Reactie op een drietal burgerbrieven over o.a. stelsel sociale zekerheid en toeslagen voor gepensioneerden
Brontekst
Versie 28dab57fc0fac553 · officiële bronGeachte voorzitter, De vaste commissie voor SZW heeft gevraagd om een reactie op een drietal brieven die de commissie ontving van burgers. Met deze brief reageer ik op deze drie brieven. Brief over stelsel sociale zekerheid en toeslagen voor gepensioneerden Op 21 mei 2026 vroeg de commissie voor SZW om een reactie op de brief van IJ. te L. d.d. 23 april 2026 over de gevolgen van het huidige stelsel van sociale zekerheid en toeslagen voor gepensioneerden (kenmerk 2026Z08980/2026D23765). De schrijver van de brief vreest dat de indexatie van aanvullend pensioen per 1 juli 2026 per saldo tot een inkomensdaling zal leiden, als gevolg van belastingheffing, een huurverhoging en de afbouw van de huur- en zorgtoeslag. Bij zijn brief is ook een rekenvoorbeeld gevoegd, bedoeld om de illustreren hoe groot de inkomensachteruitgang zou zijn. Het rekenvoorbeeld dat de briefschrijver heeft bijgevoegd lijkt onvolkomenheden te bevatten. Toeslagen worden weliswaar afgebouwd vanaf een bepaald inkomen, maar dit gaat geleidelijk. Een bruto-inkomensstijging leidt daarom in principe niet tot een netto-inkomensdaling. In de bijlage bij deze brief vindt u het rekenvoorbeeld dat aansluit bij de situatie van de briefschrijver en bij de feitelijke werking van het belasting- en toeslagenstelsel en de sociale zekerheid. Deze berekening toont aan dat het besteedbaar inkomen (inclusief toeslagen) juist stijgt in plaats van daalt, met ongeveer € 85 per maand. Reactie Voor mij toont deze brief dat het huidige stelsel van belastingen, toeslagen en sociale zekerheid te complex is. Als gevolg daarvan is het voor veel mensen lastig om na te gaan wat de gevolgen zijn van een inkomensverandering. Of mensen denken zelfs dat ze erop achteruitgaan als hun inkomen stijgt, wat (onnodig) stress kan opleveren. Dat signaal lees ik ook in deze brief. Op dit moment lopen er verschillende acties om mensen te helpen meer inzicht te geven in de gevolgen van een inkomensverandering, en om terugvorderingen van toeslagen te voorkomen. Mensen kunnen bijvoorbeeld gebruikmaken van de WerkUrenBerekenaar om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van meer of minder uren werken. En via de website van Dienst Toeslagen kan een proefberekening worden gemaakt om de gevolgen van een inkomensverandering op de hoogte van toeslagen inzichtelijk te maken. Het heeft de voorkeur dat mensen deze instrumenten gebruiken om na te gaan wat hen te wachten staat en niet van onofficiële bronnen. We zien een toename in het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI). Daarbij kan de overheid niet instaan voor de juistheid van de verstrekte informatie, terwijl deze informatie veel onnodige onrust en stress kan veroorzaken. Daarnaast neemt het kabinet verschillende maatregelen om het risico op terugvorderingen te verkleinen. Burgers krijgen bijvoorbeeld bericht van Dienst Toeslagen wanneer uit contra-gegevens blijkt dat het geschatte inkomen en kinderopvanggegevens (sterk) afwijken. Indien beide gegevens betrouwbaar zijn, wordt de hoogte van de toeslag aangepast om terugvorderingen te voorkomen. Bovendien is Dienst Toeslagen bezig met het verder ontwikkelen van het muteren van inkomensgegevens, zodat terugvorderingen op basis van een inkomensstijging afnemen. Verder probeert Dienst Toeslagen in de algemene en gerichtere dienstverlening en communicatie mensen zo goed mogelijk te wijzen op het actueel houden van voor toeslagen relevante gegevens. Maar ook het stelsel zelf is aan herziening toe. Het kabinet werkt aan stapsgewijze vereenvoudigingen in het fiscale, sociale zekerheids- en