KamerkringInloggen
Kamerbrief

Toekomst samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp

11 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie c463918a74fd65ce · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XVIIVaststelling van de begrotingsstaat vanBuitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp(XVII) voor het jaar 2025Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL ENONTWIKKELINGSHULP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 11 november 2024Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging1 aan het lid Boswijktijdens de begrotingsbehandeling op 31 januari 2024, om de Kamer in2024 per brief te informeren over het nieuwe programma voor hetmaatschappelijk middenveld na 2025, door mij bevestigd2 tijdens hetTweeminutendebat over de Mondiale Gezondheidsstrategie op 3 oktober2024.Ook informeer ik uw Kamer over de opvolging van de toezegging aan hetlid Kamminga om de Kamer te informeren over de kansen en risico’s vanhet verplichten van 50 procent eigen inkomsten voor (categorieën van)subsidie-ontvangende organisaties3; over andere criteria voor breeddraagvlak in de Nederlandse samenleving (aanvulling van het lid Hirsch)4;en over acceptatie van subsidie-ontvangende ngo’s door de mensen in deregio’s in hun culturen en gebruiken, het lokale eigenaarschap (aanvullingvan het lid Tuinman)5.De in deze brief opgenomen beleidswijzigingen hebben betrekking op desamenwerking met Nederlandse en niet-Nederlandse maatschappelijkeorganisaties op het terrein van ontwikkelingshulp en zullen niet geldenvoor het terrein van noodhulp.Hieronder volgt eerst een uiteenzetting van de toekomstige samenwerkingmet maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp. Daarna volgt eentoelichting op het voornemen van het kabinet om de onafhankelijkheidvan maatschappelijke organisaties van BHO-financiering verder te1TZ202402–0322TZ202410–0813TZ202402–03542024A0303152024A03031 kst-36600-XVII-13ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 131 stimuleren, via een verhoging van het drempelcriterium van 25% naar50% niet-BZ-inkomsten voor maatschappelijke organisaties die middelenwensen te ontvangen uit het nieuwe beleidskader, met daarbij ruimte voormaatwerk.Toekomstige samenwerking met maatschappelijke organisaties inontwikkelingshulpHet beleid door de jaren heenMaatschappelijke organisaties zijn sinds de jaren zestig een belangrijkepartner in de Nederlandse ontwikkelingshulp. Afhankelijk van debeleidsprioriteiten en de beschikbare budgettaire ruimte hebbenkabinetten door de jaren heen op verschillende wijze invulling gegevenaan deze samenwerking. Zo startte toenmalig Minister van BuitenlandseZaken, Joseph Luns, in 1965 met financiering van vier brede maatschap-pelijke organisaties6. Hierbij was het van belang dat zij «ieder voor zich engezamenlijk een bepaald draagvlak vertegenwoordigden in de Neder-landse samenleving».7 Het doel van het Medefinancieringsprogrammawas bij te dragen aan structurele vermindering van armoede, aanmaatschappij-opbouw en aan beleidsbeïnvloeding, niet alleen in hetmondiale zuiden maar ook in de armste landen van Midden- enOost-Europa. In 2003 waren die doelstellingen en de regionale focus nogsteeds dezelfde, maar koos Minister voor OntwikkelingssamenwerkingHerfkens ervoor deze deels te koppelen aan de financiering van thema-tische maatschappelijke organisaties op de toen voor Nederland priori-taire onderwerpen, zoals basisonderwijs, communicatie en cultuur. Zoontstond langzaamaan een themabeleid, waarin eigenaarschap envraaggerichtheid