Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 23 januari 2025, over wijziging van de Politiewet 2012 in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporingsambtenaren (Kamerstuk 36 395)
Brontekst
Versie d01b8c63fbf82e9a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 395Wijziging van de Politiewet 2012 in verband meteen delegatiegrondslag voor een algemenemaatregel van bestuur over de bewapening enuitrusting van buitengewoonopsporingsambtenarenNr. 21 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 7 maart 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 23 januari 2025overleg gevoerd met de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid,over:–het wetsvoorstel Wijziging van de Politiewet 2012 in verbandmet een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel vanbestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoonopsporingsambtenaren (Kamerstuk 36 395).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,Brood kst-36395-21ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 211 Voorzitter: PoolGriffier: Van TilburgAanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Aardema, Boswijk, Diederikvan Dijk, Michon-Derkzen, Mutluer, Van Nispen, Pool, Six Dijkstra, Van derWerf en Wijen-Nass,en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid.Aanvang 13.30 uur.De voorzitter:Dames en heren, ik zie de heer Boswijk binnenlopen en dat is het momentwaarop ik deze vergadering met een gerust hart kan openen. Allemaal vanharte welkom bij het wetgevingsoverleg Wijziging van de Politiewet 2012in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel vanbestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporings-ambtenaren. Allereerst een hartelijk woord van welkom aan Onze Ministervan Justitie en Veiligheid. Fijn dat u weer bij ons bent.Dit wetgevingsoverleg zal duren tot 18.30 uur. Dat komt omdat de ledenbij een wetgevingsoverleg een flinke spreektijd hebben. U heeft allemaalzelf aangegeven wat u ongeveer denkt te zullen gaan spreken. Ik zal u daargrofweg aan houden. In deze eerste termijn hanteer ik drie interruptiesonderling. Dan rest mij niks anders dan de heer Van Nispen als eerste hetwoord te geven. Aan u het woord.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel, voorzitter, en dank aan de collega’s die mij voor hebbengelaten. Ik zal om 14.00 uur eventjes dit debat moeten verlaten. Ik komdan weer terug om in ieder geval naar de beantwoording van de Ministerte luisteren.Dit wetsvoorstel is een heel kort en overzichtelijk wetsvoorstel. Er wordteen delegatiegrondslag toegevoegd dat bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de bewapeningen de uitrusting van de buitengewoon opsporingsambtenaren, de boa’s.Dat is zeer overzichtelijk. In de eerste plaats wil ik zeggen dat ik er begripvoor heb dat de Minister de delegatiegrondslag voor de boa’s gelijk wiltrekken met die van de politie. Het is belangrijk dat de regels voor deboa’s goed geregeld zijn, maar het gaat wel iets verder dan enkel eentechnische wetswijziging zo op het eerste gezicht. Er ligt wel eenfundamentele discussie aan ten grondslag die, vind ik, nog maar weinig isgevoerd.Deze wetswijziging staat symbool voor een trend die we eigenlijk al langerzien. Boa’s hebben in de afgelopen jaren steeds meer middelen enbevoegdheden toegekend gekregen. De tijd dat boa’s enkel parkeerboetesuitschreven is allang voorbij. Boa’s bevinden zich in steeds gevaarlijkeresituaties en komen in aanraking met drugscriminelen, met dronkenpubliek en met agressie. Soms staan ze er echt helemaal alleen voor. Deroep om meer bevoegdheden en geweldsmiddelen is dan ook niet gek.Boa’s moeten zichzelf kunnen beschermen. Dat willen zij ook en dat snapik. Wij moeten gewoon staan voor hun veiligheid. Als wij mensen hetbuitengebied in sturen en ze in aanraking kunnen komen met drugscrimi-nelen, dan begrijp ik heel erg goed dat die roep er is. Maar ik zeg ookeerlijk dat het wel tot een dilemma leidt. Want als er een behoefte bestaataan geweldsmiddelen ter bescherming van boa’s, moeten we ons dan nietde vraag stellen of boa’s eigenlijk wel met de juiste taken zijn belast?Plaatsen we boa’s niet in veel te gevaarlijke situaties, in situaties die weeigenlijk over zouden moeten laten aan de politie? Graag een reactie vande Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 212 Boa’s zouden volgens de regels een beperkte opsporingsbevoegdheidhebben, gerelateerd aan hun functie en taakomschrijving, waarvoor zijgericht zijn opgeleid. Maar in de praktijk zien we dat boa’s als vervangingvan de politie worden ingezet, daar waar er tekorten zijn. Vooral ingebieden waar de politie weinig capaciteit heeft, wordt de boa steedsbreder ingezet zoals we zien bij de gemeentelijke boa en de groene boa. Inplaats van een bepaalde functie uit te voeren krijgt de boa een specifiekeregio onder zijn of haar hoede. Worden zij daarvoor dan ook echtvolwaardig en goed opgeleid om dat op die manier te doen en dus depolitie te vervangen? Politieagenten hebben een meerjarige opleiding,maar in sommige gevallen kun je al een boa worden met een opleidingvan twee à drie maanden. Ik begrijp echt heel goed dat de capaciteitspro-blemen bij de politie niet zomaar opgelost zijn en dat het moeilijk is om debezetting op peil te houden, maar dit is op zichzelf geen goede reden omboa’s in dit gat te laten springen met alle risico’s van dien.Het terugtrekken van de politie uit de openbare ruimte is wat mij betrefthet echte probleem. Dat vraagt dan ook om een echte oplossing. Hoezorgen we ervoor dat er minder politiemannen en -vrouwen vertrekken,hoe gaan we het werk aantrekkelijker maken en wat gaat de Ministereraan doen om de capaciteit bij de Politieacademie te verhogen? Welkemogelijkheden zijn er bijvoorbeeld – dat vind ik ook een relevante vraag indit debat – om boa’s aan te trekken bij de politie en hen op te leiden totvolwaardige agenten? Wat is daar nog meer voor nodig, is mijn vraag aande Minister.Bovendien stelt de Nederlandse Veiligheidsbranche: als we toegeven aande druk, de begrijpelijke druk, om boa’s te voorzien van bewapening, danis het een voorspelbaar gevolg dat ook andere beroepsgroepen in hetveiligheidsdomein hierom gaan vragen. De Nederlandse Veiligheids-branche vraagt zich terecht af of de samenleving wel veiliger wordt metpotentieel zoveel meer wapens. Graag een reactie van de Minister.Ook ontvingen we een brief van Openbaar Vervoer Nederland. Ze wijzenons erop dat ov-boa’s onvoldoende bevoegdheden hebben om zelfstandigen snel de identiteit van overtreders vast te stellen. Vaak moet de politiedaarbij assisteren en dat kost heel veel tijd van zowel de politie als deboa’s, maar het kan ook anders, zo laten ze in Rotterdam zien. Daarwerken de politie en de RET-boa’s samen en kan de politie op afstand endigitaal de ov-boa’s assisteren bij het vaststellen van de identiteit. Dat isinteressant. Kan dat niet ook op andere plekken? Graag een reactie van deMinister.Tot slot. De politie zou het geweldsmonopolie moeten hebben inNederland, maar met de verhoging van het regelgevingsniveau voorboa’s, lijkt toch een andere weg te worden ingeslagen. Het lijkt eenerkenning te zijn van het feit dat boa’s steeds meer een eigen handha-vingsinstituut vormen, naast de politie. Heeft de Minister dit ook echt voorogen?Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u hartelijk voor uw inbreng. Dan is het woord aan mevrouwMichon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank, voorzitter. De heer Van Nispen legde al goed uit waarom we hiervandaag zitten. Het gaat eigenlijk over een technisch voorstel om dedelegatiegrondslag voor de AMvB op een ander niveau te hangen,wetstechnisch gezien. Daar ben ik voor. Ik denk ook dat het nodig is omdat verschil in regelgevingsniveau gelijk te trekken, gelet op de toege-kende geweldsmiddelen. Maar daarmee gaat het vandaag dus ook echtover de boa’s en hoe wij tegen die boa’s aankijken; dat hoorde ik ook inhet betoog van de heer Van Nispen. In de ogen van mijn fractie – dat hebTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 213 ik ook al veel vaker gezegd – kan het werk dat die boa’s doen een helegoede aanvulling zijn op het werk dat de politie doet.Ik zoom even in op de soorten boa’s. Ik wil het vandaag apart over degroene boa hebben. Ik ga zo ook iets over de blauwe boa en de ov-boazeggen. De groene boa verdient wat mij betreft wel even bijzondereaandacht, want groene boa’s hebben we gewoon heel hard nodig in debuitengebieden. Groene boa’s waren er altijd al. Die zijn klassiek belastmet natuurbeheer en wildstroperij, maar je ziet meer en meer dat deondermijning ook in de buitengebieden plaatsvindt en dat de groeneboa’s dus te maken krijgen met drugsdumpingen, die aan de orde van dedag zijn. Maar ze krijgen ook te maken met races in het bos, hoorde ik zelf,en met andere echt waanzinnige dingen, waarvan ik heel erg hoop dat ikdie niet tegenkom. Maar zij komen die dus wel tegen, en vaak ook nogeens terwijl ze in hun eentje een dienst draaien. Dat doen ze zoweloverdag als ’s nachts. Ik vind het enorm te prijzen dat zij dit werk doen.Dat wil ik vandaag in dit debat doen en ik hoop dat de collega’s dat ookdoen. Zij kennen in zo’n gebied echt ongeveer elke boom. In hetstik-stikdonker weten zij de weg en weten ze waar de kwetsbare plekkenzijn. Vanuit mijn fractie dus veel lof voor het werk dat zij doen.Maar dat werk is niet zonder risico. Er zijn een aantal groene boa’s die viahun werkgever een aanvraag doen voor een wapen. Sommige haddenzelfs al eerder een wapen, vanuit het takenpakket dat ze al eerder hadden.Of ze vragen voor het eerst een wapen aan. De werkgever doet dieaanvraag en beargumenteert dat een wapen nodig is om de taak die deboa heeft, het werk dat diegene moet doen, op een veilige manier tekunnen doen. Je ziet dat die aanvraag in een bureaucratisch moeras –sorry dat ik het zeg, maar ik kan het niet anders beschrijven – belandt endat de toetsing op een enorm defensieve manier wordt gedaan, alsof diegroene boa’s als een soort cowboys alleen maar wapens willen hebben.Niets is minder waar.Ik zou er dus zeer voor zijn dat als een groene boa dat via de werkgeverbeargumenteert, dat in beginsel positief tegemoet wordt getreden. Ik vindhet namelijk vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid – de werkgevermoet ervoor zorgen dat iedereen veilig zijn werk kan doen – heelingewikkeld om zo’n aanvraag af te wijzen, want dat zou ertoe leiden dateen groene boa dit werk ’s nachts niet meer gaat doen. Dat kan namelijkniet op een veilige manier. Daar wil ik de Minister graag op bevragen. Ikheb hem ook eerder in een vragenuurtje het volgende gevraagd. Omwelke aantallen aanvragen gaat het? Hoe gaat dat proces? Hoe zit dat quaaantallen? Hebben we het dan over een paar boa’s, die ik ook hebgesproken en gezien, of is het een breder probleem? Ik hoop dat deMinister het met me eens is dat we zo’n aanvraag in beginsel natuurlijkzorgvuldig, maar ook positief moeten beoordelen, omdat het wapen nodigis om op een veilige manier het werk te kunnen doen. Graag een reactiedaarop.Voorzitter. Dan de blauwe boa. Bij hen speelt het gebruik van de kortewapenstok. In een heel aantal gemeenten – ik weet niet of ik de meestactuele data heb, maar ik telde er negentien – hebben zij een kortewapenstok. Maar in een aantal gemeenten – ik denk sowieso in Heerlen enZoetermeer – gaat die aanvraag uitermate moeizaam. Ook in dit geval kanhet aan de aanvraag liggen, maar dat is in ieder geval niet duidelijk. Zoueen gemeente in dat geval in gesprek kunnen met het ministerie om tekijken hoe de aanvraag verbeterd kan worden? Het leidt namelijk tot zoveel onvrede en onbegrip aan de kant van de aanvrager. Dat zou ik wegwillen nemen.Voorzitter. Wat betreft bewapening is het natuurlijk belangrijk dat de boagoed getraind en geschoold is. Net zoals agenten hebben boa’s gewoonperiodieke bijscholing. Dat staat overigens los van wapens: dat heb jeüberhaupt. Voor wat betreft een wapen doe je dat gewoon bij detrainingscentra die de politie ook gebruikt. Dat is terecht. Dat moeten weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 214 dus ook vooral zo houden. Maar al die her- en bijscholing van onzehandhavers gebeurt door particuliere opleidingsbureaus. Nu vraag ik meeigenlijk af: kan dat niet anders? We hebben in ons land namelijk eenheleboel mbo-opleidingen. Op een mbo-opleiding kan je je laten opleidentot een handhaver. Maar als je dan een handhaver bent en bij- ofnascholing nodig hebt, dan betalen we grof geld aan allerlei particulierebureaus. Het examineren gebeurt door een stichting, een monopolist, deExameninstelling Toezicht en Handhaving, die een behoorlijk bedrag perexamen vraagt. Kan dat niet via een mbo-instelling, dus via de regulierembo-opleidingen? Die staan er. Ze staan er overigens ook voor open. Datheb ik gecheckt. Graag een reactie daarop.Voorzitter. In lijn met wat ik eerder hoorde, noem ik de boa als beroeps-groep. De beroepsgroep van boa’s is natuurlijk heel divers. Er is namelijkeen waaier aan werkgevers, een waaier aan boa’s en overigens ook eenwaaier aan bevoegdheden van boa’s. Ik kijk ook heel erg uit naar hetherzien van het boa-bestel, dat we in, meen ik, 2027 gaan doen. O, deMinister doet alsof het nu is. Ik kijk er erg naar uit. Het is namelijk bijnaniet meer te vatten. Wie mag nou wat? Wie doet nou wat? Werkgevers zijnnatuurlijk verantwoordelijk voor hun werknemers, maar ik zou de Ministerwel willen vragen wat zijn ministerie kan doen om de boa’s te onder-steunen in een aantal uniforme taken, waar alle boa’s mee te makenhebben. Een werkgever met een heel aantal boa’s zal het namelijkallemaal prima voor elkaar hebben, maar er zijn natuurlijk ook kleinerewerkgevers. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de afwikkelingvan en hulp bij PTSS. Ik zou heel erg wensen – die discussie hebben weook gehad bij de brandweer – dat we met elkaar vaststellen dat dat op eenuniforme en professionele manier gebeurt, omdat die handhavers ons liefzijn.Voorzitter. Het allerlaatste punt dat ik hier wil maken, betreft dehandhavers in het openbaar vervoer. Zij zijn essentieel, omdat erongelofelijk veel overlastgevers in het openbaar vervoer zijn. Een hoopmensen denken ’s avonds: ik pak die trein maar niet meer. Dat willen wijvolgens mij allemaal niet hebben. Nu blijven de boa’s die daarin werken –dit punt hebben we vaker gemaakt – maar tegen de muur aanlopen dat jede identiteit van een overlastgever niet kan achterhalen. Daar moet jenamelijk eerst de politie voor bellen. De politie komt dan maar weer. Hetkost enorm veel uren om de identiteit te achterhalen. Nu heeft de koepelvan ov-bedrijven een rapport uitgebracht met de naam «analyse». Zezouden het graag anders zien. Ik ben het daar zeer mee eens. Het belangdat wij hier volgens mij als woordvoerders politie hebben, is de politieontlasten voor deze taak. Ik begrijp dat zowel de Staatssecretaris van IenWals deze Minister met een reactie komt op dat rapport. Daar wil ik hemgraag op bevragen. Wanneer zien we dat? Is de Minister het met me eensdat de insteek zou moeten zijn dat we de politie van deze taak vrijwaren?Zo stellen we de boa’s in staat om de identiteit van overlastgevers in detrein te achterhalen.Voorzitter, daar wil ik het bij laten. Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Het woord is aan mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Ook ik moet helaas eerder weg, omdatik dadelijk nog een commissiedebat heb over de Staat van de Volkshuis-vesting. Dat is, gelet op de wooncrisis in Nederland, ook erg belangrijk.Helaas kan ik de beantwoording dadelijk dan ook niet bijwonen. Ik zit dannamelijk nog vast in dat andere commissiedebat. Maar ik ga het wel opeen later moment terugkijken. Dus nu alvast op voorhand dank voor debeantwoording.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 215 Voorzitter. Ten opzichte van vroeger krijgen boa’s steeds vaker te makenmet geweld en lastige situaties. In het verleden was het passend om debewapening en uitrusting van boa’s met beleidsregels niet zijnde eenAMvB te regelen. Het ging namelijk toen toch om een best beperktetaakstelling en gevaarzetting. Maar helaas hebben we moeten constaterendat de context waarin zij moeten werken de laatste jaren echt veranderdis.Dat komt niet alleen maar door de verhardende samenleving. Die is ermisschien wel onderdeel van, maar boa’s krijgen ook een steeds groteretaak toebedeeld. Vroeger werden ze vaak ingezet voor een specifieke taak– denk bijvoorbeeld aan de bekende parkeerhandhaving – maar vandaagde dag zijn ze vaker gekoppeld aan een wijk, waar ze veelal alles in degaten houden. Denk daarbij aan leefbaarheid, overlast en veiligheid. Daarzijn ze dan verantwoordelijk voor. Opsporingsambtenaren zijn prima instaat om die taken uit te voeren, maar ze komen wel vaker in gevaarlijkesituaties terecht. Denk ook aan het nachtleven. Als er zo’n specifiekegevaarlijke situatie is, dan moeten ze zichzelf wel kunnen beschermen.Maar dan komen we wel in een best grijs gebied terecht. Omwille vangrote capaciteitstekorten bij de politie wil mijn fractie er niet voor pleitenom het aantal boa’s terug te dringen of hun taken in te perken, maar wehouden wel een vinger aan de pols. Wat ons betreft is het namelijk niet debedoeling dat boa’s steeds maar een groter takenpakket toebedeeldkrijgen. In de basis hoort daar namelijk eigenlijk gewoon de politie voor tezijn. Ik ben wel heel benieuwd hoe de Minister hiernaar kijkt. Ik zou ergraag een reactie op krijgen.Het is er vandaag al vaker over gegaan dat de regels over de bewapeningen uitrusting van boa’s op dit moment opgenomen zijn in beleidsregels.We willen dat nu in de wet gaan veranderen. Die wet wordt dus aangevuldmet een wettelijke grondslag waardoor boa’s zich beter kunnen gaanbewapenen. De mening van de fractie is dus dat het in de toekomst nietde bedoeling is dat boa’s nog meer politietaken krijgen, maar we willenwel voor het wetsvoorstel stemmen. Het werk dat boa’s doen is namelijkwel heel erg belangrijk. Met de huidige samenleving waarin ze werken ende extra taken die ze toebedeeld hebben gekregen, is het heel ergbelangrijk dat ze voor hun eigen veiligheid kunnen zorgen. Dat vinden weals BBB heel erg belangrijk.Ik heb wel nog een aantal vragen over de groene boa’s. Daar is hetvandaag bij mijn collega’s ook al over gegaan. De groene boa’s houdentoezicht op de natuurgebieden. De groene boa, ook wel «jachtopzichter»genoemd, is handhaver in het gebied. Dat is best wel een gespeciali-seerde boa. Die komt ook op best wel afgelegen plekken in de natuur.Juist vanwege die diensten in zeer afgelegen gebied en de expertise diehierbij komt kijken, is het voor mijn fractie van belang dat zij zich kunnenbewapenen als dat ook echt nodig is en niet pas als er zich een incidentheeft voorgedaan. Maar dat wordt hun niet zo makkelijk gemaakt. Daar wilik dus extra aandacht voor vragen bij de Minister.Ik zou de Minister het volgende willen vragen. We hebben gehoord dat hetaantal jachtopzichters die een vergunning krijgen, terugloopt. De redenendaarvoor zijn nogal uiteenlopend. Ik ben benieuwd hoe dat wordtgetoetst. Ik ben ook heel benieuwd hoe de Minister ertegen aankijkt omjachtopzichters uit te rusten met bewapening wanneer ze dat zelf nodigachten. Bij de Douane zien we namelijk ook dat dat kan. Ik ben heelbenieuwd hoe de Minister naar de groene boa kijkt. Het werk dat ze doenis echt heel erg belangrijk. Dat moet op een veilige en verantwoordemanier kunnen.Dank u wel.De voorzitter:U bedankt. Het woord is aan mevrouw Mutluer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 216 Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag beginnen met het uitspreken van mijngrote waardering voor