Verslag van een schriftelijk overleg over het Landelijk Rapport Lokale Educatieve Agenda voor en vroegschoolse educatie (Kamerstuk 31293-725)
Brontekst
Versie 1d0f437a36146eb7 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 293Primair OnderwijsNr. 735 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 17 juni 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Primairen Voortgezet Onderwijs over de brief van 12 maart 2024 inzake LandelijkRapport Lokale Educatieve Agenda voor- en vroegschoolse educatie(Kamerstuk 31 293, nr. 725)De vragen en opmerkingen zijn op 9 april 2024 voorgelegd aan deMinister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Bij brief van 17 juni 2024heeft de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs deze beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Michon-DerkzenAdjunct-griffier van de commissie,Arends kst-31293-735ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7351 InhoudIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2• Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2• Inbreng van de leden van de NSC-fractie3• Inbreng van de leden van de D66-fractie3• Inbreng van de leden van de BBB-fractie4• Inbreng van de leden van de CDA-fractie4IIAntwoord/reactie van de Minister voor Primair enVoortgezet Onderwijs5 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het Landelijk Rapport voor- en vroegschoolseeducatie.Deze leden constateren dat veel achterstanden die kinderen oplopen zichal in de vier eerste levensjaren ontwikkelen maar dat deze achterstandenzeker niet vanzelf tijdens hun schoolloopbaan verdwijnen. Zij waarderendan ook voor-en vroegschoolse educatie omdat men hiermee kinderenvan tweeënhalf tot vier jaar die een achterstand hebben, bijvoorbeeld ophet gebied van taal, spelenderwijs stimuleert in hun ontwikkeling opverschillende gebieden. Zo kunnen deze kinderen hun achterstand daninlopen en een goede start maken op de basisschool. Kan de Ministeruiteenzetten op welke wijze bij de vroeg- en voorschoolse educatiegestalte wordt gegeven aan spelend leren? Welke consequenties verbindtde Minister aan het grote belang van de voor- en vroegschoolse educatievoor het zo snel mogelijk wegwerken van achterstanden, nu bijna tweederde van de gemeenten minder dan 100% van de doelgroeppeuters blijktte bereiken en het landelijke bereik blijft steken bij 77%, wat lager is dande voorafgaande jaren? Welke mogelijkheden ziet de Minister om met degemeenten in gesprek te gaan, nu deze zich niet altijd bewust lijken vanhun wettelijke verplichting om jaarlijks te overleggen over de doelgroep-definitie, toeleiding en doorgaande leerlijn en om na te gaan of eerdergemaakte afspraken nog altijd voldoen?In totaal besloten gemeenten beredeneerd om bij 20% geconstateerdetekortkomingen met het advies tot handhaven, hier niet toe over te gaan.Dit gebeurde vooral bij voorwaarden gerelateerd aan de inzet vanvoldoende (gekwalificeerd) personeel, zowel voor de kinderopvang als devoor- en vroegschoolse educatie. Deze leden delen de zorg van deinspectie voor de mate waarin de opvang van (kwetsbare) kinderenhiermee in het geding is. Welke mogelijkheden ziet de Minister om nietalleen te handhavend op te laten treden maar ook de personeelstekortenin de kinderopvang als de voor- en vroegschoolse educatie het hoofd tebieden?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ervan kennisgenomendat de Minister onderzoek wil laten doen naar verlaging van deleerplichtige leeftijd van vijf naar vier jaar. Kan de Minister een inhoude-lijke reactie geven op het pleidooi van de Amsterdamse Onderwijswet-houder Moorman dat een gratis voorschool veel effectiever zou zijn?