voorop stonden.8In 2013 kondigde Minister Ploumen aan om alleen nog versterking van hetmaatschappelijk middenveld in zijn rol als pleitbezorger en beïnvloeder tefinancieren.9 Omdat dit aansloot bij de visie van het kabinet dat duurzameen inclusieve ontwikkeling alleen kan met een maatschappelijkmiddenveld dat de capaciteit heeft om overheden effectief aan te sprekenop de uitvoering en handhaving van wetten. Deze visie kreeg vorm in hetbeleidskader Samenspraak en Tegenspraak (2016–2020), opgevolgd doorhet huidige beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld(2021–2025)10.Het huidige beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld(2021–2025; ca. EUR 1,47 miljard) streeft naar een krachtig maatschap-pelijk middenveld, dat vanuit een mensenrechtenbenadering de stemmenen behoeften van burgers vertolkt en hiermee bijdraagt aan verbeteringvan het sociale contract tussen burgers en overheid, en aan een inclusieveen duurzame samenleving. Het bestaat uit zeven verschillende instru-menten. Er zijn vier partnerschapsinstrumenten (het SRGR Partnerschaps-fonds; Power of Women; Women, Peace and Security en Power of VoicesPartnerschappen) waaruit 42 partnerschappen van maatschappelijkeorganisaties uit Nederland en/of lage en middeninkomenslandenfinanciering ontvangen. Daarnaast ontvangen maatschappelijke organi-saties uit ontwikkelingslanden rechtstreeks financiering via drie instru-6Cordaid, Hivos, ICCO en Oxfam Novib7https://wetten.overheid.nl/BWBR0013210/2002-02-018kst-27433-7.pdf (officielebekendmakingen.nl)9Kamerbrief Samenwerking met het maatschappelijk middenveld in een nieuwe context,9 oktober 2013; Kamerstuk 33 625, nr. 39, 2013–2014.10Kamerbrief Hoofdlijnen Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld, 20 juni 2019;Kamerstuk 34 952, nr. 66, 2018–2019. Kamerbrief Uitwerking Beleidskader VersterkingMaatschappelijk Middenveld, 4 november 2019; Kamerstuk 33 625, nr. 87, 2019–2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 132 menten: het Voice-Fund gericht op kwetsbare groepen in ontwikkelings-landen, Leading from the South gericht op het ondersteunen vanVrouwenorganisaties en het Civic Space Fund, dat ambassades in degelegenheid stelt maatschappelijke organisaties in hun land teondersteunen.Alle zeven instrumenten onder het huidige beleidskader VersterkingMaatschappelijk Middenveld lopen eind 2025 of eerder (Voice-Fund) af.Het nieuwe beleidskaderMet het oog op het aflopen van het huidige beleidskader eind 2025, metbijbehorende subsidierelaties, is het van belang uw Kamer en maatschap-pelijke organisaties tijdig duidelijkheid te geven over de hoofdlijnen vande opvolging ervan.Maatschappelijke organisaties zijn belangrijk voor effectieve ontwikke-lingshulp. Het kabinet heeft daarom besloten tot een nieuw beleidskadervoor de samenwerking met maatschappelijke organisaties. Ook kunnenmaatschappelijke organisaties na 2025 een beroep blijven doen op danbeschikbare subsidiemiddelen, voor bijvoorbeeld thematische prioriteitenof humanitaire hulp, mits zij voldoen aan de betreffende subsidiever-eisten. Voor een overzicht wordt verwezen naar de jaarlijkse subsidie-bijlage bij de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.Het beleidskader voor de samenwerking met maatschappelijke organi-saties voor de periode 2026–2030 zal aansluiten bij de prioriteiten van ditkabinet en de beschikbare budgettaire ruimte, en houdt rekening met devisie van uw Kamer11. Hierbij zijn evaluaties voor zover beschikbaar inogenschouw genomen, als ook internationale inzichten.12 