KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk over de geannoteerde agenda informele bijeenkomst van EU- transportministers 19-20 september 2024 te Boedapest (Kamerstuk 21501-33-1083)

18 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 04cc3f2d14718cf2 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-33Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en EnergieNr. 1084 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 18 september 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 3 september 2024 overde geannoteerde agenda informele bijeenkomst van EU-transport-ministers 19–20 september 2024 te Boedapest (Kamerstuk 21 501-33,nr. 1083).De vragen en opmerkingen zijn op 5 september 2024 aan de Minister enStaatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van18 september 2024 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PostmaDe adjunct-griffier van de commissie,Wiendels kst-21501-33-1084ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10841 PVV-fractie1.De leden van de PVV-fractie constateren dat er nog geen formeleagenda is gepubliceerd. Deze leden vragen aan de Minister omdeze agenda zo snel mogelijk met de Kamer te delen en de inzetvan de Minister en de Staatssecretaris aan de Kamer te doentoekomen.De agenda voor de informele bijeenkomst van EU-transportministers op19–20 september is donderdag 5 september jl. door het HongaarsVoorzitterschap gedeeld. Dit bevestigt de verwachting zoals opgenomenin de geannoteerde agenda dat de bijeenkomst hoofdzakelijk zal draaienom het concurrentievermogen van de Europese Unie (EU). In het kaderhiervan organiseert het Hongaars Voorzitterschap twee sessies. In deeerste sessie worden de lidstaten gevraagd te reflecteren op de verbe-tering van connectiviteit van de EU met buurlanden, en de uitdagingen enkansen van de vergroening en digitalisering van de transportsector. Detweede sessie gaat specifiek over het Europese spoornetwerk. Tijdensdeze sessie zal er onder andere gesproken worden over digitalisering ende mogelijkheden om een pan-Europese hogesnelheidslijn en betereverbindingen met buurlanden te realiseren. Er staat, zoals gebruikelijktijdens een informele Raad, geen besluitvorming op de agenda.Na afloop van de informele bijeenkomst ontvangt de Kamer een verslagmet de uitkomsten van de bijeenkomst.2.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister enStaatssecretaris waarde hechten aan investeringen in hetTEN-T-netwerk. Deze leden vragen of zij voornemens zijn omfinanciële middelen uit Brussel naar Nederland te halen omvervolgens te besteden aan de Nederlandse spoorinfrastructuur.Voorts vragen deze leden wat hier precies de inzet van debewindspersonen op is.De Connecting Europe Facility (CEF) is sinds 2014 het Europeseinstrument bedoeld om Europese middelen beschikbaar te stellen bijinvesteringen van de lidstaten in het Trans-Europese Transport Netwerk(hierna: TEN-T). Het gaat hier om een medefinancieringsinstrument. CEFdraagt tot een bepaald percentage bij aan de nationale investerings-kosten. Een groot aantal infrastructuurprojecten op het TEN-T netwerk inNederland op het gebied van onder meer spoor, weg, zee- en binnenvaartis sinds 2014 met succes medegefinancierd via CEF. CEF is opgenomen inde EU-meerjarenbegrotingen. De huidige EU-meerjarenbegroting beslaatde periode 2021–2027. In de eerste helft van 2025 zal de EuropeseCommissie (hierna: Commissie) naar verwachting een voorstel presen-teren voor de nieuwe EU-meerjarenbegroting. Dan zal ook de inzet vanhet kabinet ten aanzien van dit begrotingsvoorstel worden bepaald.3.De leden van de PVV-fractie vragen aan de Staatssecretaris of hijbereid is om de uitrol van het European Rail Traffic ManagementSystem (ERTMS) te bespreken in de Transportraad en daarbij denadruk te leggen op het feit dat verschillende lidstaten verschil-lende versies en baselines van het ERTMS implementeren, watgrote risico’s met zich mee brengt ten aanzien van de compatibi-liteit op het internationale spoor.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10842 Het concurrentievermogen van de EU spoorsector zal tijdens de informelebijeenkomst van EU-transportministers besproken worden. ERTMS is hiereen belangrijk onderdeel van en het ministerie zal daarom tijdens dezebijeenkomst het belang benadrukken van ERTMS en het invoeren vancompatibele versies hiervan. Alleen op deze manier kunnen we de basisleggen voor de verdere digitalisering van het spoor en kunnen we inNederland komen tot een succesvolle vervanging van de treinbeveiliging.GroenLinks-PvdA-fractie4.Allereerst zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blij dat deStaatssecretaris schrijft dat hij zich inzet om de verbetering vantreinverbindingen tussen Europese steden prioriteit te geven bijde nieuwe Europese Commissie (EC). Deze leden vernemen graagnader hoe de Staatssecretaris dit concreet wil bewerkstelligen.Wat heeft hij tot nu toe op dit vlak gedaan, hoe verlopen degesprekken hierover met de (beoogde) EC en met de andereEuropese lidstaten? En wat zou hij concreet als doelstellingwillen zien op dit vlak voor de komende vijf jaar?In het Hoofdlijnenakkoord is te lezen dat de regering met een voorstel zalkomen voor de aanpak van grensoverschrijdende verbindingen en deaansluiting van een vijftal treinstations op het netwerk van Hogesnel-heidslijnen (HSL) over de grens. Het ministerie benut de komende periodevoor verdere verdieping van deze uitwerking. Aan de hand daarvan zal hetgesprek worden aangegaan met onze buurlanden, en andere Europeselidstaten. In Europees verband ondersteunt de Commissie pilotprojectenvoor nieuwe internationale treindiensten. Het ministerie zet in op eeneffectief vervolg hierop in het werkprogramma van de komendeCommissie.5.