Maatwerk- en financiële voorzieningen voor studenten met een ondersteuningsbehoefte in het hbo en wo
Brontekst
Versie 73428c6dba4eeafa · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1259 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 juni 2026Onderwijs moet toegankelijk en inclusief zijn voor alle studenten, ook alseen student een ondersteuningsbehoefte heeft door bijvoorbeeld eenfunctiebeperking, (chronische) ziekte of zwangerschap. Het is nu tien jaargeleden dat Nederland het VN-Verdrag Handicap heeft geratificeerd. Metdit verdrag heeft Nederland zich gecommitteerd aan het toewerken naareen inclusieve samenleving, en daarmee ook inclusief onderwijs, in 2040.In het vervolgonderwijs zijn in de afgelopen jaren goede stappen gezet.Tegelijkertijd vraagt toegankelijk onderwijs om blijvende inzet. In dewerkagenda van het VN-Verdrag Handicap heeft mijn voorgangeropgenomen een onderzoek uit te laten voeren naar maatwerk- enfinanciële voorzieningen voor studenten met een ondersteuningsvraag inhet hbo en wo. Dit onderzoek is tot stand gekomen naar aanleiding vaneen motie van het lid Tseggai (GL/PvdA).1 Een andere maatregel uit dewerkagenda is het werken aan digitale toegankelijkheid in het gehelevervolgonderwijs.In deze brief reageer ik op de uitkomsten van het onderzoek naarmaatwerk- en financiële voorzieningen voor studenten met een onder-steuningsvraag in het hbo en wo. Ik geef aan welke vervolgstappen ik opbasis hiervan neem. Tevens informeer ik uw Kamer over de voortgang opdigitale toegankelijkheid als uitwerking van de moties van het lid Ceder(CU) (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 62) hierover, en de toezegging aan het lidAbdi (GL/PvdA) over het bindend studieadvies. Voor mijn inzet in het mboverwijs ik u naar de recent verzonden Kamerbrief over het vervolg van deVerbeteragenda passend onderwijs in het mbo.21Kamerstukken II 2023/24, 31 288, nr. 11432Kamerstukken II 2025/26, 31 524, nr. 692 kst-31288-1259ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12591 Maatwerk- en financiële voorzieningen in het hbo en woEr zijn diverse wettelijke verplichtingen voor onderwijsinstellingen omtoegankelijk onderwijs aan te bieden.3 Instellingen moeten naarredelijkheid maatwerk bieden aan studenten met een ondersteunings-vraag, zodat zij op een passende manier onderwijs kunnen volgen. Denkhierbij aan extra tijd bij tentamens en digitale hulpmiddelen. Ook kent dewet financiële voorzieningen voor studenten die vanwege bijzondere(medische) omstandigheden studievertraging oplopen. Dit zijn devoorziening prestatiebeurs binnen de studiefinanciering, uitgevoerd doorDUO, en het studentenondersteuningsfonds van instellingen. Beidevoorzieningen zijn bedoeld om negatieve financiële gevolgen te beperkenin het geval van studievertraging onder specifieke bijzondere (medische)omstandigheden. Op het studentenondersteuningsfonds kan ook beroepworden gedaan bij studievertraging door deelname aan bestuursactivi-teiten.Er zijn al langer signalen dat er (grote) verschillen bestaan tusseninstellingen in de wijze waarop zij uitvoering geven aan deze voorzie-ningen voor studenten met een ondersteuningsvraag. Hier heeft uwKamer eerder aandacht voor gevraagd.4 Ik heb daarom laten onderzoekenhoe instellingen invulling geven aan hun (wettelijke) taken en welkeverbeterpunten hier nog liggen.5 Hiermee beschouw ik de motie van hetlid Tseggai als afgedaan. Voor de volledige uitkomsten van het onderzoekverwijs ik u naar de bijlage.Gesignaleerde problematiek in het onderzoekHet onderzoek constateert dat instellingen in het hbo en wo in principevoldoen aan hun wettelijke taak voor het bieden van maatwerk enfinanciële ondersteuning. Wel signaleert het onderzoek dat er te groteverschillen bestaan tussen instellingen in hoe zij hieraan uitvoering geven.Deze verschillen zijn zichtbaar in elke fase van het aanvraag- en beoorde-lingsproces van maatwerk- en financiële voorzieningen; van de criteria dieworden gehanteerd tot de wijze waarop beslissingen worden genomen.De verschillen tussen instellingen hangen niet systematisch samen