KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgangsrapportage Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

12 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 222ca7d3bd246311 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202420 454Voortgangsrapportage uitvoering wettenoorlogsgetroffenenNr. 201 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 12 april 2024Met deze brief bied ik u de voortgangsrapportage «Oorlogsgetroffenen enHerinnering Tweede Wereldoorlog» aan. Hierin bouw ik voort op mijnbrief aan uw Kamer van 9 november 2022.1 Daarin heb ik mijn ambitie opdit terrein als volgt verwoord:Dat alle inwoners van Nederland in iedere levensfase op een kwalitatiefgoede manier in aanraking (kunnen) komen met het verhaal van deTweede Wereldoorlog in al haar facetten, verbonden met hedendaagsemaatschappelijke vraagstukken zoals democratie, rechtsstaat en vrijheid.Nu, ruim anderhalf jaar later, leven we in een ander tijdsgewricht.Internationale spanningen en conflicten nemen toe. De gebeurtenissen inde wereld brengen uitsluiting, oorlog en vernietiging dichtbij en laten zienhoe broos en kwetsbaar vrede en vrijheid zijn. We zien in onze samen-leving een toenemend antisemitisme en groeiende polarisatie tussenindividuele mensen en groepen. Daarmee is mijn ambitie nog urgentergeworden. Want het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en in hetbijzonder van de Holocaust vormen een moreel ankerpunt. Dit verhaal laatde gevolgen van oorlog en bezetting zien en waar uitsluiting toe kanleiden. Het is een verhaal van slachtofferschap, verzet, toekijken enmeewerken. De doorwerking en de gevolgen hiervan zijn merkbaar in devolgende generaties. Het is ook een internationaal verhaal. Niet voor nietszijn vlak na de Tweede Wereldoorlog, op 25 oktober 1945, de VerenigdeNaties opgericht en verscheen in 1948 de Universele Verklaring van deRechten van de Mens.Met het wegvallen van de generatie die de oorlog zelf heeft meegemaaktis het onze verantwoordelijkheid om aan volgende generaties duidelijk te1Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 178 kst-20454-201ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2011 maken tot welke verschrikkingen intolerantie, uitsluiting, en discriminatiekunnen leiden, juist in deze tijd. Steeds opnieuw moeten we aan elkaardoorgeven dat we onze democratie en rechtsstaat moeten koesteren enbeschermen. Ook moeten we ons inzetten om uitsluiting van mensen,alleen om wie zij zijn, tegen te gaan.Uiteraard kan en doe ik dat niet alleen. Veel organisaties zetten zich in,ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en perspectief, om hetverhaal van de Tweede Wereldoorlog over te (blijven) brengen. Deontmoetingen die ik de afgelopen jaren heb gehad, de herdenkingen die ikheb bijgewoond en de gesprekken die ik heb gevoerd met overlevenden,nabestaanden, vrijwilligers en professionals, laten mij een betrokken enbevlogen veld zien, met een grote (ervarings)deskundigheid, een schataan educatief materiaal, websites en digitale tools. Daarnaast heb ik, zoalstijdens de overhandiging van het eerste exemplaar van het Denkboek20222 op 31 maart 2022 en de herdenking van het kindertransport Vughtop 4 juni 2023, een aantal gesprekken gevoerd met kinderen en jongerenom van hen te horen hoe het verhaal van de Tweede Wereldoorlog op eenvoor hun aansprekende manier kan worden (blijven) verteld.Naast de opgave om het verhaal over de Tweede Wereldoorlog levend tehouden is er de verantwoordelijkheid voor de ereschuld die de Neder-landse samenleving heeft ten aanzien van hen die zich hebben ingezetvoor de vrijheid van ons allemaal en voor hen die onvoldoendebescherming hebben genoten en slachtoffer zijn geworden van deverschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Via het stelsel vanpensioenen, uitkeringen en dienstverlening wordt inhoud aan dezeereschuld gegeven tot de laatst levende verzetsdeelnemers en oorlogsge-troffenen (zie verder onder paragraaf 3).Het beleid «Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog»omvat naast dit stelsel van pensioenen, uitkeringen en dienstverleningonderwerpen als de Holocausteducatie, het verhaal van Sinti en Romatijdens de Tweede Wereldoorlog en de collectieve erkenning van deIndische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen.Als ik terugkijk op de afgelopen periode wil ik graag een aantal mijlpalenbenoemen:•De ondertekening van het convenant «Vindbaar en toereikend aanbodvan ondersteuning voor de tweede generatie oorlogsgetroffenen»door het Joods Maatschappelijk Werk (JMW), Pelita, ARQ kenniscen-trum, oorlog vervolging en geweld (ARQ), het Nederlands Veteranenin-stituut (NLVi) en mijzelf op 8 juni 2022.3 Daarmee is de sociaalmaatschappelijke hulp aan deze generatie versterkt. Dit beschrijf ikverder in paragraaf 3.•De Tweede Wereldoorlog, maar ook andere oorlogen werken nietalleen door bij de tweede generatie, maar ook de generaties daarna.Op 13 februari 2023 lanceerde ik het Themajaar «Leven met oorlog» op13 februari 2023. Coördinatie lag in handen van ARQ, het NationaalComité 4 en 5 mei en Oorlogsgravenstichting. Het themajaar werdafgesloten op 2 november 2023. Op de website Leven met oorlog– Tweedewereldoorlog.nl zijn de resultaten te vinden.•Op 8 februari 2023 presenteerde de Commissie «Versterking KennisGeschiedenis Voormalig Nederlands-Indië» haar adviesrapport «Deelen Verbind».4 In ruim een jaar tijd is met veel personen en organisatiesvanuit de verschillende doelgroepen gesproken en zijn diverse2Het Denkboek is een uitgave van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en wordt verspreid onder allescholieren van groep 7 basisschool in Nederland.3Kamerstukken II 2021/2022, 20 454, nr. 1754Kamerstukken II 2022/2023, 26 049, nr. 99Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2012 achtergrondonderzoeken verricht. Dit heeft geleid tot concretedeeladviezen en een set aan aanbevelingen ten aanzien van terminolo-giegebruik. Het rapport zelf is een erkenning voor wat de Indische,Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen hebbenmeegemaakt. In mijn beleidsreactie van 4 juli 2023 heb ik uw Kamerverteld hoe ik de adviezen uit het rapport wil opvolgen.5 In paragraaf 4van deze brief ga ik in op de stand van zaken.•Op 1 april 2023 is de nieuwe stichting WO2NET van start gegaan.Daarmee hoop ik een belangrijke impuls te geven aan de verdereverbinding en samenwerking op het gebied van kennisverspreiding/educatie, museaal aanbod en digitalisering. Dit bespreek ik verder inparagraaf 1.•Op 12 oktober 2023 mocht ik samen met de Minister-President deherdenking van de opstand in Sobibór 80 jaar geleden bijwonen.Meteen na de opstand werd het vernietigingskamp geheel platgebranddoor de nazi’s om alle sporen uit te wissen en Sobibor in de vergetel-heid te doen geraken. Dit is niet gelukt. Deze herdenking was hetsluitstuk van een traject van vele jaren dat zich richtte op de herinrich-ting van het herdenkingsveld en de inrichting van het museum.Hieraan lag ook diepgravend archeologisch onderzoek ten grondslag.Samen met Polen, Slowakije en Israël hebben ik en mijn voorgangersons hiervoor ingespannen. Via Stichting Sobibór en het NederlandsAuschwitzcomité hebben nabestaanden aangegeven zeer te hechtenaan een gedenkwaardige plek.•Op 10 maart 2024 is het Nationaal Holocaust Museum geopend doorZijne Majesteit de Koning. Een historisch moment, omdat Nederlandeen van de weinige landen was die nog geen Holocaustmuseum had.Dit museum kan een belangrijke bijdrage leveren aan het versterkenvan Holocausteducatie. Hier ga ik in paragraaf 1 verder op in.Bovenstaande ontwikkelingen laten zien dat «het verhaal» van de TweedeWereldoorlog onverminderd relevant blijft. We staan aan de vooravondvan het lustrumjaar 80 jaar vrijheid, dat van 12 september 2024 tot en met15 augustus 2025 plaatsvindt. Laten we dit aangrijpen om gezamenlijk alssamenleving stil te staan bij de verschrikkingen van die tijd, bij debevrijding van Nederland en Nederlands-Indië/Indonesië en bij het feit datwe in Nederland sindsdien in vrijheid leven. Voor de zomer ontvangt uwKamer een brief over de inzet van het kabinet in dit lustrumjaar.In bijgaande voortgangsrapportage ga ik in op de stand van zaken van deuitvoering van het beleid. In paragraaf 1 komt «Het verhaal blijvenvertellen aan bod», in paragraaf 2 ga ik in op «Herdenken en Herinneren»,daarna volgt in paragraaf 3 «Zorg en ondersteuning», in paragraaf 4 «hetbeleid collectieve erkenning» om in paragraaf 5 af te ronden met debeleidsagenda Sinti en Roma.