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat deStaatssecretaris verheugd is dat uit de vierde voortgangsrap-portage International Rail Platform (IRP) naar voren komt dat eraanzienlijke positieve ontwikkelingen zijn ten aanzien van hetaantal nachttreinen en hogesnelheidstreinen over de grens. Dezeleden zijn ook blij dat er verbeteringen op dit vlak zichtbaar zijn,maar hebben tegelijkertijd ook zorgen. Allereerst constaterendeze leden dat het nog altijd bijzonder lastig is om een treintickette boeken van Nederland naar bijvoorbeeld Italië, Spanje, Polenof Scandinavië. Er wordt al geruime tijd door veel betrokkenengewezen op deze problematiek. Zo is er al geruime tijd de wensom tot één EU-breed ticketsysteem te komen. Welke stappenhiertoe is de Staatssecretaris van plan om te zetten en hoe gaathij bij de EC en de andere lidstaten aandringen op een spoedigeinvoering hiervan?Een goed werkend internationaal gestandaardiseerd ticketingsysteem isbelangrijk zodat het voor de reiziger zo eenvoudig mogelijk wordt ommultimodaal internationaal te kunnen reizen. Er worden een aantalstappen ondernomen om dit voor elkaar te krijgen.Zoals eerder met de Kamer is gedeeld1, lopen er momenteel verschillendeinitiatieven ten aanzien van ticketing op Europees niveau. De Commissiewerkt aan een wetsvoorstel voor Multimodal Digital Mobility Services(MDMS) dat multimodaal reizen binnen Europa moet vergemakkelijken1Kamerstukken II 2021–2022, 29 984, nr. 994Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10843 voor de reiziger door de samenwerking tussen verschillende vervoerdersen aanbieders van tickets te verbeteren. De Commissie heeft de presen-tatie van het MDMS voorstel echter uitgesteld naar 2025. Daarnaast wordter op Europees niveau gewerkt aan de standaarden voor data uitwisseling(Technische Specificaties Interoperabiliteit Telematica). De besluitvorminghierover wordt eind 2024 verwacht.Vooruitlopend op een wetvoorstel voor MDMS heeft het ministerie eennon-paper gestuurd naar de Commissie. Deze is ook eerder met de Kamergedeeld.2Naast het agenderen op Europees niveau monitort het ministerie deinitiatieven vanuit de sector nauw. Hieronder valt de «Community ofEuropean Railways and Infrastructure (CER) Ticketing Roadmap» waarvande eerste verbeteringen voor de reizigers voor 2025 op de planning staan.Onderdeel hiervan betreft een overeenkomst tussen diverse spoorwegon-dernemingen om reizigers bij vertragingen en uitval verder te laten reizen.In Nederland is deze «Agreement on Journey Continuation» al ingevoerd.Het ministerie is hierover in gesprek met de NS en heeft benadrukt dat hetvan belang is de «CER ticketing roadmap» volgens de planning in 2025 uitte rollen. NS wordt in de hoofdrailnet(HRN)-concessie gevraagd om deverbeteringen te implementeren die in CER-verband zijn opgesteld voorreisinformatie en verkoopbaarheid van tickets. Het ministerie volgt dezeontwikkelingen op de voet, ook in relatie tot de bestaande EU-regelgevingop het gebied van data-uitwisseling, mededinging en marktordening.Tot slot houdt het ministerie zich bezig met het opdoen van ervaringen inde praktijk. Er wordt ingezet op de uitbreiding en opschaling van deinternationale Mobility as a Service (MaaS)-pilot Limburg. Deze pilot wasonderdeel van het programma MaaS3 en is doorgezet na afronding vanhet programma. Reizigers kunnen nu al met verschillende MaaS-appsgrensoverschrijdend reizen in de regio (Limburg en Noordrijn-Westfalen).Dit wordt bewerkstelligd door het koppelen van nationale tarief- enticketingsystemen. Er wordt gewerkt aan het toevoegen van innovatievefunctionaliteiten zoals het reizen doormiddel van GPS. Hierdoor wordtgrensoverschrijdend multimodaal reizen steeds eenvoudiger.De start van de Drielandentrein biedt een mooie kans om deze pilot verderuit te breiden naar Luik. In samenwerking met Limburg, Duitsland enBelgië is een werkgroep gefaciliteerd door de Benelux Unie. Het ministeriewil deze MaaS-pilot ook gebruiken om inzichten mee te geven aan deCommissie in het kader van de aankomende regelgeving op het gebiedvan internationale ticketing en MaaS.6.Een ander punt van zorg bij de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie is het feit dat met name in drukke periodes er te weinigmaterieel beschikbaar is om ingezet te worden op internationaleroutes. Hierdoor zijn internationale treinen vaak snel uitverkochten is een last minute keuze voor bijvoorbeeld een nachttrein vaakniet mogelijk. Herkent de Staatssecretaris dit beeld en is hijbereid om het vraagstuk van voldoende capaciteit met despoorvervoerders en andere lidstaten te bespreken?Het ministerie heeft die berichten vernomen. Het ministerie heeft echterook vernomen dat bijvoorbeeld juist afgelopen zomer de NS, medevanwege nieuw materieel richting Duitsland, minder problemen had metbeschikbare capaciteit dan de voorgaande zomerperiodes. Komend jaar2https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2023D32008&did=2023D320083Evaluatie Programma MaaS | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10844 zal ook richting België sprake zijn van de instroom van nieuw materieel(ICNG-B)4 en van een frequentieverhoging. Benadrukt wordt dat peringang van de nieuwe HRN-concessie de internationale verbindingen overlange afstand in open toegang zijn. Daarna zal er hoofdzakelijk ingezetworden op het mogelijk maken en stimuleren van het laten rijden vanmeer internationale treinen van en naar Nederland. Hierbij wordtvoortgebouwd op goede contacten met onze buurlanden en ook infrabe-heerders spelen hierbij een belangrijke rol.7.Tot slot zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie net als deStaatssecretaris dat er veel problemen en belemmeringen zijndoor verouderde infrastructuur en door een gebrek aanvoldoende infrastructuur. Zo zien deze leden bijvoorbeeld dat deroute tussen Nederland en het Ruhrgebied de komende tijd meerdan een jaar beperkt beschikbaar is wegens werkzaamheden. Opwelke wijze wordt ervoor gezorgd dat ook tijdens langdurigewerkzaamheden de trein een aantrekkelijk alternatief blijft voorinternationaal personenvervoer? En is de Staatssecretaris bereidom dit vraagstuk proactief met de buurlanden te bespreken?Werkzaamheden aan het spoor zijn van belang voor het verbeteren van deinfrastructuur. Infrastructuurbeheerders zijn op grond van Europesewetgeving verplicht de werkzaamheden op elkaar af te stemmen en waarmogelijk te zorgen voor omleidingsroutes. De werkzaamheden op deuitbouw van