de boa’s. Zij zetten zich in in onze wijken, maar ookin onze buitengebieden. Ik denk dat we hier allen eensgezind vinden datzij een onmisbare rol in het veiligheidsdomein spelen, in de meest bredezin van het woord. Hun rol is alleen maar belangrijker geworden.Dat is soms ook omdat de politie inderdaad niet in staat is om altijd overalhandhavend op te treden. In mijn beleving schuilt daar tegelijk het risicoin. Dat is namelijk dat ze nu een beetje als vervanger van de politieagentworden ingezet, terwijl ze niet altijd dezelfde bevoegdheden hebben. Daarschuilt ook het risico in dat wanneer ze van doen hebben met heel veelgeweld of agressie, er eerder sprake kan zijn van PTSS. Daar gaat dezediscussie niet over, want volgens mij ligt er een initiatiefnota van collega’svan CDA, GroenLinks-PvdA en D66. Daar gaan we het later over hebben.Maar het is wel een risico dat we benoemd willen zien en hebben.Boa’s dragen uiteindelijk bij aan de handhaving van de openbare ordebinnen de gemeentegrenzen, in het ov en in buitengebieden. Ze kunnendaar optreden tegen overtredingen van regels. De collega van de SP zeihet al: dat gaat niet alleen meer over parkeercontroles. Het gaat over veelmeer dan dat. Ze kunnen ook geconfronteerd worden – regelmatiggebeurt dat ook – met situaties waarin ze bewapening en een degelijkeuitrusting hard nodig hebben. Die schiet soms tekort.De groene boa’s zijn net aan bod gekomen. Ik denk dat menig van ons eenpaar keer is gaan meelopen met de groene boa’s. Dat is best indruk-wekkend. De Minister heeft dat waarschijnlijk ook gedaan. Dat raad ikeenieder aan. Je schrikt dan van de beelden en de verhalen die je hoort.Er kunnen stroperijen, drugsdumpingen en andere zware crimineleactiviteiten plaatsvinden. Daar moeten we wel wat mee. In mijn belevinghoren daarbij: meer toezicht, betere samenwerking met de politie eneventueel ook extra middelen om het buitengebied veilig te houden. Ineen eerder debat heb ik daar een motie voor gemaakt en die samen metcollega Michon-Derkzen ingediend. Dat was een oproep voor eenwerkagenda. Twee jaar later zie ik dat die werkagenda er nog steeds nietligt. Mijn vraag blijft dus wanneer we die kunnen verwachten.Dan wil ik het over de wet hebben. Daar is al het een en ander overgezegd. Op zich is deze wet superoverzichtelijk. U merkt aan dehoeveelheid interrupties al dat het best goed gaat. We zijn besteensgezind. We kunnen ons allen vinden in deze technische aanpassing.Je trekt namelijk het een en ander recht, ook in de regelgeving ten aanzienvan politieagenten. Je biedt met deze AMvB ook een stevigere grondslag,omdat wijzigingen moeten worden geconsulteerd en langs de Afdelingadvisering van de Raad van State moet gaan. Ik denk dat dat ook echt welpast bij de huidige zwaarte van de geweldsmiddelen van boa’s en ookbinnen de maatschappelijke discussie. Ik kan me dus best goed vinden indit wetsvoorstel.Desondanks wil ik wel een paar opmerkingen maken en vragen stellen tenaanzien van het boa-stelsel. Er is een discussie mogelijk over de vraag ofboa’s wel zware geweldsmiddelen moeten hebben of dat dat alleen maarhoort bij de politieagenten. Of misschien is het juist andersom enfunctioneren bewapende boa’s in feite als politieagenten, waardoor zijeigenlijk onder de politie moeten vallen. Dat zijn allemaal vragen die numisschien niet formeel aan de orde zijn. Misschien moet de Minister daarook over nadenken en op broeden. Maar ik adresseer deze vragen wel,want uiteindelijk moet die keuze wel gemaakt worden. Welke kant gaanwe nou op?Ik probeer het respectvol over te brengen, maar ik merk dat de Minister ditsoort vragen ontloopt in de schriftelijke ronde. Hij legt uit wat de huidigeverschillen zijn tussen politieagenten en boa’s zijn en hoe de regelgevingnu is. Maar een jaar terug heeft de toenmalige Minister van JenVaangekondigd dat er een hele diepgaande beschouwing van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 217 boa-stelsel zou worden gestart. In het halfjaarbericht zegt men dat er eentraject komt dat moet leiden tot keuzes ten aanzien van de inrichting vanhet boa-stelsel en de boa-functie. Maar ik heb daarna niets meer gehoord,en met mij de overige Kamerleden. U snapt ons ongeduld. Nogmaals devraag: wanneer gaan we die tegemoetzien? Gaan we het daar dan ookhebben over de fundamentele vragen over de afbakening van hetgeweldsmonopolie en de positie van de boa?Voorzitter, dan een ander punt. Een aantal collega’s heeft het al aange-stipt. Ik heb het over de beweerde koerswijziging van justitie en politieover vuurwapens bij de groene boa’s en de tendens dat er strenger daneerder getoetst wordt op de vuurwapens voor de groene boa’s. In zijnantwoorden in de nota naar aanleiding van het verslag legt de Minister uitdat hij geen warm voorstander is van de uitbreiding van het wapenbezit.Die lijn volg en onderstreep ik. Maar een verdere inperking roept bij mijweer serieuze vragen op. Het is het een of het ander. Wil de Ministeringaan op die zorgen ten aanzien van de verdere inperking? Volgens mijstipte collega Michon-Derkzen ook de wijze aan waarop nu op advies vanhet OM en de politie getoetst wordt door Justis. Wil de Minister daar ookop ingaan? Het idee en het gevoel is namelijk dat dat te streng en rigide is.Het gebeurt ook allemaal achteraf en dat is niet handig. Ik wil dat deMinister daarop reflecteert en daar het een en ander over meldt.Hoeveel minuten heb ik eigenlijk nog?De voorzitter:U zit goed in uw tijd, hoor, maar we gaan er toch een debat van maken.Mevrouw Michon-Derkzen heeft namelijk een interruptie voor u.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik zou van mevrouw Mutluer graag wat duidelijkheid willen hebben overde bewapening van boa’s. Want ik hoor haar zeggen dat boa’s goed ennoodzakelijk zijn. Ik hoor haar ook zeggen dat ze wellicht wel of niet onderde politie moeten vallen. Ik hoor haar zeggen dat ze geen verderebeperking van het wapenbezit voor groene boa’s wil. Ik maak het heelconcreet. Hoe ziet mevrouw Mutluer de bewapening van boa’s? Wat isvolgens haar de rol van de werkgever? Wat vindt zij of haar partij van dewensen die nu vanuit de werkgever voorliggen?