KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag

22 dec 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 679bdee3ad190b6a · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 835Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 vanhet Europees Parlement en de Raad van 13 juni2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EUinzake de voorkoming en bestrijding vanmensenhandel en de bescherming vanslachtoffers daarvan (Implementatiewetherziene Europese richtlijn mensenhandel)Nr. 5 VERSLAGVastgesteld 22 december 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbe-reidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen engemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht decommissie de openbare behandeling van het voorstel van wetgenoegzaam voorbereid.INHOUDSOPGAVEI.Algemeen11.Inleiding12.Hoofdlijnen van de Herzieningsrichtlijn33.Inhoud van het wetsvoorstel34.Inhoud van de Herzieningsrichtlijn en wijze van imple-mentatie55.Uitvoerings- en handhavingsconsequenties en financiëlegevolgen116.Adviezen12II.Artikelsgewijze toelichting12III.Overig13 I. Algemeen 1. Inleiding De leden van de D66-fractie bedanken de regering voor het wetsvoorstelen de memorie van toelichting. Deze leden onderschrijven het belang vaneen krachtige, samenhangende en gemoderniseerde aanpak vanmensenhandel, waarbij bescherming van slachtoffers en een effectievebestrijding van daders centraal staan. Mensenhandel is een zeer ingrij-pende mensenrechtenschending die vaak niet duidelijk zichtbaar is voorde samenleving. Slachtoffers worden vaak langdurig geconfronteerd metlichamelijk en psychische schade, met verlies van autonomie, schuldge- kst-36835-5ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 51 voelens en angst. Deze leden achten het dan ook positief dat de gemoder-niseerde Europese richtlijn mensenhandel is ingevoerd, zodat slachtoffersbeter worden beschermd en uitbuiters beter kunnen worden aangepakt.Deze leden zien ook dat, zoals ook aangegeven in de memorie vantoelichting, de Nederlandse wet- en regelgeving al grotendeels in lijn ismet de herziene Europese richtlijn mensenhandel. Tegelijkertijd hebben zijnog enkele vragen, naar aanleiding van het advies van de Afdelingadvisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling advisering) en dememorie van toelichting.De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel en de daarbij behorende stukken. Deze leden zijnvoorstander van een stevige en effectieve aanpak van mensenhandel.Tegen deze achtergrond hebben zij een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden benadrukken dat mensenhandel eenverwoestende vorm van criminaliteit is en dat het tegengaan van ditmensonterende delict een grote prioriteit moet zijn en blijven van deregering. Zij onderschrijven het doel van de herziene richtlijn en steunenhet wetsvoorstel. Deze leden stellen nog enkele vragen en maken nog eenpaar opmerkingen.De economische schade als gevolg van mensenhandel in de EU wordtgeschat op 2,7 miljard euro per jaar, zo begrijpen de leden van deVVD-fractie. Is er een concreet doel vastgelegd om dit bedrag te verlagen?Zo nee, waarom niet? Kan de regering een inschatting geven van deverwachte effecten van het implementatiewetsvoorstel op de aangiftebe-reidheid, het percentage zaken dat wordt geseponeerd en de instroom vande in te plannen strafzaken die van het Openbaar Ministerie (OM)aanbrengt bij de rechter?De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeftgekozen het Wetboek van Strafrecht BES aan te passen en in het geheelgeen aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre de herziene richtlijngevolgen met zich meebrengt voor de aanpak van mensenhandel op deBES-eilanden.De leden van de VVD-fractie vragen de regering naar de laatste stand vanzaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Verkuijlenover het tegengaan van misbruik van de B8/3-regeling (Kamerstuk 36 547,nr. 33). Kan worden toegelicht welke stappen de regering de afgelopenperiode heeft gezet om de motie uit te voeren en welke stappen in 2026nog zullen worden gezet?De leden van de VVD-fractie constateren dat er naast de structurelemiddelen voor het actieprogramma «Samen tegen mensenhandel» ookvanaf 2020 in een opbouwende reeks 10 miljoen euro beschikbaar isgekomen voor de werving van medewerkers bij politie ten behoeve vande aanpak van mensenhandel. Het betreft 58 fte die in een periode vanvier jaar (tot en met 2023) worden geworven. Kan de regering bevestigendat deze medewerkers inmiddels allemaal zijn geworven? Zo nee, waaromniet? Voornoemde leden signaleren dat in de periode 2018 tot en met 2021het aantal verdachten van mensenhandel dat door de politie bij het OM isaangebracht gemiddeld 184 per jaar bedroeg; en dat in de begroting vanhet Ministerie van Justitie en Veiligheid voor het jaar 2026 zelfs is te lezendat het aantal verdachten is teruggelopen, van 210 verdachten in 2023naar 196 in 2024. Deze leden vragen hoe het kan dat dit aantal is terugge-lopen en welk deel hiervan kan worden toegeschreven aan gebrekkigemeldings- en aangiftebereidheid. Voornoemde leden vragen de regeringTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 52 of zij van mening is dat het teruglopende aantal verdachten de noodzaakaantoont van de Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstellingmensenhandel. Deze leden vragen of de regering bereid is om bij deEerste Kamer aan te dringen op spoedige behandeling van ditwetsvoorstel.