Emmerich–Oberhausen, die belangrijk zijn voor deuitbreiding van de spoorcapaciteit tussen Nederland en Duitsland, zijnhier onderdeel van.5 De infrastructuurbeheerders van Nederland enDuitsland zijn hierover met elkaar actief in gesprek. Waar nodig zal hetministerie het vraagstuk actief bespreken met buurlanden. Zo zal ik dewerkzaamheden Emmerich–Oberhausen, stand van zaken derde spoor,aan de orde stellen bij mijn gesprek met Duitse counterparts bij dejaarlijkse Nederlands-Duitse bijeenkomst over de uitvoering van deJoint Declaration of Intent over spoorgoederenvervoer. Deze bijeenkomstvindt plaats op 21 oktober 2024 in Nederland.VVD-fractieThema voor Hongaars voorzitterschap: verbinding WestelijkeBalkanlanden8.De leden van de VVD-fractie begrepen dat het de wens is van hetHongaars EU-voorzitterschap om de verbinding met en in deWestelijke Balkanlanden te verbeteren. Deze leden vragen welkeopvatting de Staatssecretaris hierover heeft en wat hij hieroverzou willen inbrengen richting de voorzitter. Welke rol vanNederland ziet de Staatssecretaris hierbij?Op 14 december publiceerde de Commissie de mededeling over deverlenging van het TEN-T netwerk naar naburige derde landen.6 In demededeling wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop het TEN-Tbeleid sinds 2014 wordt ingezet in de samenwerking met naburige derdelanden. In de TEN-T verordening7 zijn indicatieve kaarten opgenomen vannabuurlanden, waaronder de landen van de Europese Economische4Intercity Nieuwe Generatie (ICNG) die rijdt van en naar België5Kamerstukken II 2023–2024, 29 984, nr. 11826Mededeling TEN-T derde landen7TEN-T verordeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10845 Ruimte (EEA), de Europese Vrije Handelszone (EFTA), landen in dewestelijke Balkan en Turkije. Het indicatieve netwerk van verbindingenheeft geen juridische doorwerking, maar geeft de EU wel de mogelijkheidom gerichter samen te werken en biedt het internationaal opererendbedrijfsleven inzicht in de mogelijkheden voor investeringen. Nederland ispositief over de beleidslijn uiteengezet in de mededeling. De verlengingvan het TEN-T netwerk naar derde landen helpt de EU zorg te dragen vooreen consistent, effectief interoperabel8 en multimodaal netwerk tussenlidstaten en nabuurlanden. Daarnaast draagt dit bij aan het stimuleren vanhandel en economische samenwerking met de nabuurlanden.Trans-Europese Transport Netwerk (TEN-T)9.De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat reizigersgoed internationale reizen kunnen maken met de trein en dat ookhet spoorgoederenvervoer voldoende capaciteit krijgt vanspoorinfrastructuurbeheerders. Grensoverschrijdende samen-werking tussen lidstaten ter bevordering van internationaalspoorvervoer is hiervoor essentieel. Het binnenlandse reizigers-vervoer moet hier zo goed mogelijk mee samen kunnen gaan.Deze leden vinden het goed te lezen dat de Staatssecretaris blijftinvesteren in het Trans-Europese Transport Netwerk (TEN-T). Devorige Staatssecretaris gaf aan dat er een aanzienlijke financiëleopgave bestaat met betrekking tot de implementatie. Hoe is deStaatssecretaris voornemens om hiermee om te gaan? Welkekeuzes wil hij hiervoor maken en welke acties worden genomen?De eerder aan de Kamer gemelde aanzienlijke financiële opgave metbetrekking tot de implementatie van de TEN-T vereisten op spoorgebiedblijft onverkort geldig.9 De nieuwe EU TEN-T verordening is op 18 juli2024 in werking getreden. Momenteel wordt een implementatieplan voordeze verordening nader uitgewerkt, hierbij zal ook ProRail wordenbetrokken. De kamer wordt geïnformeerd over de ontwikkelingen.Goed functionerend internationaal personenvervoer10.De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat reizigersgoed internationale reizen kunnen maken met de trein. Hierliggen nog vele uitdagingen op het gebied van standaardisatie,interoperabiliteit, samenwerking, ticketing en techniek. Welkeacties wil de nieuwe Staatssecretaris nemen voor het verbeterenvan het internationale personenvervoer? Welke hebben daarbijprioriteit?In het kader van het International Rail Platform (IRP) bespreekt hetministerie met andere lidstaten welke verbeteringen mogelijk en nodigzijn. Het IRP is een netwerk, waarin het ministerie belangrijke onder-werpen kan agenderen richting de Commissie. Met ERTMS werken we alaan een belangrijke randvoorwaarde om treinen in Europa makkelijkerover grenzen heen te laten rijden. Ticketing wordt voor de reiziger gezienals een absolute prioriteit. Het is een gemiste kans dat vervoerders er nietin slagen met elkaar afspraken te maken over distributiekanalen enmogelijkheden om integrale tickets te kopen en daarbij rechten vanreizigers te garanderen. In dit verband kijkt het ministerie uit naar de8Producten, systemen of organisaties zijn interoperabel als ze zonder beperkingen samenkunnen werken.9Kamerstukken II 2023–2024, 29 984, nr. 1164Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10846 verwachte voorstellen van de nieuwe Europese Commissie inzakeMultimodale Digital Mobility Services (MDMS). Het is positief dat we inNederland met de uitrol van de MaaS-pilot Limburg stappen zetten om dereiziger beter te bedienen.11.Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de vierdevoortgangsrapportage van het IRP een aanzienlijk positieveontwikkeling van het aantal nachttreinen en hogesnelheids-treinen over de grens beschrijft. Deze leden vragen wel hoe deprijzen van treinreizen over de grens zich ontwikkelen en wat deplannen van de Staatssecretaris zijn om de trein als vervoers-middel voor internationale reizen ook in prijs concurrerend telaten zijn met andere vervoersmiddelen.In het Hoofdlijnenakkoord wordt een voorstel aangekondigd voorgrensoverschrijdend vervoer. Daarin zal nader worden ingegaan op devraag hoe we de trein concurrerend kunnen laten zijn met anderevervoersmiddelen.Goed functionerend internationaal spoorgoederenvervoer12.De leden van de VVD-fractie vinden het bieden van ruimte voorinternationaal goederenvervoer van cruciaal belang voor hetverdienvermogen van Nederland en bepalend voor een goedvestigingsklimaat. Er moet voldoende