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M. van Ooijen5Kamerstukken II 2022/2023, 26 049, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2013 Voortgangsrapportage Oorlogsgetroffenen en HerinneringTweede Wereldoorlog 1. Verhaal blijven vertellen In deze paragraaf ga ik in op een aantal maatregelen die ik heb genomenom te zorgen dat het verhaal van de Tweede Wereldoorlog in al zijnperspectieven en aspecten verteld blijft worden. Deze maatregelen zijnerop gericht de veldpartijen verder te faciliteren zodat ze hun belangrijkewerk kunnen doen. Daarbij beantwoord ik ook de motie van de ledenMaeijer en Beertema.6Voorts ga ik specifiek in op de ontwikkelingen rond Holocausteducatie enhet nieuwe Nationale Holocaustmuseum om af te ronden met devoortgang van het project «Oorlog voor de Rechter», het project dat dedigitalisering en de toegankelijkheid van het Centraal Archief BijzondereRechtspleging (CABR) behelst.1.1 Maatregelen vergroting publieksbereik door meer samenhang endigitalisering Onder mijn voorganger is € 21 miljoen geïnvesteerd in de vernieuwingvan de herinneringscentra en oorlogsmusea, educatieprojecten voor elkschooltype, allerlei projecten gericht op digitalisering en in vernieuwendemanieren van presenteren.7 Dit heeft het fundament verstevigd op basiswaarvan de veldpartijen het verhaal over de Tweede Wereldoorlogkunnen blijven vertellen.Voortbouwend op dit fundament blijft de uitdaging het verhaal te blijvenvertellen op een manier die ook voor nieuwe generaties relevant enaansprekend is. Naar aanleiding van de evaluatie van het Platform WOII8,het samenwerkingsverband van partijen9 in de WOII-sector en de digitalevisie van het Platform10 is in 2021 een intensief overleg gestart tussenmijn departement en deze partijen om gezamenlijk te zoeken naar eengroter publieksbereik, onder meer onder jongeren en jongvolwassenen(12–30). Met publieksbereik wordt bedoeld zowel het (informele) educatie-aanbod van de veldorganisaties, bezoeken aan een plek waar de geschie-denis van de Tweede Wereldoorlog tastbaar wordt, als alle andereactiviteiten waarin het verhaal van de oorlog wordt verteld. Uiteraard gaathet niet over het bereik van het reguliere onderwijs, dat valt niet ondermijn portefeuille. Waar deze twee invalshoeken elkaar raken, stem ik afmet mijn collega bewindspersonen van het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW).Startpunt voor bovengenoemd overleg was vierledig. In de eerste plaatsmiste er een overkoepelende nationale agenda voor informele educatie11/kennisoverdracht over de Tweede Wereldoorlog. Het aanbod isversnipperd en vraagt om meer samenhang. Het Platform WOII had6Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 1927Kamerstukken II 2019/2020, 20 454, nr. 1488Kamerstukken II 2022/2023, 36 266, nr. 19Partijen verenigd in het toenmalige Platform WOII: Stichting Musea en Herinneringscentra’40-’45 (SMH), NIOD instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD), NetwerkOorlogsbronnen (NOB), Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) en Oorlogsgravenstichting (OGS).Het vfonds en VWS waren als toehoorder vertegenwoordigd10Digitale visie Platform Tweede Wereldoorlog, Dialogic, 2021.11De conclusie met betrekking tot educatie zijn versterkt door de aanbeveling van onderzoekerMarc van Berkel. In zijn publicatie Oorlog in de klas beveelt hij aan «om nadere afstemming teconcretiseren tussen het formele onderwijs en de musea en instellingen.» (Hogeschool vanArnhem en Nijmegen, 2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2014 onvoldoende slagkracht om deze samenhang aan te brengen. In detweede plaats is er geconstateerd dat de musea en herinneringscentrahard werken, zeker ook in gezamenlijkheid, maar dat een blauwdruk opbasis waarvan de musea elkaar structureel kunnen versterken nogontbreekt.12 In de derde plaats is de WOII-sector nog te weinig aanwezigin de «digitale wereld». Om jongeren en volgende generaties te bereikenis dat noodzakelijk. De sectorpartijen hebben op dat terrein belangrijkestappen gezet maar voor een succesvolle digitale transformatie binnen deWOII-sector is een structurele bundeling van krachten en samenwerkingnodig.13 Tot slot moest een organisatorische oplossing worden gevondenvoor het bureau van Netwerk Oorlogsbronnen (NOB) en voor een deel vande taken van de Stichting Musea en Herinneringscentra ’40-’45 (SMH).Eind 2021 is besloten door het Platform WOII en het Ministerie van VWStot de oprichting van stichting WO2NET en tot de transformatie van hetPlatform WOII tot het Veldberaad. Vanwege mijn betrokkenheid bij deoprichting van WO2NET is het besluit tot doen oprichten aan uw Kamervoorgehangen op 5 december 2022.14Met de oprichting van WO2NET geef ik tevens uitvoering aan dat deel vande motie van het Kamerlid Simons c.s.15 waarin de regering wordtverzocht zich ervoor in te zetten herdenkingslocaties digitaal te ontsluiten(zie ook paragraaf 2). Een derde maatregel is de instelling van eensubsidieregeling. Hier ga ik later deze paragraaf nader op in.Stichting WO2NETStichting WO2NET heeft een belangrijke rol in het brengen van informatieen verhalen over de Tweede Wereldoorlog bij een zo groot mogelijk enliefst ook jong publiek. Dat doet deze nieuwe stichting op twee manieren:via het toegankelijk maken van digitale informatie en het aanbrengen vanmeer samenhang, monitoring, kwaliteitsborging en innovatie. De stichtingwil daarbij dienend aan en inspirerend voor het veld zijn.Het toegankelijk maken van digitale informatie doet de stichting middelshet beheer van Oorlogsbronnen.nl, waarin inmiddels meer dan200 gedigitaliseerde oorlogsarchieven en -collecties toegankelijk zijngemaakt, met elkaar zijn verbonden16 en in context zijn geplaatst. Deambitie is deze «digitale schatkist» aan WOII-data van een veel grotergebruik, door burgers en door professionele «verhalenvertellers»17, tevoorzien. Verder gaat het om het toegankelijk maken en presenteren vanook de kleinere lokale en regionale oorlogsgeschiedenissen – «de TweedeWereldoorlog dichtbij». Door te zien welke invloed de oorlog had op hetdorp of de stad waarin je woont, of op de levensloop van (al overleden)familieleden, maakt dat «de oorlog» voor mensen die wat verder van dezegeschiedenis afstaan, heel dichtbij en invoelbaar wordt.Daarnaast wordt vanuit WO2NET actief bijgedragen aan de realisatie van«Ons Land», het online platform over Indisch Erfgoed dat dit najaar zalworden gelanceerd (zie paragraaf 4) en aan de onlinepresentatie van hetgedigitaliseerde Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR, zie hetslot van deze paragraaf).12Evaluatie Platform WOII, Andersson Elffers Felix, 2021.13Digitale visie Platform Tweede Wereldoorlog, Dialogic, 2021.14Kamerstukken II 2022/2023, 36 266 , nr. 115Kamerstuk 20 454, nr. 19316Via linked open data17«Verhalenvertellers» zijn uiteraard in de eerste plaats professionele organisaties als het NC, deoorlogs- en verzetsmusea en herinneringscentra. Maar het gaat ook om vrijwilligersorgani-saties en schrijvers, programma- en theatermakers en andere partijenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2015 De opgave van WO2NET is breder is dan de omgang met digitale data.Kennisverspreiding en -deling (informele educatie), digitalisering enmuseaal aanbod is gebaat bij – op landelijk niveau – meer samenhang,monitoring, kwaliteitsborging en innovatie. WO2NET zal daar eenbelangrijke taak in vervullen door, samen met de vele (professionele)«verhalenvertellers», kenniscentrum en ontwikkelaar te zijn van nieuweinzichten, methoden en technieken om een zo breed mogelijk publiek tebereiken. Bij deze taak hoort het monitoren van vraag en aanbod naarinformele educatie, museaal aanbod en digitale producten en toepas-singen (wat is er nu allemaal voorhanden, hoe wordt dat gebruikt,waaraan is overvloed en wat missen we?), evenals het meten van kwaliteiten impact bij het inzetten daarvan.WO2NET is in opbouw. De stichting is operationeel geworden op1 september 2023 met de aanstelling van een directeur-bestuurder. Op1 oktober 2023 is het NOB in de stichting opgenomen. Samen metWO2NET en in afstemming met het Veldberaad zal ik een ex duranteevaluatie van WO2NET opzetten.NOB is onderdeel geworden van WO2NET. Dat geldt niet voor de SMH,die tot 2024 verantwoordelijk was voor taken op het gebied van educa-tieve en museale samenhang, kwaliteit en monitoring. Stichting