toeslagenstelsel. Uitgangspunten daarbij zijn eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid voor mensen, en dat werken moet lonen. De staatssecretaris van Financiën stuurt voor het eind van 2026 zijn hervormingsagenda aan de Tweede Kamer. Brief over de positie van modale alleenverdieners en middeninkomens Op 16 juni 2026 vroeg de commissie voor SZW om een reactie op de brief van J.K. d.d. 26 mei 2026 over de positie van modale alleenverdieners en middeninkomens (kenmerk 2026Z11635/2026D30496). De schrijver van de brief stelt dat veel gezinnen met een middeninkomen steeds meer moeite hebben om rond te komen. Zij hebben te maken met stijgende kosten van levensonderhoud, maar komen niet in aanmerking komen voor ondersteuning zoals toeslagen. De schrijver licht dat toe aan de hand van een beschrijving van zijn persoonlijke situatie: zijn gezin bestaat uit een werkende vader, een moeder met een Wajong-uitkering en een dochter van 6 jaar oud, en beschikt over een netto-inkomen van ongeveer € 4.300 per maand. Hij vraagt om bij het maken van beleid meer rekening te houden met de positie van alleenverdieners en middeninkomens. Bijvoorbeeld door de inkomensgrenzen voor toeslagen te verhogen, de toegang tot betaalbare woningen te verbeteren, en de zorgkosten voor werkende gezinnen te verlagen. Reactie Het klopt dat een gezin in deze situatie niet (of beperkt) in aanmerking komt voor aanvullende ondersteuning zoals toeslagen of gemeentelijke regelingen, en dat ook de toegang tot voorzieningen zoals sociale huur beperkt is. Het beeld dat een huishouden met bijstand per saldo meer te besteden zou hebben dan de briefschrijver, klopt overigens niet.[voetnoot 1] En in de financiële onderbouwing lijkt ook geen rekening te zijn gehouden met vakantiegeld (8% van het bruto-inkomen) en kinderbijslag (omgerekend ongeveer € 120 per maand). Dit verandert overigens de conclusie niet dat een gezin in deze situatie niet (of beperkt) in aanmerking komt voor aanvullende ondersteuning. Ik weet ook van mijn contacten met mensen dat veel mensen het lastig vinden om rond te komen. Tegelijkertijd is de gedachte achter veel inkomensregelingen (zoals toeslagen) dat deze primair bedoeld zijn voor huishoudens met lagere inkomens. Een netto-inkomen van € 4.300 per maand (zoals in het geval van de briefschrijver) komt ongeveer overeen met een inkomen tussen 1,5 en 2 keer modaal. Ons stelsel is gebaseerd op de aanname dat huishoudens met een dergelijk inkomensniveau grotendeels zelf in de kosten van levensonderhoud kunnen voorzien De briefschrijver doet een aantal suggesties die ik begrijp, maar die ook nadelige consequenties hebben. Een verhoging van de inkomensgrenzen van de toeslagen zou bijvoorbeeld extra ondersteuning bieden aan huishoudens met een hoger inkomen, maar daar zou tegenover staan dat meer huishouden te maken krijgen met de afbouw van toeslagen en dat andere belastingen moeten worden verhoogd om dit te bekostigen. Daardoor stijgt de marginale druk voor veel huishoudens. Meer werken wordt hierdoor minder lonend. Het zou ook leiden tot een verergering van de problemen die gepaard gaan met toeslagen, zoals terugvorderingen en onzekerheid. Ook een verlaging van de zorgkosten moet bekostigd worden door hogere belastingen met alle nadelige gevolgen van dien. En het verruimen van de toegang tot sociale huurwoningen zou de wachtlijsten die er nu al zijn voor sociale huurwoningen verder doen toenemen. Dat laat zien dat het voeren van beleid vaak lastige afwegingen met zich meebrengt. Brief over de positie van alleenstaande werkenden Op 17 juni 2026 vroeg de commissie voor SZW om een reactie op de brief van M.G. d.d. 13 mei 2026 over de positie van alleenstaande werkenden (kenmerk 2026Z11637/2026D30458). De