capaciteit voor goederen-vervoer over spoor beschikbaar zijn en toebedeeld worden doorProRail. Grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten terbevordering van internationaal spoorvervoer is hiervoor essen-tieel. Door onder meer steeds hogere kosten en problemen metde beschikbaarheid van de infrastructuur staat het concurrentie-vermogen van het spoorgoederenvervoer echter onder druk, metrisico’s voor de modal shift. Welke visie heeft de Staatssecretarisop het spoorgoederenvervoer en het bevorderen van de modalshift? Welke rol ziet hij voor zichzelf weggelegd om tevoorkomen dat het spoorgoederenvervoer verder onder drukkomt te staan?Spoorgoederenvervoer is belangrijk voor Nederland. Het beleid is eropgericht om de concurrentiekracht van het spoorgoederenvervoer teversterken, zodat verladers eerder voor het spoor kiezen. Zo kunnen we devoordelen van het spoorgoederenvervoer optimaler benutten. Maatre-gelen die hieraan bijdragen zijn onder meer de eerder beschikbaargestelde middelen (€ 97 miljoen) voor het faciliteren van treinen met eenlengte van 740 meter, de vaststelling van het nieuwe basiskwaliteitsniveau(BKN) spoor10 met aandacht voor het wegwerken en in de toekomstvoorkomen van achterstallig onderhoud in de Rotterdamse haven, en denieuwe gebruiksvergoedingssystematiek 2026–2029 met dalende tarievenvoor het opstellen en rangeren van treinen.Ook zet het ministerie met alle belanghebbenden het traject voort om tekomen tot een Toekomstbeeld Spoorgoederenvervoer. Het beter benuttenvan de voordelen van het spoor door het versterken van de concurrentie-kracht van het spoorgoederenvervoer is hierbinnen een belangrijk thema.Daarnaast is in de algemene oriëntatie van de Transportraad vanafgelopen 14 juni over het voorstel van de Commissie over capaciteitstoe-10Kamerstukken II 2023–2024, 29 984, nr. 1184Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10847 wijzing11 een nieuw artikel opgenomen over een betere coördinatie tussenlidstaten ter bevordering van het grensoverschrijdend spoorvervoer,inclusief het spoorgoederenvervoer. Het ministerie wil zich in het kaderdaarvan inzetten voor effectieve afstemming met de buurlanden.Capaciteitsverdeling op het spoor13.De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat internationaleverbindingen op basis van open toegang zo goed en zo snelmogelijk geaccommodeerd moeten worden. Is de Staatssecretarishet met deze leden eens dat het rijden met open toegang niethoeft te betekenen dat er risico’s zijn op de continuïteit, omdatmet kaderovereenkomsten (zoals die ook in Oostenrijk en hetVerenigd Koninkrijk worden gemaakt) harde afspraken kunnenworden gemaakt over onzekerheden rondom de continuïteit vande treindiensten? En is de Staatssecretaris het met deze ledeneens dat daarmee open toegang een prima wijze is om de bestedienstverlening op het spoor te bieden aan reizigers, niet alleenvoor internationale verbindingen, maar ook voor binnenlandsespoorverbindingen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan gedetail-leerd uitleggen welke beperkingen hij ziet, hoe die in zijn optiekopgelost kunnen worden, en hoe hij hierover overleg voert metopen toegangsvervoerders?Met ingang van de nieuwe HRN-concessie wordt het merendeel van deinternationale verbindingen in open toegang gerealiseerd. Risico’s voorde continuïteit van dienstverlening voor de reizigers ontstaan door(gewijzigde) commerciële beslissingen van vervoerders en ook door hetgebrek aan infrastructuurcapaciteit. Voor het risico van gebrek aancapaciteit kunnen kaderovereenkomsten een bijdrage leveren.Vervoerders kunnen dan binnen zekere voorwaarden een meerjarigegarantie krijgen op spoorwegcapaciteit, wat hen meer investeringsze-kerheid biedt. Binnen het huidige stelsel van capaciteitsverdeling inNederland krijgen deze kaderovereenkomsten geen voorrang in geval vanschaarste. Het ministerie is in gesprek met de sector over een herzieningvan het Besluit capaciteitsverdeling en betrekt daarbij ook het gebruik vankaderovereenkomsten.Het vorige kabinet heeft het besluit genomen om de internationaleverbindingen in merendeel aan open toegang te laten, en de binnen-landse treinverbindingen te garanderen door middel van de nieuweHRN-concessie. Deze aanpak biedt voldoende zekerheid voor de vereistecontinuïteit en garandeert dat treindiensten niet zomaar kunnen wordenafgeschaald. Ook bevat de HRN-concessie tal van prestatie- en kwaliteits-eisen waar de treindiensten aan moeten voldoen. Reizigers kunnen zorekenen op betrouwbare en kwalitatief goede dienstverlening op hetspoor. Immers, vervoerders die treindiensten in open toegang aanbiedendoen dat voor eigen rekening en risico. Als een bepaalde verbinding offrequentie commercieel niet meer interessant is, kan de vervoerderbesluiten om de dienstverlening stop te zetten. Dat heeft directe gevolgenvoor de reiziger.Meer treindiensten in open toegang vraagt om nieuwe en gewijzigdesturingsinstrumenten om de publieke belangen te waarborgen en omrisico’s die (op termijn) kunnen optreden voor de reiziger of het spoorweg-systeem te kunnen mitigeren. Eind 2023 heeft het ministerie een onder-11Kamerstukken II 2023–2024, 21 501-33, nr. 1077Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10848 zoeksrapport12 aan de Kamer gestuurd waarin de verschillen in reguleringtussen open toegang- en concessievervoer in kaart zijn gebracht, evenalsmogelijke aanvullende sturings- en reguleringsinstrumenten vooropentoegangsvervoer. Over de uitkomsten uit het rapport wordt hetgesprek met de sector gevoerd en wordt de balans verkend tussen hetborgen van publieke belangen bij (meer) open toegang, het creëren vanvoldoende ruimte voor open toegangvervoerders om toe te treden en teinnoveren, en de proportionaliteit en handhaafbaarheid van eventuele inte zetten beleidsmaatregelen.