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het terecht dat deMinister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verantwoordelijkheiddraagt voor de voor- en vroegschoolse educatie en vinden sowieso dat bijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7352 kinderopvang de focus moet liggen op de pedagogisch-didactische visiein plaats van de functie als arbeidsmarktinstrument. Daarom willen zij datkinderopvang met het daarbij behorende budget verschuift van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar het Ministerie vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap. In hoeverre deelt de Minister dezevisie?Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie zijn erg geschrokken bij het lezen van hetLandelijk Rapport Lokale Educatieve Agenda voor- en vroegschoolseeducatie 2022/2023. Uit de conclusie blijkt immers dat scholen engemeenten samen niet genoeg in staat zijn concreet op beheersings-doelen te sturen. Als deze leden het stuk onder «resultaatafspraken: effectis onvoldoende duidelijk, gesprek wordt wel gevoerd» lezen komen zij totde volgende conclusie:In totaal heeft Nederland 342 gemeenten. Twee derde daarvan maaktafspraken over resultaten vve1. Dat zijn dus 225 gemeenten die dat doen.Van die gemeenten maakt 92% afspraken over een van de belangrijkstepijlers van vve, namelijk taalontwikkeling. Dat zijn in totaal 207gemeenten. Van die gemeenten richt twee derde zich echt op verwachteresultaten. Dat zijn slechts 137 gemeenten, minder dan de helft dus. Maarvan die gemeenten evalueert 4/5 daadwerkelijk de gestelde doelen. Datzijn 110 gemeenten. Van die 110 gemeenten is er slecht 50% wat dedoelen in «meer of mindere mate» haalt. Van de 342 gemeenten zijn erdus slechts 55 gemeenten die taalontwikkelingsdoelen evalueren en(deels) behalen.De leden van de NSC-fractie vragen of deze constatering juist is. Hoedenkt de Minister hierop te gaan sturen? Wat wil de Minister concreetveranderen?De leden van de NSC-fractie zien dat op dit moment de verantwoorde-lijkheid en de financiering gesplitst zijn tussen gemeenten en schoolbe-sturen. Zij vragen dan ook in hoeverre dit op de lange termijn houdbaaren wenselijk is en of het niet overzichtelijker zou zijn voor gemeenten enschoolbesturen als er slechts één financieringsstroom en één verantwoor-delijkheid zou bestaan.De leden van de NSC-fractie vragen of de Minister een regionale aanpak(REA) beter of slechter vindt dan een lokale aanpak als het gaat over deuitvoering en financiering van vve-beleid.De leden van de NSC-fractie vragen wat de visie is van de Minister op deIKC2-gedachte en het belang van doorgaande leerlijnen in relatie tot vve.De leden van de NSC-fractie vragen ten slotte of de Minister een vroeg-tijdige separate reactie kan geven op dit rapport en niet te wachten tot hetnajaar.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van hetLandelijk Rapport Lokale Educatieve Agenda voor- en vroegschoolseeducatie en zij danken de inspectie voor haar inspanningen. Deze leden1vve: voor- en vroegschoolse educatie2IKC: Integraal KindcentrumTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7353 zien graag de kabinetsreactie tegemoet en hebben op dit moment geenvragen.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het LandelijkRapport Lokale Educatieve Agenda voor- en vroegschoolse educatie. Deleden hebben vragen en opmerkingen over de mate waarin gemeentenoverleg hebben gevoerd, afspraken hebben gemaakt en doelen hebbenbereikt met betrekking tot de LEA/vve.De leden van de BBB-fractie zijn verheugd dat de meeste gemeenten hetthema «bestrijden van onderwijsachterstanden» bespreken in de LEA. Hetis echter verontrustend dat de onderwerpen «voorkomen van segregatie»en «afstemmen van inschrijvings- en toelatingsprocedures» onderbelichtzijn in het LEA-overleg.De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten zich niet altijd bewustlijken van de wettelijke verplichting om jaarlijks overleg te voeren over dedoelgroepdefinitie en doorgaande lijn en na te gaan of eerder gemaakteafspraken nog voldoen, in het kader van de LEA en