schrijver van de brief vraagt aandacht voor de positie van alleenstaanden die in voltijd werken en zelf de kosten van levensonderhoud dragen. De brief stelt dat de positie van alleenstaande werkenden vaak over het hoofd wordt gezien, en doet een aantal suggesties om nadrukkelijker rekening te houden met alleenstaanden, zoals een verlaging van woonlasten, tegemoetkoming in de zorgkosten of fiscale maatregelen die de koopkracht van alleenstaanden versterken. Reactie Ik herken dat het voor alleenstaanden in sommige gevallen moeilijker is om rond te komen dan voor samenwonenden. Twee alleenstaanden die gaan samenwonen, kunnen immers kosten delen, zoals de kosten van een huis, boodschappen en energie. Alleenstaanden hebben deze mogelijkheid niet. Ik kan me voorstellen dat dit niet altijd eerlijk voelt. Het is immers niet altijd een vrijwillige keuze om alleenstaand te zijn. Tegelijkertijd vind ik ook dat als twee mensen een keuze maken die hun voordeel oplevert (zoals samenwonen), dat niet meteen betekent dat alle mensen die dit voordeel niet hebben gecompenseerd moeten worden. In beleid wordt overigens zeker ook wel rekening gehouden met alleenstaanden. Bijvoorbeeld bij de toeslagen, AOW en bijstand. Zo wordt de zorgtoeslag afgebouwd vanaf hetzelfde inkomen voor alleenstaanden als voor paren, waardoor paren met twee inkomens sneller te maken krijgen met de afbouw van de zorgtoeslag of geen recht meer hebben op zorgtoeslag. Bij de huurtoeslag en het kindgebonden budget ligt het afbouwpunt bij lange na niet twee keer zo hoog voor paren. Alleenstaande ouders met kinderen ontvangen bovendien extra ondersteuning via het kindgebonden budget (de alleenstaande ouderkop). Voor de AOW en bijstand geldt dat alleenstaanden 70% van de bruto uitkeringen krijgen van paren, dus aanzienlijk meer dan de helft. Tot slot De verschillende brieven – afkomstig van een gepensioneerde, een alleenverdiener met een middeninkomen, en een alleenstaande – onderstrepen dat het belangrijk is om bij het voeren van inkomensbeleid aandacht te hebben voor de perspectieven van verschillende groepen. Dat is ook de reden dat er bij besluitvorming over koopkracht de impact op verschillende groepen in kaart gebracht wordt. Dit helpt om bewuste afwegingen en keuzes te maken. Ik zie deze brieven als een aanmoediging om bij het maken van beleid voortdurend rekening te houden met de belangen van verschillende groepen en hierin een balans te zoeken. Daarnaast zie ik het als een aansporing om te blijven werken aan een herziening van het stelsel van belastingen en toeslagen, met als uitgangspunten eenvoud in de uitvoering, duidelijkheid en voorspelbaarheid voor mensen, en werken moet lonen. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief Bijlage: Berekening gevolgen inkomensverandering bij indexatie aanvullend pensioen Bij de brief van IJ. te L. over de inkomensgevolgen van de indexatie van aanvullend pensioen was ook een berekening meegezonden. Deze berekening leek een aantal onvolkomenheden te bevatten, dus de berekeningen zijn opnieuw gemaakt. De berekeningen in deze bijlage zijn gebaseerd op de aanname dat het gaat om een alleenstaande AOW’er met een bruto aanvullend pensioen dat de schrijver zelf opnam in een van de rekenvoorbeelden. Tabel 1 toont de inkomensgevolgen van de pensioenindexatie die aansluiten bij de feitelijke werking van het belasting- en toeslagenstelsel en de sociale zekerheid. De AOW wordt halfjaarlijks (per 1 januari en 1 juli) geïndexeerd. Daarnaast geeft de briefschrijver aan dat er twee aanvullende pensioenen zijn verhoogd.[voetnoot 2] Dat leidt tot een hoger bruto-inkomen van in totaal € 138 op maandbasis. Een deel van dit extra inkomen moet worden afgedragen aan belasting en IAB Zvw, maar netto blijft er € 108 op maandbasis over. Een hoger inkomen leidt er ook toe dat de huurtoeslag € 22 lager uitvalt.