KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

11 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie c3e7408bc105f653 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 577Wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagenen van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen, houdendeaanpassingen in de hersteloperatie toeslagenvan bepaalde termijnen, van de peildatum voorbrede ondersteuning voor gedupeerden in hetbuitenland en van de nabestaandenregeling (Wetaanpassing termijnen en nabestaandenregelinghersteloperatie toeslagen)Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 11 september 2024 InhoudsopgaveI.ALGEMEEN11.1.Mogelijke beleidsalternatieven42.De termijn voor het doen van een aanvraag vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade vooraanvrager van kinderopvangtoeslag63.Aanpassing van de termijn voor het indienen van eenbezwaarschrift84.Aanpassing van de regeling voor nabestaanden vanoverleden gedupeerden125.Peildatum brede ondersteuning ouders in het buitenland156.Grondslag voor commissies bij de uitvoering van deaanvullende regelingen167.Budgettaire aspecten178.Uitvoerders188.1.Dienst Toeslagen188.2.Commissie werkelijke schade (CWS)198.3.Ondersteuningsteam ouders in het buitenland (OTB)199.Doenbaarheid van de maatregelen2010.Adviesorganen2010.1.Raad voor rechtsbijstand20 I. ALGEMEEN Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van de PVV, de VVD, NSC,GroenLinks-PvdA, D66, het CDA en de SGP. De vragen van diverse fractiesvan uw Kamer inzake het wetsvoorstel, en een aantal belangrijkeontwikkelingen rondom de hersteloperatie toeslagen, hebben het kabinetertoe gebracht het wetsvoorstel bij nota van wijziging aan te passen. Het kst-36577-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 81 kabinet kiest ervoor om de beslistermijn voor de aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade niet meer te verlengen naar maximaaltwaalf maanden, met de mogelijkheid om die termijn met maximaaltwaalf maanden te verlengen. Dit betekent dat de huidige beslistermijnvan maximaal zes maanden, met een verlengingsmogelijkheid vanmaximaal zes maanden blijft bestaan. Hierna wordt dit besluit toegelicht.Tot op heden lukt het helaas niet om ouders die via de bestuursrechtelijkeroute een aanvraag indienden voor aanvullende compensatie van dewerkelijke schade, binnen de wettelijke termijn van zes maanden –eenmalig te verlengen met maximaal zes maanden – een beschikking tegeven. Het kabinet zet daarom al geruime tijd in op enerzijds versnellingvan de afhandeling van aanvragen door de Commissie aanvullendeschadevergoeding werkelijke schade (CWS), en anderzijds op hetverlichten van de druk op de CWS door alternatieve schaderoutes in terichten.Op 16 juli 2024 is een dienstverleningsovereenkomst gesloten met deStichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH), waarmee een grote groepgedupeerden de mogelijkheid heeft gekregen om op een vereenvoudigdewijze aanvullende compensatie te krijgen voor werkelijke schade. Deverwachting is dat een groot deel van de ouders die nu nog in de wachtrijstaan bij de CWS, of ouders die zich daar in de toekomst zouden hebbenaangemeld, niet meer door de CWS maar via de alternatieve schaderoute,uitgevoerd door SGH, geholpen zal worden om hun financieel herstel af teronden. Daarmee zal de druk op de CWS aanzienlijk afnemen, al blijft ereen aanzienlijke groep ouders over die (nog) niet de route van de SGHkunnen of willen bewandelen. Mede om de druk op de CWS verder teverlichten wordt momenteel gewerkt aan opschaling van de RegierouteVSO, en worden voorbereidingen getroffen voor de introductie van eendigitale schaderoute.Tegelijkertijd blijft het kabinet volop inzetten op het versnellen van deafhandeling door de CWS. Er blijft immers nog steeds een groep oudersdie ervoor zal kiezen om hun aanvraag voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade via de CWS te laten afhandelen. Dit kan zijnomdat zij schadeposten hebben die zich niet lenen voor vergoeding doorde SGH (zoals medische gevolgschade, omdat zij vinden dat een meerfijnmazige aanpak beter bij hun situatie past of omdat zij op dit momentnog niet terecht kunnen bij de SGH-route omdat zij (nog) niet binnen deaanmeldingscriteria vallen. Uw Kamer is met de brief van de Staatssecre-taris van Financiën – Toeslagen en Douane van 31 mei 20241 geïnfor-meerd dat het kabinet met de CWS afspraken heeft gemaakt om het aantaladviezen dat de CWS vaststelt te laten groeien. In haar plan van aanpakspreekt de CWS de wens uit grondig te vernieuwen door aan de ene kantde eigen beleidskaders te heroverwegen ten opzichte van ruimhartigheiden aan de andere kant door organisatorische maatregelen te nemen omde productiesnelheid te verhogen.2In het onderhavige wetsvoorstel, zoals dat luidde op het moment vanindiening bij uw Kamer op 18 juni 2024, werd voorgesteld om debeslistermijnen op aanvragen voor aanvullende compensatie vanwerkelijke schade te verlengen. Met de grote stappen die met deopschaling van de SGH-route, de opschaling van de Regieroute VSO ende ontwikkeling van de digitale schaderoute zijn gezet om de druk op deCWS te verlichten en de voortdurende inzet om de afhandeling bij deCWS te versnellen, vindt het kabinet het noodzakelijk noch wenselijk om1Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1391.2Het aangepaste kader is afgelopen 1 juli gepubliceerd op de website van de CWS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 82 de beslistermijn op aanvragen voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade aan te passen. Voor ouders die zich aanmelden vooreen alternatieve schaderoute geldt immers dat de wettelijke beslistermijnvoor hun aanvraag wordt opgeschort. De beslistermijn van deze oudersstart weer op het moment dat onverhoopt geen vaststellingsovereen-komst zou worden gesloten. Met betrekking tot de ouders die nog wel deCWS-route willen volgen, geldt dat nog niet met zekerheid te zeggen is totwelke doorlooptijd de nieuw ontstane situatie gaat leiden en of deverbeteringen voldoende zullen zijn om aanvragen binnen de wettelijkebeslistermijn af te handelen. De keuze om de beslistermijn niet aan tepassen is daarmee een dilemma, want het brengt het risico met zich datde huidige termijnen toch niet toereikend zijn. Het kabinet wil echtervoorkomen dat er op voorhand ruimere termijnen worden ingesteld dannodig zullen zijn.De nota van wijziging die met deze nota bij uw Kamer aan uw Kamer isaangeboden past het wetsvoorstel op zo’n manier aan dat de beslis-termijn op aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijkeschade ongewijzigd blijft met een duur van zes maanden, maximaal teverlengen met zes maanden. Met deze wijziging zijn over dit onderwerpgestelde vragen niet meer aan de orde. Om deze reden worden die vragenniet beantwoord.Hierna wordt bij de beantwoording van de overige vragen zo veelmogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstandedat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijnbeantwoord.De leden van de fractie van NSC vragen een reflectie op hoe het komt dathet voorliggende wetsvoorstel nu behandeld moet worden. Deze ledengeven aan dat de termijnen worden verlengd naar jaren, terwijl de meestegedupeerden binnen weken in de ellende zaten. Hierboven is toegelichtdat de aanpassing van de beslistermijn op aanvragen voor aanvullendecompensatie van werkelijke schade niet langer onderdeel is van ditwetsvoorstel. Een ander onderdeel van het wetsvoorstel ziet op noodzake-lijke aanpassingen in de nabestaandenregeling om deze na de aanpas-singen door het gewijzigde amendement Leijten3 weer uitvoerbaar temaken. Nabestaanden van overleden gedupeerden wachten al lange tijdvoor zij een start kunnen maken met het herstel, waardoor spoedigebehandeling van het wetsvoorstel gewenst is.De leden van de fractie van NSC vragen expliciet aan te geven hoe devoorgestelde wijzigingen zich verhouden tot de Grondwet en hetEuropees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentelevrijheden (EVRM), meer in het bijzonder artikel 17 Grondwet en artikel 6EVRM. De leden vragen zich af of er is gewaarschuwd voor grondwette-lijke bezwaren bij het voorliggende wetsvoorstel en vragen om deambtelijke adviezen van het Ministerie van Financiën, het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Justitieen Veiligheid die betrekking hebben op de grondwettelijke aspecten alsbijlage bij de antwoorden mee te sturen.Het kabinet acht het voorliggende wetsvoorstel