Verslag van een schriftelijk overleg over de beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36800-VIII-148)
Brontekst
Versie da02551950a87604 · officiële bron37 020 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2027 Nr. 7 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 21 september 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief van de minister en staatssecretaris Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 april 2026 inzake de Beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 148). De vragen en opmerkingen zijn op 11juni 2026 aan de minister en staatssecretaris Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 21 september 2026 zijn de vragen beantwoord. De voorzitter van de commissie, Koorevaar Adjunct-griffier van de commissie, Van Thiel Inhoud I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractie Inbreng van de leden van de PRO-fractie Inbreng van de leden van de CDA-fractie Inbreng van de leden van de JA21-fractie Inbreng van de leden van de DENK-fractie Inbreng van de leden van de SGP-fractie Inbreng van de leden van de PvdD-fractie Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie Inbreng van de leden van de SP-fractie Inbreng van de leden van de Groep Markuszower II Reactie van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie zijn verheugd te lezen dat er weer serieus en structureel geïnvesteerd wordt in het onderwijs en de drastische bezuinigingen teruggedraaid worden. Tegelijkertijd maken deze leden zich zorgen over de schade die dit afgelopen jaren veroorzaakt heeft en de gevolgen die voornamelijk jongeren maar ook de maatschappij en onze economie daarvan te verduren hebben. De leden van de D66-fractie constateren dat Kabinet Jetten net iets meer dan honderd dagen geleden geïnstalleerd is en dat daarmee geduld opgebracht moet worden voor de uitwerking van het regeerakkoord. Tegelijkertijd vinden deze leden dat we aan de slag moeten en dat deze brief van de minister en staatssecretaris deze houding al goed laat zien. De leden van de D66-fractie hebben een aantal overkoepelende vragen met betrekking tot de brief en de vaststelling van de begrotingsstaten. Kan het kabinet aangeven hoe zij de investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap ziet in relatie tot de economie, kansengelijkheid en democratische weerbaarheid? Zijn er kerncijfers of rekenmodellen die investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap vertalen naar maatschappelijke, economische ontwikkelingen? Wat zouden de effecten van de structurele investeringen genoemd in deze brief zijn voor Nederland op korte en langere termijn? Er wordt in de brief beleidsbreed gesproken over vereenvoudiging van wet- en regelgeving, kan het kabinet aangeven op welke manier zij dit zou willen bewerkstelligen? Met betrekking tot basisvaardigheden en de kwaliteit van funderend onderwijs hebben de leden van de D66-fractie een aantal vragen. Het is goed te zien dat we investeren in de basisvaardigheden, zoals bijvoorbeeld die betreffende lezen. Welke effecten verwacht het kabinet van werken met structurele bekostiging van de Subsidie Basisvaardigheden in relatie tot het verbeteren van deze vaardigheden en hoe kunnen we sturen op verschillen tussen scholen als het gaat om het verbeteren van de kwaliteit? Waar hebben leerachterstanden een plek in het beleid rondom basisvaardigheden? Wanneer vindt een evaluatie plaats van de aanpak basisvaardigheden en welke lessen hieruit kunnen worden getrokken voor het verhogen van de onderwijskwaliteit? Investeren in onderwijsprofessionals is een onderdeel van een goede aanpak om de tekorten in het onderwijs tegen te gaan. De leden van de D66-fractie zien dat het kabinet wil investeren in lerende teams en vragen zich af hoe dit vormgegeven zal worden? Op welke manieren wordt de sector betrokken om dit vorm te geven, zodat dit effectief en efficiënt gedaan kan worden? Wordt er ook ingezet op meer onderwijsassistenten om leraren te ondersteunen? Kan het kabinet voorbeelden noemen van ideeën van zij-instromers om het voor deze groep makkelijker te maken het onderwijs in te gaan en hen beter te ondersteunen? Het funderend onderwijs verdient de aandacht die het kabinet in de brief geeft met de daarbij behorende middelen. De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe we gaan monitoren dat de onderwijsachterstandsmiddelen en die van het programma School & Omgeving bij de groep terechtkomt die dit het hardste nodig heeft. Met welke partners wil het kabinet samenwerken om gratis schoolfruit mogelijk te maken? Het is goed te lezen dat er fundamentele aandacht is voor het passend onderwijs en dat het kabinet verschillende uitdagingen benoemt en aangaat. Hoe zorgen we ervoor dat de interdepartementale Sociale Agenda deze reikwijdte aan onderwerpen goed beslaat en slagkracht krijgt om verandering te bewerkstelligen? Hoe wordt gezorgd voor het ontschotten van budgetten van onderwijs en zorg, zodat meer leerlingen een passende plek in het onderwijs krijgen? Hoe wordt gehandhaafd op het niet bieden van een dekkend aanbod door de samenwerkingsverbanden, gezien het grote aantal thuiszitters? Op welke manieren worden maatschappelijke partners betrokken en vanaf wanneer gaan we hiervoor de resultaten zien waar leerlingen, ouders en het onderwijsveld naar verlangen? Bij de randvoorwaarden van het funderend onderwijs wordt terecht opgemerkt dat er een investering en meer aandacht nodig is voor kwaliteit van het onderwijs en specifieker de rol van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) hierin. Is de frequentie van schoolbezoeken een ambitie of een doel? Op welke manieren gaan we sturen op het realiseren van het minimaal iedere vier jaar laten bezoeken van een school? Welke keuzes maken we om dit mogelijk te maken? Op welke wijze wordt de Pilot Kleinere Klassen uitgewerkt, aangezien leraren aangeven dat dit een belangrijke randvoorwaarde is voor het geven van goed onderwijs, en kunnen scholen hieraan meedoen? De leden van de D66-fractie zien dat het belangrijk is dat we inzetten op het mentale welzijn van studenten en scholieren en zien een eerste uiteenzetting van de te verwachten maatregelen in de brief. Daarbij zien deze leden een aantal belangrijke elementen terugkomen zoals onder andere financiële onzekerheid en prestatiedruk. Het (mentale) welzijn van studenten is niet alleen een verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW en deze leden vragen zich af hoe OCW de samenwerking met andere departementen en organisaties wil vormgeven en vooral studenten zelf wil betrekken voor een effectieve set maatregelen om de mentale gezondheid van studenten te verbeteren. Hoe kijkt het kabinet in dit kader naar de hoge toetsdruk en is zij bereid met de sector en experts richtlijnen op te stellen om die te verlagen, gericht op minder toetsen of deze minder vaak voor een cijfer te laten zijn? Het mbo heeft de nadrukkelijke aandacht van de leden van de D66-fractie en het is goed te lezen dat we verder gaan met investeringen en maatregelen om het mbo de positie in de maatschappij, het onderwijsveld en onder studenten te bewerkstelligen die het verdient. Deze leden hechten er aan dat stagediscriminatie (binnen en buiten het mbo) hard aangepakt gaat worden en vragen zich af per wanneer zij mogen verwachten dat deze aanpak in kan gaan en op welke termijn het kabinet hoopt dat deze effect bereiken. Daarnaast vragen zij zich af per wanneer gelijke toegang tot voorzieningen voor studenten van het mbo geregeld kan zijn. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de richting die het kabinet op wil met de talentstrategie en vragen zich af of het kabinet hier ook concretere doelen bij gesteld heeft en op welke wijze een talentenstrategie daarmee kan bijdragen aan het onderwijs en de maatschappij als geheel. Deze leden vragen zich af hoe het kabinet de rol van (generatieve) artificiële intelligentie (AI) beschouwt en of zij samen met het onderwijsveld optrekt in het volgen van de ontwikkelingen en het opstellen van noodzakelijk beleid naar aanleiding hiervan. In de context van internationale talentenstrategie zijn de leden van de D66-fractie benieuwd te weten aan welke middelen het kabinet denkt als zij internationale studenten wil motiveren de Nederlandse taal te leren. In de brief worden voor internationale studenten diverse doelen en maatregelen benoemd, per wanneer wil het kabinet deze invoeren? Welke planning hangt aan deze voornemens? In het kader van Leven Lang Ontwikkelen zien de leden van de D66-fractie meerdere ambities en mogelijkheden en deze leden vragen zich of hoe de samenwerking met het ministerie van SZW vormgegeven is. Op welke manier zorgt het kabinet voor een samenwerking van de ambities op het vlak van Leven Lang Ontwikkelen en het meer activerend maken van de Werkloosheidswet (WW)? De leden van de D66-fractie zijn blij te lezen dat er geïnvesteerd wordt in onderzoek en innovatie, dit hoort niet alleen bij de Nederlandse cultuur maar is ook van enorme waarde voor kwaliteit van leven en de maatschappij als geheel, nu en in de toekomst. Deze leden vragen zich hoe ver of dichtbij we nog verwijderd zijn van de Lissabondoelstelling. Op welke termijn kunnen bezuinigingen teruggedraaid worden? Het is goed dat er keuzes gemaakt worden om te komen tot een meer effectief beleid en de leden van de D66-fractie willen graag weten welke elementen bepalend zijn voor het maken van de lastige keuzes. In relatie tot de genoemde triple helix en de rol van het mbo hierin vragen deze leden zich af wanneer practoraten verankerd kunnen worden, hoe het mbo hier zelf een rol in krijgt en op welke manier dit gaat helpen hen een betere positie te geven in de kennisketen? De leden van de D66-fractie lezen dat de minister inzet op een eerlijke digitale markt met goede auteursrechtelijke bescherming. Deze leden onderschrijven dat doel, maar vragen of de minister bereid is dit concreter te maken langs drie lijnen: transparantie over gebruikte trainingsdata met omgekeerde bewijslast wanneer aanbieders hierover niet openheid geven, een licentieplicht voor beschermd materiaal die ook geldt wanneer training buiten de EU plaatsvindt en een vergoedingsplicht voor zowel het gebruik van beschermd werk als trainingsmateriaal als de economische schade die AI-gegenereerde output aanricht. Frankrijk ontwikkelt hiervoor al concrete wetgeving. Is de minister bereid zich in Europees en nationaal verband hard te maken voor deze drie uitgangspunten, en zo ja, op welke termijn en wijze? De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen aangaande de voorgestelde maatregelen voor het versterken van de cultuur. Hoe wordt voorkomen dat een langere financieringsduur leidt tot minder ruimte voor nieuwe makers en innovatieve initiatieven? Hoe wordt voorkomen dat een langere subsidieperiode ten koste gaat van nieuwe makers en kleinere instellingen? Deze leden vragen zich ook af welke rol gemeenten en provincies krijgen bij de uitwerking van het cultuurbestel vanaf 2029? Dezelfde vraag stellen de leden van de D66-fractie bij het betrekken van culturele instellingen en makers uit Caribisch Nederland bij de gesprekken die genoemd worden. En welke belemmeringen ziet het kabinet momenteel voor toegang tot cultuur in Caribisch Nederland? Het kabinet zet hoog in op het aanpakken van het grote woningtekort, daarbij zijn deze leden benieuwd hoe wordt geborgd dat culturele voorzieningen onderdeel blijven van nieuwe woningbouwlocaties en gebiedsontwikkelingen? Zij zouden graag geïnformeerd worden over hoeveel financiële middelen beschikbaar zijn voor de uitvoering van de Aanpak Erfgoed en Leefomgeving? Zij zijn ook geïnteresseerd te leren welke concrete resultaten tot nu toe bereikt zijn met de Creative Industries Immersive Impact Coalition. Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van de ambities voor het verbeteren van de positie van vrouwen en lhbtiq+ personen. Deze leden hebben behoefte aan een concretere aanpak van de genoemde problemen en zien uit naar de beloofde plannen van het kabinet. Het regenboogstembusakkoord bevat beleidsvoorstellen op het vlak van verschillende ministeries, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat andere ministeries zich verantwoordelijk voelen en maken voor beleid op het betreffende terrein? De reikwijdte van het regenboogstembusakkoord vraagt prioritering en de leden van de D66-fractie vragen zich af of het kabinet deze prioritering aangebracht heeft in overleg met organisaties en de betreffende gemeenschap(pen). Welke passende snelheid mogen deze leden verwachten en wat betekent dit planmatig voor concrete voorstellen die hieruit naar voren komen? Welke concretere maatregelen denkt het kabinet te nemen voor de positie van vrouwen en op welke terreinen? Inbreng van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de Beleidsbrief OCW 2026 en hebben hierover enkele vragen. De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet de verdeling van extra middelen op OCW met de Kamer heeft gedeeld. Hierin is zichtbaar dat er oplopend €1,5 miljard extra beschikbaar is. Hoe verhoudt dat zich tot de onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof? Kan het kabinet per post op de begroting aangeven welke bezuinigingen ingeboekt stonden, en op welke wijze deze al dan niet worden teruggedraaid met deze extra middelen? Zijn met deze middelen de bezuinigingen allemaal van tafel? Op welke posten wordt toch bezuinigd, ondanks dat er in totaal meer geld bij komt? Kunnen de bewindspersonen weergeven op welke posten op de begroting er netto geld bijkomt per jaar? Op welke posten gaat er netto geld af per jaar? Kunnen de bewindspersonen weergeven per post hoeveel euro er per jaar extra bij of afgaat? Hoe verhouden de bestedingen aan OCW inclusief deze extra middelen zich respectievelijk tot de uitgaven aan onderwijs in het kabinet-Schoof en het kabinet-Rutte IV? Kunnen de bewindspersonen deze vragen afzonderlijk beantwoorden? De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet de basisvaardigheden in het funderend onderwijs wil verbeteren met een Masterplan basisvaardigheden. In hoeverre komt dit plan tegemoet aan de notie vanuit de Europese Commissie dat kinderen uit achterstandssituaties structureel onderpresteren en dat Nederland slecht presterende scholen gericht zou moeten ondersteunen? En aan de kritiek vanuit de Europese Commissie over wat het dalende onderwijsniveau doet met de concurrentiepositie van Nederland in de wereld? Tevens benoemen de bewindspersonen verschillen tussen scholen als probleem dat moet worden aangepakt. Welke concrete stappen neemt het kabinet hiertoe en hoeveel middelen zijn hier structureel voor beschikbaar? In hoeverre hangen verschillen tussen scholen samen met de op scholen aangeboden niveaus? De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet €58 miljoen beschikbaar stelt voor brede brugklassen. Op hoeveel scholen verwacht het kabinet dat er hiermee brede brugklassen gerealiseerd kunnen worden? De leden van de PRO-fractie onderschrijven het belang van investeren in vakmanschap en teamprofessionalisering. Daarbij is evenzeer van belang dat personeelsvertegenwoordigers en (onderwijs)vakbonden actief worden betrokken bij bestuursakkoorden en werkagenda's. Docenten weten immers het best onder welke condities kennisoverdracht hoort plaats te vinden. Op welke wijze gaat het kabinet invulling geven aan de uit vakbondskringen gehoorde wens om niet alleen in het primair onderwijs, maar ook in het voortgezet onderwijs personeel en hun vertegenwoordigers actief te betrekken bij eventuele nieuwe bestuursakkoorden? De leden van de PRO-fractie vinden het zorgwekkend dat er nog steeds veel onbevoegde leraren voor de klas staan. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs. Kan de staatssecretaris de ontwikkeling laten zien van het aantal onbevoegde leraren de afgelopen tien jaar in het po en vo? Klopt het dat het aantal bevoegde leraren geen onderdeel is van het onderzoekskader van de Inspectie? Is de staatssecretaris bereid om het aantal bevoegde leraren per school onderdeel te maken van het onderzoekskader, zodat de Inspectie hierop kan handhaven? De leden van de PRO-fractie maken zich dan ook zorgen over de inzet van onbevoegde leraren. Deze leden constateren dat de staatssecretaris zich inzet om dit via wetgeving structureel te maken. Zij vinden dit onwenselijk met het oog op de professionaliteit en het vakmanschap van docenten en gezien wat dit kan betekenen voor kansengelijkheid. Om die reden vragen de leden van de PRO-fractie een duidelijke uitspraak van de staatssecretaris dat het inzetten van onbevoegde docenten alleen als een zeer tijdelijke noodmaatregel ingezet kan worden en dat het inzetten van onbevoegden nooit het nieuwe normaal mag worden. Is de staatssecretaris verder bereid om een einddatum vast te leggen voor de G5-noodmaatregelen in het po en de teambevoegdheid in het vo, zodat deze ook op korte termijn beëindigd worden? Welke maatregelen neemt de staatssecretaris om het aantal bevoegde leraren toe te laten nemen? Is de staatssecretaris bereid om gericht te investeren in verkorte en op maat gemaakte opleidingstrajecten voor de groep leraren die momenteel zonder volledige of passende bevoegdheid werkzaam is? De leden van de PRO-fractie constateren dat de uitstroom van leraren nog steeds hoog is. Pensionering, beperkte professionele ruimte, hoge werkdruk en onzekerheid over tijdelijke contracten leiden ertoe dat leraren het onderwijs verlaten. Deze leden vragen de staatssecretaris welke maatregelen zij neemt om de werkdruk te verlagen. Is de staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor een maximaal aantal lesuren, minder administratieve taken en de inzet van extra ondersteunend personeel? En hoe staat het met de pilot met beperkte klassengrootte? Om het aantal tijdelijke contracten en externe inhuur te beperken is er de Wet Strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen (SPA). De leden van de PRO-fractie vragen de staatssecretaris wat de stand van zaken is met deze wet en wanneer deze bij de Tweede Kamer ingediend gaat worden. Ook vragen deze leden naar de uitvoering van de motie van de leden Moorman en Beckerman[voetnoot 1] om commerciële inhuur af te bouwen en te borgen dat scholen gebruik gaan maken van publieke invalspools. Tevens begrijpen de leden dat het aantal tijdelijke contracten met name zeer hoog is bij Internationale Schakelklassen (ISK’s). Kan de staatssecretaris in beeld brengen hoeveel tijdelijke contracten er zijn bij ISK’s en mocht het aantal tijdelijke contracten inderdaad hoog zijn, is de staatssecretaris bereid hier actie op te gaan voeren? De leden van de PRO-fractie merken op dat de bewindspersonen schrijven dat de democratische rechtsstaat een belangrijke basiswaarde in de samenleving is en dat daarom via de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen wordt gevraagd dat ze nadrukkelijk aandacht besteden aan kennis over en het waarderen en naleven van deze basiswaarden. Hoe bezien de bewindspersonen in dit licht dat het geschiedenisonderwijs als verplicht vak op het vmbo beperkt blijft tot twee jaar? In hoeverre geloven zij dat meer geschiedenisonderwijs naast burgerschapsonderwijs bij zou kunnen dragen aan meer kennis over de democratische rechtsstaat? De leden van de PRO-fractie zien veelvuldig dat leerlingen in verouderde schoolgebouwen les krijgen, waarbij het te heet en/of te koud kan zijn. Dit leidt tot ongezonde leeromstandigheden. Is de staatssecretaris bereid om een onderzoek te starten naar een maximale temperatuur in klaslokalen? En is de staatssecretaris bereid om samen met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover in gesprek te gaan met de Arbeidsinspectie om actiever te gaan handhaven op een gezond binnenklimaat? Deze leden maken zich grote zorgen over de inzet van deze coalitie om private investeerders toe te laten bij het ontwerp, de bouw, de financiering en het langdurig onderhoud van schoolgebouwen. Is de staatssecretaris het eens dat hierbij het risico kan ontstaan dat publieke middelen naar private winsten wegvloeien? Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat dit gaat gebeuren? De leden van de PRO-fractie onderschrijven van harte de gedachte dat studenten moeten kunnen rekenen op de juiste randvoorwaarden om hun talenten optimaal te benutten. Deze leden wijzen er graag op dat het voorzieningenniveau voor mbo-studenten daar nog een fikse inhaalslag hebben te maken. Welke concrete maatregelen vallen te verwachten qua toegang tot sociale voorzieningen, financiële middelen en ondersteuning voor mbo, hbo en wo? De leden van de PRO-fractie hebben de nodige zorgen over de wijze waarop aansluiting op de arbeidsmarkt wordt ingevlogen. Kan uiteengezet worden hoe in de voorgenomen Talentstrategie de belangen van studenten bij het maximaal benutten van hun talenten op een opleiding naar eigen vrije keuze, de belangen van onderwijsinstellingen en docenten om naar eigen didactische maatstaven kennis en expertise over te dragen en de belangen van toekomstige werkgevers tegen elkaar worden afgewogen? Deze leden willen kort en goed weten in hoeverre economische motieven de keuzevrijheid van studenten en instellingen gaan beïnvloeden. De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd hoe het Leven Lang Ontwikkelen precies wordt opgevat. In hoeverre worden mbo-onderwijsinstellingen betrokken bij het om- en bijscholen van mensen die de arbeidsmarkt al hebben betreden? Maakt het voor de aanpak daarbij uit of deze mensen al dan niet een startkwalificatie hebben of op afstand tot de arbeidsmarkt staan? Hoe wordt aangekeken tegen de door de MBO Raad geuite wens om het Leven Lang Ontwikkelen (en de daarbij behorende financiering) en het inburgeringsonderwijs en volwasseneneducatie wettelijk te verankeren en in de publieke onderwijsroute op te nemen? De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de rechtspositie van promovendi en postdocs. Zij werken immers hoofdzakelijk op een tijdelijke aanstelling en dat zorgt voor een structurele onzekerheid. Kan inzichtelijk gemaakt worden hoe de beleidslijn van Erkennen en Waarderen wordt gekoppeld aan maatregelen die bijdragen aan stabielere loopbaanperspectieven en het terugdringen van tijdelijke contracten? De leden van de PRO-fractie benadrukken het grote belang van praktijkgericht onderzoek dat door mbo-onderwijsinstellingen wordt verricht. Klopt de indruk van deze leden dat het voor mbo-instellingen bijna onmogelijk is om onderzoeks- en innovatieopdrachten te krijgen door uitsluiting van subsidieprogramma's, de ontoegankelijkheid van bestaande kennisinfrastructuren en de algemene werkwijze? Krijgen mbo-instellingen volwaardige (financiële) toegang tot publieke kennisfondsen en worden mbo-instellingen ingebed in het nationale kennisecosysteem, zo vragen deze leden. De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet een aanzienlijk deel van de extra investeringen in wetenschap wil inzetten voor sectorplannen. In tegenstelling tot bij eerdere rondes sectorplannen – die ongebonden in opzet waren – wordt nu aangegeven dat het kabinet wil dat deze plannen zich richten op de kansen voor onze toekomstige welvaart en het vestigingsklimaat. Deze leden onderschrijven het nut van het instrument sectorplannen, maar maken zich als gevolg van deze toevoeging zorgen over de ruimte voor vrij en ongebonden onderzoek. Kan de minister hier een uitgebreide toelichting op geven? Hoe verhoudt de nadruk op toekomstige welvaart en vestigingsklimaat zich tot het oorspronkelijke doel van de sectorplannen, namelijk versterking van de basis van het wetenschappelijke onderzoek in alle disciplines? Kan het kabinet toelichten hoe binnen deze aanpak voldoende ruimte behouden blijft voor ongebonden en fundamenteel onderzoek dat niet direct gekoppeld is aan actuele economische prioriteiten? En hoe past deze toevoeging van een gerichte politiek-economische agenda aan het instrument sectorplannen in de bredere wetenschapsvisie van dit kabinet? Hoe borgt het kabinet dat er voldoende ruimte blijft voor vrij en ongebonden fundamenteel onderzoek en hoe voorkomt het kabinet dat alle onderzoekers steeds sterker worden gestuurd richting vooraf bepaalde maatschappelijke of economische prioriteiten? De beleidsbrief maakt melding van integraal mediabeleid. De leden van de PRO-fractie onderschrijven dit streven en zij hebben eerder via debatten en moties het kabinet opgeroepen hier werk van te maken. Conform het WRR-Rapport waarnaar wordt verwezen[voetnoot 2], zijn deze leden benieuwd of het kabinet dan ook voornemens is om bij de komende hervorming van de publieke omroep eerste wettelijke stappen te zetten om te komen tot zo’n integraal mediabeleid, waarin vindbaarheid van Nederlandse (publieke) content en programmering een prominente plek krijgen en die wettelijk de publiek-private samenwerking als taak implementeren. Kan de minister nader uitleggen wat deze passage concreet betekent? Of is dit slechts weer een aankondiging van een nieuw onderzoek? De leden van de PRO-fractie willen namelijk met de komende hervorming van de publieke omroep ook een eerste stap zetten naar het moderniseren van de mediawet naar integraal mediabeleid. De beleidsbrief legt terecht een verband tussen Artificiële Intelligentie (AI) en eerlijke betaling en circulariteit. De leden van de PRO-fractie wijzen op mogelijke consequenties van generatieve AI voor onze democratische rechtsstaat. Zij moedigen het kabinet aan om regelgeving in Europees verband te organiseren. Deze leden vinden dit belangrijk om te kunnen komen tot: een opt out-systeem, waarbij makers aan de voorkant wel of geen toestemming verlenen voor het gebruik van hun werk, een eerlijke vergoeding voor werk dat voor Gen-AI gebruikt wordt (een betalingssysteem) en transparantie over algoritmes die worden gebruikt voor generatieve AI. Hoe staat het kabinet hiertegenover? Is het kabinet ook bereid om het standpunt van lidstaat Nederland in dezen te versterken door de samenwerking tussen de ministeries van Economische Zaken (digitale zaken en economie), Justitie en Veiligheid (auteursrecht) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (cultuur) te intensiveren? De leden van de PRO-fractie zien daarnaast dat AI steeds vaker wordt gebruikt in het onderwijs en een grote impact heeft op het onderwijs. Deze leden vragen de staatssecretaris of zij, net zoals in andere Europese landen, met de sector (werkgevers en werknemers) aan de slag wil gaan met een AI-richtlijn voor het onderwijs. Ook vragen zij welke maatregelen de staatssecretaris gaat nemen om ervoor te zorgen dat scholen met publieke AI-tools gaan werken die open-source zijn, vooroordelen minimaliseren en rekening houden met auteursrecht. Welke acties onderneemt de staatssecretaris om zorg te dragen dat onderwijspersoneel AI-geletterd wordt? Zij vragen of de staatssecretaris daarvoor aanvullende (geoormerkte) middelen beschikbaar stelt om ervoor te zorgen dat al het onderwijspersoneel AI-geletterd wordt. Verder vragen de leden van de PRO-fractie in hoeverre onderwijspersoneel wordt meegenomen bij de inzet van AI op scholen. Is de staatssecretaris, net zoals de leden van de PRO-fractie, van mening dat de keuze en toepassing van AI opgenomen dient te worden in het professioneel statuut en het schoolplan? De leden van de PRO-fractie waarderen dat het kabinet in deze beleidsbrief ten aanzien van cultuur realistische ambities heeft, maar deze leden missen bij de financiële paragraaf de middelen om die ambities een impuls te geven. In combinatie met de bezuinigingstaakstelling van het vorige kabinet, de prijsbijstellingen van de rijksoverheid voor cultuur die niet volledig worden doorgevoerd en indexaties van budgetten die niet synchroon lopen met de prijsstijgingen[voetnoot 3] is er echter per saldo sprake van minder publieke middelen voor de culturele en creatieve sector. Gaat het kabinet alsnog de benodigde publieke middelen vrijmaken teneinde haar ambities voor de culturele en creatieve sector waar te maken? De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering voornemens is zich in te zetten voor de emancipatie van vrouwen en lhbtiq+-ers. Deze leden wijzen erop dat gezondheid een belangrijke factor is om gelijkwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. Zijn de bewindspersonen bekend met de geluiden uit het maatschappelijk middenveld dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor de Strategie Vrouwengezondheid? Hoe gaat de staatssecretaris verantwoordelijk voor emancipatie zorgen dat de strategie van middelen voorzien wordt, zodat er daadwerkelijk positieve stappen kunnen worden gezet? Ook constateren deze leden dat Nederland te laat is met het implementeren van de richtlijn loontransparantie, bedoeld om de loonkloof te bestrijden. De Europese Commissie heeft geen toestemming gegeven voor deze vertraging. Welke consequenties verbindt de Europese Commissie hieraan voor Nederland? Ook maken de leden van de PRO-fractie zich zorgen over dalende acceptatie van lhbtiq+-ers onder jongeren. Welke stappen gaat het kabinet zetten om deze trend te keren en welke middelen stelt zij hiertoe beschikbaar? Ook onderstrepen deze leden in dit kader het belang van spoedige behandeling van de Transgenderwet en het wetsvoorstel dat de reikwijdte van de strafbaarstelling van groepsbelediging vergroot. Tenslotte wijzen de leden van de PRO-fractie op het feit dat alle drie de coalitiepartijen zich gecommitteerd hebben aan het Regenboogstembusakkoord van COC Nederland. Op welke termijn gaat het kabinet de daarin opgenomen maatregelen uitvoeren, zoals het instellen van meer discriminatierechercheurs? Inbreng van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief 2026-2030 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Onderwijs, cultuur en wetenschap zijn plekken om je te vormen, je talent te ontwikkelen, nieuwe verbindingen te leggen en onderzoek en innovatie tot bloei te laten komen. Zo draagt het bij aan het maatschappelijk weefsel van onze samenleving. Het is goed dat het kabinet het beleid dat zij voor ogen heeft op deze belangrijke thema’s uiteen heeft gezet in de beleidsbrief. Naar aanleiding daarvan hebben deze leden een aantal vragen. Betere basisvaardigheden in het funderend onderwijs De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet de komende jaren via het Masterplan basisvaardigheden prioriteit geeft aan het verbeteren van prestaties op lezen, schrijven en rekenen om zo de basisvaardigheden van leerlingen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs op orde te krijgen. Deze leden staan positief tegenover deze inzet maar vragen het kabinet toe te lichten of en zo ja, hoe zij met Masterplan, of via aanpalend beleid, in gaat zetten op het verbeteren van taal- en rekenlessen specifiek binnen het vmbo, zodat vmbo-scholieren niet met een achterstand aan hun mbo-opleiding beginnen. De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet zo vroeg mogelijk (leer-)achterstanden wil aanpakken en daarom inzet op voorschoolse en vroegschoolse educatie voor alle peuters die dat nodig hebben. Deze leden onderschrijven het belang hiervan en vragen het kabinet toe te lichten hoe zij ervoor gaat zorgen dat alle peuters die dat nodig hebben ook daadwerkelijk de voor- en vroegschoolse educatie ontvangen. Deze leden vinden het ook belangrijk dat kleuters die nog wat extra ondersteuning nodig hebben in beeld zijn en horen graag hoe een warme overdracht bevordert kan worden. Ook vragen zij of bij deze inzet op voor- en vroegschoolse educatie ook de kinderen van statushouders, een groep waar de taalachterstand vaak groot is, worden meegenomen. Benutten van elk talent in het funderend onderwijs Voor de leden van de CDA-fractie is maatschappelijke diensttijd (MDT) belangrijk, omdat het MDT-jongeren helpt zich te ontwikkelen en bij te dragen aan de samenleving. Door de vele drempels in de subsidieaanvraag is 2025 echter een verloren subsidiejaar geworden, met onderuitputting binnen MDT als gevolg. Daarom is samenwerking met het bestaande netwerk essentieel. Zonder die samenwerking raakt een duurzame toekomst voor MDT verder uit beeld. Hoe ziet de staatssecretaris die toekomst? Dreigt 2026 opnieuw een verloren jaar te worden voor bewezen projecten? Hoe wil het kabinet de samenwerking met het MDT-netwerk verbeteren? Hoe wordt geborgd dat MDT landelijk dekkend is? Veilig en vrij leren De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet gaat verkennen hoeveel ruimte er is om tot nadere normstelling te komen ten aanzien van de spanning tussen het overdragen van een eigen mens- en maatschappijvisie binnen het bijzonder onderwijs en de gelijke behandeling. Deze leden vragen het kabinet vooruitlopend op wat zij in het najaar verwacht te communiceren alvast te delen wat zij met eventuele resultaten van de verkenning beoogt en of zij voorziet dat de uitkomsten van deze verkenning mogelijk effect hebben op huidig beleid en/of wet- en regelgeving en zo ja, om welke beleid en/of wet- en regelgeving het dan zou gaan. Student: de juiste randvoorwaarden creëren voor het talent van de toekomst De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op het verbeteren van de financiële positie van studenten. Deze leden zijn benieuwd naar wat het kabinet gaat doen om de financiële positie van specifiek mbo-studenten te verbeteren. Zij vragen het kabinet uiteen te zetten welke concrete mogelijkheden zij ziet om deze veelal minderjarigen studenten in de periode tot aan hun startkwalificatie te ondersteunen. Talentstrategie: talent voor de arbeidsmarkt van morgen De leden van de CDA-fractie lezen dat hogeronderwijsinstellingen meer mogelijkheden krijgen om internationaal toptalent aan te trekken en te behouden. Deze leden zijn van mening dat voor het behoud van internationaal toptalent, de zogeheten blijfkans, het van belang is dat internationaal toptalent aansluiting vindt met de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt en dat de instroom van talent aansluit op de wensen van de regio. Zij vragen het kabinet welke rol zij daarbij voor de landelijke overheid, gemeenten, onderwijsinstellingen en bedrijven ziet weggelegd en hoe zij in samenwerking met deze partijen tot een gewenste blijfkans voor internationaal toptalent gaat komen die aansluit op de regiospecifieke vraag. Ook vragen de leden van de CDA-fractie het kabinet of er voor dit doel middelen uit de talenstrategie worden ingezet. Onderzoek en innovatie als fundament voor vooruitgang De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet regionale samenwerking tussen bedrijfsleven, mbo, hbo, wo en overheid wil stimuleren en belemmeringen bij deze samenwerking wil wegnemen. Deze leden steunen deze inzet en vragen het kabinet toe te lichten hoe zij concreet de samenwerking binnen de triple helix gaat verbeteren. Voor top wetenschappelijk onderzoek is het, volgens de leden van de CDA-fractie, van belang dat de Nederlandse onderzoeksinstellingen de infrastructuur en faciliteiten hebben om innovaties na te jagen. Dat het kabinet gaat investeren in excellente en impactvolle onderzoeksinfrastructuren voor Nederland is, volgens deze leden, dan ook positief. Volgens deze leden liggen er kansen voor een verhoogd rendement van deze investeringen als deze met de ministeries van Defensie en Economische Zaken worden uitgewerkt en er waar opportuun er aansluiting wordt gezocht bij met het bedrijfsleven via, bijvoorbeeld, de nationale technologiestrategie. Deze leden vragen het kabinet hierop te reflecteren. Inbreng van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben met meer dan gemiddelde belangstelling kennisgenomen van de beleidsbrief van 24 april 2026 en hebben nog een aantal vragen, zorgen en opmerkingen. Bij de inleidende beschietingen schrijven de bewindspersonen dat onder andere onderwijs, onderzoek en cultuur de “motor voor vernieuwing en vooruitgang” vormen. Onderwijs is, volgens de leden van de JA21-fractie, echter vooral: doorgeven wat van waarde is. Met andere woorden, onderwijs gaat niet in de eerste plaats om vernieuwing en vooruitgang maar om behoud en de vorming die dat mogelijk maakt. Beschaving vergt immers onderhoud, en het is al een immense opgave om de complexe, maar vrije en welvarende samenleving waar wij nu in leven in stand te houden. De leden van de JA21-fractie delen de observatie van de bewindspersonen dat “cultuur en erfgoed ervoor zorgen dat mensen zich thuis voelen” en uiting geven aan onze gedeelde identiteit, alsmede het belang van academische, artistieke en journalistieke vrijheid. Deze leden horen graag wat de visie is van het kabinet op de discussie omtrent diversiteitseisen of criteria in de kunstensector. Zijn de bewindspersonen het met de leden van de JA21-fractie eens dat kunstinstellingen niet moeten worden gedwongen om diversiteitsbeleid of de Code Diversiteit & Inclusie na te leven, ook in het kader van artistieke vrijheid? Funderend onderwijs De leden van de JA21-fractie merken op dat de bewindspersonen een ‘aanmeldplicht’ voor kinderen vanaf vier jaar verkennen. Wat betekent een aanmeldplicht en hoe verhoudt die zich tot de leerplicht? Op welke manieren, leeftijden en momenten worden basisvaardigheden getoetst, gemeten, gemonitord en gerapporteerd, zowel op nationaal niveau als in internationale vergelijkingen? De leden van de JA21-fractie steunen het idee voor een staatscommissie en is benieuwd naar de precieze opdrachtformulering. In de beleidsbrief staat dat de commissie zich zal buigen over de vraag ‘wat er voor de lange termijn nodig is om te zorgen dat kinderen zich op 18-jarige leeftijd en daarna kunnen redden in de maatschappij, het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt. Dat kan gaan over (onderdelen van) ons onderwijsstelsel, maar ook gericht zijn op de raakvlakken met andere sectoren, zoals kinderopvang.’ In het coalitieakkoord stond nog dat de commissie ‘de crisis in de leerprestaties van onze leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen onderzoekt en aanbevelingen doet voor lange termijnoplossingen.’ De leden van de JA21-fractie hopen hoe dan ook dat deze kans wordt benut om meer lijn te brengen in de stapeling en de versnippering van het beleid. Wat deze leden betreft gaat de staatscommissie fundamentele vragen niet uit de weg. Want veel problemen in het Nederlandse onderwijs – zoals het dalende niveau in basisvaardigheden of het hoge aantal thuiszitters – hebben te maken met van onrust in de klas, en het feit dat er geen overeenstemming bestaat over de vraag wat goed onderwijs is, zoals ook Andreas Schleicher, de PISA-baas van de OESO, concludeerde.[voetnoot 4] Hoe zien de bewindspersonen dit? Volgens de PISA-onderzoeken van de OESO scoort Nederland nagenoeg het laagst op discipline van de 38 aangesloten landen. In de editie van 2022 van PISA geeft 81 procent van de Nederlandse scholieren aan dat er in sommige lessen niet naar de docent wordt geluisterd en 83 procent rapporteert dat het er regelmatig luidruchtig, chaotisch en rommelig aan toe gaat in de klas. Nederlandse docenten moeten in vergelijking met hun buitenlandse collega's opvallend vaak en lang wachten tot een klas stil is voordat ze überhaupt met de instructie kunnen beginnen.[voetnoot 5] Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat en welke mogelijkheden ziet zij om de discipline op Nederlandse scholen te verbeteren? De combinatie van ordeproblemen, grote didactische verscheidenheid – vaak ook binnen scholen - en het feit dat het lerarentekort niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief probleem is, heeft geleid tot de sfeer van permanente crisis die het funderend onderwijs nu al zo lang kenmerkt. De leden van de JA21-fractie menen dat de verdere toepassing van Expliciete Directe Instructie (EDI) een bijdrage kan zijn aan een offensief om het tij te keren. Hoe ziet de staatssecretaris dat en welke mogelijkheden ziet zij om daaraan bij te dragen? Kan zij al ingaan op de manier waarop de motie van het lid Boomsma[voetnoot 6] wordt uitgevoerd, die vroeg om in overleg met de sector te bezien hoe EDI een prominent onderdeel kan worden bij de lerarenopleidingen en daarbij te onderzoeken op welke manier expliciete directe instructie effectiever onder de aandacht van scholen, met name de achterblijvende scholen, kan worden gebracht. Rust, regelmaat, discipline en vakmanschap zijn cruciale voorwaarden om te leren. Vraag het scholen die het roer in deze geest hebben omgegooid en goed presteren. Dat scholen zich moeten richten op de unieke leerbehoeften van kinderen, die allemaal anders zouden zijn, is een misverstand, zo menen de leden van de JA21-fractie. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Het is de stellige overtuiging – evidence based bovendien – van deze leden dat we alleen door te breken met pedagogisch-didactische dwalingen de weg omhoog kunnen terugvinden. Kan de staatssecretaris aangeven wat zij beschouwt als de huidige staat van de wetenschap over wat de beste manieren zijn voor kinderen om te leren? Ook de inspanningen om het lerarentekort te bestrijden, zijn gebaat bij de didactische kwaliteitsimpuls van EDI en pedagogische duidelijkheid. Want voor zij-instromers is een onrustige school waar iedereen het anders lijkt te doen niet aantrekkelijk. In het verlengde hiervan is het urgent om een antwoord te vinden op de uitdaging van AI voor het onderwijs en de al langer manifeste ontlezing en verschraling van de woordenschat. De leden van de JA21-fractie denken dat er een mogelijk inspirerend voorbeeld is in Zweden waar men na jaren van intensieve digitalistering om kinderen – zelfs peuters - zo vroeg mogelijk kennis te laten maken met de wereld van morgen, de laptops en telefoons nu juist in de ban heeft gedaan op school. Hoe denkt de staatssecretaris over een fact finding mission van ambtenaren van het ministerie van OCW naar Zweden of van de staatscommissie? De leden van de JA21-fractie menen dat het belangrijk is om tevens kritisch te kijken naar de lumpsum, de bekostigingssystematiek die ervoor heeft gezorgd dat de politiek en het beleid aan de zijlijn staan terwijl de schoolbesturen de spil zijn geworden van het Nederlandse onderwijs. Hierdoor gaat inmiddels een aanzienlijk deel van de middelen naar managementactiviteiten, uitgevoerd door leraren die lessen inleveren en iets anders gaan doen: ze worden opleidingsdocent, zorgcoördinator, taalregelaar, rekenhulp, loopbaancoach en sinds kort ook brugcoördinator. Is de staatssecretaris het daarmee eens? Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat? De leden van de JA21-fractie menen dat het risico bestaat dat een situatie ontstaat dat carrière maken in het voortgezet onderwijs niet wordt gemaakt door beter te worden als leraar, maar door het klaslokaal geheel of gedeeltelijk te verlaten omdat organiseren, regelen en aansturen zwaarder gaan wegen dan lesgeven. Vandaar dat McKinsey in het rapport Een verstevigd fundament voor iedereen (2020)[voetnoot 7] concludeerde dat het aandeel van het onderwijsondersteunend personeel (OOP) en specialistische staffuncties juist fors is gegroeid. Scholen zijn volgens McKinsey door de lumpsumfinanciering gaan functioneren als complexe overheids-bv's, waarbij veel middelen opgaan aan de inrichting van specialistische expertisebanen buiten de klas. Het onderwijsondersteunend personeel bestond vroeger hoofdzakelijk uit conciërges en administratief medewerkers, nu wordt er veel geld uitgegeven aan hoger ingeschaald, beleidsmatig en pedagogisch ondersteunend personeel (leraren die niet meer of weinig voor de klas staan). Hoe ziet de staatssecretaris dit? Wat dit probleem betreft is het hoopgevend dat het ministerie bij de structurele financiering vanaf 2027 van het Masterplan basisvaardigheden uitgaat van 'gerichte bekostiging' die voorwaarden stelt aan structurele bekostiging. Vraag aan de staatssecretaris: welke voorwaarden zullen dit zijn? De leden van de JA21-fractie zijn ook erg benieuwd naar het wetsvoorstel voor gerichte bekostiging, dat normen voor overhead en onderwijspersoneel belooft omdat niet altijd goed zichtbaar is, zoals Infinite (november 2025)[voetnoot 8] concludeerde, hoe de bekostiging in het funderend onderwijs wordt ingezet. Deze leden zijn ook nieuwsgierig naar de voortgang van het wetsvoorstel dat hiermee samenhangt, het wetsvoorstel dat de inspraak van leraren en schoolleiders moet versterken zodat zij in staat zijn om waar nodig tegengas te geven aan de schoolbesturen. Over de investering van structureel €88 miljoen voor zij-instromers hebben de leden van de JA21-fractie enige twijfels. Zij-instromers worden al betaald en ze krijgen ook al lesreductie. Ook is het de vraag of de kosten niet erg hoog zijn gezien de geschatte opbrengsten van deze maatregel: een verwachte toename van het aantal zij-instromers met 15 procent, van 1.250 naar 1.450 per jaar in het funderend onderwijs. Hoe denkt de staatssecretaris hierover? De bewindspersonen schrijven “we investeren €346 miljoen in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau” maar later dat dit bedrag voor 2027 is teruggebracht tot €46 miljoen. Waarom is specifiek gekozen voor professionalisering op teamniveau en wat betekent dit voor het type activiteiten dat daarmee wordt gefinancierd? Hoe en waaraan wordt dat geld uitgegeven? Dit bedrag is bedoeld voor de professionalisering van onderwijspersoneel. Maar wat zijn de plannen voor de tekortschietende lerarenopleidingen die deze investeringen noodzakelijk maken? Op welke manier willen de bewindspersonen werken aan verbetering van de opleidingen? Uit het onderzoek Inventarisatie curricula voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs (2025) van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat de pabo’s te weinig leerkrachten afleveren die in staat zijn om de trend van de dalende lees- en rekenprestaties te keren. Graag ontvangen deze leden een reactie. De leden van de JA21-fractie vinden het zorgelijk dat de meeste opleidingen de wettelijke bekwaamheidseisen niet volledig hebben verwerkt in de leerdoelen. Ondertussen besteedt de helft van de leerroutes naast de wettelijke eisen aandacht aan 'overige' bekwaamheden. De top 3 hiervan bestaat uit visievorming (11 procent), zelfreflectie (8,3 procent) en het ontwikkelen van een onderzoekende houding (7,9 procent). Hoe beoordeelt het kabinet die verhouding en zijn de bewindspersonen bereid om daarover in gesprek te gaan en de resultaten van die gesprekken terug te koppelen? Mbo De leden van de JA21-fractie vrezen dat een wettelijk verplichte stagevergoeding zal leiden tot minder stageplaatsen. Natuurlijk vinden deze leden wel dat een stagevergoeding de norm moet zijn en willen zij afspraken met werkgevers hierover aanmoedigen. Het is hierbij overigens van belang om te weten in welke sectoren werkgevers geen stagevergoeding geven. De indruk bestaat dat dit vaak kleine werkgevers zijn en werkgevers die niet opleiden voor functies waar een grote vraag naar is. In tekortsectoren zou geen probleem zijn. Kan de minister hierop ingaan? Deelt de minister de opvatting dat het de moeite waard is om dit te onderzoeken? Het afschaffen van het landelijk examen Nederlands in het mbo zoals is voorgesteld door de Expertgroep Nieuwe taaleisen in het MBO is geen goed idee, volgens de leden van de JA21-fractie. Er is een groot risico dat tegenvallende resultaten straks minder zichtbaar zijn. Hoe denkt de minister hierover? In de herziening van de systematiek voor de bekostiging van het mbo is het de leden van de JA21-fractie opgevallen dat er hier geen aandacht is voor mogelijke negatieve effecten van de lumpsumsystematiek. Dat is een gemiste kans, omdat we weten dat de lumpsum in het mbo de instellingen stimuleert om vooral te sturen op studentenaantallen (het ‘binnenhalen’ van zoveel mogelijk studenten) en diplomaproductie. Onderwijskwaliteit, vakmanschap en maatschappelijke behoeften kunnen hierbij ondersneeuwen. Hoe denkt de minister over het idee om overeenkomstig het uitgangspunt van gerichte bekostiging ook de middelen in het mbo voor het primaire proces en voldoende inzet van bevoegde docenten te oormerken? Ondertussen moeten de instellingen wel in staat zijn om mee te bewegen met de arbeidsmarkt. Wanneer de praktijk verandert, moet het aanpassen van de kwalificatiedossiers, de curricula die SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) vaststelt en implementeert in de opleidingen, flexibeler en sneller kunnen. De Brainportregio bijvoorbeeld heeft dringend goed opgeleide vakmensen nodig, maar de huidige, starre systematiek van de SBB, dat ook de stages accrediteert, blijkt vaak een sta-in-de-weg. Is de minister het met de leden van de JA21-fractie eens dat de werkwijze van de SBB moet worden aangepast? Hoger onderwijs De leden van de JA21-fractie steunen de inzet op een andere bekostigingssystematiek die rekening houdt met dalende studentenaantallen. Hoe is de vaste voet voor bekostiging van de verschillende instellingstypes gefluctueerd de afgelopen jaren? Wat is nu de visie van de minister op internationalisering van het hoger onderwijs en de snelle toename van het gebruik van Engels, ook op Bacheloropleidingen? Vindt zij het belangrijk om het Nederlands beter te verankeren en het aantal Engelstalige opleidingen te verminderen in bepaalde sectoren of niet? In hoeverre deelt de minister de visie deze leden dat het belangrijk is om de positie van het Nederlands te verstevigen? De leden van de JA21-fractie merken op dat de minister schrijf dat de Toets Anderstalig Onderwijs voor nieuw en bestaand aanbod verdwijnt uit het wetsvoorstel, omdat dit in het coalitieakkoord staat. Maar het coalitieakkoord vertegenwoordigt geen meerderheid in de Tweede Kamer. Kan de minister een overzicht geven van de verschillende instellingen voor vervolgonderwijs van de opleidingen die in het Engels worden gegeven en het aantal studenten per opleiding? Er is €154 miljoen gereserveerd voor de mogelijkheid voor universiteiten en hogescholen om studenten uit het buitenland te werven in het kader van de talentstrategie. Hoe wordt dit bedrag besteed? De leden van de JA21-fractie vragen hoe de universiteiten hun zelfgekozen bovengrens van 16.766 buitenlandse studenten - een daling van ruim 11 procent ten opzichte van de maximale instroom in het piekjaar 2022-2023 – zullen kunnen halen. Wat gaat de minister doen wanneer dit niet het geval zal zijn? Er zijn geen afspraken gemaakt over de instroom van masterstudenten. Tot nu toe stijgt de masterinstroom elk jaar. Hoe ziet de minister dit? De minister schrijft dat “ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd.” Hoe gaat het kabinet daarop toezien en in sturen? Zeventien Engelstalige bacheloropleidingen hebben nu een numerus fixus voor de Engelstalige ‘track’ maar velen niet. Hoe ontwikkelt zich het aandeel Nederlandse studenten op die en op de andere opleidingen zonder numerus fixus? Internationalisering leidt bij sommige opleidingen zoals werktuigbouwkunde en lucht- en ruimtevaarttechniek tot verdringing van Nederlandse studenten. Bij lucht- en ruimtevaarttechniek aan de TU Delft konden per 1 oktober maar 101 van de 668 Nederlandse studenten die zich hadden ingeschreven aan hun studie beginnen: 15 procent. Bij de TU/e Technische Informatica krijgen 122 van de 242 deelnemers aan selectie een plek, 50 procent. De leden van de JA21-fractie zouden dit percentage graag verhogen. Deelt de minister die opvatting? En de opvatting dat Nederlandse studenten die deze opleiding willen volgen daar in ieder geval de kans toe moeten krijgen? Deze leden zouden van de talentstrategie ook een ‘nationale talentstrategie’ willen maken. Hoe wil de minister de capaciteiten verbeteren van Nederlandse scholieren en studenten om door dergelijke selecties te komen? De leden van de JA21-fractie steunen de inzet van het kabinet om extra te investeren in wetenschap en de voortzetting van de sectorplannen. Deze leden zijn echter van mening dat de koppeling aan de toekomstige welvaart en het vestigingsklimaat, hoe belangrijk ook, niet ten koste moet gaan van fundamenteel en ongebonden onderzoek, in de breedte van het wetenschappelijke landschap. Graag horen deze leden hoe de minister hier over denkt. Inbreng van de leden van de DENK-fractie De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsbrief van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen. De leden van de DENK-fractie vinden het belangrijk dat dat er meer aandacht wordt besteed aan het mbo. Deze leden onderschrijven de rol van het mbo als het gaat om het tegengaan van personeelstekorten, het versterken van de vakmanschap en het bieden van gelijke kansen aan studenten, ongeacht achtergrond. Tevens vragen deze leden welke aanvullende maatregelen het kabinet wil inzetten om de positie van het mbo structureel te versterken, onder meer op het terrein van het versterken van de basisvaardigheden, het verhogen van de stagekansen, betere doorstroommogelijkheden naar het vervolgonderwijs en een gelijke waardering ten opzichte van hbo- en wo-studenten. De leden van de DENK-fractie vragen hoe de middelen uit het Masterplan Basisvaardigheden en de structurele bekostiging voor basisvaardigheden vanaf 2027 zodanig zal worden vormgegeven, waardoor schoolbesturen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk zullen worden gestimuleerd om grote achterstanden terug te dringen. Tevens vragen deze leden of het kabinet bereid is om concrete voorwaarden op te nemen, zoals resultaatsafspraken of gerichte herverdeling van middelen, wanneer blijkt dat schoolbesturen de middelen onvoldoende inzetten om de leerlingen met de grootste achterstanden te ondersteunen. De leden van de DENK-fractie achten een betere waardering van vakonderwijs onmisbaar voor kansengelijkheid. Deze leden constateren dat er in de beleidsbrief aandacht is voor praktijkgericht en techniek- en technologieonderwijs, in met name vmbo gl/tl en havo, terwijl het praktijkonderwijs niet wordt benoemd. Tevens vragen zij waarom het praktijkonderwijs in de beleidsbrief geheel onbenoemd blijft en of het kabinet bereid is om bij de verdere uitwerking van haar beleid ook het praktijkonderwijs en andere onderwijsrichtingen te betrekken en vernemen zij graag waarom het kabinet daarvan zou afzien indien zij geen noodzaak ziet voor een nadere borging. De leden van de DENK-fractie constateren dat het kabinet in de beleidsbrief spreekt over gelijke waardering van mbo, hbo en wo, maar dat mbo-studenten in de praktijk nog te vaak te maken hebben met minder gunstige voorwaarden, waaronder lagere vergoedingen, beperkte doorstroommogelijkheden naar een vervolgopleiding en grotere onzekerheid. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet in het mbo invulling wil geven aan gelijke waardering, onder meer via stagekansen, doorstroom en de positie van mbo-studenten ten opzichte van hbo en wo. Daarbij vernemen deze leden graag van het kabinet een overzicht van (financiële) ongelijkheden weer te geven en te motiveren op welk onderdeel het kabinet van plan is om waardering gelijk te trekken en op welke onderdelen niet. De leden van de DENK-fractie steunen het voornemen om verplichte stagevergoedingen wettelijk te verankeren, maar wijzen erop dat veel mbostudenten, zeker buiten de Randstad, nu al moeite hebben om een stageplek te vinden. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet wil voorkomen dat de verplichting tot het betalen van stagevergoedingen leidt tot een daling van het aantal beschikbare stageplaatsen voor mbo-studenten, of ertoe leidt dat werkgevers selectiever zullen worden in het aannemen van stagiaires. Daarbij vernemen zij graag welk tijdpad het kabinet voor ogen heeft bij de invoering van een verplichte stagevergoeding en welke aanvullende maatregelen het kabinet treft om te waarborgen dat mbo-studenten, ongeacht regio of achtergrond, voldoende stageplaatsen kunnen blijven vinden. De leden van de DENK-fractie constateren dat het kabinet zich onverminderd wil inzetten voor het tegengaan van stagediscriminatie, maar dat in de beleidsbrief beperkt concreet wordt gemaakt welke extra stappen dit kabinet zet om stagediscriminatie daadwerkelijk terug te dringen. Deze leden constateren dat stagediscriminatie nog steeds een structureel probleem is en dat eerdere inspanningen onvoldoende hebben geleid tot een verbetering. Zij wijzen erop dat uit eerder onderzoek en uit de praktijk blijkt dat instellingen en scholen nog onvoldoende in staat zijn om stagediscriminatie succesvol aan te pakken. Tevens vragen deze leden hoe de regering ervoor gaat zorgen dat onderwijsinstellingen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid en welke maatregelen het kabinet wil treffen om stagediscriminatie meetbaar terug te vinden. Daarbij vernemen deze leden graag welke aanvullende stappen het kabinet zet om de uitvoering van het Stagepact MBO 2023-2027 en de afspraken over het tegengaan van stagediscriminatie te versterken. De leden van de DENK-fractie maken zich ernstige zorgen over de plannen om toezicht op informeel onderwijs mogelijk te maken. Deze zorgen zijn eerder geuit door verschillende maatschappelijke organisaties en kwamen ook duidelijk naar voren uit de internetconsultatie van het wetsvoorstel. Daarom vragen deze leden zich af wat de plannen van het kabinet zijn met betrekking tot dit wetsvoorstel. Is het kabinet voornemens het huidige wetsvoorstel voort te zetten, of komt het met een andere invulling van het voornemen om toezicht op informeel onderwijs mogelijk te maken? Daarnaast ontvangen deze leden graag een tijdpad van het kabinet over de invoering van toezicht op informeel onderwijs. De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de recente ontwikkelingen rond thuisonderwijs over het voornemen van meerdere gemeenten om vanaf het volgende schooljaar geen vrijstelling meer te verlenen. Deze leden stellen daarbij voorop dat het belang van het kind altijd leidend moet zijn, terwijl thuisonderwijs mogelijk moet blijven voor ouders die terecht een beroep doen op artikel 5 onder b van de Leerplichtwet. Tevens vragen zij het kabinet hoe wordt voorkomen dat ouders die voor thuisonderwijs kiezen zonder noodzaak worden tegengehouden en vragen zij hoe wordt geborgd dat de toepassing van dit artikel niet per gemeente zal gaan verschillen. Daarbij vernemen de leden van de DENK-fractie graag op welke manier het kabinet ervoor zorgt dat kwetsbare kinderen in beeld blijven en dat hun bescherming goed geregeld is. Inbreng van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beleidsbrief. Deze leden willen enkele vragen stellen. Algemeen De leden van de SGP-fractie constateren dat het kabinet een grote hoeveelheid wetgeving produceert op het gebied van het onderwijs. Deze leden zijn, in navolging van opmerkingen van de Inspectie, bezorgd over de belasting van scholen en steunen de oproep om te prioriteren. Zij hebben bovendien begrepen dat de wetgevingscapaciteit noopt tot scherpere prioriteitsstelling. Zij vragen of het kabinet meer zicht wil geven op de prioriteitsstelling in geplande wetgeving en welke wetsvoorstellen na heroverweging niet meer worden voortgezet. De leden van de SGP-fractie vragen hierbij uitdrukkelijk de overweging te betrekken hoeveel kritiek wetsvoorstellen inmiddels in de fase van advisering hebben aangetrokken. Basisvaardigheden De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet om een reflectie hoe de verschillende instrumenten om basisvaardigheden in beeld te brengen en toezicht te houden op goede wijze op elkaar worden afgestemd. Deze leden vragen hierbij in te gaan op de bijdrage in het blad De Liniaal (2026, nummer 2)[voetnoot 9] waarin wordt uiteengezet dat signaleringswaarden en ondergrenzen een sturende werking kunnen krijgen die de verbetering van het onderwijs op schoolniveau juist in de weg kan staan. Op welke wijze wil het kabinet in de komende periode de verbetering van het onderwijs op schoolniveau meer centraal stellen en hoe worden bestaande instrumenten daaraan meer dienstbaar gemaakt? Investeren in vakmanschap De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen het kabinet verricht om te voorkomen dat opnieuw problemen ontstaan met overvraag in belangrijke regelingen zoals de lerarenbeurs. In hoeverre kunnen middelen uit het coalitieakkoord, bijvoorbeeld betreffende zij-instroom, beschikbaar worden gehouden om problemen op dit gebied te voorkomen? Veilig en vrij leren De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet in de reactie op de evaluatie van de wettelijke burgerschapsopdracht ook uitdrukkelijk het advies van de Raad van State over de burgerschapsopdracht in het mbo[voetnoot 10] wordt betrokken, zodat zoveel mogelijk sprake is van een doorlopende lijn en integrale afweging. Randvoorwaarden voor funderend onderwijs De leden van de SGP-fractie vragen wanneer en op welke wijze het kabinet keuzes maakt over de uitvoering van het vonnis van de Raad van State[voetnoot 11] inzake de bekostiging van het primair onderwijs. Deze leden vragen hoe bij het zoeken van een dekking gestreefd wordt naar billijkheid die er niet toe leidt dat andere sectoren onevenredig benadeeld worden als gevolg van een misslag die het kabinet ten aanzien van het primair onderwijs heeft begaan. De leden van de SGP-fractie vragen eveneens op welke wijze het kabinet bij de uitwerking van plannen inzake de kleine scholentoeslag de situatie van scholen betrekt die hierdoor negatief geraakt worden en hoe hierin uitdrukkelijk ook de leefbaarheid van dorpen en kernen gewogen wordt. Kan het kabinet bevestigen dat het in ieder geval niet de bedoeling is dat scholen die formeel niet eens onder de definitie van kleine scholen vallen door de plannen geraakt zouden worden? Erfgoed De leden van de SGP-fractie vragen wanneer het kabinet duidelijkheid kan bieden over de verantwoordelijkheid van de provincies voor restauratie van monumenten en de toezegging dat provinciale regelingen geharmoniseerd zouden worden en dat stapeling van subsidies mogelijk zou moeten zijn. Inbreng van de leden van de PvdD-fractie De leden van de PvdD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief 2026-2030 en hebben hier nog enkele vragen over en opmerkingen bij. Talentstrategie: talent voor de arbeidsmarkt van morgen In de beleidsbrief 2026-2030 lezen de leden van de PvdD-fractie dat de circulaire economie een belangrijke rol krijgt binnen de creatieve industrie bij het positioneren van Nederland als Europese koploper in maatschappelijke verantwoorde innovatie. Deze leden juichen deze stap toe, maar zouden graag een bredere erkenning van de circulaire economie zien, ook binnen het ministerie van OCW. Deze leden zien namelijk kansen om circulariteit te bevorderen via Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en hebben hier dan ook nog vragen over. Om te beginnen willen de leden van de PvdD-fractie weten of de minister op de hoogte is van het onderzoeksrapport ‘De Circulaire Economie als kansensector’[voetnoot 12]. Deze leden constateren namelijk dat er de afgelopen jaren in het beleid is ingezet op cruciale sectoren, zoals techniek en zorg, maar dat de circulaire economie niet is aangewezen als kansensector. Als het gaat om de circulaire economie en hoe onderwijs hierin vorm kan krijgen, denken deze leden bijvoorbeeld aan maatschappelijke kringlooporganisaties. Maatschappelijke kringlooporganisaties (met het Keurmerk Kringloop Nederland) bieden namelijk aan ruim 18.000 mensen een (leer)werkplek, waarvan zeker meer dan de helft van deze mensen een ondersteuningsvraag heeft[voetnoot 13]. Door de inzet op basis- en vakvaardigheden stimuleert de kringloopsector Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en vergroot het de in- en doorstroomkansen naar betaald werk. Tegelijk leidt het mensen op voor de banen van de toekomst, essentieel voor de grondstoffentransitie en minder afhankelijkheid van primaire grondstoffen. Onderschrijft de minister het principe dat de kringloopsector een maatschappelijk cruciale rol vervult, doordat deze zowel bijdraagt aan de circulaire economie, aan sociale doelstellingen zoals arbeidsparticipatie, talentontwikkeling- en onderwijs, en dat deze sector daarom erkenning verdient als maatschappelijk cruciale sector? Kan de minister daarnaast aangeven op basis van welke criteria het kabinet bepaalt welke sectoren als maatschappelijk cruciaal worden aangemerkt? In hoeverre voldoet de kringloopsector aan deze criteria, gezien haar rol in circulaire economie, arbeidsparticipatie en (informeel) onderwijs? Wordt hierbij rekening gehouden met de Kansrijke Beroepenlijst van het UWV[voetnoot 14]? De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat hier kansen blijven liggen en vragen daarom of het kabinet bereid is om, in samenwerking met de sector, te verkennen hoe de kringloopsector structureel kan worden ondersteund als maatschappelijk cruciale sector voor talentontwikkeling, basisvaardigheden en arbeidsparticipatie. Hoe wordt voorkomen dat nieuwe en toekomstgerichte sectoren met een grote maatschappelijke en inclusieve arbeidsmarktfunctie, zoals de kringloopsector, buiten beeld blijven bij investeringen in talentontwikkeling en scholing, en hoe wordt voorkomen dat vakkennis en ambachtelijke vaardigheden verloren gaan in sectoren met een vergrijzende beroepsgroep, zoals in delen van de circulaire economie? Ook vragen de leden van de PvdD-fractie zich af hoe er in de uitwerking van de Talentstrategie en het mbo-pact ‘Opleiden van de arbeidsmarkt van de toekomst’ geborgd wordt dat ook praktijkgerichte leeromgevingen buiten het formele onderwijs, zoals in de kringloopsector, worden benut voor talentontwikkeling. Is de minister bereid om de kringloopsector expliciet te erkennen als (non-formele) leer- en ontwikkelomgeving binnen het beleid rond basisvaardigheden en LLO – met aandacht voor de basis- en vakvaardigheden die nodig zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst – en deze sector beter te benutten voor talentontwikkeling? Tot slot vragen de leden van de PvdD-fractie het kabinet om een meer interdepartementale aanpak bij sectoroverstijgende opgaven op het gebied van onderwijs, (inclusieve) arbeidsmarkt en circulaire economie. Gezien de brede bijdrage van de kringloopsector aan beleidsdoelen van OCW, SZW én de circulaire economie, vragen deze leden of dit aanleiding is om de sector explicieter te positioneren binnen de talentstrategie en aan te wijzen als maatschappelijk cruciale sector. Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief. Deze leden hebben nog een aantal vragen. Maatschappelijke Diensttijd De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat Maatschappelijke Diensttijd (MDT) wordt genoemd in de beleidsbrief en dat dit waardevolle programma de komende jaren wordt doorgezet. Deze leden vinden het belangrijk dat voor het programma de samenwerking met maatschappelijke partners en andere departementen als Defensie wordt versterkt, op basis van gelijkwaardigheid. Zij memoreren hierbij ook aan de aangenomen motie van de leden Ceder en Armut[voetnoot 15] en menen dat deze motie niet voldoende is uitgevoerd. De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat volgens een groot aantal MDT-organisaties er weliswaar sprake was van co-creatie en participatieprocessen, maar dat er van echte invloed geen sprake is. Deze leden vinden dat dit proces op gespannen voet staat met de samenwerking op basis van gelijkwaardigheid zoals in de eerdergenoemde motie van de leden Ceder en Armut staat. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? Op welke manier is in de totstandkoming van het programmaplan samengewerkt? Was deze samenwerking op basis van gelijkwaardigheid tot tevredenheid van de MDT-organisaties? Zo nee, wat doet de staatssecretaris met dit gegeven? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de staatssecretaris toekomstige samenwerking omtrent MDT op basis van gelijkwaardigheid gaat vormgeven. Zijn er bijvoorbeeld ideeën over een structureel governance-model waarin ook maatschappelijke organisaties een rol hebben? Op welke manier worden deze meegenomen voor de toekomstige vormgeving van MDT? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er in de meest recente subsidieregeling voor is gekozen om de cofinanciering te verhogen van 25 procent naar 30 procent. Acht de staatssecretaris deze extra drempel voor alle maatschappelijke organisaties waar in het verleden naar tevredenheid mee is samengewerkt werkbaar? Is verhoging van deze eis ook tot stand gekomen in samenspraak met het veld? Zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris of zij een update kan geven van de vooraanvragen die zijn gedaan voor MDT2026. Verwacht de staatssecretaris op basis hiervan dat maatschappelijke organisaties die in het verleden MDT-trajecten hebben aangeboden, kunnen voldoen aan de voorwaarden uit MDT2026 of dat er, net als bij de subsidieaanvraag voor 2025, wederom veel organisaties buiten de boot vallen? Kan de staatssecretaris tevens toezeggen de Kamer tijdig te informeren zodra de aanvragen zijn behandeld en welke mogelijke lessen hieruit worden getrokken voor de toekomst? Deze leden vragen of de staatssecretaris verwacht dat middels de huidige subsidieregeling en de voorgaande voldoende wordt geborgd dat er een landelijk dekkend MDT-netwerk ontstaat. Zo nee, op welke manier wil de staatssecretaris dit landelijk dekkend netwerk alsnog bereiken? Toezicht op informeel onderwijs De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de staatssecretaris een toelichting kan geven op de huidige wet over informeel onderwijs die het kabinet momenteel voorbereidt. Wat zijn de belangrijkste verschillen met de wet waar onder het vorige kabinet aan werd gewerkt? Deze leden vragen of de Inspectie onder de nieuwe wet over informeel onderwijs niet meer de taak krijgt om toezicht te houden op dit onderwijs. Mocht dit wel het geval zijn, waarom kiest de staatssecretaris hiervoor? Zij vragen of de staatssecretaris kan bevestigen dat de nieuwe wet over informeel onderwijs geen karakter van een ‘sleepnet-wet’ krijgt zoals de wet waar onder het vorige kabinet aan werd gewerkt, waardoor ook bijvoorbeeld de scouting en de zondagsschool onder deze wet zouden vallen. Zo nee, waarom is hier alsnog weer voor gekozen? Overig De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Ceder over meer meesters behouden voor het onderwijs[voetnoot 16]. Zijn er afspraken gemaakt met het werkveld? Deze leden vragen naar de verdeling van het totale budget voor de zevende aanvraagronde van de Subsidieregeling praktijkleren in derde leerweg tussen de goedgekeurde praktijkplaatsen voor studenten vanuit opleidingen die gericht zijn op respectievelijk een volledig diploma, een certificaat of een praktijkverklaring. Klopt het dat minder dan 20 procent van het totale subsidiebedrag terechtkomt bij werkgevers die een praktijkplaats gericht op een praktijkverklaring aanbieden en daarmee dus voor mensen voor wie een mbo-diploma of certificaat (nog) niet haalbaar is? Acht de minister het wenselijk dat zo’n relatief klein deel van het totale subsidiebudget benut wordt om mensen die door het reguliere onderwijs niet worden bereikt toch scholing te kunnen bieden, terwijl werkgevers die een mbo-student een praktijkplaats aanbieden ook al een aanvraag kunnen doen bij de subsidieregeling Praktijkleren? Is de minister bereid te verkennen hoe kan worden geborgd dat er voldoende budget beschikbaar is voor werkgevers die leertrajecten aanbieden die afgerond worden met een praktijkverklaring of mbo-verklaring? Zo nee, waarom niet? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de minister kan toezeggen om de aangenomen motie van het lid Ceder over de normen van de WCAG[voetnoot 17] en inclusief digitaal ontwerpen opnemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps[voetnoot 18] uit te voeren? Deze leden lezen dat de minister beleidsopties gaat verkennen, terwijl het dictum van de motie concreet vraagt om de normen van de WCAG en inclusief digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitwerking van de €3 miljoen die structureel beschikbaar is voor de techniekhavo dankzij het amendement van het lid Bontenbal c.s.[voetnoot 19]. Wanneer vindt de besluitvorming plaats over de structurele inzet van deze middelen? De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat het zou kunnen dat door de invoering van de praktijkgerichte havo minder leerlingen kiezen voor één van de andere profielkeuzevakken, zoals Onderzoek & Ontwerpen (O&O).[voetnoot 20] Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Wat zijn de gevolgen voor scholen en de opgebouwde expertise als minder leerlingen kiezen voor deze profielkeuzevakken? Is de staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met scholen die dergelijke profielkeuzevakken aanbieden en vrezen voor een ongelijk speelveld door de aanvullende bekostiging voor de praktijkgerichte havo en te kijken hoe ongewenste gevolgen kunnen worden ondervangen, zo vragen deze leden. Inbreng van de leden van de SP-fractie Algemeen De leden van de SP-fractie zien in de beleidsbrief een begin van een omslag van incidentele naar structurele middelen via bijvoorbeeld gerichte bekostiging. Dit biedt langjarige zekerheid waar onderwijsinstellingen bij gebaat zijn en zorgt ook voor meer regie van de politiek op de besteding van middelen. Ziet de minister dit als aanzet voor een bredere herziening van de bekostiging van ons onderwijsstelsel waarbij ook bijvoorbeeld de lumpsumfinanciering ter discussie kan worden gesteld en op termijn geheel kan worden afgeschaft en vervangen door gerichtere vormen van bekostiging? Investeren in vakmanschap en teamprofessionalisering De leden van de SP-fractie merken op dat de minister verschillende maatregelen neemt om leraren en schoolleiders aan te trekken en te behouden, bijvoorbeeld door het aantrekkelijker maken van lerarenopleidingen en te investeren in zij-instromers. Deze leden zien echter niets terug over de ‘stille reserve’ en welke maatregelen eventueel genomen worden om deze al bevoegde leerkrachten weer te stimuleren om in het onderwijs aan de slag te gaan. Kan de minister toelichten in hoeverre het beleid zich ook op deze kansrijke groep richt? De leden van de SP-fractie lezen dat om het lerarentekort terug te dringen, gewerkt wordt aan het “meer activerend maken van de bovenwettelijke werkloosheidsregelingen”. Kan de minister toelichten hoe het onaantrekkelijker maken van de arbeidsvoorwaarden van leerkrachten het beroep aantrekkelijker zal maken? Deze leden roepen de minister op niet in te zetten op het verzwakken van de dergelijke regelingen, maar juist op het voorkomen van werkloosheid onder leerkrachten door in te zetten op goede arbeidsvoorwaarden en duurzaam personeelsbeleid. Student: de juiste randvoorwaarden creëren voor het talent van de toekomst De leden van de SP-fractie vragen wat de uitgangspunten zijn voor de contouren van een wetsvoorstel voor verplichte stagevergoedingen die nog voor de zomer aan de Kamer gestuurd zouden worden en komen hier ook de plannen van dit kabinet voor een stagefonds in terug. Zo nee, wanneer horen we daar meer over? De basis op orde in het vervolgonderwijs De leden van de SP-fractie lezen dat het kabinet werkt aan wijziging van de financiering voor zowel het mbo als voor het hbo en wo om deze minder afhankelijk te laten zijn van fluctuaties in studentenaantallen. Deze leden zien dit als een positieve ontwikkeling, maar vragen of bij de wijziging van de financiering ook expliciet gekeken wordt naar stevigere publieke sturing van en controle op de besteding van middelen? Daarnaast vragen zij zich af of ook kritisch gekeken wordt naar het beperken of afschaffen van de lumpsumfinanciering. Deze leidt immers tot negatieve prikkels door de sturing op studentenaantallen en diplomaproductie in plaats van onderwijskwaliteit en maatschappelijke behoefte. Deze leden constateren dat in het recente onderzoek van PwC naar varianten voor het nieuwe bekostigingsstelsel voor het mbo de lumpsumfinanciering[voetnoot 21] als zodanig niet ter discussie wordt gesteld. Kan de minister toelichten waarom daar niet voor is gekozen? Onderzoek en innovatie als fundament voor vooruitgang De leden van de SP-fractie zijn positief over de investering van dit kabinet in onderzoek en wetenschap, maar hebben daarbij zorgen over de verdeling van de middelen. Hoe ziet de minister de verdeling tussen publieke en private investeringen en hoe gaat de minister er zorg voor dragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor ongebonden onderzoek? In de praktijk zien we dat veel onderzoek gefinancierd wordt uit een mix van publieke en private middelen, via de tweede geldstroom (bijvoorbeeld vanuit de NWO) of dat publieke middelen ingezet worden als matching (bijvoorbeeld bij Europese beurzen). Is de minister bereid ook extra te investeren in echt ongebonden onderzoek via de eerste geldstroom van universiteiten? De leden van de SP-fractie lezen dat hoewel de bezuinigingen op onderwijs en wetenschap van het kabinet-Schoof worden teruggedraaid, de verdeling van middelen wellicht anders zal zijn dan voor de bezuinigingen en dat daarin “lastige keuzes” gemaakt moeten worden. In hoeverre wordt bij deze nieuwe verdeling rekening gehouden met onderwijs en onderzoek dat gereorganiseerd of geschrapt is vanwege de bezuinigingen van het kabinet-Schoof inclusief de staande bezuinigingen van 2026? De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre bij deze nieuwe verdeling rekening wordt gehouden met bestaande verschillen in financiering in de bèta-, medische en andere wetenschappen. Kan de minister de verschillen in langjarige financiering per student over de verschillende wetenschapsdomeinen in kaart brengen, verantwoorden waarom die bedragen uiteenlopen en uitleggen hoe ze gaat voorkomen dat deze nog verder uiteen komen te lopen? Inbreng van de leden van de Groep Markuszower De leden van de Groep Markuszower hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende stukken en wachten de beantwoording van de minister met belangstelling af. II Reactie van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Het kabinet dankt de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor hun inbreng en de gestelde vragen. De beantwoording van de vragen volgt de volgorde van het verslag. Inbreng van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie vragen of het kabinet kan aangeven hoe zij de investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap ziet in relatie tot de economie, kansengelijkheid en democratische weerbaarheid. Zoals uiteengezet in de Beleidsbrief OCW 2026 - 2030 staan de investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap aan de basis van onze nationale welvaart, ons welzijn en onze maatschappelijke weerbaarheid.