vve. De leden willenweten of en hoe dit bewustzijn bij gemeenten kan worden vergroot. In hetrapport lezen de leden dat het percentage ouders dat hun kinderen laatdeelnemen aan voorschoolse educatie lager ligt dan voorgaande jaren.Kan nader worden toegelicht waardoor dit komt?In het rapport lezen de leden van de BBB-fractie dat tekortschietendeambtelijke capaciteit of te hoge werkdruk bij schoolbesturen er soms voorzorgt dat de LEA agenda niet volledig wordt uitgevoerd. Deze ledenmaken zich ernstige zorgen over de werkdruk in het onderwijs en vragenop welke manieren er ondersteuning kan worden geboden.Tegelijkertijd lezen de leden van de BBB-fractie dat gemeenten zaken nietoppakken, omdat de onderwerpen niet relevant zijn binnen de gemeenteof de onderwerpen niet spelen. Kan het risico worden uitgesloten datgemeenten zich bezighouden met overbodige administratieve taken op ditterrein? Daarnaast baart het de voornoemde leden zorgen dat het verlooponder ambtenaren en regelmatige onderbezetting van capaciteit leidt toteen regelmatige inzet van freelancers. Deze leden delen de mening van deinspectie dat gebrek aan continuïteit de kwaliteit van de taakuitvoeringdoorgaans niet ten goede komt.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik omenkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleidingvan het rapport Landelijk Rapport Lokale Educatieve Agenda voor- envroegschoolse educatie.De bevindingen die de inspectie in dit rapport beschrijft, komen groten-deels overeen met de conclusies uit het themarapport Onderwerp vangesprek en de Jaarrapportage LEA/vve over 2021. Kan de Ministeruiteenzetten welke concrete maatregelen er naar aanleiding van boven-staande rapporten zijn genomen en in hoeverre deze maatregelen effecthebben gehad?Een vijfde tot een kwart van de gemeenten evalueerde de doelen niet. Datbetekent dat deze gemeenten de kwaliteitscyclus nog niet volledig volgenen dat vindt de inspectie zorgelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7354 Deze leden vragen wat dit vervolgens betekent. Omvat dit dat voor eenvijfde tot een kwart van de gemeenten niet inzichtelijk kan wordengemaakt of onderwijsachterstanden bestreden worden? Dat zouden deleden van deze fractie een zorgelijk bericht vinden.De leden van de CDA-fractie merken op dat gemeenten, volgens de wet,voldoende kindplaatsen moeten hebben. De indruk van de inspectie is dathet aanbod van kindplaatsen in de meeste gemeenten op orde is. Hoemoeten deze leden de «meeste» gemeenten lezen en kan uiteengezetworden waar deze indruk op gebaseerd is?De leden van de CDA-fractie merken op dat het landelijke bereik op 77%ligt. Dat is lager dan voorgaande jaren maar het betreft een andere groepgemeenten. Het aantal bereikte peuters (uit de doelgroep), als het aantalkindplaatsen, lijkt stabiel te zijn. Wat wordt hier precies mee bedoeld enkan dit worden toegelicht?De leden van de CDA-fractie merken op dat wat betreft het verdiepingson-derzoek de inspectie stelt dat een derde van de gemeenten geenafspraken maakt over de resultaten van vroegschoolse educatie, terwijl zijdat wettelijk wel verplicht zijn. Wat kan de Minister doen zodat de wettelijktaak wordt nageleefd?De leden van de CDA-fractie merken tot slot op dat de gemeente DenHaag voor de doelgroep de verwijzing gratis heeft gemaakt, dat betaalt degemeente en ook heeft de gemeente de administratieve rompslompovergenomen. Denkt de Minister dat dit soort hulp van een gemeentebijdraagt dat meer kinderen in achterstandsposities gebruik maken vanvoorschoolse educatie en waarom wel of waarom niet?II Antwoord/reactie van de Minister voor Primair en VoortgezetOnderwijs De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de Minister kanuiteenzetten op welke wijze bij de vroeg- en voorschoolse educatiegestalte wordt gegeven aan spelend leren.Volgens het besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie,artikel 