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel en danken de regering voor dit wetsvoorstel. Dezeleden maken graag van de gelegenheid gebruik om aanvullende vragen testellen over de voorgestelde wijzigingen, de gemaakte keuzes in deimplementatie en de gevolgen voor de praktijk.De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel en hopen dat het zal bijdragen aan de bestrijding vanmensenhandel. Deze leden vragen wat de huidige schattingen zijn tenaanzien van het aantal personen dat onder dwang in de prostitutie werktin Nederland en naar Nederland is gehaald onder valse voorwendselen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden hebben naar aanleiding van dit wetsvoorstel nogenkele vragen.2. Hoofdlijnen van de Herzieningsrichtlijn De leden van de ChristenUnie-fractie hebben in de memorie vantoelichting gelezen dat de Herzieningsrichtlijn ook het treffen van extramaatregelen ter bescherming van slachtoffers verplicht, waarbij erbijvoorbeeld extra aandacht moet zijn voor minderjarigen en personenmet een handicap. Deze leden vragen de regering of zij ook extraaandacht geeft aan vluchtelingen en daklozen, aangezien dit, net alsminderjarigen en personen met een handicap, kwetsbare groepen zijn, enof zij dit kan toelichten.3. Inhoud van het wetsvoorstel De leden van de D66-fractie merken op dat door de Implementatiewet deniet-cumulatieve opsomming van vormen van uitbuiting uit artikel 237f Srwordt uitgebreid met uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting vangedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie. Daarnaast zorgtde implementatiewet ervoor dat het verbod op het gebruikmaken vanseksuele diensten in artikel 273 Sr van slachtoffers van mensenhandelwordt uitgebreid naar het gebruikmaken van niet-seksuele diensten vanhet slachtoffer. Daarin heeft de regering de keuze gemaakt om bijniet-seksuele diensten, net zoals nu al het geval is bij seksuele diensten,niet alleen de opzetvariant maar ook de schuldvariant strafbaar te stellen.Ook wordt door de implementatiewet het Besluit internationale verplich-tingen extraterritoriale rechtsmacht (BIVR) aangevuld, zodat wordtgewaarborgd dat Nederland, conform artikel 1 onderdeel 10 van deherziene Europese richtlijn mensenhandel, rechtsmacht kan uitoefenenwanneer dit feit is gepleegd door of tegen een Nederlander of een inNederland woonachtig persoon. In het kader van deze nieuwe bepalingenin het Wetboek van Strafrecht, in combinatie met de aanpassing van hetBIVR, vragen voornoemde leden hoe de regering situaties beoordeeltwaarin wensouders bewust kiezen voor landen met zwakke regelgevingrondom draagmoederschap of illegale adoptie. Zou er dan sprake kunnenzijn van culpa van het delict omschreven in het nieuwe artikel 273 Sr?Onder welke voorwaarden zou dit het geval zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 53 De leden van de VVD-fractie constateren dat de herziene richtlijn met zichmeebrengt dat mensenhandel die wordt gepleegd of vergemakkelijkt doormiddel van internet en sociale media, een strafverzwarende omstan-digheid wordt wanneer dit gepaard gaat met seksuele uitbuiting. Derichtlijn resulteert onder andere op deze manier in hogere opgelegdestraffen voor daders van mensenhandel. Deze leden vragen of en hoe deeffecten van dit soort maatregelen onder de herziene richtlijn wordengeregistreerd zodat na verloop van tijd kan worden afgeleid uit desystemen of niet alleen de aangiftebereidheid, maar ook de opgelegdestraffen daadwerkelijk worden verhoogd. Graag ontvangen deze ledeneen reactie van de regering hierop.De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten welkegevolgen de uitbreiding van artikel 273f Sr en de verbreding vanartikel 273g Sr hebben voor de uitvoeringspraktijk, met name voor depolitie, het OM en de inspectiediensten. Zijn deze organisaties voldoendetoegerust om de nieuwe vormen van uitbuiting en de verruimde strafbaar-stelling effectief te herkennen, te onderzoeken en te bewijzen?De leden van de BBB-fractie constateren dat deze wet de herzieneEuropese Richtlijn mensenhandel (Richtlijn (EU) 2024/1712) uitvoert in deNederlandse wetgeving. De richtlijn wijzigt de bestaande Europese regelsuit 2011 over het voorkomen en bestrijden van mensenhandel en debescherming van slachtoffers. Nederland moet deze aanpassingenuiterlijk 15 juli 2026 doorvoeren.Dit wetsvoorstel, zoals toegelicht in de memorie van toelichting, regelt deimplementatie van de herziene Europese richtlijn mensenhandel (Richtlijn(EU) 2024/1712) in de Nederlandse wetgeving. De aanleiding voor dezewetswijziging is dat mensenhandel in Europa steeds complexer enveelzijdiger wordt, met nieuwe vormen van uitbuiting en een groeiendgebruik van digitale middelen. De Europese Unie heeft daarom debestaande richtlijn uit 2011 aangepast, en Nederland moet deze wijzi-gingen uiterlijk 15 juli 2026 doorvoeren.De kern van het wetsvoorstel is dat het Wetboek van Strafrecht wordtaangepast en uitgebreid. Allereerst wordt expliciet vastgelegd dat naastseksuele en arbeidsuitbuiting ook uitbuiting van draagmoederschap,gedwongen huwelijken en illegale adoptie onder mensenhandel vallen.Deze vormen van uitbuiting waren feitelijk al strafbaar, maar worden nuexpliciet genoemd vanwege hun groeiende relevantie in Europa. Ditbetekent bijvoorbeeld dat het misbruiken van een kwetsbare vrouw alsdraagmoeder tegen betaling, of het dwingen van iemand tot een huwelijkmet economisch voordeel, nu duidelijk onder mensenhandel valt.Daarnaast