Hoewel hetbeleid en de nadere invulling van de bezuinigingen op ontwikkelingshulppas dit voorjaar zijn beslag krijgen, kiest het kabinet ervoor om nu reedshet nieuwe beleidskader voor de samenwerking met maatschappelijkeorganisaties in hoofdlijnen aan te kondigen om zodoende al richting tekunnen geven voor de organisaties die het betreft. Het alternatief, uwKamer informeren over de afloop van het lopende beleidskader zonderinformatie over het vervolg, zou leiden tot onzekerheid die kan wordenvermeden. Bovendien geeft het kabinet hiermee antwoord op het verzoekvan de Kamer. De verdere uitwerking van het nieuwe beleidskader kent denodige flexibiliteit en komt terug in de Beleidsbrief begin 2025.Leidend voor het nieuwe kader is de wens van het kabinet om lokalemaatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden te versterken voorhun activiteiten ter plekke. Dit is het meest concreet en meetbaar, ook methet oog op maatschappelijk draagvlak. Hiermee stimuleert het kabinetlokaal eigenaarschap. De huidige praktijk van het financieren vanuitontwikkelingshulp van pleiten en beïnvloeden in Nederland acht hetkabinet onwenselijk. Hierbij heeft het kabinet scherpe keuzes moetenmaken, omdat er substantieel minder budget beschikbaar zal zijn voor hetnieuwe kader vanwege de bezuinigingen op ontwikkelingshulp.Overheid en non-gouvernementele organisaties hebben onderscheidenderollen en moeten die ook kunnen spelen. Het kabinet vindt het niet gezonddat non-gouvernementele organisaties financieel afhankelijk worden van11Motie lid Dobbe c.s., 32 735, nr. 388; Motie lid Dobbe c.s., 36 180, nr. 107; Motie lid Kamminga,36 180, nr. 111; Motie lid Stoffer c.s., 36 600, nr. 22.12Zoals: IOB-evaluatie SRGR-beleid 2012–2022, www.iob-evaluatie.nl/publicaties/rapporten/2023/11/27/srgr-beleid; Meta-evaluation – MTR reports strategic partnerships, ADE S.A., publicatiehiervan is op korte termijn voorzien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 133 de overheid. De overheid kan niet verantwoordelijkheid nemen voor decontinuïteit van non-gouvernementele organisaties. Daarom wordt waardat haalbaar is het drempelcriterium verhoogd voor overige inkomstendan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.Met de vermindering van de Nederlandse financiering via dit kader zalNederland ook internationaal een stap terug doen in de financiering vanmaatschappelijke organisaties. De financieringsconstructies onder ditkader worden sterk vereenvoudigd waardoor de middelen aanzienlijkefficiënter kunnen worden ingezet en er meer geld ter plekke kan wordenaangewend voor de doelen van het beleid.BudgetVoor de samenwerking met maatschappelijke organisaties stelt hetkabinet een indicatief budget van circa EUR 390–565 miljoen beschikbaarvoor de periode 2026–2030. De verdere uitwerking van het nieuwebeleidskader kent de nodige flexibiliteit en komt terug in de Beleidsbriefbegin 2025.Ten opzichte van het huidige beleidskader bezuinigt het kabinet in dezeperiode naar verwachting ongeveer EUR 900–1.100 miljoen. Een deelhiervan bestaat uit de pro-rata verdeelde bezuinigingen uit ODA-middelenvoor deze periode, zoals opgenomen in de BHO-begroting van 2025.Begin 2025 zal het kabinet uw Kamer via de Beleidsbrief nader informerenover het definitief beschikbare budget voor het nieuwe instrumentariumen over de betrokken landen van uitvoering.AanpakDe kern van het nieuwe beleidskader is de samenwerking tussenNederlandse maatschappelijke organisaties en hun partners in lage enmiddeninkomenslanden zodanig in te richten dat die concrete