SMH blijftbestaan, maar zal zich in het vervolg uitsluitend richten op belangenbehar-tiging van haar leden (WOII-musea en de herinneringscentra). In eenafbouwscenario zal deze stichting nog een aantal jaren financieel door mijworden ondersteund.VeldberaadHet Platform WOII heeft besloten zich op 1 september 2022 te transfor-meren tot het «Veldberaad». In het Veldberaad zijn de volgende organi-saties vertegenwoordigd: NIOD Instituut voor oorlogs-, holocaust- engenocidestudies (NIOD), WO2NET, Nationaal Comité 4–5 mei (NC), deSMH, ARQ kenniscentrum, oorlog vervolging en geweld (ARQ) en deOorlogsgravenstichting (OGS). Het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheiden Veteranen (vfonds) en ik zijn toehoorder bij dit overleg.Het Veldberaad wil een netwerk zijn van organisaties van binnen en buitende WOII-sector die elkaar inspireren en van waaruit samenwerkingsver-banden kunnen ontstaan.In aanloop naar de komst van WO2NET zijn onder regie van hetVeldberaad acht pilotprojecten uitgevoerd waaronder een heroriëntatievan de website Tweedewereldoorlog.nl en een educatief project over deluchtoorlog in Nederland.18 Dit laatste project heeft geresulteerd in eenspeciale pagina binnen oorlogsbronnen.nl: «de luchtoorlog in Nederland».Een mooi focuspunt voor samenwerking is de organisatie van themajaren.Idee is dat meer mensen bereikt worden als de instellingen hun activi-teiten vanuit een bepaald thema organiseren. Het Platform WOII organi-seerde bijvoorbeeld in 2018 het themajaar «Verzet». Het Veldberaad heeftdeze traditie voortgezet door de organisatie van het themajaar «Leven metOorlog» (2022). Ook is het Veldberaad betrokken bij de herdenking enviering van 80 jaar vrijheid.18De andere pilots waren een oriëntatie op impactmeting, internationale museumconferentie,onderzoek naar de wenselijkheid van een basisinfrastructuur voor (financiële) administratievoor veldinitiatieven, co-creatie met jongeren en een podwalk in Gelderland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2016 Een ander initiatief van het Veldberaad is de ontwikkeling van een positionpaper over hoe de instellingen een goede verbinding kunnen makentussen het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en (het belang van) derechtsstaat en de democratie.Ik vind het belangrijk dat organisaties binnen de WOII-sector in onderlingeverbinding elkaars werk kunnen verrijken. Bovendien hecht ik waarde aanéén aanspreekpunt namens de sector. Daarom wordt het secretariaat vanhet Veldberaad door mij gefinancierd.Subsidieregeling «Het verhaal blijven vertellen»In mijn brief van 9 november 2022 heb ik een aantal beleidsaccentengenoemd waaronder het bereiken van jongeren en jongvolwassenen (12tot 30) en aandacht voor onderbelichte verhalen. Om organisaties in staatte stellen op een aansprekende manier (digitale) educatie/kennis enmuseale activiteiten te realiseren over het verhaal van de TweedeWereldoorlog in al haar facetten en perspectieven ontwikkel ik eensubsidieregeling waarbij deze accenten centraal staan.Bij onderbelichte onderwerpen denk ik bijvoorbeeld aan het Joods verzet,de Arbeitseinsatz en Sinti en Roma. Ook is er ruimte om aandacht tegeven aan collaboratie in Nederland en het grijze gebied tussen goed enfout. Dit met het oog op de digitale ontsluiting van het CABR (zie het slotvan deze paragraaf). Uiteraard wil in deze regeling de veldpartijen ook deruimte geven zelf onderbelichte onderwerpen aan te dragen.De WOII-sector is nauw betrokken bij de opzet van de subsidieregeling enhet Veldberaad heb ik gevraagd te adviseren over opzet en inhoud van deregeling. De subsidieregeling heeft een looptijd van 2025 tot en met 2030.Het is mijn streven dat begin 2025 subsidieaanvragen kunnen wordeningediend met een maximale duur van 4 jaar. In 2030 vindt een evaluatieplaats.Motie Maeijer en BeertemaNaar aanleiding van het commissiedebat van 12 april 2023 heeft uwKamer de motie van de Kamerleden Maeijer en Beertema (beiden PVV)19aangenomen waarin de regering wordt verzocht te bevorderen dat hetaantal scholieren dat een bezoek brengt aan een herinneringscentrum ofeen museum over de Tweede Wereldoorlog, zoals bijvoorbeeld het AnneFrank Huis en Kamp Westerbork, wordt verhoogd van 20% naar 100%.Zoals u uit het voorafgaande heeft kunnen opmaken sluit deze motie aanbij mijn ambitie. Het verheugt mij dat uw Kamer net als ik een grootbelang hecht aan een bezoek door scholieren aan een plek waar degeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tastbaar wordt. In genoemdcommissiedebat heb ik u gemeld dat 20% van alle scholieren, elk jaarweer, zo’n bijzondere plek bezoekt. Het lijkt erop dat dit percentage in uwKamer tot een misverstand heeft geleid. Er is bedoeld dat élk jaar 20% vande scholieren een dergelijke plek bezoekt, niet dat slechts 20% van allescholieren dit ooit doet. Het totaal aantal scholieren dat deze plekken vanherinnering bezoekt, is dus veel groter dan de indieners van de bovenge-noemde motie mogelijk veronderstellen.Er is nu geen totaaloverzicht beschikbaar van het aantal bezoekers aaneen herinneringslocatie. De Stichting Musea en Herinneringscentra ’40-’45(SMH) heeft de bovengenoemde 20% op basis van benchmarks ingeschat.19Kamerstuk 20 454, nr. 192Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2017 In dit aantal zijn niet alle instellingen meegenomen. Ik heb de stichtingWO2NET gevraagd periodiek een zo scherp mogelijk inzicht te verschaffenvan het publieksbereik van WOII-musea en herinneringscentra. Daarnaastis de door mij in te stellen subsidieregeling ook gericht om musea enherinneringscentra te ondersteunen in het bereiken van scholieren.1.2 Holocausteducatie Op 28 maart jl.20 heeft de Minister-President zich namens het kabinetduidelijk uitgesproken tegen het toenemend antisemitisme in onzesamenleving.Daarbij heeft hij toegezegd uw Kamer nader te informeren over de aanpakvan en maatregelen tegen antisemitisme. Kortheidshalve verwijs ik naardeze brief.In dat kader draag ik vanuit mijn portefeuille, Oorlogsgetroffenen enHerinnering Tweede Wereldoorlog bij aan de educatie over de Holocaust.Op 3 mei 202321 heb ik uw Kamer hierover samen met de Minister voorprimair en voortgezet onderwijs geïnformeerd. Ik financier onder anderede Anne Frank Stichting, het Landelijk Steunpunt Gastsprekers (LSG), hetHerinneringscentrum Kamp Westerbork en het Nationaal MonumentKamp Vught zodat scholieren en bezoekers van herinneringsplekkenworden onderwezen over de Holocaust.Naar aanleiding van de initiatiefnota antisemitismebestrijding van de(voormalig) Kamerleden Segers (ChristenUnie) en Ellian (VVD) hebbengenoemde organisaties op 1 februari 2023 een brief aan mijn collega’s vanSociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), OCW en mijzelf gestuurd. Indeze brief beschrijven zij hun bijdrage aan Holocausteducatie en pleiten zijvoor een nationale aanpak daarvan. In de kabinetsreactie op bovenge-noemde initiatiefnota wordt daarop ingegaan.22 De Nationaal CoördinatorAntisemitismebestrijding (NCAB) heeft het initiatief genomen tot eenreeks overleggen met betrokken organisaties om te komen tot eennationale aanpak in afstemming met de betrokken bewindspersonen vande Ministeries van SZW en OCW en met mij.23 In beeld wordt gebracht opwelke onderdelen de educatie over de Holocaust versterkt zou moetenworden. Ook wordt er naar effectieve manieren gezocht om docenten enherinneringsorganisaties te ondersteunen. Om het belang van Holocaust-educatie te benadrukken en de aandacht hierop te vestigen heeft de NCABdaarnaast in samenwerking met de partners in januari 2024 de publieks-campagne «leer over de Holocaust» gelanceerd. Ik ondersteun dat procesvan harte en ik hoop binnenkort een aantal concrete maatregelen tenemen.Nationaal Holocaust MuseumNederland had als een van de weinige Europese landen nog geenNationaal Holocaustmuseum. Vanuit het Joods Cultuur Kwartier (JCK)ontstond het initiatief tot oprichting hiervan. Het Nationaal Holocaust-museum levert een belangrijke bijdrage aan het herinneringslandschap eneducatie over de Holocaust. Op 10 maart jongsleden is het NationaalHolocaustmuseum geopend door Zijne Majesteit de Koning.20Kamerstukken II 2023/2024, 30 950, nr. 36321Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 18622Kamerstukken II 2022/2023, 36 272, nr. 423Kamerstukken II 2022/2023, 36 272, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2018 In het nieuwe museum, gevestigd in de voormalige Hervormde Kweek-school