wordt de strafbaarstelling van het gebruikmaken van dienstenvan slachtoffers van mensenhandel uitgebreid. Het wordt strafbaar vooriedereen die weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat degeleverde dienst afkomstig is van een slachtoffer van mensenhandel. Ditgeldt niet alleen voor seksuele diensten, zoals dat al het geval was, maarvoortaan ook voor andere vormen van arbeid, bijvoorbeeld in deschoonmaak, bouw, zorg en soortgelijke sectoren. Hoe wordt hetbewustzijn bij werkgevers en organisaties vergroot zodat zij actiefcontroleren of diensten mogelijk door slachtoffers van mensenhandelworden uitgevoerd? En hoe wordt beoordeeld of de werkgever/werknemer daadwerkelijk weet heeft gehad van mensenhandel?De leden van de BBB-fractie constateren dat een belangrijk onderdeel vanhet wetsvoorstel het non-punishmentbeginsel is. Dit houdt in datslachtoffers van mensenhandel die als direct gevolg daarvan tot crimineleof andere onwettige activiteiten zijn gedwongen, niet vervolgd of bestraftmogen worden voor die activiteiten. Dit gold al voor strafbare feiten, maarwordt nu ook uitgebreid naar bijvoorbeeld administratieve overtredingen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 54 zoals het werken met valse papieren. Het wetsvoorstel bevat verderbepalingen die de bescherming van slachtoffers versterken. Er komenextra maatregelen voor minderjarigen en mensen met een handicap, en ermoeten duidelijke verwijzingsmechanismen komen voor de vroegtijdigeopsporing en identificatie van slachtoffers. Ook wordt de rol van denationale coördinator mensenhandel uitgebreid, met taken als monitoringvan trends, het verzamelen van statistieken, rapportage en het opstellenvan noodplannen.Lidstaten worden verplicht om een nationaal actieplan tegen mensen-handel op te stellen, regelmatig te evalueren en te actualiseren. InNederland is dit het «Versterkte Actieplan programma Samen tegenmensenhandel». Nederland heeft al langere tijd een «Actieplan tegenmensenhandel», kan de regering voor de leden van de BBB-fractietoelichten wat hiervan tot nu toe de resultaten zijn? En ziet de regeringmogelijkheden tot verbetering van dit plan? Daarnaast regelt de wet datNederland rechtsmacht heeft over deze strafbare feiten, ook als ze buitenNederland zijn gepleegd door of tegen Nederlanders. Kan de regering ooktoelichten op welke manier wordt samengewerkt met andere lidstaten omgrensoverschrijdende mensenhandel te voorkomen?De leden van de BBB-fractie constateren dat slachtoffers van mensen-handel recht hebben op schadevergoeding via civielrechtelijke weg, hetstrafproces en het schadefonds geweldsmisdrijven. Nederland acht hetniet nodig om een apart nationaal fonds voor schadevergoeding op terichten, omdat bestaande regelingen voldoende zijn. Verder moeten erpreventieve maatregelen komen, zoals campagnes en opleidingen, metaandacht voor digitale geletterdheid en specifieke doelgroepen. Tot slotkrijgt de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegenKinderen een centrale rol in het verzamelen en rapporteren van geanoni-miseerde statistische gegevens over het aantal slachtoffers, verdachten,vervolgingen en veroordelingen. De impact van de wetswijzigingen op destrafrechtketen wordt gemonitord en er is budget beschikbaar vooreventuele extra kosten.Kortom, dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat Nederland voldoet aan denieuwste Europese eisen voor de bestrijding van mensenhandel, door hetstrafrecht uit te breiden, de bescherming van slachtoffers te versterken, ende coördinatie en monitoring van het beleid te verbeteren. De nadruk ligtop het expliciet strafbaar stellen van nieuwe uitbuitingsvormen, hetverbreden van de strafbaarstelling van het gebruik van diensten vanslachtoffers, betere bescherming en ondersteuning van slachtoffers, eneen stevigere aanpak en preventie van mensenhandel.4. Inhoud van de Herzieningsrichtlijn en wijze van implementatie De leden van de D66-fractie signaleren dat in artikel 11, vierde lid vanRichtlijn 2011/36/EU bevat de verplichting om bij wettelijke of bestuurs-rechtelijke bepalingen een of meerdere verwijzingsmechanismen in testellen voor de vroegtijdige opsporing en identificatie van, en bijstand enondersteuning aan, geïdentificeerde slachtoffers, in samenwerking met derelevante hulpverleningsorganisaties, en om een contactpunt voorgrensoverschrijdende doorverwijzing van slachtoffers aan te wijzen. In hetkader van deze bepaling wordt in de memorie van toelichting aangegevendat er in 2025 gewerkt wordt aan het opzetten van één centraal informa-tiepunt waar slachtoffers, eerstelijns professionals en burgers op eenlaagdrempeligere en toegankelijke manier worden geïnformeerd endoorverwezen naar het juiste loket voor vragen over aangifte, hulp enopvang. Deze leden vragen wanneer de regering verwacht dat dezeorganisatie operationeel wordt, en hoe dit informatiepunt zal wordengemonitord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 55 De leden van de VVD-fractie constateren dat steeds meer aspecten vanmensenhandel (zoals het plegen van voorbereidingshandelingen) zichafspelen in het digitale domein. Daarom achten deze leden het wenselijkdat de aanpak van uitbuiting die online plaatsvindt wordt versterkt. Kan deregering nader toelichten welke maatregelen op dit gebied voortvloeienuit de herziene richtlijn? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren algetroffen door onder andere het Centrum Kinderhandel & Mensenhandelen de politie en hoe worden de kwalitatieve doelstellingen die zijnopgenomen over online opsporing in het versterkte actieplan Samentegen mensenhandel gemonitord en beoordeeld op effectiviteit?De leden van de VVD-fractie stellen ter nadere verduidelijking nog eenaantal vragen over de wijze waarop het begrip gedwongen huwelijk enhuwelijkse uitbuiting zich tot elkaar verhouden in de praktijk. Ook al wordtin de tekst van het wetsvoorstel huwelijkse uitbuiting» gedefinieerd als«gedwongen huwelijk», in de praktijk komt het vaak voor dat slachtofferspas in de periode na de sluiting van het huwelijk worden uitgebuit.Bijvoorbeeld situaties waarin het slachtoffer door zijn of haarhuwelijks-partner tot dienstverlening wordt gedwongen, zoals het verrichten vaneen veelheid van huishoudelijke werkzaamheden in combinatie metopgelegde vrijheidsbeperkingen, of het verlenen van seksuele diensten.Welke verruimingen worden met het wetsvoorstel voorzien in debeoordeling van strafwaardige handelingen? Wordt het straks makkelijkerom ook in deze gevallen daders te vervolgen voor huwelijkse uitbuiting?In het verlengde van de voorgaande vragen over de reikwijdte vanhuwelijkse uitbuiting; vragen de leden van de VVD-fractie of de regeringook kan reageren op alle vragen over de strafrechtelijke reikwijdte die hetCollege van procureurs-generaal heeft gesteld tijdens de voorbereidingenvan het wetsvoorstel. Deze leden ontvangen graag bij de nota naaraanleiding van het verslag een concreet antwoord op alle vragen die hetCollege van procureurs-generaal heeft gesteld op pagina’s 2 t/m 4 van hunadvies, zodat geen enkele vraag van het College van procureurs-generaalover de reikwijdte van het wetsvoorstel onbesproken blijft. Tot slot vragendeze leden of de hack van het OM nog gevolgen heeft voor de mogelijk-heden om IV-voorzieningen door te voeren in het kader van het onder-havige wetsvoorstel en het wetsvoorstel modernisering en uitbreidingstrafbaarstelling mensenhandel.Aangaande draagmoederschap vragen de leden van de VVD-fractie deregering wanneer sprake is van misbruik van een kwetsbare positie vande draagmoeder en of daarvoor is vereist dat de opdrachtgever enig –financieel of anderszins – voordeel beoogt. Kan de regering, mede in hetlicht van de opmerkingen van de Afdeling advisering over het vereisteoogmerk van uitbuiting, bevestigen dat het enkel instemmen met ofprofiteren van een draagmoederschapsconstructie waarin mogelijkmisbruik van een kwetsbare positie van de draagmoeder plaatsvindt,onvoldoende is om het oogmerk van uitbuiting in de zin van artikel 273fSr aan te nemen, indien betrokkene zelf geen dwangmiddel toepast?Onder welke omstandigheden wordt wel het oogmerk van uitbuitingaangenomen en onder welke omstandigheden is er bijvoorbeeld alleensprake van strafbaarheid zoals voorgesteld bij het wetsvoorstel Kind,draagmoederschap en afstamming (artikel 151ca Sr). Kan de regeringdaarbij tevens toelichten in hoeverre een overtreding van het beoogdeartikel 442b kan worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is vanmisbruik van een kwetsbare positie of uitbuiting in de zin van artikel 273fSr?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 56 Artikel 1, onderdeel 1, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de toevoeging vanuitbuiting van draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegaleadoptie aan artikel 273f Sr zich verhoudt tot bestaande nationalestrafbepalingen op deze terreinen. Op welke manier wordt voorkomen dater onduidelijkheid of overlap ontstaat bij de kwalificatie van feiten en dekeuze van het in te zetten strafrechtelijk instrumentarium?Artikel 1, onderdeel 1, onder b, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering of het klopt dat debestaande delictsomschrijvingen in artikel 273f Sr volledig aansluiten bijde gewijzigde Europese bepalingen rondom het middelvereiste, in hetbijzonder voor wat betreft (minderjarige) draagmoeders. Op welke wijzewordt dit onderscheid tussen situaties mét en zonder middelvereisteverankerd in regelgeving en beleid?Artikel 1, onderdeel 2, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie constateren dat de Nederlandse strafmaximavoor mensenhandel ruim boven de Europese minimumeisen liggen. Leidtdit in de praktijk tot verschillen in straftoemeting?Artikel 1, onderdeel 2, onder b, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering of het klopt dat destrafbaarstelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal (artikel 254baSr) toereikend is om de in de Herzieningsrichtlijn bedoelde digitaleverzwarende omstandigheden volledig af te dekken. Hoe wordt bevorderddat de digitale component, zoals het verspreiden of faciliteren vanseksueel beeldmateriaal van slachtoffers, consequent wordt betrokken bijde straftoemeting?Artikel 1, onderdeel 3, onderdelen a en b, van de Herzienings-richtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering of de systematiek vanartikel 51 Sr volledig toereikend is om rechtspersonen aansprakelijk testellen voor het delict bedoeld in artikel 18bis van de richtlijn, zoalsgeïmplementeerd via artikel 273g Sr. Zijn er, mede gezien complexeketens en internationale constructies, specifieke aandachtspunten bij detoerekening van gedragingen aan rechtspersonen die de regeringonderkent?Artikel 1, onderdeel 4, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering of de bestaandeinstrumenten, waaronder artikel 51 Sr, artikel 23 Sr en de Wet Bibob, in depraktijk voldoende ruimte bieden