5, dient voor de voorschoolse educatie een programma te wordengebruikt «waarin op gestructureerde en samenhangende wijze deontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen,motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.» Deze ontwikkeling kanvia spelend leren worden gestimuleerd, maar de regelgeving laat ditopen.3 Er is geen regelgeving voor vroegschoolse educatie. Scholenbepalen de invulling hiervan zelf.Daarnaast vragen de leden van deze fractie welke consequenties deMinister verbindt aan het grote belang van de voor- en vroegschoolseeducatie voor het zo snel mogelijk wegwerken van achterstanden, nubijna twee derde van de gemeenten minder dan 100% van de doelgroep-peuters blijkt te bereiken en het landelijke bereik blijft steken bij 77%, watlager is dan de voorafgaande jaren.De afgelopen jaren lag het bereik van voorschoolse educatie rond de 80tot 85 procent. Dit jaar rapporteert de inspectie een iets lager bereik van77 procent. De inspectie merkt hierbij op dat de cijfers niet altijd bekendzijn en ook niet altijd betrouwbaar, omdat niet alle gemeenten deze data3wetten.nl - Regeling - Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie -BWBR0027961 (overheid.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7355 systematisch verzamelen en daarbij dezelfde doelgroepdefinitie hanteren.Hierdoor is er geen sprake van uniformiteit in de data, waardoor dus nietgesteld kan worden dat het bereik is gedaald. Om een beter beeld tekrijgen van het bereik van voorschoolse educatie en maatregelen diekunnen bijdragen aan het verhogen hiervan, voert de inspectie dit jaar eenonderzoek uit naar hoe gemeenten invulling geven aan de onderwerpendoelgroepdefinitie, toeleiding en bereik. De inspectie rapporteert hierovereind 2024. Begin 2025 zal een beleidsreactie volgen op de uitkomsten vandit onderzoek.Vervolgens vragen de leden de fractie van GroenLinks-PvdA welkemogelijkheden de Minister ziet om met de gemeenten in gesprek te gaan,nu deze zich niet altijd bewust lijken van hun wettelijke verplichting omjaarlijks te overleggen over de doelgroepdefinitie, toeleiding endoorgaande leerlijn en om na te gaan of eerder gemaakte afspraken nogaltijd voldoen.Zoals eerder aangekondigd in de aanbiedingsbrief van 12 maart jl. bij hetLandelijk rapport LEA/VVE 2022/2023 aan uw Kamer, zal ik na de zomereen gezamenlijke beleidsreactie sturen op drie rapporten van deinspectie.4 Het gaat hier om het rapport dat in juni 2023 is uitgebrachtnaar de kwaliteit van voorschoolse educatie, het rapport over de LokaleEducatieve Agenda/vve van maart 2024 en het rapport dat in juni 2024verschijnt over vroegschoolse educatie. In deze beleidsreactie zal ikuitgebreider ingaan op welke acties ik wil inzetten ten aanzien van dezerapporten.Dit staat los van de reactie die in 2025 volgt naar aanleiding van deuitkomsten met betrekking tot doelgroependefinitie, zoals eerdergenoemd.Daarnaast constateren de leden van deze fractie dat gemeenten berede-neerd besloten om bij 20% geconstateerde tekortkomingen met het adviestot handhaven, hier niet toe over te gaan. Dit gebeurde vooral bijvoorwaarden gerelateerd aan de inzet van voldoende (gekwalificeerd)personeel, zowel voor de kinderopvang als de voor- en vroegschoolseeducatie. Deze leden delen de zorg van de inspectie voor de mate waarinde opvang van (kwetsbare) kinderen hiermee in het geding is. Welkemogelijkheden ziet de Minister om niet alleen te handhavend op te latentreden maar ook de personeelstekorten in de kinderopvang als de voor- envroegschoolse educatie het hoofd te bieden?Ook hierop zal ik uitgebreider ingaan in mijn beleidsreactie die na dezomer volgt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ervan kennisgenomendat de Minister onderzoek wil laten doen naar verlaging van deleerplichtige leeftijd van vijf naar vier jaar. Kan de Minister een inhoude-lijke