«Intelligente Snelheidsassistentie» (ISA)14.In aanloop van de vorige Transportraad hebben de leden van deVVD-fractie vragen (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1071) gesteld over«Intelligente Snelheidsassistentie» (ISA), die vanwegeEU-wetgeving sinds 7 juli 2024 verplicht is in alle nieuwe auto’sen waarmee de bestuurder met piepjes gewaarschuwd wordt alshij/zij 3 km/u of meer te hard rijdt. Deze EU-wetgeving isingevoerd om verkeersveiligheidsredenen. Een van de vragen diedeze leden hebben gesteld is of deze maatregel mogelijk contra-productief werkt. In het antwoord staat te lezen dat het netto-effect op verkeersveiligheid naar verwachting positief is. Wat ishierop de visie van de Staatssecretaris en hoe gaat hij dekomende tijd verder op dit dossier?De visie van het ministerie is dat het netto-effect van ISA op verkeersvei-ligheid naar verwachting positief is. Ook het Instituut voor Wetenschap-pelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) laat in haar studie13 eenverwachte reductie zien van 18% op dodelijke ongevallen en 13% opongevallen met ernstig verkeersgewonden door het gebruik van eenwaarschuwend ISA systeem.ISA is als veiligheidssysteem onderdeel van Europese regels14 voorvoertuigen die de verkeersveiligheid verhogen. De Commissie heeftevaluaties op diverse onderdelen aangekondigd, en Nederland zalbijdragen waar nodig. Zo verzamelt de Commissie gegevens oververkeersongevallen om te analyseren of er een vermindering vanongevallen en snelheidsgerelateerde incidenten is sinds de verplichteinvoering van ISA. Ook worden de systeemprestaties en het gedrag vanbestuurders beoordeeld om te bepalen of ISA effectief bijdraagt aan deverkeersveiligheid. De Commissie gaat ISA uiterlijk op 7 juli 2027evalueren.Om het systeem verder goed te laten functioneren zet het ministerie insamenwerking met betrokken partijen stappen op een aantal terreinen,zoals toelatingseisen, verbeteren van de informatievoorziening,monitoren, een landelijke ISA werkgroep, testen van de werkelijkeprestaties en leren van andere lidstaten. Een uitgebreide toelichtinghierop is vermeld in de beantwoording van Kamervragen die het lidVeltman (VVD) over ISA heeft gesteld.15Toegang tot voertuigdata15.12Bijlage bij Kamerstukken II 2023–2024, 29 984, nr. 117213Bijlage Kamerstukken II 2022–2023, 29 398, nr. 102714General Safety Regulation 2019/2144/EU15Kamerstukken II 2024Z09064Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10849 De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de Europeseontwikkelingen ten aanzien van wetgeving voor de toegang totvoertuigdata. Wat is de opvatting van de Staatssecretaris oversectorspecifieke wetgeving op dit terrein en is hij voornemensacties op dit terrein te nemen? Zo ja, welke?Tijdens het Schriftelijk Overleg van de Transportraad van juni jl. zijnsoortgelijke vragen gesteld over de voortgang en de ontwikkelingen ophet dossier voertuigdata.16 Het ministerie erkent de zorgen over deontwikkelingen op dit dossier. Het is van belang dat bestuurders griphebben op de data die door hun voertuigen wordt verzameld. Dewettelijke kaders die hierop toezien, zijn de Algemene VerordeningGegevensbescherming (AVG) en binnenkort ook de EuropeseDataverordening.Vanwege de wisseling van de Commissie is er momenteel geenvooruitgang te melden op dit wetgevingstraject. Het ministerie blijft demogelijkheden onderzoeken om het onderwerp op een passende wijzeonder de aandacht te brengen, zowel nationaal als internationaal. Hetministerie blijft daarnaast met betrokken partijen in overleg om op dehoogte te blijven van ontwikkelingen en de eventuele standpuntbepalingverder voor te bereiden.NSC-fractie16.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Minister de binnenvaart-vloot optimaal wil benutten om vervoer over water en de modalshift in de EU te stimuleren. Deze leden roepen in herinnering datzijn voorganger in antwoord op vragen van deze leden over eenNederlandse inzet voor een uitzonderingspositie voor binnen-vaartschepen van vóór 1976 schreef dat Nederland met anderelidstaten in een trilateraal overleg is om met een gezamenlijkvoorstel te komen, die zij kunnen inbrengen tijdens het EuropeesComité voor de opstelling van standaarden voor de binnenvaart,CESNI, (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1074). Deze leden vragen omeen stand van zaken van dit overleg en ze vragen of de Ministerkan aangeven wanneer hij verwacht dit voorstel in te kunnenbrengen bij het CESNI.Het ministerie heeft in overleg met de sector in kaart gebracht welketechnische bepalingen kunnen worden opgenomen in een voorstel vooreen algemene regeling voor kleine schepen op internationaal niveau. Devijf Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR)17-lidstaten hebbeninmiddels gezamenlijk een probleemanalyse opgesteld met het doel omhet onderwerp «Herziening van de langlopende overgangsbepalingen inES-TRIN18 om tot een gemeenschappelijke oplossing te komen voor het instand houden van het kleine schip met een lengte van minder dan 55 m»tijdens het CESNI-werkprogramma 2025–2027 te behandelen. Dezeprobleemanalyse zal tijdens de CESNI-vergadering van de werkgroep inseptember 2024 worden besproken, zodat de betrokken taken kunnenworden opgenomen in het werkprogramma 2025–2027. Dit werkpro-gramma zal tijdens de vergadering in oktober aan CESNI ter goedkeuringworden voorgelegd. Na goedkeuring door CESNI kunnen in de periode2025–2027 de beoogde wijzigingen in de ES-TRIN in overleg met anderelidstaten worden uitgewerkt.16Kamerstukken II 2023–2024, 21 501-33, nr. 107417De vijf lidstaten van de CCR zijn België, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland18Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108410 17.De leden van de NSC-fractie merken op dat de Minister schrijftdat hij zich inzet voor het verbeteren van de concurrentiepositievan Europese luchtvaartmaatschappijen, omdat deze te makenhebben met strengere milieu- en arbeidswetgeving dan hunconcurrenten van buiten de EU. Is de Minister het met deze ledeneens dat deze inzet niet mag leiden tot een afzwakking van deEuropese en Nederlandse milieu- en arbeidswetgeving? Hiernaastlezen deze leden ook terug dat de Minister zich bij de herzieningvan de Verordening inzake gemeenschappelijke regels voor deexploitatie van luchtdiensten binnen de EU pleit voor meerprijstransparantie en nader onderzoek naar het verbieden vanextreem lage