om rechtspersonen die betrokken zijn bijmensenhandel of het gebruikmaken van diensten van slachtoffersdaadwerkelijk consequent te sanctioneren. Daarnaast vragen deze ledenhoe wordt geborgd dat maatregelen als uitsluiting van overheidsfinan-ciering en (geanonimiseerde) bekendmaking van rechterlijke uitsprakenop een zorgvuldige wijze worden toegepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 57 Artikel 1, onderdeel 6, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoehet verbrede non-punishmentbeginsel zich verhoudt tot bestaandestrafuitsluitingsgronden zoals overmacht, en hoe wordt voorkomen dat ditbeginsel verschillend wordt uitgelegd in strafrechtelijke en bestuursrech-telijke context. Hoe wordt de uitkomst van de jaarlijkse monitoring van detoepassing van dit beginsel benut om beleid en uitvoering bij te stellen?Daarnaast vragen deze leden hoe deze bepaling zich verhoudt tot devoorgenomen wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel.Artikel 1, onderdeel 7, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten welkewaarborgen er zijn zodat het ontbreken of intrekken van een aangifte in depraktijk niet ertoe leidt dat het in artikel 273g Sr strafbaar gestelde feitonbestraft blijft. Hoe wordt in beleid en richtlijnen gewaarborgd datambtshalve optreden ook daadwerkelijk wordt benut waar de ernst van dezaak daarom vraagt?Artikel 1, onderdeel 7, onder b, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat deKoninklijke Marechaussee (KMar) zich vooral richt op de bestrijding vanmensensmokkel, maar in deze onderzoeken ook verwevenheid ziet metmensenhandel, en dat de KMar gespecialiseerde rechercheteams heeftvoor het bestrijden van mensensmokkel. Deze leden vragen in dit kadernaar de resultaten van het opgerichte multidisciplinair team (MDT)mensensmokkel en of er naast dit MDT ook een MDT kan wordenopgericht voor de opsporing van mensenhandel. Voornoemde ledenvragen voorts waarom de Tweede Kamer al meer dan twee jaar moetwachten op de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstelverhoging wettelijke strafmaxima mensensmokkel en uitbreidingrechtsmacht mensensmokkel (Kamerstuk 36 414). Wanneer «gebrek aanwetgevingscapaciteit» onderdeel is van het antwoord op deze vraag, danvragen deze leden of nader kan worden toegelicht waarom ditwetsvoorstel geen prioriteit heeft gekregen.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat lidstaten straks ook nationalecoördinatoren voor de bestrijding van mensenhandel moeten aanstellenen hun nationale actieplannen regelmatig moeten bijwerken, waardoorhet EU-netwerk van nationale coördinatoren en rapporteurs op het gebiedvan mensenhandel een grotere rol krijgt. De lidstaten moeten ook jaarlijksgegevens over mensenhandel uitwisselen via Eurostat. Kan hier eennadere toelichting op worden gegeven? Welke gegevens moeten wordenuitgewisseld? Deze leden vragen voorts of er voldoende adequatewettelijke grondslagen zijn om deze gegevens rechtmatig uit te wisselenen of er uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat er gegevens zijn waarvan hetvanuit opsporingsperspectief wenselijk is deze uit te wisselen, maarvanuit privacyoverwegingen dat nog niet gebeurt.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij de rol ziet vangespecialiseerde teams, zoals de Teams Migratiecriminaliteit en Mensen-handel (TMM) van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie enMensenhandel (AVIM), de Afdeling Arbeidsuitbuiting, de KMar en digitaleexpertise-eenheden, bij de aanpak van met ICT-gefaciliteerde mensen-handel. Op welke wijze wordt in beleid en organisatie vormgegeven aande noodzakelijke afstemming tussen deze teams, met name bij grensover-schrijdende en digitaal complexe zaken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 58 Artikel 1, onderdeel 8, onder a en b, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichtenwaarom is gekozen voor een ruime extraterritoriale rechtsmacht voor hetin artikel 18bis bedoelde feit via aanpassing van het BIVR. Hoe wordt in depraktijk omgegaan met situaties waarin meerdere lidstaten rechtsmachtkunnen of willen uitoefenen, en welke rol speelt Nederland in hetvermijden van parallelle procedures?Artikel 1, onderdeel 9, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat eengroot deel van de slachtoffers van mensenhandel een licht verstandelijkebeperking (LVB) heeft, terwijl dit niet altijd wordt herkend. Zij delen deconstatering van de regering dat het voor professionals van belang isslachtoffers met een LVB te herkennen, zodat er passende begeleiding enbehandeling kan worden geboden. Kan de regering nader toelichten opwelke wijze wordt vastgesteld dat een slachtoffer een LVB heeft? Dezeleden vinden het belangrijk dat naast het trainen van professionals ookbeter wordt verankerd op welke wijze, wanneer in de procedure en doorwie een LVB bij een slachtoffer van mensenhandel wordt vastgesteld. Indat kader vragen zij of de regering bereid is te onderzoeken of er bijslachtoffers van mensenhandel veel vaker al in een vroeg stadium eenSCIL-test kan worden afgenomen, zodat een LVB eerder wordt vastge-steld. Acht de regering het wenselijk dat dergelijke informatie overslachtoffers ook tijdig wordt gedeeld met andere opsporingsdiensten,inspecties, en bestuurlijke instanties (IND) in grensoverschrijdendeopsporingsonderzoeken naar mensenhandel?De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de explicieteverplichting tot genderbewuste, handicap-sensitieve