mettype instelling, omvang en regio. Zij lijken voort te komen uit de manierwaarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historischgegroeid en/of cultureel bepaald. Deze variatie is tevens een gevolg vande wijze waarop het stelsel is ingericht, waarbij instellingen veel beleids-vrijheid kennen in de wet. Het is de student die hier uiteindelijk hinder vanondervindt; de onderzoekers wijzen op het risico voor de rechtsonge-lijkheid voor studenten. Uiteindelijk kunnen de verschillen namelijk leidentot een situatie waarin studenten in vergelijkbare omstandigheden metzeer uiteenlopende uitkomsten te maken krijgen. Dat is zorgelijk.Tot slot waarschuwen de onderzoekers dat de druk op de voorzieningen istoegenomen: er worden steeds meer aanvragen gedaan. In combinatiemet de gesignaleerde verschillen leidt dit tot een grotere belasting vanprofessionals, bij DUO en bij studenten om hun verhaal meerdere keren tedoen. Het onderzoek draagt een aantal oplossingsrichtingen aan, zowel op3Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte; WHW-artikelen 7.8b, 7.13,7.34, 7.51, 9.32 en Titel 2; WSF 2000 artikelen 5.2b, 5.15 en 5.16.42025Z07770 en 2024Z06646;5Conform de toezegging TZ202604–102 aan het lid Abdi (GL/PvdA) zijn bij dit onderzoek ookstudenten betrokken geweest. Deze studenten zijn geworven via ISO, LSVb, JongPIT enIeder(in) en via hogescholen en universiteiten. Verder zijn de uitkomsten van het onderzoekbesproken met ISO en LSVb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12592 het vlak van instellingen die onderling betere afspraken moeten maken alsop landelijk niveau waar duidelijkere kaders kunnen worden gesteld.Noodzaak om grondig naar het stelsel kijkenIk herken de geschetste problematiek uit het onderzoek en wil hierverbetering in brengen. Dat er enig verschil bestaat tussen hoe maatwerk-en financiële voorzieningen verleend worden door instellingen vind ikuitlegbaar, maar dat de verschillen zo groot zijn, is niet uitlegbaar. Naasthet feit dat instellingen hier een rol in hebben, legt het onderzoek blootdat de verschillen tevens voortkomen door de wijze waarop we het stelselhebben ingericht. De geboden wettelijke beleidsvrijheid heeft een reden:met de decentrale werkwijze wordt beoogd dat onderwijsinstellingengoed kunnen inspelen op de specifieke omstandigheden van een student.Dat is immers waar maatwerk om vraagt. We lijken nu echter ons doelvoorbij te schieten.Daarnaast berust ons stelsel op het uitgangspunt dat een kleine groepstudenten maatwerk- en financiële voorzieningen nodig heeft. Uit de Staatvan Inclusief Onderwijs blijkt echter dat studeren onder bijzondereomstandigheden geen individuele uitzondering meer is: een derde van dehbo- en wo-studenten doet dit, waarvan 88% belemmeringen ervaart.6 Ditzie ik ook terug bij het toegenomen aantal aanvragen voor de voorzieningprestatiebeurs bij DUO. Hoewel het goed is dat studenten de beschikbarevoorzieningen weten te vinden, zet de toename van aanvragen grote drukop het stelsel, zowel qua uitvoering als financieel. Ik zie het als mijn taakom grondig te kijken naar hoe we dit beter kunnen inrichten, waarin ikmoet afwegen hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaarverhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke kadershierbij passend zijn.In het vervolg van deze brief ga ik in op de maatregelen die ik neem omde huidige praktijk te verbeteren.Verschillen in uitvoeringspraktijk verkleinenAllereerst wil ik dat de verschillen in de uitvoeringspraktijk ten aanzienvan maatwerk- en financiële voorzieningen bij instellingen verkleindworden. De koepels Universiteiten van Nederland (UNL) en de VerenigingHogescholen (VH) hebben aangegeven de geschetste problematiek teherkennen en de noodzaak voor betere afstemming binnen en tusseninstellingen in te zien. Ik wil dan ook snel in gesprek met de instellingenover de vraag hoe dit kan worden bereikt en wat daarvoor nodig is.Daarnaast zie ik een rol voor het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs(ECIO)7. Ik financier ECIO om instellingen te ondersteunen bij het zorgenvoor