ticketprijzen vanuit milieuoverwegingen. Ditonderschrijven deze leden van harte. Deze leden vragen of deMinister ook zal pleiten voor een naar afstand gedifferentieerdevliegtaks op Europees niveau.Het ministerie deelt de mening van de leden van de NSC-fractie dat deinzet voor het verbeteren van de concurrentiepositie van Europeseluchtvaartmaatschappijen niet mag leiden tot een afzwakking van deEuropese en Nederlandse milieu- en arbeidswetgeving.Vanaf de invoering van de nationale vliegbelasting in 2021 is er eenvoorkeur uitgesproken voor een Europese vliegbelasting, omwille van eengelijk speelveld voor de luchtvaartsector. Het ministerie heeft de wensvoor een Europese vliegbelasting bij de Commissie neergelegd. DeCommissie heeft het initiatiefrecht hiertoe, maar heeft nog geen initia-tieven genomen om tot een Europese vliegbelasting te komen.D66-fractie18.De leden van de D66-fractie constateren dat er tijdens eerderecommissiedebatten herhaaldelijk is gesproken over het interna-tionale spoorvervoer, met name over prijstransparantie, nieuweverbindingen en een eenvoudig en uniform boekingssysteem. Watis het standpunt van de Staatssecretaris ten aanzien van dezeonderwerpen? Welke concrete stappen gaat de Staatssecretarisin de EU zetten op het gebied van internationaal spoorvervoer?Dit zijn belangrijke onderwerpen om ervoor te zorgen dat de trein eenaantrekkelijk alternatief kan zijn voor internationale reizen. Met de nieuwemarktordening vanaf december 2024 zullen internationale verbindingen,waar het gaat om lange afstanden, in open toegang tot stand komen. Derol van het ministerie zal vooral zijn om te zorgen dat vervoerders hiertoegefaciliteerd en ook gestimuleerd worden. In het Hoofdlijnenakkoordwordt aangekondigd dat het kabinet met voorstellen zal komen voorgrensoverschrijdend spoorvervoer. Hier zal nadere uitwerking aan wordengegeven.19.De leden van de D66-fractie lezen in de geannoteerde agenda dater gesproken wordt over een gelijk speelveld bij de energietran-sitie in de luchtvaart. Is de Minister het met deze leden eens datdit geen excuus mag zijn om geen voortgang te boeken op hetgebied van milieu en klimaat in de Nederlandse en Europeseluchtvaart, enkel omdat derde landen vergelijkbare maatregelenniet treffen? Deelt hij de opvatting dat omwonenden van lucht-havens niet hoeven te wachten op strenger beleid elders in dewereld, en dat de EU en Nederland een voortrekkersrol kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108411 spelen in de bescherming van deze omwonenden? Kan deMinister toelichten wat de inzet van Nederland zal zijn voor deelektrificatie van de luchtvaart? Welke stappen worden hier opEU-niveau al op gezet en hoe is Nederland daarbij aangesloten?Nederland zal voortgang blijven boeken om de bestaande nationale eninternationale doelen te halen. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deenergietransitie zowel voor het klimaat als voor de toekomstige energieze-kerheid en -onafhankelijkheid van de Nederlandse luchtvaartsectornoodzakelijk is. Bovendien biedt het kansen voor de concurrentiepositieen het verdienvermogen van het Nederlandse bedrijfsleven. Het minis-terie zet zich in om deze kansen optimaal te benutten. Een gelijk speelveldis hiervoor van belang. Met internationaal en Europees beleid blijft hetgelijke speelveld behouden en worden weglekeffecten naar het buitenland(zoveel mogelijk) voorkomen. Nationale maatregelen worden geïmple-menteerd indien nodig om de nationale en internationale doelen tebereiken.Op lokaal niveau werkt het ministerie aan beleid om de leefomgevingrondom luchthavens te verbeteren. In de afgelopen twee jaar heeft hetkabinet onderzoek laten doen naar de effecten van luchtvaart op de lokaleluchtkwaliteit. Op basis van deze onderzoeken bekijkt het ministerie welkemaatregelen genomen kunnen worden om de luchtverontreiniging op enrondom luchthavens te verminderen.Het ministerie blijft zich ook inzetten voor de elektrificatie van deluchtvaart. Bijvoorbeeld via het Nationaal Groeifondsprogramma«Luchtvaart in Transitie»19, waarbij onder andere wordt geïnvesteerd inwaterstof-elektrisch vliegen. Op Europees niveau zet het ministerie in oponderzoek en technologische ontwikkeling, en wordt er met de Benelux-landen samengewerkt om elektrisch vliegen in de toekomst mogelijk temaken. Daarnaast is de Nederlandse luchtvaartsector betrokken bijinitiatieven zoals de Alliance for Zero Emission Aviation (AZEA)20 en hetonderzoeks- en ontwikkelprogramma Clean Aviation21 onder HorizonEurope.20.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie in de geannoteerdeagenda over het verbieden van extreem lage ticketprijzenvanwege milieuoverwegingen. Deze leden vragen wat de Ministerhier concreet onder verstaat. Wat beschouwt de Minister alsextreem lage prijzen, en op welke manier en op welk moment zalNederland dit voorstel aan de orde stellen?Extreem lage prijzen zijn niet exact te definiëren. Gedacht kan worden aanticketprijzen die niet of nauwelijks hoger zijn dan de belastingen enheffingen die een luchtvaartmaatschappij per passagier moet betalen.De Commissie zal het initiatief moeten nemen om een minimumticketprijsin te kunnen voeren. Dit valt onder bestaande EU-regelgeving, namelijk inde Verordening inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie vanluchtdiensten binnen de EU.22 Nederland heeft er in 2022 bij de EuropeseCommissie voor gepleit dit onderwerp mee te nemen bij de herzieningvan deze verordening en zal dit blijven doen.19Luchtvaart in Transitie | Overzicht lopende projecten | Nationaal Groeifonds20Alliance for Zero Emission Aviation (europa.eu)21https://www.clean-aviation.eu/22Verordening(EG) Nr. 1008/2008Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108412 BBB-fractie21.