en kindvriendelijkeondersteuning wordt verankerd in het Besluit slachtoffers van strafbarefeiten en in uitvoeringsrichtlijnen. Hoe wordt daarbij aangesloten bijbestaande instrumenten zoals de Individuele Beoordeling en kindvriende-lijke verhoorpraktijken?Artikel 1, onderdeel 9, onder b en c, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie constateren dat de regering bij deverplichting tot het vaststellen van een verwijzingsmechanisme verwijstnaar het Nederlandse juridische en beleidsmatige kader, dat volgens deregering de werkzaamheid waarborgt en Nederland – kort gezegd – in depraktijk al voldoet aan de plicht tot het instellen van een of meerdereverwijzingsmechanismen. Kan de regering nader toelichten waarom deregering het op dit punt niet eens is met de Nationaal RapporteurMensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen? Welke andere landenhebben deze plicht op de voorgestelde wijze ingevuld net als Nederland?Zijn er landen waarin wel expliciet wordt gekozen voor de wijze die deNationaal Rapporteur voorstelt? Wat zijn hier de voor- en nadelen van?De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre bij de verdereuitwerking van het nationale verwijzingsmechanisme wordt aangeslotenbij pilots zoals de Domein Overstijgende Informatiegestuurde Werkwijze.Artikel 1, onderdeel 10, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering nader toe te lichten hoede samenwerking tussen de IND en de partners in de mensenhandel-aanpak wordt ingericht om te voorkomen dat signalen over slachtoffer-schap en (mogelijke) aanspraak op internationale bescherming langsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 59 elkaar heen lopen. Op welke wijze wordt bewaakt dat asielprocedures ende opvang en ondersteuning als slachtoffer goed op elkaar aansluiten ende informatiedeling is geborgd?Artikel 1, onderdeel 12, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de verplichting totveilige, vertrouwelijke en kindvriendelijke aangifteprocedures wordtvastgelegd in landelijke standaarden. Bestaan er eenduidige kwaliteitscri-teria voor studioverhoren van minderjarige en extra kwetsbare slacht-offers, en hoe wordt de naleving daarvan gevolgd?Artikel 1, onderdeel 13, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de bestaandespecialistische programma’s voor minderjarige slachtoffers, gericht opherstel en een veilige overgang naar volwassenheid, worden ingebed inhet bredere jeugd- en jeugdbeschermingsstelsel. In hoeverre wordenervaringen van organisaties als Fier, Ster Huis en Nidos benut bij deverdere ontwikkeling van beleid en regelgeving?Artikel 1, onderdeel 14, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie lezen dat lidstaten een nationaal slachtoffer-fonds of ander instrument onder de richtlijn mogen inrichten om deschadevergoeding aan slachtoffers van mensenhandel te regelen. Welkelanden hebben een vergelijkbaar systeem als Nederland met de WetSchadefonds geweldsmisdrijven? Deelt de regering het standpunt vandeze leden dat slachtoffers van alle vormen van uitbuiting en ernstigebenadeling aanspraak zouden moeten kunnen maken op een uitkering opgrond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. In het verlengde vandeze vraag, zijn voornoemde leden benieuwd of de regering puntsgewijskan reageren op de drie concrete suggesties bij het wetsvoorstel dieSlachtofferhulp Nederland heeft ingebracht.Artikel 1, onderdeel 15, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij voorkomt dat deverbreding van artikel 273g Sr naar niet-seksuele dienstverlening in depraktijk tot onderbenutting leidt, gegeven dat de delictsomschrijvingalleen in uitzonderlijke gevallen bewezen zal kunnen worden. Wordtvoorzien in nadere beleids- of werkinstructies om duidelijkheid te gevenover de toepassing van deze bepaling?Artikel 1, onderdeel 17, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het monitorings-overzicht van het Actieplan «Samen tegen mensenhandel». Zij vragen deregering of in toekomstige monitoringsoverzichten, conform de motie-Veltman (Kamerstuk 28 638, nr. 240), baseline-niveaus kunnen wordenopgenomen en daarnaast of het rapport kan worden voorzien vanstreefdata en tussentijdse doelstellingen.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij borgt dat deverplichtingen rond gegevensverzameling, statistieken en nationaleactieplannen uit de artikelen 19bis en 19ter duurzaam worden verankerdin de Nederlandse bestuurs- en beleidspraktijk. Hoe wordt ervoor gezorgddat toekomstige actieplannen en data-aanleveringen niet afhankelijk zijnvan losse projecten, maar een structureel karakter hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 510 Artikel 19a van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie vragen concreet hoe artikel 19a in de praktijkzal worden uitgevoerd en of er IT-aanpassingen noodzakelijk zijn om teverzekeren dat Nederland voldoet aan alle eisen die in artikel 19a zijnopgenomen ten aanzien van de data die lidstaten moeten registreren tenaanzien van (de aanpak van) mensenhandel. Deze leden vragen voorts of(een samenvatting van) de data die Nederland aanlevert bij de EuropeseCommissie ook wordt opgenomen in Kamerbrieven, zoals voortgangsrap-portages van het actieplan samen tegen mensenhandel en, zo niet, ofdeze informatie die Nederland stuurt naar de Europese Commissie eldersopenbaar wordt gemaakt.5. Uitvoerings- en handhavingsconsequenties en financiële gevolgen De leden van de D66-fractie merken op dat het OM en de