in Amsterdam, kan iedereen kennis opdoen van de Jodenver-volging en Sjoa in Nederland. Deze locatie is bewust gekozen. In 1942 en1943 werden opgepakte Joden in de Hollandsche Schouwburg verzameldvoordat zij op transport werden gesteld naar Westerbork en Vught envandaar naar de vernietigingskampen van nazi-Duitsland. De nazi’sgebruikten de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg alsverzamel- en deportatieplaats voor Joodse kinderen. Directrice HenriëttePimentel hielp honderden kinderen ontsnappen, ook via de voormaligeHervormde Kweekschool. Het Nationaal Holocaustmuseum weerspiegeltde hoop die uitgaat van de redding van deze kinderen.Vanwege het nationale belang heeft mijn voorganger in 2017€ 5,6 miljoen ter beschikking gesteld voor de oprichting van hetmuseum.24 In december 2023 heeft het Ministerie van OCW nogmaals€ 2 miljoen extra geïnvesteerd om de gestegen bouwkosten te dekken.Op 15 februari van dit jaar heeft uw Kamer een amendement op debegroting van VWS aangenomen, ingediend door de Kamerleden Bikker(ChristenUnie) en Eerdmans (JA21), waarmee € 900.000 extra wordtvrijgemaakt voor de beveiliging en opening van het Nationaal HolocaustMuseum in 2024.25 Vanaf 2025 is structureel € 1.5 miljoen beschikbaargesteld voor de exploitatie. Daarmee benadrukt uw Kamer nogmaals hetbelang van de komst van dit museum. Dat belang onderschrijf ik.1.3 Ontsluiting Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging In mijn brief van 22 november 2022 heb ik u uitgebreid geïnformeerd overde digitale ontsluiting van het CABR en het belang hiervan voor «hetverhaal van de Tweede Wereldoorlog blijven vertellen». Het CABR omvateen schat aan informatie over verdachten en slachtoffers, omdat in degetuigenverklaringen en processen-verbaal informatie wordt gegevenover slachtoffers en gebeurtenissen. Dit maakt dit archief tot het grootstearchief over de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De bijzondererechtspleging betreft de berechting van (vermeende) collaborateurs. Dezeberechting vond plaats in de eerste jaren na de oorlog, onder moeilijkeomstandigheden en was daardoor uiterst complex en bovendien politiekgevoelig en emotioneel beladen.Vorig jaar is het consortium van het Nationaal Archief (NA), ING Huygens,het NIOD en WO2NET, gestart met de digitalisering van dit omvangrijkearchief. Op 1 januari 2025, de dag waarop de archiefwettelijke beper-kingen op dit archief worden opgeheven, zal ongeveer 1/3 van dedocumenten gescand zijn. Deze documenten zullen digitaal doorzoekbaarzijn en voorzien worden van nadere uitleg in de vorm van contextinfor-matie via de website Oorlog voor de Rechter. Samen met mijn collega’svan OCW en van Justitie en Veiligheid (JenV) begeleid en financier ik ditproject.Met de digitale ontsluiting komt een grote bron van kennis digitaalbeschikbaar. Dat betekent allereerst dat nabestaanden van slachtoffersveel meer informatie kunnen krijgen over het lot van hun dierbaren.Daarnaast zal het een impuls geven aan de herinnering aan de TweedeWereldoorlog omdat de stille getuigen uit het archief gezien en gehoordkunnen gaan worden. Bovendien zal de openstelling van deze bron,verbonden aan andere bronnen, wetenschappelijk onderzoek naar deTweede Wereldoorlog vergemakkelijken.24Kamerstukken II 2016/2017, 20 454, nr. 12525Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 XVI, nr. 40.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2019 Tegelijkertijd is een zorgvuldige voorbereiding op het vervallen van debeperkingen op het CABR en de digitale ontsluiting hiervan op 1 januari2025 van groot belang. De openbaarstelling en online plaatsing van hetCABR ligt gevoelig bij sommige nabestaanden van verdachten/daders vancollaboratie en bij sommige oorlogsslachtoffers. Het bovengenoemdeconsortium heeft daarom een zorgvuldig traject ingezet met de Stichtingwerkgroep Herkenning, de organisatie voor nabestaanden van «fouteouders», maar ook met Stichting Centraal Orgaan Voormalig Verzet enSlachtoffers (COVVS) en het Centraal Joods Overleg (CJO) om te werkenaan een zorgvuldige openbaarmaking met alle ethische vragen daarom-trent. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het al dan niet online plaatsen vandocumenten die een hoog persoonlijk gehalte hebben en daardoor impactkunnen hebben op nabestaanden. Ook is van belang dat toekomstigegebruikers gericht met hun vragen terecht kunnen. Daarvoor wordt eenklantcontactcentrum worden ingericht.Daarnaast financier ik het project «Doorwerking van collaboratie» dat doorARQ en het Nederlands Veteraneninstituut (NLVi) wordt uitgevoerd. Via ditproject wordt onder andere ingezet om de impact van de openbaarmakingvoor individuele personen op te vangen door het bieden van zorg enondersteuning.Tot slot heb ik aan het NIOD een onderzoeksbudget beschikbaar gesteldom het publiek goed te kunnen informeren over de aard van de bijzondererechtspleging. NIOD zal vanaf 1 januari 2025 een aantal artikelen hieroverbeschikbaar stellen.2. Herinneren en herdenken In deze paragraaf ga ik in op de ontwikkelingen op het gebied vanherinneren en herdenken. In mijn brief van 9 november 2022 heb ikaangekondigd dat ik bijzondere aandacht wil geven aan de vrijwilligersor-ganisaties.26 Deze organisaties vertolken een belangrijke rol bij deoverdracht van het verhaal van oorlogsgetroffenen die de verschrikkingenin Europa en in Azië zelf hebben meegemaakt. Het gaat hier om organi-saties zoals Stichting Sobibor en Stichting Herdenking Birma-SiamSpoorweg. In samenspraak met het NC, ARQ en de COVVS heb ik demogelijkheden verkend om de huidige ondersteuning te verbeteren. Opbasis hiervan is besloten de huidige subsidieregeling van het NC voorvrijwilligersorganisaties met ingang van 2024 te verruimen. Ik blijf ingesprek met het brede veld van vrijwilligersorganisaties over de rol die zijkunnen blijven vervullen bij het in leven houden van de verhalen vanslachtoffers en verzetsdeelnemers. Nu de generatie die de oorlog heeftmeegemaakt wegvalt, is hier extra aandacht voor nodig.Het is niet alleen van belang stil te staan bij de verschrikkingen van deTweede Wereldoorlog, het is evenzeer van belang dat er in Nederlandwordt stilgestaan bij de bevrijding en onze vrijheid. Daarbij heeft uwKamer de afgelopen periode het belang benadrukt dat het vieren van onzevrijheid en democratie ook in de toekomst gewaarborgd dient te zijn.Hierbij is er via de aangenomen moties van Kamerlid Simons (VVD) c.s.27en Kamerlid Van Strien (PVV)28 speciale aandacht gevraagd voor depositie van de bevrijdingsfestivals. Dit vanwege de belangrijke rol die zijinnemen met betrekking tot het gezamenlijk vieren van onze vrijheid op5 mei. Op 12 januari 202429 hebben de Staatssecretaris van OCW en ik26Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 17827Kamerstuk 20 454, nr. 19428Kamerstuk 31 511, nr. 6129Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 VIII, nr. 43Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20110 – mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties (BZK) en de Staatssecretaris van Defensie – uw Kamer geïnformeerdover de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Strienen daarmee ook aan de motie Simons. In deze brief wordt aangegeven dat– om het vieren van onze vrijheid in de toekomst te borgen – het kabinetzich inzet om tot een breed gedragen toekomstvisie voor 5 mei te komen.Om hiertoe te komen zal ik allereerst samen met mijn collega’s in gesprekgaan met relevante stakeholders, waaronder ook de bevrijdingsfestivals.Daarnaast is er vanuit mijn ministerie, OCW, BZK en Defensie gezamenlijkeenmalig € 1 miljoen vrijgemaakt in 2024 om de acute financiëleproblemen van de bevrijdingsfestivals te verhelpen.Verder acht ik een stevige basisinfrastructuur voor het herdenken enherinneren van de Tweede Wereldoorlog van groot belang. De afgelopenjaren hebben zowel mijn voorganger als ik hierin flink geïnvesteerd.30 Hetgaat daarbij om verschillende facetten, waaronder toegankelijkheid,vernieuwing van de herinneringscentra en het betrekken en bereiken vanjongere generaties via digitale wegen. De genoemde motie van KamerlidSimons over het versterken van de herdenkingscultuur in Nederland sluithierop aan. In deze motie vraagt de Kamer om mijn inzet om herden-kingslocaties breder toegankelijk te houden en digitaal te ontsluiten.Hierover kan ik melden dat de afgelopen periode de financiële basis vande door VWS gesubsidieerde herinneringscentra31 is verstevigd, ondermeer