KamerkringInloggen
Kamerstuk

Voorstel van wet

16 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 81b15960f197e4ac · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden,Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is omzoveel als mogelijk de werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden inbox 3 te belasten;Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van Stategehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedge-vonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:ARTIKEL I De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd: AAan hoofdstuk 1 wordt een artikel toegevoegd, luidende:Artikel 1.12. Genotsrechten In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan ondergenotsrecht: elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen. BArtikel 2.8 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «het belastbare inkomen uit werk en woning ofhet belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang» vervangen door «hetbelastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uitaanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen». kst-36748-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 21 2. In het tweede lid wordt na «4.16, eerste lid, onderdeel h,» ingevoegd«5.37, tweede lid,». CArtikel 2.13 komt te luiden:Artikel 2.13. Tarief belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 1. De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen(afdeling 5.1 en afdeling 7.4) bedraagt 36%.2. Indien het belastbare inkomen uit sparen en beleggen negatief is,wordt het voor de toepassing van het eerste lid gesteld op nihil. DArtikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd:1. In het derde lid vervallen de onderdelen b, c en d, onder verletteringvan onderdeel e tot b.2. In het vierde lid wordt «derde lid, onderdeel e» vervangen door«derde lid, onderdeel b». EArtikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:1. In het opschrift vervalt «, rendementsgrondslag».2. In het tweede lid wordt «de rendementsgrondslag voor het belastbareinkomen uit sparen en beleggen» vervangen door «het resultaat uitsparen en beleggen».3. In het vierde lid vervalt «, rendementsgrondslag». FIn artikel 2.16, derde lid, wordt «het belastbare inkomen uit werk enwoning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang» vervangendoor «het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomenuit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen enbeleggen». GArtikel 2.17 wordt als volgt gewijzigd:1. In het opschrift vervalt «bestanddelen van de rendements-grondslag,».2. Het eerste lid, tweede zin, vervalt.3. Het tweede lid komt te luiden:2. Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de op grond vanartikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbe-lasting van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen opte komen, onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te wordengenomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij hetdoen van aangifte kiezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 22 4. In het derde lid vervalt «, de gezamenlijke grondslag sparen enbeleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor dehelft tot hun bezit te behoren».5. In het vierde lid, eerste zin, vervalt «, voor de gezamenlijke grondslagsparen en beleggen».6. In het vijfde lid wordt, onder verlettering van onderdeel c tot d, eenonderdeel ingevoegd, luidende:c. het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen vóór verminderingmet de persoonsgebonden aftrek;.7. Het achtste lid wordt als volgt gewijzigd:a. In de eerste zin vervalt «en artikel 5.2, vijfde lid,».b. De tweede zin vervalt. HArtikel 2.18 komt te luiden:Artikel 2.18. Verzamelinkomen Verzamelinkomen is het gezamenlijke bedrag van:a. het inkomen uit werk en woning;b. het inkomen uit aanmerkelijk belang; enc. het inkomen uit sparen en beleggen;verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen. IIn artikel 3.16, tiende lid, wordt «artikel 5.4, eerste lid» vervangen door«artikel 5.41, eerste lid». JArtikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:1. In subonderdeel 1° wordt «het product van het op die bezitting vantoepassing zijnde percentage, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, tweedezin, en de waarde van die bezitting, mits dat product positief is en voorzover dat product» vervangen door «het reguliere voordeel, bedoeld in deartikelen 5.6, 5.15 en 5.16, dat, of de vastgoedbijtelling, bedoeld in artikel5.19, die ter zake van die bezitting in aanmerking wordt genomen, mits datvoordeel, onderscheidenlijk die vastgoedbijtelling, positief is en voorzover dat voordeel, onderscheidenlijk die vastgoedbijtelling,».2. In subonderdeel 2° wordt «de bezittingen in privé zijn gehuurd»vervangen door «die bezitting in privé is gehuurd» en wordt «debezitting» vervangen door «die bezitting». KIn artikel 3.95a wordt in het opschrift en in de tekst «artikel 2.14, derdelid, onderdeel e» vervangen door «artikel 2.14, derde lid, onderdeel b».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 23 LIn artikel 3.100, derde lid, wordt «afdeling 5.3A» vervangen door«paragraaf 5.4.2». MArtikel 3.111, tweede lid, derde zin, komt te luiden: Voorts wordt dezewoning ook gedurende de periode, bedoeld in de eerste zin, voor detoepassing van de artikelen 10bis.4 en 10bis.5 aangemerkt als eigenwoning. NIn artikel 3.119a, zesde lid, onderdeel d, wordt «artikel 5.4, eerste lid»vervangen door «artikel 5.41, eerste lid». OIn artikel 3.127, vierde lid, wordt «artikel 5.17» vervangen door «artikel5.47» en wordt «artikel 5.16, vierde lid» vervangen door «artikel 5.43,vierde lid». PIn artikel 4.14, zevende lid, wordt «de in artikel 5.22 bedoelde algemenemaatregel van bestuur» vervangen door «de artikelen 5.59 en 5.60 en dedaarop berustende bepalingen». QIn artikel 4.15, tweede lid, wordt «artikel 5.4, eerste lid» vervangen door«artikel 5.41, eerste lid». RHoofdstuk 5 komt te luiden:HOOFDSTUK 5. HEFFINGSGRONDSLAG BIJ SPAREN ENBELEGGEN AFDELING 5.1. BELASTBAAR INKOMEN UIT SPAREN EN BELEGGEN Artikel 5.1. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het inkomen uit sparen enbeleggen, verminderd met de te verrekenen verliezen uit sparen enbeleggen (afdeling 5.7).Artikel 5.2. Inkomen uit sparen en beleggen 1. Inkomen uit sparen en beleggen is het resultaat uit sparen enbeleggen, verminderd, voor zover dit resultaat positief is, met hetheffingsvrije resultaat en verminderd met de persoonsgebonden aftrek.2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partnerheeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebbengehad, is het inkomen uit sparen en beleggen het op grond van artikel2.17 aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke inkomen uitsparen en beleggen vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 24 verminderd met het op grond van artikel 2.17 aan hem toegerekendegedeelte van de persoonsgebonden aftrek.3. Het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen is het gezamenlijkeresultaat uit sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner,verminderd, voor zover dit gezamenlijke resultaat positief is, met hetheffingsvrije resultaat van de belastingplichtige en zijn partner enverminderd met de persoonsgebonden aftrek van de belastingplichtige enzijn partner.Artikel 5.3. Resultaat uit sparen en beleggen Resultaat uit sparen en beleggen is het gezamenlijke bedrag van:a. het resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden(paragraaf 5.3.1); enb. het resultaat dat wordt behaald met onroerende zaken of aandelen inof winstbewijzen van een startende onderneming (paragraaf 5.3.2);verminderd met de aftrekbare kosten (paragraaf 5.3.3).AFDELING 5.2. BEZITTINGEN EN SCHULDEN Artikel 5.4. Bezittingen 1. Bezittingen zijn:a. onroerende zaken;b. rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;c. roerende zaken die door de belastingplichtige, zijn partner enpersonen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijkedoeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voorpersoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijkals belegging dienen;d. rechten op roerende zaken;e. rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld; enf. overige vermogensrechten met waarde in het economische verkeer.2. In afwijking van het eerste lid worden bezittingen die voortvloeien uitde Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop deAlgemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorde-ringswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving,niet in aanmerking genomen.3. In afwijking van het tweede lid worden wel als bezittingen inaanmerking genomen:a. bezittingen die voortvloeien uit de erfbelasting alsmede de daarmeeverband houdende bezittingen voortvloeiende uit de belastingrente,bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ofde invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet1990;b. bezittingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenko-mende buitenlandse erfbelasting, alsmede op de daarmee verbandhoudende bezittingen voortvloeiende uit een renteregeling die isopgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wetinzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990.Artikel 5.5. Schulden 1. Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer.2. Als schulden worden niet in aanmerking genomen:a. verplichtingen die kunnen leiden tot uitgaven die ingevolge hoofdstuk6 geheel of voor een deel worden aangemerkt als een persoonsgebondenaftrekpost;b. verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrek-kingen die ingevolge artikel 3.101, eerste lid, onderdelen b en c, geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 25 aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn;c. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelas-tingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelas-tingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmeeovereenkomende buitenlandse wetgeving.3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, worden wel als schuldenin aanmerking genomen:a. verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting alsmede dedaarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit debelastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzakerijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van deInvorderingswet 1990;b. verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeen-komende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verbandhoudende verplichtingen voortvloeiende uit een renteregeling die isopgenomen in een wetgeving die overeenkomt met de Algemene wetinzake rijksbelastingen of de Invorderingswet 1990.4. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerkinggenomen de verplichting die voortvloeit uit de Successiewet 1956 metbetrekking tot de toepassing van artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928voor zover er geen sprake is van terstond invorderbare belasting alsbedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928.AFDELING 5.3. RESULTAAT, KOSTEN EN HEFFINGSVRIJ RESULTAAT Paragraaf 5.3.1. Resultaat behaald met bezittingen en schulden Artikel 5.6. Resultaat behaald met bezittingen en schulden 1. Het resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden is hetgezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald metbezittingen en schulden.2. De voordelen bestaan uit:a. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen enschulden; enb. de vermogensaanwas van het saldo van bezittingen en schulden.3. Voor de toepassing van deze paragraaf worden onder bezittingen nietverstaan:a. onroerende zaken of zakelijke rechten die direct of indirect oponroerende zaken betrekking hebben;b. aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming,rechten op voordelen uit dergelijke aandelen, onderscheidenlijk dergelijkewinstbewijzen, of rechten om dergelijke aandelen, onderscheidenlijkdergelijke winstbewijzen, te verwerven.Artikel 5.7. Reguliere voordelen 1. Tot de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen enschulden behoren in ieder geval genoten:a. rente;b. dividend;c. winstuitkering;d. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal;e. licentievergoeding;f. gebruiksvergoeding.2. Over schulden verschuldigde rente wordt aangemerkt als negatiefregulier voordeel.3. Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaardendie in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 26 overeengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbe-doelde voorwaarden zijn overeengekomen.Artikel 5.8. Vermogensaanwas 1. De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit hetverschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het einde vanhet kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waardein het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar van hetsaldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen envermeerderd met de onttrekkingen.2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt:a. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden alseen positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen;b. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden alseen negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen.Artikel 5.9. Stortingen 1. Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo vanbezittingen en schulden die het directe gevolg is van:a. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel;ofb. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld.2. Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde in heteconomische verkeer ten tijde van de storting.Artikel 5.10. Uitbreiding en beperking begrip stortingen 1. Als een storting worden mede aangemerkt:a. de ten laste van de verkrijger van een bezitting gekomen kosten terzake van die verkrijging, indien die bezitting direct na de verkrijging tot debezittingen is gaan behoren;b. de kosten van verbetering van een bezitting voor zover die verbe-tering niet reeds een storting is op grond van artikel 5.9, eerste lid;c. de ten laste van de vervreemder van een bezitting gekomen kostenter zake van die vervreemding;d. de ten laste van de schuldenaar gekomen kosten ter zake van hetaangaan van een schuld, indien die schuld direct na het aangaan tot deschulden is gaan behoren; ofe. de ten laste van de schuldenaar gekomen kosten ter zake van hetaflossen of overdragen van een schuld.2. In afwijking van artikel 5.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is eenpositieve waardemutatie die voortvloeit uit onderhoud van een bezittinggeen storting.Artikel 5.11. Onttrekkingen 1. Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo vanbezittingen en schulden die het directe gevolg is van:a. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; ofb. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting.2. Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde inhet economische verkeer ten tijde van de onttrekking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 27 Artikel 5.12. Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnen-landse belastingplicht 1. Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nogniet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing van artikel5.8 in plaats van het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van debinnenlandse belastingplicht.2. Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaareindigt, wordt bij de toepassing van artikel 5.8 in plaats van het einde vanhet kalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht.Artikel 5.13. Vrijstelling voordelen uit eigen gebruik of verbruikvan roerende zaken Tot het resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schuldenbehoren niet voordelen die worden verkregen met het door de belasting-plichtige, zijn partner of personen die tot hun huishouden behoren voorpersoonlijke doeleinden gebruiken of verbruiken van roerende zaken.Artikel 5.14. Kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling 1. Tot het resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schuldenbehoren niet voordelen die worden verkregen door het door schuldeisersprijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten, voor zover devoordelen groter zijn dan het gezamenlijke bedrag van het heffingsvrijeresultaat, de volgens afdeling 5.7 te verrekenen verliezen en het bedrag inabsolute zin dat aan negatief resultaat uit sparen en beleggen zou zijnbehaald zonder het prijsgeven.2. Met prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten wordtgelijkgesteld het niet afdwingbaar worden van een vordering ingevolgeartikel 358 van de Faillissementswet.3. Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partnerheeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebbengehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid voor het heffingsvrijeresultaat gelezen: het heffingsvrije resultaat van de belastingplichtige enzijn partner. Tevens wordt in dat geval bij de toepassing van het eerste lidvoor negatief resultaat uit sparen en beleggen gelezen: negatiefgezamenlijk resultaat uit sparen en beleggen van de belastingplichtige enzijn partner.Paragraaf 5.3.2. Resultaat behaald met onroerende zaken of met aandelenin of winstbewijzen van een startende onderneming Artikel 5.15. Resultaat behaald met een onroerende zaak 1. Het resultaat dat wordt behaald met een onroerende zaak is hetgezamenlijke bedrag van:a. de voordelen die worden getrokken uit een onroerende zaak(reguliere voordelen) dan wel de vastgoedbijtelling, bedoeld in artikel5.19; enb. het voordeel dat wordt behaald bij de vervreemding van eenonroerende zaak (vervreemdingsvoordeel).2. De reguliere voordelen worden in aanmerking genomen indien:a. de onroerende zaak is verhuurd of verpacht gedurende de gehele ofnagenoeg gehele periode in het kalenderjaar waarin de onroerende zaaktot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is; ofb. het bedrag van de reguliere voordelen ter zake van de onroerendezaak in het kalenderjaar hoger is dan het bedrag van de vastgoedbijtelling.3. Onder onroerende zaken worden mede begrepen zakelijke rechten diedirect of indirect op onroerende zaken betrekking hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 28 4. Een onroerende zaak waarop een genotsrecht is gevestigd wordt voorde toepassing van het tweede lid gelijkgesteld met een onroerende zaakdie is verhuurd, indien het genotsrecht tot gevolg heeft dat de onroerendezaak gedurende de looptijd van het genotsrecht niet door de belasting-plichtige kan worden gebruikt.5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onroerende zaken diefeitelijk niet geschikt zijn om in gebruik te nemen worden gelijkgesteldmet onroerende zaken in aanbouw.6. Onder reguliere voordelen worden niet verstaan voordelen dieworden verkregen met het door de belastingplichtige, zijn partner ofpersonen die tot hun huishouden behoren voor persoonlijke doeleindengebruiken van onroerende zaken.Artikel 5.16. Resultaat behaald met aandelen in of winstbewijzenvan een startende onderneming 1. Het resultaat dat wordt behaald met aandelen in of winstbewijzen vaneen startende onderneming is het gezamenlijke bedrag van:a. de voordelen die worden getrokken uit aandelen in of winstbewijzenvan een startende onderneming (reguliere voordelen); enb. de voordelen die worden behaald bij de vervreemding van aandelenin of winstbewijzen van een startende onderneming (vervreemdingsvoor-delen).2. Onder aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingworden mede begrepen rechten op voordelen uit dergelijke aandelen,onderscheidenlijk uit dergelijke winstbewijzen, en rechten om dergelijkeaandelen, onderscheidenlijk dergelijke winstbewijzen, te verwerven of tevervreemden.Artikel 5.17. Startende onderneming Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustendebepalingen wordt onder een startende onderneming verstaan eenvennootschap:a. die niet langer dan vijf jaar geleden is opgericht;b. die uitsluitend een onderneming drijft die niet langer dan vijf jaargeleden is gestart of uitsluitend meerdere ondernemingen drijft die alleniet langer dan vijf jaar geleden zijn gestart;c. waarvan de jaaromzet niet meer dan € 30 miljoen bedraagt;d. waarvan geen aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op eengereguleerde markt; ene. waarvan de aandelen of winstbewijzen voor niet meer dan 25%rechtens dan wel in feite, direct of indirect worden gehouden door eenlichaam waarvan:1°. de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een geregu-leerde markt; of2°. de jaaromzet meer dan € 30 miljoen bedraagt.Artikel 5.18. Reguliere voordelen 1. Tot de reguliere voordelen die worden getrokken uit een onroerendezaak of uit aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingworden in ieder geval gerekend:a. huur;b. pacht;c. gebruiksvergoeding;d. dividend;e. winstuitkering;f. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 29 2. Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaardendie in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijnovereengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbe-doelde voorwaarden zijn overeengekomen.Artikel 5.19. Vastgoedbijtelling 1. De vastgoedbijtelling wordt gesteld op 3,35% van de waarde van deonroerende zaak.2. Indien een onroerende zaak een gedeelte van het kalenderjaar tot debezittingen behoort of een gedeelte van het kalenderjaar in aanbouw is,wordt de vastgoedbijtelling gesteld op 3,35% van de waarde van dieonroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaaren vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat deonroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is. Indieneen onroerende zaak het gehele kalenderjaar in aanbouw is, wordt devastgoedbijtelling gesteld op nihil.Artikel 5.20. Waardering voor vastgoedbijtelling 1. De waarde, bedoeld in artikel 5.19, van een onroerende zaak, nietzijnde een woning, is de waarde in het economische verkeer aan het beginvan het kalenderjaar.2. De waarde, bedoeld in artikel 5.19, van een woning wordt gesteld opde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voordie woning vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Indien de woningdeel uitmaakt van een onroerende zaak die op grond van artikel 16 van deWet waardering onroerende zaken voor de toepassing van die wet als éénobject wordt aangemerkt, wordt de waarde van de woning voor detoepassing van de eerste zin gesteld op het gedeelte van de waarde vanhet object dat kan worden toegerekend aan die woning.3. Indien met betrekking tot een woning het tweede lid geen toepassingkan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van deWet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waardevan de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van hetbepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid,van die wet.Artikel 5.21. Vervreemdingsvoordelen De vervreemdingsvoordelen worden gesteld op de overdrachtsprijs,verminderd met de verkrijgingsprijs.Artikel 5.22. Overdrachtsprijs 1. Onder overdrachtsprijs wordt verstaan: de tegenprestatie bij devervreemding, verminderd met de ten laste van de vervreemder komendekosten ter zake van de vervreemding.2. Indien bij een vervreemding een tegenprestatie ontbreekt of isbedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeen-komst, wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde in het econo-mische verkeer van de vervreemde bezitting op het tijdstip van devervreemding.Artikel 5.23. Verkrijgingsprijs 1. Onder verkrijgingsprijs wordt verstaan: de tegenprestatie bij deverkrijging, vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomenkosten ter zake van de verkrijging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 210 2. Indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongenbij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst,wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde in het economischeverkeer van de verkregen bezitting op het tijdstip van de verkrijging.Artikel 5.24. Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandsebelastingplicht 1. Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en hij op dattijdstip een onroerende zaak of een deel daarvan of een aandeel in ofwinstbewijs van een startende onderneming heeft, wordt de verkrijgings-prijs van die onroerende zaak, van dat deel daarvan, van dat aandeel,onderscheidenlijk van dat winstbewijs, gesteld op de waarde in heteconomische verkeer op dat tijdstip van die onroerende zaak, van dat deeldaarvan, van dat aandeel in die startende onderneming, onderscheidenlijkvan dat winstbewijs in die startende onderneming.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtigevoordien binnenlands belastingplichtig is geweest of buitenlandsbelastingplichtig is geweest ten aanzien van die onroerende zaak, van datdeel daarvan, van dat aandeel in die startende onderneming, onderschei-denlijk van dat winstbewijs in die startende onderneming.3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldinzake de verkrijgingsprijs voor de gevallen, bedoeld in het tweede lid.4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels wordengesteld met betrekking tot het verminderen van de belastingaanslag bij devaststelling waarvan artikel 5.37, tweede lid, is toegepast, in geval vanterugkeer van de belastingplichtige naar Nederland voordat die belasting-aanslag volledig is voldaan.Artikel 5.25. Nadere invulling verkrijgingsprijs onroerende zaken 1. Indien een onroerende zaak of een deel daarvan op een tijdstip na deverkrijging van die onroerende zaak tot de bezittingen gaat behoren,wordt de verkrijgingsprijs van die onroerende zaak, onderscheidenlijk vandat deel daarvan, gesteld op de waarde in het economische verkeer op dattijdstip van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van dat deel daarvan.2. Indien op enig tijdstip na de vaststelling van de verkrijgingsprijsverbeteringen worden aangebracht aan een onroerende zaak, wordt deverkrijgingsprijs verhoogd met het bedrag van de kosten die zijn gemaaktten behoeve van die verbeteringen.Artikel 5.26. Nadere invulling verkrijgingsprijs aandeel ofwinstbewijs startende onderneming 1. Indien een aandeel of winstbewijs na de verkrijging daarvan gaatkwalificeren als een aandeel in of winstbewijs van een startende onder-neming wordt de verkrijgingsprijs van dat aandeel, onderscheidenlijkwinstbewijs, gesteld op de waarde in het economische verkeer op dattijdstip van dat aandeel, onderscheidenlijk winstbewijs.2. Indien de belastingplichtige aandelen of winstbewijzen van eenstartende onderneming van eenzelfde soort heeft met een verschillendeverkrijgingsprijs, wordt de verkrijgingsprijs van die aandelen, onderschei-denlijk winstbewijzen, gesteld op de gemiddelde verkrijgingsprijs van dieaandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen.3. Indien bij een vervreemding een verkrijgingsprijs in aanmerking isgenomen met toepassing van het tweede lid, wordt bij de berekening vande verkrijgingsprijs van de niet-vervreemde aandelen of winstbewijzenuitgegaan van de bij die vervreemding in aanmerking genomen verkrij-gingsprijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 211 Artikel 5.27. Genotsrechten 1. Aan het einde van het kalenderjaar wordt de verkrijgingsprijs van eengenotsrecht verminderd en wordt het bedrag van die vermindering alseen negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen.2. Het bedrag van de vermindering wordt berekend door de tegenpres-tatie voor het genotsrecht, vermeerderd met de kosten, bedoeld in artikel5.23, eerste lid, te delen door het aantal gehele kalendermaanden van detotale looptijd waarvoor het genotsrecht is gevestigd en te vermenigvul-digen met het aantal gehele kalendermaanden van die looptijd die in datkalenderjaar vallen.3. Indien het genotsrecht eerder eindigt dan de periode op basiswaarvan de vermindering is berekend, wordt uiterlijk aan het einde vanhet kalenderjaar waarin het genotsrecht eindigt een negatief vervreem-dingsvoordeel in aanmerking genomen dat gelijk is aan de verkrijgings-prijs. Vervolgens wordt de verkrijgingsprijs gesteld op nihil.4. Indien dit artikel op een tijdstip na de vestiging van het genotsrechtvan toepassing wordt op het genotsrecht, wordt bij de toepassing van hettweede lid in plaats van de tegenprestatie voor het genotsrecht,vermeerderd met de kosten, bedoeld in artikel 5.23, eerste lid, gelezen: dewaarde in het economische verkeer van het genotsrecht op het tijdstipwaarop dit artikel op het genotsrecht van toepassing wordt. Tevens wordtin dat geval bij de toepassing van het tweede lid in plaats van de totalelooptijd waarvoor het genotsrecht is gevestigd gelezen: de looptijd dieresteert vanaf het tijdstip waarop dit artikel op het genotsrecht vantoepassing wordt.5. Dit artikel is niet van toepassing op appartementsrechten als bedoeldin titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.6. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de toepassing vandit artikel en artikel 5.28 regels gesteld over het bepalen van de periodewaarvoor het genotsrecht is gevestigd.Artikel 5.28. Goederen waarop een genotsrecht wordt gevestigd 1. De verkrijgingsprijs van het goed waarop een genotsrecht wordtgevestigd, wordt op het tijdstip van vestiging verminderd met een bedragdat gelijk is aan de tegenprestatie voor het genotsrecht.2. Aan het einde van het kalenderjaar wordt de verkrijgingsprijs van hetgoed waarop een genotsrecht is gevestigd verhoogd en wordt het bedragvan de verhoging als een vervreemdingsvoordeel in aanmerkinggenomen.3. Het bedrag van de verhoging wordt berekend door de tegenprestatievoor het genotsrecht te delen door het aantal gehele kalendermaandenvan de totale looptijd waarvoor het genotsrecht is gevestigd en tevermenigvuldigen met het aantal gehele kalendermaanden van dielooptijd die in dat kalenderjaar vallen.4. Indien het genotsrecht eerder eindigt dan de periode op basiswaarvan de verhoging, bedoeld in het derde lid, is berekend, wordtuiterlijk aan het einde van het kalenderjaar waarin het genotsrecht eindigtde verkrijgingsprijs van het goed waarop het genotsrecht was gevestigdverhoogd met het bedrag, bedoeld in de tweede zin, en wordt eenvervreemdingsvoordeel ter grootte van hetzelfde bedrag in aanmerkinggenomen. Dit bedrag wordt berekend door de tegenprestatie voor hetgenotsrecht te verminderen met de eerdere verhogingen op grond vanhet tweede en derde lid.5. Indien dit artikel op een tijdstip na de vestiging van het genotsrechtvan toepassing wordt op het goed waarop het genotsrecht is gevestigd,wordt bij de toepassing van het derde en vierde lid in plaats van detegenprestatie voor het genotsrecht gelezen: de waarde in het econo-mische verkeer van het genotsrecht op het tijdstip waarop dit artikel opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 212 het goed waarop het genotsrecht is gevestigd van toepassing wordt.Tevens wordt in dat geval bij de toepassing van het derde lid in plaats vande totale looptijd waarvoor het genotsrecht is gevestigd gelezen: delooptijd die resteert vanaf het tijdstip waarop dit artikel op het goedwaarop het genotsrecht is gevestigd van toepassing wordt.6. Dit artikel is niet van toepassing, indien het genotsrecht is gevestigdvoorafgaand aan de verwerving van het goed waarop het genotsrecht isgevestigd.Artikel 5.29. Koopopties 1. Indien een koopoptie op aandelen in of winstbewijzen van eenstartende onderneming wordt uitgeoefend, wordt de verkrijgingsprijs vande koopoptie gerekend tot de verkrijgingsprijs van de verworvenaandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen.2. Het vervreemdingsvoordeel ter zake van het door de belasting-plichtige verlenen van een koopoptie op aandelen in of winstbewijzen vaneen startende onderneming wordt gesteld op het bedrag van deoverdrachtsprijs. Het voordeel wordt geacht te zijn genoten op het tijdstipwaarop de koopoptie is verleend.Artikel 5.30. Verkoopopties 1. Indien de belastingplichtige een recht uitoefent om aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming te vervreemden, wordt deverkrijgingsprijs van dat recht aangemerkt als kosten ter zake van dievervreemding.2. Het vervreemdingsvoordeel ter zake van het door de belasting-plichtige verlenen van een recht om aandelen in of winstbewijzen van eenstartende onderneming aan hem te vervreemden wordt gesteld op hetbedrag van de overdrachtsprijs. Het voordeel wordt geacht te zijn genotenop het tijdstip waarop dat recht is verleend.Artikel 5.31. Onroerende zaak behoort niet meer tot de bezit-tingen Indien een onroerende zaak of een deel daarvan op enig tijdstip nietmeer tot de bezittingen behoort, wordt die onroerende zaak, onderschei-denlijk dat deel daarvan, op het onmiddellijk daaraan voorafgaandetijdstip geacht te zijn vervreemd tegen de waarde in het economischeverkeer op dat tijdstip van die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deeldaarvan.Artikel 5.32. Aandeel of winstbewijs behoort niet meer tot debezittingen of kwalificeert niet meer als aandeel in of winst-bewijs van startende onderneming Indien een aandeel in of winstbewijs van een startende onderneming openig tijdstip niet meer tot de bezittingen behoort of niet meer als eenaandeel in, onderscheidenlijk winstbewijs van, een startende onder-neming kwalificeert, wordt dat aandeel, onderscheidenlijk winstbewijs, ophet onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip geacht te zijn vervreemdtegen de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip van dataandeel, onderscheidenlijk winstbewijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 213 Artikel 5.33. Vervreemding en doorschuiving in het kader van eenaandelenfusie, juridische fusie of splitsing 1. Onder vervreemding van aandelen in of winstbewijzen van eenstartende onderneming wordt mede verstaan het van rechtswege wordenvan aandeelhouder of houder van winstbewijzen in een andere vennoot-schap indien vermogen van de startende onderneming waar de belasting-plichtige aandelen in of winstbewijzen van heeft, onder algemene titelovergaat op die andere vennootschap.2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een belasting-plichtige die aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingheeft waarvan vermogen onder algemene titel overgaat op een anderevennootschap en die van rechtswege houder wordt van rechten omaandelen in of winstbewijzen van de andere vennootschap te verwerven.3. Het voordeel uit de vervreemding van aandelen in of winstbewijzenvan een startende onderneming in het kader van een aandelenfusie alsbedoeld in artikel 3.55 wordt niet in aanmerking genomen. Artikel 3.55,zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.4. Het voordeel uit de vervreemding, bedoeld in het eerste en tweedelid, wordt niet in aanmerking genomen in het geval van een splitsing vaneen rechtspersoon, mits de splitsende en de verkrijgende rechtspersoonin Nederland zijn gevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde lid, in eenlidstaat van de Europese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezenstaat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Econo-mische Ruimte zijn gevestigd. Artikel 3.56, vierde, zesde en zevende lid, isvan overeenkomstige toepassing.5. Het voordeel, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet inaanmerking genomen in het geval van een juridische fusie, mits deverdwijnende en de verkrijgende rechtspersoon in Nederland zijngevestigd, of in de zin van artikel 3.55, vijfde lid, in een lidstaat van deEuropese Unie of een bij ministeriële regeling aangewezen staat die partijis bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijngevestigd. Artikel 3.57, vierde, zesde en zevende lid, is van overeenkom-stige toepassing.6. Het derde, vierde en vijfde lid zijn niet van toepassing op een in hetkader van de aandelenfusie, splitsing of juridische fusie genoten bijbe-taling.Artikel 5.34. Doorschuiving verkrijgingsprijs in het kader van eenaandelenfusie, juridische fusie of splitsing 1. Indien door toepassing van artikel 5.33 het voordeel in het kader vaneen aandelenfusie buiten aanmerking blijft, wordt als verkrijgingsprijs vande verworven aandelen of winstbewijzen aangemerkt de verkrijgingsprijsvan de in het kader van de aandelenfusie vervreemde aandelen ofwinstbewijzen.2. Indien door toepassing van artikel 5.33 het voordeel in het kader vaneen splitsing buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijs van deaandelen of winstbewijzen in de splitsende rechtspersoon voor eenevenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen of winstbewijzen die debelastingplichtige direct na de splitsing heeft in de verkrijgende rechtsper-sonen. Artikel 3.56, vijfde lid, onderdeel a, is van overeenkomstigetoepassing.3. Indien door toepassing van artikel 5.33 het voordeel in het kader vaneen juridische fusie buiten aanmerking blijft, wordt de verkrijgingsprijsvan de aandelen of winstbewijzen in de verdwijnende rechtspersoonaangemerkt als de verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen diede belastingplichtige direct na de fusie heeft in de verkrijgende rechts-persoon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 214 Artikel 5.35. Fictief aandeel in of winstbewijs van een startendeonderneming 1. Indien artikel 5.33 is toegepast op aandelen in of winstbewijzen vaneen startende onderneming, worden de verworven aandelen of winstbe-wijzen, bedoeld in artikel 5.34, eerste lid, de aandelen of winstbewijzen diede belastingplichtige direct na de splitsing heeft, bedoeld in artikel 5.34,tweede lid, of de aandelen of winstbewijzen die de belastingplichtigedirect na de fusie heeft, bedoeld in artikel 5.34, derde lid, gedurende 60gehele kalendermaanden na de toepassing van artikel 5.33 geachtaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming te zijn,tenzij deze aandelen of winstbewijzen op grond van artikel 5.17 aandelenin of winstbewijzen van een startende onderneming zijn.2. De termijn van 60 gehele kalendermaanden wordt verminderd met dekalendermaanden waarin artikel 5.17, voorafgaand aan de toepassing vanartikel 5.33, van toepassing is geweest op de aandelen of winstbewijzenwaar artikel 5.33 op is toegepast, waarbij gedeelten van kalendermaandenworden verwaarloosd.Artikel 5.36. Liquidatie-uitkeringen 1. Onder vervreemding van aandelen in of winstbewijzen van eenstartende onderneming wordt mede verstaan het betaalbaar stellen vanliquidatie-uitkeringen.2. In geval van een liquidatie-uitkering wordt als vervreemdings-voordeel in aanmerking genomen hetgeen wordt uitgekeerd boven deverkrijgingsprijs van de betreffende aandelen, onderscheidenlijk winstbe-wijzen.3. Voor zover de liquidatie-uitkering niet als vervreemdingsvoordeel inaanmerking is genomen, wordt de verkrijgingsprijs verminderd.4. Indien bij ontbinding van het lichaam nadat de vereffening van hetvermogen is voltooid, na toepassing van het derde lid een bedrag aanverkrijgingsprijs resteert, wordt het restant aan verkrijgingsprijs aange-merkt als negatief vervreemdingsvoordeel.5. Het negatieve vervreemdingsvoordeel wordt in aanmerking genomenop het tijdstip waarop de vereffening is voltooid.Artikel 5.37. Einde binnenlandse belastingplicht 1. Indien de belastingplichtige door overlijden ophoudt binnenlandsbelastingplichtig te zijn, worden de onroerende zaken of aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming op het onmiddellijkdaaraan voorafgaande tijdstip geacht te zijn vervreemd tegen de waardein het economische verkeer op dat tijdstip van die onroerende zaken,aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen.2. Indien de belastingplichtige anders dan door overlijden ophoudtbinnenlands belastingplichtig te zijn, hieronder begrepen de situatiewaarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregelingvoor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of eenverdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geeninwoner van Nederland meer te zijn, worden de in het buitenland gelegenonroerende zaken of de aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip geacht tezijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer op dattijdstip van die onroerende zaken, aandelen, onderscheidenlijk winstbe-wijzen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 215 Paragraaf 5.3.3. Aftrekbare kosten Artikel 5.38. Aftrekbare kosten 1. Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen komenslechts kosten in aftrek die uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inningof behoud van de reguliere voordelen, bedoeld in de artikelen 5.6, 5.15 en5.16.2. Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaardendie in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijnovereengekomen, is het eerste lid slechts van toepassing voor zover degemaakte kosten niet overtreffen wat de kosten waren geweest alslaatstbedoelde voorwaarden waren overeengekomen.Artikel 5.39. Van aftrek uitgesloten kosten 1. Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen komen niet inaftrek renten van schulden als bedoeld in artikel 5.5.2. Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen komen medeniet in aftrek kosten die verband houden met:a. geheven dividendbelasting en kansspelbelasting;b. belasting die buiten Nederland in enige vorm naar het inkomen ofbestanddelen van het inkomen wordt geheven indien voor de belasting-plichtige ter zake daarvan een regeling ter voorkoming van dubbelebelasting van toepassing is;c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen endergelijke;d. vervoer, reizen en verblijf;e. werkruimte, de inrichting daaronder begrepen;f. telefoonabonnementen;g. literatuur;h. gereedschappen;i. computers en andere hardware;j. de vergoeding van arbeid door de partner van de belastingplichtige;k. geldboeten opgelegd door een strafrechter en geldsommen betaaldaan een staat of een onderdeel daarvan ter voorkoming van strafver-volging, in het kader van een strafbeschikking of daarmee vergelijkbarebuitenlandse wijze van bestraffing, dan wel ter voldoening aan eenvoorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening, bestuurlijkeboeten en daarmee vergelijkbare buitenlandse boeten, geldboetenopgelegd op basis van bij wet geregeld tuchtrecht, geldboeten opgelegddoor een instelling van de Europese Unie, alsmede kosten als bedoeld inde artikelen 234, vijfde lid, en 235, derde lid, van de Gemeentewet;l. misdrijven ter zake waarvan de belastingplichtige door een Neder-landse strafrechter bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld, daaronderbegrepen de misdrijven die zijn betrokken bij de bepaling van de hoogtevan de opgelegde straf en ter zake waarvan het Openbaar Ministerie heeftverklaard te zullen afzien van vervolging;m. misdrijven ter zake waarvan een strafbeschikking onherroepelijk isgeworden;n. wapens en munitie, tenzij ter zake een erkenning, consent,vergunning, verlof of ontheffing is verleend krachtens de Wet wapens enmunitie;o. dieren die krachtens een onherroepelijke bestuursrechtelijke ofstrafrechtelijke maatregel in verband met agressie niet mogen wordengehouden;p. giften, beloften of diensten indien blijkt dat sprake is van eenstrafbaar feit als bedoeld in de artikelen 126, eerste lid, 177, 178, 178a,328ter, tweede lid, of 328quater, tweede lid, van het Wetboek vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 216 Strafrecht; enq. dwangsommen als bedoeld in afdeling 5.3.2 van de Algemene wetbestuursrecht en daarmee vergelijkbare buitenlandse dwangsommen.3. Tot de kosten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen l en m, behorenniet:a. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van inbeslag genomen voorwerpen, ter gehele of gedeeltelijke ontneming vanwederrechtelijk verkregen voordelen; enb. vergoeding van door het misdrijf veroorzaakte schade.4. Voor zover kosten die verband houden met een misdrijf bij hetbepalen van het resultaat uit sparen en beleggen in aanmerking zijngenomen in een of meer van de vijf kalenderjaren voorafgaande aan hetkalenderjaar waarin de veroordeling, bedoeld in het tweede lid, onderdeell, of de strafbeschikking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel m,onherroepelijk is geworden, wordt het bedrag ter grootte van de som vandeze kosten gerekend tot het positieve resultaat uit sparen en beleggenvan het laatstbedoelde kalenderjaar.5. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen l en m, wordt metde belastingplichtige gelijkgesteld degene die ten behoeve van debelastingplichtige opdracht heeft gegeven tot het misdrijf dan wel aan hetmisdrijf feitelijk leiding heeft gegeven.Paragraaf 5.3.4. Heffingsvrij resultaat Artikel 5.40. Heffingsvrij resultaat Het heffingsvrije resultaat bedraagt € 1.800.AFDELING 5.4. VRIJGESTELDE BEZITTINGEN EN SCHULDEN Paragraaf 5.4.1. Verkrijgingen krachtens erfrecht Artikel 5.41. Vrijstelling bepaalde verkrijgingen krachtenserfrecht 1. Tot de bezittingen behoren niet de niet-opeisbare geldvorderingen opde echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige:a. die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder;b. die voortvloeien uit een door die echtgenoot schuldig geblevenvergoeding voor een legaat tegen inbreng van de waarde aan dieechtgenoot op grond van een uiterste wilsbeschikking van die ouder;c. die anderszins voortvloeien uit een uiterste wilsbeschikking van dieouder; ofd. ter zake van een legitieme portie als bedoeld in artikel 80, eerste lid,van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek van de belastingplichtige die nietopeisbaar zijn op grond van artikel 81 van Boek 4 van dat wetboek of dieniet opeisbaar zijn omdat de opeisbaarheid afhankelijk is van eenvoorwaarde of van omstandigheden als bedoeld in de artikelen 82 of 83van Boek 4 van dat wetboek.2. Tot de schulden behoren niet schulden die corresponderen met devorderingen, bedoeld in het eerste lid.3. Tot de bezittingen behoren niet goederen:a. waarop een vruchtgebruik rust ten behoeve van de echtgenoot vaneen overleden ouder van de belastingplichtige op grond van een uiterstewilsbeschikking van die ouder dan wel op grond van buitenlands wettelijkerfrecht;b. waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtigevan een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 of 21 van Boek 4 van hetBurgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstle-vende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 217 wetboek; ofc. waarop ten behoeve van de echtgenoot van een overleden ouder vande belastingplichtige op grond van de artikelen 29 of 30 van Boek 4 vanhet Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik is gevestigd.4. Tot de schulden behoren niet schulden die deel uitmaken van eenalgemeenheid waarop een vruchtgebruik als bedoeld in het derde lid rustof is gevestigd.5. Indien goederen ingevolge het derde lid niet tot de bezittingen van debelastingplichtige behoren, worden die goederen bij de echtgenoot,bedoeld in dat lid, in aanmerking genomen voor de waarde die dezegoederen zouden hebben indien daarop geen vruchtgebruik zou rusten.De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op schulden als bedoeldin het vierde lid.6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassingingeval:a. een natuurlijk persoon bij plaatsvervulling tot de nalatenschap van deoverleden ouder, bedoeld in het eerste of derde lid, is geroepen;b. een reeds bestaande geldvordering als bedoeld in het eerste lid danwel een goed waarop een vruchtgebruik rust als bedoeld in het derde lidis verkregen krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door eenbloed- of aanverwant in de rechte neergaande lijn van de overledenouder, bedoeld in het eerste lid, of zijn als erfgenaam achtergelatenechtgenoot.7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder echtgenoot medebegrepen de partner voor de bepalingen die zien op de heffing vanerfbelasting, bedoeld in artikel 1a, eerste, tweede, derde en vierde lid, vande Successiewet 1956, en wordt onder ouder mede begrepen deechtgenoot van de ouder van de belastingplichtige.8. Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde vanoverlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van eenverwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zijonvoorwaardelijk verkregen.Artikel 5.42. Vrijstelling rechten op roerende zaken krachtenserfrecht Tot de bezittingen behoren niet de rechten op roerende zaken diekrachtens erfrecht bij de belastingplichtige zijn opgekomen voor zoverdeze zaken door de belastingplichtige, zijn partner of personen diebehoren tot zijn huishouden voor persoonlijke doeleinden wordengebruikt of verbruikt, tenzij deze rechten hoofdzakelijk als beleggingdienen.Paragraaf 5.4.2. Nettolijfrenten Artikel 5.43. Vrijstelling nettolijfrenten 1. Tot de bezittingen behoren niet nettolijfrenten.2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder eennettolijfrente verstaan:a. een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125, met dien verstande dat hetbedrag, genoemd in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel c, wordt vermenig-vuldigd met de nettofactor, bedoeld in het vierde lid;b. een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel3.126a, met dien verstande dat het bedrag, genoemd in artikel 3.126a,vierde lid, onderdeel a, onder 3°, wordt vermenigvuldigd met de netto-factor, bedoeld in het vierde lid;indien de ter zake daarvan verschuldigde premie voldoet aan de in hetderde lid genoemde voorwaarden, het opbouwen van de nettolijfrenteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 218 voor de belastingplichtige vrijwillig is en in de overeenkomst met deaanbieder, bedoeld in artikel 5.44, is opgenomen dat het een nettolijfrentebetreft.3. Een lijfrente, een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht alsbedoeld in het tweede lid wordt uitsluitend als nettolijfrente aangemerkt,indien de ter zake daarvan verschuldigde premie:a. op de belastingplichtige heeft gedrukt;b. niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking is genomen als uitgave voorinkomensvoorzieningen;c. blijft binnen de in deze afdeling gestelde begrenzingen;d. niet geheel of gedeeltelijk is voldaan na het einde van het kalen-derjaar waarin de belastingplichtige de pensioengerechtigde leeftijd,bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeftbereikt.4. De nettofactor bedraagt (100% – T), waarbij T gelijk is aan het in delaatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als derdevermelde percentage.5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld metbetrekking tot de toepassing van dit artikel.Artikel 5.44. Toegelaten aanbieders 1. Als aanbieder van een nettolijfrente kan optreden:a. een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdelen a,onder 1°, b, c en d;b. een bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggings-instelling als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid.2. Een aanbieder als bedoeld in het eerste lid die naast een nettolijfrentetevens een lijfrente als bedoeld in afdeling 3.7 uitvoert of tevens optreedtals verzekeraar van een pensioenregeling in de zin van de hoofdstukkenIIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 1.7, tweede lid,onderdeel b, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaardenter voorkoming van vermenging met vermogen ten behoeve van eennettolijfrente.Artikel 5.45. Begrenzing nettolijfrentepremies 1. De jaarlijkse premie ter zake van alle nettolijfrenten van de belasting-plichtige gezamenlijk bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd inartikel 3.127, eerste lid, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld inartikel 5.43, vierde lid, van het gezamenlijke bedrag in het voorafgaandekalenderjaar van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127,derde lid, onderdelen a tot en met d, voor zover dit bedrag het in artikel3.127, derde lid, als eerste vermelde bedrag overtreft.2. De ten hoogste in aanmerking te nemen premie, bedoeld in het eerstelid, wordt verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaaris ingelegd ten behoeve van een nettopensioenregeling als bedoeld inartikel 5.47, eerste lid.3. Artikel 3.127, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, metdien verstande dat het bedrag, genoemd in artikel 3.127, tweede lid, wordtvermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid.4. Artikel 3.127, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.Artikel 5.46. Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten 1. Ingeval op enig tijdstip:a. een aanspraak op een nettolijfrente niet langer als zodanig is aan temerken;b. een aanspraak op een nettolijfrente geheel of gedeeltelijk wordtafgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 219 zekerheid wordt;c. de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettolijf-rente overgaan op een andere aanbieder dan bedoeld in artikel 5.44;d. de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in dezin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen ten behoeve vande nettolijfrente, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mateaan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandig-heden verkeren een bijdrage heeft verstrekt;vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van devrijstelling, bedoeld in artikel 5.43, eerste lid.2. Artikel 3.133, derde lid, is van overeenkomstige toepassing opnettolijfrenten.3. Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaarwordt het resultaat in aanmerking genomen dat over de aan dat kalen-derjaar voorafgaande tien kalenderjaren is behaald met de aanspraak,bedoeld in het eerste lid. Bij het bepalen van dit resultaat zijn de regelsvoor het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingen enschulden, bedoeld in artikel 5.6, van overeenkomstige toepassing.4. Het eerste lid is niet van toepassing op een afkoop van een nettolijf-rente ingeval wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.133,negende lid, onderdelen a en b, en het gezamenlijke bedrag van hetgeenter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen nietmeer bedraagt dan een bedrag gelijk aan het gemiddelde van hetgezamenlijke bedrag van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel3.127, derde lid, onderdelen a, b, c en d, van het voorafgaande kalen-derjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar voor zover datgezamenlijke bedrag het in het betreffende kalenderjaar in artikel 3.127,derde lid, als eerste vermelde bedrag overtreft, vermenigvuldigd met denettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid.5. Het eerste lid is mede niet van toepassing op een afkoop van eenaanspraak op een nettolijfrente waarvan nog geen termijnen zijn vervalleningeval de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op hetonmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meerbedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 3.133, tweede lid, onderdeeld.6. Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld inhet eerste lid, voorafgaande jaren niet meer in aanmerking genomen voorde toepassing van deze afdeling, behoudens voor de toepassing van hetderde lid.7. Voor zover een aanspraak op een nettolijfrente wordt omgezet in eenandere zodanige aanspraak, wordt de tweede aanspraak beschouwd alseen voortzetting van de eerste.8. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustendebepalingen wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van eenaanspraak op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnen-landse belastingplichtige te zijn.9. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld metbetrekking tot de toepassing van dit artikel.Paragraaf 5.4.3. Nettopensioen Artikel 5.47. Vrijstelling nettopensioen 1. Tot de bezittingen behoren niet aanspraken ingevolge een nettopensi-oenregeling.2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder eennettopensioenregeling verstaan een regeling:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 220 a. die ten doel heeft het treffen van een voorziening als bedoeld inartikel 18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of 4°, van de Wet op deloonbelasting 1964, dan wel een daarmee naar aard en strekkingovereenkomende voorziening ingevolge een regeling als bedoeld inartikel 1.7, tweede lid, onderdelen b en c;b. die voldoet aan de in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de Wet opde loonbelasting 1964 gestelde voorwaarden;c. waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel19a, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van de Wet op de loonbelasting1964;d. die blijft binnen de in of krachtens deze afdeling vastgesteldebegrenzingen.3. Een nettopensioenregeling kan voorzien in:a. netto-ouderdomspensioen of nettopartnerpensioen bij overlijden opof na pensioendatum (artikel 5.48);b. nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum (artikel5.49);c. nettowezenpensioen (artikel 5.50).Artikel 5.48. Netto-ouderdomspensioen en nettopartnerpensioenbij overlijden op of na pensioendatum 1. Een netto-ouderdomspensioen en een nettopartnerpensioen bijoverlijden op of na pensioendatum worden opgebouwd over ten hoogstehet bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op de loonbelasting1964 niet tot het pensioengevend loon behoort. De premie bedraagt tenhoogste het percentage, genoemd in artikel 18a, eerste lid, van de Wet opde loonbelasting 1964, van dat bedrag, vermenigvuldigd met de netto-factor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid. Bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking totde kosten die zijn begrepen in de premie, bedoeld in de tweede zin.2. Artikel 18a, vierde en vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964is van overeenkomstige toepassing.Artikel 5.49. Nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioen-datum 1. Een nettopartnerpensioen bij overlijden voor pensioendatumbedraagt niet meer dan 50% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga vande Wet op de loonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioen-gevend loon, bedoeld in artikel 18b, eerste lid, van die wet, behoort,vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid.2. Artikel 18b, tweede en derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964is van overeenkomstige toepassing.Artikel 5.50. Nettowezenpensioen 1. Een nettowezenpensioen bedraagt voor halve wezen niet meer dan20% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op deloonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon,bedoeld in artikel 18c, eerste lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigdmet de nettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid.2. Een nettowezenpensioen bedraagt voor volle wezen niet meer dan40% van het bedrag dat ingevolge artikel 18ga van de Wet op deloonbelasting 1964 niet tot het laatstgenoten pensioengevend loon,bedoeld in artikel 18c, tweede lid, van die wet, behoort, vermenigvuldigdmet de nettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierde lid.3. Artikel 18c, derde en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964is van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 221 Artikel 5.51. Overschrijding maxima nettopensioen Artikel 18d van de Wet op de loonbelasting 1964 is van overeenkom-stige toepassing op een netto-ouderdomspensioen, een nettopartnerpen-sioen bij overlijden op of na pensioendatum, een nettopartnerpensioen bijoverlijden voor pensioendatum en een nettowezenpensioen, met dienverstande dat het in het tweede lid van dat artikel genoemde bedragwordt vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.43, vierdelid.Artikel 5.52. Onregelmatige handelingen met nettopensioen 1. Ingeval op enig tijdstip:a. een aanspraak op een nettopensioen niet langer als zodanig is aan temerken;b. een aanspraak ingevolge een nettopensioen geheel of gedeeltelijkwordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp vanzekerheid wordt;c. de verplichtingen met betrekking tot een aanspraak op een nettopen-sioen overgaan op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 5.44,tweede lid, onderdeel c;d. de belastingplichtige een bijdrage van een inhoudingsplichtige in dezin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft ontvangen ten behoeve vanhet nettopensioen, terwijl deze inhoudingsplichtige niet in dezelfde mateaan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandig-heden verkeren een bijdrage heeft verstrekt;vervalt op dat tijdstip voor de volledige aanspraak de toepassing van devrijstelling, bedoeld in artikel 5.47, eerste lid.2. Na toepassing van het eerste lid in het voorafgaande kalenderjaarwordt het resultaat in aanmerking genomen dat over de aan dat kalen-derjaar voorafgaande tien kalenderjaren is behaald met de aanspraak,bedoeld in het eerste lid. Bij het bepalen van dit resultaat zijn de regelsvoor het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingen enschulden, bedoeld in artikel 5.6, van overeenkomstige toepassing.3. Na toepassing van het eerste lid worden aan het tijdstip, bedoeld inhet eerste lid, voorafgaande dienstjaren niet meer in aanmerkinggenomen voor de toepassing van deze afdeling, behoudens voor detoepassing van het tweede lid.4. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustendebepalingen:a. wordt niet onder afkoop verstaan het vrijvallen van een aanspraak ophet tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlandse belasting-plichtige te zijn;b. is artikel 19b, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op deloonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing;c. is het eerste lid mede niet van toepassing voor zover een in onderdeelb van dat lid bedoelde uitkering of afkoopsom wordt uitgekeerd mettoepassing van artikel 69, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 80a,tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.Artikel 5.53. Delegatiebevoegdheid en overeenkomstigetoepassing 1. Bij ministeriële regeling kunnen, overeenkomstig het bepaalde inartikel 3.18 en in artikel 18g van de Wet op de loonbelasting 1964, regelsworden gesteld met betrekking tot de perioden die voor de toepassingvan deze paragraaf en paragraaf 5.4.2 en de daarop berustendebepalingen in aanmerking komen als dienstjaren alsmede met betrekkingtot het pensioengevend loon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 222 2. Bij de toepassing van deze paragraaf is artikel 19d van de Wet op deloonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter bevor-dering van een goede uitvoering van deze paragraaf en paragraaf 5.4.2.Paragraaf 5.4.4. Overige vrijstellingen Artikel 5.54. Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen 1. Tot de bezittingen behoren niet:a. bossen;b. natuurterreinen;c. onroerende zaken die deel uitmaken van een ingevolge de Natuur-schoonwet 1928 aangewezen landgoed, met uitzondering van de op dezelandgoederen voorkomende gebouwde eigendommen.2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing, indien de bezittingen tothet eigendom van de belastingplichtige of zijn partner behoren en metbetrekking tot die bezittingen de belastingplichtige of zijn partner devoordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijnpartner drukken en de waardeverandering de belastingplichtige of zijnpartner aangaat.3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldover hetgeen onder natuurterrein wordt verstaan.Artikel 5.55. Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap 1. Indien voorwerpen van kunst en wetenschap tot het eigendom van debelastingplichtige of zijn partner behoren en met betrekking tot dievoorwerpen de belastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, dekosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en dewaardeverandering de belastingplichtige of zijn partner aangaat, behorendeze niet tot de bezittingen, tenzij deze hoofdzakelijk als belegging dienen.2. Voorwerpen van kunst en wetenschap die ter beschikking zijn gesteldaan derden voor culturele en wetenschappelijke doeleinden worden nietdoor dit enkele feit aangemerkt als belegging of als bezitting waarvan debelastingplichtige of zijn partner de voordelen niet geniet.3. Voorwerpen van kunst en wetenschap die deel uitmaken van eenverzameling worden niet door dit enkele feit aangemerkt als belegging.Artikel 5.56. Vrijstelling bepaalde rechten Tot de bezittingen behoren niet:a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering,uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van debelastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel opprestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart;b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvindenbij invaliditeit, ziekte of ongeval;c. rechten op termijnen van een overdrachtsprijs van een aanmerkelijkbelang als bedoeld in artikel 4.28;d. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmedevermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaan-kopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 661, met dienverstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehelekalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belasting-plichtige en zijn partner gezamenlijk op € 1.322 wordt gesteld;e. ten aanzien van de Tijdelijke wet Groningen:1°. aanspraken op vergoeding van schade door het treffen vanmaatregelen in natura als bedoeld in artikel 2, derde lid, van die wet;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 223 2°. aanspraken op tegemoetkomingen in natura als bedoeld in artikel 2,tiende lid, van die wet;3°. aanspraken op vergoeding als bedoeld in de artikelen 13ia, derde lid,13ib, derde lid, en 13j, eerste lid, onderdeel b, van die wet voor zover dezeaanspraken niet zijn gericht op de uitbetaling van geld aan de eigenaar.AFDELING 5.5. WAARDERING Artikel 5.57. Waardering geldleningen tussen natuurlijkepersonen 1. Bij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingenen schulden wordt voor de toepassing van de artikelen 5.8, eerste lid, 5.9,tweede lid, en 5.11, tweede lid, de waarde in het economische verkeer vanvorderingen en schulden uit hoofde van een geldleningsovereenkomsttussen natuurlijke personen gesteld op de nominale waarde.2. Indien de vordering geheel of gedeeltelijk wordt verkregen ofvervreemd voor een tegenprestatie die afwijkt van de nominale waarde,wordt de vordering, onderscheidenlijk het deel van de vordering, inafwijking van het eerste lid gewaardeerd op de waarde in het econo-mische verkeer.3. Indien de schuld geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen ofovergedragen voor een tegenprestatie die afwijkt van de nominalewaarde, wordt de schuld, onderscheidenlijk het deel van de schuld, inafwijking van het eerste lid gewaardeerd op de waarde in het econo-mische verkeer.Artikel 5.58. Waardering levensverzekeringen Bij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingen enschulden wordt de waarde in het economische verkeer van levensverzeke-ringen gesteld op de actuariële reservewaarde.Artikel 5.59. Waardering genotsrechten 1. Bij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingenen schulden worden genotsrechten gewaardeerd volgens dit artikel.2. Genotsrechten worden op het tijdstip van vestiging gewaardeerd opde verkrijgingsprijs.3. Aan het einde van het kalenderjaar wordt de waardedaling van hetgenotsrecht in dat kalenderjaar berekend door de verkrijgingsprijs tedelen door het aantal gehele kalendermaanden van de totale looptijdwaarvoor het genotsrecht is gevestigd en te vermenigvuldigen met hetaantal gehele kalendermaanden van die looptijd die in het kalenderjaarvallen.4. Onder verkrijgingsprijs wordt in dit artikel verstaan: de tegenprestatiebij de verkrijging. Indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreektof is bedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst, wordt als verkrijgingsprijs aangemerkt de waarde in heteconomische verkeer van het genotsrecht op het tijdstip van deverkrijging.5. Indien het genotsrecht eerder eindigt dan de periode op basiswaarvan de waardemutatie per maand is berekend, wordt uiterlijk aan heteinde van het kalenderjaar waarin het genotsrecht eindigt het genotsrechtafgewaardeerd tot nihil.6. Indien dit artikel op een tijdstip na de vestiging van het genotsrechtvan toepassing wordt op een genotsrecht, wordt dat genotsrechtgewaardeerd op de waarde in het economische verkeer van het genots-recht op dat tijdstip. Vervolgens wordt bij de toepassing van het derde lidin plaats van de verkrijgingsprijs van het genotsrecht gelezen: de waardeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 224 in het economische verkeer van het genotsrecht op het tijdstip waarop ditartikel op het genotsrecht van toepassing wordt. Tevens wordt in datgeval bij de toepassing van het derde lid in plaats van de totale looptijdwaarvoor het genotsrecht is gevestigd gelezen: de looptijd die resteertvanaf het tijdstip waarop dit artikel op het genotsrecht van toepassingwordt.7. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de toepassing vandit artikel en artikel 5.60 regels gesteld over het bepalen van de periodewaarvoor het genotsrecht is gevestigd.Artikel 5.60. Waardering bezittingen waarop een genotsrecht isgevestigd 1. Bij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingenen schulden worden bezittingen waarop een genotsrecht is gevestigdgewaardeerd volgens dit artikel.2. Bezittingen waarop een genotsrecht wordt gevestigd, worden op hettijdstip van vestiging afgewaardeerd met een bedrag dat gelijk is aan deverkrijgingsprijs van het genotsrecht.3. Aan het einde van het kalenderjaar wordt de waardestijging in datkalenderjaar die het gevolg is van de afname van de looptijd van hetgenotsrecht berekend door de verkrijgingsprijs van het genotsrecht tedelen door het aantal gehele kalendermaanden van de totale looptijdwaarvoor het genotsrecht is gevestigd en te vermenigvuldigen met hetaantal gehele kalendermaanden van die looptijd die in het kalenderjaarvallen.4. Onder verkrijgingsprijs wordt in dit artikel verstaan: de tegenprestatiebij de verkrijging. Indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreektof is bedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst, wordt als verkrijgingsprijs aangemerkt de waarde in heteconomische verkeer van het genotsrecht op het tijdstip van deverkrijging.5. Indien het genotsrecht eerder eindigt dan de periode op basiswaarvan de waardemutatie per maand is berekend, wordt uiterlijk aan heteinde van het kalenderjaar waarin het genotsrecht eindigt de bezittingwaarop het genotsrecht was gevestigd opgewaardeerd met de resterendewaardestijging die het gevolg is van het aflopen van het genotsrecht.6. Indien dit artikel op een tijdstip na de vestiging van het genotsrechtvan toepassing wordt op de bezitting waarop het genotsrecht isgevestigd, wordt die bezitting gewaardeerd op de waarde in het econo-mische verkeer van die bezitting op dat tijdstip. Vervolgens wordt bij detoepassing van het derde lid in plaats van de verkrijgingsprijs van hetgenotsrecht gelezen: de waarde in het economische verkeer van hetgenotsrecht op het tijdstip waarop dit artikel op de bezitting waarop hetgenotsrecht is gevestigd van toepassing wordt. Tevens wordt in dat gevalbij de toepassing van het derde lid in plaats van de totale looptijdwaarvoor het genotsrecht is gevestigd gelezen: de looptijd die resteertvanaf het tijdstip waarop dit artikel op de bezitting waarop het genotsrechtis gevestigd van toepassing wordt.Artikel 5.61. Waardering periodieke uitkeringen Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten behoevevan de waardering van periodieke uitkeringen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 225 AFDELING 5.6. TIJDSTIP GENIETEN EN AFTREK Artikel 5.62. Genietingstijdstip reguliere voordelen 1. Reguliere voordelen behoren tot het resultaat in het kalenderjaarwaarin zij zijn:a. ontvangen;b. verrekend;c. ter beschikking gesteld;d. rentedragend geworden; ofe. vorderbaar en inbaar geworden.2. In afwijking van het eerste lid behoren reguliere voordelen diebetrekking hebben op een tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvakdat meer dan zes maanden voor het begin van het kalenderjaar isaangevangen, tot het resultaat van het kalenderjaar waarop zij betrekkinghebben.Artikel 5.63. Genietingstijdstip vervreemdingsvoordelen Vervreemdingsvoordelen worden geacht te zijn genoten op het tijdstipvan de vervreemding.Artikel 5.64. Tijdstip aftrek 1. Aftrekbare kosten en verschuldigde rente behoren tot het resultaat inhet kalenderjaar waarin zij zijn:a. betaald;b. verrekend;c. ter beschikking gesteld; ofd. rentedragend geworden.2. In afwijking van het eerste lid behoren aftrekbare kosten en verschul-digde rente die betrekking hebben op een tijdvak van langer dan een jaarof op een tijdvak dat later dan zes maanden na afloop van het kalenderjaareindigt, tot het resultaat van het kalenderjaar waarop zij betrekkinghebben.AFDELING 5.7. VERLIESVERREKENING Artikel 5.65. Verlies Indien de berekening van het inkomen uit sparen en beleggen leidt toteen negatief bedrag, dan wordt dit aangemerkt als een verlies uit sparenen beleggen voor zover dit bedrag in absolute zin hoger is dan € 500.Artikel 5.66. Te conserveren inkomen buiten beschouwing Voor de toepassing van deze afdeling worden het inkomen uit sparen enbeleggen en het verlies uit sparen en beleggen bepaald zonder rekeningte houden met te conserveren inkomen.Artikel 5.67. Verliesverrekening 1. Het verlies uit sparen en beleggen wordt verrekend met de inkomensuit sparen en beleggen van de volgende kalenderjaren.2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit sparenen beleggen mede verstaan verlies uit sparen en beleggen in Nederlandals bedoeld in artikel 7.7, vierde lid.3. Het verlies uit sparen en beleggen voor zover dit is voortgevloeid uitde toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan debelastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit sparenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 226 en beleggen van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft,wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belasting-plichtige eindigt aangemerkt als verlies uit sparen en beleggen van departner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip vanbeëindiging binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buiten-landse belastingplichtige als bedoeld in artikel 7.8 was.Artikel 5.68. Vaststelling verlies 1. De inspecteur stelt het bedrag van een verlies uit sparen en beleggenvast bij voor bezwaar vatbare beschikking.2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen vande aanslag over het jaar waarin het verlies uit sparen en beleggen isontstaan.3. Het bedrag van het verlies uit sparen en beleggen wordt afzonderlijkop het aanslagbiljet vermeld.4. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het bedragvan het verlies uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld, kan deinspecteur de beschikking herzien. Herziening vindt plaats bij voorbezwaar vatbare beschikking.5. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend hadkunnen zijn, levert geen grond voor herziening op, tenzij de belasting-plichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.6. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, derde lid envierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeen-komstige toepassing op de herziening.Artikel 5.69. Formalisering verliesverrekening 1. Verrekening van een verlies uit sparen en beleggen met het inkomenuit sparen en beleggen van een volgend kalenderjaar vindt plaats bij voorbezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen vande aanslag over het jaar waarmee het verlies wordt verrekend.3. Het bedrag van het verrekende verlies wordt afzonderlijk op hetaanslagbiljet vermeld.4. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekkinghebben op de toepassing van artikel 5.67, en, indien geen belasting isverschuldigd, op de grootte van het verrekende bedrag. SArtikel 6.2 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt «het belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen van het jaar» vervangen door «het inkomen uit sparen enbeleggen van het kalenderjaar».2. In het derde lid wordt «het belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen van het kalenderjaar» vervangen door «het inkomen uit sparenen beleggen van het kalenderjaar».3. In het vierde lid wordt «het eerste en het derde lid» vervangen door«het eerste tot en met derde lid» en wordt «wordt het inkomen uit werk enwoning en het inkomen uit aanmerkelijk belang» vervangen door«worden het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit sparen enbeleggen en het inkomen uit aanmerkelijk belang».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 227 TArtikel 7.7 komt te luiden:Artikel 7.7. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen 1. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland is hetinkomen uit sparen en beleggen in Nederland, verminderd met de teverrekenen verliezen uit sparen en beleggen, bepaald met overeenkom-stige toepassing van de regels van hoofdstuk 5, met uitzondering van depersoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 5.2, en met dien verstandedat daarbij in afwijking van de artikelen 5.4 en 5.5 uitsluitend de bezit-tingen in Nederland, onderscheidenlijk de schulden in verband met diebezittingen in Nederland, in aanmerking worden genomen.2. Bezittingen in Nederland zijn:a. in Nederland gelegen onroerende zaken;b. rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederlandgelegen onroerende zaken; enc. rechten op aandelen in de winst van een onderneming waarvan deleiding in Nederland is gevestigd, voor zover zij niet voortspruiten uiteffectenbezit of uit dienstbetrekking en zij niet op grond van de afdelingen7.2 of 7.3 zijn belast.3. Onder in Nederland gelegen onroerende zaken worden medebegrepen rechten die samenhangen met de exploratie of de exploitatievan in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen.4. Indien de berekening van het inkomen uit sparen en beleggen inNederland leidt tot een negatief bedrag, dan wordt dit aangemerkt als eenverlies uit sparen en beleggen in Nederland voor zover dit bedrag inabsolute zin hoger is dan € 500. De verrekening van dit verlies vindt plaatsovereenkomstig de regels van afdeling 5.7.5. Indien de buitenlandse belastingplichtige een deel van het kalen-derjaar binnenlands belastingplichtig is en de berekening van hetinkomen uit sparen en beleggen leidt tot een negatief bedrag dat inabsolute zin lager is dan € 500, wordt bij de toepassing van het vierde lidin plaats van € 500 gelezen: het saldo van € 500 en het inkomen uitsparen en beleggen in absolute zin.6. Indien de buitenlandse belastingplichtige een deel van het kalen-derjaar binnenlands belastingplichtig is en de berekening van hetinkomen uit sparen en beleggen leidt tot een negatief bedrag dat inabsolute zin gelijk is aan of hoger is dan € 500, wordt het bedrag,genoemd in het vierde lid, op nihil gesteld.7. Verliezen uit sparen en beleggen zijn de verliezen uit sparen enbeleggen die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandsebelastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uitsparen en beleggen in Nederland. UArtikel 7.8, derde lid, komt te luiden:3. Voor een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige wordt hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland bepaaldovereenkomstig afdeling 7.4, waarbij de persoonsgebonden aftrekposten,bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, overeenkomstig de regels van hoofdstuk6 in aanmerking worden genomen. VIn artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, wordt «de rendementsgrondslag»vervangen door «het vermogen sparen en beleggen, bedoeld in artikel9.4bis, eerste lid, eerste zin,» en wordt «de gezamenlijke rendements-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 228 grondslag» vervangen door «het gezamenlijke vermogen sparen enbeleggen, bedoeld in artikel 9.4bis, eerste lid, tweede zin,». WNa artikel 9.4 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:Artikel 9.4bis. Vermogen sparen en beleggen 1. Het vermogen sparen en beleggen bestaat uit de waarde van debezittingen, bedoeld in artikel 5.4, verminderd met de waarde van deschulden, bedoeld in artikel 5.5. Het gezamenlijke vermogen sparen enbeleggen bestaat uit de waarde van de gezamenlijke bezittingen, bedoeldin artikel 5.4, van de belastingplichtige en zijn partner verminderd met dewaarde van de gezamenlijke schulden, bedoeld in artikel 5.5, van debelastingplichtige en zijn partner.2. De waarde, bedoeld in het eerste lid, betreft de waarde in heteconomische verkeer aan het begin van het kalenderjaar, met overeen-komstige toepassing van de bepalingen in afdeling 5.5. In afwijking van deeerste zin wordt de waarde van woningen bepaald op grond van artikel9.4ter.3. Voor het bepalen van het vermogen sparen en beleggen en hetgezamenlijke vermogen sparen en beleggen is artikel 2.15, tweede tot enmet vierde lid, van overeenkomstige toepassing.Artikel 9.4ter. Waardering woningen bij vermogen sparen enbeleggen 1. Voor het bepalen van het vermogen sparen en beleggen wordt dewaarde van een woning aan het begin van het kalenderjaar gesteld op devolgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor diewoning vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Indien de woning deeluitmaakt van een onroerende zaak die op grond van artikel 16 van de Wetwaardering onroerende zaken voor de toepassing van die wet als éénobject wordt aangemerkt, wordt de waarde van de woning voor detoepassing van de eerste zin gesteld op het gedeelte van de waarde vanhet object dat kan worden toegerekend aan die woning.2. Indien met betrekking tot een woning het eerste lid geen toepassingkan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van deWet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waardevan de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van hetbepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid,van die wet.3. Indien een woning geheel of gedeeltelijk wordt verhuurd en op dezeverhuur afdeling 5 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek vantoepassing is, of ingevolge een voor ten minste 12 jaren aangeganepachtovereenkomst wordt verpacht en op deze verpachting titel 5 vanBoek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, wordt de waardegesteld op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellenpercentage van de waarde, bedoeld in het eerste of tweede lid. Indiensprake is van een voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst alsbedoeld in artikel 271 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is de eerstezin niet van toepassing.4. In geval van erfpacht wordt voor de toepassing van dit artikel en dedaarop berustende bepalingen de in het eerste of tweede lid bedoeldewaarde verminderd met een bij algemene maatregel van bestuur vast testellen waarde van de erfpachtcanon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 229 XArtikel 9.4a wordt als volgt gewijzigd:1. Het opschrift komt te luiden:Beschikking bedrag vermogen sparen en beleggen. 