[voetnoot 22] Deze drie terreinen vormen samen een onlosmakelijk geheel dat direct bijdraagt aan een sterke economie, een rechtvaardige samenleving met gelijke kansen en een weerbare democratie. Ten aanzien van de economie vormen investeringen in onderwijs en wetenschap de basis voor hogere productiviteit, verdienvermogen en voor duurzame economische groei. Er bestaat een brede consensus dat investeringen in onderwijs, scholing en onderzoek en ontwikkeling (R&D) leiden tot hogere inkomens, betere arbeidsmarktkansen, een hogere economische groei en daarnaast ook brede maatschappelijke baten hebben.[voetnoot 23] Zo dragen bijvoorbeeld onderwijsinvesteringen bij aan een gezondere bevolking, lagere criminaliteit en grotere maatschappelijke participatie. De brede wetenschappelijke consensus hierover is onlangs bevestigd in het SEO-rapport “Slimme Investeringen” dat in maart 2026 naar uw Kamer is gestuurd. Het kabinet heeft in zijn reactie de analyse en adviezen van het SEO-onderzoeksrapport onderschreven.[voetnoot 24] Verschillende investeringen in onderwijs van dit kabinet dragen bij aan kansengelijkheid. Echte kansengelijkheid begint bij de basis. Het kabinet prioriteert het structureel versterken van de basisvaardigheden in het funderend onderwijs via de Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden en zet in op verkleining van kwaliteitsverschillen tussen scholen. Om geen talent onbenut te laten, investeert het kabinet daarnaast vanaf 2027 € 121 miljoen per jaar in de uitbreiding van het programma School & Omgeving. Hiermee krijgen tienduizenden extra leerlingen toegang tot doeltreffende ondersteuning en extra ontwikkeltijd. Vanaf 2028 investeert het kabinet € 346 miljoen per jaar voor teamleren en professionalisering van onderwijspersoneel en enkele randvoorwaarden. Dit draagt bij aan de kwaliteit van onderwijspersoneel en daarmee aan de kwaliteit van onderwijs. Democratische weerbaarheid wordt versterkt wanneer burgers via taal en onderwijs kritisch kunnen denken, via cultuur ruimte voelen voor open debat en verbeelding, en via wetenschap kunnen vertrouwen op feiten en kennis. De leden van de D66-fractie vragen of er kerncijfers of rekenmodellen zijn die investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap vertalen naar maatschappelijke, economische ontwikkelingen. In Nederland is er een beperkt aantal modellen die de economische effecten van investeringen in onderwijs en R&D in kaart proberen te brengen. Zo heeft het Centraal Planbureau recent een human capital model ontwikkeld.[voetnoot 25] Met dit model zijn de effecten van pakketten van onderwijsmaatregelen uit de verkiezingsprogramma’s van 2025 op menselijk kapitaal doorgerekend en met een vijfpuntsschaal in kaart gebracht.[voetnoot 26] Daarnaast hebben private banken zoals de Rabobank macro-economische modellen waarmee de effecten van investeringen in onderwijs en R&D op geaggregeerd niveau op economische groei kunnen worden berekend.[voetnoot 27] Dat model is nuttig maar voor goed begrip: investeringen in onderwijs en R&D worden daarbij als één geheel behandeld en het model is daarmee niet geschikt om effecten van specifieke investeringen te berekenen. Het kabinet hecht aan stevige evidence over de effecten van specifieke investeringen in onderwijs, scholing en R&D en tevens aan een goed onderbouwd instrumentarium om de effecten op productiviteit en economische groei te kwantificeren. Het kabinet verkent momenteel de mogelijkheden hiertoe zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het SEO-rapport Slimme Investeringen.[voetnoot 28] In deze kabinetsreactie is aangekondigd dat het kabinet uw Kamer in september 2026 over de te nemen vervolgstappen en verdere uitwerking zal informeren. De verkenning vergt echter meer tijd om concreter en inhoudelijker in te kunnen gaan op vervolgstappen. Het kabinet zal in januari 2027 een brief naar uw Kamer sturen. De leden van de D66-fractie vragen wat de effecten zouden zijn van de structurele investeringen genoemd in deze brief voor Nederland op korte en langere termijn. De brede wetenschappelijke consensus is dat onderwijsinvesteringen renderen. Desondanks is het lastig om de precieze effecten van specifieke investeringen, zoals investeringen in de professionalisering van onderwijspersoneel of in de aanpak van voortijdig schoolverlaten, door te rekenen naar effecten op arbeidsproductiviteit, verdienvermogen, verdelingseffecten en brede baten. Daarvoor is het volgens het eerder genoemde SEO-rapport eerst nodig om de empirische basis te versterken en toe te werken naar een brede kenniscatalogus waarin de effecten van onderwijs- scholings- en R&D-investeringen systematisch worden verzameld. Zo’n kenniscatalogus kan een inspiratie zijn voor politiek en beleid bij het vormgeven van kansrijk beleid, maar kan ook worden benut door stakeholders in het veld (scholen, vervolgonderwijs, instellingen) om kwalitatief goed onderwijs vorm te geven. De kenniscatalogus kan vervolgens worden benut als basis voor het doorrekenen van effecten van specifieke onderwijs-, scholings- en R&D-investeringen op productiviteit en economische groei. De leden van de D66-fractie merken op dat in de brief beleidsbreed gesproken wordt over vereenvoudiging van wet- en regelgeving, kan het kabinet aangeven op welke manier zij dit zou willen bewerkstelligen? Zoals in de ‘Actieagenda slagvaardige overheid’ door de staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid is aangegeven maken we met de Vereenvoudigingswet het vereenvoudigen van wet- en regelgeving voor mensen, professionals en bedrijven structureel, voorspelbaar en meetbaar.[voetnoot 29] Het doel is om regels eenvoudiger en uitvoerbaarder te maken, én de parlementaire en administratieve behandeling versneld en voorspelbaar te laten plaatsvinden. De eerste tranche is in volle voorbereiding. Het inventariseren van voorstellen voor de tweede tranche is inmiddels opgestart. Uw Kamer heeft recent van de staatssecretaris van BZK een afzonderlijke brief over het instrument van de vereenvoudigingswet, de opzet en het tijdpad ontvangen.[voetnoot 30] OCW levert een betekenisvolle bijdrage aan de eerste tranche van de vereenvoudigingswet, door hierin mee op te lopen via de Variawet studiefinanciering. Dit is een wetsvoorstel waarin negentien maatregelen zijn opgenomen die uiteenlopen van onder andere het harmoniseren van begrippen of regels, het verduidelijken van rechten en plichten van scholieren, studenten en debiteuren en het expliciteren van grondslagen die DUO nodig heeft om haar taken zorgvuldig uit te voeren. Ook voor de tweede tranche hebben we voorstellen gedaan tot vereenvoudiging. Naast de vereenvoudigingswet werken we uiteraard ook aan separate wetsvoorstellen die tot vereenvoudiging leiden. Zoals bijvoorbeeld de Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar. Hiermee hoeft nog maar één keer in de acht jaar een subsidie te worden aangevraagd (i.p.v. één keer per vier jaar). Een ander voorbeeld is het wetsvoorstel Introductie van aanvullende bekostiging voor gelijke leer- en ontwikkelvoorwaarden en het verduidelijken van het onderwijsachterstandenbeleid in het funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel bundelt drie grote subsidiestromen en creëert een wettelijke grondslag om de subsidies – in dit geval voor school en omgeving, schoolmaaltijden en brugfunctionaris - om te vormen naar bekostiging. Daarmee verminderen de administratieve lasten voor scholen en wordt bevorderd dat scholen voor de langere termijn plannen kunnen maken, doordat zij niet steeds een nieuwe subsidieaanvraag en verantwoording in hoeven te dienen. Echt grote vereenvoudigingen vragen om grote, meerjarige wetgevingstrajecten, vaak ook interdepartementaal met transitiekosten en mogelijk ook structurele kosten. De leden van de D66-fractie vragen welke effecten het kabinet verwacht van werken met structurele bekostiging van de Subsidie Basisvaardigheden in relatie tot het verbeteren van deze vaardigheden en hoe gestuurd kan worden op verschillen tussen scholen als het gaat om het verbeteren van de kwaliteit. Het kabinet biedt scholen voor de middelen ter verbetering van de basisvaardigheden via de gerichte bekostiging meer stabiliteit dan voorheen het geval was met de subsidie. Het geeft scholen de ruimte om meer duurzame keuzes te maken, zoals het aannemen van personeel gericht op het verbeteren van basisvaardigheden. Tegelijkertijd maakt deze vorm van bekostiging de besteding ervan meer inzichtelijk en is er een verantwoordingsplicht over het nakomen van de verplichtingen. De inspectie besteedt nadrukkelijk aandacht aan het verhogen van het niveau van basisvaardigheden. Het terugdringen van verschillen in kwaliteit tussen scholen is daarbij een aandachtspunt. Met de subsidieregeling voor prioriteitsscholen worden bovendien specifiek scholen met een inspectieoordeel ‘onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ gestimuleerd (nog meer) maatregelen te treffen om de onderwijskwaliteit zo snel mogelijk te herstellen en de prestaties van hun leerlingen te verhogen. Daarnaast wordt evidence-informed onderwijs krachtig ondersteund en gestimuleerd met toegankelijke en praktisch toepasbare kennis vanuit het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, via Ontwikkelkracht en met het Masterplan basisvaardigheden, dat vervolgd gaat worden in de Versterkingagenda Taal en andere Basisvaardigheden. Juist op de scholen die achterblijven is er een groot belang met de omslag naar evidence-informed onderwijs en een verbetercultuur grote impact te creëren. De maatregelen worden doorlopend gemonitord en geëvalueerd, deels aan de hand van vooraf bepaalde doelen en streefwaarden. Hierover wordt in voortgangsrapportages aan uw Kamer gerapporteerd. Dat heeft er onder meer toe geleid dat de subsidie verbetering basisvaardigheden en de ondersteuning bij iedere tranche net wat anders is ingericht. Lessen uit de voortgangsrapportages worden ook weer benut bij de inrichting van de gerichte bekostiging voor basisvaardigheden. Scholen kunnen de middelen op de meest effectieve manier inzetten en leggen hier dan ook verantwoording over af. Maar we zien dat ondanks alle inspanningen van de afgelopen vier jaar nog steeds te veel leerlingen het onderwijs verlaten zonder dat zij de basis voldoende beheersen om goed mee te kunnen doen en vooruit te komen in de maatschappij. De onderzoeksresultaten laten zien dat de noodzaak groot is om nu taal op de eerste plaats te zetten. Taal is essentieel voor al het leren en de ontwikkeling van leerlingen. Dat is voor dit kabinet reden om de bestaande aanpak aan te scherpen met de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. Deze kan uw Kamer in het najaar verwachten. De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe lerende teams vormgegeven zullen worden en op welke manieren de sector wordt betrokken om dit vorm te geven, zodat dit effectief en efficiënt gedaan kan worden. Het kabinet constateert dat de wijze waarop scholen en onderwijsprofessionals zich professionaliseren momenteel sterk verschilt. Dat geldt zowel voor het individueel onderhouden van bekwaamheden als voor de gezamenlijke ontwikkeling van de onderwijskwaliteit binnen schoolteams. Daarom wil het kabinet investeren in een meer structurele en samenhangende aanpak van professionalisering, waarbij lerende teams een belangrijke plaats innemen. De inzet is erop gericht scholen beter te ondersteunen bij zowel individuele als teamgerichte professionalisering. Daarbij wordt gewerkt aan meer overzicht en transparantie in het professionaliseringsaanbod, het versterken van professionele standaarden en het bieden van meer richting aan bekwaamheidsonderhoud. Tegelijkertijd wordt ingezet op voldoende tijd en ruimte voor schoolteams om gezamenlijk en planmatig te werken aan de verbetering van de onderwijskwaliteit, vooral op thema's die het niveau van de individuele klas overstijgen, zoals gedrag, taal en digitalisering. Ook wordt de rol van schoolleiders bij het ontwikkelen van een professionele leercultuur binnen scholen versterkt. Bij de verdere uitwerking betrekt het kabinet de onderwijssector nadrukkelijk. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande kennis, praktijkervaringen en goede voorbeelden uit scholen. Daarnaast wordt met onderwijsprofessionals, schoolleiders en andere betrokkenen gesproken over wat nodig is om teamleren duurzaam te versterken. De leden van de D66-vragen zijn benieuwd of er ook wordt ingezet op meer onderwijsassistenten om leraren te ondersteunen? Het kabinet maakt met bekostiging en wetgeving mogelijk dat onderwijsassistenten leraren kunnen ondersteunen en de onderwijskwaliteit en daarmee de leerresultaten van leerlingen verbeteren. De onderwijsassistenten zijn samen met o.a. de schoolleider en leraren onderdeel van het schoolteam. Uit onderzoek blijkt dat de inzet van onderwijsassistenten, leraar-ondersteuners en ander onderwijsondersteunend personeel een belangrijke bijdrage kan leveren aan de kwaliteit van onderwijs, omdat bijvoorbeeld meer niveaudifferentiatie in de les geboden kan worden aan leerlingen.[voetnoot 31] De leden van de D66-fractie vragen of het kabinet voorbeelden kan noemen van ideeën van zij-instromers om het voor deze groep makkelijker te maken het onderwijs in te gaan en hen beter te ondersteunen. Het aantal zij-instromers is sterk gestegen de afgelopen jaren van 500 in 2017 naar 2.250 in 2025.[voetnoot 32] In gesprekken benadrukken zij-instromers dat begeleiding vanuit de school en vanuit de opleiding ontzettend belangrijk is. Tevens geven zij aan dat hoe meer maatwerk de opleiding biedt, hoe tevredener de zij-instromer is. De steun van de schoolleider en het team bij het aannemen van zij-instromers op een school is belangrijk voor de zij-instromer om zich een volwaardige collega en een aanvulling op het team te voelen. Zij-instromers geven daarnaast aan dat betaald studieverlof helpt. Als zij-instromer kun je er in inkomen op achteruit gaan, omdat de opleiding tijd vraagt waarin niet kan worden gewerkt en deze periode niet voor alle zij-instromers betaald wordt. Duidelijke informatie vooraf helpt, scheelt tijd bij het zoeken naar de juiste informatie en verkleint de kans dat de zij-instromer afhaakt in het voortraject. De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe we gaan monitoren dat de onderwijsachterstandsmiddelen en die van het programma School & Omgeving bij de groep terechtkomt die dit het hardste nodig heeft. De middelen voor onderwijsachterstanden worden gericht ingezet bij de scholen die deze het hardst nodig hebben. Dat komt doordat gebruik wordt gemaakt van een indicator die per school het risico op onderwijsachterstanden van de leerlingen berekent. Scholen komen in aanmerking voor de middelen als een bepaald aandeel van hun leerlingen behoort tot de 15% met het hoogste risico op een onderwijsachterstand. Voor School & Omgeving geldt dat de scholen zijn gerangschikt op basis van de onderwijsachterstandenindicator. De scholen met relatief de meeste leerlingen met een kans op onderwijsachterstanden kwamen als eerste in aanmerking voor de subsidie. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd met wet welke partners het kabinet wil samenwerken om gratis schoolfruit mogelijk te maken? Het kabinet heeft vanaf 2027 aanvullend geld beschikbaar gesteld voor gratis schoolfruit. Op dit moment werkt het ministerie van VWS, samen met het ministerie van LVVN en OCW, uit hoe dit zo goed en efficiënt mogelijk ingericht kan worden. Daarom brengt het kabinet de komende tijd in kaart met welke partijen er wordt samengewerkt om gratis schoolfruit mogelijk te maken. De leden van de D66-fractie vragen ook hoe we ervoor zorgen dat de interdepartementale Sociale Agenda de reikwijdte aan onderwerpen goed beslaat en slagkracht krijgt om verandering te bewerkstelligen. Ook willen deze leden weten hoe gezorgd wordt voor het ontschotten van budgetten van onderwijs en zorg, zodat meer leerlingen een passende plek in het onderwijs krijgen. De ministeries van SZW, VWS, OCW, BZK, VRO en JenV werken samen met de VNG, medeoverheden en maatschappelijke organisaties aan het maken van een Sociale Agenda voor Nederland. Daarmee worden de vraagstukken opgepakt waarvoor meer dan één beleidsterrein of organisatie nodig is , zoals onderwijs, jeugdhulp- en zorg, kinderopvang, schuldhulpverlening, veiligheid, huisvesting en geestelijke gezondheidszorg. Burgers en professionals ondervinden in hun dagelijks leven en werk concrete belemmeringen in de samenloop van verkokerde regelgeving en financiering in het sociaal domein. De sociale agenda wordt gericht op integrale ondersteuning van mensen en de professionals die met hen werken. Het doel is dat mensen beter worden geholpen doordat partijen in het sociaal domein beter samenwerken. Door belemmerende factoren in de thuissituatie of leefomgeving van jeugdigen in samenhang op te pakken, krijgen zij meer kansen om zich goed te ontwikkelen op school en daarbuiten. Belangrijke eerste stappen hierin zijn het versterken van de pedagogische basis in en om de school (in de transitie van passend naar inclusief onderwijs) en het verbeteren van de samenwerking tussen onderwijs, zorg en kinderopvang (bijvoorbeeld doordat professionals van het lokale team (samen)werken op school). Daarbij wordt gekeken naar mogelijkheden voor het ontschotten van financiering. Zoals toegezegd in het debat over onderwijskansen op 3 juni jl. vervult de staatssecretaris graag een rol in de verbinding tussen kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie en de basisschool. Uw Kamer wordt hierover dit jaar nog nader geïnformeerd. De leden van de D66-fractie vragen hoe wordt gehandhaafd op het niet bieden van een dekkend aanbod door de samenwerkingsverbanden, gezien het grote aantal thuiszitters. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief over het funderend onderwijs die op 2 juli aan uw Kamer is verzonden, ziet de Inspectie van het Onderwijs hierop toe.[voetnoot 33] Bij onvoldoende beoordeling wordt een herstelopdracht gegeven. Bij het opleggen van sancties wordt ook rekening gehouden met externe factoren die invloed hebben op het vermogen van samenwerkingsverbanden om een dekkend netwerk kunnen realiseren. Daarbij lopen er verschillende maatregelen om het aantal thuiszitters verder terug te dringen. Zo zijn verschillende wetsvoorstellen in voorbereiding, waaronder het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim dat bij de Eerste Kamer ligt. Alle maatregelen zijn opgenomen in de Kamerbrief ‘Van passend naar inclusief onderwijs’.[voetnoot 34] De leden van de D66-fractie vragen ook op welke manieren maatschappelijke partners worden betrokken en vanaf wanneer we hiervoor de resultaten gaan zien waar leerlingen, ouders en het onderwijsveld naar verlangen. Het gesprek met maatschappelijke partners loopt voortdurend en gaat veel over het ontwikkelen en uitvoeren van beleid. Het is van groot belang de gezamenlijke verantwoordelijkheden vorm te geven bij de uitdagingen waar het onderwijs mee te maken heeft. Zo is er voor passend onderwijs een regulier ambtelijk en bestuurlijk overleg, waarin onder andere vertegenwoordigers van leerlingen, ouders, schoolleiders en bestuurders aan tafel zitten. Uit de Doelstellingenmonitor passend onderwijs blijkt hoe de doelstellingen, zoals de leerling wordt gehoord, de ouder is gelijkwaardig partner en de leraar wordt ondersteund en toegerust, worden behaald. De komende periode wordt met veel partijen uit het veld gewerkt aan de totstandkoming van het transitieplan inclusief onderwijs. De leden van de D66-fractie vragen of de frequentie van schoolbezoeken een ambitie of een doel is. Op welke manieren gaan we sturen op het realiseren van het minimaal iedere vier jaar laten bezoeken van een school? De inspectie werkt op dit moment uit hoe kan worden toegewerkt naar het vierjaarlijks onderzoeken van alle scholen in het funderend onderwijs. In december 2025 is aan uw Kamer geschetst op welke wijze de inspectie haar toezicht op scholen reeds intensiveert.[voetnoot 35] Uw Kamer wordt in het najaar nader geïnformeerd over de voortgang. De leden van de D66-fractie vragen ook op welke wijze de Pilot Kleinere Klassen wordt uitgewerkt, aangezien leraren aangeven dat dit een belangrijke randvoorwaarde is voor het geven van goed onderwijs. De mogelijkheden voor de uitwerking worden momenteel verkend. Uw Kamer wordt hierover in de brief over de lerarenstrategie van december geïnformeerd. De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe OCW de samenwerking met andere departementen en organisaties wil vormgeven en vooral studenten zelf wil betrekken voor een effectieve set maatregelen om de mentale gezondheid van studenten te verbeteren. Hoe kijkt het kabinet in dit kader naar de hoge toetsdruk en is zij bereid met de sector en experts richtlijnen op te stellen om die te verlagen, gericht op minder toetsen of deze minder vaak voor een cijfer te laten zijn? Vanuit de huidige aanpak wordt integraal gekeken naar het mentale welzijn van studenten en scholieren. Daarin bestaat een goede samenwerking met het ministerie van VWS en andere organisaties. Zo financieren wij het programma Stijn van het Trimbos-Instituut, het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) en Pharos, waarin VWS fungeert als kennispartner. Stijn helpt mbo-, hbo- en wo-instellingen, gemeenten en preventie- en zorgprofessionals om integraal te werken aan studentenwelzijn. Ze vertalen wensen en behoeften uit het veld naar praktijksituaties om mogelijke aanpakken te verkennen. De bevindingen landen in kennis- en ondersteuningsproducten, waaronder een Framework studentenwelzijn, zodat instellingen effectief beleid kunnen maken. Ook werkt Stijn nauw samen met studenten en ondersteunen zij diverse studenteninitiatieven, zoals Lieve Mark en Waar trek jij de lijn? Ook is er binnen Stijn aandacht voor studie- en toetsdruk in het curriculum. Zo is in het Framework studentenwelzijn advies aan instellingen opgenomen om de leeromgeving zo in te richten dat het welzijn van studenten wordt bevorderd. Naast Stijn bestaat ook de pilot ‘Een slimmer collegejaar’ in het hbo en wo, waar 16 instellingen aan deelnemen. In deze pilots wordt de overstap gemaakt van summatief toetsen (gericht op zakken of slagen) naar formatief toetsen (om het leren te bevorderen) en programmatisch toetsen. Bij programmatisch toetsen worden meerdere meetmomenten – zowel formatief als summatief – systematisch verzameld en gecombineerd. Zo wordt het leren ondersteund en ontstaat er een goed onderbouwd oordeel over de voortgang en bekwaamheid van de student. In 2025 heeft een tussenevaluatie naar de pilot plaatsgevonden. De tussenevaluatie laat zien dat er drie interventies zijn die als succesvol beschouwd kunnen worden voor het creëren van rust en ruimte in het collegejaar voor studenten en docenten, zonder dat dit ten koste gaat van de leerresultaten: een korter collegejaar, het beter op elkaar afstemmen van het aantal toetsen/herkansingen en het creëren van een minder vol curriculum door vrije ruimte niet in te vullen met verplichte nieuwe activiteiten.[voetnoot 36] Andere initiatieven laten zien dat het inbouwen van meer tussentijdse leermomenten en het verminderen van het aantal summatieve toetsmomenten (gericht op zakken of slagen) leidt tot een betere spreiding en een verlaging van de werkdruk van studenten en docenten. De pilot loopt tot eind 2026, waarna ook een eindevaluatie plaats zal vinden. De lessen uit de pilots worden breed gedeeld, ook bij instellingen die niet deelnemen aan de pilots. Tegen de achtergrond van al deze lopende initiatieven zien wij geen noodzaak om aanvullende richtlijnen te laten formuleren. De leden van de D66-fractie hechten eraan dat stagediscriminatie (binnen en buiten het mbo) hard aangepakt gaat worden en vragen zich af per wanneer zij mogen verwachten dat deze aanpak in kan gaan en op welke termijn het kabinet hoopt dat deze effect zal bereiken. Het kabinet vindt stagediscriminatie onacceptabel. Geen enkele student mag te maken krijgen met (stage)discriminatie, zeker niet bij zijn of haar eerste kennismaking met de arbeidsmarkt. De aanpak van stagediscriminatie is dan ook een van de dragende pijlers onder het Stagepact mbo 2023-2027. De maatregelen uit dit pact zijn reeds in gang gezet, zoals het objectief matchen en plaatsen van studenten bij een stageplek, het versterken van stagebeleid en het creëren van laagdrempelige meldpunten waar studenten veilig discriminatie kunnen melden. Stagediscriminatie is echter een breder, maatschappelijk probleem en het tegengaan hiervan vergt een lange adem. Zoals in de Kamerbrief over de mid-term evaluatie van het Stagepact[voetnoot 37] is aangegeven, is er ten aanzien van de doelstellingen van het Stagepact een positieve beweging gestart waaraan de ondertekenaars van het Stagepact willen vasthouden. Tegelijkertijd is er met alle partners geconstateerd dat de ingezette acties onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Dit maakt verdere intensivering noodzakelijk. Daarom heeft de regiegroep Stagepact[voetnoot 38] een aanvullend actieplan opgesteld voor de tweede fase van het Stagepact tot en met 2027.[voetnoot 39] De voortgang van het Stagepact wordt gemonitord en de volgende rapportage hierover ontvangt uw Kamer eind 2026. Daarnaast vraagt de D66-fractie zich af per wanneer gelijke toegang tot voorzieningen voor studenten van het mbo geregeld kan zijn. Het kabinet wil dat studeren in het mbo gelijk staat aan studeren in het hbo of wo. Die gelijkwaardigheid willen we ook tot uiting laten komen in het studentenleven. In de praktijk zien we daarvan al goede voorbeelden. Zo kunnen mbo-studenten in een aantal steden deelnemen aan de introductieweek en gebruik maken van sportfaciliteiten voor studenten. Voor de kerst informeren wij uw Kamer over de wijze waarop een gelijkwaardig studentenleven verder vorm kan krijgen. Daarnaast is het kabinet voornemens om het wettelijk mogelijk te maken dat minderjarige mbo-studenten een bestuursjaar kunnen doen. De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de richting die het kabinet op wil met de talentstrategie en vragen zich af of het kabinet hier ook concretere doelen bij gesteld heeft en op welke wijze een talentenstrategie daarmee kan bijdragen aan het onderwijs en de maatschappij als geheel. In de Kamerbrief over de Talentstrategie van 10 juli jl. zijn de volgende doelen vastgesteld: i) Slimmer, innovatiever en productiever werken, ii) Beter en gerichter opleiden voor cruciale opgaven voor toekomstige welvaart, iii) Mensen blijven leren en ontwikkelen, ook als ze eenmaal aan het werk zijn, iv) Gericht internationale kennis en kunde aantrekken, waar dat noodzakelijk is voor de maatschappelijke opgaven. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent tegelijkertijd dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen zal worden begrensd. De komende periode werkt het kabinet deze doelstellingen verder uit. Uw Kamer wordt voor het einde van het jaar geïnformeerd over voortgang van de Talentstrategie. De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe het kabinet de rol van (generatieve) artificiële intelligentie (AI) beschouwt en of zij samen met het onderwijsveld optrekt in het volgen van de ontwikkelingen en het opstellen van noodzakelijk beleid naar aanleiding hiervan. (Generatieve) AI kan een waardevol hulpmiddel zijn in het onderwijs. Wel vraagt het gebruik hiervan om goede kennis en expertise, zodat dit op een verantwoorde manier kan worden ingezet. Samen met de PO-Raad, VO-raad, Kennisnet en SIVON werkt het ministerie van OCW aan het regieplan digitalisering funderend onderwijs. Daarin wordt onder andere uitgewerkt of en hoe AI verantwoord kan worden ingezet in het onderwijs en welke ondersteuning scholen daarbij nodig hebben. Daarbij zijn ook leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders en leerlingen betrokken. Het regieplan ontvangt uw Kamer in het najaar van 2026. In het vervolgonderwijs wordt vanuit het programma Npuls door de instellingen gezamenlijk actief gewerkt aan een verantwoorde en doordachte inzet van AI. Zo wordt bijvoorbeeld een veilige AI-voorziening beschikbaar gesteld aan alle studenten en docenten in het vervolgonderwijs en worden digitale vaardigheden van studenten en docenten versterkt via Centers for Teaching and Learning (CTL’s). Wij zijn hier vanuit onze stelselverantwoordelijkheid nauw bij betrokken. Tot slot wordt, naar aanleiding van de motie-Rooderkerk c.s., bekeken welke aanvullende ondersteuning nodig is om instellingen in het vervolgonderwijs te helpen bij het verantwoord gebruik van AI (Kamerstuk 31288, nr. 1246). Uw Kamer wordt hierover eind dit jaar geïnformeerd. In de context van internationale talentstrategie vragen de leden van de D66-fractie aan welke middelen het kabinet denkt als zij internationale studenten wil motiveren de Nederlandse taal te leren. Onderzoek van Nuffic laat zien dat Nederlandse taalvaardigheid een zeer belangrijke factor is voor internationale studenten die na hun afstuderen in Nederland willen blijven wonen en werken. Universiteiten en hogescholen hebben als onderdeel van de zelfregieplannen al afspraken gemaakt over maatregelen om de blijfkans te verhogen. Het gezamenlijk uitwerken van een plan van aanpak voor het breder aanbieden van taallessen voor internationale studenten maakt hier onderdeel van uit. Over aanvullende plannen zal tijdens de nadere uitwerking van de Talentstrategie met diverse partijen gesproken worden. De leden van de D66-fractie vragen wanneer het kabinet maatregelen voor internationale studenten wil invoeren. In de beleidsbrief worden twee belangrijke onderdelen van het beleid op het gebied van internationale studenten genoemd: bestuurlijke afspraken, voortbouwend op zelfregie, en de aanpassing van de wet internationalisering in balans (WIB). De bestuurlijke afspraken met hogescholen en universiteiten zijn vlak voor de zomer gesloten. Dit betreft de verankering van de bindende zelfregieafspraken die de instellingen onderling al eerder sloten. Zij werken sinds 2024 samen om een goede balans tussen de voordelen en nadelen van internationalisering te bewerkstelligen, onder andere door alleen nog gericht te werven voor (regionale) tekortsectoren, door het aantal anderstalige opleidingsplaatsen te begrenzen en door te investeren in de blijfkans van internationale studenten, bijvoorbeeld door het aanbieden van taallessen. Wat betreft de aanpassing van de WIB, is op dit moment een nota van wijziging in voorbereiding. Die wordt afgerond in het najaar, en zal zo spoedig mogelijk na het advies van de Raad van State naar uw Kamer worden verzonden – naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027. Na de zomer ontvangt uw Kamer een brief waarin de inhoudelijke aanpassingen van de wet nader worden toegelicht, en waar ook in zal worden gegaan op de inhoud van de bestuurlijke afspraken. In het kader van Leven Lang Ontwikkelen zien de leden van de D66-fractie meerdere ambities en mogelijkheden en deze leden vragen zich of hoe de samenwerking met het ministerie van SZW vormgegeven is. Op welke manier zorgt het kabinet voor een samenwerking van de ambities op het vlak van Leven Lang Ontwikkelen en het meer activerend maken van de Werkloosheidswet (WW)? We werken nauw met de ministers van SZW en EZK om onze ambities op het gebied van Leven Lang Ontwikkelen te bereiken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de gezamenlijke Kamerbrief over de toekomst van Leven Lang Ontwikkelen van 9 juli.[voetnoot 40] Ook in het licht van de Talentstrategie, waar Leven Lang Ontwikkelen een plek in heeft, werken we nauw samen met de verschillende departementen. Om- en bijscholing draagt bij aan een sterkere arbeidsmarktpositie van mensen en raakt daarmee aan de sociale zekerheid én aan emancipatie. Bij de uitwerking van het LLO-beleid houdt de minister van SZW de interactie met eventuele maatregelen op de WW in het oog. Ten aanzien van investeringen in onderzoeken en innovatie vragen de leden van de D66-fractie zich af hoe ver of dichtbij we nog verwijderd zijn van de Lissabondoelstelling. Op welke termijn kunnen bezuinigingen teruggedraaid worden? De meest recente cijfers over de totale publieke en private research and development (R&D)-investeringen zijn van 2024 en illustreren dat de gezamenlijke publieke en private investeringen in R&D met 2,29% van het bbp lager zijn dan de Lissabondoelstelling van 3%. Het percentage van het bbp dat de Nederlandse overheid investeert in R&D ligt net boven het gemiddelde van de EU-27. Met de investeringen in onderzoek, wetenschap en ontwikkeling die de coalitiepartijen hebben afgesproken, bewegen we richting de Lissabon-doelstelling om 3% van het bbp aan publieke en private research and development (R&D)-investeringen te besteden. Eind september volgt een voortgangsbrief op het 3%-actieplan dat vorig jaar met de Tweede Kamer is gedeeld. Hierin wordt ook stil gestaan bij de afstand tot de 3% en de eventueel benodigde extra publieke en/ of private R&D-uitgaven. Dit kabinet investeert structureel € 428 miljoen in onderzoek en wetenschap. Dit bedrag richt zich op vier opgaven via bestaand instrumentarium: onderzoeksinfrastructuur, praktijkgericht onderzoek, Europese samenwerking en sectorplannen. Deze investeringen gaan vanaf 2027 in. In onze brief van 26 juni 2026 zijn wij hier nader op ingegaan.