in lijn met de genoemdeartikelen van de Grondwet en het EVRM. Het oorspronkelijke voorstel datvoor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State aanhangig isgemaakt, bevatte, anders dan het voorliggende voorstel, een verlengingvan de termijnen voor het beslissen op aanvragen voor aanvullendecompensatie van werkelijke schade en op bezwaar en een aanpassing vanlopende beslistermijnen. De bijbehorende versie van de memorie van3Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 83 toelichting bevatte passages over de verhouding van deze onderdelen vanhet wetsvoorstel tot het hogere recht. Uit ambtelijke adviezen en hetadvies van de Afdeling bleek evenwel dat de aanpassing van de beslis-termijn op bezwaar en de bijbehorende toelichting zich slecht verhield tothet recht op een besluit binnen een redelijke termijn, bedoeld in artikel 6,eerste lid, EVRM, artikel 17, eerste lid, Grondwet en het rechtszekerheids-beginsel. Uit de adviezen die bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel zijningewonnen, blijkt dat de redelijke termijn voor afdoening van geschillenals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 17, eerste lid,Grondwet aanvangt op het moment dat tegen de beslissing op de eersteaanvraag bezwaar is gemaakt. De daaraan voorafgaande fase, waarin opeen aanvraag wordt besloten, valt buiten het bereik van de door het EVRMen de Grondwet geboden aanspraak op een redelijke termijn voor deafdoening van geschillen. Deze adviezen zijn betrokken in de integraleafwegingen die op meerdere momenten in het voorbereidingstraject zijngemaakt. Uiteindelijk heeft het kabinet besloten niet langer voor te stellenom de diverse beslistermijnen aan te passen. De verschillende ambtelijkeadviezen met betrekking tot deze keuze zijn als bijlage bij deze nota naaraanleiding van het verslag gevoegd4.1.1. Mogelijke beleidsalternatieven De leden van de fractie van de VVD lezen dat een aanzienlijke groepvermoedelijk niet-gedupeerde ouders versneld een integrale beoordelingkrijgen waardoor de wachtrij voor andere ouders kleiner wordt. Dezeleden vragen hoe groot de afname in wachttijd voor ouders naarinschatting is. Een van de versnellingsmaatregelen die de Uitvoeringsor-ganisatie Hersteloperatie Toeslagen (UHT) heeft getroffen is dat met extrapersonele capaciteit versnelde integrale beoordelingen plaatsvinden vooreen groep aanvragers waarvan op basis van de eerste toets de inschattingis dat zij niet zijn gedupeerd. Hierdoor wordt meer voortgang gemaakt bijde integrale beoordelingen van ouders die wel als gedupeerd zijnaangemerkt in de eerste toets. Hoeveel versnelling dit oplevert, valt niet tezeggen, omdat meerdere variabelen hierop van invloed zijn. Naast hetaantal aanmeldingen, dat varieert in de tijd, is dit bijvoorbeeld ookafhankelijk van aanvragen die voorrang krijgen, zoals urgente casussen enberoepen niet tijdig beslissen.De leden van de fractie van de VVD vragen onder welke voorwaarden eenschikkingsvoorstel zal worden gedaan wanneer in bezwaar wordt gegaan.Ook vragen zij onder welke omstandigheden een schikkingsvoorstellogisch is en hoe wordt voorkomen dat personen in bezwaar gaan met alsenkel doel het krijgen van een schikkingsvoorstel. De voorwaarden om inaanmerking te komen voor een gestandaardiseerd schikkingsvoorstel zijndat er sprake dient te zijn van een toekennende beschikking op deintegrale beoordeling. Het moet dus gaan om een ouder die gedupeerd is,het bezwaar dient te zijn ingediend vóór 1 juni 2024 en de DienstToeslagen heeft op 1 september 2024 nog geen beslissing op bezwaargenomen. Ouders die na 1 juni 2024 bezwaar maken komen dus niet inaanmerking voor het gestandaardiseerde schikkingsvoorstel. Op dezemanier wordt voorkomen dat personen enkel omwille van het schikkings-voorstel in bezwaar gaan.De leden van de fractie van NSC lezen dat op diverse manieren wordtingezet op het versnellen van bezwaarafhandeling, onder andere doorpogingen de instroom van bezwaren te verlagen. Daarbij worden onderandere genoemd het geven van betere uitleg aan ouders over hunbeschikking, de zienswijzemogelijkheid voor de definitieve beschikking en4Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 84 alternatieve afhandeling zoals mediation. Deze leden vragen of dit opheden succesvol verloopt. Het blijkt in de praktijk dat deze inzet succesvolverloopt. Ouders geven aan dat de nieuwe mogelijkheden in een behoeftevoorzien en het bezwaarpercentage lijkt in de afgelopen maanden licht tedalen. Over deze trend kunnen echter nog geen definitieve uitsprakenworden gedaan, omdat ouders in veel gevallen nog in bezwaar kunnengaan tegen beschikkingen. Tegen beschikkingen van voor 2024 kanimmers nog tot het einde van dit jaar bezwaar worden gemaakt. Tegenbeschikkingen uit 2024 die zijn bekendgemaakt voorafgaand aan deinwerkingtreding van het Beleid procesrecht hersteloperatie toeslagen5kan binnen één jaar na bekendmaking van de beschikking bezwaarworden gemaakt. Mogelijke positieve effecten van de genoemdemaatregelen op het percentage ouders dat zich genoodzaakt ziet om inbezwaar te gaan, worden dus pas in de loop van de tijd in volle omvangzichtbaar.De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet zicht heeft op deervaringen van ouders en of hierop een toelichting gegeven kan worden.UHT doet elk kwartaal onderzoek naar de beleving van ouders omtrent deintegrale beoordeling. Daarbij wordt gevraagd hoe ouders het contact methun persoonlijk zaakbehandelaar hebben ervaren, hoe ouders het procesals geheel hebben ervaren, maar ook of hun zaak voor het gevoel van deouders financieel en emotioneel afgerond voelt. Uit het laatste onderzoekonder circa 200 ouders, komt naar voren dat 80 tot 90 procent tevreden ismet hun persoonlijk zaakbehandelaar op het gebied van samenwerken,zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en menselijke maat. Ook vindt eenzelfdepercentage ouders dat ze goede uitleg kregen over de uitkomst van debeoordeling. Daarnaast geven meer ouders aan geen aanvullende actienaar aanleiding van de beschikking te overwegen, waaronder het indienenvan een bezwaar. Tot slot geeft een groot deel van de ouders aan dat hunfinancieel en emotioneel herstel naar tevredenheid is afgerond. Hierop issinds vorig jaar een stijgende lijn te zien. Er blijven daarbij wel groteverschillen tussen erkend gedupeerden en aanvragers die niet alsgedupeerden zijn erkend.De leden van de fractie van het CDA willen weten wat de maatregelen uiteen pakket van deels meer onconventionele maatregelen zijn en willen degarantie dat deze rechten van ouders niet inperken. Er wordt doorlopendgekeken naar maatregelen om de afhandeling van bezwaren te versnellenzonder afbreuk te doen aan de rechtsbescherming voor ouders. De deelsonconventionele maatregelen die in de voortgangsrapportage (VGR)januari tot en met april 2024 worden genoemd zijn maatregelen om deinstroom te beperken, processen te versnellen en de capaciteit verder teverhogen.6Om de instroom te beperken is gekeken naar andere hersteloperaties,waaruit het afdoen van bezwaren door middel van een schikkingsvoorstelals effectieve maatregel naar voren is gekomen. Dit kan voor ouders eensnellere oplossing bieden, waardoor andere ouders sneller kunnenworden geholpen. Om de processen te versnellen wordt beter gestuurdop termijnen, zodat de voortgang van de bezwaarafhandeling beter kanworden bewaakt. Daartoe is het Beleid procesrecht herstel toeslagengepubliceerd, zoals aangekondigd in genoemde VGR.7 Hierbij is vanzelf-sprekend gekeken naar termijnen die ook voor ouders en hun gemach-tigden redelijk zijn. Er worden duidelijke en haalbare termijnen gehan-teerd, waarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de rechtsbescherming.5Stcrt. 