door vanaf 2023 een structurele bijdrage te verstrekken voormeerjarig onderhoud. Deze bijdrage draagt bij aan de instandhouding vandeze authentieke plekken. Hierdoor blijven deze plaatsen van herinneringtoegankelijk voor een breed publiek. Mijn inspanningen voor de digitaleontsluiting van herdenkingslocaties zijn terug te lezen in paragraaf 1.Tevens vraagt de motie Simons om initiatieven, zoals de NationaleKinderherdenking en Theater Na de Dam, die het bewustzijn en debetrokkenheid bij jongeren bevorderen, structureel in te bedden in hetherdenkingsbeleid. Ik ben hierover in gesprek gegaan met de NationaleKinderherdenking, Theater Na de Dam en een aantal andere organisaties.Voor mij is essentieel dat de Tweede Wereldoorlog op nationaal niveauwordt herdacht en herinnerd, door middel van de drie jaarlijkse nationaleherdenkingen, te weten de herdenking van de Holocaust eind januari, deNationale dodenherdenking op 4 mei en het einde van de TweedeWereldoorlog vanwege de capitulatie van Japan op 15 augustus. Daarbijacht ik het van groot belang dat eerdergenoemde authentieke plekkenwaar het verhaal van de Tweede Wereldoorlog kan worden aangeraakt engevoeld, in stand worden gehouden. Hiertoe geef ik aan een beperktaantal organisaties structurele ondersteuning. De waardevolle activiteitenvan Theater Na de Dam, de Nationale Kinderherdenking en vele andereorganisaties vallen – hoewel gezien en gewaardeerd – niet onder debandbreedte daarvan.Daarnaast vind ook ik het van grote betekenis dat jongeren nog beter instaat worden gesteld te leren over de Tweede Wereldoorlog. Belangrijkhierbij is dat er binnen het aanbod over de Tweede Wereldoorlog ruimte isvoor vernieuwing door relatief recente, maar kwalitatief hoogwaardigeinitiatieven voor een langere periode financiële zekerheid te bieden. Medehiervoor zet ik de nieuwe subsidieregeling op (zie verder onderparagraaf 1). De organisaties verantwoordelijk voor de initiatieven zoalsgenoemd in de motie, kunnen hier vanaf 2025 aanspraak opmaken.30Kamerstukken II 2020/2021, 204 54, nr. 170 en Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 178.31Nationaal Monument het Oranjehotel, Nationaal Monument Kamp Amersfoort, NationaalMonument Kamp Vught en Herinneringscentrum Kamp Westerbork.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20111 Omdat het voortbestaan van de genoemde organisaties mij wel aan hethart gaat, heb ik onderzoek laten doen naar de vraag in hoeverre hetmogelijk is een gezamenlijke basisinfrastructuur voor deze organisaties inte richten. Uit dit onderzoek blijkt dat er bij deze organisaties eerderbehoefte is aan het samenwerken op inhoud dan aan een gezamenlijkebasisinfrastructuur. Om inhoudelijk sterker te worden is het belangrijk dateen «impactmeting» kan worden uitgevoerd. Mede ter overbrugging vande start van de eerdergenoemde subsidieregeling financier ik daarom eenvervolgproject gericht op het vormgeven van een dergelijke «impact-meting».3. Zorg en ondersteuning oorlogsgetroffenen De Nederlandse samenleving voelt een bijzondere solidariteit met enheeft een ereschuld aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit deTweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan. Vanuit deze solidariteit enereschuld is het stelsel van pensioenen, uitkeringen en ondersteuningvoor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen opgebouwd. Het doel vandit stelsel is goede levensomstandigheden van personen die in bijzonderemate getroffen zijn door de Tweede Wereld- oorlog, te waarborgen en definanciële gevolgen van de door de oorlogsomstandigheden veroorzaakteinvaliditeit, ziekte of gebreken, te compenseren. Het kabinet heeft detoezegging gedaan dit stelsel tot de laatst levende verzetsdeelnemer enoorlogsgetroffenen te waarborgen. Het stelsel bestaat uit twee pijlers:1.de pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsge-troffenen2.maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning.Eerder heb ik toegelicht hoe dit stelsel in elkaar zit en werkt.32 In dezevoortgangsrapportage ga ik in op de recente ontwikkelingen binnen datstelsel.3.1 Pensioenen en uitkeringen De waardering voor de dienstverlening van de Pensioen en Uitkeringsraad(PUR) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is onverminderd hoog. Uithet klanttevredenheidsonderzoek dat eind 2022 en begin 2023 is uitge-voerd bleek dat cliënten de dienstverlening met een 8,6 waarderen.De belangrijkste uitdaging voor de komende jaren blijft het op peil houdenvan de kwaliteit van de dienstverlening en uitvoering. Het aantal personenuit de eerste generatie dat een beroep doet op de oorlogspensioenen en-regelingen, neemt ieder jaar af. Het cliëntenbestand van de SVB is in2023 met 8.2% gedaald en lag op 31 december 2023 op 15.377 personen.Deze daling is vergelijkbaar met de jaren hiervoor.Door de gestage daling van de eerste generatie verzetsdeelnemers enoorlogsgetroffenen bestaat het risico dat de kwaliteit van de dienstver-lening afneemt omdat steeds minder mensen betrokken zijn bij deuitvoering van de wetten en regelingen en beschikken over de benodigdekennis. Hierover blijf ik in gesprek met de PUR, SVB, ARQ, JoodsMaatschappelijk Werk (JMW), NLVi en Pelita. Het doel is om de komendetwee jaar nadere afspraken te maken over de wijze waarop hunwerkzaamheden kunnen worden afgebouwd, zonder dat dit ten koste gaatvan de kwaliteit van hun dienstverlening voor diegenen die daarvan nogsteeds gebruik maken.32Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 178Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20112 Ondanks de daling van het aantal nog in leven zijnde oorlogsgetroffenenzijn de kosten van de oorlogspensioenen en -uitkeringen in 2023gestegen. De oorzaak hiervan is gelegen in de stijging van hetminimumloon waaraan de oorlogspensioenen en -uitkeringen zijngekoppeld. Naast de reguliere stijgingkwamen sommige cliënten in aanmerking voor herziening van de hoogtevan hun pensioen of uitkering. De SVB heeft via het project «NieuweVaststellingen» ongeveer 3.000 pensioenen en -uitkeringen herzien enverhoogd.3.2 Maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning Verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen komen in aanmerking voorgespecialiseerd maatschappelijk werk en immateriële ondersteuning. Ditwordt verleend door het JMW, Stichting Pelita en het NLVi. Daarnaastorganiseren zij ook sociale activiteiten, zoals bijeenkomsten voor ouderenen lotgenoten.Sinds de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 en de oorlog in Gaza heefthet JMW bijeenkomsten georganiseerd om de emoties die dit inNederland oproept bij Joodse oorlogsgetroffenen en hun nazaten tebespreken. Uit deze bijeenkomsten en het contact dat JMW heeft met deJoodse gemeenschap blijkt dat er bij velen een gevoel van onveiligheid isontstaan. Dit gevoel van onveiligheid wordt versterkt door het toenemendantisemitisme. Ik blijf mij inzetten om JMW de ruimte te geven dezegevoelens van onveiligheid die leven bij de eerste en tweede generatieoorlogsgetroffenen, te adresseren.Convenant tweede generatie oorlogsgetroffenenDe gevolgen van de oorlog werken door bij de tweede generatie oorlogs-getroffenen, die opgegroeid zijn met ouders of familie die getraumati-seerd zijn door hun oorlogservaringen. Ook zij moeten kunnen rekenen opgepaste immateriële ondersteuning bij het verwerken van dit leed. Omhieraan erkenning te geven is in 2022 het Convenant «Vindbaar entoereikend aanbod van ondersteuning voor de tweede generatie oorlogs-getroffenen» afgesloten dat op 1 januari 2023 in werking is getreden.33Het convenant is nu iets meer dan een jaar in werking en de eersteresultaten worden langzaam zichtbaar. De organisaties die betrokken zijnbij de uitvoering van dit convenant zijn JMW, Stichting Pelita en het NLVien ARQ. Zij zijn gestart met het verbeteren van hun (digitale) loketten omde informatievoorziening aan de doelgroep en hulpverleners te verbe-teren. Daarnaast hebben ze actief cliënten geworven om deel te nemenaan groepsactiviteiten zoals lotgenotenbijeenkomsten. Uit de deelnameaan deze activiteiten kan voortkomen dat personen worden doorgeleidnaar reguliere of gespecialiseerde sociale en maatschappelijke dienstver-leners. In de tweede helft van dit jaar gaat de eerste tussenevaluatie vande uitvoering van het convenant van start. Daarmee kan naar verwachtingin het tweede kwartaal van 2025 een inhoudelijke verdiepingsslaggemaakt worden op de resultaten van de uitvoering van dit