Afdeling beide inhun advies aangeven dat verwacht wordt dat de wijzigingen niet zullenleiden tot een substantiële toename van strafzaken, onder andere omdathet misdrijf in art. 237g lastig te bewijzen is en vervolging daaromcomplex blijft. Derhalve vragen deze leden hoe de regering beoogt tevoorkomen dat deze strafbaarstelling in de praktijk vooral een symbo-lische waarde heeft, doordat opsporing structureel achterblijft bij depraktijk. Daarnaast wordt door de implementatiewet ook het Besluitinternationale rechtsmacht aangevuld, zodat wordt gewaarborgd datNederland, conform artikel 1 onderdeel 10 van de herziene Europeserichtlijn mensenhandel, rechtsmacht kan uitoefenen wanneer dit feit isgepleegd door of tegen een Nederlander of een in Nederlandwoonachtige persoon. De aan het woord zijnde leden achten dit begrij-pelijk, omdat mensenhandel vaak een grensoverschrijdend delict is. Zijvragen echter hoe de regering de handhaving van deze maatregelbeoordeelt, en of de regering hierin uitdagingen ziet.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat deverschillende ketenpartners, waaronder politie, het OM, de rechtspraak,de Arbeidsinspectie, de KMar, gemeenten, de asielketen, CoMensha,Slachtofferhulp Nederland, opvanginstellingen en andere hulpverlenings-en slachtofferorganisaties, daadwerkelijk beschikken over de benodigdecapaciteit, expertise en passende scholing om de gewijzigde en verbredestrafbaarstellingen en overige verplichtingen uit de herziene richtlijneffectief te kunnen uitvoeren. Hoe wordt voorkomen dat nieuwe delictenslechts beperkt worden vervolgd, dat slachtoffers niet tijdig in beeldkomen of tussen wal en schip raken, en dat onderzoeken vastlopen?Voorts vragen deze leden hoe de regering borgt dat de samenwerkingtussen alle betrokken partners zodanig is ingericht dat verantwoordelijk-heden en bevoegdheden duidelijk zijn belegd en bestaande samenwer-kingsstructuren, protocollen en afspraken periodiek worden geëvalueerden geactualiseerd.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de regering demonitoring van de uitvoering van de herziene richtlijn vormgeeft, inclusiefhet gebruik van registratiesystemen, statistieken en evaluaties vanactieplannen. Op welke momenten en via welke indicatoren wordtvastgesteld of de nieuwe strafbaarstellingen, voorzieningen en maatre-gelen in de praktijk daadwerkelijk worden benut, en hoe wordt de Kamerhierover tijdig geïnformeerd?Verder vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering waarborgt datopleidingen, trainingen en bewustwordingscampagnes voor professionalsblijvend aansluiten op de voortschrijdende digitalisering en veranderendeverschijningsvormen van mensenhandel, zodat wordt voorkomen datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 511 kennis veroudert en dat er ongewenste verschillen ontstaan tussensectoren of regio’s.Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering bewaakt datopvang, ondersteuning en schadevergoedingsmogelijkheden voorslachtoffers van mensenhandel – waaronder minderjarigen, personen meteen (licht) verstandelijke beperking en slachtoffers zonder verblijfsrecht –in de praktijk tijdig, bereikbaar en voldoende beschikbaar zijn, en ofknelpunten in capaciteit, middelen en toegankelijkheid structureel in kaartworden gebracht en opgelost.Het bereik van de huidige strafbaarstelling wordt verbreed tot hetgebruikmaken van niet-seksuele diensten van een slachtoffer vanmensenhandel, zo constateren de leden van de JA21-fractie. Deze ledenzijn van mening dat seksuele dwang vaak een schrijnender en kwalijkervorm van uitbuiting betreft. Kan de regering aangeven wat de verbredingzal doen met de capaciteit en focus in de opsporing? Hoeveel capaciteit bijpolitie wordt op dit moment besteed aan het opsporen van mensen-handel, en hoeveel geld? Kan de regering aangeven hoe de formatie eninzet hierop de afgelopen vijf jaar is veranderd?De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen over definanciële gevolgen van het wetsvoorstel. Kan de regering een indicatiegeven van de kosten die het wetsvoorstel met zich meebrengt en hoe diekosten gedekt worden? Deze leden begrijpen dat de kosten beterinzichtelijk zijn na een evaluatie, maar vragen de regering of zij iets meerkan zeggen over de verwachte kosten dan zij nu zegt. Daarnaast zijnvoornoemde leden benieuwd in welke mate de regering de verschillendeorganisaties financieel tegemoetkomt, of in welke mate deze organisatieszelf budget dienen vrij te maken voor benodigde aanpassingen in deorganisatiestructuren en allerlei trainingen en activiteiten.6. Adviezen De leden van de JA21-fractie constateren dat de wet strafbaarstellingmensenhandel recent is aangepast, waarbij ook uitbuiting in eengedwongen huwelijk is toegevoegd. Het is echter van belang om ook opte kunnen treden tegen huwelijkse uitbuiting, ook als bij de totstand-koming van het huwelijk geen sprake was van dwang. Nu is deopsomming niet limitatief. Kan de regering aangeven in hoeverre dit nuadequaat in de wet is opgenomen, wat de mogelijkheden zijn totvervolging, of dat dit verduidelijking zou kunnen gebruiken?II. Artikelsgewijze toelichting A (Wijziging artikel 273f)De leden van de PVV-fractie merken op dat het wetsvoorstel onder meerziet op de uitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel metspecifieke vormen van uitbuiting, zoals uitbuiting in de context vangedwongen huwelijken. Deze leden achten het van belang dat inzichtelijkwordt welke gevolgen een