resultatenoplevert die aansluiten bij de lokale culturen, gebruiken en normen. Ditgeldt des te meer bij samenwerking met partners in ontwikkelingslandenop gevoelige onderwerpen gericht op mensen in de meest kwetsbareomstandigheden. Het respecteren van de mensenrechten, die universeelzijn, blijft daarbij het uitgangspunt. Hierbij zal de prioriteit met betrekkingtot de toegang tot de rechtsstaat en democratie onderdeel zijn van debeleidskeuzes die ik begin 2025 met uw Kamer zal delen.Het kabinet vindt het wenselijk dat eigenaarschap van maatschappelijkeorganisaties en gemeenschappen in lage en middeninkomenslandenwordt vergroot. Het instrumentarium voor samenwerking met maatschap-pelijke organisaties zal dus vooral op deze organisaties worden gericht.Dit sluit ook aan bij de aanbevelingen uit de jongste peer review van deOESO.13 Lokaal eigenaarschap in ontwikkelingshulp levert betereresultaten op. Meer eigenaarschap van maatschappelijke organisaties inontwikkelingslanden zorgt voor effectieve, blijvende inbedding vanontwikkelingsprogramma’s in de lokale context. Dit vereist dat maatschap-pelijke organisaties uit de landen zelf en mensen uit de betrokkengemeenschappen veel meer het voortouw nemen. Zij beslissen op basisvan hun capaciteiten, leiderschap en expertise over hun eigen agenda,over het ontwikkelen en realiseren van oplossingen voor de maatschappe-lijke vraagstukken waar zij voor staan.De samenwerking tussen de Nederlandse overheid en de Nederlandsemaatschappelijke organisaties verandert daarmee ook. Er komt meer13OECD, Development Cooperation Peer Reviews: Netherlands 2023, 2 oktober 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 134 ruimte in de relatie doordat de aard en de omvang van financiëleoverheidssteun verandert.Waar Nederlandse maatschappelijke organisaties uit het nieuwe beleids-kader middelen ontvangen, betreft dit terreinen en activiteiten waarop zijspecialistische kennis en expertise hebben, waarmee Nederland zichinternationaal onderscheidt. Denk hierbij aan specifieke kennis op hetgebied van gezondheid en aan expertise op het gebied van de samen-werking met plaatselijke organisaties op de bescherming vanmensenrechten.Terreinen van samenwerkingUitgaande van de beleidsprioriteiten van het kabinet en rekening houdendmet de wensen van uw Kamer worden instrumenten ontwikkeld op devolgende terreinen:Op het gebied van gezondheid:•Bestrijden hiv/aids epidemie:vrouwen en meisjes worden onevenredig hard geraakt door dehiv/aids epidemie. Zo betreft 62 procent van alle nieuwe infecties inSub-Sahara Afrika vrouwen en meisjes. Nederland heeft internationaalfaam opgebouwd met een effectieve aanpak tegen hiv/aids, dezogenaamde Dutch Approach. Dit is een samenwerking tussen degezondheidssector, de wetenschap en hoog-risicogroepen, die leidt toteffectieve preventie en behandeling. Er komt een programma waarinNederlandse expertise via organisaties uit ontwikkelingslanden wordtbenut ter bestrijding van de epidemie. Vrouwen, meisjes en kwetsbaregroepen (key populations) krijgen zo betere toegang tot preventie enzorg. Hiermee geeft het kabinet deels invulling aan de motie Dobbec.s.14 De verdere invulling wordt verder uitgewerkt in de Beleidsbriefbegin 2025.