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister het belangrijkvindt om te blijven investeren in het TEN-T, en vragen de Ministerom een indicatie te geven van de financiële middelen die geïnves-teerd worden, waar die investeringen gedaan worden en of er eeninvesteringsplan is dat met de Kamer gedeeld kan worden.De nieuwe EU TEN-T verordening is op 18 juli 2024 in werking getreden.Momenteel wordt een implementatieplan voor deze verordening naderuitgewerkt, hierbij zal ook ProRail worden betrokken. Daarbij hoort ookeen indicatie van de financiële middelen die geïnvesteerd worden. Aan ditinvesteringsplan wordt op dit moment gewerkt.22.De leden van de BBB-fractie lezen ook dat het bij investeren ininfrastructuur in veel gevallen gaat om onderhoud envernieuwing van bestaande infrastructuur. Nederland staat dekomende jaren voor flinke investeringen die gedaan moetenworden in bestaande infrastructuur. Kan de Minister nagaan hoeandere lidstaten hun infrastructuuronderhoud spreiden enomgaan met een groot volume aan onderhoudsprojecten? Dezeleden vragen de Minister om te achterhalen of er in anderelidstaten voldoende technisch personeel is voor het onderhoud,en hoe andere lidstaten omgaan met eventuele tekorten aantechnisch personeel. Daarnaast vragen deze leden of geschooldtechnisch personeel uit andere lidstaten ingezet kan worden omonderhoudsklussen in Nederland uit te voeren.De meeste Europese lidstaten staan voor een groeiend volume aanonderhoudsprojecten. In veel lidstaten is een verschuiving zichtbaar vanaanleg van nieuwe infrastructuur naar instandhouding. Daarbij hebben delidstaten net als Nederland steeds meer te maken met groeiende tekortenop de arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerdpersoneel.Iedere lidstaat maakt in de praktijk zijn eigen afwegingen om zo goedmogelijk met het groeiende volume aan onderhoudsprojecten om te gaan.Daarbij wordt rekening gehouden met aspecten zoals bereikbaarheid,regionale en nationale belangen, marktomstandigheden, beschikbarefinanciële middelen, veiligheid etc. De nationale weginfrabeheerders(bijvoorbeeld Rijkswaterstaat) uit de 27 Europese lidstaten hebben hetbelang van de grote instandhoudingsopgave en uitdagingen kenbaargemaakt in een gemeenschappelijk statement waarin zij zich committerenaan onderlinge kennisuitwisseling en samenwerking op dit gebied.In de huidige praktijk worden de meeste (onderhouds)projecten vanRijkswaterstaat via Tenderned Europees aanbesteed. Dit betekent datbuitenlandse bedrijven en werknemers in Nederland aan de slag kunnen.Tegelijkertijd is er sprake van zowel binnenlandse als Europese concur-rentie om technisch personeel, waardoor Nederlandse bedrijven enwerknemers ook in het buitenland aan de slag kunnen.23.De leden van de BBB-fractie zijn tevreden met de beschrevenaanzienlijke positieve ontwikkeling van het aantal nachttreinenen hogesnelheidstreinen over de grens. Kan de Staatssecretarisaangeven welke positieve ontwikkelingen er in Nederlandplaatsvinden? Momenteel rijden er in Nederland treinenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108413 langzamer vanwege slechte infrastructuur. Zou de Staatssecre-taris daar aandacht voor kunnen vragen en na kunnen gaan of erEU-subsidies beschikbaar zijn om acute infrastructuurproblemenmet hogesnelheidstreinen aan te kunnen pakken?Vanaf 2025 komen er meer en snellere treinen van en naar Brussel. Dezetreinen zijn onderdeel van de HRN concessie. Momenteel zijn er vertra-gingen op de hogesnelheidslijn in Nederland als gevolg van de staat vande infrastructuur. Hierover is de kamer op 22 juli jl. middels de KamerbriefVoortgang HSL-Zuid23 geïnformeerd. Uit de Connecting Europe Facility(CEF) zijn subsidies mogelijk voor de ontwikkeling van nieuwe spoor-weginfrastructuur, maar niet voor het onderhoud van bestaande infra-structuur. Bij nieuwe uitvragen voor CEF zal het ministerie nagaan welkemogelijkheden er zijn, ook voor Europese medefinanciering.24.De leden van de BBB-fractie lezen over een vastgesteld vergroe-ningspakket voor goederenvervoer en vragen de Minister om teachterhalen wat de algemene ervaringen van andere lidstatenzijn, of die het haalbaar en betaalbaar vinden voor het bedrijfs-leven en om aandacht te vragen voor de realistische betaal-baarheid van grote investeringen voor mkb-bedrijven om tevoldoen aan het vergroeningspakket.Er is momenteel nog geen sprake van een vastgesteld pakket. Het«Vergroenen van het vrachtverkeer»-pakket richt zich op het vergroten vande efficiëntie en de duurzaamheid van vrachtvervoer en bestaat uitdrie voorstellen: de verordening voor het bepalen van broeikasgase-missies van transportdienstverleningen (CountEmissionsEU)24, deHerziening Richtlijn Gewichten en Afmetingen Zware wegvoertuigen25 ende Verordening capaciteit spoorweginfrastructuur.26 Deze drie voorstellenbevinden zich in verschillende fases van onderhandelingen tussen deEU-instellingen. In Nederland zijn voor de drie CommissievoorstellenBNC-fiches27 opgesteld. Bij het opstellen van deze fiches is de impact diehet Commissievoorstel op het bedrijfsleven zou kunnen hebben meege-nomen. De fiches zijn gedeeld met de Kamer en vormen voor Nederlandhet uitgangspunt bij de onderhandelingen.25.De leden van de BBB-fractie lezen over het emissiehandels-systeem ETS2, en de uitbreiding daarvan voor de binnenvaart. Inhoeverre is de voorgestelde werkwijze realistisch, haalbaar enbetaalbaar en hebben Nederlandse bedrijven een gelijk speelveldmet bedrijven uit het buitenland? Kan de Minister nagaan hoeandere lidstaten daarover denken, wat hun ervaringen en positieszijn ten aanzien van het ETS2-systeem, en of ook andere lidstatenoog hebben voor een haalbaar en betaalbaar systeem?Het vorige kabinet heeft er in het voorjaar van 2024 voor gekozen om allebrandstoffen die worden geleverd aan de mobiliteitssector, onder het23Kamerstukken II 2023–2024, 22 026, nr. 524.24Verordening (EU) Nr. 2018/84225BNC-fiche Herziening Richtlijn Gewichten en Afmetingen Zware wegvoertuigen: Kamer-stukken II 2023–2024, 22 112, nr. 3783.26COM(2023) 443, Ter wijziging van Richtlijn 2012/34/EU en tot intrekking van Verordening (EU)nr. 913/2010 over spoorgoederencorridors27BNC-fiche Verordening bepalen broeikasgasemissies transportdienstverleningen: Kamer-stukken II 2023–2024, 22 112, nr. 3777, BNC-fiche Herziening Richtlijn Gewichten enAfmetingen Zware wegvoertuigen: Kamerstukken II 2023–2024, 22 112, nr. 3783, BNC-ficheVerordening capaciteit spoorweginfrastructuur: Kamerstukken II, 2023–2024, 22 112, nr. 3822.