reactie geven op het pleidooi van de Amsterdamse Onderwijswet-houder Moorman dat een gratis voorschool veel effectiever zou zijn?Ik ben op de hoogte van het pleidooi van de Amsterdamse Onderwijswet-houder Moorman voor een voor ouders gratis aanbod voor voorschoolseeducatie. Het onderzoek waar de leden van de GroenLinks-PvdA-fractienaar verwijzen, gaat in den brede over het verbeteren van de start vankwetsbare kinderen op de basisschool. Welk instrument daarvoor hetmeest kansrijk wordt geacht, zal uit dit onderzoek blijken. Ik laat ditonderzoek momenteel uitvoeren. De uitkomsten van dit onderzoek4Kamerstuk 31 293, nr. 725Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7356 worden eind 2024 verwacht. Ik wil dit onderzoek daarom afwachten voorik hierover naar uw Kamer reageer. Het is al bekend dat voorschoolseeducatie bijdraagt aan een goede start op de basisschool. Vandaar dat ikop verschillende manieren inzet op het verbeteren van het bereik enkwaliteit van de voorschoolse educatie.5De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het terecht dat deMinister voor Primair en Voortgezet Onderwijs verantwoordelijkheiddraagt voor de voor- en vroegschoolse educatie en vinden sowieso dat bijkinderopvang de focus moet liggen op de pedagogisch-didactische visiein plaats van de functie als arbeidsmarktinstrument. Daarom willen zij datkinderopvang met het daarbij behorende budget verschuift van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar het Ministerie vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap. In hoeverre deelt de Minister dezevisie?De stelsels van kinderopvang en onderwijs dienen elkaar te versterken.Daarom is het belangrijk dat kinderopvang en onderwijs goed samen-werken om kinderen een doorlopende ontwikkellijn te kunnen bieden enouders te ontzorgen. Intergrale Kindcentra zijn hier een uiting van. In depraktijk zien we aansprekende voorbeelden van verschillende vormen vansamenwerking, bijvoorbeeld combinatiebanen van pedagogischeprofessionals die zowel op school als de buitenschoolse opvang werken.Ik werk dan ook doorlopend met het Ministerie van SZW aan de verdereverbetering van de samenwerking tussen kinderopvang en primaironderwijs, binnen de bestaande stelsels. Een beslissing over de visie opkinderopvang en de daarbij passende budgettering laat ik aan een nieuwkabinet.De leden van de NSC-fractie vragen wat de visie van de Minister is op deIKC-gedachte en het belang van doorgaande leerlijnen in relatie tot vve.In mijn visie versterken kinderopvang en onderwijs elkaar. Dat kanwanneer kinderopvang en onderwijs goed samenwerken. Door goedsamen te werken, kunnen kinderen een doorlopende ontwikkelingdoormaken en worden ouders ontzorgd. Ook bij de IKC-gedachte staat desamenwerking tussen opvang en onderwijs en de doorgaande leerlijn vankinderen en leerlingen centraal. Samen met het Ministerie van SZW werkik continu aan het versterken van de samenwerking tussen onze sectoren.Ik zie dat kinderopvanglocaties en scholen in Nederland hetzelfde doen enjuich dit toe.In totaal heeft Nederland 342 gemeenten. Twee derde daarvan maaktafspraken over resultaten vve. Dat zijn dus 225 gemeenten die dat doen.Van die gemeenten maakt 92% afspraken over een van de belangrijkstepijlers van vve, namelijk taalontwikkeling. Dat zijn in totaal 207gemeenten. Van die gemeenten richt twee derde zich echt op verwachteresultaten. Dat zijn slechts 137 gemeenten, minder dan de helft dus. Maarvan die gemeenten evalueert 4/5 daadwerkelijk de gestelde doelen. Datzijn 110 gemeenten. Van die 110 gemeenten is er slecht 50% wat dedoelen in «meer of mindere mate» haalt. Van de 342 gemeenten zijn erdus slechts 55 gemeenten die taalontwikkelingsdoelen evalueren en(deels) behalen. De leden van de NSC-fractie vragen of deze constateringjuist is. Hoe denkt de Minister hierop te gaan sturen? Wat wil de Ministerconcreet veranderen?5Kamerstuk 27 020, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7357 De constatering is juist, al zijn het 56 gemeenten die taalontwikkelings-doelen evalueren en (deels) behalen. Twee derde van 342 gemeentenkomt neer op 228 gemeenten. Deze gemeenten maken afspraken over deresultaten van vroegschoolse educatie. 