2. Het eerste lid komt te luiden:1. Gelijktijdig met de aanslag stelt de inspecteur bij voor bezwaarvatbare beschikking vast en vermeldt afzonderlijk op het aanslagbiljet hetbedrag van het vermogen sparen en beleggen, bedoeld in artikel 9.4bis,eerste lid, eerste zin, aan het begin van het kalenderjaar, indien dit meerbedraagt dan € 37.395 of, ingeval de belastingplichtige het gehelekalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17geacht wordt te hebben gehad, indien het gezamenlijke vermogen sparenen beleggen, bedoeld in artikel 9.4bis, eerste lid, tweede zin, van debelastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meerbedraagt dan € 74.790 (beschikking bedrag vermogen sparen enbeleggen).3. Het tweede lid komt te luiden:2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partnerheeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebbengehad, wordt het gezamenlijke vermogen sparen en beleggen, bedoeld inartikel 9.4bis, eerste lid, tweede zin, van de belastingplichtige en zijnpartner voor de vaststelling van het bedrag, bedoeld in het eerste lid,geacht tot hun bezit te behoren in de onderlinge verhouding die zijdaarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. Voor zover debelastingplichtige en zijn partner geen onderlinge verhouding hebbengekozen, wordt het gezamenlijke vermogen sparen en beleggen geachtvoor de helft tot hun bezit te behoren. Voor wijziging van de onderlingeverhouding is artikel 2.17, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. YArtikel 9.5a vervalt. ZIn artikel 10.1, eerste lid, wordt «5.3, 5.5, 5.10» vervangen door «5.40,5.56, 5.65» en wordt na «6.20,» ingevoegd «7.7». AAArtikel 10.6ter wordt als volgt gewijzigd:1. In het opschrift wordt «percentages forfaitair rendement uitvermogen» vervangen door «percentage forfaitair voordeel uit vrijge-stelde beleggingsinstellingen en uit buitenlandse beleggingslichamen».2. Het eerste lid komt te luiden:1. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 4.14, eerste lid,vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een anderpercentage. Dit percentage wordt gesteld op de som van 53% van hetlangetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijn-rendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement opobligaties.3. Het tweede tot en met vierde lid vervallen, onder vernummering vanhet vijfde tot en met achtste lid tot tweede tot en met vijfde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 230 4. In het tweede, derde en vierde lid (nieuw) wordt «bedoeld in hetderde lid» telkens vervangen door «bedoeld in het eerste lid».5. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:5. Het percentage, bedoeld in het eerste lid, en de langetermijnrende-menten, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, worden rekenkundigafgerond op twee decimalen. BBNa artikel 10.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 10.8a. Administratie- en bewaarplicht 1. Artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is vanovereenkomstige toepassing op een natuurlijk persoon die resultaat uitsparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.3 behaalt.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen resultatenworden aangewezen waarvoor de verplichtingen ingevolge het eerste lidniet gelden wegens het door de inspecteur op andere wijze verkrijgen vande benodigde gegevens en inlichtingen.3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld metbetrekking tot het nakomen van de verplichtingen ingevolge het eerste lid.4. In afwijking van artikel 52, vierde lid, van de Algemene wet inzakerijksbelastingen is de administratieplichtige, bedoeld in het eerste lid,verplicht de gegevensdragers gedurende de termijn, bedoeld in artikel 11,derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te bewaren.5. Indien sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebe-schikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wetinzake rijksbelastingen met betrekking tot het niet of niet volledig voldoenaan de verplichtingen ingevolge het eerste lid, geldt het daaraanverbonden gevolg, bedoeld in de artikelen 25, derde lid, en 27e, eerste lid,van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, alleen voor het betreffenderesultaat. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in hogerberoep. CCIn artikel 10.11, eerste lid, wordt «5.16a, 5.17» vervangen door «5.44,5.47». DDArtikel 10a.15 komt te luiden:Artikel 10a.15. Overgangsbepaling nettolijfrente en nettopen-sioen 1. Voor zover artikel 5.46, derde lid, of artikel 5.52, tweede lid,toepassing vindt met betrekking tot kalenderjaren voorafgaand aan1 januari 2028 wordt voor de toepassing van die artikelen met betrekkingtot die kalenderjaren uitgegaan van het voordeel uit sparen en beleggen,bedoeld in artikel 5.2 zoals dat luidde op 31 december 2027, dat ingevolgeartikel 5.16c, derde lid, onderscheidenlijk artikel 5.17e, tweede lid, zoalsdie artikelen luidden op 31 december 2027 ter zake van die kalenderjarenin aanmerking zou zijn genomen.2. Voor de toepassing van het eerste lid:a. is artikel 5.16c, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 5.17e, derde lid,zoals die artikelen luidden op 31 december 2027 van overeenkomstigetoepassing;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 231 b. wordt de ingevolge artikel 5.16c, derde lid, onderscheidenlijk artikel5.17e, tweede lid, zoals die artikelen luidden op 31 december 2027 inaanmerking te nemen rendementsgrondslag voor een tiende deeltoegerekend aan elk van de kalenderjaren, bedoeld in de artikelen 5.46,derde lid, en 5.52, tweede lid;c. wordt bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggengeen rekening gehouden met het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel5.5 zoals dat op 31 december 2027 luidde. EEIn artikel 10a.25, tweede lid, wordt «artikel 5.17» vervangen door «artikel5.47» en wordt «artikel 5.16, vierde lid» vervangen door «artikel 5.43,vierde lid». FFIn artikel 10a.26, eerste lid, wordt «5.17» vervangen door «5.47». GGIn artikel 10a.27 wordt «afdeling 5.3B» vervangen door «paragraaf5.4.3». HHNa artikel 10a.29 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:Artikel 10a.30. Overgangsbepaling vorderingen en schuldentussen natuurlijke personen in box 3 1. Indien een vordering als bedoeld in artikel 5.57, eerste lid, die bijaanvang van het kalenderjaar 2028 reeds tot de bezittingen, bedoeld inartikel 5.4, behoorde geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd of prijsge-geven, wordt in afwijking van artikel 5.57, eerste lid, het resultaat datwordt behaald met bezittingen en schulden in het kalenderjaar waarin devordering geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd of prijsgegeven gesteldop het bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen indien de vorderingaan het begin van het kalenderjaar 2028 was gewaardeerd tegen dewaarde in het economische verkeer op dat tijdstip.2. Indien een schuld als bedoeld in artikel 5.57, eerste lid, die bijaanvang van het kalenderjaar 2028 reeds tot de schulden, bedoeld inartikel 5.5, behoorde geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen ofkwijtgescholden, wordt in afwijking van artikel 5.57, eerste lid, hetresultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden in het kalen-derjaar waarin de schuld geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen ofkwijtgescholden gesteld op het bedrag dat in aanmerking zou zijngenomen indien de schuld aan het begin van het kalenderjaar 2028 wasgewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip.Artikel 10a.31. Overgangsbepaling verkrijgingsprijs van onroe-rende zaken en aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming in box 3 1. Voor onroerende zaken als bedoeld in artikel 5.15 en voor aandelen inof winstbewijzen van een startende onderneming als bedoeld in artikel5.16 die bij aanvang van het kalenderjaar 2028 reeds tot de bezittingen,bedoeld in artikel 5.4, behoren, wordt de verkrijgingsprijs gesteld op dewaarde in het economische verkeer van die bezittingen aan het begin vanhet kalenderjaar 2028.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 232 2. Voor woningen wordt de waarde in het economische verkeer, bedoeldin het eerste lid, aan het begin van het kalenderjaar 2028 gesteld op devolgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor diewoning vastgestelde waarde op de waardepeildatum, bedoeld in artikel 18van die wet, aan het begin van het kalenderjaar 2028, met overeenkom-stige toepassing van artikel 9.4ter, eerste lid, tweede zin, en tweede tot enmet vierde lid.ARTIKEL II In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt hoofdstuk 2,artikel I, als volgt gewijzigd: AOnderdeel AL wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het tweede lid wordt toegevoegd «, voor zover deze rente isaangegroeid in de periode tot en met 31 december 2027».2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:4. Met ingang van 1 januari 2028 wordt een levensverzekering alsbedoeld in het eerste lid, eerste zin, aangemerkt als bezitting als bedoeldin artikel 5.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001.5. Indien de rente die is begrepen in een op of na 1 januari 2028bestaande levensverzekering als bedoeld in het eerste lid, eerste zin,volgens de bepalingen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoalsdeze luidden op 31 december 2000, niet uiterlijk op 31 oktober 2028 tot deinkomsten uit vermogen is gerekend, wordt die levensverzekering geachtop 1 november 2029 tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemerof, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde enwordt de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het econo-mische verkeer van die levensverzekering op 1 januari 2028. BOnderdeel AM wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het eerste lid, eerste zin, wordt toegevoegd «, voor zover derente is aangegroeid in de periode tot en met 31 december 2027».2. Onder vernummering van het zevende lid tot negende lid wordentwee leden ingevoegd, luidende:7. Indien de rente die is begrepen in een op of na 1 januari 2028bestaande levensverzekering als bedoeld in onderdeel AL, eerste lid,tweede zin, niet uiterlijk op 31 oktober 2029 op grond van het eerste lidgeheel tot de inkomsten uit vermogen, bedoeld in de Wet op de inkom-stenbelasting 1964 zoals deze luidde op 31 december 2000, of tot deinkomsten, bedoeld in artikel 3.116 van de Wet inkomstenbelasting 2001zoals dat luidde op 31 december 2012 of artikel 10bis.4 van de Wetinkomstenbelasting 2001, is gerekend, wordt die levensverzekering geachtop 1 november 2029 tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemerof, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde enwordt de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het econo-mische verkeer van die levensverzekering op 1 januari 2028.8. De op grond van het eerste en zevende lid bepaalde rentebedragenworden verminderd met de rente die is begrepen in de eerdere, al danniet fictieve, kapitaalsuitkering, die op grond van de Wet op de inkomsten-belasting 1964 zoals deze luidde op 31 december 2000 tot de inkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 233 uit vermogen of tot de inkomsten, bedoeld in artikel 3.116 van de Wetinkomstenbelasting 2001 zoals dat luidde op 31 december 2012 of artikel10bis.