veroordeling wegens dergelijke delicten kanhebben voor de verblijfsrechtelijke positie van betrokkenen. Voornoemdeleden vragen de regering dan ook welke verblijfsrechtelijke consequentieskunnen volgen indien een persoon wordt veroordeeld wegens mensen-handel, in het bijzonder bij uitbuiting in de context van gedwongenhuwelijken. Deelt de regering de mening dat een dergelijke veroordelingaanleiding moet vormen voor intrekking of weigering van een verblijfs-vergunning, ongewenstverklaring of andere vreemdelingenrechtelijkemaatregelen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 512 B (Wijziging artikel 273g)De leden van de PVV-fractie constateren dat de richtlijn lidstaten verplichttot het strafbaar stellen van het opzettelijk gebruikmaken van diensten vanslachtoffers van mensenhandel, met als doel de vraag die mensenhandelin stand houdt terug te dringen. Zij lezen echter dat het wetsvoorstel dezestrafbaarstelling aanzienlijk verbreedt, doordat niet alleen seksueledienstverlening, maar alle vormen van dienstverlening onder het bereikvan de bepaling worden gebracht en daarnaast ook een schuldvariantwordt geïntroduceerd, waarbij strafbaarheid kan volgen indien degene diegebruikmaakt van een dienst ernstige reden heeft om te vermoeden datsprake is van mensenhandel. Deze leden vragen de regering welkeconcrete lacunes met deze verruiming worden beoogd te worden gedichten waarom deze keuze noodzakelijk wordt geacht voor een effectievebestrijding van mensenhandel.De leden van de PVV-fractie merken op dat met dit wetsvoorstel nietlanger uitsluitend seksuele dienstverlening onder het delict valt, maar datook het gebruikmaken van niet-seksuele diensten strafbaar kan wordengesteld. Zij wijzen erop dat deze keuze verstrekkende gevolgen kanhebben voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van burgers enbedrijven, met name in sectoren waarin mensenhandel minder zichtbaarof minder gebruikelijk is en waarin gebruikers van diensten niet zondermeer bedacht hoeven te zijn op uitbuiting. Deze leden constaterennamelijk dat bij seksuele dienstverlening algemeen wordt aangenomendat gebruikers zich bewust behoren te zijn van het verhoogde risico opmensenhandel en dat van hen daarom een verhoogde mate van alertheidmag worden verwacht. In veel andere sectoren is een dergelijke alertheidechter niet vanzelfsprekend. Tegen deze achtergrond vragen de aan hetwoord zijnde leden waarop de regering baseert dat van gebruikers vanniet-seksuele diensten, zoals arbeid of andere vormen van dienstverleningwaarin mensenhandel voor afnemers minder zichtbaar of gebruikelijk is,een vergelijkbare mate van alertheid mag worden verlangd, met namewaar het gaat om de toepassing van de schuldvariant die met deze wetwordt geïntroduceerd.III. Overig De leden van de D66-fractie signaleren dat artikel 273f Sr onder andere isuitgebreid met uitbuiting van huwelijksdwang. In mei 2025 presenteerdehet Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) het rapport«Over Grenzen – Een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventievebeschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijkegenitale verminking». Volgens dit rapport wijzen ervaringen uit hetVerenigd Koninkrijk uit dat de combinatie van civiele en strafrechtelijkeelementen zorgen voor een breder en effectiever instrumentarium omhuwelijksdwang te voorkomen. In het Verenigd Koninkrijk zijn specifiekecivielrechtelijke preventieve beschermingsmiddelen tegen huwelijks-dwang ingevoerd, namelijk de Forced Marriage Protection Orders enFemale Genital Mutilation Protection Orders. Deze zijn specifiekontworpen om bescherming te bieden in situaties waarin groepsdruk eenrol speelt en is het mogelijk om bescherming te bieden tegen meerderedaders. Overtreding van de opgelegde maatregel is een strafbaar feit. DeNederlandse civiele rechter is wel bevoegd om beschermingsbevelen uitte vaardigen, maar in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk het is op ditmoment niet mogelijk om bij deze overtreding strafrechtelijk tehandhaven. Het rapport stelt dat een hybride aanpak, naar het voorbeeldvan het Verenigd Koninkrijk, potentie heeft om (potentiële) slachtoffersvan huwelijksdwang in Nederland te beschermen. De aan het woordzijnde leden vragen hoe de regering deze potentiële aanpak beoordeelt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 513 De leden van de PVV-fractie constateren dat de herziene Europese richtlijnmensenhandel lidstaten verplicht om te voorzien in minimale strafmaximavoor mensenhandel en verzwarende vormen daarvan, teneinde tewaarborgen dat deze misdrijven in alle lidstaten als ernstig wordenaangemerkt en effectief kunnen worden bestraft. Nederland voldoethieraan, maar tegelijkertijd zijn deze leden van mening dat hetvoorschrijven van een dergelijke minimale strafmaxima mede veronder-stelt dat algemene minimumstraffen hier op zijn plaats zijn. Voornoemdeleden vragen de regering of zij bereid is te bezien of het invoeren vanverplichte minimumstraffen voor mensenhandel en daarmee samenhan-gende delicten wenselijk en effectief kan zijn om de normstelling teversterken en de afschrikwekkende werking van het strafrecht tevergroten.De fungerend voorzitter van de commissie,EllianGriffier van de commissie,BroodTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 514

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bdc2c5e0d0bf4ebd

14 okt 2026 · f870b7c5095911f2

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.