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108414 emissiehandelssysteem ETS2 te brengen. Voor onder andere de binnen-vaartsector maakt Nederland hiertoe gebruik van de zogenaamde opt-in.Deze opt-in levert een bijdrage aan de klimaatdoelen en is juist van belangvoor de uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid van het ETS2. Deimplementatie begint in 2025, zodat het systeem vanaf 2027 een prijs kanverbinden aan de uitstoot van CO2.Vanwege het internationale karakter van de binnenvaartsector bestaat ereen risico op weglekeffecten, omdat binnenvaartschepen in Duitsland ofBelgië kunnen gaan bunkeren28 als deze landen niet zouden kiezen vooreen opt-in. Om de binnenvaart te ondersteunen bij de verduurzamings-opgave, stelt het kabinet daarom geld beschikbaar uit het Klimaatfondsvoor de periode tot en met 2030.Het kabinet monitort of buurlanden per 2027 of in een latere fase ookkiezen voor een opt-in voor de binnenvaart, of deze grenseffectenverminderen en wat de effecten na 2030 zijn.SGP-fractie26.De leden van de SGP-fractie lezen dat de Minister zich wilinzetten voor optimale benutting van de binnenvaartvloot omvervoer over water en de modal shift te stimuleren. Zij delen dezeinzet en hebben hier twee vragen over. In de eerste plaats:betrekt de Minister hierbij ook de kustvaart? In de tweede plaatswillen deze leden wijzen op het verdwijnen van kleine binnen-vaartschepen, omdat aangescherpte technische voorschriftenvoor bestaande schepen niet op te brengen zijn. Juist de kleinebinnenvaartschepen kunnen in de haarvaten van het vaarwe-gennet komen en zo bijdragen aan de modal shift. De Europeserichtlijn voor technische voorschriften (2016/1629) biedt ruimtevoor een groepsontheffing. Wil de Minister hierop inzetten?In de stimuleringsaanpak modal shift van weg naar water wordt rekeninggehouden met de mogelijkheden van de kustvaart. Zowel bij de subsidie-regeling voor opdrachtgevers die verplaatsing van de goederentrans-porten vanaf de weg overwegen als bij de aanbestedingsregeling voorconcessies voor het opzetten van bargelijndiensten, kan de kustvaartgebruik maken van de beschikbare financiële ondersteuning. Daarnaast isde kustvaart ook een onderdeel van het «Hands-on aanpak knelpuntenmodal shift actieprogramma»29, waarbij er verschillende verkennendeonderzoeken plaats hebben gevonden naar de potentie en de benuttingvan kustvaart als modaliteit in het gehele transportsysteem. De resultatenvan deze onderzoeken zijn onderdeel van de besprekingen tijdens deronde tafels kustvaart die gemiddeld vier keer jaar onder leiding van hetministerie georganiseerd worden en waarbij verschillende partijen(havens, vertegenwoordiger reders, terminals, vertegenwoordigercorridor Zuid) vertegenwoordigd zijn. Daarnaast staat deze ronde tafel inhet teken van kennisuitwisseling rondom de modaliteit kustvaart en hetgezamenlijk optrekken en benutten van de mogelijkheden voor het beterpositioneren van kustvaart als modaliteit in het gehele transportsysteem.Over de situatie van kleine binnenvaartschepen en de technischevoorschriften kan worden opgemerkt dat de criteria waaronder deCommissie dispensatie zou kunnen toestaan, volgens het ministerievergelijkbaar zijn met die van de hardheidsclausule van de CCR, namelijkonevenredig hoge kosten en/of technisch moeilijk uitvoerbaar. Dit geldt28«Bunkeren» is het leveren van brandstof aan schepen.29Bijlage bij Kamerstukken II, 2022D47753Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108415 voor individuele gevallen (per schip). Het ministerie heeft de Commissiehierover om opheldering gevraagd.Het ministerie zet zich in voor een gemeenschappelijke oplossing opinternationaal niveau waarbij in overleg met andere lidstaten wordtgewerkt aan herziening van de langlopende overgangsbepalingen inES-TRIN.27.De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zakenis met betrekking tot de ratificatie van de Rotterdam Rules alsopvolger van de Hague-Visby Rules (1924), een verdrag dat stamtuit een tijdperk dat er nog geen sprake was van containervaart encomputersystemen. Zet de Minister zich nationaal en op Europeesniveau in voor ratificatie van het genoemde verdrag, dat inspeeltop nieuwe ontwikkelingen op het gebied van technologie enzeevaart?De Rotterdam Rules zijn op 11 december 2008 aangenomen met als doelom de bestaande verdragen inzake het goederenvervoer over zee temoderniseren en te uniformeren. Nederland heeft de Rotterdam Rules op23 september 2009 ondertekend. Het Verdrag treedt in werking indien hetdoor 20 landen is geratificeerd. Op dit moment hebben slechts vijf landendit gedaan. Om de concurrentiepositie van Nederland niet te benadelen,wordt er gewacht met de ratificatie tot grote handelspartners en omlig-gende landen dit Verdrag ook hebben geratificeerd. Wel zal het ministerieblijven zoeken naar internationaal draagvlak voor ratificatie van deRotterdam Rules.28.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister zich wilinzetten voor hogere beprijzing van vliegbewegingen, waarondervliegbewegingen binnen de Europese Unie, ten behoeve van eeneerlijkere milieubeprijzing, het stimuleren van vervoer per treinen een gelijk speelveld binnen Europa.Vanaf de invoering van de nationale vliegbelasting in 2021, heeftNederland de voorkeur uitgesproken voor een Europese vliegbelasting,omwille van een gelijk speelveld voor de luchtvaartsector. Het ministerieheeft de wens voor een Europese vliegbelasting bij de Commissieneergelegd. De Commissie zal het initiatief moeten nemen om eenminimumticketprijs in te kunnen voeren. Dit is zo geregeld in bestaandeEU-regelgeving, namelijk in de Verordening inzake gemeenschappelijkeregels voor de exploitatie van luchtdiensten binnen de EU. Het ministerieheeft er bij de Commissie voor gepleit dit onderwerp mee te nemen bij deherziening van deze verordening en zal dit blijven doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 108416

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bf4f37e029d4e3b7

14 okt 2026 · 4e2ef51ebccdd186

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.