[voetnoot 41] Het kabinet kiest er daarmee voor om een deel van de bezuinigingen van het vorige kabinet terug te draaien. Met de amendementen Eerdmans c.s. en Bontenbal c.s. is al eerder een deel van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof op onderzoek en wetenschap ongedaan gemaakt. Om de economie productiever te maken zet het kabinet vol in op innoveren en investeren en wordt ruimte gegeven aan ondernemers om te doen waar ze goed in zijn: ondernemen. Knelpunten in de financiering van goede ideeën nemen we weg en we investeren waar nodig zelf. Naar aanleiding van een motie van lid Oualhadj[voetnoot 42] verkent het kabinet de mogelijkheden voor structurele financiering voor academische spin-offcreatie gekoppeld aan ondernemersvriendelijke voorwaarden. Op het gebied van het aanjagen van investeringen en innovatie richt de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat zich in het bijzonder op drie initiatieven: de Nationale Investeringsinstelling (NII), het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en het Nationaal Groeifonds (NGF). Tezamen vormen deze drie instrumenten een samenhangende aanpak: het NGF bouwt de ecosystemen waarin innovatie ontstaat, NADI zet innovatiekracht om in maatschappelijke doorbraken en de NII zorgt dat veelbelovende bedrijven de financiering vinden om door te groeien. De Taskforce werkt momenteel aan een breed pakket, waarover uw Kamer in september 2026 uitgebreider wordt geïnformeerd. Het is goed dat er keuzes gemaakt worden om te komen tot een meer effectief beleid en de leden van de D66-fractie willen graag weten welke elementen bepalend zijn voor het maken van de lastige keuzes. We zien dat er naar aanleiding van de rapporten Draghi en Wennink en door geopolitieke ontwikkelingen meer behoefte is aan sturing om de uitdagingen van vandaag gericht het hoofd te kunnen bieden. Dit vraagt inderdaad om scherpe en lastige keuzes. Dit kabinet investeert weer in onderzoek en wetenschap, maar het budget is als vanzelfsprekend eindig en de uitdagingen zijn groot. Dit kabinet kiest ervoor om eerdere bezuinigingen terug te draaien. Verder loopt het tijdelijk Fonds Onderzoek en Wetenschap van kabinet-Rutte IV af in 2031. Met het terugdraaien van bezuinigingen en het structureel maken van een deel van de tijdelijke inzet van kabinet-Rutte IV wil het kabinet continuïteit en stabiliteit voor de kennissector bieden. Het kabinet wil daarnaast internationaal concurrerend zijn, hiervoor zijn regionale en internationale verbinding noodzakelijk. De keuzes hiervoor zijn in brede afstemming met het veld gemaakt. In relatie tot de genoemde triple helix en de rol van het mbo hierin vragen de leden van de D66-fractie zich af wanneer practoraten verankerd kunnen worden, hoe het mbo hier zelf een rol in krijgt en op welke manier dit gaat helpen hen een betere positie te geven in de kennisketen. We vinden het belangrijk dat we onderzoek in en door het mbo stimuleren. Practoraten leveren met hun praktijkgericht onderzoek directe oplossingen voor actuele uitdagingen in de maatschappij en in het onderwijs en helpen mbo-studenten, docenten en bedrijven te innoveren. In de Beleidsbrief OCW 2026 – 2030 is aangegeven dat er structureel € 17 miljoen zal worden geïnvesteerd in het mbo-onderzoek om ervoor te zorgen dat het mbo beter ingebed raakt in het kennisecosysteem. We verwachten dit najaar een advies van de AWTI over hoe het praktijkgericht onderzoek in het mbo het beste kan doorontwikkelen en wat daarvoor nu nodig is. Daaronder valt ook een advies over of een wettelijke taak echt noodzakelijk is, o.a. voor een betere positie in de kennisketen, of dat andere stappen in de doorontwikkeling nu eerst nodig zijn. Uw Kamer zal in een brief in het voorjaar van 2027 worden geïnformeerd over onze visie hierop. De leden van de D66-fractie vragen of concreet gemaakt kan worden hoe wordt ingezet op een eerlijke digitale markt met goede auteursrechtelijke bescherming, onder verwijzing naar drie lijnen. Op 25 juni heeft de Raad voor Cultuur haar advies over artificiële intelligentie in de cultuursector uitgebracht. In afstemming met onze collega bewindspersonen van, in ieder geval, het ministerie van Justitie en Veiligheid (auteursrecht) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (innovatie en digitale economie), bereiden wij een reactie voor op dat advies, die wij in de loop van 2027 verwachten te delen met de Kamer. In deze reactie zullen we ook ingaan op mogelijk komende EU regelgeving op het gebied van AI en auteursrecht. Hiermee komen wij tevens tegemoet aan de toezegging van onze voorganger in het wetgevingsoverleg (Cultuurbegroting) van 19 januari 2026.[voetnoot 43] Voor de volledigheid wijzen wij nog op een toezegging van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gedaan tijdens het commissiedebat (Civielrechtelijke onderwerpen) van 22 april 2026, om de Kamer per brief te informeren over de stappen die genomen gaan worden om makers te beschermen in het AI-tijdperk.[voetnoot 44] Deze brief volgt nog dit jaar. De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen aangaande de voorgestelde maatregelen voor het versterken van de cultuur. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat een langere financieringsduur leidt tot minder ruimte voor nieuwe makers en innovatieve initiatieven. Ook wordt gevraagd hoe wordt voorkomen dat een langere subsidieperiode ten koste gaat van nieuwe makers en kleinere instellingen. Daarnaast vragen deze leden zich ook af welke rol gemeenten en provincies krijgen bij de uitwerking van het cultuurbestel vanaf 2029. Dezelfde vraag stellen de leden van de D66-fractie bij het betrekken van culturele instellingen en makers uit Caribisch Nederland bij de gesprekken die genoemd worden. Tot slot wordt gevraagd welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet voor toegang tot cultuur in Caribisch Nederland. Wij zijn voornemens om de rijkscultuurfondsen voor acht jaar subsidie te verlenen. Hierdoor kunnen zij meer variatie aanbrengen in hun eigen subsidie-instrumentarium en borgen zij de vernieuwing en doorstroom in de sector. Met dit instrumentarium zorgen zij voor voldoende aansluiting op de ontwikkelingen in de sector en behoeften van nieuwe makers, passend bij de fase waarin zij werken. Te denken valt aan kortlopende subsidies, projectsubsidies, vouchers en werkbeurzen. Bij de uitwerking van de subsidieperiode vanaf 2029 werken wij actief samen met gemeenten en provincies, zowel op ambtelijk als op bestuurlijk niveau. Zo is het besluit voor een langere financieringstermijn vorig jaar met hen afgestemd en hebben wij de afgelopen periode gesprekken gevoerd over de invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid op cultuur, de stroomlijning van subsidieprocedures en regionale spreiding. Bij de verdere uitwerking van het bestel blijven wij actief samenwerken met medeoverheden. In de gesprekken met rijkscultuurfondsen, sector en medeoverheden over het cultuurbestel zorgen wij op diverse manieren dat Caribisch Nederland is betrokken. Zo staan de rijkscultuurfondsen in opdracht van OCW in nauw contact met het culturele veld in Caribisch Nederland met o.a. als resultaat dat het portaal https://rijkscultuurfondsen.org/ is opgericht om fondsenregelingen gebundeld beter zichtbaar en toegankelijk te maken voor makers en instellingen uit het Caribisch deel van het Koninkrijk. Daarnaast voert OCW gesprekken met sectorvertegenwoordigers zoals Kunsten’92 en brancheorganisaties. Met hen zijn wij in gesprek over in hoeverre zij contact hebben met het culturele veld in Caribische Nederland en hoe dit verbeterd kan worden. In de regelmatig terugkerende overleggen met de cultuurafdelingen van de Openbare Lichamen, waarin de cultuuragenda wordt besproken, wordt het traject naar de nieuwe periode van cultuursubsidies geagendeerd. Er is ook vanuit Caribisch Nederland gebruik gemaakt van de consultatieronde in het wettelijk traject voor de wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. Het verbeteren van de toegang tot cultuur is een prioriteit in het cultuurconvenant dat is opgesteld met Caribisch Nederland en de cultuuragenda’s per eiland. Daarnaast dragen de cultuurcoaches die sinds 2023 bij de Openbare Lichamen zijn aangesteld, bij aan cultuurparticipatie. Ze leggen de verbinding tussen cultuur en andere domeinen als jeugd, zorg, onderwijs en sport. Deze cultuurcoaches staan in nauw contact met het culturele veld en hebben een rol in het geven van cultuureducatie op de scholen tijdens binnen- en buitenschoolse activiteiten. Wij zien desondanks verschillende belemmeringen voor toegang tot cultuur in Caribisch Nederland.[voetnoot 45] De culturele infrastructuur is zich aan het ontwikkelen. De kleinschaligheid en afstanden tussen de eilanden, de regio en Europees Nederland verhoogt de complexiteit en vraagt om een meer regio brede aanpak. Makers en instellingen hebben behoefte aan opleidingsmogelijkheden om te professionaliseren. De kosten voor levensonderhoud betekenen dat kunstenaars afhankelijk zijn van inkomsten uit meerdere bronnen, daarom kunnen zij zich niet alleen op hun kunstenaarschap richten. Het vertrek van jongeren belemmert de ontwikkeling van talent. Ondanks het samenbrengen van informatie van de rijkscultuurfondsen via het hierboven genoemde portal worden de regelingen van de fondsen niet altijd als toegankelijk ervaren en er is behoefte aan ondersteuning bij het indienen van aanvragen. Dit sluit aan bij ervaringen in Europees Nederland, maar blijft ook voor Caribisch Nederland een duidelijke belemmering. Met de fondsen blijven we zoeken hoe dit verder kan worden verbeterd. De leden van de D66-fractie geven aan benieuwd te zijn hoe wordt geborgd dat culturele voorzieningen onderdeel blijven van nieuwe woningbouwlocaties en gebiedsontwikkelingen. Daarbij wordt ook gevraagd naar de concrete resultaten van de Creative Industries Immersive Impact Coalition. Het kabinet wil dat nieuwe woningbouwlocaties complete wijken worden, waarin maatschappelijke en culturele voorzieningen vanaf de planvorming worden meegewogen. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van gemeenten om te zorgen voor een toegankelijk en passend cultuuraanbod voor haar inwoners en om in de plannen voor nieuwe woningbouwlocaties ruimte te reserveren voor culturele voorzieningen. Culturele voorzieningen zijn belangrijk voor een complete en prettige leefomgeving en voor veerkrachtige gemeenschappen. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om niet alleen nieuwe woningen te bouwen, maar ook te zorgen voor complete wijken met voorzieningen. Momenteel wordt in het kader van de Nota Ruimte met de betrokken departementen gesproken over de eerste stappen voor het maken van ruimtelijk beleid op maatschappelijke voorzieningen (waaronder cultuur en onderwijs), ook in relatie tot woningbouw. De beschikbare middelen voor de Aanpak Erfgoed en Leefomgeving staan weergegeven in onderstaande tabel, zie hiervoor ook de Kamerbrief over het Programma Erfgoed en Leefomgeving van 3 juni 2026.[voetnoot 46] Programma Erfgoed en Leefomgeving (in mln. euro’s) 2026 2027 2028 2029 Duidelijkheid en voorspelbaarheid (advisering, bijdrage Erfgoed en Overheid en cultuurlandschap) 2,5 2,5 2,5 2,5 Grootschalige voorbeeldprojecten 1,0 1,0 1,0 1,0 Kennis delen en ontwikkelen 0,2 0,2 0,2 0,2 Totaal 3,7 3,7 3,7 3,7 De Creative Industries Immersive Impact Coalition (hierna: CIIIC) heeft als doel om de ontwikkeling van de Nederlandse IX-sector (immersive experiences) te versnellen en Nederland een leidende positie te geven in de ontwikkeling en toepassing van IX. Het project investeert in samenwerking, kennisopbouw en faciliteiten om knelpunten weg te halen en hiermee het volledige groeipotentieel te benutten. Dit gebeurt via vijf actielijnen: Actielijn 1 – Kennis en Methode: ondersteunt toegepast en praktijkgericht onderzoek ter bevordering van kennis en methodieken voor het effectief en verantwoord ontwikkelen van IX. Actielijn 2 – Talent en Skills: zorgt ervoor dat met learning communities, scholingsvouchers en onderwijsmodules voldoende mensen worden opgeleid/omgeschoold om de arbeidsmarkt en talentenpool voor IX-makers te versterken. Actielijn 3 – Ecosystemen en Faciliteiten: bouwt een grootschalig interacterend Nederlands netwerk van IX-faciliteiten ter ondersteuning van onderwijs, onderzoek en innovatie op het gebied van IX. Actielijn 4 – Innovatie- en Demonstratieprojecten: ondersteunt consortia in het ontwikkelen van haalbaarheidsstudies en prototypes van IX-toepassingen voor diverse thema’s, zoals stedelijke ontwikkeling of training voor de politie. Actielijn 5 – Synergie en Samenhang: borgt de samenhang van het programma als geheel, met inbegrip van kennis, publieke waarden en samenwerking in de IX-community. Het CIIIC-programma is in maart 2025 van start gegaan. In het eerste anderhalf jaar zijn alle actielijnen opgestart en zijn regelingen opengesteld en subsidies toegekend. Hiermee zijn onder andere 15 onderzoeken ondersteund, bijna 40 nieuwe IX-toepassingen uitgewerkt en is onlangs een subsidie toegekend voor het realiseren van een landelijk dekkend netwerk van IX-faciliteiten. Gezien de korte looptijd van het programma, zijn concretere eindresultaten nog niet beschikbaar. In dat kader werken wij momenteel aan de midterm review van CIIIC. Op basis van een onafhankelijke evaluatie bepalen we de ontwikkeling van het programma, de context en de sector, in relatie tot de beoogde resultaten en impact van het programma. Zo nodig vindt bijsturing plaats in fase 2. Het regenboogstembusakkoord bevat beleidsvoorstellen op het vlak van verschillende ministeries, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat andere ministeries zich verantwoordelijk voelen en maken voor beleid op het betreffende terrein, vragen de leden van de D66-fractie tot slot? Welke passende snelheid mogen deze leden verwachten en wat betekent dit planmatig voor concrete voorstellen die hieruit naar voren komen? Welke concretere maatregelen denkt het kabinet te nemen voor de positie van vrouwen en op welke terreinen? In de Emancipatienota 2027-2030 staan de concrete maatregelen die dit kabinet treft om vrijheid en gelijkwaardigheid van vrouwen en lhbtiq+-personen te vergroten. Daarin nemen verschillende ministers verantwoordelijkheid op hun beleidsterrein. De Emancipatienota wordt in september aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin gaat het kabinet ook nader in op de uitwerking van het regenboogstembusakkoord, prioritering en rolverdeling binnen het kabinet. Het huidige kabinet verbetert de positie van vrouwen en lhbtiq+-personen op drie prioritaire gebieden: veiligheid, gezondheid en vrijheid/financiële onafhankelijkheid. Bij de totstandkoming van deze nota zijn maatschappelijke organisaties betrokken geweest. Ook voeren we regelmatig gesprekken met maatschappelijke organisaties. Inbreng van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet de verdeling van extra middelen op OCW met de Kamer heeft gedeeld en stellen hier verschillende vragen over. Deze leden vragen hoe de extra middelen zich verhouden tot de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof. Het plannen van de investeringen en het terugdraaien van bezuinigingen van het vorige kabinet is onderdeel geweest van de bredere en integrale afweging aan de formatietafel over de gehele Rijksbegroting. Hoe de investeringen van dit kabinet en de bezuinigingen van het vorige kabinet zich tot elkaar verhouden is eerder in beeld gebracht in de beantwoording van Kamervragen over de financiële envelop van OCW.[voetnoot 47] Daaruit blijkt dat dit kabinet binnen de periode 2027-2030 en structureel meer investeert dan het vorige kabinet heeft bezuinigd. De leden van de PRO-fractie vragen ook of het kabinet per post op de begroting aan kan geven welke bezuinigingen ingeboekt stonden, en op welke wijze deze al dan niet worden teruggedraaid met deze extra middelen. In onderstaande tabel zijn de bezuinigingen van kabinet-Schoof onder elkaar gezet met daarbij informatie waar de PRO-fractie naar vraagt. D e leden van de PRO-fractie vragen ook of met deze middelen de bezuinigingen allemaal van tafel zijn. Op welke posten wordt toch bezuinigd, ondanks dat er in totaal meer geld bij komt? Niet alle bezuinigingen van kabinet Schoof worden een-op-een teruggedraaid. De keuzes rondom het terugdraaien van bezuinigingen zijn onderdeel geweest van de bredere en integrale afweging aan de formatietafel over de gehele Rijksbegroting. In de onderstaande lijst staan de posten waarop wordt bezuinigd ondanks dat er op de OCW-begroting in totaal meer geld wordt geïnvesteerd door kabinet Jetten. Hier wordt de situatie vergeleken van vóór het Hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof met de uitwerking van het coalitieakkoord van kabinet Jetten. De bezuiniging in het Hoofdlijnenakkoord van het vorige kabinet op de maatschappelijke diensttijd was grotendeels al teruggedraaid via het amendement-Bontenbal. Bezuiniging kabinet-Schoof Maatregel kabinet-Jetten Bezuiniging maatschappelijke diensttijd Wordt niet teruggedraaid. HLA 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O Wordt volledig teruggedraaid. HLA 24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap Wordt niet teruggedraaid. HLA 26. Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid Wordt niet teruggedraaid. HLA 29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting Wordt volledig teruggedraaid.[voetnoot 48] HLA 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking Wordt niet teruggedraaid. HLA 35. Verlaging non-ODA-middelen Wordt niet teruggedraaid. HLA 40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed Wordt niet teruggedraaid. HLA 41. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord) Wordt deels teruggedraaid. HLA 42. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO Wordt niet teruggedraaid. HLA 43. Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden Wordt niet teruggedraaid. HLA 69. Fonds Onderzoek en Wetenschap Wordt bijna volledig teruggedraaid. Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep Wordt deels teruggedraaid. Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025 Wordt niet teruggedraaid. Amendement Kent taakstelling externe inhuur Wordt niet teruggedraaid. Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025 Wordt niet teruggedraaid. De leden van de PRO-fractie vragen of met deze middelen de bezuinigingen allemaal van tafel zijn. Op welke posten wordt toch bezuinigd, ondanks dat er in totaal meer geld bij komt? Niet alle bezuinigingen van kabinet Schoof worden een-op-een teruggedraaid. De keuzes rondom het terugdraaien van bezuinigingen zijn onderdeel geweest van de bredere en integrale afweging aan de formatietafel over de gehele Rijksbegroting. In de onderstaande lijst staan de posten waarop wordt bezuinigd ondanks dat er op de OCW-begroting in totaal meer geld wordt geïnvesteerd door kabinet Jetten. Hier wordt de situatie vergeleken van vóór het Hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof met de uitwerking van het coalitieakkoord van kabinet Jetten. De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting. Bij het opstellen van onderstaande lijst is geen rekening gehouden met deze andere factoren. In de tabellen bij de volgende twee vragen van dit schriftelijk overleg is te zien wat de netto-reeksen zijn en op welke posten dit kabinet extensiveert en intensiveert. Ombuigingen t.o.v. Rutte IV Bezuiniging maatschappelijke diensttijd Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap: afschaffen startersbeurzen en bezuiniging NWO Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid + CA Jetten 61. Efficiencytaakstelling en 62. Vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking Verlaging non-ODA-middelen Generieke taakstelling subsidies rijksbreed + CA Jetten 63. subsidietaakstelling Verminderen internationale studenten Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden: bezuiniging bekostiging vervolgonderwijs Ombuiging op artikel 3, 4, 6 en 7 ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek en wetenschap Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025 Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025 De leden van de PRO-fractie vragen ook of de bewindspersonen kunnen weergeven op welke posten op de begroting er netto geld bijkomt per jaar. In onderstaande tabel is af te lezen op welke posten kabinet Jetten netto investeert per jaar t.o.v. de situatie van vóór kabinet Schoof en om welke bedragen dit gaat. De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren, zoals hierboven beschreven. Bij het opstellen van onderstaande lijst is geen rekening gehouden met deze andere factoren. Bedragen x € 1.000 Maatregel 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Investeren in goed bestuur en de rechtstaat 0 500 1.000 1.000 1.000 1.000 Eenmalige uitkering studielening sociaal leenstelsel 1.297.000 47.000 27.000 15.000 9.000 0 Religieus cultureel erfgoed 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 5.000 Schoolmaaltijden 135.000 135.000 135.000 135.000 135.000 135.000 Onderzoek en Wetenschap 114.744 221.507 233.975 311.151 297.326 429.380 Randvoorwaarden onderwijs en professionalisering onderwijspersoneel op teamniveau 24.718 349.384 347.831 347.859 347.858 345.509 Zij-instroom aantrekkelijker maken 79.324 88.074 88.074 88.074 88.074 88.074 Beter en regelmatig inspectietoezicht 0 4.938 10.863 20.738 29.625 29.625 Verhogen basisbeurs uitwonende studenten met € 50 0 4.938 14.813 24.688 44.438 108.625 Versterking van persveiligheid en journalistieke vrijheid 1.000 1.000 1.000 1.000 1.000 1.000 Lokale omroepen 3.375 3.375 3.375 3.375 3.375 3.375 DUO/RVO/NWO/DUSI/Toezicht/Monitoring /Evaluatie/Capaciteit 12.625 15.125 16.375 17.625 18.063 18.875 Daarnaast vragen deze leden op welke posten er netto geld af gaat per jaar. In onderstaande tabel is af te lezen op welke posten kabinet Jetten netto extensiveert per jaar t.o.v. de situatie van vóór kabinet Schoof en om welke bedragen dit gaat. De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren, zoals hierboven beschreven. Bij het opstellen van onderstaande lijst is geen rekening gehouden met deze andere factoren. Bedragen x € 1.000 Maatregel 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Bezuiniging maatschappelijke diensttijd -67.363 -70.000 -70.000 -70.000 -70.000 -70.000 Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap: afschaffen startersbeurzen en bezuiniging NWO -134.734 -134.734 -134.734 -161.330 -175.000 -175.000 Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid Schoof + Efficiencytaakstelling en vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid Jetten -86.355 -111.653 -153.899 -201.518 -201.518 -201.518 Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking -8.511 -8.511 -8.510 -7.188 -7.188 -7.188 Verlaging non-ODA-middelen -844 -956 -3.214 -3.506 -3.506 -3.506 Generieke taakstelling subsidies rijksbreed Schoof + Subsidietaakstelling Jetten -225.033 -262.668 -308.541 -301.708 -301.708 -301.708 Verminderen internationale studenten* 8.282 13.334 12.254 -1.402 -13.950 -13.950 Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO -100.000 -100.000 -100.000 -100.000 -100.000 -100.000 Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden: bezuiniging bekostiging vervolgonderwijs -8.000 -14.000 -14.000 -18.000 -30.000 -30.000 Ombuiging op het verplichtingenbedrag en uitgavenbedrag van artikel 3, 4, 6 en 7 ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek en wetenschap -25.000 -25.000 0 0 0 0 Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep -5.000 -5.000 -5.000 -5.000 -5.000 -5.000 Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025 -4.534 -4.269 -3.723 -4.010 -4.010 -4.010 Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025 -196.527 -173.511 -172.342 -171.590 -171.590 -171.590 * Bij de per saldo berekening is er rekening gehouden met de CA intensiveringen Jetten in het kader van het (1) terugdraaien van de taakstelling internationale studenten als zo ook (2) de intensivering mbt de talentstrategie. Ook vragen deze leden hoe de bestedingen aan OCW zich verhouden (inclusief deze extra middelen) tot de uitgaven aan onderwijs in het kabinet Schoof en het kabinet Rutte IV. In de onderstaande tabel zijn de totale begrote bedragen op de Eerste Suppletoire begroting van OCW weergegeven. Het betreft de begrotingen die bij Voorjaarsnota zijn ingediend door achtereenvolgens het kabinet Rutte IV, het kabinet Schoof I en het kabinet Jetten. Begroting in miljarden euro’s Begrotingsjaar kabinet Voorjaarsnota 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Rutte IV 2024 58,2 58,1 57,1 57,1 56,5 Schoof 2025 60,3 56,9 59,0 56,9 56,7 56,3 Jetten 2026 60,0 60,2 59,1 58,6 58,2 57,9 De stijging van het budget van de ene Voorjaarsnota t.o.v. de volgende Voorjaarsnota wordt voor een groot deel verklaard door de loon- en prijsontwikkeling (lpo) die jaarlijks toegevoegd wordt aan de begroting om uitgaven in reële termen gelijk te houden. In de Voorjaarsnota van 2025 is ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024 structureel circa € 2,2 miljard aan lpo per jaar toegevoegd. In de Voorjaarsnota van 2026 is ten opzichte van de Voorjaarsnota 2025 structureel circa € 1,8 miljard aan lpo per jaar toegevoegd. In de Voorjaarsnota 2025 staat tegenover de stijging door loon-en prijsontwikkeling een daling oplopend tot structureel circa € 1,8 miljard per jaar vanaf 2029 als gevolg van de bezuinigingen van het kabinet Schoof. Een deel van deze bezuinigingen is teruggedraaid met het amendement Bontenbal c.s. op de Begroting 2026, zoals ook verwerkt in de stand van de Voorjaarsnota 2026. De investeringen uit het coalitieakkoord van het kabinet Jetten zijn op dit moment voor het grootste gedeelte nog niet aan de OCW-begroting toegevoegd en dus nog niet meegenomen in de bovenstaande tabel. Op de Aanvullende Post bij Financiën staat op dit moment voor OCW € 1,1 miljard in 2027 oplopend tot structureel € 1,6 miljard. Een groot deel van deze investeringen wordt in de ontwerpbegroting 2027 verwerkt ten behoeve van het onderwijs, onderzoek en media. De leden van de PRO-fractie vragen in hoeverre het Masterplan basisvaardigheden tegemoet komt aan de notie vanuit de Europese Commissie dat kinderen uit achterstandssituaties structureel onderpresteren en dat Nederland slecht presterende scholen gericht zou moeten ondersteunen. Ook vragen deze leden naar de kritiek vanuit de Europese Commissie over wat het dalende onderwijsniveau doet met de concurrentiepositie van Nederland in de wereld. Ook willen deze leden graag weten welke concrete stappen het kabinet neemt ten aanzien van de verschillen tussen scholen en hoeveel middelen hiervoor structureel beschikbaar zijn. In hoeverre hangen verschillen tussen scholen samen met de op scholen aangeboden niveaus? Vooropgesteld: het is van belang dat iedere scholier school verlaat leerling die het voortgezet onderwijs verlaat voldoende geletterd en gecijferd en goed voorbereid is op het vervolgonderwijs en de samenleving. We zien de afgelopen jaren een zorgwekkende neergaande trend, met name bij lezen. De signalen van de Europese Commissie zijn niet nieuw..Dit kabinet heeft als ambitie dat een goede beheersing van basisvaardigheden binnen het bereik van elke leerling komt en dat de neergaande trend wordt gekeerd. Dat is goed voor leerlingen zelf, voor de samenleving en onze economie. Om die reden is het Masterplan basisvaardigheden in 2022 van start gegaan en volgt dit najaar een versterking en aanscherping van de aanpak in de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. De ambitie om de basisvaardigheden te verbeteren op scholen en in de maatschappij wordt breed gedeeld. De inzet vanuit het Masterplan basisvaardigheden heeft die urgentie verder benadrukt en scholen ondersteund om tot verbeteringen te komen. Tegelijk zien we dat de prestaties nog steeds onder druk staan, met name op het vlak van taal. Het is zaak om nog meer focus aan te brengen en hoge verwachtingen te hebben en ambitieuze doelen te stellen. Dat geldt voor leerlingen, leraren, scholen, de samenleving en de overheid. Daarom komt het kabinet in het najaar met de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. Daarbij zal ook bekeken worden wat er extra nodig is voor scholen met veel achterstandsleerlingen en slecht presterende scholen. Voor die twee doelgroepen gebeurt nu al het volgende. Scholen met veel achterstandsleerlingen krijgen extra bekostiging en ondersteuning om leerlingen goed te begeleiden en zo onderwijsachterstanden te voorkomen en tegen te gaan. Dit verloopt via de onderwijsachterstandsmiddelen in het po, de regeling onderwijskansen in het vo en de regelingen voor een verlengde schooldag (School & Omgeving), schoolmaaltijden en brugfunctionarissen. Gemeenten ontvangen ook budget van het Rijk voor onderwijsachterstandenbeleid. Dit geld kunnen zij bijvoorbeeld inzetten voor vroegschoolse educatie voor kleuters, kleinere klassen en zomerscholen. Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om de verschillen in kwaliteit tussen scholen te verkleinen. De nadrukkelijke aandacht die de Onderwijsinspectie besteedt aan basisvaardigheden kan bijdragen aan het terugdringen van schoolverschillen. Scholen met een inspectieoordeel ‘onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ worden met de subsidieregeling voor prioriteitsscholen gestimuleerd om maatregelen te treffen om de onderwijskwaliteit zo snel mogelijk te herstellen en de prestaties van hun leerlingen te verbeteren. Daarnaast wordt evidence-informed onderwijs krachtig ondersteund en gestimuleerd met toegankelijke en praktisch toepasbare kennis vanuit het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, via Ontwikkelkracht en door het Masterplan basisvaardigheden. Het zijn de scholen die achterblijven waar de omslag naar evidence-informed onderwijs en een verbetercultuur de grootste impact zal hebben. De leden van de PRO-fractie vragen op hoeveel scholen het kabinet verwacht dat met de middelen voor brede brugklassen hiermee brede brugklassen gerealiseerd kunnen worden. Met € 58 mln. kan een substantieel aantal scholen financieel worden ondersteund om brede brugklassen aan te bieden. Op dit moment wordt bekeken hoe de afspraak uit het coalitieakkoord het best kan worden uitgewerkt op korte en langere termijn en hoe de middelen worden ingezet. Uw Kamer ontvangt hierover in het najaar van 2026 een brief. De leden van de PRO-fractie vragen op welke wijze het kabinet invulling gaat geven aan de uit vakbondskringen gehoorde wens om niet alleen in het primair onderwijs, maar ook in het voortgezet onderwijs personeel en hun vertegenwoordigers actief te betrekken bij eventuele nieuwe bestuursakkoorden. Vanzelfsprekend worden vertegenwoordigers van vakbonden (en uiteraard ook raden en andere vertegenwoordigers) actief betrokken bij de totstandkoming van bestuursakkoorden. Dit is de afgelopen akkoorden de praktijk geweest en wij zien geen aanleiding om dit te veranderen. De leden van de PRO-fractie vragen of de staatssecretaris de ontwikkeling kan laten zien van het aantal onbevoegde leraren de afgelopen tien jaar in het po en vo? Klopt het dat het aantal bevoegde leraren geen onderdeel is van het onderzoekskader van de Inspectie? Is de staatssecretaris bereid om het aantal bevoegde leraren per school onderdeel te maken van het onderzoekskader, zodat de Inspectie hierop kan handhaven? Het percentage leraren in het po dat onbevoegd is of waarvan onbekend is of deze leraar bevoegd dan wel benoembaar is, is de afgelopen jaren gestegen van 1,1% in 2015 naar 2,1% in 2025. In het vo zijn er enkel gegevens bekend over het aantal onbevoegd gegeven lessen, zoals dat jaarlijks met het IPTO-onderzoek in kaart wordt gebracht. In 2024 is 6,6% van de lessen onbevoegd gegeven in het vmbo, 2,8% op de havo en 2,1% in het vwo. Het aandeel onbevoegd gegeven lessen is van 2014 tot 2021 gedaald, waarna het weer licht opliep. Het voldoen aan de wettelijke eisen ten aanzien van de bevoegdheid is onderdeel van het onderzoekskader van de inspectie. Als de inspectie signalen krijgt dat er sprake is van tekortkomingen op dit punt of als er tijdens een onderzoek aanleiding voor is, gaat de inspectie hierover in gesprek. In reguliere onderzoeken kunnen de bevoegdheden ook zonder directe aanleiding aan de orde komen. De wettelijke eisen gaan niet over het aantal bevoegde leraren per school. Inzet van niet-bevoegde leraren is onder voorwaarden mogelijk, bijvoorbeeld waar het gaat om opleidingsplaatsen of - in geval van tekorten - de tijdelijke inzet van (nog) onbevoegde leraren. De leden van de PRO-fractie vragen om een duidelijke uitspraak van de staatssecretaris dat het inzetten van onbevoegde docenten alleen als een zeer tijdelijke noodmaatregel ingezet kan worden en dat het inzetten van onbevoegden nooit het nieuwe normaal mag worden. De leden van de PRO-fractie verwijzen naar het experiment Andere dag- en weekindeling in de G5: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere. In deze steden zijn de personeelstekorten groter dan in de rest van Nederland. Vanwege deze aanhoudende tekorten krijgen scholen in de G5 met de verlenging van dit experiment de mogelijkheid om een deel van de onderwijstijd te laten verzorgen door andere professionals, onder de voorwaarde dat dit plaatsvindt op basis van een plan van aanpak dat de kwaliteit van het onderwijs borgt en dat is afgestemd met de medezeggenschapsraad van de school. Dit biedt scholen meer stabiliteit in het personeelsbeleid en zorgt voor meer rust voor leerlingen. Het experiment en het begeleidende onderzoek zijn gericht op het verkrijgen van kennis over de effecten van deze interventie op onderwijskwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid. De uitkomsten bieden de noodzakelijke basis om te beoordelen of structurele wetgeving kan worden ingevoerd, aangepast of juist achterwege gelaten moet worden. In het belang van een zorgvuldige besluitvorming willen wij dit proces zorgvuldig doorlopen en niet vooruitlopen op de resultaten van het experiment. Daarnaast vormt onderwijs aan alle leerlingen, verzorgd door een team van bevoegde en goed opgeleide leraren, het leidende uitgangspunt en het is cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. Een toekomstbestendig onderwijssysteem is nodig met ruimte voor innovatie, digitalisering en teams. Daarbij staat het waarborgen van de continuïteit en kwaliteit van het onderwijs centraal, evenals het versterken van de duurzame inzetbaarheid van onderwijspersoneel. De leden van de PRO-fractie vragen of de staatssecretaris verder bereid is om een einddatum vast te leggen voor de G5-noodmaatregelen in het po en de teambevoegdheid in het vo, zodat deze ook op korte termijn beëindigd worden. Welke maatregelen neemt de staatssecretaris om het aantal bevoegde leraren toe te laten nemen? Is de staatssecretaris bereid om gericht te investeren in verkorte en op maat gemaakte opleidingstrajecten voor de groep leraren die momenteel zonder volledige of passende bevoegdheid werkzaam is? De landelijke convenanten met de steden uit de G5 (‘G5 noodmaatregelen’) zijn inmiddels afgelopen. De geïntensiveerde aanpak (en de aanvullende bekostiging) , zoals vastgelegd in de convenanten, is per 2026 overgegaan naar de onderwijsregio’s. Onderdeel van de noodmaatregelen was het experiment Andere dag- en weekindeling. Ook deze regeling loopt door, zoals vorig jaar aan uw Kamer gemeld. De nieuwe einddatum is 31 juli 2030. Op basis van de resultaten van onderzoek naar de effecten zal een besluit worden genomen over het vervolg. Voor de teambevoegdheid in het vo geldt dat er op dit moment geen noodmaatregel loopt. Voor dit soort maatregelen gelden standaard wettelijke termijnen van vijf jaar waarbij verlenging mogelijk is. Maatregelen gericht op een toename van het aantal bevoegde leraren zijn onder meer de subsidieregelingen zij-instroom in beroep en het opleiden van onderwijsondersteunend personeel tot leraar. Deze subsidieregelingen zijn ook voor leraren die nog geen volledige of passende bevoegdheid hebben. De lerarenopleidingen zetten in op het aanbieden van maatwerktrajecten en richten zich op het optimaliseren van het geschiktheidsonderzoek en de EVC-assessments (Eerder Verworven Competenties) voor zij-instromers. Het werken met leeruitkomsten binnen opleidingstrajecten draagt tevens bij aan het leveren van maatwerk. De leden van de PRO-fractie vragen welke maatregelen worden genomen om de werkdruk te verlagen. Is de staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor een maximaal aantal lesuren, minder administratieve taken en de inzet van extra ondersteunend personeel? En hoe staat het met de pilot met beperkte klassengrootte? Een gezonde balans tussen werkdruk- en energiebronnen is essentieel om leraren in staat te stellen hun werk kwalitatief goed en met bevlogenheid te doen. Hoewel 95% van alle leraren met plezier in het onderwijs werkt, is er een groeiende groep leraren en schoolleiders die stress als gevolg van werkdruk ervaren. Mede daarom hebben we onze aanpak op werkdrukvermindering geïntensiveerd. Het doel is om slimmer te werken met minder administratieve lasten. Deze nieuwe aanpak is met uw Kamer gedeeld middels de voortgangsbrief lerarenstrategie van juli 2026. Onderdeel hiervan is dat met inspectie en scholen de mogelijkheden worden verkend om een instrument te ontwikkelen dat scholen kan helpen de administratie effectiever en efficiënter in te richten. Daarnaast wordt uw Kamer met de voortgangsbrief lerarenstrategie in december geïnformeerd over de status van de pilot met beperkte klassengrootte. De leden van de PRO-fractie vragen wat de stand van zaken is van de Wet Strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen en wanneer deze bij de Tweede Kamer ingediend gaat worden. Ook vragen deze leden naar de uitvoering van de motie van de leden Moorman en Beckerman om commerciële inhuur af te bouwen en te borgen dat scholen gebruik gaan maken van publieke invalspools. De Tweede Kamer ontvangt in het najaar van 2026 informatie over de stand van zaken van dit wetsvoorstel. Met de brief over de voortgang van de lerarenstrategie van 2 juli jl.[voetnoot 49] hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie. De leden van de PRO-fractie vragen of in beeld gebracht kan worden hoeveel tijdelijke contracten er zijn bij internationale schakelklassen. Mocht het aantal tijdelijke contracten inderdaad hoog zijn, is de staatssecretaris bereid hier actie op te gaan voeren? Uit het onderzoek naar vaste en tijdelijke contracten in het onderwijs uit 2024 is bekend dat in het onderwijs aan nieuwkomers (zowel po als vo) inderdaad vaker tijdelijke contracten worden gegeven.. Dit beeld herkennen we ook van signalen uit de praktijk. Door de komst én vertrek van nieuwkomers in een regio moet het onderwijs regelmatig snel op- en afgeschaald worden, waardoor er tijdelijke contracten worden ingezet. We zien goede voorbeelden in het land waarbij regionale afspraken tussen schoolbesturen worden gemaakt om docenten in het onderwijs aan nieuwkomers vast in dienst te nemen. De regio-coördinatoren nieuwkomersonderwijs van het ministerie stimuleren dit soort afspraken. Momenteel wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel gericht op het onderwijs aan nieuwkomers met onder andere als doel meer stabiliteit te creëren in het onderwijs aan nieuwkomers. De leden van de PRO-fractie vragen hoe de bewindspersonen kijken naar het gegeven dat het geschiedenisonderwijs als verplicht vak op het vmbo beperkt blijft tot twee jaar. In hoeverre geloven zij dat meer geschiedenisonderwijs naast burgerschapsonderwijs bij zou kunnen dragen aan meer kennis over de democratische rechtsstaat? Kennis over het waarderen en naleven van de democratische rechtsstaat is opgenomen als één van de basisvaardigheden. In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt een stevige basis gelegd. In de bovenbouw wordt deze basis in verschillende vakken, zoals geschiedenis en maatschappijleer, verdiept. Tegelijkertijd is de kwaliteit van het onderwijs gebaat bij focus en het voorkomen van overladenheid. Geschiedenis is zowel in havo/vwo als vmbo geen verplicht eindexamenvak. Maatschappijleer is wel een verplicht vak in de bovenbouw vmbo. Maatschappijleer is samen met Nederlands en Engels onderdeel van het gemeenschappelijk deel in alle vmbo-leerwegen. Met de actualisatie van de examenprogramma’s voor geschiedenis en maatschappijleer zorgen we er daarom voor dat de vakken aantrekkelijk en actueel blijven. Alle schoolsoorten krijgen dezelfde basis mee, zodat er geen tweedeling ontstaat tussen vmbo-leerlingen en havo-/vwo-leerlingen waarin de ene groep alleen kennis reproduceert en de andere groep ook leert onderzoeken. Maatschappijleer verdubbelt bovendien de urenomvang om voldoende aandacht te besteden aan digitale geletterdheid en burgerschap. De leden van de PRO-fractie of de staatssecretaris bereid is om een onderzoek te starten naar een maximale temperatuur in klaslokalen? En is de staatssecretaris bereid om samen met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover in gesprek te gaan met de Arbeidsinspectie om actiever te gaan handhaven op een gezond binnenklimaat? De afgelopen vier jaar heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie minder dan vijf meldingen over hitte ontvangen. Per subsector (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, hbo en wo) is er dus sprake van hooguit één melding. Deze cijfers bieden geen aanleiding voor de Nederlandse Arbeidsinspectie om de huidige handhaving te veranderen. Tijdens het vragenuur van 23 juni jl. is aan uw Kamer toegezegd dat samen met de sector en relevante partijen wordt verkend wat schoolbesturen en -leiders nodig hebben, zodat zij bij bepaalde temperaturen (waaronder hitte) handelingsperspectief hebben en hoe zij op een goede manier afspraken met ouders kunnen maken. Dit najaar wordt uw Kamer hierover geïnformeerd. De leden van de PRO-fractie maken zich grote zorgen over de inzet van deze coalitie om private investeerders toe te laten bij het ontwerp, de bouw, de financiering en het langdurig onderhoud van schoolgebouwen. Is de staatssecretaris het eens dat hierbij het risico kan ontstaan dat publieke middelen naar private winsten wegvloeien? Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat dit gaat gebeuren? Eerder heeft de Taskforce Financiering Onderwijshuisvesting de mogelijkheden voor private of institutionele financiering van onderwijshuisvesting onderzocht.[voetnoot 50] Zoals in het coalitieakkoord is aangekondigd, verkennen wij de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking naar Vlaams voorbeeld, zoals de aanpak in standaardisatie van met name bouw- en onderhoudscontracten. Daarbij komen ook de kansen en risico’s van een dergelijke aanpak in beeld. Dit najaar wordt uw Kamer hierover nader geïnformeerd. De leden van de PRO-fractie vragen zich af welke concrete maatregelen vallen te verwachten qua toegang tot sociale voorzieningen, financiële middelen en ondersteuning voor mbo, hbo en wo? Het kabinet wil financiële belemmeringen voor mbo-studenten om een opleiding te volgen en een startkwalificatie te behalen zo veel mogelijk wegnemen. Daarom stellen we schoolboeken, digitale licenties en werk- en veiligheidskleding kosteloos beschikbaar aan minderjarige mbo-studenten. Deze maatregel, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 7 juli 2026, kan naar verwachting in 2029 ingaan.[voetnoot 51] Het kabinet zet ook in op het verbeteren van de financiële positie van uitwonende studenten door de basisbeurs voor uitwonende studenten met circa € 50 per maand te verhogen. Daarnaast verkent het kabinet hoe de (financiële) voorzieningen voor mbo-, hbo- en wo-studenten met een ondersteuningsbehoefte, zoals het studentenondersteuningsfonds en de voorziening prestatiebeurs, beter ingericht kunnen worden om studenten de juiste ondersteuning te bieden.[voetnoot 52] Ook loopt er een juridische verkenning voor het mbo, hbo en wo voor het creëren van een juridische grondslag voor het aanbieden van sport- en cultuurvoorzieningen door onderwijsinstellingen, zodat instellingen deze blijvend kunnen aanbieden. Daarbij kijkt dit kabinet ook breder naar voorzieningen die zouden moeten vallen onder de publieke taak van het onderwijs.[voetnoot 53] Het kabinet vindt het van belang dat het studentenleven van mbo-studenten gelijkwaardig is aan dat van hbo-/wo-studenten. Zoals aangegeven in het antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie, zijn hier in de praktijk al goede voorbeelden van. Zo kunnen mbo-studenten in een aantal steden al deelnemen aan introductieweken en gebruikmaken van sportfaciliteiten voor studenten. Voor de kerst informeren wij uw Kamer over hoe dit verder vorm kan krijgen. Ook is het kabinet voornemens om het wettelijk mogelijk te maken dat minderjarige mbo-studenten een bestuursjaar kunnen doen. De leden van de PRO-fractie vragen of uiteengezet kan worden hoe in de voorgenomen Talentstrategie de belangen van studenten bij het maximaal benutten van hun talenten op een opleiding naar eigen vrije keuze, de belangen van onderwijsinstellingen en docenten om naar eigen didactische maatstaven kennis en expertise over te dragen en de belangen van toekomstige werkgevers tegen elkaar worden afgewogen? Deze leden willen kort en goed weten in hoeverre economische motieven de keuzevrijheid van studenten en instellingen gaan beïnvloeden. Met de Talentstrategie investeren we in de talenten van mensen door gericht op te leiden, aan te trekken en te behouden voor de cruciale opgaven van Nederland. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent tegelijkertijd dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen zal worden begrensd. De belangen van onderwijsinstellingen, studenten en werkgevers liggen hierbij voor een belangrijk deel in elkaars verlengde. Ook voor studenten is het van belang dat zij vaardigheden ontwikkelen die nodig zijn op de arbeidsmarkt van de toekomst en dat zij kunnen kiezen voor opleidingen met een duurzaam arbeidsmarktperspectief. De Talentstrategie houdt de keuzevrijheid van studenten intact. Studenten kunnen nu en in de toekomst zelf bepalen welke studie zij volgen. Studenten kunnen kiezen uit een breed toegankelijk opleidingsaanbod, dat gericht is op de arbeidsmarkt van de toekomst. Wel gaan we studenten beter voorlichten over hun baankansen bij opleidingen. Zo willen we hen stimuleren om te kiezen voor studies gericht op de cruciale opgaven die bepalend zijn voor onze toekomstige welvaart. Met onderwijsinstellingen, werkgevers en andere betrokken partijen willen wij afspraken maken over wat er verder nodig is om beter en gerichter talent op te leiden voor deze cruciale opgaven. Wij zijn daarom verheugd dat de onderwijskoepels recent in een gezamenlijke intentieverklaring hebben aangegeven zich aan deze opgave te committeren. De komende periode werken wij samen met het onderwijsveld, werkgevers en andere betrokken partijen aan de verdere uitwerking van de aanpak. Wij vinden het belangrijk dat we studenten daar actief bij betrekken. In aanloop naar de Talentstrategie is er eerder ook met studenten- en jongerenorganisaties gesproken om hun perspectief te horen. De leden van de PRO-fractie vragen in hoeverre mbo-onderwijsinstellingen worden betrokken bij het om- en bijscholen van mensen die de arbeidsmarkt al hebben betreden. Maakt het voor de aanpak daarbij uit of deze mensen al dan niet een startkwalificatie hebben of op afstand tot de arbeidsmarkt staan? Hoe wordt aangekeken tegen de door de MBO Raad geuite wens om het Leven Lang Ontwikkelen (en de daarbij behorende financiering) en het inburgeringsonderwijs en volwasseneneducatie wettelijk te verankeren en in de publieke onderwijsroute op te nemen? Gemeenten hebben de taak om beleid te maken voor mensen met weinig basisvaardigheden die niet meer kwalificatieplichtig zijn. Ze kunnen met zowel private als publieke aanbieders (mbo-instellingen) werken. Mensen met weinig basisvaardigheden zijn vaak lastig te bereiken. Bijvoorbeeld omdat zij niet weten dat ze weinig basisvaardigheden hebben, slechte ervaringen hebben met onderwijs of schaamte voelen. Zij ervaren hierdoor een hoge drempel om deel te nemen aan scholing. In de Kamerbrief van 9 juli geven wij onze reactie op een onderzoek naar een publieke taak voor volwasseneneducatie en geven daarbij aan dat we op basis van dit rapport niet verder gaan verkennen of mbo-instellingen een wettelijke taak voor basisvaardigheden moeten krijgen.[voetnoot 54] Voor jongeren tot 27 jaar zonder startkwalificatie richt de aanpak van mbo-instellingen zich op het behalen van een startkwalificatie of, wanneer dat passend is, op begeleiding naar duurzaam werk. De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de rechtspositie van promovendi en postdocs. Zij werken immers hoofdzakelijk op een tijdelijke aanstelling en dat zorgt voor een structurele onzekerheid. Kan inzichtelijk gemaakt worden hoe de beleidslijn van Erkennen en Waarderen wordt gekoppeld aan maatregelen die bijdragen aan stabielere loopbaanperspectieven en het terugdringen van tijdelijke contracten? Een gezonde werkomgeving is cruciaal voor het functioneren van wetenschappers. Verandertrajecten zoals Erkennen & Waarderen dragen daar direct aan bij. Een van de doelen van het programma Erkennen & Waarderen is betere loopbaanperspectieven bieden voor wetenschappers. Het programma beoogt een meer evenwichtige balans in de erkenning en waardering van de diversiteit aan taken en talenten van wetenschappers. Hierdoor ontstaan meer gedifferentieerde loopbaanpaden waarin naast onderzoek ook onderwijs, impact, leiderschap, patiëntenzorg en teamwerk volwaardig meetellen. Indirect kan dit leiden tot meer diverse criteria voor vaste aanstellingen. De wijze waarop deze koppeling in de praktijk precies vorm krijgt, valt onder de verantwoordelijkheid van de werkgevers en zal in de praktijk per kennisinstelling verschillen. Krijgen mbo-instellingen volwaardige (financiële) toegang tot publieke kennisfondsen en worden mbo-instellingen ingebed in het nationale kennisecosysteem, zo vragen de leden van de PRO-fractie. Mbo-instellingen doen mee in onderzoeksconsortia met hbo en wo, bijv. via Regieorgaan SIA, Nationaal kennisinstituut Onderwijs (NKO) en Nationale Wetenschapsagenda (NWA). Regieorgaan SIA heeft voor het mbo specifiek de KIEM-groen pilotregeling in het leven geroepen, die is afgestemd op de onderzoeksvraagstukken van practoraten in het groene domein. Daarnaast zijn mbo-instellingen actief in het landelijke samenwerkingsprogramma Npuls, een Groeifondsproject, van alle mbo-scholen, hogescholen, universiteiten en SURF. Het programma richt zich op digitalisering en flexibilisering van het onderwijs. Tenslotte is in de Beleidsbrief OCW 2026 – 2030 aangegeven dat er structureel € 17 miljoen wordt geïnvesteerd in het mbo-onderzoek om ervoor te zorgen dat het mbo beter ingebed raakt in het kennisecosysteem. Voor verdere doorontwikkeling van het mbo wachten wij op het AWTI advies dit najaar. De minister van OCW zal in de reactie op het AWTI-advies ingaan op verankering van practoraten en op de mate waarin subsidieprogramma’s toegankelijk zijn voor het mbo. De leden van de PRO-fractie onderschrijven het nut van het instrument sectorplannen, maar maken zich als gevolg van deze toevoeging zorgen over de ruimte voor vrij en ongebonden onderzoek. Kan de minister hier een uitgebreide toelichting op geven? Hoe verhoudt de nadruk op toekomstige welvaart en vestigingsklimaat zich tot het oorspronkelijke doel van de sectorplannen, namelijk versterking van de basis van het wetenschappelijke onderzoek in alle disciplines? Kan het kabinet toelichten hoe binnen deze aanpak voldoende ruimte behouden blijft voor ongebonden en fundamenteel onderzoek dat niet direct gekoppeld is aan actuele economische prioriteiten? En hoe past deze toevoeging van een gerichte politiek-economische agenda aan het instrument sectorplannen in de bredere wetenschapsvisie van dit kabinet? Hoe borgt het kabinet dat er voldoende ruimte blijft voor vrij en ongebonden fundamenteel onderzoek en hoe voorkomt het kabinet dat alle onderzoekers steeds sterker worden gestuurd richting vooraf bepaalde maatschappelijke of economische prioriteiten? We hebben de universiteiten gevraagd om bij de uitwerking van de sectorplannen uit te gaan van de kansen voor onze toekomstige welvaart en daarin duidelijk te maken hoe ze hieraan bijdragen. Het gaat daarbij nog steeds wel om fundamenteel onderzoek in de domeinen die dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart. Die domeinen zijn digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Dit zijn brede thema’s, waar ieder wetenschapsdomein (sociale en geesteswetenschappen, bèta, techniek en medische en gezondheidswetenschappen) op kan aansluiten in hun sectorplannen. Het sectorplaninstrument is immers het instrument waarbij de vier wetenschapsdomeinen zelf plannen maken voor versterking van het fundamenteel onderzoek, op basis van domeinbeelden en sectorbeelden. Disciplinaire versterking blijft één van de kernpunten van de sectorplannen, omdat sterke disciplines een randvoorwaarde zijn voor onze toekomstige welvaart. De sectorplannen hebben de focus op fundamenteel onderzoek en dragen daarmee bij aan onze toekomstige welvaart op de lange termijn. Verder blijft dit kabinet investeren in ongebonden onderzoek via de eerste geldstroom en via NWO. Via NWO loopt dit onder andere via de Open Competitie, het Talentprogramma en Zwaartekracht. De leden van de PRO-fractie vragen of het kabinet voornemens is om bij de komende hervorming van de publieke omroep eerste wettelijke stappen te zetten om te komen tot een integraal mediabeleid, waarin vindbaarheid van Nederlandse (publieke) content en programmering een prominente plek krijgen en die wettelijk de publiek-private samenwerking als taak implementeren. Met het wetsvoorstel betreffende de hervorming van de landelijke publieke omroep worden concrete stappen gezet voor de digitale positie en bestuurbaarheid van de landelijke publieke omroep. Vraagstukken als de vindbaarheid van Nederlandse journalistieke content in het bredere online domein, de positie ten opzichte van platforms en publiek-private samenwerking worden betrokken bij de bredere media-agenda waarover de Kamer in het najaar wordt geïnformeerd. In deze brief zal ook opvolging worden gegeven aan de aanbevelingen uit het WRR-rapport Aandacht voor Media en invulling worden gegeven aan het integraal mediabeleid. Daarbij gaat het om het versterken van de Nederlandse mediasector in de volle breedte, maar ook om het weerbaar maken en beschermen van de mediagebruiker. De leden van de PRO-fractie wijzen op mogelijke consequenties van generatieve AI voor onze democratische rechtsstaat en vragen hoe het kabinet hier tegenover staat. Zoals aangegeven in het antwoord op de leden van de D66-fractie heeft de Raad voor Cultuur op 25 juni haar advies over artificiële intelligentie in de cultuursector uitgebracht. In afstemming met onze collega bewindspersonen van, in ieder geval, het ministerie van Justitie en Veiligheid (auteursrecht) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (innovatie en digitale economie), bereiden wij een reactie voor op dat advies, die wij in de loop van 2027 verwachten te delen met de Kamer. In deze reactie zullen we ook ingaan op mogelijk komende EU regelgeving op het gebied van AI en auteursrecht. Hiermee komen wij tevens tegemoet aan de toezegging van onze voorganger in het wetgevingsoverleg (Cultuurbegroting) van 19 januari 2026[voetnoot 55]. Voor de volledigheid wijzen wij nog op een toezegging van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, gedaan tijdens het commissiedebat (Civielrechtelijke onderwerpen) van 22 april 2026, om de Kamer per brief te informeren over de stappen die genomen gaan worden om makers te beschermen in het AI-tijdperk.[voetnoot 56] Deze brief volgt nog dit jaar. De leden van de PRO-fractie vragen de staatssecretaris of zij, net zoals in andere Europese landen, met de sector (werkgevers en werknemers) aan de slag wil gaan met een AI-richtlijn voor het onderwijs. Ook vragen zij welke maatregelen de staatssecretaris gaat nemen om ervoor te zorgen dat scholen met publieke AI-tools gaan werken die open-source zijn, vooroordelen minimaliseren en rekening houden met auteursrecht. Welke acties onderneemt de staatssecretaris om zorg te dragen dat onderwijspersoneel AI-geletterd wordt? Zij vragen of de staatssecretaris daarvoor aanvullende (geoormerkte) middelen beschikbaar stelt om ervoor te zorgen dat al het onderwijspersoneel AI-geletterd wordt. Verder vragen de leden van de PRO-fractie in hoeverre onderwijspersoneel wordt meegenomen bij de inzet van AI op scholen. Is de staatssecretaris, net zoals de leden van de PRO-fractie, van mening dat de keuze en toepassing van AI opgenomen dient te worden in het professioneel statuut en het schoolplan? Conform de toezegging tijdens het commissiedebat Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur worden deze onderwerpen uitgewerkt in het regieplan digitalisering funderend onderwijs, dat in samenwerking met de PO-Raad, VO-raad, Kennisnet en SIVON wordt opgesteld. Het plan gaat onder meer in op hoe AI verantwoord kan worden ingezet in het onderwijs en welke ondersteuning scholen daarbij nodig hebben. .[voetnoot 57] Leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders en leerlingen worden bij de uitwerking betrokken. Voor publieke AI-tools is de aangenomen motie over een veilige publieke Nederlandse AI-voorziening van toepassing.[voetnoot 58] Uw Kamer ontvangt voordat u de OCW-begroting 2027 behandelt, een voorstel hiervoor. Daarnaast wordt uw Kamer conform toezegging eind 2026 geïnformeerd over de verkenning van Kennisnet naar een publieke AI-voorziening voor het funderend onderwijs.[voetnoot 59] Ook het Nationaal Groeifondsprogramma NOLAI levert hieraan een belangrijke bijdrage door samen met scholen, wetenschap en bedrijfsleven educatieve AI te ontwikkelen en te onderzoeken. Leraren zijn daarbij vanaf het begin betrokken. De opgedane kennis draagt bij aan verantwoord gebruik van AI in het onderwijs en aan inzicht in de voorwaarden die daarvoor nodig zijn. De leden van de PRO-fractie vragen of het kabinet de benodigde publieke middelen vrij zal maken teneinde zijn ambities voor de culturele en creatieve sector waar te maken. Wij zien dat stijgende kosten en eerdere financiële keuzes druk zetten op de bedrijfsvoering van culturele instellingen en op de positie van makers. Het kabinet geeft ruim € 1,4 miljard uit om de culturele en creatieve sector te ondersteunen en verder te versterken. De ambities genoemd in de beleidsbrief worden binnen de huidige financiële kaders uitgevoerd en er is nu geen generieke intensivering voorzien. De leden van de PRO-fractie vragen of de bewindspersonen bekend met de geluiden uit het maatschappelijk middenveld dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor de Strategie Vrouwengezondheid? Hoe gaat de staatssecretaris verantwoordelijk voor emancipatie zorgen dat de strategie van middelen voorzien wordt, zodat er daadwerkelijk positieve stappen kunnen worden gezet? Deze geluiden zijn ons niet onbekend. Op 26 juni 2026 heeft het kabinet de werkagenda vrouwengezondheid gepubliceerd, waarmee veel aandacht is gegenereerd voor vrouwengezondheid. Deze werkagenda is de uitwerking van de strategie vrouwengezondheid. De werkagenda zet in op 3 actielijnen, te weten het erkennen en herkennen van klachten, kennisontwikkeling, implementatie en innovatie, en infrastructuur en samenwerking. Het Kennisprogramma Vrouwspecifieke Aandoeningen van ZonMw, in opdracht van het ministerie van VWS, zet bijvoorbeeld in op kennisontwikkeling en netwerkvorming. Zo hebben al ruim 40 verschillende organisaties een pledge ingediend waarmee ze zich committeren om zich gezamenlijk en actief in te zetten voor betere gezondheid en zorg voor alle vrouwen en meiden in Nederland. Het kabinet heeft bij de lancering van de werkagenda geen aanvullend budget aangekondigd naast de € 15 miljoen voor het Kennisprogramma. De financiële bijlage, die samen met de werkagenda op 26 juni 2026 is aangeboden aan de Tweede Kamer, bevat een overzicht van bestaande programma’s en budgetten waarin aandacht is voor vrouwengezondheid, bijvoorbeeld in het kader van mentale gezondheid, preventie en passende zorg. Deze acties vanuit het kabinet dragen bij aan vrouwengezondheid en worden uitgevoerd binnen de bestaande begroting. De stap van strategie naar actie vraagt om de gezamenlijke inzet van vele partijen, daarom zet het kabinet in op samenwerking tussen zorgaanbieders, zorgverzekeraars, onderzoekers, werkgevers en opleiders om de vrouwengezondheid in Nederland te verbeteren. Bovendien is begin dit jaar een amendement aangenomen waarmee € 200.000 is vrijgemaakt voor een brede consultatie onder vrouwen en meisjes, de resultaten hiervan zijn opgenomen in de werkagenda vrouwengezondheid. Vanuit het ministerie van OCW ondersteunen wij meerjarig de Alliantie Gezondheidszorg op Maat. Deze alliantie zet zich in voor inclusieve zorg en meer kennis over gezondheidsklachten bij vrouwen. Ook constateren de leden van de PRO-fractie dat Nederland te laat is met het implementeren van de richtlijn loontransparantie, bedoeld om de loonkloof te bestrijden. De Europese Commissie heeft geen toestemming gegeven voor deze vertraging. Welke consequenties verbindt de Europese Commissie hieraan voor Nederland? De regering heeft steeds gestreefd naar tijdige inwerkingtreding van het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen. Gedurende het implementatietraject bleek helaas dat het voorziene tijdpad voor tijdige implementatie niet haalbaar was. Hierover is uw Kamer in september 2025 geïnformeerd. Op het moment dat een lidstaat een richtlijn niet tijdig heeft geïmplementeerd zal de Europese Commissie automatisch een inbreukprocedure starten. Het belangrijkste doel hiervan is de lidstaat ertoe te bewegen alsnog het Unierecht na te komen. Als eerste stap in een inbreukprocedure zal de lidstaat in gebreke worden gesteld, waarbij de lidstaat zich kan verweren op de vermeende inbreuk. Op basis hiervan kan de Europese Commissie besluiten de zaak aanhangig te maken bij het Europese Hof van Justitie. Indien het Europese Hof van Justitie oordeelt dat een lidstaat zijn verplichtingen niet is nagekomen kan zij op verzoek van de Europese Commissie een boete en een dwangsom aan de lidstaat opleggen. Ook maken de leden van de PRO-fractie zich zorgen over dalende acceptatie van lhbtiq+-ers onder jongeren. Welke stappen gaat het kabinet zetten om deze trend te keren en welke middelen stelt zij hiertoe beschikbaar? Lhbtiq+ personen moeten in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn in Nederland. Wij delen uw zorgen over de lhbtiq+-acceptatie onder jongeren. De resultaten van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 geven slechts voor enkele GGD-regio’s inzicht. Daarom kijken wij met interesse uit naar de publicatie van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026. De resultaten verschijnen in het voorjaar van 2027 en geven een vollediger beeld van de lhbtiq+-acceptatie onder jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. In de Emancipatienota, die wij na de zomer naar uw Kamer sturen, zetten wij de vervolgstappen uiteen met bijbehorende middelen. Ook onderstrepen de leden van de PRO-fractie in dit kader het belang van spoedige behandeling van de Transgenderwet en het wetsvoorstel dat de reikwijdte van de strafbaarstelling van groepsbelediging vergroot. Bij het commissiedebat van 25 juni jl. is uw Kamer toegezegd om zo snel mogelijk een tijdlijn aan de Kamer te doen toekomen over de behandeling van de transgenderwet. Voor het wetsvoorstel dat de reikwijdte van de strafbaarstelling van groepsbelediging vergroot verwijzen we naar de voortgangsbrief discriminatie en racisme juni 2026 (van 2 juli jl.). De minister van BZK geeft daarin aan dat hij zich samen met de minister van JenV inzet om de nota naar aanleiding van het verslag zo snel als mogelijk en zorgvuldig naar de Tweede Kamer te sturen. Tenslotte wijzen de leden van de PRO-fractie op het feit dat alle drie de coalitiepartijen zich gecommitteerd hebben aan het Regenboogstembusakkoord van COC Nederland. Op welke termijn gaat het kabinet de daarin opgenomen maatregelen uitvoeren, zoals het instellen van meer discriminatierechercheurs? In de Emancipatienota 2027-2030 staan de concrete maatregelen die dit kabinet treft. De Emancipatienota wordt na deze maand aan de Tweede Kamer gestuurd. Hierin gaat het kabinet ook nader in op de uitwerking van het regenboogstembusakkoord, prioritering en rolverdeling binnen het kabinet. Daarnaast heeft de minister van J&V in zijn brief van 24 april 2026 op hoofdlijnen toegelicht hoe de investeringen in de politieorganisatie worden ingezet. Bij de presentatie van de J&V-ontwerpbegroting gaat de minister van J&V specifieker in op de voorgestelde investeringen. Inbreng van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet toe te lichten of en zo ja, hoe zij met Masterplan basisvaardigheden, of via aanpalend beleid, in gaat zetten op het verbeteren van taal- en rekenlessen specifiek binnen het vmbo, zodat vmbo-scholieren niet met een achterstand aan hun mbo-opleiding beginnen. Met het Masterplan basisvaardigheden worden verschillende maatregelen genomen om de prestaties van alle leerlingen in het funderend onderwijs op lezen, schrijven en rekenen te verbeteren. In de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden die u dit najaar ontvangt, wordt daarop voortgebouwd en is er ook specifiek aandacht voor het vmbo. Daarnaast worden al verschillende vmbo-specifieke taal- en rekenmaatregelen genomen. De belangrijkste maatregel is het actualiseren van het examenprogramma Nederlands en wiskunde voor de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerwegen in het vmbo. Daarnaast doet het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) onderzoek naar de integratie van basisvaardigheden in het vmbo-curriculum, omdat het aanleren van basisvaardigheden bij vmbo-leerlingen het beste werkt als de lesstof in een beroepsgerichte context aangeboden wordt. Tot slot organiseert het ministerie verschillende webinars en andere vormen van ondersteuning specifiek gericht op basisvaardigheden in het vmbo. De inzet op taalvaardigheden in het vmbo zal een belangrijk onderdeel zijn van de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden die uw Kamer dit najaar ontvangt. De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet ervoor gaat zorgen dat alle peuters die dat nodig hebben ook daadwerkelijk de voor- en vroegschoolse educatie ontvangen. Ook vragen zij of bij deze inzet op voor- en vroegschoolse educatie ook de kinderen van statushouders, een groep waar de taalachterstand vaak groot is, worden meegenomen. De uitwerking van het kabinet op deze punten volgt dit najaar in een brief aan de Tweede Kamer over de samenhang tussen kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie en de basisschool. Het ministerie van OCW heeft eerder al een handreiking ontwikkeld voor voorschoolse educatie voor peuters in de asielopvang.[voetnoot 60] De leden van de CDA-fractie vragen hoe de staatssecretaris de toekomst van de Maatschappelijke Diensttijd ziet. Dreigt 2026 opnieuw een verloren jaar te worden voor bewezen projecten? Hoe wil het kabinet de samenwerking met het MDT-netwerk verbeteren? Hoe wordt geborgd dat MDT landelijk dekkend is? Het Programmaplan 2026–2030 (hierna programmaplan), dat in co-creatie met jongeren en het netwerk tot stand is gekomen, vormt de basis voor de toekomst van de maatschappelijke diensttijd (MDT). In dit plan staan twee opgaven centraal waar MDT aan bijdraagt: veerkrachtige, mentaal gezonde jongeren en een sterke, weerbare samenleving. Dit programmaplan markeert een nieuwe fase. Een fase waarin de focus ligt op kwaliteit, verduurzaming en maatschappelijke verankering van MDT. In de subsidieregeling 2026 zijn bepaalde vereisten aangepast en wordt meer nadruk gelegd op de kwaliteit van de aanvraag in de beoordeling, waardoor de regeling beter aansluit op behoeften van het MDT-netwerk. De verdere uitwerking en uitvoering van het programmaplan geven we samen met jongeren en het netwerk vorm. Dit gebeurt onder meer via specifieke participatie- en consultatieprocessen en de MDT Denktank (hierna denktank) die in oprichting is. Uit het onderzoeksrapport MDT 2025[voetnoot 61], dat onlangs naar uw Kamer is verstuurd, blijkt dat in alle regio’s MDT-plekken beschikbaar zijn. Tegelijkertijd bestaan er in 2025 verschillen tussen regio’s. Daarnaast blijkt dat MDT steeds meer jongeren in verschillende delen van Nederland weet te bereiken. Niet alleen in de grote steden, ook in meer landelijke gebieden is een duidelijke toename van deelname zichtbaar. We blijven de regionale spreiding volgen. Samen met de regionale samenwerkingsverbanden en hun regiofacilitatoren werken we aan het verder versterken van het aanbod en bereik van MDT-projecten en aan het duurzaam verankeren van MDT in de regio. Om beter aan te kunnen sluiten bij de regionale situatie en de behoeften van jongeren in verschillende regio’s verkennen we hoe we in de verdeling van de middelen meer zeggenschap voor de regio kunnen organiseren en daarmee ook gerichter kunnen sturen op een landelijk dekkend aanbod. De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet gaat verkennen hoeveel ruimte er is om tot nadere normstelling te komen ten aanzien van de spanning tussen het overdragen van een eigen mens- en maatschappijvisie binnen het bijzonder onderwijs en de gelijke behandeling. Deze leden vragen het kabinet vooruitlopend op wat zij in het najaar verwacht te communiceren alvast te delen wat zij met eventuele resultaten van de verkenning beoogt en of zij voorziet dat de uitkomsten van deze verkenning mogelijk effect hebben op huidig beleid en/of wet- en regelgeving en zo ja, om welke beleid en/of wet- en regelgeving het dan zou gaan. Deze verkenning wordt gedaan met het oog op de uitvoering van de motie-Kisteman (Kamerstuk 36699, nr. 29). In dat kader wordt gekeken naar de wijze waarop artikel 1 en artikel 23 Grondwet op elkaar inwerken. In het najaar zullen wij uw Kamer informeren over de uitkomsten van deze verkenning en welke acties naar de opvatting van de regering wenselijk zijn. De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op het verbeteren van de financiële positie van studenten. Deze leden zijn benieuwd naar wat het kabinet gaat doen om de financiële positie van specifiek mbo-studenten te verbeteren. Zij vragen het kabinet uiteen te zetten welke concrete mogelijkheden zij ziet om deze veelal minderjarigen studenten in de periode tot aan hun startkwalificatie te ondersteunen. Het kabinet vindt het belangrijk dat financiën geen belemmering vormen voor het volgen van een mbo-opleiding en het halen van een startkwalificatie. Zoals aangekondigd in de brief van 7 juli 2026 zijn we daarom voornemens om schoolboeken, digitale licenties en werk- en veiligheidskleding kosteloos beschikbaar te stellen aan minderjarige mbo-studenten.[voetnoot 62] Naar verwachting kan deze maatregel ingaan vanaf 2029. De leden van de CDA-fractie vragen welke rol het kabinet ziet voor de landelijke overheid, gemeenten, onderwijsinstellingen en bedrijven en hoe zij in samenwerking met deze partijen tot een gewenste blijfkans voor internationaal toptalent gaat komen die aansluit op de regiospecifieke vraag. Het verhogen van de blijfkans van internationale studenten vraagt samenwerking tussen diverse actoren. Hogescholen en universiteiten kunnen dit niet alleen, ook werkgevers en andere partijen die een rol hebben bij (regionale) arbeidsmarktvraagstukken hebben hierin een rol. In de zelfregieafspraken van universiteiten en hogescholen zijn maatregelen opgenomen om de blijfkans te verhogen en afspraken dat de instellingen het initiatief nemen om hier gezamenlijk met andere partijen aan te werken. Concrete voorbeelden hiervan zijn het opstarten en voortzetten van regionale werkgroepen, de begeleiding vanuit career centers van diverse instellingen en het gezamenlijk uitwerken van een plan van aanpak voor het breder aanbieden van taallessen voor internationale studenten. Er wordt momenteel met de universiteiten en hogescholen gesproken over de besteding van de voor de Talentstrategie gereserveerde middelen. De blijfkans van internationale studenten maakt onderdeel uit van deze gesprekken. De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet regionale samenwerking tussen bedrijfsleven, mbo, hbo, wo en overheid wil stimuleren en belemmeringen bij deze samenwerking wil wegnemen. Deze leden steunen deze inzet en vragen het kabinet toe te lichten hoe zij concreet de samenwerking binnen de triple helix gaat verbeteren. Samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven (triple helix) is essentieel om maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en de economie te versterken. Samenwerking vindt plaats in regionale, nationale en Europese ecosystemen. De vertaling van nieuwe kennis naar concrete toepassingen is een gezamenlijke opgave. Het kabinet investeert op verschillende manieren in regionale (publiek-private) samenwerking en innovatie. Zo is de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat opgericht om investeringen aan te jagen, belemmeringen weg te nemen en kansrijke interventies en samenwerkingen te stimuleren in bestaande en nieuwe ecosystemen. Dit gebeurt nadrukkelijk samen met bedrijven, kennisinstellingen, publieke organisaties, medeoverheden en financiers[voetnoot 63]. Ook praktijkgericht onderzoek aan hogescholen draagt bij aan regionale samenwerking. Om deze samenwerking te versterken, de aansluiting tussen onderwijs en de regionale arbeidsmarkt te verbeteren, en regionale sterktes maximaal te benutten investeert het kabinet € 68 miljoen structureel in praktijkgericht onderzoek (€ 46 miljoen via de bekostiging van hogescholen en € 22 miljoen via het regieorgaan SIA). Via praktijkgericht onderzoek werken hogescholen intensief samen met bedrijven en maatschappelijke partners, in thematische en regionale clusters. Ook investeert het kabinet structureel in de regionale innovatie via het mbo. Zo investeren we € 17 miljoen structureel om de opgebouwde basis van practoraten en praktijkonderzoek in het mbo voort te zetten en uit te bouwen. Een belangrijke belemmering in de samenwerking tussen kennisinstellingen en het bedrijfsleven (met name startups) is de overdracht van intellectueel eigendom. OCW, EZK en de kennisinstellingen werken aan het standaardiseren en versnellen van de overdracht van intellectueel eigendom. Om het starten van bedrijven door onderzoekers te vergemakkelijken, onderzoeken we of een commissie kan bemiddelen bij conflicten bij onderhandelingen over intellectueel eigendom tussen kennisinstellingen en startups. Daarover wordt uw Kamer later dit jaar nader geïnformeerd. Voor top wetenschappelijk onderzoek is het, volgens de leden van de CDA-fractie, van belang dat de Nederlandse onderzoeksinstellingen de infrastructuur en faciliteiten hebben om innovaties na te jagen. Dat het kabinet gaat investeren in excellente en impactvolle onderzoeksinfrastructuren voor Nederland is, volgens deze leden, dan ook positief. Volgens deze leden liggen er kansen voor een verhoogd rendement van deze investeringen als deze met de ministeries van Defensie en Economische Zaken worden uitgewerkt en er waar opportuun er aansluiting wordt gezocht bij met het bedrijfsleven via, bijvoorbeeld, de nationale technologiestrategie. Deze leden vragen het kabinet hierop te reflecteren. Onderzoeksinfrastructuur is een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling en toepassing van kennis voor Nederland. Het is hierbij belangrijk te investeren in de verschillende typen en soorten infrastructuur aansluitend op de volledige kennisketen. Denk aan infrastructuur voor fundamenteel of toegepast onderzoek, digitaal, gedistribueerd, mobiel, etc. Het kabinet investeert in onderzoeksinfrastructuur voor zowel wetenschappelijk en beleidsondersteunend onderzoek als het ontwikkelen en testen van innovatieve technologieën (o.b.v. de Nationale Technologiestrategie), producten en diensten. De ministeries OCW en EZK stemmen via de instrumenten Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur (GWI) en Faciliteiten Toegepast Onderzoek (FTO) af en werken nauw samen met stakeholders en andere departementen, waaronder Defensie. Ook is er samenwerking tussen de commissies van GWI en FTO. Het Nederlandse systeem op het vlak van onderzoeksinfrastructuur is zo ingericht dat het synergie en samenwerking bevordert tussen de academische wereld, onderzoeksinstellingen, overheid, bedrijfsleven (waaronder mkb) en andere publieke en private partijen en hierdoor bijdraagt aan innovatieve ecosystemen en een gunstig vestigingsklimaat. In kader van de Taakopdracht Economische Beleidsanalyse defensie-industrie onderzoeken de departementen gezamenlijk onder leiding van onze ambtsgenoten van Defensie onder andere hoe onderzoeksinfrastructuur een bijdrage kan leveren aan militair relevante kennisontwikkeling en innovatie. Defensie onderhoudt nauw contact met EZK en OCW over dit onderwerp en streeft synergie in beleid tussen de verschillende departementen na. Zoals aangegeven in onze brief aan uw Kamer over de nadere uitwerking van de investeringen in onderzoek en wetenschap investeren we structureel extra in onderzoeksinfrastructuur, waaronder voor digitale infrastructuur voor onderzoek, lidmaatschappen van internationale onderzoeksinfrastructuur en de Einstein Telescope, conform regeerakkoord. Hiermee zetten wij het ET-locatievoorstel verder kracht bij. Ook is er vanaf 2032 structureel € 30 miljoen gereserveerd voor toegepaste onderzoeksinfrastructuur, waarover onze collega van EZK de verantwoordelijkheid draagt en uw Kamer later zal informeren. Inbreng van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie horen graag wat de visie is van het kabinet op de discussie omtrent diversiteitseisen of criteria in de kunstensector. Voor de bis-periode 2025-2028 heeft toenmalig staatsecretaris Uslu ervoor gekozen om culturele organisaties die subsidie aanvroegen de Code Diversiteit & Inclusie, de Governance Code Cultuur en de Fair Practice Code, die door de sector zijn opgesteld, te laten onderschrijven en uit te laten leggen hoe zij deze toepassen. Daarbij is gemeld dat het aan instellingen zelf is om te bepalen welke doelstellingen zij hebben om de code (al dan niet verder) te implementeren en hoe zij die doelstellingen willen bereiken. Dit past bij de gedachte dat de overheid niet stuurt op artistieke inhoud, maar wel randvoorwaarden stelt met betrekking tot good governance, fair practice en toegankelijkheid. Organisaties zijn vrij in de keuzes die zij maken in het vertalen naar een eigen artistieke visie, doelen en bijpassende acties, vanuit de artistieke vrijheid die instellingen en kunstenaars toekomt. De leden van de JA21-fractie vragen wat een aanmeldplicht voor kinderen vanaf vier jaar betekent en hoe dit zich verhoudt tot de leerplicht? Op welke manieren, leeftijden en momenten worden basisvaardigheden getoetst, gemeten, gemonitord en gerapporteerd, zowel op nationaal niveau als in internationale vergelijkingen? In het najaar van 2026 ontvangt uw Kamer een brief over de samenhang tussen kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie en de basisschool. In de brief zal zij ook ingaan op een aantal maatregelen betreffende voor- en vroegschoolse educatie. De voorgenomen uitwerking van de aanmeldplicht wordt hierin meegenomen. De leden van de JA21-fractie steunen het idee voor een staatscommissie en is benieuwd naar de precieze opdrachtformulering. In de beleidsbrief staat dat de commissie zich zal buigen over de vraag ‘wat er voor de lange termijn nodig is om te zorgen dat kinderen zich op 18-jarige leeftijd en daarna kunnen redden in de maatschappij, het vervolgonderwijs en de arbeidsmarkt. Dat kan gaan over (onderdelen van) ons onderwijsstelsel, maar ook gericht zijn op de raakvlakken met andere sectoren, zoals kinderopvang.’ In het coalitieakkoord stond nog dat de commissie ‘de crisis in de leerprestaties van onze leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen onderzoekt en aanbevelingen doet voor lange termijnoplossingen.’ De leden van de JA21-fractie hopen hoe dan ook dat deze kans wordt benut om meer lijn te brengen in de stapeling en de versnippering van het beleid. Wat deze leden betreft gaat de staatscommissie fundamentele vragen niet uit de weg. Want veel problemen in het Nederlandse onderwijs – zoals het dalende niveau in basisvaardigheden of het hoge aantal thuiszitters – hebben te maken met van onrust in de klas, en het feit dat er geen overeenstemming bestaat over de vraag wat goed onderwijs is, zoals ook Andreas Schleicher, de PISA-baas van de OESO, concludeerde. Hoe zien de bewindspersonen dit? In lijn met wat de fractie van JA21 schetst, zien we dat de oorzaken voor de problemen met de onderwijsprestaties niet alleen vanuit de scholen zelf komen. En dat geldt ook voor de oplossingen. De rol van ouders, de samenwerking tussen verschillende partijen in het jeugddomein en de invloed van maatschappelijke tendensen op het pedagogisch klimaat op school moeten allemaal meegenomen worden in de analyse over hoe kinderen zich ontwikkelen op het gebied van taal en rekenen. De staatscommissie zal dan ook zeker een brede en integrale opdracht krijgen waarin ook fundamentele vragen geagendeerd worden. Dit najaar informeert het kabinet de Tweede Kamer over de kaders voor deze opdracht. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de staatssecretaris beoordeelt dat Nederland nagenoeg het laagst op ‘discipline’ scoort van de 38 aangesloten landen bij het PISA-onderzoek. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de discipline op Nederlandse scholen te verbeteren? Het houden van orde of klassenmanagement is een belangrijke en complexe vaardigheid die je niet van de ene op de andere dag onder de knie hebt. Dit is onderdeel van de lerarenopleiding. Werkgevers zijn verantwoordelijk voor het begeleiden van startende leraren en hierbij is ook volop aandacht voor klassenmanagement. Dat kan ook onderdeel zijn van bij- en nascholing, waarover werknemers afspraken kunnen maken met hun leidinggevende. De werkgevers worden hierbij, onder andere via samenwerking en het uitwisselen van kennis en ervaringen tussen onderwijsregio’s, gestimuleerd. De begeleiding van startende leraren is een belangrijk speerpunt bij de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren. Juist omdat we weten dat een goed klassenklimaat een belangrijke, zo niet de belangrijkste randvoorwaarde is voor leren. Recentelijk is door het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs de leidraad Klassenmanagement in het voortgezet onderwijs uitgebracht. Op basis van onderzoek biedt deze leidraad vo-scholen en leraren concrete en praktische aanbevelingen om een productieve leeromgeving te creëren. De leden van de JA21-fractie vragen of en hoe het kabinet meerwaarde ziet in Expliciete Directe Instructie (EDI). In de brief over de lerarenstrategie die voor de zomer naar de Kamer is verzonden, gaan we nader in op de stappen die nu al gezet worden in de richting van één fundament voor de lerarenopleidingen.[voetnoot 64] Een van deze stappen is dat lerarenopleidingen in de nieuwe kennisbases meer aandacht besteden aan de basisvaardigheden en tegelijkertijd de belangrijkste vaardigheden die nodig zijn voor het beroep borgen. Dit gaat bijvoorbeeld over belangrijke didactische principes, zoals directe instructie. Ze geven hiermee invulling aan de wens die uw Kamer dit voorjaar in een motie heeft verwoord. De leden van de JA21-fractie vragen of de staatssecretaris het ermee eens is dat het en misverstand is dat scholen zich moeten richten op de unieke leerbehoeften van kinderen. Kan de staatssecretaris aangeven wat zij beschouwt als de huidige staat van de wetenschap over wat de beste manieren zijn voor kinderen om te leren? Goed presterende scholen hebben verschillende kenmerken met elkaar gemeen. Zij laten onder meer het belang zien van een professionele, lerende schoolcultuur en onderwijskundig leiderschap. Tegelijkertijd bestaat er geen aanpak die in iedere situatie hetzelfde effect heeft. De uitspraak ‘alles werkt ergens, niets werkt overal’ onderstreept dat naast wetenschappelijke kennis ook de professionele expertise van leraren en de schoolcontext ertoe doen. De wetenschap biedt duidelijke inzichten in effectieve principes, zoals doelgerichte instructie, herhaling en goede feedback. De toepassing daarvan vraagt om professioneel handelen en reflectie: ook een goed onderbouwde aanpak kan door een onjuiste toepassing minder effectief of zelfs contraproductief zijn. Scholen worden daarom gestimuleerd om evidence-informed te werken: het gebruik van actuele en relevante kennis uit onderzoek en de onderwijspraktijk, rekening houdend met de omstandigheden van de school. Het NKO ontsluit deze kennis via onderwijskennis.nl. Ook het Masterplan Basisvaardigheden draagt hieraan bij door scholen te ondersteunen bij het verbeteren van de basisvaardigheden op basis van kennis uit onderzoek en de praktijk. Daarnaast ondersteunt het Nationaal Groeifondsprogramma Ontwikkelkracht scholen bij het toepassen en verder ontwikkelen van evidence-informed werken binnen de school. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de staatssecretaris denkt over een fact finding mission van ambtenaren van het ministerie van OCW naar Zweden of van de staatscommissie, onder verwijzing naar een mogelijk inspirerend voorbeeld waarbij Zweden de laptops en telefoons nu juist in de ban heeft gedaan op school. In het regieplan digitalisering funderend onderwijs wordt bekeken hoe en wanneer digitalisering en digitale middelen het onderwijs kunnen versterken en wanneer dat juist niet wenselijk is, omdat bijvoorbeeld devices een onnodige afleiding veroorzaken in de les. Om de onderwijsprestaties te verbeteren wordt bijvoorbeeld de afspraakvoor mobiele telefoons op school aangescherpt tot een richtlijn.[voetnoot 65] In het regieplan zal ook worden ingegaan op de extra mogelijkheden om negatieve digitale invloeden in de les te beperken.Daarbij worden ook ervaringen en initiatieven uit andere landen meegenomen, zoals Zweden. Het regieplan ontvangt uw Kamer in het najaar van 2026. De leden van de JA21-fractie vragen of de staatssecretaris het er mee eens is dat door de lumpsumsystematiek inmiddels een aanzienlijk deel van de middelen naar managementactiviteiten gaat. Op 2 juli 2026 heeft uw Kamer de brief Verbeteringen in de bekostiging van het funderend onderwijs ontvangen over de noodzaak en maatregelen om te komen tot meer transparantie in de bekostiging.[voetnoot 66] Dit is nodig om ervoor te zorgen dat er binnen de schoolorganisatie beter zicht komt op de besteding van de bekostiging en hierover een beter gesprek gevoerd kan worden. Daarom werken we samen met veldpartijen (vertegenwoordigers van schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen) aan concrete maatregelen om de beoogde transparantie te bereiken over de middelen die naar het primaire proces en overhead gaan. Hierbij merken we wel op dat volgens het onderzoek dat Infinite in opdracht van uw Kamer heeft uitgevoerd de overhead in het funderend onderwijs niet onredelijk hoog lijkt. Transparantie over de besteding van de bekostiging is wenselijk. Transparantie draagt bij aan realistische beelden over waar het geld aan besteed wordt en ondersteunt ook het goede gesprek op school, in de politiek en in de samenleving met betrekking tot de goede besteding aan het onderwijs zelf. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de staatssecretaris kijkt naar het feit dat er veel geld wordt uitgegeven aan hoger ingeschaald, beleidsmatig en pedagogisch ondersteunend personeel (leraren die niet meer of weinig voor de klas staan). Hoe ziet de staatssecretaris dit? Welke voorwaarden zullen bij de structurele financiering van het Masterplan basisvaardigheden worden gesteld? Onder de noemer ‘onderwijsondersteunend personeel’ zijn veel verschillende professionals direct of indirect betrokken bij het onderwijs. Zoals ook in het antwoord op vraag 8 aangegeven, wil het kabinet daarbij beleid voeren op de effectieve inzet van onderwijsondersteunend personeel dat direct bij het onderwijs in de klas en dus het leerproces van leerlingen betrokken is (D-OOP), zoals klassenassistenten, leraarondersteuners en technisch onderwijsassistenten. D-OOP’ers ondersteunen de leraar in de klas en hebben doorgaans een mbo-3, mbo-4 of Ad-opleiding. De subsidie basisvaardigheden voor scholen wordt per 2027 omgezet in structurele bekostiging. Zo kunnen alle scholen in het funderend onderwijs duurzame plannen maken. De structurele bekostiging voor basisvaardigheden komt in 2027 als aanvullende bekostiging naar de scholen. Vanaf 2028 is de gerichte bekostiging van toepassing, waarbij het mogelijk is om tijdelijk verplichtingen te stellen aan structurele bekostiging om te zorgen dat deze middelen effectief worden besteed aan het verbeteren van de basisvaardigheden. Het wetsvoorstel om gerichte bekostiging toe te kunnen passen is op 1 juli jongstleden aan uw Kamer aangeboden.[voetnoot 67] In de Kamerbrief Verbeteringen in de bekostiging van het funderend onderwijs staat dat het twee verplichtingen betreft.[voetnoot 68] Zo is een ontwikkelplan vereist voor de verbetering van basisvaardigheden op basis van een evidence-informed werkproces. Dit houdt in dat scholen gebruikmaken van actuele en relevante kennis uit onderzoek en de praktijk bij het bepalen van hun aanpak om het onderwijs te verbeteren en daarbij goed te kijken naar de omstandigheden van de school. Daarnaast moet dit plan, volgens een vast format, voor advies worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad. Er wordt gecontroleerd op deze verplichtingen. Indien een school niet voldoet aan de verplichtingen, dan heeft dat gevolgen voor de bekostiging die de school krijgt. De leden van de JA21-fractie zijn ook erg benieuwd naar het wetsvoorstel voor gerichte bekostiging, dat normen voor overhead en onderwijspersoneel belooft omdat niet altijd goed zichtbaar is, zoals Infinite concludeerde, hoe de bekostiging in het funderend onderwijs wordt ingezet. Deze leden zijn ook nieuwsgierig naar de voortgang van het wetsvoorstel dat hiermee samenhangt, het wetsvoorstel dat de inspraak van leraren en schoolleiders moet versterken zodat zij in staat zijn om waar nodig tegengas te geven aan de schoolbesturen. Het wetsvoorstel voor gerichte bekostiging is recent ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel regelt de mogelijkheid om tijdelijke verplichtingen te kunnen verbinden aan (structurele) bekostiging. Over het traject om te komen tot meer transparantie in de bekostiging, bijvoorbeeld op het gebied van overhead, bent u geïnformeerd in de brief Verbeteringen in de bekostiging van het funderend onderwijs.[voetnoot 69] Om maximaal effect te hebben op de kwaliteit van het onderwijs, richten wij ons naast de duurzame professionalisering van leraren en schoolleiders ook op het versterken van de stem die leraren en schoolleiders hebben bij beslissingen die het lesgeven wezenlijk beïnvloeden[voetnoot 70] en dragen wij zorg dat zij op landelijk niveau zelf verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van het beroep. Momenteel zijn wij in gesprek met leraren, schoolleiders, de bonden en beroepsorganisaties, raden en andere belanghebbenden over hoe deze omslag vorm te geven. De leden van de JA21-fractie vragen of de kosten voor zij-instroom niet erg hoog zijn gezien de geschatte opbrengsten van de maatregel. Zij-instromers in beroep hebben een aanstelling als leraar. Het doel van de investering is drieledig: 1) Verhoging van het aantal zij-instromers, waarbij wordt uitgegaan van een groeipotentieel van 15%. Door de verhoging van het subsidiebedrag is het de verwachting dat het voor schoolbesturen aantrekkelijker wordt om meer zij-instromers in dienst te nemen. 2) Intensivering van de begeleiding: verwachting van schoolbesturen om zij-instromers eerst een korte periode bovenformatief aan te stellen in de vorm van een dubbele bezetting en de begeleiding van zij-instromers te optimaliseren. De dubbele bezetting zorgt voor verlaging van de werkdruk aan het begin van het zij-instroom traject, waardoor de tevredenheid over begeleiding toeneemt en het risico op uitval wordt verminderd. En 3) Verhoging aantrekkelijkheid voor zij-instromers om over te stappen naar het onderwijs en hen te behouden, door hen betaald studieverlof te geven. Het is belangrijk dat zij-instromers tijd en ruimte krijgen om het scholingstraject te doorlopen. Zij-instromers die geen betaald studieverlof krijgen, gaan er in salaris vaak op achteruit. Dit is nu een hoge drempel voor potentiële zij-instromers om over te stappen naar het onderwijs. De leden van de JA21-fractie vragen over de middelen voor professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau. De bewindspersonen schrijven “we investeren €346 miljoen in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau” maar later dat dit bedrag voor 2027 is teruggebracht tot €46 miljoen. Waarom is specifiek gekozen voor professionalisering op teamniveau en wat betekent dit voor het type activiteiten dat daarmee wordt gefinancierd? Hoe en waaraan wordt dat geld uitgegeven? Dit bedrag is bedoeld voor de professionalisering van onderwijspersoneel. Maar wat zijn de plannen voor de tekortschietende lerarenopleidingen die deze investeringen noodzakelijk maken? Op welke manier willen de bewindspersonen werken aan verbetering van de opleidingen? Uit het onderzoek Inventarisatie curricula voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs (2025) van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat de pabo’s te weinig leerkrachten afleveren die in staat zijn om de trend van de dalende lees- en rekenprestaties te keren. Graag ontvangen deze leden een reactie. De beleidsreactie op dit onderzoek vindt u in de bijlage bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025.[voetnoot 71] Onderzoekers concluderen “dat leraren aan het eind van hun opleiding uiteenlopende kennis en vaardigheden meekrijgen en dat de meeste routes de bekwaamheidseisen niet volledig hebben verwerkt in de leerdoelen van hun onderwijseenheden.”[voetnoot 72] De onderzoekers doen geen uitspraken over de effectiviteit of kwaliteit van de curricula. De kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs is geborgd in het accreditatiestelsel en uit de accreditatie van lerarenopleidingen blijkt dat de algehele kwaliteit op orde is. Samen met de lerarenopleidingen willen we de opleidingen aantrekkelijker maken, de instroom verhogen en de inzetbaarheid van leraren vergroten. We versterken de opleidingen door één stevig, landelijk fundament te creëren voor de kwaliteit van startende leraren. In dit fundament leggen we meer focus op de kern van het beroep en de basisvaardigheden, in het bijzonder op taal (lezen, schrijven). De aanstaande nieuwe meer richtinggevende kennisbases en de herziene bekwaamheidseisen vormen hierin de eerste stappen. We werken de ambities in het regeerakkoord rond het fundament en toetsing de komende maanden verder uit en informeren uw Kamer hierover in de voortgangsbrief over de lerarenstrategie van december 2026. De basis van het beroep wordt gelegd in de opleiding, maar het is een complex beroep. Daarom is het belangrijk dat leraren zich daarna verder blijven ontwikkelen. Het kabinet kiest bewust voor investeringen in professionalisering op teamniveau, omdat de kwaliteit van het onderwijs steeds meer een collectieve verantwoordelijkheid is. Veel vraagstukken, zoals een stevige pedagogische schoolcultuur, gedrag, digitalisering en het versterken van basisvaardigheden, vragen om een gezamenlijke aanpak van leraren, schoolleiders en andere onderwijsprofessionals. De middelen zijn daarom bedoeld om scholen tijd en ruimte te bieden voor teamleren, bijvoorbeeld via gezamenlijke lesontwikkeling, intervisie, professionele leergemeenschappen en scholing op schoolbrede thema's. De precieze uitwerking wordt samen met de sector vormgegeven, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande kennis en goede praktijkvoorbeelden. De investering in professionalisering staat los van de inzet op het versterken van de initiële lerarenopleidingen. De leden van de JA21-fractie verwijzen naar enkele resultaten van het onderzoek naar de curricula van voltijdroutes die opleiden tot leraar basisonderwijs dat in opdracht van de Inspectie van het Onderwijs is uitgevoerd.[voetnoot 73] Zij vragen het kabinet hoe zij de verhouding van ‘overige’ bekwaamheden, zoals visievorming, zelfreflectie en het ontwikkelen van een onderzoekende houding, t.o.v. de bekwaamheidseisen beoordeelt en of het kabinet bereid is daarover in gesprek te gaan en de resultaten daarvan terug te koppelen. De onderzoekers hebben op basis van documentatie onderzocht op welke bekwaamheden leerdoelen van een onderwijseenheid gericht zijn. Ze hebben niet onderzocht welke tijd daadwerkelijk besteed wordt aan specifieke bekwaamheden. De onderzochte onderwijseenheden richten zich veelal op meerdere bekwaamheden. Het onderzoek geeft wel globaal inzicht in de onderlinge verhoudingen tussen de leerdoelen waarin aandacht besteed wordt aan bekwaamheden. Wij vinden dat de genoemde bekwaamheden passen bij professionals die worden opgeleid op bachelor niveau en van belang zijn voor de uitoefening van het beroep van leraar. Dat blijkt ook uit het recente advies van vertegenwoordigers van de beroepsgroep voor de herijking van de wettelijke bekwaamheidseisen. Het is de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen om de wettelijke bekwaamheidseisen in de curricula tot uitdrukking te laten komen. Tijdens de accreditatie wordt dit ook beoordeeld. Daarbij wordt zowel gekeken naar de beoogde als de gerealiseerde leerresultaten. We zien op basis van de aangehaalde resultaten uit het onderzoek en de hiervoor geschetste werkwijze geen aanleiding om hierover nader in gesprek te gaan. De leden van de JA21-fractie vrezen dat een wettelijk verplichte stagevergoeding zal leiden tot minder stageplaatsen. Natuurlijk vinden deze leden wel dat een stagevergoeding de norm moet zijn en willen zij afspraken met werkgevers hierover aanmoedigen. Het is hierbij overigens van belang om te weten in welke sectoren werkgevers geen stagevergoeding geven. De indruk bestaat dat dit vaak kleine werkgevers zijn en werkgevers die niet opleiden voor functies waar een grote vraag naar is. In tekortsectoren zou geen probleem zijn. Kan de minister hierop ingaan? Deelt de minister de opvatting dat het de moeite waard is om dit te onderzoeken? In de Kamerbrief van 3 juli beschrijven wij het voornemen om het recht op stagevergoeding wettelijk te verankeren en daarbij oog te hebben voor mogelijke effecten op het aanbod van stageplekken.[voetnoot 74] Uit eerder onderzoek blijkt dat vooraf niet goed is in te schatten wat het effect gaat zijn, maar dat het risico op afname van stageplekken in het bijzonder geldt voor bepaalde sectoren, bij kleine bedrijven en voor mbo-studenten van de entree-opleiding en mbo-2.[voetnoot 75] We vinden het belangrijk dat studenten in alle sectoren financiële waardering ervaren. Op basis van cijfers van het CBS is bekend dat er grote verschillen zijn tussen sectoren wat betreft het aandeel studenten dat momenteel al een stagevergoeding ontvangt.[voetnoot 76] Zo is bekend dat stagevergoedingen relatief vaker worden geboden in de sector techniek en zorg. Daarnaast is het goed om te beseffen dat de verschillen binnen sectoren ook groot kunnen zijn. Het CPB concludeerde eerder dat de beschikbaarheid en hoogte van de stagevergoeding mede afhangt van de financiële draagkracht en relatieve arbeidsmarktkrapte van sectoren.[voetnoot 77] We kiezen er daarom voor om geen minimumbedrag op te nemen in de wet maar te kiezen voor een recht op stagevergoeding. Zo kunnen bedrijfssectoren differentiëren in de wijze waarop ze stagiairs financieel waarderen en stoppen ze niet met het aanbieden van stageplekken. Er zijn al veel gegevens bekend over stagevergoedingen in verschillende sectoren. Om die reden acht dit kabinet het niet nodig om vooraf extra onderzoek te doen. Zoals beschreven in de Kamerbrief zijn wij voornemens om de voortgang van het aantal cao-afspraken over stagevergoedingen en de impact van het wetsvoorstel op het aantal stageplekken goed te monitoren. Het afschaffen van het landelijk examen Nederlands in het mbo zoals is voorgesteld door de Expertgroep Nieuwe taaleisen in het MBO is geen goed idee, volgens de leden van de JA21- fractie. Er is een groot risico dat tegenvallende resultaten straks minder zichtbaar zijn. Hoe denkt de minister hierover? In de Kamerbrief van 19 mei 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer laten weten het expertadvies voor een instellingsexamen op passendheid, haalbaarheid en waarborging van examenkwaliteit te laten toetsen.[voetnoot 78] In deze toets die samen met CvTE en Cito is uitgevoerd, is ook het kunnen monitoren van de studentprestaties als randvoorwaarde meegenomen. Zoals op uw (inmiddels ingetrokken) motie ‘Handhaven van een landelijk examen Nederlands’ tijdens het 2-minutendebat Mbo en studiefinanciering van 23 juni is aangegeven, lijkt, op basis van deze toets, een centraal examensysteem gericht op mbo-praktijksituaties het meest passend bij het mbo. Mede omdat hiermee de kwaliteit van het examen en daarmee de waarde van het mbo-diploma binnen een centraal examensysteem geborgd blijft. In het derde kwartaal zal uw Kamer hierover nader worden geïnformeerd. In de herziening van de systematiek voor de bekostiging van het mbo is het de leden van de JA21-fractie opgevallen dat er hier geen aandacht is voor mogelijke negatieve effecten van de lumpsumsystematiek. Dat is een gemiste kans, omdat we weten dat de lumpsum in het mbo de instellingen stimuleert om vooral te sturen op studentenaantallen (het ‘binnenhalen’ van zoveel mogelijk studenten) en diplomaproductie. Onderwijskwaliteit, vakmanschap en maatschappelijke behoeften kunnen hierbij ondersneeuwen. Hoe denkt de minister over het idee om overeenkomstig het uitgangspunt van gerichte bekostiging ook de middelen in het mbo voor het primaire proces en voldoende inzet van bevoegde docenten te oormerken? Het kabinet is van mening dat lumpsumbekostiging met decentrale bestedingsvrijheid zorgt voor doelmatigheid, lagere administratieve lasten, professionele autonomie, ruimte voor maatwerk en betere integrale besluitvorming. Het oormerken van budgetten voor specifieke opgaven kan al in de mbo-bekostiging, via de middelen voor de kwaliteitsafspraken. Met de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2024-2027 worden bekostigde mbo-instellingen verplicht om extra investeringen te doen aan de hand van een eigen Kwaliteitsagenda, gekoppeld aan doelstellingen uit de landelijke Werkagenda mbo. Het doel is om met extra financiële middelen de onderwijskwaliteit, de kansengelijkheid en de aansluiting op de arbeidsmarkt direct te verbeteren. Met de herziening van de mbo-bekostiging blijft het mogelijk om middelen te oormerken voor specifieke beleidsdoelen. Op basis van de ervaringen met de kwaliteitsafspraken wordt de systematiek op onderdelen wel gewijzigd. Vanaf 2029 worden de integrale kwaliteitsagenda’s per mbo-instelling vervangen door opgavegerichte middelen voor een beperkt aantal urgente doelen. Daarmee wordt gekozen voor focus en heldere doelen. Voor de periode vanaf 2029 kiest het kabinet voor twee opgaven. Een bedrag van €200 miljoen wordt ingezet voor het opleiden voor de cruciale opgaven voor onze toekomstige welvaart, in lijn met de Talentstrategie. Daarnaast blijft een bedrag van € 142 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van het carrièreperspectief van onderwijspersoneel. Er wordt daarmee ingezet op het behoud van onderwijspersoneel en hun verdere ontwikkeling, bijvoorbeeld door professionalisering van docenten en het transparanter maken van het doorstroombeleid. De middelen voor carrièreperspectief zijn dus al geoormerkt en komen daarmee ten goede aan de docenten voor de klas. Ondertussen moeten de instellingen wel in staat zijn om mee te bewegen met de arbeidsmarkt. Wanneer de praktijk verandert, moet het aanpassen van de kwalificatiedossiers, de curricula die SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) vaststelt en implementeert in de opleidingen, flexibeler en sneller kunnen. De Brainportregio bijvoorbeeld heeft dringend goed opgeleide vakmensen nodig, maar de huidige, starre systematiek van de SBB, dat ook de stages accrediteert, blijkt vaak een sta-in-de-weg. Is de minister het met de leden van de JA21-fractie eens dat de werkwijze van de SBB moet worden aangepast? Beroepsonderwijs en bedrijfsleven beslissen samen, binnen de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) wat de kwalificatie-eisen van een mbo-opleiding zijn. Twee keer per jaar worden nieuwe of gewijzigde kwalificaties en kwalificatiedossiers vastgesteld en vier keer per jaar worden nieuwe of gewijzigde keuzedelen en certificaten vastgesteld. Hierdoor wordt er snel ingespeeld op behoeften op de arbeidsmarkt. SBB is continu bezig om dit proces te verbeteren, door bijvoorbeeld opleidingen te harmoniseren en breed op te leiden waar mogelijk. In 2025 is er een evaluatie uitgevoerd naar de wettelijke taken van SBB. Hierin staan ook enkele aanbevelingen over de kwalificatiestructuur. We zijn met SBB in gesprek over deze aanbevelingen en de toekomst van de kwalificatiestructuur. Op basis van de kwalificaties maken scholen het onderwijsprogramma en ze hebben de ruimte om deze voortdurend aan te passen en te laten aansluiten op de beroepspraktijk. Hiervoor hoeft de kwalificatie vaak niet aangepast te worden. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de vaste voet voor bekostiging van de verschillende instellingstypes de afgelopen jaren heeft gefluctueerd. De vaste voet in de bekostiging van universiteiten bestaat uit een vaste voet onderwijs en een vaste voet onderzoek. In tabel 1 en 2 zijn deze bedragen per universiteit weergegeven. De bedragen nemen toe vanwege indexatie voor loon- en prijsontwikkeling (LPO). De vaste voet onderwijs neemt sinds 2025 voor alle universiteiten fors toe omdat de kwaliteitsmiddelen vanaf dat moment structureel zijn toegevoegd aan de vaste voet[voetnoot 79]. De gemiddelde vaste voet in het wo is daardoor toegenomen van ca. 55% naar ca. 60%. In tabel 3 zijn de bedragen van de vaste voet onderwijs in de bekostiging van hogescholen weergegeven. Deze bedragen nemen eveneens ieder jaar toe vanwege LPO. Daarnaast zijn ook bij de hogescholen vanaf 2025 de kwaliteitsmiddelen structureel toegevoegd aan de vaste voet. Sinds 2026 zijn ook de middelen voor praktijkgericht onderzoek, mede naar aanleiding van de motie Stultiens/Hertzberger[voetnoot 80], toegevoegd aan de vaste voet en worden deze niet meer jaarlijks opnieuw verdeeld op basis van studentenaantallen. Deze bedragen zijn weergegeven in tabel 4. De gemiddelde vaste voet in het hbo is daardoor toegenomen van ca. 20% naar ca. 35%. Tabel 1: vaste voet onderwijs – universiteiten (in mln. €) Tabel 2: vaste voet onderzoek – universiteiten (in mln. €) Tabel 3: vaste voet onderwijs – hogescholen (in mln. €) Tabel 4: vaste voet praktijkgericht onderzoek – hogescholen (in mln. €) De leden van de JA21-fractie vragen naar de visie van de minister op internationalisering van het hoger onderwijs en de toename van het gebruik van Engels, ook binnen bacheloropleidingen. Het kabinet onderschrijft het belang van een evenwichtige benadering van internationalisering in het hoger onderwijs. Internationalisering biedt belangrijke voordelen, waaronder de uitwisseling van kennis, de internationale positie van Nederlandse instellingen en het aantrekken van talent voor sectoren die van groot belang zijn voor de Nederlandse maatschappij en het verdienvermogen. Tegelijkertijd is het van belang oog te houden voor mogelijke nadelige gevolgen, waaronder druk op de toegankelijkheid van het onderwijs en de positie van het Nederlands als onderwijs- en wetenschapstaal. Het kabinet deelt daarom de opvatting dat er aandacht moet blijven voor de positie van het Nederlands in het hbo en wo. Nederlandstalig onderwijs draagt bij aan de toegankelijkheid van het stelsel, door taal geen onnodige drempel te laten vormen voor studenten met minder affiniteit met of kennis van het Engels. Ook ondersteunt Nederlandstalig onderwijs de aansluiting op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit betekent echter niet dat Engelstalig onderwijs op zichzelf onwenselijk is of generiek moet worden teruggedrongen. Dit kabinet kiest ervoor om het huidige anderstalige aanbod in stand te houden, daarom wordt de toets anderstalig onderwijs uit de WIB geschrapt. De inzet voor de toekomst is gericht op een gebalanceerde verhouding tussen Nederlandstalig en anderstalig onderwijs, waarbij het Nederlands een stevige positie behoudt en tegelijkertijd ruimte bestaat voor anderstalig onderwijs waar dit gepaard gaat met positieve effecten. Hogescholen en universiteiten nemen zelf verschillende maatregelen om deze balans te versterken in hun zelfregieplannen. Zo zetten zij in op het Nederlands als bestuurstaal, het bevorderen van de Nederlandse taalvaardigheid van alle studenten en het versterken van de Nederlandse taalvaardigheid van internationale medewerkers.[voetnoot 81] De minister van OCW heeft bestuurlijke afspraken met de instellingen gesloten om deze zelfregie te bekrachtigen en blijft hierover met instellingen in gesprek. De leden van de JA21-fractie vragen of er een overzicht gegeven kan worden van opleidingen die in het Engels worden gegeven en het aantal studenten per opleiding. Een dergelijk volledig overzicht kan op dit moment niet worden gegeven. Er bestaat geen centrale monitor of registratie waarin voor het gehele vervolgonderwijs eenduidig wordt vastgelegd in welke taal opleidingen worden aangeboden en hoeveel studenten aan Engelstalige opleidingen deelnemen. Dit komt onder andere doordat er op dit moment geen centrale wettelijke definitie bestaat van een Nederlandstalige, Engelstalige of anderstalige opleiding. Om hierin helderheid te scheppen, introduceert het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans een dergelijke definitie. Instellingen en sectoren kunnen op dit moment verschillende definities hanteren. Zo hanteert UNL in haar monitoring van de instructietaal op universiteiten een definitie waarbij een opleiding als Nederlandstalig geldt wanneer deze alleen toegankelijk is voor studenten die Nederlands beheersen.[voetnoot 82] Dat betekent dat binnen een als Nederlandstalig geregistreerde opleiding nog steeds een aanzienlijk deel van het onderwijs in het Engels kan worden verzorgd. Daarnaast bestaat in deze monitoring ook de categorie “Nederlands en Engels”, wanneer zowel een Nederlandstalige als een Engelstalige variant van een opleiding bestaat. De koepelverenigingen publiceren geen overzicht per instelling maar alleen een totaaloverzicht van het bachelor-aanbod. Volgens deze eigen definitie is op dit moment 51% van de wo-bacheloropleidingen Nederlandstalig (229 opleidingen), terwijl 31% Engelstalig (139 opleidingen) is en 18% meertalig (66 opleidingen). Volgens de zelfregieplannen van de hogescholen is 80% van de hbo-bacheloropleidingen uitsluitend in het Nederlands beschikbaar, terwijl 8% uitsluitend in het Engels wordt aangeboden en 12% meertalig is.[voetnoot 83] De leden van de JA21-fractie vragen hoe € 154 miljoen, in het kader van de Talentstrategie, wordt besteed. In de Beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat beschreven dat het kabinet € 154 miljoen reserveert voor hbo- en wo-instellingen in het kader van de Talentstrategie en de taakstellende intensivering in het hbo en wo. In de kamerbrief over de Talentstrategie van 10 juli jl. is ook benoemd dat deze financiële middelen worden ingezet ten behoeve van het behalen van de doelen van de Talentstrategie in het hbo en wo. De Talentstrategie is breder dan alleen het gericht werven en behouden van internationale studenten. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent tegelijkertijd dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen zal worden begrensd. Over de precieze invulling spreekt het kabinet met de onderwijsinstellingen. In het najaar wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd. De leden van de JA21-fractie vragen hoe de universiteiten hun zelfgekozen bovengrens van 16.766 buitenlandse studenten - een daling van ruim 11 procent ten opzichte van de maximale instroom in het piekjaar 2022-2023 – zullen kunnen halen. Wat gaat de minister doen wanneer dit niet het geval zal zijn? Er zijn geen afspraken gemaakt over de instroom van masterstudenten. Tot nu toe stijgt de masterinstroom elk jaar. Hoe ziet de minister dit? De minister schrijft dat “ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd.” Hoe gaat het kabinet daarop toezien en in sturen? Met de onderling bindende afspraken in het kader van zelfregie hebben universiteiten zelf besloten maatregelen te nemen om de internationalisering in het hoger onderwijs meer in balans te brengen. Een deel van deze afspraken is gericht op het beheersen van de internationale bachelorinstroom, waarbij rekening gehouden is met krimpregio’s, grensregio’s en tekortsectoren. De procentuele daling zal bij sommige universiteiten en disciplines hoger liggen, wat ruimte creëert voor behoud van internationale instroom in krimpregio’s, grensregio's en voor strategische groei in de tekortsectoren. Instellingen kunnen strategische keuzes maken in welke opleidingen ze Nederlandstalig, anderstalig of tweetalig (in twee trajecten) aanbieden. Ook kunnen instellingen, met het oog op de verdeling van de beperkte onderwijscapaciteit, een numerus fixus instellen. In de bachelor kan daarbij gedifferentieerd worden naar (taal)traject. In het coalitieakkoord is bovendien afgesproken om de fixusinstrumenten uit het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans door te zetten, waaronder in elk geval de fixus voor niet-EER-studenten en de mogelijkheid (ook) in de master een fixus op een (anderstalig) traject in te stellen. Daarnaast hebben de instellingen onderling afspraken gemaakt over gerichte internationale werving, die van invloed is op de instroom van internationale studenten. Inmiddels zijn de zelfregieafspraken ook bekrachtigd in bestuurlijke afspraken met de minister van OCW. Onderdeel van deze bestuurlijke afspraken is dat er jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de minister van OCW en de vertegenwoordigers van de instellingen zal plaatsvinden over ontwikkelingen op het gebied van internationalisering. De effecten van het ingezette beleid zullen hierin ook besproken worden, evenals nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij en veranderende omstandigheden. Indien zou blijken dat het aantal buitenlandse studenten hoger is dan door instellingen is afgesproken in de zelfregieafspraken, zal dit onderwerp van gesprek zijn tussen zowel de instellingen onderling als de instellingen en de minister van OCW. Deze gesprekken kunnen voor de onderwijsinstellingen aanleiding zijn om, vanuit hun gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid, de onderling bindende zelfregieafspraken te herijken. De eerste gespreksronde is voorzien in het voorjaar van 2027, waarbij de context van de Talentstrategie expliciet onderwerp van gesprek is. De capaciteitsbeperkingen uit de zelfregieplannen van universiteiten zijn inderdaad gericht op het beperken van de anderstalige onderwijsplaatsen in de bachelorfase en niet in de masterfase. Dit sloot aan op de toets anderstalig onderwijs uit het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans, die ook niet voor de masteropleidingen zou gaan gelden. Ook hebben instellingen op dit moment minder sturingsinstrumenten voor de masterfase tot hun beschikking. Zo geldt de huidige wettelijke grondslag om enkel een numerus fixus in te stellen op een anderstalig traject nu alleen nog voor bacheloropleidingen, waardoor bij het toepassen van een fixus deze zowel voor de Nederlandse als de Engelse track zou gelden en daardoor de gehele masteropleiding minder toegankelijk wordt. Met het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans wordt deze wettelijke grondslag uitgebreid naar de masterfase. Het klopt overigens niet dat de masterinstroom elk jaar stijgt. In studiejaar 2022-2023 was er een daling in de masterinstroom. Wel is er over de afgelopen tien jaar een stijgende trend waarneembaar. Vooralsnog zien wij geen reden om met de instellingen te bespreken of zij bereid zijn aanvullende capaciteitsafspraken te maken voor de masterfase. Het kabinet blijft de situatie natuurlijk volgen. De leden van de JA21-fractie vragen naar de ontwikkeling van het aandeel Nederlandstalige studenten op zeventien Engelstalige bacheloropleidingen met numerus fixus en naar deze ontwikkeling op andere opleidingen zonder numerus fixus. Het is op dit moment niet mogelijk om deze vraag te beantwoorden, omdat historische gegevens die de onderwijstaal beschrijven van trajecten met een afzonderlijke numerus fixus niet beschikbaar zijn. De gegevens hierover die Studielink beheert, hebben uitsluitend betrekking op studiejaar 2026-2027. De gegevens over onderwijstaal die instellingen in het register instellingen en opleidingen (RIO) van DUO laten registreren zijn voor het huidige studiejaar en voorgaande studiejaren beschikbaar, maar houden geen rekening met het onderscheid tussen opleidingen met een “voertaal-overstijgende” numerus fixus en opleidingen met een aparte numerus fixus voor een bepaald traject (bijvoorbeeld: een numerus fixus specifiek op het Engelstalige traject). Daarnaast ontbreken in RIO voor veel opleidingen de gegevens over onderwijstaal. Aangezien er op dit moment geen wettelijke verplichting is om alle trajecten te registreren en ook geen wettelijke definitie van wat een anderstalige of Nederlandstalige opleiding is, is het niet mogelijk om op korte termijn een goede analyse te maken van wat beschikbare gegevens over onderwijstaal betekenen. Een dergelijke definitie wordt met de WIB geïntroduceerd, waardoor de ontwikkelingen in de toekomst beter te analyseren zijn. Daarnaast beziet de minister van OCW op dit moment hoe de registratie van trajecten verbeterd kan worden en gaat zij hierover in gesprek met instellingen. Tevens vragen de leden van de JA21-fractie naar hoe de minister van OCW de capaciteit voor Nederlandse scholieren en studenten wil verbeteren voor bepaalde opleidingen. Nederland heeft een zeer toegankelijk stelsel van hoger onderwijs. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen studenten niet worden toegelaten tot de opleiding van hun eerste keus, terwijl zij wel beschikken over de kennis, kunde en vaardigheden om die opleiding met succes te kunnen afronden. Van de 659 voltijds ad- en bacheloropleidingen in de sectoren landbouw, natuur en techniek hebben slechts vijftien een numerus fixus. Het gaat dus om minder dan 2,3%. Ruim 97% van die opleidingen is dus vrij toegankelijk. De voorbeelden die door de leden van de JA21-fractie worden aangehaald, betreffen dan ook uitzonderingsgevallen, die geenszins exemplarisch zijn voor de gehele onderwijssector. Werktuigbouwkunde is aan elf hogescholen en een universiteit zonder capaciteitsbeperking te volgen; technische informatica is aan vijf hogescholen vrij toegankelijk. Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek aan de universiteit Delft betreft een zeer specialistische opleiding, die in Europa en in de wereld tot de absolute top behoort. Wij zijn daar trots op. Om de kwaliteit van onderwijs te behouden en ervoor te zorgen dat de beschikbare capaciteit (waaronder onderwijsfaciliteiten en beschikbaar onderwijspersoneel) niet overschreden wordt, is een numerus fixus in dit geval ook echt nodig. In de beantwoording van Kamervragen van JA21[voetnoot 84] heeft de minister van OCW aangegeven dat zij het desalniettemin belangrijk vindt dat wordt voorkomen dat de belemmeringen in de toegankelijkheid in de toekomst groter worden. In het coalitieakkoord is daarom ook afgesproken om de fixusinstrumenten in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans (WIB) door te zetten, zoals de fixus voor niet-EER-studenten en het (ook) mogelijk maken van een fixus op een (anderstalig) traject bij masteropleidingen. Wij juichen het daarbij van harte toe dat instellingen vaker een Nederlandstalig traject inrichten naast een Engelstalig traject en daarbij aparte fixi hanteren. Zolang slechts 5% van de aspirant-studenten in Nederland niet kan starten op de opleiding van hun eerste keus, als gevolg van een numerus fixus, zien wij geen reden voor het nemen van aanvullende maatregelen. We blijven de ontwikkelingen op dit punt uiteraard nauwlettend volgen om problemen in de toekomst te kunnen voorkomen. De leden van de JA21-fractie steunen de inzet van het kabinet om extra te investeren in wetenschap en de voortzetting van de sectorplannen. Deze leden zijn echter van mening dat de koppeling aan de toekomstige welvaart en het vestigingsklimaat, hoe belangrijk ook, niet ten koste moet gaan van fundamenteel en ongebonden onderzoek, in de breedte van het wetenschappelijke landschap. Graag horen deze leden hoe de minister hier over denkt. We hebben de universiteiten gevraagd om bij de uitwerking van de sectorplannen uit te gaan van de kansen voor onze toekomstige welvaart en daarin duidelijk te maken hoe ze hieraan bijdragen. Het gaat daarbij nog steeds wel om fundamenteel onderzoek in de domeinen die dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart. Die domeinen zijn digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Dit zijn brede thema’s, waar ieder wetenschapsdomein (sociale en geesteswetenschappen, bèta, techniek en medische en gezondheidswetenschappen) op kan aansluiten in hun sectorplannen. De sectorplannen hebben de focus op fundamenteel onderzoek en dragen daarmee bij aan onze toekomstige welvaart op de lange termijn. Inbreng van de leden van de DENK-fractie De leden van de DENK-fractie vragen welke aanvullende maatregelen het kabinet wil inzetten om de positie van het mbo structureel te versterken, onder meer op het terrein van het versterken van de basisvaardigheden, het verhogen van de stagekansen, betere doorstroommogelijkheden naar het vervolgonderwijs en een gelijke waardering ten opzichte van hbo- en wo-studenten. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet in het mbo invulling wil geven aan gelijke waardering, onder meer via stagekansen, doorstroom en de positie van mbo-studenten ten opzichte van hbo en wo. Daarbij vernemen deze leden graag van het kabinet een overzicht van (financiële) ongelijkheden weer te geven en te motiveren op welk onderdeel het kabinet van plan is om waardering gelijk te trekken en op welke onderdelen niet. We staan voor gelijke waardering van mbo-studenten ten opzichte van hbo- en wo-studenten. De verschillende onderwijssectoren (mbo, hbo en wo) leiden studenten op een eigen en volwaardige manier op voor de samenleving, de arbeidsmarkt en eventueel vervolgonderwijs. Doorstroom van het mbo naar het hbo is dan ook geen doel op zich, maar mbo-studenten die graag willen doorstuderen op het hbo willen we zoveel mogelijk in staat stellen om dat succesvol te doen. Daarom blijven we aandacht houden voor de samenwerking tussen de verschillende sectoren, om de overgangen voor studenten te versoepelen en daarmee uitval en switch te voorkomen. In de recente JOB-monitor, het jaarlijkse studentenonderzoek voor het mbo, is zichtbaar dat mbo-studenten zich meer gewaardeerd voelen dan een aantal jaren terug.[voetnoot 85] Deze beweging moet worden doorgezet en dat kan het onderwijs niet alleen, dat vraagt iets van de hele samenleving. Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen van de leden van de D66- en PRO-fractie, zien we dat in de praktijk al door verschillende partijen wordt ingezet op een gelijkwaardig studentenleven voor mbo-studenten, bijvoorbeeld door mbo-studenten toegang te bieden tot introductieweken en sportfaciliteiten voor studenten. Wij informeren uw Kamer voor de kerst over hoe dit verder vorm kan krijgen. Daarnaast zijn we voornemens om het wettelijk mogelijk te maken dat minderjarige mbo-studenten een bestuursjaar kunnen doen. Studenten kunnen zich pas optimaal ontwikkelen wanneer de randvoorwaarden op orde zijn. Een gezonde financiële positie is daarbij essentieel. Daarom versterken we de financiële positie van mbo-studenten en pakken we een concrete ongelijkheid aan: minderjarige mbo-studenten vallen nu financieel tussen wal en schip, omdat zij geen recht hebben op studiefinanciering maar wel te maken hebben met schoolkosten. Om dit op te lossen volgen we het advies van de Onderwijsraad en stellen we schoolboeken, digitale licenties en werk- en veiligheidskleding kosteloos beschikbaar aan deze groep. Deze maatregel, zoals aangekondigd in de brief van 7 juli 2026[voetnoot 86], kan naar verwachting in 2029 ingaan. Er bestaan tevens verschillen in de regels en bedragen van studiefinanciering voor mbo-, hbo- en wo-studenten. Voor een overzicht hiervan verwijzen we u naar de brieven van 27 maart 2024 en 14 november 2025.[voetnoot 87] Het kabinet kiest er niet voor om de verschillen in normbedragen van de studiefinanciering gelijk te trekken, omdat gelijktrekken naar het hoogste van de huidige niveaus structureel circa € 391 miljoen zou kosten[voetnoot 88]. Wij hebben hiervoor geen ruimte binnen de begroting. Gelijktrekken zou ook budgetneutraal kunnen, maar dan zouden er groepen studenten op achteruitgaan ten opzichte van de huidige situatie. We zetten daarnaast in op een betere positie van alle studenten tijdens hun stage. Zoals in de Hoofdlijnenbrief wetsvoorstel stagevergoedingen en kwaliteit stages mbo, hbo, wo[voetnoot 89] aangegeven zijn we voornemens om voor alle studenten het recht op een stagevergoeding wettelijk te verankeren. Tevens willen we de kwaliteit van stages beter borgen in wetgeving. Om de positie van het mbo structureel te versterken zetten we onverminderd in op het verhogen van de onderwijskwaliteit van de basisvaardigheden. Voor de korte termijn omvat de aanpak het bijspijkeren van het taal- en rekenniveau van startende mbo-studenten. Voor de langere termijn richt te aanpak zich op het verbeteren van de kwaliteit van docenten basisvaardigheden en op het versterken van de kwaliteit van het taal-, reken-, en burgerschapsonderwijs. Ook een goede monitoring van het beheersingsniveau van de basisvaardigheden van studenten is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De leden van de DENK-fractie vragen hoe de middelen uit het Masterplan Basisvaardigheden en de structurele bekostiging voor basisvaardigheden vanaf 2027 zodanig zal worden vormgegeven, waardoor schoolbesturen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk zullen worden gestimuleerd om grote achterstanden terug te dringen. Tevens vragen deze leden of het kabinet bereid is om concrete voorwaarden op te nemen, zoals resultaatsafspraken of gerichte herverdeling van middelen, wanneer blijkt dat schoolbesturen de middelen onvoldoende inzetten om de leerlingen met de grootste achterstanden te ondersteunen. Vanaf 2027 ontvangen alle scholen structurele bekostiging om te werken aan het verbeteren van de basisvaardigheden. In 2027 zullen deze middelen verstrekt worden als aanvullende bekostiging. Met de PO-Raad en de VO-raad worden afspraken gemaakt ten aanzien van de verantwoording over deze middelen, waaronder verplichte verantwoording als onderdeel van de maatschappelijke thema’s. Vanaf 2028 zullen de middelen voor basisvaardigheden verstrekt worden als gerichte bekostiging. Met dit nieuwe bekostigingsinstrument wordt het mogelijk om tijdelijk voorwaarden te kunnen stellen om te zorgen dat deze middelen in de praktijk effectief worden besteed aan het verbeteren van de basisvaardigheden. Tegelijkertijd verlaagt het voor scholen de administratieve lasten ten opzichte van de subsidie, omdat er bijvoorbeeld geen aanvraag meer nodig is. Scholen zijn verplicht een ontwikkelplan voor het verbeteren van de basisvaardigheden te maken op basis van een evidence-informed werkproces. Dit plan, volgens een vast format, moet voor advies worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad. Als er geen ontwikkelplan wordt ingediend, het niet voldoet of het niet is voorgelegd aan de medezeggenschapsraad, dan start er een hersteltermijn. Mocht er dan nog steeds niet voldoende actie ondernomen zijn, dan heeft dat gevolgen voor de bekostiging die de school krijgt. De tijdelijke verplichtingen gelden in principe voor vijf jaar. Gedurende deze vijf jaar worden de resultaten op het gebied van basisvaardigheden gemonitord. Als op basis hiervan de voortgang op het gebied van basisvaardigheden na vijf jaar onvoldoende is, dan kunnen de verplichtingen met vijf jaar worden verlengd of kan de bekostiging worden beëindigd. Naast de structurele bekostiging voor alle scholen in het funderend onderwijs blijft de subsidieregeling voor prioriteitsscholen met een inspectieoordeel ‘onvoldoende’ of ‘zeer zwak’ de komende jaren bestaan. De leden van de DENK-fractie vragen waarom het praktijkonderwijs in de beleidsbrief geheel onbenoemd blijft en of het kabinet bereid is om bij de verdere uitwerking van haar beleid ook het praktijkonderwijs en andere onderwijsrichtingen te betrekken. Deze leden vernemen graag waarom het kabinet daarvan zou afzien indien zij geen noodzaak ziet voor een nadere borging. Zoals de leden van de DENK-fractie terecht aangeven is betere waardering voor vakonderwijs belangrijk voor kansengelijkheid. In de beleidsbrief is uw Kamer geïnformeerd over de opgaves waaraan gewerkt wordt de komende kabinetsperiode. Bij al deze opgaven wordt ook bezien hoe het praktijkonderwijs hier een goede plek in kan krijgen. Onze ambtenaren voeren hierover doorlopend gesprekken met de betrokken veldpartijen. Waar praktijkgericht onderwijs nog meer plek kan krijgen is daarin globaal uiteengezet. Over het praktijkgericht onderwijs, en het praktijkonderwijs, is uw Kamer apart geïnformeerd via de brief: Praktijkgerichter onderwijs: kansen voor waardering van talent.[voetnoot 90] De leden van de DENK-fractie vragen hoe het kabinet wil voorkomen dat de verplichting tot het betalen van stagevergoedingen leidt tot een daling van het aantal beschikbare stageplaatsen voor mbo-studenten, of ertoe leidt dat werkgevers selectiever zullen worden in het aannemen van stagiaires. Daarbij vernemen zij graag welk tijdpad het kabinet voor ogen heeft bij de invoering van een verplichte stagevergoeding en welke aanvullende maatregelen het kabinet treft om te waarborgen dat mbo-studenten, ongeacht regio of achtergrond, voldoende stageplaatsen kunnen blijven vinden. Het kabinet is voornemens om een stagevergoeding voor studenten wettelijk te verankeren, maar ook oog te houden voor het effect van wetgeving op het aanbod van stageplekken. In de Kamerbrief van 3 juli 2026 worden de contouren van het wetsvoorstel toegelicht.[voetnoot 91] Zo verplichten we dat iedere student een stagevergoeding ontvangt, en wordt de hoogte van de vergoeding bepaald op sector- of bedrijfsniveau. Het recht op stagevergoeding fungeert op deze manier als katalysator voor het maken van sectorale afspraken over de hoogte van de vergoeding. Reeds ingezet beleid en de bestaande afspraken moeten elkaar versterken en aanvullen. Met bijvoorbeeld het Stagepact mbo 2023-2027 blijven betrokken partijen inzetten op de doelstellingen uit het pact, zoals het monitoren van het stage-aanbod zodat stagetekorten vroegtijdig gesignaleerd kunnen worden.[voetnoot 92] Na afloop van het Stagepact kijkt de minister van OCW samen met het veld naar een vervolg en hoe dit zo goed mogelijk aansluit bij het wetsvoorstel. De verwachting is dat het wetsvoorstel voor de zomer van 2027 in internetconsultatie zal gaan. Tevens vragen deze leden hoe de regering ervoor gaat zorgen dat onderwijsinstellingen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid en welke maatregelen het kabinet wil treffen om stagediscriminatie meetbaar terug te vinden. Daarbij vernemen deze leden graag welke aanvullende stappen het kabinet zet om de uitvoering van het Stagepact MBO 2023-2027 en de afspraken over het tegengaan van stagediscriminatie te versterken. Stagediscriminatie is een breed maatschappelijk probleem en het tegengaan hiervan vergt een lange adem. Zoals in de Kamerbrief over de mid-term evaluatie van het Stagepact MBO 2023-2027[voetnoot 93] is aangegeven, is er ten aanzien van de doelstellingen van het Stagepact een positieve beweging gestart waaraan de ondertekenaars van het Stagepact willen vasthouden. Tegelijkertijd is er met alle partners geconstateerd dat de ingezette acties onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Dit maakt verdere intensivering noodzakelijk. Daarom heeft de regiegroep Stagepact[voetnoot 94] een aanvullend actieplan opgesteld voor de tweede fase van het Stagepact tot en met 2027.[voetnoot 95] De voortgang van het Stagepact wordt gemonitord en de volgende rapportage hierover ontvangt uw Kamer eind 2026. Om de resultaten meetbaar in beeld te brengen, gebruiken wij een combinatie van vaste databronnen en onderzoek. De ervaringen van studenten worden structureel gemonitord via de JOB-monitor en het Schoolverlatersonderzoek. Daarnaast rapporteert SBB jaarlijks over binnengekomen meldingen en discriminatiegronden rondom de bpv-periode. Ook brengen onafhankelijke herhalingsonderzoeken de feitelijke aanpak op scholen in kaart. Al deze databronnen komen samen in de jaarlijkse Monitor Werkagenda en Stagepact mbo, waarmee wij de landelijke voortgang nauwgezet volgen om te bepalen of de ingezette acties het gewenste effect opleveren. De uitvoering van het Manifest en het daarmee verbonden Werkprogramma tegen stagediscriminatie in het hbo en wo dat door Echo wordt uitgevoerd, loopt nu bijna vier jaar.[voetnoot 96] Zichtbaar is dat binnen onderwijsinstellingen, met name in het hbo, veel tot stand is gekomen: docenten zijn geprofessionaliseerd, er zijn meldprocedures en protocollen gekomen en er zijn vier landelijke conferenties georganiseerd waar zo’n 600 onderwijsprofessionals aan deelnamen. Met het Werkprogramma zijn inmiddels meer dan 1000 onderwijsprofessionals bereikt. De Vereniging Hogescholen heeft daarnaast vorig jaar, samen met VNO-NCW, een eigen stagecode gemaakt met afspraken waarin rollen en verantwoordelijkheden expliciet worden genoemd als het gaat om de kwaliteit van stages, de begeleiding en ook het voorkomen en tegengaan van stagediscriminatie. In de stagecode staan aanvullende afspraken op het Manifest opgenomen om het tegengaan van stagediscriminatie structureel onderdeel te maken van het beleid en de begeleiding tijdens stages. Met universiteiten zijn we in gesprek over hun inzet nu en in de komende jaren op het thema stagediscriminatie. Echo heeft recent een enquête uitgezet onder 170 studenten en medewerkers en ook verdiepende focusgroepen gehouden, die hiervoor onder meer de basis voor dienen. Eind 2026 zal in het kader van het Werkprogramma een conferentie specifiek gericht op universiteiten worden georganiseerd. De leden van de DENK-fractie vragen wat de plannen van het kabinet zijn met betrekking tot het wetsvoorstel over toezicht op informeel onderwijs. Is het kabinet voornemens het huidige wetsvoorstel voort te zetten, of komt het met een andere invulling van het voornemen om toezicht op informeel onderwijs mogelijk te maken? Daarnaast ontvangen deze leden graag een tijdpad van het kabinet over de invoering van toezicht op informeel onderwijs. Dit kabinet wil kunnen ingrijpen daar waar het informeel onderwijs door buitenlandse overheden wordt gebruikt om onze democratische rechtsstaat te ondermijnen of integratie tegen te werken. We bezien op dit moment hoe we het beste invulling kunnen geven aan deze ambitie. Daarbij worden de bezwaren die eerder zijn geuit over het wetsvoorstel toezicht informeel onderwijs (Wtio) en de recente verwerping van het wetsvoorstel transparantie en tegengaan ondermijning maatschappelijke organisaties (Wtmo) door de Eerste Kamer meegewogen. Zoals eerder toegezegd in een brief aan uw Kamer komen wij hier dit najaar op terug.[voetnoot 97] De leden van de DENK-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat ouders die voor thuisonderwijs kiezen zonder noodzaak worden tegengehouden en vragen hoe wordt geborgd dat de toepassing van dit artikel niet per gemeente zal gaan verschillen. Daarbij vernemen de leden van de DENK-fractie graag op welke manier het kabinet ervoor zorgt dat kwetsbare kinderen in beeld blijven en dat hun bescherming goed geregeld is. De Hoge Raad (hierna HR) heeft met zijn uitspraak van 21 april 2026 het toetsingskader voor beroepen wegens richtingsbezwaren verduidelijkt en aangescherpt.[voetnoot 98] Een beroep op deze vrijstellingsgrond zal volgens de HR, waar het gaat om openbaar onderwijs, nog slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kunnen slagen. Daarmee is er ook meer duidelijkheid voor gemeenten over de beoordeling van (nieuwe) beroepen. Daarnaast heeft Ingrado, in overleg met het ministerie van OCW en het Openbaar Ministerie, een advies opgesteld om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet 1969 in lijn met de recente uitspraak van de HR.[voetnoot 99] De uitspraak wordt betrokken bij de verkenning van de vrijstelling wegens richtingbezwaren door het ministerie van OCW. Voor deze verkenning geldt dat het beschermen van het recht op onderwijs van ieder kind het uitgangspunt is. Wij zullen uw Kamer dit najaar nader informeren over de beleidsopties. Inbreng van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet meer zicht wil geven op de prioriteitsstelling in geplande wetgeving en welke wetsvoorstellen na heroverweging niet meer worden voortgezet. De leden van de SGP-fractie vragen hierbij uitdrukkelijk de overweging te betrekken hoeveel kritiek wetsvoorstellen inmiddels in de fase van advisering hebben aangetrokken. Het doel van de eerder in dit schriftelijk overleg genoemde vereenvoudigingswet is om regels eenvoudiger en uitvoerbaarder te maken, ook voor scholen en instellingen. Zoals gezegd werken we ook via reguliere wetsvoorstellen aan vereenvoudiging en lastenvermindering voor scholen. Daarbij geldt dat regeldrukeffecten in de toelichting bij wet- of regelgeving altijd in beeld moeten worden gebracht en het Adviescollege toetsing regeldruk kan hierover ook adviseren. Zo kan uw Kamer ze ook wegen in de besluitvorming. Jaarlijks ontvangt uw commissie een Planningsbrief, waarin met u onder andere de planning wordt gedeeld van de in het volgende kalenderjaar in te dienen wetsvoorstellen en AMvB’s. Daarmee is de prioriteitsstelling gegeven. In die prioriteitsstelling is de beschikbare beleids- en wetgevingscapaciteit meegewogen. Daarbij geldt uiteraard dat alle (kritische) adviezen zorgvuldig worden meegewogen. De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet om een reflectie hoe de verschillende instrumenten om basisvaardigheden in beeld te brengen en toezicht te houden op goede wijze op elkaar worden afgestemd. Deze leden vragen hierbij in te gaan op de bijdrage in het blad De Liniaal (2026, nummer 2) waarin wordt uiteengezet dat signaleringswaarden en ondergrenzen een sturende werking kunnen krijgen die de verbetering van het onderwijs op schoolniveau juist in de weg kan staan. Op welke wijze wil het kabinet in de komende periode de verbetering van het onderwijs op schoolniveau meer centraal stellen en hoe worden bestaande instrumenten daaraan meer dienstbaar gemaakt? Het onderwijsresultatenmodel stelt ondergrenzen aan de resultaten en het doorstroomrendement van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. De exacte norm is afhankelijk van de complexiteit van de leerlingenpopulatie. Vanaf de nieuwe Onderzoekskaders van 2027 krijgen onderwijsresultaten een minder prominente positie in het eindoordeel van scholen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025.[voetnoot 100] Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie Stoffer/Ceder, de motie Kwint en de motie Soepboer waarmee uw Kamer al eerder zorgen uitte over mogelijke negatieve effecten van het toezicht op de onderwijsresultaten.[voetnoot 101] Samen met de inspectie onderzoeken wij in het licht van de genoemde motie Moorman c.s. en de motie Armut c.s.[voetnoot 102] welke nadere aanpassingen nodig zijn om te voorkomen dat scholen de noodzaak voelen om te sturen op de uitkomsten van het onderwijsresultatenmodel op andere manieren dan via het geven van het best mogelijke onderwijs. Verder onderzoeken we naar aanleiding van de motie Biekman c.s.[voetnoot 103] hoe signaleringswaarden het meest effectief gehanteerd kunnen worden om uit te gaan van hoge verwachtingen van alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond. Ook deze aanpassingen worden onderdeel van de nieuwe Onderzoekskaders vanaf 2027. De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen het kabinet verricht om te voorkomen dat opnieuw problemen ontstaan met overvraag in belangrijke regelingen zoals de lerarenbeurs. In hoeverre kunnen middelen uit het coalitieakkoord, bijvoorbeeld betreffende zij-instroom, beschikbaar worden gehouden om problemen op dit gebied te voorkomen? De aanvragen op regelingen, zoals de lerarenbeurs, worden goed in de gaten gehouden. Specifiek voor de lerarenbeurs hebben we daarom vorig jaar de aanvraagperiode vervroegd, zodat er in het geval van overvraging nog een mogelijkheid is om dit te betrekken bij de Voorjaarsnotabesluitvorming. De afgelopen drie jaar was het budget van de lerarenbeurs altijd voldoende voor alle geldige aanvragen. Voor zij-instroom hebben we alle middelen nodig voor het toekennen van de subsidieaanvragen voor de Regeling subsidie zij-instroom. Hier zijn jaarlijks geen structurele middelen over die ingezet kunnen worden voor de lerarenbeurs. De extra middelen vanuit het coalitieakkoordzijn nodig voor de intensivering van zij-instroom. Het doel van de intensivering is drieledig: 1) verhoging van het aantal zij-instromers, uitgaande van een groeipotentieel van 15%; 2) intensivering van de begeleiding door zij-instromers eerst een korte periode bovenformatief aan te stellen in de vorm van een dubbele bezetting; en 3) verhoging van de aantrekkelijkheid voor zij-instromers om over te stappen naar het onderwijs en hen te behouden door het verlenen van betaald studieverlof. De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet in de reactie op de evaluatie van de wettelijke burgerschapsopdracht ook uitdrukkelijk het advies van de Raad van State over de burgerschapsopdracht in het mbo betrekt, zodat zoveel mogelijk sprake is van een doorlopende lijn en integrale afweging. De beleidsreactie op de evaluatie van de wet Verduidelijking burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs is aan uw Kamer verzonden op 29 juni 2026.[voetnoot 104] Het is daarom niet meer mogelijk om daarbij het advies te betrekken van de Afdeling advisering van de Raad van State naar aanleiding van het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB. Dat wetsvoorstel ziet op het middelbaar beroepsonderwijs en het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. Het kabinet betrekt het betreffende advies van de Raad van State in het nader rapport bij het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB. Dit wordt in het najaar van 2026 samen met het advies en het wetsvoorstel aan uw Kamer gezonden. Daarbij wordt, waar relevant, ook aandacht besteed aan de verhouding tussen de burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. De leden van de SGP-fractie vragen wanneer en op welke wijze het kabinet keuzes maakt over de uitvoering van het vonnis van de Raad van State inzake de bekostiging van het primair onderwijs. Deze leden vragen hoe bij het zoeken van een dekking gestreefd wordt naar billijkheid die er niet toe leidt dat andere sectoren onevenredig benadeeld worden als gevolg van een misslag die het kabinet ten aanzien van het primair onderwijs heeft begaan. Met de brief van 18 juni[voetnoot 105] is uw Kamer geïnformeerd over de opvolging van de uitspraak van de Raad van State in de rechtszaak bekostiging po. De 222 schoolbesturen die hebben geprocedeerd, hebben in juni een nabetaling ontvangen. De nabetaling is betaald uit de extra middelen uit het coalitieakkoord voor professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau en de investering in bepaalde randvoorwaarden en aanvullende maatregelen voor het funderend onderwijs. De leden van de SGP-fractie vragen eveneens op welke wijze het kabinet bij de uitwerking van plannen inzake de kleine scholentoeslag de situatie van scholen betrekt die hierdoor negatief geraakt worden en hoe hierin uitdrukkelijk ook de leefbaarheid van dorpen en kernen gewogen wordt. Kan het kabinet bevestigen dat het in ieder geval niet de bedoeling is dat scholen die formeel niet eens onder de definitie van kleine scholen vallen door de plannen geraakt zouden worden? De kleinescholentoeslag wordt uitgekeerd aan scholen met minder dan 150 leerlingen, ongeacht de opheffingsnorm van de gemeente waarin de school staat. De toeslag wordt daardoor ook uitgekeerd wanneer een school in die bewuste gemeente minimaal 200 leerlingen zou moeten hebben om bekostigd te blijven. Hierdoor draagt de kleinescholentoeslag, in combinatie met de uitzonderingsgrond “gemiddelde schoolgrootte”[voetnoot 106], bij aan het instandhouden van té veel té kleine scholen in stedelijk gebied waar het lerarentekort nu al nijpend is. Die situatie is niet toekomstbestendig. Ook het veld herkent dit. Door de omvorming naar een dunbevolktheidstoeslag wordt de extra bekostiging straks alleen uitgekeerd aan scholen in gemeentes met een opheffingsnorm van 150 of lager en wordt zodoende afhankelijk gemaakt van de opheffingsnorm. Zo komt het geld terecht bij die kleine scholen die dat het hardst nodig hebben. De omvorming levert zo juist een bijdrage aan de leefbaarheid van de regio. Overigens geldt dat specifieke scholen met minder dan 150 leerlingen en een uitzonderingsgrond ook na de stelselherziening aanvullende bekostiging zullen ontvangen, zoals ‘laatste school van de richting’ en startende scholen. Deze scholen worden in stand gehouden met het oog op bereikbaarheid dan wel pluriformiteit. De leden van de SGP-fractie vragen wanneer het kabinet duidelijkheid kan bieden over de verantwoordelijkheid van de provincies voor restauratie van monumenten en de toezegging dat provinciale regelingen geharmoniseerd zouden worden en dat stapeling van subsidies mogelijk zou moeten zijn. Het Rijk, provincies en gemeenten hebben onlangs nieuwe afspraken gemaakt over de zorg voor erfgoed. Deze bestuurlijke afspraken zijn op 10 juni jl. gepubliceerd.[voetnoot 107] In de afspraken is opnieuw bevestigd dat de verantwoordelijkheid voor het verlenen van restauratiesubsidies voor niet-woonhuisrijksmonumenten (waaronder ook groene rijksmonumenten) is belegd bij provincies. Het Rijk stelt hiervoor structureel € 20 miljoen beschikbaar via het Provinciefonds en provincies spannen zich in om de rijksbijdrage te matchen. Provincies hebben de ruimte om binnen hun restauratieregeling prioriteit te geven aan specifieke categorieën rijksmonumenten. Wel zullen zij zich inspannen om de restauratieregelingen zoveel mogelijk te harmoniseren, waarbij het uitgangspunt is dat in beginsel alle categorieën niet-woonhuisrijksmonumenten in aanmerking kunnen komen voor restauratie. Rijk, provincies en gemeenten zullen de voortgang van de afspraken monitoren en jaarlijks in een bestuurlijk overleg bespreken. Specifiek voor de grootste restauratieopgaven is een rijkssubsidieregeling opgezet om de provinciale restauratieregelingen te ondersteunen. Subsidie die op grond van deze regeling wordt verstrekt, kan worden gecombineerd met een subsidie van bijvoorbeeld een provincie of gemeente. Om cofinanciering vanuit decentrale overheden te stimuleren is als onderdeel van de afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten opgenomen dat provincies zich inspannen om waar mogelijk cofinanciering beschikbaar te stellen voor deze grote restauraties. De subsidieregeling is op 19 februari 2026 gepubliceerd en de eerste aanvraagronde is op 1 september jongstleden gestart. Over de uitgangspunten van deze regeling is uw Kamer eerder geïnformeerd. Inbreng van de leden van de PvdD-fractie De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister op de hoogte is van het onderzoeksrapport ‘De Circulaire Economie als kansensector’. Ook vragen deze leden of de minister het principe onderschrijft dat de kringloopsector een maatschappelijk cruciale rol vervult, doordat deze zowel bijdraagt aan de circulaire economie, aan sociale doelstellingen zoals arbeidsparticipatie, talentontwikkeling- en onderwijs, en dat deze sector daarom erkenning verdient als maatschappelijk cruciale sector? Kan de minister daarnaast aangeven op basis van welke criteria het kabinet bepaalt welke sectoren als maatschappelijk cruciaal worden aangemerkt? In hoeverre voldoet de kringloopsector aan deze criteria, gezien haar rol in circulaire economie, arbeidsparticipatie en (informeel) onderwijs? Wordt hierbij rekening gehouden met de Kansrijke Beroepenlijst van het UWV? Ja, het onderzoeksrapport is bekend. De Talentstrategie richt zich onder meer op energie- en klimaattechnologie. Investeren in deze technologieën is cruciaal voor onze toekomstige welvaart en het toekomstig verdienvermogen van Nederland. Daarbij richten we ons op innovatieve manieren en technologieën om beter om te gaan met onze grondstoffen, onder meer op het gebied van circulaire economie. Op dit moment wordt de Talentstrategie verder uitgewerkt. In de Kamerbrief over de Talentstrategie is de keuze voor de opgaven waar de Talentstrategie zich op richt, nader toegelicht. De keuze voor deze opgaven is gebaseerd op een afweging van diverse factoren. Een van de factoren is in welke mate er sprake is van structurele, toenemende krapte. Hiervoor is onder meer, maar niet uitsluitend, gekeken naar de lijst met Kansrijke Beroepen van het UWV. Daarnaast is ook van belang geweest in welke mate de krapte kan worden opgelost met innovatie en slimmer werken. Het is namelijk niet mogelijk om naar alle opgaven en sectoren meer mensen te begeleiden. De kringloopsector is zodoende niet aangemerkt als cruciaal in de Talentstrategie. Het kabinet realiseert zich dat er in veel sectoren grote tekorten zijn. Ook daar waar opgaven liggen waar het kabinet grote ambities heeft. Dat we de extra impuls uit de Talentstrategie niet inzetten om naar al deze andere sectoren en opgaven meer mensen te bewegen, betekent niet dat zij niet belangrijk zijn. Voor iedere opgave en sector liggen er uitdagingen, zo ook voor de kringloopsector. Ook daar blijven mensen met hun talenten hard nodig. Het kabinet blijft zich ook daar samen met de sectoren inspannen om oplossingen te vinden. Niet alles kan, en zeker niet tegelijk. De leden van de PvdD-fractie vragen of het kabinet bereid is om, in samenwerking met de sector, te verkennen hoe de kringloopsector structureel kan worden ondersteund als maatschappelijk cruciale sector voor talentontwikkeling, basisvaardigheden en arbeidsparticipatie. Hoe wordt voorkomen dat nieuwe en toekomstgerichte sectoren met een grote maatschappelijke en inclusieve arbeidsmarktfunctie, zoals de kringloopsector, buiten beeld blijven bij investeringen in talentontwikkeling en scholing, en hoe wordt voorkomen dat vakkennis en ambachtelijke vaardigheden verloren gaan in sectoren met een vergrijzende beroepsgroep, zoals in delen van de circulaire economie? Het kabinet maakt keuzes, omdat niet alles tegelijk kan. Doordat er steeds minder mensen zijn in de werkzame leeftijd en de werkdruk toeneemt, is het noodzakelijk om werk slimmer te organiseren, innovaties beter te benutten en de productiviteit te verhogen. Alle sectoren in Nederland hebben deze opgave, zo ook de kringloopsector. Het kabinet is daarom niet voornemens om een verkenning op te zetten naar de mogelijkheden voor investeringen in scholing en talentontwikkeling binnen een specifieke sector die buiten de Talentstrategie valt. Dit is in de eerste plaats aan de sector zelf. Wij verwijzen daarnaast ook naar de voorgaande antwoorden op vragen van de PvdD-fractie. Ook vragen de leden van de PvdD-fractie zich af hoe er in de uitwerking van de Talentstrategie en het mbo-pact ‘Opleiden van de arbeidsmarkt van de toekomst’ geborgd wordt dat ook praktijkgerichte leeromgevingen buiten het formele onderwijs, zoals in de kringloopsector, worden benut voor talentontwikkeling. De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister bereid is om de kringloopsector expliciet te erkennen als (non-formele) leer- en ontwikkelomgeving binnen het beleid rond basisvaardigheden en LLO – met aandacht voor de basis- en vakvaardigheden die nodig zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst – en deze sector beter te benutten voor talentontwikkeling? De Talentstrategie focust zich op de in het eerdere antwoord geformuleerde opgaven. Het mbo-pact vormt hier een uitwerking van. De uitwerking van het mbo-pact richt zich primair op het formele onderwijs. Uiteraard staat het sectoren, zoals de kringloopsector, vrij om zelf -eventueel in samenwerking met een opleider- een praktijkgerichte leeromgeving buiten het formele onderwijs te organiseren. De minister erkent formele opleidingen op basis van strenge criteria. Non-formele scholing kan een belangrijke functie hebben, maar wordt niet erkend. Wel kan deze scholing op aanvraag worden ingeschaald middels het Nederlands Kwalificatieraamwerk (NLQF). Door het volgen van, bijvoorbeeld, (formele) mbo-opleidingen voor verkoop en retail, kunnen studenten al worden opgeleid voor de kringloopsector in een erkende leer- en ontwikkelomgeving.[voetnoot 108] Een extra erkenning acht het kabinet dus niet noodzakelijk. Tot slot vragen de leden van de PvdD-fractie het kabinet om een meer interdepartementale aanpak bij sectoroverstijgende opgaven op het gebied van onderwijs, (inclusieve) arbeidsmarkt en circulaire economie. Gezien de brede bijdrage van de kringloopsector aan beleidsdoelen van OCW, SZW én de circulaire economie, vragen deze leden of dit aanleiding is om de sector explicieter te positioneren binnen de talentstrategie en aan te wijzen als maatschappelijk cruciale sector. De Talentstrategie focust zich op de in het eerdere antwoord geformuleerde opgaven. Om de gewenste resultaten te behalen is een gerichte aanpak noodzakelijk en daar helpen keuzes ten aanzien van de cruciale opgaven bij. In de Kamerbrief over de Talentstrategie is deze keuze nader toegelicht. Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie De leden van de ChristenUnie-fractie memoreren de aangenomen motie van de leden Ceder en Armut over de maatschappelijke diensttijd en menen dat deze motie niet voldoende is uitgevoerd. Deze leden vinden het belangrijk dat voor het programma de samenwerking met maatschappelijke partners en andere departementen als Defensie wordt versterkt, op basis van gelijkwaardigheid. De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat volgens een groot aantal MDT-organisaties er weliswaar sprake was van co-creatie en participatieprocessen, maar dat er van echte invloed geen sprake is. Deze leden vinden dat dit proces op gespannen voet staat met de samenwerking op basis van gelijkwaardigheid zoals in de eerdergenoemde motie van de leden Ceder en Armut staat. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? Op welke manier is in de totstandkoming van het programmaplan samengewerkt? Was deze samenwerking op basis van gelijkwaardigheid tot tevredenheid van de MDT-organisaties? Zo nee, wat doet de staatssecretaris met dit gegeven? De samenwerking tussen het ministerie en het netwerk is over het algemeen goed en wordt ook door het netwerk overwegend als positief ervaren. Dit blijkt onder meer uit de evaluatie van het co-creatieproces voor het programmaplan. Deelnemers waardeerden de open en toegankelijke samenwerking, de aandacht voor praktijkervaringen en uiteenlopende perspectieven en de brede betrokkenheid van verschillende partijen, waaronder jongeren. Om het programmaplan in co-creatie op te stellen, hebben ruim 250 deelnemers via fysieke en digitale bijeenkomsten meegedacht. Voor jongeren zijn daarnaast aparte sessies georganiseerd met passende werkvormen, zodat ook hun perspectief op een toegankelijke en betekenisvolle manier kon worden meegenomen. Het netwerk is breed en kent uiteenlopende wensen en behoeften. Daarom blijft het belangrijk om alle betrokken organisaties de mogelijkheid te bieden inspraak te leveren. Tegelijkertijd is het niet mogelijk om aan alle verwachtingen tegemoet te komen, onder meer vanwege juridische, financiële en uitvoeringstechnische randvoorwaarden. Om inspraak structureler vorm te geven, wordt samen met MDT-organisaties en jongeren een zogenaamde denktank ontwikkeld. Deze denktank biedt maatschappelijke organisaties ruimte voor structurele betrokkenheid bij de uitvoering van het programma en voor het geven van gevraagd en ongevraagd advies. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de staatssecretaris toekomstige samenwerking omtrent MDT op basis van gelijkwaardigheid gaat vormgeven. Zijn er bijvoorbeeld ideeën over een structureel governance-model waarin ook maatschappelijke organisaties een rol hebben? Op welke manier worden deze meegenomen voor de toekomstige vormgeving van MDT? We werken aan een toekomstbestendige governance waarin overheid, maatschappelijke partners en jongeren bijdragen aan de doorontwikkeling en borging van MDT. Bestuurlijke partners NJR en VrijwilligerswerkNL vertegenwoordigen het perspectief van jongeren en maatschappelijke organisaties op bestuurlijk niveau. Daarnaast wordt in co-creatie een pilot voor de denktank ontwikkeld, waarin jongeren en vertegenwoordigers van het MDT-netwerk participeren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er in de meest recente subsidieregeling voor is gekozen om de cofinanciering te verhogen van 25 procent naar 30 procent. Acht de staatssecretaris deze extra drempel voor alle maatschappelijke organisaties waar in het verleden naar tevredenheid mee is samengewerkt werkbaar? Is verhoging van deze eis ook tot stand gekomen in samenspraak met het veld? Zo nee, waarom niet? De verhoging van het minimale cofinancieringspercentage zien wij als een belangrijke stap in het verbreden van het financieel eigenaarschap van MDT-partners. Tevens sluit de verhoging aan bij de ambitie uit het programmaplan om MDT toekomstbestendig en duurzaam te organiseren, met een bredere financiële basis en minder afhankelijkheid van rijksmiddelen. Tijdens de netwerkconsultatie is de haalbaarheid van de verhoging van de cofinancieringseis getoetst. Het voorstel werd hier over het algemeen goed ontvangen. De belangstelling voor de subsidieregeling (262 aanvragen) bevestigt dit beeld. Daarnaast biedt de regeling ruimte voor verschillende manieren waarop organisaties aan de cofinanciering kunnen voldoen en kunnen samenwerken. Daarmee is aangesloten bij de diversiteit van het MDT-netwerk en kunnen ook verschillende typen maatschappelijke organisaties blijven deelnemen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris of zij een update kan geven van de vooraanvragen die zijn gedaan voor MDT2026. Verwacht de staatssecretaris op basis hiervan dat maatschappelijke organisaties die in het verleden MDT-trajecten hebben aangeboden, kunnen voldoen aan de voorwaarden uit MDT2026 of dat er, net als bij de subsidieaanvraag voor 2025, wederom veel organisaties buiten de boot vallen? Kan de staatssecretaris tevens toezeggen de Kamer tijdig te informeren zodra de aanvragen zijn behandeld en welke mogelijke lessen hieruit worden getrokken voor de toekomst? De in 2025 gehanteerde financiële subsidievoorwaarden zijn mede op basis van consultatie van het veld aangepast, waardoor maatschappelijke organisaties met beperkt eigen vermogen in de subsidieregeling 2026 niet bij voorbaat worden uitgesloten. Op deze manier biedt de subsidieregeling 2026 ook MDT-organisaties die in 2025 geen aanvraag konden indienen, de kans om dit nu wel te doen. Er zijn 511 vooraanmeldingen gedaan voor subsidieregeling 2026. Inmiddels is ook bekend dat er 262 subsidieaanvragen zijn ingediend, door zowel bestaande als nieuwe MDT-organisaties. De beoordeling van deze subsidieaanvragen vindt op dit moment plaats. De verwachting is dat het merendeel van de aanvragen 30% co-financiering heeft kunnen organiseren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de staatssecretaris verwacht dat middels de huidige subsidieregeling en de voorgaande voldoende wordt geborgd dat er een landelijk dekkend MDT-netwerk ontstaat. Zo nee, op welke manier wil de staatssecretaris dit landelijk dekkend netwerk alsnog bereiken? Uit het onderzoeksrapport MDT 2025[voetnoot 109], dat onlangs naar uw Kamer is verstuurd, blijkt dat in alle regio’s MDT-plekken beschikbaar zijn. Tegelijkertijd bestaan er in 2025 verschillen tussen regio’s. Daarnaast blijkt dat MDT steeds meer jongeren in verschillende delen van Nederland weet te bereiken. Niet alleen in de grote steden, ook in meer landelijke gebieden is een duidelijke toename van deelname zichtbaar. De MDT-subsidieregelingen kennen geen systematiek waarin regionale spreiding meeweegt in de toekenning van aanvragen. We blijven de regionale spreiding volgen en samen met de regionale samenwerkingsverbanden en hun regiofacilitatoren werken aan het verder versterken van het aanbod en bereik van MDT-projecten en aan het duurzaam verankeren van MDT in de regio. Om beter aan te kunnen sluiten bij de regionale situatie en de behoeften van jongeren in verschillende regio’s verkennen we hoe we in een toekomstig financieringsmodel meer zeggenschap voor de regio kunnen organiseren en daarmee ook kunnen sturen op een landelijk dekkend aanbod. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de staatssecretaris een toelichting kan geven op de huidige wet over informeel onderwijs die het kabinet momenteel voorbereidt. Wat zijn de belangrijkste verschillen met de wet waar onder het vorige kabinet aan werd gewerkt? Deze leden vragen of de Inspectie onder de nieuwe wet over informeel onderwijs niet meer de taak krijgt om toezicht te houden op dit onderwijs. Mocht dit wel het geval zijn, waarom kiest de staatssecretaris hiervoor? Zij vragen of de staatssecretaris kan bevestigen dat de nieuwe wet over informeel onderwijs geen karakter van een ‘sleepnet-wet’ krijgt zoals de wet waar onder het vorige kabinet aan werd gewerkt, waardoor ook bijvoorbeeld de scouting en de zondagsschool onder deze wet zouden vallen. Zo nee, waarom is hier alsnog weer voor gekozen. Zoals aangegeven in het antwoord op de DENK-fractie, wordt op dit moment bezien hoe het beste invulling kan worden gegeven aan de ambitie om in te kunnen grijpen daar waar het informeel onderwijs door buitenlandse overheden wordt gebruikt om onze democratische rechtsstaat te ondermijnen of integratie tegen te werken. Dit najaar komen wij bij uw Kamer terug op de vervolgstappen die dit kabinet wil zetten op dit onderwerp. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitvoering van de gewijzigde motie van het lid Ceder over meer meesters behouden voor het onderwijs. Zijn er afspraken gemaakt met het werkveld? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de verdeling van het totale budget voor de zevende aanvraagronde van de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg tussen de goedgekeurde praktijkplaatsen voor studenten vanuit opleidingen die gericht zijn op respectievelijk een volledig diploma, een certificaat of een praktijkverklaring. Het beschikbare budget voor het 7e aanvraagtijdvak voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is als volgt verdeeld over de diverse opleidingssoorten op basis van het aantal toegekende praktijkplaatsen voor de betreffende opleidingssoort: Opleidingssoort Verdeling budget in % Volledig diploma 17 Certificaat 58 Praktijkverklaring 25 Ook vragen deze leden of het klopt dat minder dan 20 procent van het totale subsidiebedrag terechtkomt bij werkgevers die een praktijkplaats gericht op een praktijkverklaring aanbieden en daarmee dus voor mensen voor wie een mbo-diploma of certificaat (nog) niet haalbaar is. Dat is niet het geval. In totaal is er afgerond 25% van het beschikbare subsidiebudget voor het 7e aanvraagtijdvak terecht gekomen bij werkgevers die een praktijkplaats gericht op een praktijkverklaring aanbieden. Deze leden vragen verder of de minister het wenselijk acht dat zo’n relatief klein deel van het totale subsidiebudget benut wordt om mensen die door het reguliere onderwijs niet worden bereikt toch scholing te kunnen bieden, terwijl werkgevers die een mbo-student een praktijkplaats aanbieden ook al een aanvraag kunnen doen bij de subsidieregeling Praktijkleren. Deze leden vragen of de minister bereid is te verkennen hoe kan worden geborgd dat er voldoende budget beschikbaar is voor werkgevers die leertrajecten aanbieden die afgerond worden met een praktijkverklaring of mbo-verklaring. De subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg valt onder de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De subsidieregeling is op dit moment vervallen per 1 april 2026. De minister van SZW is voornemens de regeling ongewijzigd – op een aantal uitvoeringstechnische zaken na – voort te zetten. Dit is in afwachting van de verdere uitwerking van het beleid aangaande scholing/een leven lang ontwikkelen van werkenden en werkzoekenden. Bij de verdere uitwerking van dit beleid zal er met betrekking tot de subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg gekeken worden naar mogelijke aanscherpingen, waaronder een gerichtere inzet van middelen voor praktijkbegeleiding. Dan zal er ook verkend worden of er voldoende budget beschikbaar is voor werkgevers die leertrajecten aanbieden die afgerond worden met een praktijkverklaring of mbo-verklaring. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de minister kan toezeggen om de aangenomen motie van het lid Ceder over de normen van de WCAG en inclusief digitaal ontwerpen opnemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps uit te voeren? Deze leden lezen dat de minister beleidsopties gaat verkennen, terwijl het dictum van de motie concreet vraagt om de normen van de WCAG en inclusief digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps. Aan de uitvoering van deze motie wordt al samen met de sector gewerkt. Conform het dictum van de motie neemt Samen Inkopen voor Onderwijs Nederland (SIVON) de toegankelijkheidseisen, waaronder de WCAG-normen en inclusief digitaal ontwerpen, mee in nieuwe aanbestedingen van digitale leermiddelen, leerlingadministratie en -volgsystemen en leeromgevingen, websites en apps. Dit is onderdeel van een bredere beleidsaanpak om de toegankelijkheid van (digitale) leermiddelen verder te verbeteren. Zo zal SIVON de toegankelijkheidseisen ook meenemen bij de doorontwikkeling van de keuzecatalogus voor leermiddelen. Daarnaast zijn, met inbreng van de Kwaliteitsalliantie Leermiddelen, toegankelijkheidseisen opgenomen in het kwaliteitskader voor leermiddelen dat het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) en Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in opdracht van OCW ontwikkelen. Scholen en leermiddelenmakers kunnen dit kwaliteitskader vanaf komend schooljaar gebruiken bij de keuze, beoordeling en ontwikkeling van leermiddelen. Tot slot loopt er een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen in het funderend onderwijs. De resultaten hiervan worden deze zomer verwacht en bevatten ook aanbevelingen voor verdere verbetering. Op basis daarvan wordt samen met de sector bezien welke aanvullende stappen nodig en mogelijk zijn om de digitale toegankelijkheid verder te versterken. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitwerking van de €3 miljoen die structureel beschikbaar is voor de techniekhavo dankzij het amendement van het lid Bontenbal c.s.. Wanneer vindt de besluitvorming plaats over de structurele inzet van deze middelen? De middelen die dankzij het amendement Bontenbal c.s. structureel beschikbaar zijn gesteld voor de techniekhavo zijn verwerkt in de subsidieregeling praktijkgerichte havo. Alle scholen die subsidie hebben ontvangen in de eerste en tweede subsidieronde en de grote variant van één of meerdere praktijkgerichte vakken aanbieden, krijgen in 2025, 2026 en 2027 een aanvullende subsidie. Over de inzet van deze middelen vanaf 2028 wordt in 2027 besloten. Naast de subsidieregeling waarmee de opstart en doorontwikkeling van het praktijkgerichte vak in de havo wordt gestimuleerd, ontvangen scholen vanaf 2027 bekostiging voor iedere leerling die het praktijkgerichte vak in de havo volgt. Naar verwachting bedraagt de bekostiging in totaal ca. €16 miljoen per jaar. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat het zou kunnen dat door de invoering van de praktijkgerichte havo minder leerlingen kiezen voor één van de andere profielkeuzevakken, zoals Onderzoek & Ontwerpen (O&O). Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Wat zijn de gevolgen voor scholen en de opgebouwde expertise als minder leerlingen kiezen voor deze profielkeuzevakken? Is de staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met scholen die dergelijke profielkeuzevakken aanbieden en vrezen voor een ongelijk speelveld door de aanvullende bekostiging voor de praktijkgerichte havo en te kijken hoe ongewenste gevolgen kunnen worden ondervangen, zo vragen deze leden. Omdat er een extra keuzevak aan het curriculum wordt toegevoegd, kunnen leerlingen tussen meer vakken een keuze maken. Dat maakt dat het mogelijk is dat er per saldo minder leerlingen kiezen voor een van de andere profielkeuzevakken áls een school ervoor kiest om het praktijkgerichte vak op de havo in te voeren. De gevolgen voor scholen zijn niet voor iedere school hetzelfde. Waar de ene school het praktijkgerichte vak toevoegt aan het bestaande aanbod, kan een andere school ervoor kiezen om het praktijkgerichte vak in te voeren in plaats van een al aangeboden profielkeuzevak, terwijl weer een andere school misschien noch het praktijkgerichte vak, noch een profielkeuzevak als onderzoek en ontwerpen aanbiedt of zal aanbieden. Die keuze ligt in eerste instantie bij de school en daarna bij de leerling. Uiteraard zijn wij altijd bereid om in gesprek te gaan met scholen. Over de relatie tussen de praktijkgerichte vakken en het vak O&O is het ministerie al in gesprek met vertegenwoordigers van de technasia in het havo en vwo. Ondertussen doet SLO onderzoek naar de praktijkgerichte componenten in alle interdisciplinaire vakken op het havo en vwo. Vervolgens zal worden bezien of de uitkomsten van het onderzoek aanleiding geven om te kijken naar de passende randvoorwaarden voor de uitvoering van vergelijkbare vakken. Inbreng van de leden van de SP-fractie De leden van de SP-fractie zien in de beleidsbrief een begin van een omslag van incidentele naar structurele middelen via bijvoorbeeld gerichte bekostiging. Dit biedt langjarige zekerheid waar onderwijsinstellingen bij gebaat zijn en zorgt ook voor meer regie van de politiek op de besteding van middelen. Deze leden vragen of de minister dit als aanzet ziet voor een bredere herziening van de bekostiging van ons onderwijsstelsel waarbij ook bijvoorbeeld de lumpsumfinanciering ter discussie kan worden gesteld en op termijn geheel kan worden afgeschaft en vervangen door gerichtere vormen van bekostiging? Op 2 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd hoe de bekostiging in het funderend onderwijs verder wordt verbeterd.[voetnoot 110] Een belangrijke stap daarin is het afbouwen van (tijdelijke) subsidies en, indien mogelijk, die om te zetten naar structurele bekostiging. Met het nieuwe instrument ‘gerichte bekostiging’ kan de overheid meer regie nemen op prioritaire thema’s door hiervoor (tijdelijk) verplichtingen te verbinden aan de bekostiging. Het wetsvoorstel om gerichte bekostiging mogelijk te maken is op 1 juli jongstleden ingediend bij uw Kamer. Gerichte bekostiging is bedoeld voor selectieve inzet.De basisbekostiging met bestedingsvrijheid blijft in stand. Wel kan gerichte bekostiging, naast de basisbekostiging, bijdragen aan gerichte en effectieve besteding op en meer inzicht geven in specifieke prioritaire thema’s. De leden van de SP-fractie vragen welke maatregelen eventueel genomen worden om al bevoegde leerkrachten weer te stimuleren om in het onderwijs aan de slag te gaan. Kan de minister toelichten in hoeverre het beleid zich ook op deze kansrijke groep richt? Met alle maatregelen om het beroep aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld de investeringen in het salaris, ontwikkeling van leraren en de aanpak van de werkdruk, willen we ook oud-leraren overtuigen weer actief een loopbaan als leraar op te pakken. Daarvoor is goed werkgeverschap nodig, bijvoorbeeld door het bieden van een zogenoemde opfriscursus om de stap naar de klas te begeleiden. Samen met de sector werken we eraan om scholen weer aantrekkelijk te maken voor een loopbaan in het onderwijs. Recent onderzoek van DUO naar de stille reserve en herintreders laat zien dat de afgelopen 10 jaar de stille reserve is afgenomen en meer leraren de weg naar de klas hebben teruggevonden. Zo was er in 2024 in het po en vo/mbo sprake van 3000 herintreders. De leden van de SP-fractie lezen dat om het lerarentekort terug te dringen, gewerkt wordt aan het “meer activerend maken van de bovenwettelijke werkloosheidsregelingen”. Kan de minister toelichten hoe het onaantrekkelijker maken van de arbeidsvoorwaarden van leerkrachten het beroep aantrekkelijker zal maken? Wij vinden het belangrijk dat leraren die willen en kunnen werken aan het werk zijn. Ook als je onverhoopt werkloos bent geworden. Om te voorkomen dat leraren onnodig lang thuis zitten en iedereen voor de sector behouden blijft, is activerend werkloosheidsbeleid essentieel. Dat vraagt zowel iets van de werkgevers als werknemers en voor beide geldt dat een financiële prikkel mede nodig is om de periode van werkloosheid zo kort als nodig te houden. Van werkgevers verwachten wij dat ze goed personeelsbeleid voeren, waarbij de nadruk ligt op re-integratie van de werkloze in de eigen organisatie of ondersteuning van werk naar werk. Om werkgevers hiertoe te stimuleren is onlangs in het voortgezet onderwijs de eigen bijdrage voor de werkgever in de werkloosheidskosten verhoogd van 25% naar 50%.[voetnoot 111] Van werknemers verwachten we een actieve houding voor terugkeer naar het onderwijs. Over het meer activerend maken van de werkloosheidsregeling maken de sociale partners afspraken in de cao. De leden van de SP-fractie vragen wat de uitgangspunten zijn voor de contouren van een wetsvoorstel voor verplichte stagevergoedingen die nog voor de zomer aan de Kamer gestuurd zouden worden en komen hier ook de plannen van dit kabinet voor een stagefonds in terug. Zo nee, wanneer horen we daar meer over? Op 3 juli hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de contouren van het wetsvoorstel voor een verplichte stagevergoeding voor studenten.[voetnoot 112] Zoals in de Kamerbrief omschreven kiezen wij er niet voor om een subsidieregeling of een publiek-privaatfonds in te richten om stagebedrijven te compenseren voor het uitkeren van een stagevergoeding aan studenten. De afbakening van een fonds of subsidieregeling is lastig en het risico op onbedoeld gebruik is groot. De leden van de SP-fractie lezen dat het kabinet werkt aan wijziging van de financiering voor zowel het mbo als voor het hbo en wo om deze minder afhankelijk te laten zijn van fluctuaties in studentenaantallen. Deze leden zien dit als een positieve ontwikkeling, maar vragen of bij de wijziging van de financiering ook expliciet gekeken wordt naar stevigere publieke sturing van en controle op de besteding van middelen? Daarnaast vragen zij zich af of ook kritisch gekeken wordt naar het beperken of afschaffen van de lumpsumfinanciering. Deze leidt immers tot negatieve prikkels door de sturing op studentenaantallen en diplomaproductie in plaats van onderwijskwaliteit en maatschappelijke behoefte. Deze leden constateren dat in het recente onderzoek van PwC naar varianten voor het nieuwe bekostigingsstelsel voor het mbo de lumpsumfinanciering als zodanig niet ter discussie wordt gesteld. Kan de minister toelichten waarom daar niet voor is gekozen? Het kabinet is van mening dat lumpsumbekostiging met decentrale bestedingsvrijheid aanzienlijke voordelen biedt ten opzichte van andere vormen van bekostiging, zoals declaratiebekostiging, geoormerkte budgetten of sterk centraal gestuurde financiering. Deze voordelen betreffen vooral doelmatigheid, lagere administratieve lasten, professionele autonomie, ruimte voor maatwerk en betere integrale besluitvorming. De belangrijkste risico's – zoals beperkte transparantie, vermogensvorming en verschillen tussen besturen – kunnen grotendeels worden beperkt door goed toezicht, governance en publieke verantwoording. Het kabinet is daarom van mening dat lumpsum, mits ingebed in een robuust verantwoordingsstelsel, de meest geschikte hoofdvorm van onderwijsbekostiging is voor de Nederlandse context. Bij de herziening van de bekostiging is daarom vastgehouden aan het uitgangspunt van lumpsumfinanciering. Zoals aangegeven in antwoord op de leden van de JA21-fractie blijft het wel mogelijk om gericht te sturen op specifieke opgaven. De decentrale bestedingsvrijheid binnen de lumpsum betekent niet dat er niet wordt gestuurd op de kwaliteit van het onderwijs. De minister van OCW is stelselverantwoordelijk voor de onderwijskwaliteit. Deze verantwoordelijkheid wordt niet alleen ingevuld via de bekostiging. Zo stelt OCW wettelijke kaders, houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de naleving daarvan en worden instellingen waar nodig ondersteund bij het verbeteren van de kwaliteit. Daarnaast zet het kabinet gericht in op de professionalisering van docenten en onderwijsteams, het versterken van de basisvaardigheden van studenten en kennisontwikkeling en praktijkgericht onderzoek. Het versterken van de onderwijskwaliteit is daarmee een topprioriteit binnen het mbo-beleid. Uw Kamer zal hierover in het najaar van 2026 nader worden geïnformeerd. De leden van de SP-fractie zijn positief over de investering van dit kabinet in onderzoek en wetenschap, maar hebben daarbij zorgen over de verdeling van de middelen. Hoe ziet de minister de verdeling tussen publieke en private investeringen en hoe gaat de minister er zorg voor dragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor ongebonden onderzoek? In de praktijk zien we dat veel onderzoek gefinancierd wordt uit een mix van publieke en private middelen, via de tweede geldstroom (bijvoorbeeld vanuit de NWO) of dat publieke middelen ingezet worden als matching (bijvoorbeeld bij Europese beurzen). Is de minister bereid ook extra te investeren in echt ongebonden onderzoek via de eerste geldstroom van universiteiten? Wij achten een goede balans tussen de verschillende geldstromen en tussen publieke en private investeringen van groot belang voor een sterk en toekomstbestendig onderzoeks- en innovatiestelsel. De verschillende vormen van financiering vervullen ieder een eigen rol en versterken elkaar. Juist deze samenhang draagt bij aan een breed, kwalitatief hoogwaardig en weerbaar kennisstelsel dat ruimte biedt voor uiteenlopende vormen van onderzoek. Het kabinet onderschrijft daarbij het belang van ongebonden onderzoek als fundament voor wetenschappelijke vernieuwing en toekomstige doorbraken. Ongebonden onderzoek wordt gefinancierd vanuit verschillende geldstromen, waaronder de eerste geldstroom van universiteiten en de competitieve financiering via onder meer NWO en de EU. Dit kabinet investeert onder andere in de eerste geldstroom van universiteiten, bijvoorbeeld via de sectorplannen en de werkdrukmiddelen. Dit biedt ruimte voor de instellingen om te investeren in het ongebonden onderzoek. De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre bij de nieuwe verdeling van de middelen rekening wordt gehouden met onderwijs en onderzoek dat gereorganiseerd of geschrapt is vanwege de bezuinigingen van het kabinet-Schoof inclusief de staande bezuinigingen van 2026? Met de Beleidsbrief OCW 2026 – 2030 hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de keuzes die we hebben gemaakt met betrekking tot de investeringen op de begroting van OCW. De keuzes rondom het terugdraaien van bezuinigingen zijn onderdeel geweest van de bredere en integrale afweging aan de formatietafel over de gehele Rijksbegroting. Met het coalitieakkoord heeft het kabinet structureel € 1,5 miljard beschikbaar gesteld voor onderwijs en wetenschap. Binnen het funderend onderwijs is voornamelijk op grote subsidieregelingen zoals school en omgeving en brede brugklas bezuinigd door kabinet Schoof. De teruggedraaide bezuinigingen worden voor dezelfde doelen ingezet. Voor het vervolgonderwijs en onderzoek geldt dat een aantal bezuinigingen worden teruggedraaid en er aanvullend geïnvesteerd wordt in onderwijs en onderzoek. De inrichting van het huidig onderwijslandschap geeft mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten een hoge mate van autonomie en vormvrijheid om onderwijs en onderzoek te organiseren. Het stelt ze in staat om zorgvuldige keuzes te maken over de inhoud van het onderwijs en onderzoek en de ondersteunende diensten met zo min mogelijk impact op het primaire proces. Hoe de onderwijsinstellingen de vorige bezuinigingen hebben doorgevoerd valt tevens onder de autonomie van de instelling. De gevolgen van de bezuinigingen op onderwijs en onderzoek verschillen daarom per instelling omdat dit afhankelijk is van de wijze waarop instellingen de bezuinigingen hebben vormgegeven. De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre bij de verdeling van de extra middelen uit het Coalitieakkoord rekening wordt gehouden met bestaande verschillen in financiering in de bèta-, medische en andere wetenschappen. Het kabinet vindt het van belang om te investeren in alle wetenschapsdomeinen. Voor de precieze verdeling en uitgebreide toelichting hierop verwijzen wij u naar de Kamerbrief ‘Nadere uitwerking investeringen onderzoek en wetenschap’ van 26 juni 2026.[voetnoot 113] Wat betreft de langjarige financiering per student wijzen wij u op de beantwoording van de motie Van der Woude en Van der Graaf van 25 oktober 2023, waarin een analyse is gemaakt voor de verdeling van de onderwijs- en onderzoeksmiddelen tussen de domeinen alfa, bèta, gamma en medisch.[voetnoot 114] Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 144. WRR (2024), Aandacht voor media. Naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies. In de Wet op het specifiek cultuurbeleid en de Erfgoedwet ontbreken nog altijd een bepaling naar analogie met artikel 2.144 van de Mediawet 2008. Podcast Zo simpel is het niet, d.d. februari 2026 ‘De Nederlandse leerprestaties gaan hard achteruit. Worden werknemers straks te dom’ PISA 2022 Results (Volume I & II) Country Notes: Netherlands (https://www.oecd.org/en/publications/pisa-2022-results-volume-i-and-ii-country-notes_ed6fbcc5-en/netherlands_0941b029-en.html) Kamerstuk 27 923, nr. 532. Bijlage bij Kamerstuk 35300-VIII, nr. 160; 2020D15633. Bijlage bij Kamerstuk 31293, nr. 856; 2025D50350. https://www.deliniaal.nl/tag/nummer-2-jaargang-2-2026/ Raad van State, d.d. 13 april 2026, Advies over wetsvoorstel uitwerking burgerschapsopdracht WEB (https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/april/advies-wetsvoorstel-burgerschapsopdracht) Raad van State, d.d. 25 maart 2026 ‘Staatssecretaris OCW moet 222 schoolbesturen nog personeelskosten betalen’ (https://www.raadvanstate.nl/actueel/nieuws/maart/ocw-moet-222-schoolbesturen-betalen/) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/10/24/de-circulaire-economie-als-kansensector Monitor BKN, 2024: https://www.uwv.nl/nl/arbeidsmarktinformatie/kansen-beroep/kansrijke-beroepen Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 118. Kamerstuk 31 293, nr. 853. Web Content Accessibility Guidelines Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 120. Kamerstuk 36 600-VIII, nr. 141. Kamerstuk 31 289, nr. 606. Kamerstuk 31 524, nr. 691. Kamerstukken II 2025-2026, 36800-VIII-148. Zie o.a. CPB memo 14 juli 2021, Reactie CPB op verzoek van de Minister van OCW nav motie Paternotte en Bruins Eerste Kamer der Staten-Generaal, CPB ‘Brede welvaartseffecten van onderwijs’, oktober 2023 Bredewelvaartseffecten van onderwijs | CPB Website, CPB kansrijk onderwijsbeleid, 20 juni 2016, Kansrijk onderwijsbeleid | CPB Website, SEO november 2025 ‘Slimme investeringen’, Slimme investeringen; Naar een kwantificering van de BBP-effecten van investeringen in onderwijs en onderzoek en ontwikkeling - SEO Economisch Onderzoek, Baarsma en d’Orey Neves, ESB 13 augustus 2024, Onderwijs belangrijkste determinant van groei arbeidsproductiviteit - ESB Kamerstukken II 2025-26, 36800-VIII-143. Zie voor een nadere beschrijving https://www.cpb.nl/publicatie/het-human-capital-model-van-het-cpb Zie CPB “Keuzes in Kaart 2027-2030” Zie bijvoorbeeld https://www.rabobank.nl/kennis/d011506777-de-weg-naar-hogere-economische-groei Kamerstukken II 2025-26, 36800-VIII-143. Kamerstukken II, 2025-2026, 29362, nr. 406. Kamerstukken II, 2026-2027, 29362, nr. 408 Blatchford et al. (2009). Deployment and Impact of Support Staff in Schools: Strand 2, Wave 1. London: DCSF. Alborz, A., Pearson, D., Farrell, P., Howes, A. (2009) 'The Impact of Adult Support Staff on Pupils and Mainstream Schools’. Kamerstukken II 2025-2026, 27923, nr. 518. Kamerstukken II, 2025/2026, 31293 nr. 883 Kamerstukken II, 2025/2026, 31 497, nr. 513 Kamerstukken II, 2025/26, 31 293, nr. 865 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/09/19/tussenevaluatie-een-slimmer-collegejaar Kamerstukken II, 2024/2025, 31524, nr. 690 De Regiegroep Stagepact biedt een overleg- en besluitvormingsstructuur tussen de ondertekenaars van het Stagepact voor onderlinge samenwerking ter realisatie van doelstellingen van het Stagepact MBO Kamerstukken II, 2025-2026, 31524 nr. 710 Kamerstukken II, 2025-2026, 30012 nr. 170 Kamerstukken II, 2025-2026, 31288 nr. 1265 Kamerstukken II, 2025/26, 32637 nr. 746. Toezegging TZ202601-039 Toezegging TZ202604-198 Zie ook het rapport ‘Where culture lives’ onderzoeksresultaten, conclusies en aanbevelingen van juni 2026 (https://open.overheid.nl/details/dcee7ec0-7668-4f9c-b866-1af9c3eab1d9). Dit rapport maakt een begin met monitoring van cultuurbeoefening in het Caribisch deel van het Koninkrijk op een manier die aansluit bij de praktijken die op de eilanden leven. Kamerstukken II, 2025-2026, 32820, nr. 576 Kamerstukken II, 2025-2026, nr. 1432. Voor het mbo geldt dat voor de SPUK Regionaal Programma de middelen worden ingezet ten behoeve van herziening bekostiging mbo. Budgettair wordt de bezuiniging teruggedraaid maar wordt er geherinvesteerd ten behoeve van andere prioriteiten. Kamerstukken II, 2025/2026, 27923 nr. 539 Kamerstukken II, 2022-2023, 36200-VIII, nr. 218 Kamerstukken II, 2025-2026, 31524, nr. 711 Kamerstukken II, 2025-2026, 31288, nr. 1259 Kamerstukken II, 2025-2026, 31293, nr. 874 Kamerstukken II, 2025-2026, 30012 nr. 170 Toezegging TZ202601-039 Toezegging TZ202604-198 Commissiedebat Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur, 9 april 2026 (Kamerstuk 32034, nr. 81). Kamerstukken II, 2025/26, 32 034, nr. 79 Commissiedebat Digitalisering, leermiddelen en ondersteuningsstructuur, 9 april 2026 (Kamerstuk 32034, nr. 81). https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2020/08/25/handreiking-voorschoolse-educatie-voor-peuters-in-de-asielopvang Bijlage bij Kamerstuk 35034, nr. 36; 2026D28341 Kamerstukken II, 2025-2026, 31524 nr. 711 Kamerstukken II, 2025-2026, 36630, nr. 3 Kamerstukken II, 2025 – 2026, 27 923, nr. 539. Kamerstukken II, 2024/25, 36 740 VII, nr. 28 Kamerstukken II, 2025/26, 31293, nr. 879 Kamerstukken II 2025/26, 36981 Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 879 Kamerstukken II 2025/26, 31293, nr. 879 Maastricht University (2026), Een kwestie van lange adem; Historische analyse van het beleid op het terrein van het lerarentekort; Kohnstam instituut (2025): TALIS 2024; De werk- en leeromgeving op school in beeld; Onderwijsraad (2024), Een stevige stem; CAOP (2023), Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap; Onderwijsraad (2018), Een krachtige rol voor schoolleiders Kamerstukken II, 2025 – 2026, 27 923, nr. 518. Bijlsma, H. J. E., & Bosman, A. M. T. (2025), p. 5. Bijlsma, H. J. E., & Bosman, A. M. T. (2025), Inventarisatie curricula voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs. Radboud Universiteit en Inspectie van het Onderwijs. Het gehele rapport is te raadplegen via: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/09/09/rapport-inventarisatie-curricula-voltijdroutes-naar-het-leraarschap-primair-onderwijs. Kamerstukken II, 2025-2026, 31524, nr. 710 Dialogic (2024). Verkennend Onderzoek Minimumstagevergoeding. https://open.overheid.nl/documenten/45939f58-b713-426f-8d4a-0fad8f6cc3aa/file https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/51/stages-en-banen-van-studenten-in-het-mbo-en-ho-op-detailniveau-2024-2025 https://www.cpb.nl/system/files/cpbmedia/omnidownload/CPB-Publicatie-Stagevergoedingen.pdf Kamerstukken II 2024/2025, 31 524, nr. 657 Kamerstukken II 2024-2025, 36600-VIII, p. 13 Kamerstukken II 2023-2024, 31 288, nr. 1119 UNL. 2025. Bindende bestuurlijke afspraken zelfregievoorstel internationalisering april 2025. Te raadplegen via: https://www.universiteitenvannederland.nl/files/publications/Bindende bestuurlijke afspraken zelfregie internationalisering 15 april 2025.pdf VH. 2024. Zelfregie hbo internationalisering. Te raadplegen via: https://open.overheid.nl/documenten/dpc-2e9ff724e523d6cd4b533ec47ef614da6f4218f6/pdf Volgens het UNL-dashboard Zelfregieplan VH 2024. Aanhangsel Handelingen II, 2025/26, nr. 2171. https://jobmbo.nl/wp-content/uploads/2026/05/JOB-monitor-2026.pdf Kamerstukken II, 2025-2026, 31524, nr. 711 Kamerstukken II, 2023–2024, 31 288, nr. 1111 en Kamerstukken II, 2025–2026, 24 724, nr. 249 De structurele kosten zijn in prijspeil studiejaar 2025–2026 en indicatief. Bij invoering van deze maatregel moeten de indicatieve kosten geactualiseerd worden aan de hand actuelere cijfers over studentenaantallen, het aantal uitschrijvingen en de tarieven van het les- en cursusgeld in het actuele prijspeil. Kamerstukken II, 2025-2026, 31524 nr. 710 Kamerstukken II, 2025/2026, 31497 nr. 514 Kamerstukken II, 2025/2026, 31524 nr. 710 https://www.rijksoverheid.nl/themas/onderwijs/middelbaar-beroepsonderwijs/stagepact-mbo Kamerstukken II, 2024/2025, 31524, nr. 690 De Regiegroep Stagepact biedt een overleg- en besluitvormingsstructuur tussen de ondertekenaars van het Stagepact voor onderlinge samenwerking ter realisatie van doelstellingen van het Stagepact MBO. Kamerstukken II, 2025-2026, 31524 nr. 710 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2024/03/22/manifest-tegen-stagediscriminatie-hoger-onderwijs en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2024/03/22/werkprogramma-tegen-stagediscriminatie-hoger-onderwijs Kamerstukken II 2025/26, 30 821, nr. 337 ECLI:NL:HR:2026:658 https://www.ingrado.nl/actueel/items/handreiking-omgaan-met-vrijstellingen-5-onder-b-na-uitspraak-hoge-raad Kamerstukken II, 2025/26, 31 293, nr. 865. Kamerstukken II, 2024/25, 31 293, nr. 771; Kamerstukken II, 2022/23, 36 200 VIII, nr. 190; Kamerstukken II, 2023/24, 31 289, nr. 580. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 VIII, nr. 93; Kamerstukken II, 2025/26, 36 800 VIII, nr. 104. Kamerstukken II, 2025/26, 36 773, nr. 7. Kamerstukken II, vergaderjaar 2025 – 2026, 31 293, nr. 878. Kamerstukken II, 2025/26, 31293 nr. 876. Zie ook Kamerstukken II, 2025/26, 35050, nr. 64. Stcrt 2026, 20527. Zie bijvoorbeeld de samenwerking van MBO Amersfoort met Rataplan+: https://www.mboamersfoort.nl/studeren-bij-mbo-amersfoort/onderwijs-in-bedrijf/rataplan Bijlage bij Kamerstuk 35034, nr. 36; 2026D28341 Kamerstukken II, 2025/26, 31293, nr. 879 Stcrt 2026, 22423 Kamerstukken II, vergaderjaar 2026 – 2026, 31 524, nr. 710. Kamerstukken II 2025-2026, 31288 nr. 1265 Kamerstukken II 2023-2024, 31288, nr. 1087
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.