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Het antwoord op de eerste vraag is: er moet op korte termijn duidelijkheidkomen over wat we met onze boa’s willen. Ze vallen nu onder verschil-lende werkgevers, onder de gemeenten. Ze doen ontzettend veel taken. Ikgaf in mijn inleiding al aan dat ze een beetje als semipolitieagentenworden gebruikt, terwijl ze die bevoegdheden niet hebben. Voor mij geldtnog steeds dat het geweldsmonopolie bij de politie moet liggen, maaromdat de rollen beginnen te vervagen, vind ik dat er duidelijkheid moetkomen over de positie van de boa’s. Hoe zetten we ze in? Welke bevoegd-heden moeten ze wel of niet krijgen? Dat is volgens mij het antwoord opde eerste vraag.Het antwoord op de tweede vraag is: van mij hoeven niet alle groeneboa’s een wapen te hebben. Dat is op dit moment mijn uitgangspunt. Datlijkt mij zeer en zeer onverstandig. Maar ik vind wel dat we heel serieusmoeten gaan kijken naar de zorgen die de groene boa’s uiten naaraanleiding van de misstanden die zij constateren in de buitengebieden ende criminele activiteiten waar ze mee van doen hebben.Ik heb daarvoor een voorstel achter de hand, maar ik vind dus dat heelkritisch moet worden gekeken naar de wijze waarop op dit moment ditsoort aanvragen door Justis worden beoordeeld. Is dat echt te streng? Isdat echt te rigide? Klopt de zorg over het achteraf toetsen? Want ik wil nietdat een groene boa iets overkomt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 218 Ik vind de zorgen die zijn geuit in de brieven die we hebben ontvangen, zoreëel dat ik vind dat de Minister daarop moet ingaan. Ik overweeg zelf eenvoorstel in te dienen om te kijken of de toetsingscriteria goed zijn, of diewel goed uitpakken en hoe die door Justis worden beoordeeld.Dat is mijn tweede antwoord.De voorzitter:Dank u wel. Een vervolgvraag van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik heb met mijn vraag niet willen zeggen dat alle boa’s een wapen zoudenmoeten hebben. Het gaat erom in hoeverre je de aanvraag van diewerkgever wel of niet ondersteunt. Maar ik hoor mevrouw Mutluer zeggendat zij meer zicht wil hebben op die aanvragen en dat heb ik ook in mijninbreng gezegd. Ik wil verder ook weten hoe het vervolgens loopt als datwapen eenmaal voor een werknemer is aangevraagd.Op het eerste punt wil ik nog wel graag ingaan. Mevrouw Mutluer zegt dater duidelijkheid nodig is over de positie van de boa, inclusief debevoegdheid. Maar wat is dan haar inzet? Hoe ziet mevrouw Mutluer het?Kan het allemaal? Kan er van alles? Ik maak thuis altijd een grapje alsiemand zegt «ik kan alles», maar dat zal ik hier maar niet herhalen. Wat isdan de inzet van mevrouw Mutluer? Hoe positioneert zij de boa’s, inclusiefde bevoegdheden van die boa’s? Graag een helder standpunt, want danweten we waar we aan toe zijn.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Met dat antwoord zou ik vooruitlopen op de hele discussie over hetboa-stelsel. Ik heb nu wel twee heel nadrukkelijke vragen gesteld: of jezegt «dit soort dingen doet de politie – punt – want de boa’s zijn er terondersteuning» of je schaart de boa’s onder de politie en geeft ze dantegelijkertijd de bevoegdheden. Ik zie nu gewoon grensvervaging. Wezeggen dat de boa’s geen politieagenten zijn en we zeggen dat hetgeweldsmonopolie bij de politie ligt, maar ondertussen moeten ze weldingen doen die onder normale omstandigheden eigenlijk niet binnen huntakenpakket vallen. Die situatie hebben we waarschijnlijk met z’n allengecreëerd, want de politie heeft gewoon capaciteitstekorten en kandaardoor niet alles. Er kunnen dus veel dingen op het bordje van de boa’sworden gelegd en dat vind ik... Hoe zeg je dat? Ik vind het jammer dat wedie kant opgaan, maar het is wel de realiteit.Daarom wil ik dus zo snel als mogelijk over het boa-stelsel spreken. Ikhoop dat de Minister de Kamer daarover op korte termijn informeert,zodat we een duidelijke keuze en afbakening kunnen maken. Ik heb hetantwoord nu dus nog niet!Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Tot slot, voorzitter. Ik...De voorzitter:Ik had u nog niet het woord gegeven! Mevrouw Michon-Derkzen, u hadnog een derde vraag?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik heb er ook altijd heel erg een hekel aan als sprekers dat doen. Het isheel goed dat u dit doet. Ik moet dat echt niet doen. Vreselijk vind ik dat.Mevrouw Mutluer zegt dat boa’s nu dingen doen die ze eigenlijk nietzouden moeten doen, maar impliceert mevrouw Mutluer daarmee ook datboa’s nu taken doen waar ze niet bevoegd voor zijn? We hebben dat heledomeinensysteem van die boa’s. Ik ga ervan uit – zo niet, dan wil ik datvan de Minister horen – dat een boa binnen dat domein zijn taken uitvoert,dus binnen zijn bevoegdheden. Maar nu zegt mevrouw Mutluer «hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 219 schuift op en ze doen taken die ze niet hebben». Impliceert zij daarmee datde handhavers eigenlijk buiten hun bevoegdheden treden?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Nee, dat zeg ik niet, maar ik zeg wel dat ze binnen die taken regelmatig, ofvaker, geconfronteerd worden met agressie en geweld. Het gekke is dat erop dit moment niet zo heel veel verschil van mening zit tussen mevrouwMichon-Derkzen en mij over de groene boa’s en de wens om ze zo veel alsmogelijk te beschermen. We willen allebei voorkomen dat hun ietsoverkomt, temeer omdat zij best wel heftig werk verrichten, zie wat er inde buitengebieden gebeurt. Dus volgens mij zit daar geen verschil in. Ikben name zoekende naar: jongens, we zien dat ze vaker met geweld temaken hebben en hoe gaan we daarmee om? Ik denk dat dit wetsvoorstelondersteuning bij biedt.Ik ga verder met mijn bijdrage, als het mag, voorzitter.De voorzitter:Ja. U had nog een kleine vier minuten. Gaat uw gang.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dan ga ik door met het boa-stelsel. Dat een diepgaande beschouwing ophet boa-stelsel nodig is, blijkt dus uit de discussie over de bewapening. Ikdenk ook aan de ov-boa’s, die gefrustreerd zijn omdat zij machteloosmoeten toekijken als een reiziger in het ov zwartrijdt of overlast veroor-zaakt en het vertikt zich te legitimeren. Die hebben inderdaad veel moeitemet het achterhalen van de identiteit van de overtreder. Voor zowel degroene boa als de ov-boa is in die situatie dus back-up van de politienodig en die is er niet altijd. Ik snap dat wel, maar ik wil wel aan deMinister vragen hoe hij hiermee omgaat, hoe hij deze problemen gaatoplossen.Twee jaar terug hebben wij een motie ingediend, volgens mij weer metcollega Michon-Derkzen, dat de boa’s in het rijbewijzenregister moetenkunnen. Ik las in een Kamerbrief van november 2024 van de Minister of deStaatssecretaris van IenW dat zij zo snel mogelijk willen gaan starten methet beleidsmatige en juridische traject om tot een concept-AMvB tekomen. Wat is zo snel mogelijk? Had die er eigenlijk nu niet al moetenliggen? Die motie stamt immers ook al van twee jaar terug. Wat mij betreftgeldt dus dat of die steun van de politie er in de praktijk komt of dat deboa in kwestie wel de middelen en de bevoegdheden krijgt om effectief tekunnen optreden en daarbij zelf veilig te blijven. Dat raakt de meerfundamentele discussie over het boa-stelsel. Ik hoop dat we die discussiesnel kunnen voeren.