2024, 21683.6Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390, bijlage.7Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390, bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 85 Om de capaciteit verder te vergroten wordt gewerkt aan het door middelvan «hybride insourcing» uitbesteden van de behandeling van specifiekegroepen bezwaren. De insourcing vindt plaats onder resultaatverplichting,waarvan naast de doorlooptijd ook onder meer de juridische correctheiden de ouderbeleving onderdeel uitmaken. De verschillende prestatie-indicatoren worden door UHT gemonitord, met het oog op onder anderekwaliteit en uniformiteit.Verder vragen de leden van de fractie van het CDA hoe het staat met deuitvoering van motie Stultiens en Inge van Dijk8, of al in overleg isgetreden met de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatietoeslagen (BAC) en of oplossingen zijn gevonden voor situaties waarin deinperking van de BAC leidt tot nadelige gevolgen voor de gedupeerdeouders. In de VGR over de periode januari tot en met april 2024 isopgenomen hoe aan deze motie invulling is gegeven. Er bestaat regulieroverleg tussen de BAC en het Ministerie van Financiën waarin ook degerichtere inzet van deze commissie aan de orde komt. Op dit momenthandelt UHT bezwaren af van ouders waarbij deze ouders op grond vande instellingsregeling BAC het laatste woord hebben over het antwoordop de vraag of zij langs de BAC willen. Gelet op dat uitgangspunt is vannadelige gevolgen voor gedupeerde ouders geen sprake. UHT analyseertde adviezen van de BAC en hoe daar opvolging aan wordt gegeven. Als ersprake is van een advieslijn op basis waarvan de uitkomst een bezwaar-grond zich evident laat voorspellen, dan publiceert UHT deze lijnen ophaar website. UHT monitort deze lijnen en actualiseert deze waar nodig.De leden van de fractie van het CDA vragen daarnaast hoe het staat metde inspanningen om het zienswijzegesprek tijdens de integrale beoor-deling beter in te richten en daarmee bezwaren te voorkomen. Er zijnverschillende stappen gezet om de zienswijze beter in te richten. Dewerkwijze bij de integrale beoordeling is dat met ouders in een gesprek deuitslag van de integrale beoordeling wordt besproken. Deze uitkomstkrijgen zij ook schriftelijk: de vooraankondiging. Ouders kunnen eenzienswijze geven op deze vooraankondiging en UHT bekijkt dezezienswijze voordat een ouder een definitieve beschikking krijgt. Daarnaastzijn maatregelen getroffen om het informeren van en afstemmen metouders tijdens de integrale beoordeling te verbeteren. Zo wordt bijvoor-beeld eerder en beter informatie gedeeld en zijn persoonlijk zaakbehande-laars getraind om de compensatieberekening, een belangrijk onderdeelvan de beschikking, beter uit te leggen. Deze maatregelen kunnen zoweleen bijdrage leveren aan het voorkomen van bezwaren als aan hoe deouder de integrale beoordeling ervaart.2. De termijn voor het doen van een aanvraag voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade voor aanvrager vankinderopvangtoeslag De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om toe te lichten inhoeverre de huidige deadline van 1 januari 2024 voor het doen van eenaanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade wordtnageleefd. Daarbij vragen zij of het klopt dat gedupeerde ouders van wiede integrale beoordeling vóór 1 juli 2023 is vast komen te staan op ditmoment geen aanvraag kunnen doen voor aanvullende compensatie,maar na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel (indien datvóór 1 januari 2025 is) wel. Bij de aankondiging van de verlenging van determijn voor aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijkeschade in oktober 20239 is meegedeeld dat de nieuwe termijn in de8Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1358.9Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1301.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 86 praktijk al toegepast zou worden, vooruitlopend op de aanpassing van dewet. Ouders met een integrale beoordeling van vóór 1 juli 2023 hebbendus ook na de voormalige deadline een aanvraag kunnen indienen endeze worden in behandeling genomen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wanneer wordtverwacht dat het voorliggende wetsvoorstel in werking treedt. Het kabinethoopt zo spoedig mogelijk. Het uitgangspunt is dat het grotendeels dedag na publicatie in het Staatsblad in werking zal treden. Het kabinet heeftuw Kamer in de aanbiedingsbrief bij het onderhavige wetsvoorstelverzocht om het spoedig te behandelen, zodat nabestaanden vanoverleden gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag zo snelmogelijk kunnen worden geholpen.10 Het is aan uw Kamer en aan deEerste Kamer om te bepalen of u hiermee instemt.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre wordtverwacht dat deze maatregel zal leiden tot meer gedupeerden die eenaanvraag doen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat de verruiming vande aanmeldtermijn voor aanvullende compensatie voor de werkelijkeschade zal leiden tot meer aanvragen. Ook onder de oude aanmeldtermijngold voor veel ouders dat zij nog niet of minder dan een half jaar geledeneen beschikking op hun integrale beoordeling hadden ontvangen,waardoor de groep potentiële aanvragers groot was.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan aangeven inhoeverre door het verlengen van bovenstaande termijn de druk op dehersteloperatie wordt verminderd en of wordt verwacht dat het verlengenvan de termijn ervoor zorgt dat de totale duur van de hersteloperatielanger wordt. De verlenging van de aanvraagtermijn en het hieropvooruitlopen in de praktijk beoogde te voorkomen dat er eind 2023 eengrote piek aan aanvragen zou binnenkomen van ouders die nog nietkonden afwegen of zij wellicht beter geholpen zouden kunnen worden inde SGH-route en uit voorzorg alvast een aanvraag zouden doen voor debestuursrechtelijke schaderoute. Deze piek zou vervolgens een jaar laterhebben kunnen leiden tot versterking van de dynamiek rondom beroepenniet tijdig beslissen. Meer ruimte voor ouders om te komen tot eenafweging en een betere spreiding van aanvragen heeft deze extra druk opde hersteloperatie weggenomen. Het is niet aan te geven of de verlengingvan de aanvraagtermijn leidt tot een verlengde duur van de herstelope-ratie. Het is ook denkbaar dat deze juist tot versnelling leidt.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe ouders geholpen wordenbij de oriëntatie op de verschillende alternatieve schaderoutes. Naastpubliek beschikbare informatie via onder andere de website van UHT,wordt gewerkt aan een centraal aanmeldportaal voor de aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade. Ouders kunnen zich via ditportaal niet alleen aanmelden voor een schaderoute, maar ook informatievinden over de verschillende routes aan de hand van een routewijzer. Hetaanmeldportaal is naar verwachting per september 2024 in de lucht.De leden van de fractie van NSC vragen waarom ervoor gekozen is om deaanmeldtermijn met twaalf maanden te verlengen en of met voldoendezekerheid te zeggen is dat twaalf maanden gedupeerde ouders genoegruimte biedt. De leden van de fractie van D66 vragen op basis waarvan hetkabinet inschat dat vóór 1 januari 2025 voldoende helderheid zal bestaanover de verschillende schaderoutes. De leden van de fractie van D66vragen of alternatieven zijn overwogen voor een wettelijk vastgelegde10Kamerstukken II 2023/24, 36 577, nr. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 87 datum, zoals een datum die per beleidsbesluit ingevuld kan worden. Zijvragen daarnaast waarom de voorkeur is gegeven aan een vastgepriktedatum die wellicht in de toekomst weer met terugwerkende krachtaangepast moet worden, met grote onzekerheid als gevolg.De voorgenomen wettelijke verlenging van de termijn voor het doen vaneen aanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schadevan 1 januari 2024 naar 1 januari 2025 leidt tot duidelijkheid en coulancevoor alle gedupeerden. Voor een groot deel van de gedupeerden zou dezetermijn zonder deze wetswijziging immers al per 1 januari 2024 zijnverstreken. Bij het voorstel om te komen tot een aangepaste aanvraag-termijn voor aanvullende compensatie van werkelijke schade, heeft hetkabinet gepoogd het midden te houden tussen enerzijds voldoende tijdvoor de aanvragers om een afweging te maken, en anderzijds duide-lijkheid voor de uitvoering met betrekking tot instroom van aanvragen.Hierbij speelt ook dat het kabinet een piek van aanvragen in een korte tijdwil voorkomen, omdat dat kan leiden tot langere wachttijden voor deaanvragers. Daarom is gekozen voor een verruiming van twaalf maanden.Een alternatief voor een wettelijk vastgestelde datum is niet overwogen.Als het kabinet aanleiding ziet om de uiterste aanvraagdatum aan tepassen, zal het kabinet de Kamer daar vóór de volgende fase van debehandeling van het onderhavige wetsvoorstel nader over informeren.De leden van de fractie van het CDA vragen of de verruiming van deaanvullende schaderoutes tot 1 januari 2025 betekent dat ouders die aleen schaderoute hebben doorlopen, zich kunnen melden voor een andereschaderoute. Het antwoord luidt ontkennend. Het onderhavigewetsvoorstel voorziet daar niet in.3. Aanpassing van de