convenant.Project doorwerking collaboratieKinderen van ouders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederlandaan de kant van de Duitse bezetter stonden, kampen soms ook metpsychosociale problemen. Hun problematiek vloeit voort uit het oorlogs-33Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 175Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20113 verleden van hun ouders en de reactie daarop vanuit de Nederlandsesamenleving. Op 28 juni 2023 heb ik hierover een gesprek gevoerd metleden van de Werkgroep Herkenning. Deze werkgroep zet zich in voorkinderen van collaborateurs.Mede naar aanleiding van dit gesprek heb ik samen met ARQ, het NVLi ende Werkgroep Herkenning een dienstverleningsaanbod tot stand gebrachtdat vergelijkbaar is met de dienstverlening waar tweede generatieoorlogsgetroffenen voor in aanmerking komen. Via het door mij gesubsi-dieerde project «Doorwerking collaboratie» worden kinderen vancollaborateurs ondersteund en wordt erkend dat deze, inmiddelsvolwassen, kinderen ook indirect slachtoffer zijn van de TweedeWereldoorlog.4. Collectieve Erkenning van de Indische, Molukse, Papoea enChinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland Vanaf 2017 geeft mijn ministerie vorm aan het beleid van de collectieveerkenning voor hetgeen heeft plaatsgevonden in Nederlands-Indië/Indonesië. Deze erkenning betreft personen die zich onderdeel voelenvan/zich identificeren met de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen waarvan de voorouders of zij zelf na heteinde van de Tweede Wereldoorlog, dus vanaf 15 augustus 1945, tot aan1967 naar Nederland zijn gekomen vanwege de Tweede Wereldoorlog, deBersiap, de onafhankelijkheidsoorlog en de dekolonisatie.Een belangrijke mijlpaal voor de collectieve erkenning was de publicatievan het adviesrapport «Deel en Verbind» van de commissie VersterkingKennis Geschiedenis Voormalig Nederlands-Indië op 8 februari 2023(commissie Bussemaker).34 De commissie Bussemaker heeft veelverschillende aanbevelingen gedaan over hoe de kennis over dit kolonialeverleden beter verteld kan worden in de Nederlandse samenleving. Deaanbevelingen slaan op het onderwijsveld, maar ook op andere domeinenwaar mensen met de (culturele) geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië in aanraking komen. Bijvoorbeeld in musea, de publieke ruimteen online. In een interview met de Volkskrant op 8 februari 2023 geeftvoorzitter mevrouw Bussemaker op de vraag hoe Nederlanders bewustkunnen worden gemaakt van deze geschiedenis, het volgende antwoord:«door er zo veel mogelijk mensen toevallig mee in aanraking te latenkomen».35 Dat is wat ik met de verschillende programmalijnen van decollectieve erkenning probeer te bewerkstelligen. Door te investeren inscholing, educatie, herdenken, kennis, musea en cultuur en daartussenverbindingen te leggen, wil ik de geschiedenis van Nederlands-Indië/Indonesië en de gevolgen daarvan voor onze huidige samenlevingzichtbaarder maken, waardoor de kennis over deze geschiedenistoeneemt, ook onder hen die hiermee geen directe link hebben. Daarbijwil ik zoveel mogelijk recht doen aan de verscheidenheid van gemeen-schappen en generaties.Sinds oktober 2022 voert Panteia een breed reflectietraject uit voor hetbeleid vanaf 2017. Panteia analyseert wat de resultaten tot nu toe zijn,monitort de voortgang van de extra impuls en evalueert de subsidiere-geling collectieve erkenning Indisch en Moluks Nederland (cewin-regeling). In het tweede kwartaal van 2024 levert Panteia haar concept-rapport op. Op basis hiervan zal ik bekijken hoe de collectieve erkenningvanaf 2025 wordt voortgezet. Hierover ga ik in gesprek met de «Ronde34Kamerstukken II 2022–2023, 26 049 nr. 9935https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/geschiedenis-voormalig-nederlands-indie-moet-prominentere-plek-krijgen-in-het-onderwijs~bdd1e60b/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20114 Tafel»36 en de organisaties betrokken bij de uitvoering van de verschil-lende programmaonderdelen. In het eerste kwartaal van 2025 volgt heteindrapport.In de brief van 9 november 202237 ben ik uitgebreid ingegaan op deverschillende programmalijnen en projecten die onderdeel uitmaken vanhet beleid van de collectieve erkenning en de extra impuls die sinds 2022aan dit beleid wordt gegeven. De projecten die aan de collectieveerkenning verbonden zijn, lopen grotendeels door. In deze voortgangsrap-portage ga ik alleen nader in op de programmalijnen «kennis» en «zorg»van de «extra impuls», omdat hier de meeste ontwikkelingen hebbenplaatsgevonden. Onder programmalijn kennis valt het advies van decommissie Bussemaker en de opvolging daarvan. In mijn beleidsreactieop het adviesrapport van 4 juli 2023 heb ik uw Kamer verteld hoe ik deadviezen uit het rapport wil opvolgen.38 In het commissiedebat van12 april 2023 heb ik toegezegd uw Kamer over de voortgang van dezeimplementatie te informeren. Aan deze toezegging kom ik hierbijtegemoet.Ten slotte ga ik deze paragraaf in op de situatie rondom het behoud vanMolukse kindgraven en de Molukse dialoog, zoals toegezegd tijdens hetgenoemde commissiedebat.4.1 Stand van zaken uitvoering beleidsreactie op advies «Deel enVerbind» In mijn beleidsreactie van 4 juli 202339 heb ik, mede namens de Ministervan OCW en de Staatssecretaris van Cultuur en Media, uiteengezet op watvoor manier de adviezen uit het rapport van de commissie Bussemakerworden opgevolgd. Hierbij kan grofweg onderscheid worden gemaakttussen enerzijds acties gericht op formele onderwijs, inclusief randvoor-waardelijke initiatieven die de positie van leraren versterken en deinformatievoorziening verbeteren en anderzijds (educatieve) cultuurinitia-tieven gericht op erfgoed en musea. Hieronder licht ik de voortgang toe.Tijdens het commissiedebat van 12 april 2023 (Kamerstuk 20 454, nr. 187)heb ik toegezegd uw Kamer te informeren over de inzet van de financiëlemiddelen bij de implementatie van de adviezen zoals opgenomen in debeleidsreactie. Ik heb het volgende budget gereserveerd voor deimplementatie van de adviezen van de commissie Bussemaker: € 525.000in 2024, € 890.000 in 2025 en € 830.000 in 2026.Onderwijs (OCW)De kerndoelen voor primair onderwijs en onderbouw voortgezetonderwijs worden inmiddels voor alle leergebieden geactualiseerd. Dathoudt in dat conform de toezegging in de beleidsreactie ook voor hetleergebied Mens & Maatschappij nieuwe inhoud worden ontwikkeld. DeStichting Leerplanontwikkeling (SLO) gaat – samen met leraren envakexperts – deze nieuwe inhoud eind 2024 in concept opleveren. Voor debovenbouw van het voortgezet onderwijs zal de actualisatie van deexamenprogramma’s voor de Mens & Maatschappijvakken zoals36De Ronde Tafel is een bestuurlijk overleg dat mij adviseert over de voortgang en uitvoeringvan het beleid van de collectieve erkenning en mij informeert over wat er leeft en speeltbinnen de Indisch en Molukse gemeenschap. De Ronde tafel bestaat uit: het Indisch Herinne-ringscentrum, het Moluks Historisch Museum, Stichting Beheer Sophiahof, Pelita, StichtingNationale Herdenking 15 augustus ’45 en het Indisch Platform.37Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 17838Kamerstukken II 2022/2023, 26 049, nr. 11939Kamerstukken II 2022/2023, 26 049, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20115 geschiedenis, aardrijkskunde en economie – rond de zomer van 2024plaatsvinden.De makers van kerndoelen en examenprogramma’s hebben van hetMinisterie van OCW een algemene werkopdracht ontvangen en op basishiervan is een startnotitie per vak/leergebied opgesteld.40, 41 Hierin wordthet adviesrapport van de commissie genoemd als bron voor de makersvan de kerndoelen en is een notitie opgenomen over het inbedden vancultureel erfgoed.42DialoogvormenOnderzoeksbureau Diversion voert momenteel een inventarisatie uit naarverschillende vormen waarop verhalen tussen ervaringsgemeenschappenzelf, maar nadrukkelijk ook tussen de gemeenschappen en de bredereNederlandse samenleving kunnen worden uitgewisseld. Ook wordtonderzocht of er onder de gemeenschappen nog behoefte bestaat aannieuwe dialoogvormen. Het rapport wordt binnenkort opgeleverd. Opbasis daarvan bekijk ik of vervolgstappen nodig zijn.Digitaal platformHet platform dat is ontwikkeld vanuit «Programma Indisch ErfgoedDigitaal» dat beoogt de kennis over Nederlands-Indië/Indonesië tevergroten door archieven en collecties te digitaliseren en online vindbaarte maken, wordt door het Indisch Herinneringscentrum (IHC) en WO2NETuitgebreid tot een dynamisch digitaal platform voor leraren en makers vaneducatief materiaal waarin erfgoed, cultuur, onderwijs en publieksamenkomen. De educatieve component binnen het platform wordt in deperiode 2024–2026 doorontwikkeld in nauwe samenspraak met heteducatieve netwerk, bestaande uit onder meer het Canonnetwerk, deorganisatoren van de Maand van de Geschiedenis, educatienetwerkWikiwijs en het ondersteuningsconsortium Expertisepunt Burgerschap.Om de uitbreiding van het platform voldoende aan te laten sluiten bij debehoeften van leraren, de ervaringsgemeenschappen en anderegebruikers wordt een gebruikersonderzoek uitgevoerd en zal de klank-bordgroep «Educatie» van het IHC worden ingezet. Ook de door decommissie Bussemaker opgestelde kernprincipes zullen worden meege-nomen.GastsprekersMet het aanbieden van gastlessen waarin sprekers een persoonlijk ofvoorouderverhaal vertellen, gaat geschiedenis voor scholieren echt leven.Het LSG, ressorterend onder Herinneringscentrum Kamp Westerbork, isdaarom door mij verstevigd om nieuwe gastsprekers op te leiden en tebegeleiden en om de aanvragen van scholen voor gastsprekers in relatietot Nederlands-Indië/Indonesië op te vangen. Daarnaast worden erstudiedagen en workshops georganiseerd voor geschiedenisleraren enleraren burgerschapskunde. Hiermee worden docenten in contactgebracht met de diverse mogelijkheden die gastsprekers bieden om zichin het onderwijs over Nederlands-Indië/Indonesië te verdiepen vanuit eenmeerstemmig perspectief.40De algemene werkopdracht is te vinden op: https://www.slo.nl/publish/pages/20492/werkopdracht_ministerie_ocw_aan_slo_kerndoelen_vijf_leergebieden.pdf41De startnotitie is te vinden op: https://www.actualisatiekerndoelen.nl/mensmaatschappij/updates/startnotitie-van-het-leergebied-mens-en-maatschappij-2-242Voor de notitie over cultureel erfgoed, zie: https://www.slo.nl/@21262/overwegingen-bredere-inbedding-cultureel/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20116 Erfgoed, musea en publieke ruimteHet Wereldmuseum en Museum Sophiahof zijn voornemens per juni 2024een kwartiermaker «Versterking Kennis Geschiedenis Nederlands-Indië/Indonesië» aan te stellen voor de periode 2024 tot en met 2026. Met hetinstellen van een kwartiermaker wordt een netwerk opgebouwd vanbetrokkenen uit de gemeenschappen, experts en instellingen diegezamenlijk een kennis- en onderzoekagenda opstellen voor de Neder-landse museumsector, zodat het kennisniveau over het verleden vanNederlands-Indië/Indonesië stijgt en de aandacht hiervoor beter geborgdwordt.Daarnaast voert de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) eenverkenning uit naar het bestaande erfgoed in de publieke ruimte dat eenrelatie heeft met Nederlands-Indië /Indonesië. Middels registeronderzoek,interviews met representanten vanuit de gemeenschappen en expertsbinnen en buiten de RCE wordt een exemplarische lijst met toonbeeldenopgeleverd. De RCE verwacht de inventarisatie in april van 2024 tepubliceren. Daarna zal ik hierover een werkconferentie met het veldorganiseren.4.2 Stand van Zaken programmalijn zorg Tijdens het commissiedebat van 12 april 2023 heb ik toegezegd uw Kamerop de hoogte te houden van de mogelijkheden om de positie vanweduwen een (grotere) plaats te geven binnen het beleid van decollectieve erkenning. Ik zie hier vooral kansen binnen de actielijn zorg.Daarbij heb ik mij niet beperkt tot uitsluitend de groep weduwen. Deprojecten zijn gericht op alle ouderen binnen de Indische, Molukse,Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen.Op twee manieren is invulling gegeven aan deze toezegging.Ten eerste zijn de zorgprojecten die gericht zijn op Indische en Molukseouderen, voortgezet en uitgebreid. Net als de andere oorlogsgetroffenendie de Tweede Wereldoorlog in Azië of de onafhankelijkheidsoorlog inIndonesië hebben meegemaakt, is de groep weduwen inmiddels op hogeleeftijd. Om hen te ondersteunen zijn als onderdeel van het beleid van decollectieve erkenning in 2022 en 2023 verschillende zorgprojectenuitgevoerd. Het project «Liefdevolle Plicht», dat door MantelzorgNL insamenwerking met Stichting Pelita en de Landelijke Stichting MolukseOuderen (LSMO) werd uitgevoerd, richtte zich specifiek op mantelzorgers.Via dit project zijn mantelzorgers en ouderen in contact gebracht metlokale zorgaanbieders en steunpunten voor mantelzorgers. Hiermee werdbeoogd Indische en Molukse mantelzorgers te ontlasten, de kennis bij delokale zorgaanbieders over deze doelgroep te vergroten en de ouderenbetere ondersteuning en zorg te bieden. De pilotprojecten in Wierden,Woerden en Tilburg zijn succesvol afgerond. Om de zorg en onder-steuning van de weduwen en de andere ouderen te versterken heb ikbesloten dit project, samen met een project dat gericht is op hetverbinden van de reguliere zorg en de Indische en Molukse gemeen-schappen door het opzetten van lokale netwerken, voort te zetten en uit tebreiden. Met de kennis die in de pilotprojecten is opgedaan, worden deresultaten beschikbaar gesteld aan andere gemeenten waar een groteIndische en/of Molukse gemeenschap woont.Ten tweede wordt er een onderzoek ingesteld naar de wijze waaropouderen zijn omgegaan met de verschrikkingen van de Tweede Wereld-oorlog in Azië en de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië, omdat ereerder te weinig aandacht voor hun ervaringen is geweest. Het onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20117 kan mogelijk ook van belang zijn voor het voeren van gesprekken tussengeneraties om het «Indisch zwijgen» te doorbreken. Het onderzoek wordtopgezet door ARQ. Het doel is in kaart te brengen hoe ouderen in hunleven zijn omgegaan met ingrijpende, vaak gewelddadige, gebeurtenissenzoals de Japanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië, de Bersiap,de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië, de (gedwongen) migratie naarNederland en hoe ze hier in hun laatste levensfase op terugkijken. Hetperspectief van vrouwen staat hierbij centraal.4.3 Molukse dialoog Op 31 augustus 2022 zijn Minister-President Rutte en ik in het Catshuis ingesprek gegaan met leden van de Molukse gemeenschap. Het gesprekging over hun kille aankomst in Nederland in 1951 en de wijze waarop degebeurtenissen rondom die aankomst tot vandaag de dag doorwerken inde Molukse gemeenschap. In de brief aan uw Kamer van 14 december202243 heeft de Minister-President benadrukt dat de excuses die hij op17 februari 202244 namens het kabinet heeft gemaakt aan eenieder diegeraakt is door het Nederlandse optreden tijdens de onafhankelijkheids-oorlog in Indonesië, ook uitdrukkelijk zijn bedoeld voor de Indische enMolukse gemeenschappen in Nederland. Deze excuses gelden tevensvoor de kille ontvangst van de Molukse gemeenschap in Nederland en zijnevenzeer relevant voor de volgende generaties die zijn opgegroeid met depijn en het verdriet van hun ouders en grootouders.Samen met verschillende andere ministeries is er vervolgens een plan vanaanpak opgesteld over de wijze waarop de dialoog met de Moluksegemeenschap kan worden voortgezet. Het doel van de dialoog is te bezienof er binnen de Molukse gemeenschap behoefte bestaat aan het naderinvullen van de gemaakte excuses voor de kille ontvangst in Nederland,en zo ja, onder welke voorwaarden nadere excuses zouden wordengeaccepteerd en gedragen en welk concreet gebaar daar bij past. Dezoektocht naar een passende wijze voor opvolging van het gesprek met deMolukse gemeenschap, als ook de val van het kabinet, hebben hetopstellen van het plan onverhoopt vertraagd. Het past een demissionairkabinet mijns inziens niet een definitieve beslissing te nemen over het aldan niet maken van nadere excuses en de concrete invulling daarvan.Daarom kijk ik nu samen met sleutelfiguren uit de Molukse gemeenschapsamen hoe we – met het oog op een volgend kabinet – toch een aantalvoorbereidende gesprekken kunnen voeren met die gemeenschap.Verder is in het commissiedebat van 12 april 2023 door mij toegezegd uwKamer te informeren over de stand van zaken met betrekking tot hetbehoud van de Molukse (kind)graven. De looptijd van de grafrechten vande eerste generatie Molukkers in Nederland loopt af en niet alle familieshebben geld om de grafrechten te vernieuwen. De verantwoordelijkheidvoor het beheer van begraafplaatsen en het innen van grafrechten ligt bijgemeenten. Het is aan hen om te bepalen of zij bereid zijn af te zien vanhet innen van grafrechten of een aparte