•Tegengaan schadelijke praktijken:in verschillende landen komen schadelijke praktijken en gebruikenvoor zoals meisjesbesnijdenis, kindhuwelijken en schadelijke over-gangsrites naar volwassenheid. Mensen die deze praktijken hebbenondergaan, ondervinden vaak schadelijke gevolgen, zoals fysieke,mentale en seksuele problemen. Dit geldt vooral voor vrouwen enmeisjes. Kindhuwelijken leiden bovendien vaak tot vroegtijdig verlatenvan school, met grote sociaaleconomische gevolgen voor jongemeisjes. Het kabinet creëert een speciale faciliteit met middelen voormaatschappelijke organisaties in de landen waar dit speelt en dieschadelijke praktijken tegengaan.Op het gebied van handel:•Stimuleren vrouwelijk ondernemerschap: dit initiatief ondersteuntvrouwelijke MKB-ondernemers die minder zichtbaar zijn voorfinanciële instellingen, private investeerders en grote subsidiepro-gramma’s. Vaak zijn zij actief in de landbouwsector. Vrouwen investe-ren hun winst vaker in hun gemeenschap en familie. Maatschappelijkeorganisaties in ontwikkelingslanden begeleiden deze vrouwen, insamenspraak met lokale overheden, financiële instellingen en privateinvesteerders, in het vergroten van hun kennis en commerciëlevaardigheden en bieden toegang tot financiering. Binnen dit initiatiefwordt, waar mogelijk, samengewerkt met Nederlandse bedrijven dieactief zijn in BHO-landen en met Nederlandse ondernemers en wordtaangesloten op bestaande programma’s.•Bevorderen schone en eerlijke handel: dit initiatief zet in op financiëlesteun aan maatschappelijke organisaties die goede relaties onderhou-14Motie lid Dobbe c.s., 36 180, nr. 107Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 135 den met overheden in productielanden, en lokale processen stimulerendie leiden tot meer schone en eerlijke waardeketens. Het gaat ommaatschappelijke organisaties met sterke netwerken, zowel inproductielanden als in Europa en/of Nederland. Met hun goede kennisvan de Europese markt, maken zij de verbinding tussen verantwoordeproductie in ontwikkelingslanden en afnemers in Nederland. Ditondersteunt lokale economische ontwikkeling en helpt Nederlandsebedrijven om te voldoen aan de Europese IMVO-richtlijn, de CorporateSustainability Due Diligence Directive (CSDDD). Vooral als dezemaatschappelijke organisaties, op basis van hun kennis van de lokalecontext, Nederlandse bedrijven praktische ondersteuning kunnenbieden bij het uitvoeren van gepaste zorgvuldigheid.Op het gebied van mensenrechten:•Tegengaan geweld tegen vrouwen en steun aan vrouwenrechtenverde-digers: er komt een specifiek initiatief gericht op het bestrijden vangeweld tegen vrouwen in ontwikkelingslanden. Gespecialiseerdeorganisaties in ontwikkelingslanden ontvangen hiervoor financiering.Binnen de nieuwe faciliteit komt daarnaast een specifieke focus opsteun aan vrouwenrechtenverdedigers in acute nood. Hiermee geefthet kabinet invulling aan de motie Dobbe c.s. ingediend tijdens hetnotaoverleg over de Mensenrechten in het Buitenlands beleid.15•Beschermen en promoten van mensenrechten en fundamentelevrijheden: er komt inzet om de rechten van kwetsbare groepen tebevorderen. Specifieke aandacht gaat hierbij naar religieuze minderhe-den en lhbtiq+-personen. Hierdoor wordt de positie en capaciteitversterkt van organisaties die de belangen van deze groepen beharti-gen en werken aan de vrijheid, toegang tot diensten en veiligheid vanpersonen behorend tot deze groepen. Deze versterking van hetmaatschappelijk middenveld draagt bij aan de wereldwijde bevorde-ring van mensenrechten, democratie, vrijheid en veiligheid. Hiermeegeeft het kabinet mede uitvoering aan de moties Kamminga overmiddelen reserveren voor SRGR, vrouwenrechten en de rechten vankwetsbare groepen16 en Stoffer c.s. over de aanpak van christenvervol-ging17. De verdere invulling wordt verder uitgewerkt in de Beleidsbriefbegin 2025. Een deel hiervan ligt op het