92 procent van 228 gemeeneten isafgerond 210 gemeenten (209,76), deze gemeenten maken afspraken overde taalontwikkeling. Twee derde daarvan richt zich op verwachteresultaten, dat zijn afgerond 140 gemeenten (139,8). Vier vijfde daarvankomt op 112 gemeenten (111,8), zij evalueren of gestelde doelen zijnbereikt. Van die 112 gemeenten behaalt 50 procent de doelen min of meer,dat zijn 56 gemeenten.Vanaf 2023 dienen gemeenten zich volgens de regelgeving te verant-woorden over deze gemeentelijke taken.6 Deze verantwoording dient doorhet college van burgemeesters en wethouders ook met de gemeenteraadte worden gedeeld. Daarnaast ontvangt de inspectie deze verantwoordingvanuit haar rol als interbestuurlijk toezichthouder om te bepalen of bij eengemeente een mogelijk risico speelt in de taakuitvoering. Indien ditvolgens de inspectie het geval is, neemt de inspectie contact op met degemeente. Tevens voert de inspectie stimulerende gesprekken metgemeenten om bewustwording over de gemeentelijke taken en deverantwoording daarover te vergroten.In mijn beleidsreactie die na de zomer volgt zal ik nader ingaan opmogelijke verbetering op deze sturing.De leden van de NSC-fractie zien dat op dit moment de verantwoorde-lijkheid en de financiering gesplitst zijn tussen gemeenten en schoolbe-sturen. Zij vragen dan ook in hoeverre dit op de lange termijn houdbaaren wenselijk is en of het niet overzichtelijker zou zijn voor gemeenten enschoolbesturen als er slechts één financieringsstroom en één verantwoor-delijkheid zou bestaan.Mijn beleidsreactie op het Landelijke rapport LEA/VVE zal ook op dezevraag nader ingaan. Deze volgt zoals eerder gezegd na de zomer.Daarnaast vragen de leden van de NSC-fractie of de Minister eenregionale aanpak (REA) beter of slechter vindt dan een lokale aanpak alshet gaat over de uitvoering en financiering van vve-beleid.De Regionale Educatieve Agenda (REA) is een regionale versie van deLokale Educatieve Agenda. Zo’n REA komt niet overal voor en is ook nietverplicht. De REA is vooral van toepassing als schoolbesturen gemeente-overstijgend opereren. In 2010 is het kabinet gestart om het werken metde REA te stimuleren, om hiermee een educatieve agenda te kunnenontwikkelen voor leerlingen van 0 tot 23 jaar en om hierbij de doorgaandeleerlijnen te borgen. Het is niet bekend hoeveel REA’s er momenteel zijn.De inspectie constateert wisselende resultaten: «Waar met een RegionaleEducatieve Agenda gewerkt wordt, is deze soms een vervanging van delokale agenda en soms een aanvulling. Waar de REA een vervangingvormt van de LEA, horen we van gemeenten dat de oorspronkelijkeLEA-thema’s wat ondergesneeuwd raken. Maar je zou ook kunnenconcluderen dat de thema’s nu juist in een brede context wordenopgepakt.» (p. 13)7 Het is dus niet mogelijk om eenduidig te concluderendat een REA beter of slechter is.6Staatscourant 2023, 12490 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakin-gen.nl)7Themaonderzoek «Doelbereik Lokale Educatieve Agenda», Inspectie van het Onderwijs, 2019.