een inclusieve leeromgeving en het bieden van de juiste onder-steuning. ECIO heeft signalen ontvangen dat er in de uitvoering onduide-lijkheid is over wat er bedoeld wordt met «naar redelijkheid» maatwerkbieden; wat mag je van instellingen verwachten en wat is proportioneel?Ik ben daarom voornemens om ECIO de opdracht te geven om samen metinstellingen inkleuring te geven aan de term «naar redelijkheid», die in dewettelijke taakomschrijving van instellingen staat ten aanzien vanmaatwerk. ECIO zal hierbij uiteraard ook het studentenperspectiefbetrekken.6ECIO, De Staat van Inclusief Onderwijs 2025.7ECIO is een kennispartner voor mbo-, hbo- en wo-instellingen op inclusief onderwijs enondersteunt hen bij het realiseren van toegankelijk onderwijs voor studenten met eenondersteuningsvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12593 Tevens ben ik in gesprek gegaan met de Nederlands-Vlaamse Accredita-tieorganisatie (NVAO) over de kwaliteitszorg omtrent het leveren vantoegankelijk onderwijs. Ook bij de visitatiepanels die worden ingezet voorde accreditatie bestaat ruimte voor interpretatie over wat toegankelijkonderwijs inhoudt. In de beoordelingscriteria voor het verlenen vanaccreditatie is al opgenomen dat wordt beoordeeld op voorzieningen diede toegankelijkheid en studeerbaarheid van het onderwijs, mede voorstudenten met een functiebeperking, bevorderen. De NVAO constateertdat de aandacht voor deze onderwerpen tijdens visitaties in de praktijkverschilt en dat niet alle panels hierover op eenzelfde wijze het gesprekvoeren met instellingen en opleidingen. De NVAO werkt daarom aan eengespreksrichtlijn om panels beter te ondersteunen bij het voeren van hetgesprek over toegankelijk en inclusief onderwijs binnen het bestaandeaccreditatiekader. Hierdoor zal meer richting komen in de gesprekken dieinstellingen en opleidingen met de panels voeren over wat ondertoegankelijk onderwijs verstaan kan worden, en wat instellingen in datkader proportioneel en redelijk vinden.Verkenning wettelijk kader financiële voorzieningenNaast de bovengenoemde maatregelen wil ik ook kijken naar de wettelijkekaders voor de financiële voorzieningen. Ik ga verkennen hoe de financiëlevoorzieningen voor studenten met een ondersteuningsvraag het bestevormgegeven kunnen worden en of het wettelijk kader aanpassingenbehoeft. Dit ook met oog op het toenemende beroep op de voorzieningenen de druk op de uitvoering die dat met zich meebrengt.In samenhang met de gesprekken met instellingen over het verkleinen vande verschillen in de uitvoering, wil ik bezien of het wenselijk is dat hetwettelijke kader wordt aangepast om verschillen te verkleinen, met namewaar het gaat om financiële toekenningen. Hierbij kan bijvoorbeeldgedacht worden aan de vraag of afbakening van groepen gewenst is ofdat er kaders moeten komen voor bedragen of processen. Hiermee kom iktegemoet aan de toezegging aan het lid Westerveld (GL/PvdA).8Een ander belangrijk onderdeel van de verkenning is het uitvoeringsa-spect en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de student, DUO,instellingen en (huis)artsen. Met name de uitvoering van de voorzieningprestatiebeurs is complex omdat deze belegd is bij drie verschillendepartijen: DUO als uitvoerder, studentendecanen (instellingen) dieinhoudelijk beoordelen of een student in aanmerking komt en (huis)artsendie een verklaring afgeven in het geval van medische omstandigheden.Tevens zien we dat er nu overlap is in de doelgroepen die aanspraakkunnen doen op de voorziening prestatiebeurs en het studentenonder-steuningsfonds. In de praktijk wordt nu de voorziening prestatiebeursvaak als voorliggende voorziening ingezet. Dit doet de vraag rijzen of tweeaparte voorzieningen wel wenselijk zijn. Ik wil dan ook bezien of dehuidige verantwoordelijkheden en regelingen nog adequaat endoeltreffend zijn en of dit stelsel de juiste instrumenten bevat omstudenten te ondersteunen die dat nodig hebben. Deze problematiek rondde voorziening prestatiebeurs en het studentenfonds9 doet zich ook voorin het mbo, daarom neem ik het mbo ook mee in deze verkenning.De vraag hoe je een stelsel inricht dat studenten ondersteunt die hetnodig hebben, op een manier die ook uitvoerbaar is en blijft, is zeercomplex. Dit is een zoektocht die ik samen met andere relevante partijen8TZ202204–0459Voor mijn verbeteringen op passend onderwijs in het mbo verwijs ik u naar de recentverzonden kamerbrief: Kamerstukken II 2025/26, 31 514, nr. 692.