terrein van de Minister vanBuitenlandse Zaken.Ook hecht het kabinet aan initiatieven die Nederlanders zelf ontplooien ophet gebied van ontwikkelingshulp en zal zij een instrument ontwikkelenom dit aan te moedigen en te ondersteunen:•Stimuleren Nederlandse particuliere initiatieven: in Nederland vinden-buiten de overheid om- talloze maatschappelijke initiatieven plaats ophet terrein van ontwikkelingshulp. Zo zamelen Nederlanders via zo’n5.200 burgerinitiatieven geld in of doen zij vrijwilligerswerk om directhulp te bieden aan mensen in ontwikkelingslanden.18 Veel van dezekleinschalige hulpinitiatieven zetten zich in voor kinderen en zijngericht op goed onderwijs, toegankelijke gezondheidszorg of schoondrinkwater. Het kabinet wil deze initiatieven stimuleren, bijvoorbeelddoor hun zichtbaarheid te vergroten of financiële steun te bieden voorbijvoorbeeld training en communicatie. Zo zijn Nederlandse particu-liere ontwikkelingsinitiatieven beter in staat hun doelen te bereiken.15Motie lid Dobbe c.s., 32 735, nr. 38816Motie lid Kamminga, 36 180, nr. 11117Motie lid Stoffer c.s., 36 600, nr. 2218Bekkers, René, c.s (2024), Geven in Nederland 2024, Centrum voor Filantropische Studies, VUAmsterdam.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 136 De bovengenoemde nieuwe instrumenten gaan in 2026 van start. Deprecieze invulling wordt met behoud van de nodige flexibiliteit verderuitgewerkt in de Beleidsbrief begin 2025.Onder de nieuwe instrumenten worden onder meer de volgendeactiviteiten gefinancierd: dienstverlening door maatschappelijke organi-saties in ontwikkelingslanden, het versterken van hun capaciteit gericht opdienstverlening en op het voeren van een dialoog met betrokkenoverheden en andere invloedrijke partijen ten behoeve van de aansluitingbij de plaatselijke situatie.De financiering wordt beschikbaar gesteld via transparante en efficiëntefinancieringsconstructies. In het huidige beleidskader wordt veelalgewerkt met consortia van maatschappelijke organisaties uit Nederlanden ontwikkelingslanden, die vaak in een groot aantal landen en regio’stegelijk werkzaam zijn en een complexe en gelaagde organisatiestructuurhebben. Uit een evaluatie van IOB bleek dat dergelijke samenwerkingsver-banden vaak hoge indirecte kosten met zich meebrengen.19 Ook uit demeta-evaluatie van de tussentijdse evaluaties20 van de huidige partner-schappen blijkt dat huidige samenwerkingsverbanden vaak bewerkelijkzijn en het lokaal eigenaarschap soms onvoldoende bevorderen.Dergelijke constructies worden daarom in de vormgeving van de nieuweinstrumenten vermeden.Draagvlakcriteria voor subsidie-ontvangende maatschappelijkeorganisatiesHet Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) werkt met een bredesubsidieregeling (Subsidieregeling Buitenlandse Zaken 2006), aangevuldmet thematische subsidiebeleidskaders.21 Het Subsidiebesluit Buiten-landse Zaken geeft aan dat subsidieaanvragen mede worden beoordeeldop de mate waarin draagvlak bestaat voor de activiteiten, bijvoorbeeldblijkend uit een bijdrage in de kosten door betrokkenen, waarvoor eigeninkomsten uiteraard van belang zijn.Financiële draagvlakcriteriaHet ministerie werkt nu niet met een breed geldend minimumvereistevoor eigen inkomsten bij verzoeken om steun vanuit de BHO-begroting.Wel past het ministerie een drempelcriterium van 25 procent niet-BZ-inkomsten toe bij bijna alle lopende subsidiebeleidskaders met eensubsidieplafond van meer dan EUR 50 miljoen (zie bijlage), met uitzon-dering van het subsidiebeleidskader Humanitaire Hulp. Daarvoor geldt datde