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7358 De leden van de NSC-fractie vragen ten slotte of de Minister een vroeg-tijdige separate reactie kan geven op dit rapport en niet te wachten tot hetnajaar.De inspectie onderzoekt momenteel de kwaliteit van de vroegschoolseeducatie en verwacht dit rapport in juni 2024 af te ronden. Vroegschoolseeducatie raakt nauw aan het thema van dit rapport, de Lokale EducatieAgenda en vve en raakt ook aan het thema van het inspectierapport vanjuni 2023 over voorschoolse educatie. Ik hecht er waarde aan om met éénintegrale reactie op alle drie de rapporten te komen.De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten zich niet altijd bewustlijken van de wettelijke verplichting om jaarlijks overleg te voeren over dedoelgroepdefinitie en doorgaande lijn en na te gaan of eerder gemaakteafspraken nog voldoen, in het kader van de LEA en vve. De leden willenweten of en hoe dit bewustzijn bij gemeenten kan worden vergroot. In hetrapport lezen de leden dat het percentage ouders dat hun kinderen laatdeelnemen aan voorschoolse educatie lager ligt dan voorgaande jaren.Kan nader worden toegelicht waardoor dit komt?Zie de antwoorden van de eerder gestelde vragen door de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie over de deelname aan voorschoolse educatie.Mijn beleidsreactie die na de zomer volgt zal eveneens uitgebreiderantwoord geven op mogelijke oorzaken van non-bereik van voorschoolseeducatie. Zie verder het antwoord op de vraag van de CDA-fractie over derol van interbestuurlijk toezicht bij de inspectie.In het rapport lezen de leden van de BBB-fractie dat tekortschietendeambtelijke capaciteit of te hoge werkdruk bij schoolbesturen er soms voorzorgt dat de LEA agenda niet volledig wordt uitgevoerd. Deze ledenmaken zich ernstige zorgen over de werkdruk in het onderwijs en vragenop welke manieren er ondersteuning kan worden geboden.Gemeenten hebben een voortrekkersrol bij het maken van afspraken overde Lokale Educatieve Agenda. Schoolbesturen hebben hier ook een rol in,maar deze is aanzienlijk kleiner. Wij beschikken niet over cijfers tenaanzien van de ervaren werkdruk specifiek bij schoolbesturen en dezeworden ook niet nader in het rapport geconcretiseerd. In het rapportwordt aangegeven dat werkdruk door schoolbesturen als reden, maar nietals belangrijkste reden, wordt genoemd om te verklaren waarom hetlokale educatieve agenda overleg niet over alle thema’s is gevoerd.Tegelijkertijd lezen de leden van de BBB-fractie dat gemeenten zaken nietoppakken, omdat de onderwerpen niet relevant zijn binnen de gemeenteof de onderwerpen niet spelen. Kan het risico worden uitgesloten datgemeenten zich bezighouden met overbodige administratieve taken op ditterrein?Gemeenten zijn vrij om te bepalen wat zij administreren op dit gebied enop welke wijze zij dit doen. Gemeenten bepalen daarmee ook zelf dezwaarte van hun administratieve taken.De leden van de CDA fractie constateren dat de bevindingen die deinspectie in dit rapport beschrijft, grotendeels overeen komen met deconclusies uit het themarapport Onderwerp van gesprek en de Jaarrap-portage LEA/vve over 2021. Kan de Minister uiteenzetten welke concretemaatregelen er naar aanleiding van bovenstaande rapporten zijngenomen en in hoeverre deze maatregelen effect hebben gehad?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7359 De bevindingen van het recente rapport van de inspectie sluiten aan op debevindingen die de inspectie in 2022 meldde over 2021. Het rapport over2021 is middels een verzamelbrief van 22 december 2022 naar uw Kamergestuurd.8 Hierin stond vermeld dat de inspectie naar aanleiding van hetonderzoek over 2021 de aanbeveling deed om het wetartikel over deLokale Educatieve Agenda te evalueren en waar nodig te herzien.Inmiddels loopt deze evaluatie. Ik zal uw Kamer over de uitkomstendaarvan in mijn beleidsreactie uitgebreider informeren. Daarnaast heeftde inspectie vanuit haar rol van interbestuurlijk toezichthouder metinwerkingtreding van het nieuwe kader van 1 januari 2023 diversestimulerende activiteiten ontplooid en uitgevoerd om de bewustwordingvan de verantwoordelijkheden en verplichtingen bij gemeenten tevergroten. Over de mogelijke effecten wordt in het Landelijk RapportLEA-vve eind 2024 gerapporteerd.Een vijfde tot een kwart van de gemeenten evalueerde de doelen niet. Datbetekent dat deze gemeenten de kwaliteitscyclus nog