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan is het woord aan de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. Met gevaar voor eigen leven bij nacht en ontij hetbos in om wildstroperij en ondermijnende criminaliteit aan te pakken, nietwetende wat je aantreft, niet bewapend en bijstand kun je na een halfuurverwachten. Dat klinkt niet erg aantrekkelijk, maar is voor veel groeneboa’s de dagelijkse realiteit. De SGP wil vooropstellen dat boa’sontzettend belangrijk werk doen. Zij vervullen een belangrijke taak in hetbewaken van de openbare orde, houden onze natuurgebieden veilig enhebben een cruciale informatiepositie in het buitengebied ten aanzien vanondermijning en criminaliteit die zich daar in toenemende mate concen-treren. Zo krijgen boa’s in het buitengebied naast met stroperij, steedsvaker te maken met drugsdumpingen en andere vormen van zwarecriminaliteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2110 Het is cruciaal dat boa’s de juiste uitrusting en bewapening bij zich dragenom gevaarzettende situaties zorgvuldig en effectief aan te pakken. Hierbijis het onverteerbaar dat boa’s na twintig jaar een dienstwapen te hebbengehad niet opnieuw een vergunning krijgen voor datzelfde wapen voordezelfde taak in hetzelfde gebied. Boa’s zijn overgeleverd aan de grillenvan de Dienst Justis, die beoordeelt of boa’s in hun werk over eendienstwapen of diensthond mogen beschikken. Zo is een akte vanopsporing vijf jaar geldig, maar kan het wapen of de diensthond waarmeede boa moet werken vergund worden voor twee jaar, voor drie jaar ofvoor vijf jaar. Er is geen peil op te trekken.In de concept-AMvB die onder deze delegatiegrondslag ligt, lezen we inartikel 10: «Het toekennen van bewapening aan een boa is onder meerafhankelijk van de in redelijkheid te verwachten kans dat de boa bij devervulling van zijn functie met geweld of dreiging met geweld wordtgeconfronteerd.» Dat lijkt op het eerste gezicht een redelijke grond omeen wapen wel of niet toe te kennen, maar hoe wordt die redelijkeverwachting nader ingevuld? Er wordt geen rekening gehouden met hetverleden, waarin een boa beschikking had over een dienstwapen. Ookwordt geen rekening gehouden met het feit dat enkel het dragen van eenkoppel met geweldsmiddelen voldoende afschrikkend kan zijn voorcriminelen.Het derde lid van artikel 10 van de AMvB gaat nader in op de vereistenvoor toekenning. Ik citeer: «(...) zo kan bij de beoordeling van de noodzaaktot het bewapenen van een boa ook de frequentie en mate waarin zich inhet verleden situaties hebben voorgedaan waarbij bewapening wenselijkwas geweest betrokken worden.» In de praktijk houdt dit in dat een boa ofzijn werkgever op basis van feitelijke situaties moet aantonen of de boahet dienstwapen daadwerkelijk heeft moeten gebruiken. Heeft de boa hetdienstwapen in de afgelopen periode niet gebruikt, dan hoeft hij niet terekenen op verlenging van zijn vergunning. Er wordt zo te hard getoetstop een criterium dat niet zo bedoeld is. De beschikbare capaciteit van deDienst Justis wordt ten volle benut om in alle verweerschriften, beslis-singen op bezwaar en zelfs de gang naar de rechter vol te houden dat ergeen enkele noodzaak is tot verlenging van de vergunning, en dat is deomgekeerde wereld.Zonder de juiste uitrusting worden boa’s als lopende schietschijven hetbos ingestuurd. Criminelen scannen wat de boa bij zich draagt. Dezichtbare bewapening en uitrusting van de boa dragen bij aan hoecriminelen zich opstellen. Wanneer een boa geen koppel met geweldsmid-delen heeft, gaan zij er straks niet meer op uit om criminaliteit in hetbuitengebied te beteugelen. Dit levert de onwenselijke situatie op dat ergeen toezicht en handhaving meer plaatsvindt. Voor bijstand bij nachte-lijke wildstroperij kan een boa de politie inseinen. Het kan geregeld eenhalfuur duren om ’s nachts op de plek des onheils aan te komen. Het is nueenmaal vrij lastig navigeren naar de vierde boom links, halverwege hetbospad. Daarnaast heeft de verdachte, wel uitgerust met een perslucht-geweer, dan reeds het hazenpad gekozen. De enigen die straks nogbewapend rondlopen in het bos, zijn criminelen en stropers. De boa mager met lege handen op af gaan, een onwerkelijke en onwenselijke situatiewat de SGP betreft.Boa’s worden ieder jaar vier keer bijgeschoold en getoetst op het gebruikvan het dienstwapen. Hier is echter weinig capaciteit voor. Kan deMinister bevestigen dat een gebrek aan capaciteit bij examinering enbijscholing geen reden kan zijn om een boa zijn wapenvergunning teweigeren? Is de Minister bereid om breder te kijken dan alleen de politieen bijvoorbeeld ook de Douane te betrekken bij het bijscholen en toetsenvan boa’s op dienstwapens?Voorzitter. Als boa’s structureel onvoldoende uitgerust hun werk moetendoen, lopen we het risico dat de overheid haar zwaardmacht in deopenbare ruimte verliest. De concept-AMvB die onder dit wetsvoorstel isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2111 opgesteld op basis van huidige beleidsregels, is nagenoeg gelijk aan dehuidige. Dat is apart, want dit is niet in lijn met de toezegging van deambtsvoorganger van deze Minister in februari 2023. Ik citeer dievoorganger: «Geweldsincidenten zullen niet meer leidend zijn voortoekenning van geweldsmiddelen. Gevaarzetting zal leidend zijn en niethet aantal incidenten. Een grote verandering en een grote opluchting, ookvoor de boa’s, die het een bijzonder frustrerende situatie vonden, waar ikhet volledig mee eens ben.» Aldus de ambtsvoorganger van dezeMinister. Heldere taal, maar de SGP ziet hiervan weinig terug in devernieuwde AMvB. Het is noodzakelijk dat een boa kan rekenen op dejuiste uitrusting.Wat de SGP betreft wordt bij de beoordeling van de aanvraag voor hetdienstwapen en de afweging of er een redelijke verwachting is, rekeninggehouden met de taakstelling van de boa en minder met de feitelijkeincidenten. Deze zijn immers niet op voorhand te voorspellen, dus in lijnmet de toekenning van geweldsmiddelen bij de politie. Betrek hierbijbijvoorbeeld de stabiliteitstest en het opleidingsniveau. Op deze maniervoorkomen we willekeur in de beoordeling bij de Dienst Justis en hoeftook niet iedere boa met een wapen over straat. Daarnaast stelt de SGPvoor om de duur van de vergunning voor dienstwapens en