status te geven aan de Moluksegraven. Zo hebben bijvoorbeeld de gemeenten Assen, Hooghalen enBovensmilde besloten om 400 Molukse graven van onder andereKNIL-veteranen en kinderen een speciale status te geven. Nabestaandenhoeven geen grafrechten meer te betalen, maar blijven wel verantwoor-delijk voor het onderhoud van deze graven. Ondanks dat er formeel geenrol is weggelegd voor de Rijksoverheid in dit proces, zal ik de werkwijzevan de bovengenoemde gemeenten onder de aandacht brengen vanandere gemeenten waar een vergelijkbare situatie speelt.43Kamerstukken II 2022/2023, 26 049, nr. 9844Kamerstukken II 2021/2022, 26 049, nr. 92Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20118 5. Sinti en Roma Zoals toegezegd in de brief van 9 november 2022 kom ik hierbij met eenbeleidsagenda voor het versterken van de aandacht van het verhaal vanSinti en Roma in de Tweede Wereldoorlog.45 Met de subsidieregeling tenbehoeve van de participatie en emancipatie van Sinti en Roma inNederland verdeelde VWS van 2015 tot en met 2022 de overgeblevenmiddelen in het kader van de tegemoetkomingen vanwege het gebrekkigenaoorlogse rechtsherstel. Het ging om laagdrempelige projecten voor endoor de gemeenschap gericht op het verbeteren van de maatschappelijkepositie van Sinti en Roma. De adviescommissie Sinti en Roma is zeerbelangrijk gebleken om de aanvragen van de subsidieregeling goed tekunnen behandelen en om te horen wat leeft en speelt binnen degemeenschappen. Daarom wil ik samen met de leden van de commissieonderzoeken welke rol deze commissie bij de uitvoering van onder-staande beleidsagenda kan spelen.5.1 Beleidsagenda eerste fase: 2024–2025 Er is nog altijd (te) weinig aandacht is voor het verhaal van de genocideop de Sinti en Roma gedurende de Tweede Wereldoorlog. Dit hangtsamen met het feit dat het hier gaat om een kleine slachtoffergroep46 endat er geen landelijke Sinti en Roma organisaties zijn die de aandachtvoor hun geschiedenis kunnen opeisen.47 Omdat de genocide op de Sintien Roma onlosmakelijk verbonden is met het verhaal van de TweedeWereldoorlog en nooit mag worden vergeten, vraagt het extra inzet vanmij en de WOII-sector om dit te realiseren. Deze inzet wordt vormgegevenvia de onderstaande doelstelling:•Het stimuleren en faciliteren dat de aandacht voor de genocide vanSinti en Roma tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt ingebed inWOII-sector. Het gaat hier om de erkenning van de geschiedenis vande Sinti en Roma gemeenschap door het versterken van activiteitendie bijdragen aan het herdenken en herinneren, (wetenschappelijk)onderzoek, digitalisering en educatie van deze geschiedenis.Belangrijk is dat Sinti en Roma gemeenschappen hierbij actief door deprofessionele organisaties worden betrokken.Daar waar het gaat om de huidige positie van Sinti en Roma hebbenandere departementen het voortouw.Deze ambitie krijgt gestalte in een beleidsagenda voor de komende vijfjaar. In eerste periode richt ik me op 80 jaar herdenken en herinneren vande vervolging en genocide van Roma en Sinti. Ook start ik met hetvergroten van kennis door middel van wetenschappelijk onderzoek endigitalisering. Daarnaast start ik in 2025 met een subsidieregeling (zie45Kamerstukken II 2022/2023, 20 454, nr. 17846Het precieze aantal Roma en Sinti in Nederland is niet vast te stellen, gezien in Nederland nietgeregistreerd wordt op basis van etniciteit. Schattingen lopen uiteen van enkele duizenden totveertigduizend, wat betekent dat niet meer dan ongeveer 0,24 procent van de Nederlandsebevolking een Roma of Sinti achtergrond heeft. Nederlandse Roma en Sinti wonen zowel opwoonwagenlocaties als in permanente woningen, verspreid over heel Nederland47In 2020 heeft het Verwey-Jonker Instituut een verkennend onderzoek uitgebracht met als doelinzichtelijk te maken of er belangstelling is voor een centrale landelijke belangenbehartigingen vertegenwoordiging voor Sinti en Roma (Utrecht, maart 2020). Hieruit kwam naar voren dater onder Sinti en Roma behoefte is aan structurele aanpak van de verschillende problemen(onderwijs, werkgelegenheid, discriminatie, gezondheidzorg) en dat een landelijke raadmogelijk een brug kan slaan tussen gemeenschappen en de (lokale)overheid. Echter, binnende gemeenschappen bestond te veel discussie over hoe zo’n landelijke raad vorm moetkrijgen. Bovendien zal zo’n raad zich dus primair richten op beleidsthema’s die niet raken aanOorlogsgetroffenen en Herinnering WOIITweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20119 verder onder paragraaf 1) die zich onder meer richt op onderbelichteonderwerpen, waaronder Sinti en Roma.Eind 2025 kijk ik hoe ik verder ga met mijn beleidsagenda op basis van debehaalde resultaten en recente ontwikkelingen.Nationaal Programma Herdenking Vervolging Sinti en Roma 2024–2025Onder het Nationaal Programma Herdenking Vervolging Sinti en Roma,waarvan de uitvoering wordt gecoördineerd door HerinneringscentrumKamp Westerbork, bevinden zich 11 projecten op het gebied vanherinneren en herdenken, cultuur en erfgoed, en educatie en wetenschap.In vrijwel elke provincie van Nederland vinden activiteiten plaats,uitgevoerd door, voor of in samenwerking met vertegenwoordigers uit deverschillende generaties en verschillende lagen uit diverse Sinti en Romagemeenschappen. De eerste projecten starten in mei 2024, precies 80 jaarna de deportatie van het 245 Sinti en Roma uit kamp Westerbork naarAuschwitz-Birkenau, en lopen door tot en met mei 2025.Binnen dit Nationale Programma financier ik de projecten die aansluitenbij bovengenoemde doelstelling. Het betreft de algehele coördinatie, deNationale Herdenking Vervolging Sinti en Roma, een fellowship Herinne-ringscentrum Kamp Westerbork voor Sinti of Roma, digitalisering enpresentatie van portretten van weggevoerde en derde generatie Sinti enRoma en het organiseren van een symposium over de stand van zakenvan de geschiedschrijving van de vervolging van Sinti en Roma tijdens deTweede Wereldoorlog. De overige projecten, zoals het realiseren vanlokale monumenten en het ontwikkelen van culturele voorstellingen,liggen inhoudelijk meer op de weg van gemeenten, provincies enfondsen. Bijkomend doel van het programma is om de verstandhoudingtussen Sinti en Roma en (lokale)bestuurders en gemeenschappen teverbeteren en begrip voor hun problematiek te vergroten.Herinneringscentrum Kamp Westerbork heeft zelf het initiatief genomenvoor de totstandkoming van dit nationale programma. Ik ondersteun ditgraag en vind ook dat het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, geletop haar geschiedenis, past deze coördinerende rol voor de aankomendeperiode te vervullen in het kader van 80 jaar vervolging Sinti en Roma.Vervolgens wil ik in overleg met Herinneringscentrum Kamp Westerborken de gemeenschappen nagaan of deze coördinerende rol op langeretermijn vervuld kan worden, in het kader van de uitvoering van mijnbeleidsagenda.(Wetenschappelijk) onderzoek en archivering/digitaliseringEr is relatief weinig en fragmentarisch onderzoek gedaan naar devervolging en uiteindelijke genocide van Sinti en Roma. Het laatste groteonderzoek over de Sinti en Roma vervolging betreft het boek «Vervolgingvan zigeuners in Nederland 1940–45» van B.A. Sijes uit 1979. Sindsdienzijn veel nieuwe wetenschappelijke inzichten opgedaan. Recent lokaalonderzoek in Amersfoort en Utrecht48 laat zien dat meer informatie kanworden blootgelegd dan nu bekend is. Daarom verken ik op dit ogenbliksamen met het NIOD, Herinneringscentrum Kamp Westerbork en een Sintien Roma organisatie of een meerjarig wetenschappelijk onderzoek kanworden gestart en wat daarvoor nodig is. Voor dit onderzoek is het vanbelang dat voldoende archiefmateriaal over de vervolging van Sinti enRoma voorhanden is. Daarom ben ik voornemens een inventarisatie naararchiefmateriaal te laten uitvoeren. Het gaat zowel om materiaal dat zich48Van der Hulst, A. en Öfner, P., Sinti en Roma in Amersfoort 1940–1945: een onderzoek, 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20120 nu nog bij particulieren bevindt, als om collecties die in het verleden bijarchieven zijn ondergebracht. Op basis daarvan bepaal ik of het weten-schappelijk onderzoek gepaard moet gaan met een archivering- endigitaliseringstraject.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20121

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f55b9f2fb6b53294

14 okt 2026 · cee811f05a830019

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.