aanvragende organisaties hulp bieden op basis van het zogenaamdehumanitair imperatief en de humanitaire principes van menselijkheid,onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartijdigheid. Overigens moeten dezeorganisaties, willen zij naast subsidies voor humanitaire hulp ook eenberoep doen op subsidies voor andere hulpactiviteiten, voldoen aan devoor die instrumenten geldende vereisten, inclusief een eventuele normvoor eigen inkomsten.Het kabinet wil de onafhankelijkheid van maatschappelijke organisatiesvan BHO-financiering verder stimuleren, via een verhoging van het19IOB-evaluatie SRGR-beleid 2012–202, www.iob-evaluatie.nl/publicaties/rapporten/2023/11/27/srgr-beleid.20Meta-evaluation – MTR reports strategic partnerships, ADE S.A. Publicatie hiervan is op kortetermijn voorzien.21Daarnaast maken de ambassades gebruik van zogenaamde bijdrageovereenkomsten ommaatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden te financieren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 137 drempelcriterium van 25% naar 50% niet-BZ-inkomsten voor maatschap-pelijke organisaties die middelen wensen te ontvangen uit het nieuwebeleidskader, met ruimte voor maatwerk, bijvoorbeeld met oog voorspecialistische organisaties.Het kabinet onderzoekt daarnaast of, en zo ja in welke gevallen, hetdrempelcriterium van minstens 25% niet-BZ inkomsten voor maatschap-pelijke organisaties die subsidie aanvragen onder andere thematischesubsidiebeleidskaders uit de begroting voor Buitenlandse Handel enOntwikkelingshulp kan worden verhoogd van 25% naar 50%. Deuitkomsten van dat onderzoek deel ik in de loop van 2025 met uw Kamer.Ongeveer de helft van de subsidies wordt verstrekt via subsidiebeleids-kaders. Het ministerie verleent daarnaast rechtstreeks subsidies aanmaatschappelijke organisaties, bijvoorbeeld wanneer de betrokkenorganisatie een unieke (internationale) functie vervult. Hierbij wordt geenminimumvereiste voor de eigen inkomsten gehanteerd. Het kabinet isvoornemens in het hierboven genoemde onderzoek mee te nemen of eendrempelcriterium kan worden ingevoerd voor alle subsidieaanvragen vanmaatschappelijke organisaties uit de begroting voor Buitenlandse Handelen Ontwikkelingshulp en zo ja, of dit dan 50% kan zijn.Niet-financiële draagvlakcriteriaHet draagvlak van maatschappelijke organisaties kan ook blijken uitniet-financiële bijdragen vanuit de samenleving. Voorbeelden zijn: hetaantal vrijwilligers en de hoeveelheid tijd die vrijwilligers besteden, hetaantal donateurs, het aantal volgers op sociale media, het aantalparticipanten op georganiseerde bijeenkomsten, de mate waarinbedrijven bereid zijn om diensten of goederen om niet beschikbaar testellen, de mate van bereik van specifieke groepen in de samenleving(zoals jongeren of onderwijsinstellingen) of de mate waarin kennisinsti-tuten, bedrijven of beleidsmakers participeren in het uitwisselen van(unieke, Nederlandse) expertise, kennis en kunde.In de praktijk is gebleken dat gegevens hierover onvoldoende eenduidigmeetbaar en verifieerbaar zijn. Het kabinet acht het daardoor niet haalbaarbij de beoordeling van subsidieaanvragen op het terrein van ontwikke-lingshulp een uitspraak te doen over het draagvlak van maatschappelijkeorganisaties waarbij zowel financiële en als niet-financiële criteriakwantitatief worden gewogen.TenslotteHet kabinet verwacht dat de veranderende inzet op het terrein van hetmaatschappelijk middenveld ertoe leidt dat Nederlandse maatschappelijkeorganisaties minder afhankelijk worden van de overheid. Het kabinet iszich