diensthondengelijk te stellen aan de opsporingsakte. Dit voorkomt onregelmatigheid enonnodige bureaucratie. Graag ontvang ik een reactie van de Minister opbeide voorstellen. Gaat hij dit in de onderliggende AMvB aanpassen en,zo ja, hoe?Voorzitter. In de huidige praktijk moet een boa aangifte doen als er sprakeis van geweld bij een staandehouding, terwijl de boa bijdraagt endeelneemt aan de opsporing en vervolging. Wat de SGP betreft draagt ditniet bij aan de gelijkwaardige positie van boa’s en werkt dit bureaucratiein de hand. De bevindingen die boa’s in hun proces-verbaal opnemen,zouden integraal meegenomen moeten worden in het politiedossier. Is deMinister bereid de boa- en politieregistratie beter op elkaar af te latenstemmen, zodat aangifte niet meer nodig is?Voorzitter. Laat helder zijn, de SGP staat voor de veiligheid, ook voor dievan hen die de veiligheid moeten borgen. Het kan niet zo zijn dat onzehoeders van de openbare orde en veiligheid bij gevaarlijke situaties wegmoeten blijven. Rust hen adequaat uit en wacht niet tot het te laat is.Dank u, voorzitter.De voorzitter:Ik dank u hartelijk voor deze waardige bijdrage. Dan is het woord aan deheer Six Dijkstra.De heer Six Dijkstra (NSC):Dank u wel, voorzitter. De wet die we vandaag behandelen zal in depraktijksituatie in elk geval op korte termijn weinig veranderen. Maar hetis de ogen van mijn fractie wel goed dat de bewapening van boa’s naareen hoger regelgevingsniveau wordt getild. Wij begrijpen, volgens mij inlijn met iedere voorgaande spreker, dat het noodzakelijk is om boa’s invoorkomende gevallen te bewapenen en in selecte gevallen ook metvuurwapens, bijvoorbeeld bij de groene boa’s. Ook wij vinden namelijkdat boa’s zich moeten kunnen verdedigen tegen onveilige situaties.Geweld en agressie tegen publieke dienstverleners is helaas sinds decoronapandemie toegenomen, een trend die past bij de verharding dieook op andere plekken in de samenleving wordt waargenomen. Denkbijvoorbeeld aan voetbalgeweld. Dit is in elk van de gevallen onaccep-tabel. Hier moet dan ook altijd passend tegen opgetreden worden.Mijn fractie hecht er wel aan dat het onderscheid tussen boa’s enpolitieagenten duidelijk blijft. In dat kader hebben wij nog een aantalvragen aan de Minister. Het geweldsmonopolie van de Staat is namelijkbepaald niet iets waar lichtzinnig mee omgegaan zou moeten worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2112 Zoals de Minister in de nota naar aanleiding van het verslag aangeeft,worden boa’s strikt voor zelfverdediging bewapend. Dit geldt ook voor degroene boa’s, die in voorkomende gevallen een vuurwapen mogendragen, worden geconfronteerd met ondermijnende en drugscriminaliteit,en geregeld werken in de avonden en nachtelijke uren. Ik wil mij graagaansluiten bij eerdere sprekers die hun respect en waardering voor hetwerk van deze boa’s hebben uitgesproken. Ook dit dienstpistool magslechts voor verdediging worden gebruikt en niet voor de taakuitvoering.De Minister stelt: «Evenals andere boa’s zijn groene boa’s niet bedoeld,opgeleid en toegerust voor de aanpak van zware en georganiseerdecriminaliteit, voor de handhaving van de openbare orde of voor inzet inandere situaties waarbij sprake is van een te verwachten gevaarzetting.»De Minister stelt verder dat de bekwaamheidseisen voor politie en boa’sovereenkomstig zijn. Dan is mijn vraag: betekent dit dat de eisen voorgeoefendheid in het gebruik van alle wapens, dus wapenstok, pepper-spray en vuurwapen, onder artikel 2, lid 2 van de Regeling toetsinggeweldsbeheersing in zowel theorie als praktijk identiek zijn aan die vande politie? Of bestaan er verschillen? Zo ja, wat zijn die verschillen en hoewordt gewaarborgd dat de kwaliteit en objectiviteit van de toetsing vaneenzelfde niveau zijn?De basisopleiding boa is met acht weken natuurlijk vele malen korter dande basispolitieopleiding van twee jaar. Hoe en in welke mate wordt danook in het brede perspectief zorg gedragen voor het feit dat wapendra-gende boa’s, naast dat ze deze natuurlijk goed kunnen hanteren, waaropgetoetst wordt, ook een voldoende mate van stressbestendigheid hebbenen de-escalerend kunnen optreden in situaties waarin ze mogelijk eenwapen moeten inzetten? Hoe verhoudt dat zich tot de vaardigheden dievan de politie worden geëist?De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Ik hoor mijn collega zeggen dat hij eigenlijk wil dat die dienstwapensuitsluitend verstrekt worden ter zelfverdediging en niet voor de taakuit-voering, maar dat is volgens mij toch een beetje beperkt. Ik kan mijbijvoorbeeld voorstellen dat een jachtopziener een dier uit zijn lijden moetverlossen of ter aanhouding toch een vuurwapen moet gebruiken. Hoestaat u daartegenover?De heer Six Dijkstra (NSC):Dank voor de vraag. In principe beschrijf ik wat de huidige situatie is enwat ik ook uit de stukken van het kabinet haal, namelijk dat boa’s degeweldsbevoegdheid in principe niet hebben voor de taakuitvoering. Ikzou er in elk geval terughoudend in zijn om dat wel toe te voegen aan detaken van de boa’s. Voor politieagenten is dat begrijpelijk, ook gezien hetgeweldsmonopolie. Taken als een dier uit zijn lijden verlossen zijnnatuurlijk anders dan bijvoorbeeld aanhoudingen en dergelijke. Ik denkdat dat een situatie is waarin we er anders naar zouden moeten kijken enwaarin we er misschien ook niet principieel tegen zijn. Het gaat mij eromdat we het onderscheid waarborgen, dat het geweldmonopolie aan dekant van de politie blijft en niet richting de boa’s gaat. Ik hoop dat ikdaarmee de vraag heb beantwoord. Ik zie de heer Aardema knikken. Mooi.De voorzitter:Gaat u dan verder.De heer Six Dijkstra (NSC):Ik heb een aanvullende vraag ten aanzien van de kwaliteit waar ik het netover had, namelijk: hoe wordt die getoetst?