termijn voor het indienen van een bezwaar-schrift De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet kanbevestigen dat bezwaren op beschikkingen genomen voor 1 juli 2024uiterlijk tussen 31 december 2024 en 1 juli 2025 kunnen wordeningediend, afhankelijk van de dagtekening van de beschikking. In debezwaarclausule die is opgenomen in de beschikking van iedere ouderstaat welke termijn de ouder heeft vanaf dagtekening van de beschikking.Op basis van het met ingang van 10 juli 2024 in werking getreden11 Beleidprocesrecht herstel toeslagen geldt een bezwaartermijn van zestienweken. Dat betreft de wettelijke termijn van zes weken en een coulance-termijn van tien weken. Voor beschikkingen waarin niet is gewezen op decoulanceperiode van tien weken12, geldt dat bezwaren in beginselinhoudelijk worden behandeld, tenzij deze bezwaren onredelijk laat zijningediend. Een bezwaar wordt dan in ieder geval niet als onredelijk laatingediend aangemerkt, indien het in 2024 is ingediend. Voor beschik-kingen die zijn bekendgemaakt in 2024 geldt dat wanneer daarin nog deoude bezwaarclausule van zes weken is opgenomen zonder eenverwijzing naar de coulanceperiode van tien weken, bezwaar kan wordengemaakt binnen een jaar volgend op de dagtekening van de beschikking.Tegen een beschikking met bijvoorbeeld dagtekening 9 juli 2024 dient dandus vóór 9 juli 2025 bezwaar te worden gemaakt. Met betrekking tot een11Het Beleid procesrecht herstel toeslagen is in werking getreden op 10 juli 2024 en niet op 1 juli2024 zoals aanvankelijk beoogd. De publicatie in de Staatscourant heeft namelijk plaatsge-vonden op 9 juli 2024. Waar in de memorie van toelichting van dit wetsvoorstel wordtgesproken over 1 juli 2024 als startdatum voor de bezwaartermijn van in totaal zestien weken(zes weken vermeerderd met een coulanceperiode van tien weken) is dit uiteindelijk 10 juli2024 geworden.12Dat betreft beschikkingen van voor inwerkingtreding van het Beleid procesrecht hersteltoeslagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 88 beschikking met een dagtekening van bijvoorbeeld 9 augustus 2024 heeftmen zestien weken de tijd om een bezwaarschrift in te dienen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het klopt datbezwaren op beschikkingen die zijn genomen vóór 1 juli 2024 in veelgevallen later ingediend kunnen worden dan bezwaren op beschikkingendie na die datum zijn genomen. Ook vragen de leden toe te lichtenwaarom hiervoor is gekozen en of dit wordt beschouwd als eenevenwichtige uitkomst.Bezwaren tegen oude beschikkingen van vóór het op 10 juli 2024 inwerking getreden Beleid procesrecht herstel toeslagen worden inderdaadanders behandeld dan bezwaren die onder het nieuwe beleid vallen, zoalseerder in deze nota naar aanleiding van het verslag toegelicht. In de oudesituatie gold als uitgangspunt dat termijnoverschrijdingen burgers nietwerden tegengeworpen. In nieuwe gevallen, waarin op basis vanaangepast beleid een ruimere termijn van zestien weken is gehanteerd,geldt dat uitgangspunt niet meer. De bezwaarclausules en de communi-catie zijn daar ook op aangepast. In die gevallen is voor burgers duidelijkdat van hen gevraagd wordt binnen zestien weken bezwaar te maken.Daarbij wordt er ook op gewezen dat zij zonder inhoudelijke grondenbezwaar kunnen maken en op een later moment die gronden nog aankunnen vullen. Dat geeft burgers ruim de tijd om bezwaar te maken, zonodig door na de beschikking eerst nog rechtsbijstand te zoeken. Mocht erlater dan na zestien weken bezwaar worden gemaakt, dan wordt steedsbeoordeeld of er sprake is van een verschoonbare reden voor determijnoverschrijding, zoals later in deze nota naar aanleiding van hetverslag toegelicht. Gelet hierop meent het kabinet dat er sprake is van eenevenwichtige uitkomst van het beleid.Daarnaast vragen de leden van de fractie GroenLinks-PvdA waarom nietgekozen is de beleidsregels in voorliggend wetsvoorstel op te nemen. Eengedeelte van dit beleid, te weten de bezwaartermijn van zestien weken,wordt voorgesteld in het onderhavige wetsvoorstel. Voor die gevallenwaarin vóór inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel bezwaar-termijnen al zijn verstreken is er voor gekozen beleidsregels te formu-leren. Deze beleidsregels vervangen de voorheen geldende vastegedragslijn zoals gepubliceerd op de website van UHT om termijnover-schrijdingen nooit tegen te werpen. In het Beleid procesrecht herstelope-ratie toeslagen wordt – onder meer – inzicht gegeven hoe wordtomgegaan met verschoonbare termijnoverschrijdingen. Dat leent zich nietvoor opname in een wettelijke bepaling, omdat het gaat om de concreteen individuele toepassing van een reeds bestaande wettelijke bepaling.Evenmin lag het in de rede om belanghebbenden die al eerder eenwettelijke bezwaartermijn hebben gehad opnieuw een wettelijke termijn tebieden om in bezwaar te gaan. In plaats daarvan is in beleid neergelegdtot wanneer een bezwaarschrift in ieder geval niet als onredelijk laatingediend wordt beschouwd. In die gevallen wordt het bezwaarschrift dusin ieder geval in behandeling genomen.De leden van de fractie van de VVD vragen wat de verlengde termijn voorhet indienen van een bezwaarschrift betekent voor gedupeerden die tochlanger dan zestien weken nodig hebben om een bezwaar in te dienen enof er coulance of uitzonderingssituaties mogelijk zijn. Ook vragen dezeleden hier voorbeelden van te geven. De leden van de fractie van D66vragen hoe zal worden omgegaan met bezwaarschriften die na zestienweken worden ingediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 89 De termijn van zestien weken is een aanzienlijke verruiming ten opzichtevan de gebruikelijke bezwaartermijn van zes weken. Het kabinet verwachtdat dat ruim voldoende tijd biedt voor belanghebbenden om in bezwaar tegaan. Daarbij moet worden bedacht dat een bezwaar ook zonderinhoudelijke gronden kan worden ingediend en op grond van het Beleidprocesrecht herstel toeslagen worden belanghebbenden daar ook opgewezen. De individuele verschoonbaarheidstoets laat bovendien ruimteom belanghebbenden die niet eerder bezwaar in konden dienen, toch indat bezwaar te ontvangen. Het eerder genoemde beleid noemt daarbijéén voorbeeld dat wordt betrokken bij de verschoonbaarheid: als eenouder tijdens de integrale beoordeling een dossier vraagt en dat pas laterontvangt, wordt ouders de gelegenheid geboden na de ontvangst van datdossier alsnog in bezwaar te gaan.In overige situaties gaat het om de individuele merites van het geval. Hetgaat op grond van de geldende jurisprudentie dan om bijzondereomstandigheden die de indiener van het bezwaarschrift betreffen. Hierbijvalt in de eerste plaats te denken aan persoonlijke omstandigheden aande zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekteof ongeval van de indiener of ziekte of overlijden van diens naasten en dezorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats kan wordengedacht aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bijde indiener zorgen, zoals een natuurramp, een besmettelijke dierziekte ophet bedrijf of een brand in de woning of in een bedrijfspand. Overeen-komstig de uitgangspunten in de jurisprudentie13 geeft de DienstToeslagen de indiener daarbij zo nodig uitdrukkelijk voorlichting over depunten waarover deze nog bewijs van extra feiten en (bijzondere)omstandigheden zou moeten aanvoeren.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom is gekozen voorspecifiek zestien weken, terwijl dit de tijd is die gedupeerden gemiddeldnodig hebben voor het opstellen van een bezwaarschrift. Tevens vragendeze leden of dit betekent dat veel gedupeerden belang hebben bij eenlangere termijn. In een overgrote meerderheid van de gevallen wordenbezwaren binnen zestien weken ingediend. In een beperkt aantal gevallenzijn de termijnoverschrijdingen aanmerkelijk ruimer, sporadisch oplopendtot meer dan een jaar. Omdat termijnoverschrijdingen nooit werdentegengeworpen, was dit voor belanghebbenden ook geen prikkel ombezwaren binnen een bepaalde termijn in te dienen. Het kabinet vindt hetwenselijk om een ruime, haalbare termijn te kiezen, waarover duidelijkwordt gecommuniceerd richting belanghebbenden. In die gevallen waarinhet dan toch niet lukt om binnen de termijn bezwaar te maken, wordt metoog voor de individuele omstandigheden gekeken of er voor ouders tochnog een mogelijkheid is.