatieven inzake het mentale welzijn van jongerenlandelijk worden gefinancierd. Dat krijgt de commissie nog vooraf-gaand aan de afronding van dit commissiedebat.Het is altijd jammer als je een debat, waarin zowel de commissieleden alsde bewindspersonen zo bevlogen en betrokken zijn en waarbij de publieketribune echt mooi gevuld is met mensen die dit aanhoren, moet afsluitenop een moment waarop je dat eigenlijk niet wilt doen, maar het is nietanders. Ik dank iedereen voor hun bijdrage en voor hun interesse. Ik dankook de mensen die op een andere plek hebben meegeluisterd. Ik wensiedereen een goed vervolg van deze dag toe. Tot 18 juni.Sluiting 15.14 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 288, nr. 115039

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b18eefe1fbdf1308

14 okt 2026 · 2c70540da630416f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.