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12594 aan wil gaan. Ik zal uw Kamer in 2027 informeren over deze gesprekken ende eerste uitkomsten van de verkenning delen.Toewerken naar toegankelijkheid aan de voorkantEen punt dat in het onderzoek minder naar voren komt, maar welbelangrijk is om te benadrukken, is dat instellingen moeten nadenken overhoe ze toegankelijkheid aan de vóórkant beter kunnen regelen. Wemoeten toewerken naar een sociaal model10 waarin een kleinere groepstudenten beroep hoeft te doen op ondersteuning.Digitale toegankelijkheidIn dit kader is het verbeteren van de digitale toegankelijkheid een concreetpunt waar instellingen direct mee aan de slag kunnen en willen gaan. Hetlid Ceder heeft op dit vlak twee moties ingediend voor het geheleonderwijs om dit bij wet te verankeren en de Web Content AccessibilityGuidelines (WCAG-richtlijnen) en inclusief digitaal ontwerpen op tenemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolg-systemen en leeromgevingen, websites en apps.11 Ik kan mij geheelvinden in de strekking van deze moties dat elke student, ongeacht eenfunctiebeperking, onbelemmerd onderwijs moet kunnen volgen.Onderwijsinstellingen zijn reeds verplicht om toegankelijk onderwijs aante bieden.Leermiddelen en andere digitale voorzieningen maken hier in mijn ogeneen onlosmakelijk onderdeel van uit. Tegelijkertijd zien we dat op dit vlakde praktijk achterloopt. Afgelopen tijd heeft het Ministerie van OCWdaarom gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers in het vervolgon-derwijs en funderend onderwijs over hoe dit beter kan. Alle vertegenwoor-digers van de onderwijsinstellingen onderschrijven de strekking van demotie om de WCAG-richtlijnen in het onderwijs als uitgangspunt tenemen en onderschrijven het belang en de urgentie van digitale toeganke-lijkheid. De MBO Raad en VH hebben mij laten weten dat instellingen deaankomende tijd hiermee aan de slag gaan. Zij zullen de normen van deWCAG en het inclusief digitaal ontwerpen van nieuwe software en digitalevoorzieningen opnemen in de inkoopvoorwaarden of aanbestedingenvoor alle digitale leermiddelen, leervolgsystemen en leeromgevingen,websites en apps. Ook bij nieuwe – en herontwerpen van websites enleeromgevingen zullen instellingen zich committeren aan deze normen.UNL bespreekt deze ambitie intern en zal mij op korte termijn duide-lijkheid geven of universiteiten zich ook aan deze doelstellingen commit-teren. Ik verwacht hier voor het commissiedebat over de mentalegezondheid van scholieren en studenten op 24 juni duidelijkheid over tehebben.Daarnaast werken instellingen in het vervolgonderwijs en SURF, samenmet Npuls, aan sectoroverstijgende ICT-systemen en diverse digitalevoorzieningen. Toegankelijkheid wordt bij de ontwikkeling van dezevoorzieningen nu al als uitgangspunt genomen en de WCAG-normenworden hierbij gehanteerd. Tevens werken SURF en Npuls eraan ombestaande voorzieningen te laten voldoen aan de WCAG-richtlijnen. Optermijn zullen alle systemen die zij ontwikkelen daarmee ook voldoen aande WCAG-normen. Naast deze grote stappen aan de systeemkant, is depraktijk dat docenten ook zelf leermaterialen ontwikkelen. Hier ligt eenopgave om docenten meer bewust te maken van de eisen omtrent10Bij het sociale model staat het aanpassen van de omgeving en systemen centraal, zodatiedereen – ongeacht ondersteuningsvraag – volwaardig mee kan doen.11Kamerstukken II 2024–2025 36 600 VII, nr. 62 en Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VIII, nr. 120Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12595 toegankelijkheid hiervan. ECIO werkt in haar contacten met SURF, Npulsen via het netwerk digitale toegankelijkheid aan bewustwording op ditvlak