[voetnoot 3] In tegenstelling tot wat de briefschrijver vermoedt is er nog geen sprake van afbouw van de zorgtoeslag. Per saldo stijgt het besteedbaar inkomen met € 86 per maand. Tabel 1 Verandering van het inkomen op basis van de beschikbare gegevens van IJ. te L. Inkomensdeel 1-jan 1-jul Bruto AOW (1) € 1.638 € 1.662 Bruto aanvullend pensioen (2) € 576 € 690 Belastbaar maandinkomen (tabelloon) (3) € 2.214 € 2.352 Te betalen belasting (groene tabel) (4) € 48 € 72 Te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (5) € 107 € 114 Netto inkomen (6 = 3-4-5) € 2.058 € 2.166 Huurtoeslag (7) € 326 € 304 Zorgtoeslag (8) € 129 € 129 Netto inkomen plus toeslagen (9 = 6+7+8) € 2.513 € 2.599 Verschil per maand na stijging pensioen € 86 In de eerste plaats zijn de inkomsten lager dan het rekenvoorbeeld van de briefschrijver doet vermoeden: in een huishouden waarin de ene partner een Wajong-uitkering ontvangt, wordt het inkomen van de andere niet-werkende partner aangevuld tot de bijstandsnorm voor paren. Die aanvulling is lager dan 50% van de bijstandsnorm voor paren. In de tweede plaats is relevant dat de bedragen voor uitgaven in de voorbeeldbegrotingen van het Nibud geen normatieve waarde hebben. In de meeste voorbeeldbegrotingen van het Nibud (zoals begrotingen voor een inkomen rond minimumloon of modaal) staan bijvoorbeeld hogere bedragen dan in de minimumvoorbeeldbegrotingen. De reden hiervoor is dat hogere inkomens in de praktijk vaak meer geld uitgeven aan bijvoorbeeld kleding of sociale participatie. Maar dat betekent niet dat hogere inkomens altijd hogere uitgaven moeten doen. Feitelijk wordt in de voorbeeldbegrotingen voor hogere inkomens dus al rekening gehouden met een hogere levensstandaard. Dat maakt de bedragen in verschillende begrotingen niet altijd een-op-een vergelijkbaar. De aanname is dat het aanvullend pensioen € 576 bruto per maand bedraagt voor indexatie en € 690 bruto per maand na indexatie. Daarbij is aangenomen dat de indexatie van aanvullende pensioenen plaatsvond per 1 juli (net als de AOW). Bij het effect van een hoger inkomen op de huurtoeslag spelen verschillende mechanismes een rol. In de eerste plaats het directe afbouweffect: elke euro hoger inkomen leidt in principe tot een lagere huurtoeslag voor huurtoeslagontvangers met een inkomen op het afbouwpad. Voor alleenstaanden is dat 27 cent minder huurtoeslag per extra euro inkomen. In de tweede plaats speelt mee dat er bij een inkomensstijging halverwege het jaar tot gevolg heeft dat er in de eerste helft van het jaar eigenlijk te veel huurtoeslag is ontvangen. Hiervoor moet in de tweede helft van het jaar worden gecorrigeerd door te veel betaalde huurtoeslag in te houden. In de derde plaats speelt mee dat de huurstijging per 1 juli leidt tot een hogere huurtoeslag. Dit dempt het effect van een hoger inkomen op de huurtoeslag. De huurtoeslagdaling van € 22 in dit rekenvoorbeeld is de optelsom van al deze drie factoren. Datum 7 oktober 2026 Onze referentie 2026-0000186648 Datum 7 oktober 2026 Onze referentie 2026-0000186648 Pagina 1 van 1 Pagina 1 van 1 Postbus 90801 2509 LV Den Haag T 070 333 44 44 Onze referentie 2026-0000186648 Postbus 90801 2509 LV Den Haag T 070 333 44 44 Onze referentie 2026-0000186648 > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 2500 EA De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 2500 EA Datum 7 oktober 2026 Betreft Verzoeken vaste commissie SZW om reactie op drie burgerbrieven Datum 7 oktober 2026 Betreft Verzoeken vaste commissie SZW om reactie op drie burgerbrieven Pagina 1 van 1 Pagina 1 van 1
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.