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is gerekend.3. In het negende lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door «heteerste en zevende lid» en wordt «, zoals dat luidde op 31 december 2000,»vervangen door «zoals dat luidde op 31 december 2000 en artikel 26a,derde lid, van die wet zoals dat luidde op 31 december 2000». COnderdeel AN wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «5.3, tweede lid» vervangen door «5.4» en aandat lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Wordt het bedrag, genoemdin de eerste zin, overschreden, dan wordt alleen over het deel van hetresultaat dat is behaald met bezittingen en schulden als bedoeld in artikel5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 dat is toe te rekenen aan hetbedrag aan bezittingen en schulden dat hoger is dan het bedrag,genoemd in de eerste zin, aangemerkt als resultaat dat is behaald metbezittingen en schulden.2. Aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Het eerstelid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.3. Het vierde lid komt te luiden:4. Het eerste lid is niet van toepassing op levensverzekeringen alsbedoeld in onderdeel AL, eerste lid, eerste zin. DOnderdeel AP vervalt. EIn onderdeel APa, eerste lid, wordt «AL, AM, AO en AP» vervangen door«AL, AM en AO».ARTIKEL III In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt met ingangvan 1 januari 2030 hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, AM en AN.ARTIKEL IV De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd: AIn artikel 24, zesde lid, wordt «zestiende tot en met negentiende lid»vervangen door «zestiende tot en met negentiende of tweeëntwintigstelid». BArtikel 25 wordt als volgt gewijzigd:1. Onder vernummering van het tweeëntwintigste lid tot vierentwin-tigste lid worden twee leden ingevoegd, luidende:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 234 22. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tothet verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen voor zoverdaarin is begrepen inkomstenbelasting die is verschuldigd ter zake vangeconserveerd inkomen door de toepassing van artikel 5.37, tweede lid,van de Wet inkomstenbelasting 2001. Die regels kunnen mede betrekkinghebben op het stellen van voldoende zekerheid. Indien rechten diebesloten liggen in de aandelen of winstbewijzen die aan het verleendeuitstel ten grondslag liggen overgaan op andere aandelen, onderschei-denlijk winstbewijzen, worden die andere aandelen, onderscheidenlijkwinstbewijzen, geacht eveneens aan het verleende uitstel ten grondslag teliggen. Het uitstel wordt beëindigd:a. ingeval aandelen, winstbewijzen, onroerende zaken of rechtenwaaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen die aan het uitstel tengrondslag liggen worden vervreemd in de zin van de artikelen 5.15, eerstelid, onderdeel b, 5.16, eerste lid, onderdeel b, 5.31, 5.32, 5.33 of 5.36 vande Wet inkomstenbelasting 2001;b. ingeval de vennootschap waarin de belastingschuldige de aandelenof winstbewijzen houdt, reserves aan de belastingschuldige heeftuitgedeeld, voor een bedrag ter grootte van het bedrag van die uitge-deelde reserves, vermenigvuldigd met het in artikel 2.13 van de Wetinkomstenbelasting 2001 opgenomen percentage, verminderd met deover die uitgedeelde reserves in Nederland verschuldigde dividendbe-lasting of inkomstenbelasting en de daarover in het buitenland feitelijkgeheven belasting;c. in geval van een teruggaaf van wat op aandelen is gestort dan welvan wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd;d. ingeval voordelen die worden getrokken uit onroerende zaken ofrechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen die aan hetuitstel ten grondslag liggen, voor een bedrag ter grootte van het bedragvan die voordelen, vermenigvuldigd met het in artikel 2.13 van de Wetinkomstenbelasting 2001 opgenomen percentage, verminderd met dedaarover in het buitenland feitelijk geheven belasting.23. In afwijking van het tweeëntwintigste lid, onderdeel a, kan het uitstelvan betaling onder nader te stellen voorwaarden worden voortgezet ingeval van een vervreemding in het kader van een aandelenfusie alsbedoeld in artikel 3.55 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een splitsingals bedoeld in artikel 3.56 van die wet of een fusie als bedoeld in artikel3.57 van die wet.2. Aan het vierentwintigste lid (nieuw) wordt een zin toegevoegd,luidende: Voor de toepassing van het tweeëntwintigste lid wordt debelastingrente gelijkgesteld met de inkomstenbelasting waarmee dezesamenhangt. CArtikel 26 wordt als volgt gewijzigd:1. In het vierde lid wordt «artikel 25, achtste lid» vervangen door «artikel25, achtste of tweeëntwintigste lid» en wordt «in de zin van hoofdstuk 4van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door «in de zin van dehoofdstukken 4 of 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001».2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:9. Voor zover de ontvanger het op de voet van artikel 25, tweeëntwin-tigste lid, verleende uitstel van betaling beëindigt omdat de onroerendezaken, rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen,aandelen of winstbewijzen worden vervreemd in de zin van artikel 25,tweeëntwintigste lid, onderdeel a, kan krachtens bij ministeriële regelingte stellen regels kwijtschelding worden verleend:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 235 a. indien de waarde in het economische verkeer van die onroerendezaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen isgedaald in vergelijking tot die waarde ten tijde van het belastbare feit terzake waarvan de belastingaanslag is vastgesteld: tot een bedrag gelijk aandie waardedaling, vermenigvuldigd met het in artikel 2.13 van de Wetinkomstenbelasting 2001 opgenomen percentage;b. indien de waarde in het economische verkeer van die aandelen ofwinstbewijzen is gedaald, anders dan door uitkering van winstreserves,teruggaaf van wat is gestort of ingelegd of overgang van rechten opandere aandelen of winstbewijzen, in vergelijking tot die waarde ten tijdevan het belastbare feit ter zake waarvan de belastingaanslag is vastge-steld: tot een bedrag gelijk aan die waardedaling, vermenigvuldigd methet in artikel 2.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 opgenomenpercentage;c. indien het heffingsrecht wegens vervreemding van die aandelen,winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerendezaken zijn onderworpen ingevolge de Belastingregeling voor hetKoninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland of een verdragter voorkoming van dubbele belasting aan een ander land van hetKoninkrijk, aan een ander heffingsgebied binnen het Rijk, onderschei-denlijk aan een andere mogendheid, is toegewezen: tot een bedrag gelijkaan de aldaar ter zake van die vervreemding feitelijk geheven belasting;d. voor zover de belasting waarvoor op de voet van artikel 25, tweeënt-wintigste lid, uitstel van betaling is verleend, hoger is dan de belasting diezou zijn geheven indien de belastingschuldige op het moment van dievervreemding in Nederland zou hebben gewoond.10. Het bedrag aan kwijtschelding, bedoeld in het negende lid, bedraagtniet meer dan het bedrag van de belasting waarvoor ter zake van deaandelen, winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan dezeonroerende zaken zijn onderworpen nog uitstel van betaling is verleend. DIn artikel 28, derde en vierde lid, wordt «negentiende of eenentwintigstelid» vervangen door «negentiende, eenentwintigste, tweeëntwintigste ofdrieëntwintigste lid». EIn de artikelen 70g, vijfde lid, en 70h, vijfde lid, wordt «artikel 25,tweeëntwintigste lid, vijfde zin» vervangen door «artikel 25, vierentwin-tigste lid, vijfde zin».ARTIKEL V 1. Loonbelasting wordt mede ingehouden op of ter zake van rente die:a. is begrepen in een op 1 januari 2028 bestaande levensverzekering alsbedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, eerste lid, eerste zin entweede zin, onderdelen a tot en met d, van de Invoeringswet Wetinkomstenbelasting 2001 en die volgens de bepalingen van de Wet op deinkomstenbelasting 1964 zoals deze luidden op 31 december 2000 tot deinkomsten uit vermogen wordt gerekend; ofb. ingevolge hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, vijfde lid, of AM,zevende lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 geachtwordt op 1 november 2029 tot uitkering te zijn gekomen.2. De artikelen 6, eerste lid, onderdeel b, 26, 27 en 27b van de Wet op deloonbelasting 1964, artikel 8, tweede en derde lid, van de Wet financieringsociale verzekeringen en hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, vijfde lid,en AM, zevende lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001zijn van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 236 3. De rente wordt, zonder toepassing van de standaardloonheffings-korting, in aanmerking genomen als loon uit vroegere dienstbetrekking,maar wordt niet in aanmerking genomen als loon in de zin van deartikelen 42 en 43 van de Zorgverzekeringswet.4. Inhouding wordt achterwege gelaten, indien:a. de rente niet voor 1 november 2029 tot de inkomsten uit vermogen isgerekend;b. de natuurlijk persoon de inhoudingsplichtige hierom verzoekt; enc. de inhoudingsplichtige een afschrift van dit verzoek bewaart bij deloonadministratie.ARTIKEL VI 1. Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt bij het beginvan het kalenderjaar 2028 geen toepassing met betrekking tot de artikelen5.40, 5.65 en 7.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001.2. Bij het begin van het kalenderjaar 2028 worden, voorafgaand aan detoepassing van artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, bijministeriële regeling:a. de in artikel 5.56, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001vermelde bedragen vervangen door de bedragen die zijn vermeld inartikel 5.10, onderdeel d, van die wet zoals dat luidde op 31 december2027;b. de in artikel 9.4a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001vermelde bedragen vervangen door de bedragen die zijn vermeld inartikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van die wet zoals dat luidde op31 december 2027.ARTIKEL VII 1. Dit artikel wordt uitsluitend toegepast, indien het ingevolge artikel IXbij Koninklijk Besluit bepaalde tijdstip niet aan het begin van 1 januari2028 is.2. In artikel I, onderdeel DD, wordt artikel 10a.15 als volgt gewijzigd:a. In het eerste lid wordt «1 januari 2028» vervangen door de datum vande dag aan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bij KoninklijkBesluit bepaalde tijdstip valt en wordt «31 december 2027» telkensvervangen door de datum van de dag die direct voorafgaat aan de dagaan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bij Koninklijk Besluitbepaalde tijdstip valt.b. In het tweede lid, onderdelen a, b en c, wordt «31 december 2027»vervangen door de datum van de dag die direct voorafgaat aan de dagaan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bij Koninklijk Besluitbepaalde tijdstip valt.3. In de in artikel I, onderdeel HH, opgenomen artikelen 10a.30, eersteen tweede lid, en 10a.31, eerste en tweede lid, wordt «2028» telkensvervangen door het jaartal van het kalenderjaar aan het begin waarvanhet ingevolge artikel IX bij Koninklijk Besluit bepaalde tijdstip valt.4. Artikel II wordt als volgt gewijzigd:a. In onderdeel A, onder 1, en onderdeel B, onder 1, wordt«31 december 2027» vervangen door de datum van de dag die directvoorafgaat aan de dag aan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 237 Koninklijk Besluit bepaalde tijdstip valt.b. In het in onderdeel A, onder 2, opgenomen vierde en vijfde lid en hetin onderdeel B, onder 2, opgenomen zevende lid wordt «1 januari 2028»telkens vervangen door de datum van de dag aan het begin waarvan hetingevolge artikel IX bij Koninklijk Besluit bepaalde tijdstip valt.5. In artikel V, eerste lid, onderdeel a, wordt «1 januari 2028» vervangendoor de datum van de dag aan het begin waarvan het ingevolge artikel IXbij Koninklijk Besluit bepaalde tijdstip valt.6. Artikel VI wordt als volgt gewijzigd:a. In het eerste lid wordt «2028» vervangen door het jaartal van hetkalenderjaar aan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bij KoninklijkBesluit bepaalde tijdstip valt.b. In het tweede lid, aanhef, wordt «2028» vervangen door het jaartalvan het kalenderjaar aan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bijKoninklijk Besluit bepaalde tijdstip valt.c. In het tweede lid, onderdelen a en b, wordt «31 december 2027»vervangen door de datum van de dag die direct voorafgaat aan de dagaan het begin waarvan het ingevolge artikel IX bij Koninklijk Besluitbepaalde tijdstip valt.ARTIKEL VIII Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerking-treding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over dedoeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.ARTIKEL IX Deze wet treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalentijdstip, met dien verstande dat ingeval dat tijdstip niet aan het begin van1 januari 2028 is de artikelen I, onderdelen DD en HH, II, onderdelen A enB, V en VI eerst toepassing vinden nadat artikel VII is toegepast.ARTIKEL X Deze wet wordt aangehaald als: Wet werkelijk rendement box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 238 Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst endat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulksaangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.GegevenDe Staatssecretaris van Financiën,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 239

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 799481fdb4b411cb

14 okt 2026 · fd0f5f1b9ebbb1e8

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.