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet de kritiek vande Nederlandse orde van advocaten (NovA) ziet dat een wetswijziging nietnoodzakelijk is. De NovA geeft aan dat vanuit het oogpunt van debetrokken ouders geen sprake is van een probleem in de uitvoerings-praktijk dat noopt tot aanpassing van de Wht en dat het voorstel totaanpassing van de bezwaartermijn naar zestien weken leidt tot eenverminderd niveau van rechtsbescherming.14 De leden van de fractie vanD66 vragen toe te lichten welk belang van gedupeerden wordt gediendmet deze maatregel en welk belang van de uitvoering.13Cbb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 enECLI:NL-:CBB:2024:34.14Kamerstukken II 2023/24, 36 577, nr. 3, p. 25–26 en bijlage Advies Nederlandse orde vanadvocaten, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 810 Zoals uiteengezet in de brief aan uw Kamer van 31 mei 202415 is ervoorgekozen om de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift teverlengen en vervolgens te handhaven. Het in voornoemde briefaangekondigde beleid is op 9 juli 2024 gepubliceerd in de Staatscourant(Beleid procesrecht herstel toeslagen).16 Op grond hiervan wordt inbeschikkingen aan iedere ouder de geldende bezwaartermijn gecommuni-ceerd. Hiermee worden burgers geïnformeerd dat ze meer tijd hebben dande gebruikelijke zes weken om bezwaar te maken, namelijk zestien weken.Tegenover deze langere termijn staat dat er strikter gekeken gaat wordennaar termijnoverschrijdingen dan tot op heden het geval was in dehersteloperatie toeslagen. Tot de inwerkingtreding van het aangepastebeleid werden die niet aan burgers tegengeworpen. Met het voort-schrijden van de hersteloperatie bestond er aanleiding om te komen toteen meer gewogen beleid. Daarbij geldt wel dat bij overschrijding van determijn van zestien weken steeds rekening wordt gehouden metverschoonbare termijnoverschrijdingen, zoals eerder in deze nota naaraanleiding van het verslag is toegelicht.Door beter te sturen op termijnen, waaronder de bezwaartermijn, kan devoortgang van de hersteloperatie toeslagen beter worden gewaarborgd.Belanghebbenden weten daardoor binnen welke termijn zij een relevantevervolgstap moeten zetten en UHT kan beter inschatten in welke gevallenzij nog bezwaren heeft te verwachten. Dat draagt bij aan het kunnennemen van gerichte maatregelen om de hersteloperatie te versnellen enverbeteren.De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet de komende tijd wilbezien hoe de situatie verloopt onder de nieuwe regeling en wat deverhouding is tussen ontvankelijke en niet-ontvankelijke verzoeken. Aandit verzoek voldoet het kabinet graag en zal dit monitoren en daarovertelkens rapporteren in de VGR.De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet bereid is devaststelling van een wettelijke termijn van zestien weken te heroverwegenals in praktijk blijkt dat deze voor veel ouders te kort is. Het uitgangspuntis dat iedere belanghebbende de gelegenheid heeft om desgewenstbezwaar te maken. De verwachting is dat de termijn van zestien wekenvolstaat. Er kan maatwerk worden geleverd als belanghebbenden toch telaat bezwaar aantekenen, op basis van de eerder beschrevenverschoonbare termijnoverschrijding. Dat maatwerk geeft ook degelegenheid om het bezwaar van ouders die toch te laat bezwaar makenin behandeling te nemen als er een goede reden is voor het te laatindienen van het bezwaar.De leden van de fractie van de VVD vragen of het gevolg van dezemaatregel is, zoals de NovA opmerkt, dat de afhandelingstermijn vanbezwaren hiermee in feite verlengd wordt omdat deze aanvangt na heteinde van de bezwaartermijn. In de versie van het wetsvoorstel dat vooradvies is voorgelegd aan de NovA was hiervan inderdaad sprake. Dit washet gevolg van de koppeling in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vande beslistermijn op bezwaar aan de duur van de bezwaartermijn. In hetonderhavige wetsvoorstel is dit naar aanleiding van het advies van deAfdeling advisering van de Raad van State aangepast. Op grond van hetonderhavige wetsvoorstel vangt de beslistermijn in afwijking van de Awbaan op het moment dat een ingediend bezwaarschrift door de DienstToeslagen is ontvangen, met dien verstande dat de beslistermijn niet15Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390.16Stcrt. 2024, 21683.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 811 eerder aanvangt dan zes weken na aanvang van de termijn voor hetindienen van een bezwaarschrift. Een bezwaarschrift dat in de eerstezes weken van de bezwaartermijn wordt ingediend, leidt dus niet tot eeneerdere start van de beslistermijn dan zes weken na de start van debezwaartermijn. Dat is in lijn met de huidige situatie op grond van deAwb.De leden van de fractie van D66 vragen toe te lichten welk belang vangedupeerden wordt gediend met deze maatregel en welk belang van deuitvoering. Door beter te sturen op termijnen, waaronder de bezwaar-termijn, kan de voortgang van de hersteloperatie beter worden gewaar-borgd. Belanghebbenden weten daardoor binnen welke termijn zij eenrelevante vervolgstap moeten zetten en UHT kan beter inschatten in welkegevallen zij nog bezwaren heeft te verwachten. Dat draagt bij aan hetkunnen nemen van gerichte maatregelen om de hersteloperatie teversnellen en verbeteren.4. Aanpassing van de regeling voor nabestaanden van overledengedupeerden De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen een inschatting temaken hoeveel mensen gebruik zullen gaan maken van de nabestaanden-regeling. Daarnaast vragen deze leden naar een inschatting hoeveeldaarvan een verzoek zullen doen voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade. In totaal zijn circa 450 overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag bij UHT bekend.17 Het aantal nabestaanden dat vande regeling gebruik gaat maken en daarbinnen een aanvraag zullen doenvoor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is moeilijk in teschatten. In veel gevallen zal nog beoordeeld worden of aannemelijk isdat de overleden aanvrager van kinderopvangtoeslag gedupeerd was,namelijk wanneer die beoordeling nog niet heeft plaatsgevondenvoorafgaand aan diens overlijden. Naast de nabestaanden van circa 450overleden aanvragers van kinderopvangtoeslag die UHT in beeld heeft,bestaat de mogelijkheid voor andere nabestaanden van overleden(mogelijk) gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag om zich temelden.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of nabestaanden ookbij de SGH terecht kunnen. De leden van de fractie van het CDA vragenwaarom niet andere aanvullende schaderoutes openstaan voor denabestaanden. Het uitgangspunt voor de nabestaanden is dat zij inaanmerking komen voor hetgeen de gedupeerde aanvrager van kinderop-vangtoeslag bij leven zou hebben ontvangen. Voor de compensatie van dewerkelijke schade geldt dan ook in principe hetzelfde uitgangspunt. Hierbijdient wel opgemerkt te worden dat CWS verwacht dat het voor denabestaanden moeilijk kan zijn om het verhaal van de overledene tevertellen en aannemelijk te maken. Het gevolg hiervan kan zijn dat er geenadvies gegeven kan worden en dus geen aanvullende compensatieuitgekeerd. Het kabinet treedt met SGH over onder andere deze groep inoverleg.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet verdere invullingkan geven aan de coördinerende rol van Dienst Toeslagen binnen dehersteloperatie en hoeveel extra capaciteit hiervoor nodig is. Daarnaastvragen deze leden hoe de coördinerende rol van Dienst Toeslagen inverhouding staat tot de personen werkzaam bij de ketenpartners enhoeveel persoonlijk zaakbehandelaars er voor de nabestaandenregelingnaar verwachting nodig zijn. Verder willen zij weten of deze extra taak17Peildatum 2 juli 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 812 voor nog meer druk zorg op de Dienst Toeslagen en of deze extracoördinatietaak voor vertraging zorgt op andere onderdelen.Voor de uitvoering van de nabestaandenregeling wordt bij UHT extracapaciteit ingezet, waardoor er geen sprake is van een verhoogde druk opDienst Toeslagen of vertraging op andere onderdelen. Circa twintigpersoonlijk zaakbehandelaars nabestaanden18 gaan zich bezighouden metde uitvoering van de regeling. Nabestaanden krijgen een persoonlijkzaakbehandelaar nabestaanden die hen bijstaat gedurende het herstel-proces, waar nodig tot en met het moment dat de werkelijke schade isvastgesteld. De persoonlijk zaakbehandelaar nabestaanden ondersteuntde nabestaande bij het aanvragen en heeft goede contacten bij deketenpartijen, zodat het proces soepel verloopt.De leden van de fractie van NSC vragen hoelang het proces