ervan bewust dat de nieuwe aanpak een beroep doet op de flexibi-liteit en het innovatievermogen van de organisaties. Tegelijkertijd biedt deaanpak hen ook de kans Nederlandse burgers en bedrijven meer met hunwerkzaamheden te verbinden. Ontwikkelingshulp is immers een zaak vanons allemaal.De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp,R.J. KleverTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 138 LOPENDE THEMATISCHE SUBSIDIEBELEIDSKADERS GEFINAN-CIERD UIT DE BHO-BEGROTING WAAR MAATSCHAPPELIJKEORGANISATIES (MEDE) EEN BEROEP OP KONDEN/KUNNENDOEN, UITGESPLITST NAAR VAN TOEPASSING ZIJNDEDREMPELCRITERIA TEN AANZIEN VAN EIGEN INKOMSTEN(TABEL 1), EIGEN BIJDRAGE AAN PROJECTKOSTEN (TABEL 2) OFGEEN VAN BEIDE (TABEL 3); PEILDATUM 1 OKTOBER 2024.Tabel 1: Lopende subsidiebeleidskaders met een drempelcriterium van 25 procentniet-BZ inkomsten van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager of aanvra-gende alliantie.SubsidiebeleidskaderSubsidie-plafondSubsidiepe-riodePower of Voices Partnerschappen€ 808.500.0002021–2025SRGR Partnerschap Fonds 2021–2025€ 308.700.0002021–2025Subsidieprogramma Bodemvruchtbaarheid€ 200.000.0002023–2034Contributing to Peaceful and Safe Societies 2024–2031€ 200.000.0002024–2031Drylands Soudan-Sahel Program€ 100.000.0002020–2030Fonds Product Development Partnerships IV€ 86.300.0002024–2028Power of Women€ 73.500.0002021–2025Voice 2016–2024 Fonds€ 60.000.0002016–2024Driving nutrition Impact through implEmenting naTionalpolicieS (DIETS)€ 60.000.0002022–2026Versterking van de humanitaire sector 2024–2027€ 60.000.0002024–2027Migration and Displacement 2023–2028€ 57.000.0002023–2028Women, Peace and Security€ 39.200.0002021–2025Fonds Bestrijding Seksuele Uitbuiting Kinderen€ 15.000.0002022–2025 N.B. Het VOICE 2016–2024 Fonds betreft een uitzondering: aanvragers(kleine maatschappelijke organisaties uit ontwikkelingslanden) kunneneen aanvraag indienen voor niet meer dan 50 procent van hun jaarlijkseinkomsten in de periode van uitvoering.Tabel 2: Lopende subsidiebeleidskaders met een drempelcriterium ten aanzien van deeigen bijdrage aan projectkosten.SubsidiebeleidskaderSubsidie-plafondSubsidiepe-riodeSubsidieprogramma Orange Corners Innovation Fund2024–2030€ 46.200.0002024–2030SDG Results: Access to renewable energy€ 22.500.0002021–2026Subsidieprogramma Orange Corners€ 12.000.0002024–2028Subsidieprogramma Impactclusters 2023–2028€ 10.800.0002023–2028Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen€ 4.249.1442024–2027Subsidieprogramma European Partnership for ResponsibleMinerals 2023–2028€ 2.000.0002023–2028 N.B. Dit betreft subsidiebeleidskaders voor activiteiten waarbij bedrijvensamenwerken met maatschappelijke organisaties.Tabel 3: Lopende subsidiebeleidskaders zonder drempelcriterium ten aanzien vanniet-BZ inkomsten of eigen bijdrage aan projectkosten.SubsidiebeleidskaderSubsidie-plafondSubsidiepe-riodeHumanitaire hulp 2022–2026€ 424.000.0002022–2026Subsidieprogramma Oekraïne partnerfaciliteit€ 25.000.0002023–2025BIJLAGE 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 139 SubsidiebeleidskaderSubsidie-plafondSubsidiepe-riodeSubsidieprogramma Versnelling Weerbaarheid Voedselsys-temen Afrika€ 25.000.0002023–2026Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO2022–2025€ 11.300.0002022–2025 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVII, nr. 1310

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8c0b2cbb06cdaf99

14 okt 2026 · a35a0dde243f3ab3

13 okt 2026 · 27eec0443b42d19a

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.