niet volledig volgenen dat vindt de inspectie zorgelijk. Deze leden vragen wat dit vervolgensbetekent. Omvat dit dat voor een vijfde tot een kwart van de gemeentenniet inzichtelijk kan worden gemaakt of onderwijsachterstanden bestredenworden? Dat zouden de leden van deze fractie een zorgelijk berichtvinden.In mijn beleidsreactie in 2025 ga ik hier uitgebreider op in.De leden van de CDA-fractie merken op dat gemeenten, volgens de wet,voldoende kindplaatsen moeten hebben. De indruk van de inspectie is dathet aanbod van kindplaatsen in de meeste gemeenten op orde is. Hoemoeten deze leden de «meeste» gemeenten lezen en kan uiteengezetworden waar deze indruk op gebaseerd is?Dit is gebaseerd op de informatie die de gemeenten hierover aanleveren,waaruit blijkt dat gemeenten verschillend met het aantal beschikbarekindplaatsen omgaan. Sommige gemeenten volgen nauwgezet hunpercentage bereik over de jaren heen. Wanneer dit stabiel of binnen vastemarges ligt, stemmen zij hun aantal beschikbare plekken daarop af. Zijvinden het niet effectief om structureel een (mogelijk) overschot aankindplaatsen te financieren. Andere gemeenten hanteren een volgendsubsidiesysteem. Op basis van de aantallen geplaatste geïndiceerdepeuters verstrekken zij subsidie aan houders. Dit kan in beide situatiesbetekenen dat het aantal kindplaatsen op papier niet toereikend is, maardat er in de praktijk geen wachtlijsten zijn en ieder kind geplaatst kanworden.De leden van de CDA-fractie merken op dat het landelijke bereik op 77%ligt. Dat is lager dan voorgaande jaren maar het betreft een andere groepgemeenten. Het aantal bereikte peuters (uit de doelgroep), als het aantalkindplaatsen, lijkt stabiel te zijn. Wat wordt hier precies mee bedoeld enkan dit worden toegelicht?Zie de antwoorden van de eerder gestelde vragen door de GroenLinks-PvdA-fractie over de deelname aan voorschoolse educatie. Bedoeld wordtdat als alleen gekeken wordt naar gemeenten die altijd de informatieaanleveren, het bereik stabiel is.De leden van de CDA-fractie merken op dat wat betreft het verdiepingson-derzoek de inspectie stelt dat een derde van de gemeenten geenafspraken maakt over de resultaten van vroegschoolse educatie, terwijl zij8Kamerstuk 31 293, nr. 656Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73510 dat wettelijk wel verplicht zijn. Wat kan de Minister doen zodat de wettelijktaak wordt nageleefd?Ik ga met de inspectie, VNG en deskundigen uit het veld in gesprek overde uitvoering van de wettelijke afspraken en betere naleving daarvan. Ikzal hier dieper op ingaan in mijn beleidsreactie die na de zomer volgt.De leden van de CDA-fractie merken tot slot op dat de gemeente DenHaag voor de doelgroep de verwijzing gratis heeft gemaakt, dat betaalt degemeente en ook heeft de gemeente de administratieve rompslompovergenomen. Denkt de Minister dat dit soort hulp van een gemeentebijdraagt dat meer kinderen in achterstandsposities gebruik maken vanvoorschoolse educatie en waarom wel of waarom niet?De eerste focus van gemeenten is om de onderwijsachterstanden weg tewerken. Het Ministerie van OCW geeft gemeenten hiervoor jaarlijksbudget. Het landelijke budget dat voor gemeenten beschikbaar is vooronderwijsachterstanden van peuters en basisschoolleerlingen, is in 2024circa 566 miljoen. Het grootste deel daarvan (ruim 60%) bestedengemeenten aan voorschoolse educatie.Den Haag is één van de totaal 19 gemeenten die deelnemen aan hetNationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Deze gemeentenontvangen via een specifieke uitkering extra subsidie die onder andere isbedoeld voor het vergroten van de deelname aan voorschoolse educatie.Mijn ministerie is met de gemeente Den Haag in gesprek over hun nieuwebeleid en wat we hiervan op landelijk niveau kunnen leren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73511
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.