normaalgesproken duurt voor een nabestaande die gebruikmaakt van denabestaandenregeling. De leden van de fractie van het CDA vragendaarnaast wat de kortst mogelijke periode is waarin een (herstel)procesdoor een nabestaande kan worden afgerond.De doorlooptijd voor een nabestaande is afhankelijk van het aantalregelingen binnen de hersteloperatie toeslagen waarvoor eennabestaande in aanmerking komt, en de complexiteit van de situatie. Deintegrale beoordeling kan binnen enkele weken zijn afgerond. Als eennabestaande zich vervolgens meldt voor de aanvullende compensatievoor de werkelijke schade kan de CWS een dossier in zesenhalve weekafronden waarna de Dienst Toeslagen een besluit neemt. Als eennabestaande zich meldt voor de schuldenaanpak geldt voor SocialeBanken Nederland (SBN) een beslistermijn van zes maanden19, teverlengen met maximaal zes maanden.Verder hebben de leden van de fractie van NSC gevraagd hoe lang het(herstel)proces in het uiterste geval gaat duren als iedere keer dewettelijke termijnen precies worden gehaald, dus inclusief werkelijkeschade en beroep. Bijvoorbeeld als een nabestaande zich op 1 januari2025 meldt. In onderstaande tabel staan alle termijnen waar rekening meegehouden kan worden. Dit is exclusief beroep, omdat de termijn waaropberoep behandeld kan worden afhankelijk is van de doorlooptijd bij derechtbank. De tabel heeft betrekking op de situatie waarin het totaleproces de meeste tijd in beslag zou kunnen nemen. Dit is de situatiewaarin de kinderen van overleden aanvragers in aanmerking komen voorde nabestaandenregeling en nog geen toekenning heeft plaatsgevondenaan de overleden aanvrager in het kader van de hersteloperatie toeslagen.Het kabinet benadrukt dat dit uiterste termijnen zijn en dat voor hetovergrote deel van de nabestaanden het proces naar verwachting niet zolang gaat duren.FaseAanmeldtermijnTermijnbeschikkingMogelijkeverlengingtermijnbeschikkingEerste toets en IntegraleBeoordeling6 maanden6 maanden6 maanden18In het wetsvoorstel worden deze aangeduid met de omschrijving «persoonlijk zaakbehan-delaar regeling nabestaanden overleden aanvragers».19Als de gedupeerdheid van de aanvrager van kinderopvangtoeslag nog niet is vastgesteld voordiens overlijden, eindigt de initiële beslistermijn van SBN zes maanden nadat is vastgestelddat aannemelijk is dat die aanvrager gedupeerd was.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 813 FaseAanmeldtermijnTermijnbeschikkingMogelijkeverlengingtermijnbeschikkingBezwaar integrale beoordeling16 weken6 weken6 wekenWerkelijke schade6 maanden6 maanden6 maandenBezwaar werkelijke schade16 weken6 weken6 weken De leden van de fractie van NSC merken op dat het erop lijkt dat de DienstToeslagen de nabestaandenregeling gaat uitvoeren en vragen waaromniet is gekozen voor de UHT. Het klopt dat in dit wetsvoorstel wordtvoorgesteld om de Dienst Toeslagen aan te merken als bestuursorgaandat (de coördinatie van) de nabestaandenregeling uitvoert. In de praktijkvoert UHT de regeling uit. Die systematiek geldt voor alle onderdelen vande Wht die door UHT worden uitgevoerd. UHT is een onderdeel van deDienst Toeslagen dat is opgericht om het herstel in het kader van dehersteloperatie toeslagen te verzorgen20. Aan de directeur van UHT ismandaat verleend voor het namens de Dienst Toeslagen nemen vanbesluiten ten aanzien van de wettelijke taken waarmee de DienstToeslagen is belast op grond van de Wht en besluiten op grond van deAwb die met deze wettelijke taken samenhangen. Aan bepaaldemedewerkers van UHT is ondermandaat verleend.21De leden van fractie van het CDA vragen op basis van welk dossier deprocessen van de nabestaandenregeling worden doorlopen en wat deverhouding is tussen het verhaal van de nabestaande en het aangelegdedossier. De beoordeling vindt plaats op basis van het verhaal van deoverleden aanvrager (voor zover bekend), het verhaal van denabestaande(n) en informatie uit de systemen van UHT. Hoe deverhouding hiertussen is, is afhankelijk van de individuele casus en destand van zaken van de beoordeling van de aanvraag van de overledenaanvrager op het moment van overlijden.De leden van de fractie van het CDA vragen naar de verwachting quastartdatum voor de CWS voor uitvoering van aanvragen voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade door nabestaanden. De start vande uitvoering van de nabestaandenregeling hangt nauw samen met deinwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Alle betrokkenuitvoerders, inclusief de CWS, zullen na inwerkingtreding van de wetstarten met de uitvoering van de regeling.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de ervaringen bij SGHmet de werkwijze van «het verhaal doen» wordt overgenomen bij de routevia de CWS. Allereerst geldt dat ouders die hun feitenrelaas bij SGHopstellen, maar later toch besluiten af te zien van een vaststellingsover-eenkomst, eigenaar blijven van het feitenrelaas en dit desgewenst kunnendelen met de CWS. Wel is het zo dat de meer precieze methodiek van deCWS informatie kan vereisen die niet meteen voorhanden is op basis vanhet feitenrelaas dat met SGH is opgesteld.20Artikel 3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.21Op grond van artikel 5, tweede lid, respectievelijk artikel 7 van het Besluit mandaatverlening,volmacht en machtiging Belastingdienst/Toeslagen 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 814 Wat betreft ouders die geen feitenrelaas hebben opgesteld via deSGH-route en zich melden bij de CWS is uw Kamer met de brief van deStaatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane van 31 mei 202422geïnformeerd dat het proces bij de CWS voortaan start met het voerenvan een intakegesprek tussen de ouder, de behandelend secretaris en eenvaste gespreksleider, als vertrekpunt voor het schrijven van het advies.Naar aanleiding van de toezegging aan uw Kamer op 13 juni 2024 zal hetkabinet blijven stimuleren dat er regelmatig overleg plaatsvindt tussenverschillende betrokken partijen van de verschillende schaderoutes omzodoende van elkaar te kunnen leren.23De leden van de fractie van het CDA vragen om nader toe te lichtenwaarom de BAC geen rol heeft in de bezwaren van nabestaanden en ofhet klopt dat deze situatie onder paragraaf 6 van het voorliggendewetsvoorstel wordt opgelost.In paragraaf 6 van de memorie van toelichting van het wetsvoorstel wordtnader toegelicht wat de rollen van de commissies in de hersteloperatietoeslagen zijn en stelt het kabinet voor om een wettelijke grondslag teintroduceren voor het instellen van commissies in het kader van ondermeer de nabestaandenregeling. Hiermee wordt het dus mogelijk gemaaktdat de BAC een rol kan krijgen met betrekking tot de nabestaandenre-geling. De precieze rol en taken in de verschillende regelingen zal nogworden bepaald en opgenomen in de instellingsregelingen van debetreffende commissies.5. Peildatum brede ondersteuning ouders in het buitenland De leden van de fractie van de VVD vragen op basis van welke gegevensde nieuwe peildatum tot stand is gekomen en welke afwegingen zijngemaakt in de peildatumbepaling. De peildatum veronderstelt een zekercausaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en hetvertrek naar het buitenland, zonder dat hierop in de uitvoering op wordtgetoetst. In de praktijk is gebleken dat na de aanvankelijke peildatum van7 juli 2020 nog enkele tientallen gedupeerde aanvragers van kinderop-vangtoeslag en hun gezin zijn vertrokken naar het buitenland vanwege deproblemen met de kinderopvangtoeslag. Dit is duidelijk geworden naaraanleiding van signalen hierover van ouders zelf en via ketenpartners(UHT, gemeenten en het Ondersteuningsteam voor ouders in hetbuitenland (OTB)). In 2021 is de brede ondersteuning door gemeenten aanouders in Nederland en informatievoorziening hierover goed op ganggekomen. In combinatie met de herstelregelingen die eind 2021bestonden en het zicht dat er toen was op het starten van de schulden-aanpak is het onwaarschijnlijk dat ouders na 31 december 2021 (devoorgestelde nieuwe peildatum) nog de noodzaak voelden te verhuizenvanwege de toeslagenproblematiek. Daarom is er gekozen voor dezenieuwe datum.Bij de bepaling van een nieuwe peildatum is de inzet geweest om oudersen gezinnen voor wie de problemen met de kinderopvangtoeslag een rolhebben gespeeld bij een vertrek naar het buitenland, te kunnen helpenmet brede ondersteuning. Er is gekeken naar een peildatum die aansluitop de beschikbaarheid van hulp en herstelregelingen in Nederland ennaar doelmatigheid. Er zijn gedupeerden die inmiddels in het buitenlandwonen maar bij wie het vertrek niet te maken heeft met de toeslagenpro-blematiek. Ook is er het besef dat een voorziening als deze niet onbeperktbeschikbaar kan zijn voor mensen in het buitenland, omdat de Neder-22Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1391.23Handelingen II 2023/24, nr. 84, item 10, p. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 815 landse overheid daar geen formele verantwoordelijkheid en bevoegdheidheeft. Er is gekeken naar een nieuwe afbakening die hier zo goed mogelijkbij aansluit.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe groot de kans is dat eralsnog gedupeerde ouders in het buitenland pas na deze datum naar hetbuitenland zijn vertrokken, en hoe in een dergelijke – wellicht uitzonder-lijke – situatie deze ouders toch kunnen worden ondersteund. Er zijngedupeerde ouders na de voorgestelde peildatum vertrokken naar hetbuitenland, maar hun vertrek heeft vaak geen (direct) verband met deproblematiek met de kinderopvangtoeslag en daarvoor is deze regelingniet bedoeld. Een groot deel van hen is vertrokken na afronding van deeerste toets of de integrale beoordeling. Deze mensen konden inNederland een beroep doen op herstelmaatregelen en op brede onder-steuning van de gemeente in Nederland. De voorgestelde wetswijzigingbiedt voldoende basis om de gedupeerden die in Nederland geenondersteuning konden krijgen te helpen. Als er sprake is van eenonbillijke, onvoorziene situatie die niet voor rekening van de ouder kanworden gelaten waarin het toch noodzakelijk blijkt dat OTB de ouderondersteunt omdat dit past bij de doelstellingen van de hersteloperatie,dan kan de hardheidsclausule toegepast worden.6. Grondslag voor commissies bij de uitvoering van de aanvul-lende regelingen De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet voorbeelden kangeven van gevallen waarin de Dienst Toeslagen zelf bezwaren af kan doenzonder deze ter advisering voor te leggen aan de BAC. Ook vragen dezeleden welke criteria in deze beslissing worden gehanteerd en of dezespeciale afhandeling door de Dienst Toeslagen wordt gecommuniceerd. Inde Instellingsregeling bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatietoeslagen is een aantal gronden opgenomen om bezwaren niet aan deBAC te hoeven voorleggen.24 Deze gronden gaan ervan uit dat deuitkomst geen andere is dan als het bezwaar wel zou zijn voorgelegd aande BAC. Dat ziet om te beginnen op de situatie dat een bezwaar kennelijkongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarnaast kan voorleggen aande BAC achterwege blijven als volledig tegemoetgekomen wordt aan hetbezwaar of er sprake is van instemming van de ouder. Tot slot kan eenbezwaar zonder BAC worden afgedaan als het bezwaar en de motiveringervan naar het oordeel van de Dienst Toeslagen evident in lijn zijn meteerdere adviezen van de adviescommissie. UHT publiceert de opvolgingvan de advieslijnen van de BAC op haar website, zodat voor alle betrok-kenen te vinden is hoe de Dienst Toeslagen daar invulling aan geeft.Ouders worden steeds in staat gesteld te reageren op een voorgenomenafdoening van het bezwaar zonder BAC. Dat volgt uit de Instellingsre-geling bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen en isopgenomen in artikel 3.8 van het Beleid procesrecht herstel toeslagen. Inaanvulling daarop geldt dat ouders worden gewezen op het overgangs-recht als zij voor 26 oktober 2023 bezwaar hebben ingediend. In dat gevalhouden zij het recht hun zaak ter advisering aan de BAC voor te leggen,ook als een van bovengenoemde uitzonderingsgronden van toepassing is.De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel fte benodigd zijn alsde Dienst Toeslagen de uitvoering van de werkelijke schaderegeling voornabestaanden en ex-partners gaat vervullen. Ook vragen zij hoe zich ditverhoudt tot het al toenemend personeelstekort bij Dienst Toeslagen en24Stcrt. 2023, 28994.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 816 hoe er wordt voorkomen dat deze tekorten zullen zorgen voor uitgesteldeschaderegelingen.De schaderegeling voor ex-partners zal voor wat betreft de bestuursrech-telijke route belegd worden bij Dienst Toeslagen met de CWS als adviseur.In de uitvoeringstoets25 van Dienst Toeslagen is aangegeven dat hiervoornaar verwachting ongeveer 85 fte bij UHT nodig is, waarbij ervan wordtuitgegaan dat er voor ex-partners ook een alternatieve route beschikbaarzal zijn naast de CWS.Voor de regeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schadein de nabestaandenregeling staat in de uitvoeringstoets van de DienstToeslagen dat de beoordeling van de werkelijke schade niet door UHTgeschiedt (maar door een andere partij). Daarom is in deze uitvoerings-toets geen inschatting gegeven van het benodigd aantal extra fte bij UHThiervoor. Ook is daarin aangegeven dat de Dienst Toeslagen na adviseringover werkelijke schade de definitieve beschikking blijft vaststellenconform het reguliere proces. De inwerkingtreding van de bestuursrechte-lijke schaderegelingen zal uiteraard worden afgestemd op de capaciteit bijde Dienst Toeslagen en de CWS, waarbij er rekening moet wordengehouden met de impact op andere regelingen.De leden van de fractie van de VVD vragen wanneer en door wie denadere afweging wordt gemaakt over de inzet van de commissies bij deuitvoering van de aanvullende regelingen en welke partijen en instantiesdaarbij betrokken zijn. Het bepalen van de inzet van de commissies wordtin overleg tussen het kabinet, UHT en de commissies gedaan. Voor denabestaandenregeling wordt een brede grondslag voorgesteld voor hetinstellen van commissies. Voor de kindregeling en de ex-partnerregelinggeldt dat wordt voorgesteld dat de commissies een rol kunnen krijgenvoor zover sprake is van een toetsing op gedupeerdheid van de aanvragervan kinderopvangtoeslag die is overleden. Voor de ex-partnerregelinggeldt verder dat er in het wetsvoorstel een grondslag is opgenomen metbetrekking tot de regeling voor werkelijke schade, zodat de CWS kanworden ingeschakeld. Op basis daarvan zal een nadere invulling aan detaken van de commissies worden gegeven.7. Budgettaire aspecten De leden van de fractie van de PVV vragen om de stelling nader toe telichten dat budgettaire aspecten geen enkele rol hebben gespeeld bij devoorstellen in het onderhavige wetsvoorstel en de budgettaire aspectenalsnog waar mogelijk te kwantificeren. Het kabinet had oorspronkelijk eenaanpassing in de beslistermijnen voorgesteld waarbij het mogelijk wasdat zich daarbij ook een financiële meevaller zou voordoen. Hierbij golddat een mogelijke besparing niet drijfveer was voor de voorgesteldeaanpassing maar het belang van de gedupeerde ouders.De aanpassing van de aanvraagtermijn voor aanvullende compensatievan werkelijke schade leidt naar verwachting enerzijds tot een beterespreiding van de aanmeldingen en daarmee tot minder ingebrekestel-lingen en beroepen niet tijdig beslissen en anderzijds tot meer aanmel-dingen. De raming voor de aanvullende schaderoutes is recent integraalherzien. De budgettaire effecten die direct gekoppeld zijn aan de aange-paste aanvraagtermijn voor werkelijke schade zijn daarin niet op zichzelfte kwantificeren.25Kamerstukken II 2023/24, 36 577, nr. 3, bijlage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 817 De leden van de fractie van de VVD vragen of de IV-capaciteit (Informatie-voorziening) voor de nabestaandenregeling beschikbaar is, wanneer dezewerkzaamheden zijn ingepland en of deze werkzaamheden tijdig zijningepland voor de inwerkingtreding van de regeling. De voorbereiding opde uitvoering van de nabestaandenregeling loopt tijdens de behandelingvan het wetsvoorstel in het parlement door. Een van de onderdelenhiervan is de IV, waarvoor capaciteit beschikbaar is bij de DienstToeslagen. De voorbereidende werkzaamheden worden naar verwachtingdit najaar afgerond, zodat gestart kan worden als en zodra de regelingdoor het parlement is aanvaard.8. Uitvoerders 8.1. Dienst Toeslagen De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen naar de statusvan de schaderegeling voor ex-partners en wanneer deze zal wordenuitgevoerd. Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD hoeveel fteer op dit moment beschikbaar is bij de Dienst Toeslagen voor dezeinwerkingtreding, welke stappen er worden gezet om de druk op de DienstToeslagen en de CWS te verminderen en wat de stand van zaken is van deaanpak om de druk te verminderen. De leden van de fractie van het CDAvragen naar mogelijke vertraging als deze regeling zal worden uitgevoerddoor dezelfde organisatie.Met de aanbieding van onderhavig wetsvoorstel wordt de bestuursrechte-lijke route voor afhandeling van aanvragen voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade van ex-partners belegd bij de Dienst Toeslagenen daarmee feitelijk bij de UHT. UHT heeft in een uitvoeringstoetsvastgesteld dat zij op zijn vroegst per 2027 de schaderegeling voor dezegroep kan uitvoeren, omdat er nu nog geen capaciteit voor beschikbaar is.Bezien wordt of en zo ja, hoe hier versnelling in aangebracht kan worden.Ondertussen wordt er ook gezocht naar een alternatieve route om zoveelmogelijk ex-partners zo snel en zo goed mogelijk te voorzien van eenaanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Het kabinet heeft uwKamer op 16 juli 202426 geïnformeerd dat ex-partners op dit moment nietin aanmerking komen voor de SGH-route en dat het kabinet aan de slaggaat met het vinden van een passende oplossing voor deze en anderegroepen ouders die nu niet in aanmerking komen voor deze route. Hetkabinet treedt daarbij ook in overleg met de SGH. Uw Kamer wordt zospoedig mogelijk geïnformeerd over het vervolg met betrekking tot deschaderegeling voor de ex-partners.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe ex-partners die inaanmerking komen voor de schaderegeling worden geïnformeerd en watin de tussentijd voor deze groep wordt gedaan. Ex-partners worden zodraer meer over de mogelijke schaderoutes bekend is waar mogelijkpersoonlijk geattendeerd op de mogelijkheden. Aanvullend wordtgenerieke communicatie op de communicatiekanalen van UHT ingericht.Ook wordt bezien of het aanmeldportaal met informatie over de routesvoor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in de toekomstbeschikbaar kan komen voor ex-partners.Op dit moment zijn belangrijke onderdelen van de ex-partnerregeling al inuitvoering. Momenteel worden de ex-partners die bij UHT in beeld zijndoor UHT per brief uitgenodigd zich aan te melden voor deex-partnerregeling. Als zij een brief van UHT hebben ontvangen kunnen zijeen aanvraag indienen (briefvereiste) en daarmee toegang krijgen tot de26Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1420.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 818 forfaitaire vergoeding van € 10.000, de schuldenaanpak en bredeondersteuning in Nederland en in het buitenland. Daarnaast komenkinderen van ex-partners aan wie het forfaitaire bedrag van € 10.000 istoegekend in aanmerking voor de kindregeling. Op dit moment worden dein de systemen van de Belastingdienst bekende ex-partners uitgenodigdzich te melden voor de regeling. Op termijn zal het, door het latenvervallen van het briefvereiste, ook mogelijk worden voor mensen omzichzelf te melden en te laten beoordelen of zij in aanmerking komen voorde ex-partnerregeling.In het aanmeldformulier is aangeven dat er wordt gewerkt aan deaanvullende schaderoutes. Ex-partners kunnen aangeven geïnformeerd tewillen worden over de schaderoutes die worden ontwikkeld.8.2. Commissie werkelijke schade (CWS) De leden van de fractie van de VVD merken op dat de CWS verwacht dathet voor nabestaanden moeilijk kan zijn om het verhaal van de overledenete vertellen en dat aannemelijk te maken, en dat dat ertoe kan leiden datde CWS in veel gevallen geen advies kan geven over de hoogte van dewerkelijke schade. Deze leden vragen wat de vervolgprocedure is voorgevallen waarover de CWS geen advies kan geven, op basis van welkegegevens de hoogte van de werkelijke schade dan wordt bepaald enwelke alternatieve mogelijkheden er bij de CWS zijn voor deze gevallen.Het kabinet erkent dat het lastig kan zijn voor nabestaanden om hetverhaal van de overledene te vertellen en dat aannemelijk te maken. Datdeze regeling desalniettemin in de wet is opgenomen, komt voort uit hetdoor de Kamer aangenomen amendement Leijten. De CWS zal opeenzelfde wijze de werkelijke schade van de overleden aanvrager vankinderopvangtoeslag vaststellen als dat bij de aanvrager bij leven gebeurt,waarbij er voor de nabestaande aanvullende persoonlijke bijstand wordtgeboden. Hierbij is een wezenlijk verschil dat het verhaal alsook deondersteunende stukken door een ander dan de gedupeerde zelfaangeleverd zal moeten worden. Er vindt bij nabestaanden evenals bijaanvragers bij leven geen toekenning plaats van aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade als de CWS geen advies kan geven. Er isgeen vaste vervolgprocedure in deze gevallen. Uiteraard staat wel demogelijkheid open voor bezwaar en beroep. Het kabinet beziet daarnaastof en zo ja op welke manier de schaderoute van SGH ook voornabestaanden uitvoerbaar zou kunnen zijn.8.3. Ondersteuningsteam ouders in het buitenland (OTB) De leden van de fractie van de VVD geven aan het belang te onder-schrijven dat ouders niet op een wachtlijst komen, maar vragen wel nadertoe te lichten onder welke voorwaarden 4 fte extra nodig is. Vanwegeextra instroom is er meer capaciteit nodig voor het helpen van ouders inhet buitenland dan een jaar geleden. Het OTB kan relatief snel opschalenals dat nodig is; er zijn geen wachtlijsten. Dat is extra belangrijk omdatdeze ouders en gezinnen langer dan anderen zonder ondersteuning in hetbuitenland hebben gezeten. Met de extra fte’s biedt het OTB noodzake-lijke, passende ondersteuning.De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel fte er momenteel bijOTB werkt en hoeveel ouders daardoor worden ondersteund. Per1 augustus 2024 bedraagt het aantal casemanagers bij het OTB 42,1 fte. Erzijn momenteel 902 ouders met een ondersteuningstraject en 149 trajec-ten zijn inmiddels afgesloten. Het totale aantal lopende of afgerondetrajecten bedraagt daarmee 1.051.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 819 De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel extra toestroom erwordt verwacht. Er wordt door het OTB rekening gehouden met instroomvan de groep die onder de nieuwe peildatum wel in aanmerking komtvoor hulp, van ex-partners, van nabestaanden en nieuwe instroom vanouders die recent de eerste toets of integrale beoordeling hebbendoorlopen. In totaal gaat het om een te verwachten instroom voor OTBvan 300 tot 400 gezinnen in 2024.9. Doenbaarheid van de maatregelen De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SGP vragen inhoeverre gedupeerden van de toeslagenproblematiek en specifieker deOudercommissie Kinderopvangtoeslag meegenomen zijn in de voorbe-reiding en uitwerking van het voorliggende wetsvoorstel, en zo ja, wat hetadvies was en wat met dit advies is gedaan. De problematiek rondom hetoverschrijden van beslistermijnen en de voorgestelde aanpassing daaraanen de aanpassing van de peildatum voor hulp aan gedupeerde ouders inhet buitenland zijn destijds besproken met de Oudercommissie. Eenaanpassing van de beslistermijnen maakt niet langer deel uit van hetwetsvoorstel. Ten aanzien van de aanpassing van de peildatum voorouders in het buitenland gaf de oudercommissie aan de wijziging als eenpositieve stap te zien.10. Adviesorganen 10.1. Raad voor rechtsbijstand De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waaromgedupeerden geen gebruik kunnen maken van de bijzondere regelingvoor rechtsbijstand bij een beroep niet tijdig beslissen. Tijdens detotstandkoming van de subsidieregeling voor rechtsbijstand werd er nietvanuit gegaan dat de beslistermijnen niet gehaald zouden worden. Toendit helaas wel het geval bleek, zijn dergelijke procedures daar ook bijherijkingen van de subsidieregeling niet onder geschaard, omdat – zoalsdit wetsvoorstel ook betoogt – het instellen van een beroep vanuit hetperspectief van het individu weliswaar begrijpelijk is, maar niet in hetbelang is van het collectief van aanvragers van een herstelregeling.Overigens volgt bij een toekenning van beroep niet tijdig beslissen doorde rechter, in de regel een door de Staat te betalen proceskostenveroor-deling.De leden van de fractie van de VVD vragen op welke termijn er een besluitzal worden genomen rondom de alternatieve schaderoutes. Uw Kamer isop 16 juli 202427 geïnformeerd dat er een dienstverleningsovereenkomstis gesloten met SGH.De Staatssecretaris van Financiën,N. Achahbar27Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1420.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 820

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6cba6e3ac257e10b

14 okt 2026 · d8b665327226e238

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.