en biedt producten en diensten aan die docenten ondersteunen bijhet digitaal toegankelijk maken van hun onderwijsmaterialen. Met al dezeinspanningen vanuit de sector zelf, acht ik – indien ook UNL zich hieraancommitteert – specifieke wetgeving over digitale toegankelijkheid in hetvervolgonderwijs vooralsnog niet nodig.Ook in het funderend onderwijs zet de Staatssecretaris de aankomendetijd stappen samen met de sector. Samen Inkopen voor OnderwijsNederland (SIVON) neemt de toegankelijkheidseisen mee in nieuweaanbestedingen van leerlinginformatie-, administratiesystemen enleermiddelenapplicaties. SIVON zal ook de toegankelijkheidseisenmeenemen bij de doorontwikkeling van de keuzecatalogus voor leermid-delen. Daarnaast zijn met de inbreng van de Kwaliteitsalliantie Leermid-delen toegankelijkheidseisen opgenomen in het kwaliteitskader voorleermiddelen dat Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) en StichtingLeerplan Ontwikkeling (SLO) in opdracht van OCW ontwikkelen. Scholenen leermiddelenmakers kunnen dit kwaliteitskader vanaf komendschooljaar gebruiken bij de keuze, beoordeling en ontwikkeling vanleermiddelen. Tot slot loopt er een nulmeting naar de toegankelijkheid vanleermiddelen in het funderend onderwijs. De resultaten hiervan worden inde zomer verwacht, waarin ook aanbevelingen voor verdere verbeteringzullen staan. Op basis van deze aanbevelingen zal samen met de sectorworden bezien welke aanvullende stappen nodig en mogelijk zijn om dedigitale toegankelijkheid verder te verbeteren.Mijn inziens worden met deze afspraken de juiste stappen gezet door desector om het onderwijs voor iedereen digitaal toegankelijk te maken.Voor het vervolgonderwijs zal ik met ECIO en de onderwijsinstellingenbespreken hoe we de voortgang gaan monitoren. In het kader van dewerkagenda VN-Verdrag Handicap 2025–203012 zal ik richting uw Kamerrapporteren over de voortgang hiervan in het vervolgonderwijs. DeStaatssecretaris zal uw Kamer informeren over de voortgang van digitaletoegankelijkheid in het funderend onderwijs. Ik beschouw de moties vanhet lid Ceder hiermee als afgedaan.Bindend studieadviesTot slot wil ik u via deze brief informeren over mijn toezegging omtrenthet bindend studieadvies (hierna: bsa). Tijdens het commissiedebat Hogeronderwijs, studiefinanciering en DUO van 8 april jl. heb ik uw Kamertoegezegd om u nader te informeren over gesprekken die ik met instel-lingen voer over het bsa.13 Uw Kamer heeft mij vervolgens per motieverzocht om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over het bsa,op basis van de laatste inzichten over het studiesucces van studenten, enhet vormgeven van een begeleidend persoonlijk studieadvies te onder-zoeken.14 Naar aanleiding van deze motie heb ik het Nationaal Kennisin-stituut Onderwijs (NKO) gevraagd om de laatste inzichten over hetstudiesucces van studenten op een rij te zetten en wil ik met de sector-raden op basis hiervan het gesprek voeren over het bsa en het flankerendbeleid eromheen. Ik zal de Kamer begin 2027 over de uitkomsten van dezegesprekken informeren. De toezegging (reeds ingehaald door de motie)beschouw ik hiermee als afgedaan.12Kamerstuk 2024–2025 24 170, nr.36213Toezegging TZ202604–09914Kamerstukken II 2025–2026 31 288, nr. 1245Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12596 Tot slotIk vind het belangrijk dat studenten de ondersteuning krijgen die ze nodighebben. Daar hoort een leeromgeving bij waarin iedereen mee kan doenen tot diens recht kan komen. Ik wil dit samen met de instellingen beterfaciliteren en toewerken naar een toegankelijke ondersteuningsstructuurdie studenten (financieel) ondersteunt als zij dat nodig hebben. In detussentijd blijf ik met instellingen in gesprek over de toepassing van dehuidige regels en zal DUO zich blijven inzetten voor goede informatievoor-ziening over financiële ondersteuning richting studenten en instellingen.Zodat ook de huidige studenten weten waar ze passende ondersteuningkunnen krijgen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12597
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.