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2113 Voorzitter. De Wetenschappelijke Adviesraad Politie, de WARP, oppert inzijn recente rapport Geweldsmonopolie onder vuur om onderscheid aante brengen tussen geweldsmiddelen en beschermingsmiddelen. Gewelds-middelen zijn bedoeld om de uitvoering van de taak in het uiterste gevalmet geweld af te dwingen, als waren ze aanvalsmiddelen, terwijlverdedigingsmiddelen vanzelfsprekend bedoeld zijn ter verdediging. DeWARP stelt: «In het huidige systeem hebben beschermingsmiddelen geenaparte status waardoor er ongewenste druk ontstaat op het principiëlenoodzaakcriterium dat ten grondslag ligt aan de toekenning van gewelds-middelen. Dat leidt tot onduidelijkheid in het debat over het geweldsmo-nopolie. Daarom adviseert de WARP een passend stelsel voor detoekenning van en het toezicht op beschermingsmiddelen in te richten.»Dit is, zoals de WARP het verwoordt, in de kern bedoeld als principieelonderscheid en niet als pragmatisch onderscheid. Deze aparte status vanbeschermingsmiddelen moet hoofdzakelijk helpen om de taakafbakeningvan boa’s ten opzichte van politieagenten duidelijk in stand te houden watbetreft of zij hun generieke taak al dan niet desnoods met geweld mogenuitvoeren. Ik overzie zelf niet volledig welke consequenties het voorge-stelde onderscheid in de praktijk zou hebben. We hebben als commissiecommentaar ontvangen van de gemeente Laarbeek. Die leest deaanbevelingen als een pleidooi tegen geweldsmiddelen bij boa’s. Maar uithet rapport maak ik zelf niet direct op dat specifieke wapens die nu alsgeweldsmiddelen zijn aangemerkt op voorhand uitgesloten moetenworden van het instrumentarium aan beschermingsmiddelen. Dat zoudendus ook vuurwapens kunnen zijn. Er hoeft, zoals ik begrijp, dus nietcategorisch verschil te volgen uit deze aparte status, maar het is mogelijkwel zuiverder en kan leiden tot meer duidelijkheid. Hoe kijkt de Ministeraan tegen de aanbevelingen van de WARP? Ziet hij meerwaarde in hetonderscheid? Kan hij dat toelichten? Hoe schat hij de consequenties in depraktijk in? In wat meer algemene zin is mijn vraag: op welke manier wilde Minister de duidelijkheid tussen de taakuitvoering van politieagentenen boa’s in stand houden dan wel versterken?De voorzitter:U heeft een vraag van de heer Boswijk.De heer Boswijk (CDA):Ik ben niet alleen benieuwd naar het antwoord van de Minister hierop,maar ik ben eigenlijk vooral benieuwd naar de overtuiging en de meningvan NSC hierop. Ik denk namelijk dat dit een hele theoretische discussieis. Als je als groene boa om 2.00 uur in een bos rijdt waar niemand jehoort en ziet, en met zware criminaliteit te maken hebt, maak je niet meerde afweging: ben ik defensief of offensief? Ik denk dat je dan vooral denkt:ik moet ervoor zorgen dat die mensen gepakt worden, dat het dumpenvan drugs stopt en dat ik in leven blijf. Ik denk niet dat ze dan eenafwegingskader gaan maken. Ik ben benieuwd hoe NSC daarnaar kijkt. Ikben van mening dat we hier vooral niet theocratisch moeten zijn en datwe de ruimte en het vertrouwen moeten geven aan de mannen envrouwen die om 2.00 uur in dat bos zitten.De heer Six Dijkstra (NSC):«Theocratisch» is gelukkig wat anders dan «theoretisch». Maar ik ben welgeneigd het met de heer Boswijk eens te zijn. Ik lees dit inderdaad ookvoornamelijk als een juridische dan wel papieren werkelijkheid. Maarvolgens mij doet de WARP dit voorstel wel met een reden. Daarom ben ikbenieuwd of dit in de praktijk consequenties heeft of dat dit voornamelijkgaat over hoe dat soort wapens worden geoormerkt. Ik ben het ernatuurlijk helemaal mee eens dat de boa in staat moet zijn om zichzelf teverdedigen tegen geweld, agressie en onveiligheid, zeker in onzekeresituaties zoals in een bos met criminelen of wat dan ook. Daarom gingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2114 mijn vraag meer over een appreciatie van het kabinet op het feit dat hetadviesbureau van de politie met dit voorstel komt. Wat zou dat behelzen?Wat zou dat betekenen? Daar ging het me om en niet om hier een warmpleidooi te houden om dat direct op te volgen. Daar kwam het als hetware vandaan.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Boswijk.De heer Boswijk (CDA):Nee, meer een verduidelijking. Ik noemde het woord «theocratisch»,omdat ik tijdens mijn betoog naar collega Van Dijk keek.De voorzitter:Ja, u probeert zich er nu onderuit te praten, meneer Boswijk, maar hetwas volgens mij gewoon een verspreking.De heer Six Dijkstra (NSC):Ik vergeef de heer Boswijk zijn freudiaanse verspreking.De voorzitter:Oké. Meneer Six Dijkstra, gaat u vooral verder.De heer Six Dijkstra (NSC):Voorzitter. Dan ga ik door met een ander punt, dat ook al eerder doorcollega’s is aangehaald. In de brandbrief die wij hebben ontvangen van degroene boa’s, wordt geopperd om een clausule in de concept-AMvB in tetrekken waarin staat dat de Minister bij de beoordeling van de aanvraagtevens informatie kan betrekken over de frequentie en de mate waarinzich in het verleden situaties hebben voorgedaan waarbij bewapeningwenselijk was geweest. Dit omdat – collega Van Dijk zei het net al – er eentendens is ontstaan tot het stelselmatig intrekken van de bevoegdheid tothet dragen van volledige bewapening, inclusief dienstpistolen, indien degroene boa’s het dienstpistool niet hebben ingezet tijdens hun taakuit-voering. Ik begrijp dat deze tendens zorgelijk en onwenselijk is, want degeweldsdreiging kan nog steeds bestaan, ook als het wapen in hetverleden niet is ingezet. Maar artikel 10, lid 3 van de concept-AMvB is eenkan-bepaling, dus de Minister hoeft dit niet te betrekken. Om deze redenzou ik ook niet direct voorstander zijn van schrapping. In principe moet deMinister wat ons betreft de ruimte houden om de frequentie vanincidenten in het verleden mee te kunnen wegen. Maar mijn vraag aan deMinister is wel hoe hij de door de groene boa’s geconstateerde tendenswil keren en wil voorkomen dat dit in de toekomst te vaak voorkomt.Voorzitter. Dan wil ik het ten slotte nog hebben over een ander punt, datnog niet aan de orde is geweest, namelijk de neutrale kleding voor boa’s.In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat boa’s neutraal gekleedmoeten zijn, zonder religieuze uitingen. Mijn fractie is daar ookvoorstander van. Ik weet dat de Minister hiervoor reeds een AMvB inconsultatie heeft. Het viel mij in dit kader wel op dat naast bewapening enuitrusting niet aanvullend ook een delegatiegrondslag voor regels over dekleding van boa’s is opgenomen in deze wijziging van artikel 22 van dePolitiewet. Daarmee wijkt het onderdeel over boa’s af van de wetstekstvoor de politie, waarin dat wél is opgenomen. Wat is de reden daartoe,vraag ik de Minister. Waarom is er bijvoorbeeld niet voor gekozen om ditmiddels een nota van wijziging op deze wet te regelen? Was dat nietpassender geweest als grondslag dan een AMvB op het Wetboek vanStrafvordering?Voorzitter. Dat was mijn laatste punt. Ik zie uit naar de beantwoording.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2115 Ik dank u hartelijk voor uw inbreng. Dan is het woord aan de heerAardema.De heer Aardema (PVV):Dank u wel, voorzitter. De PVV blijft onverkort vasthouden aan hetophogen van de politiecapaciteit, maar spreekt haar waardering uit voorde duizenden boa’s die zich inzetten voor onze veiligheid en handhaving.Wij vinden het dus ook prima dat de Politiewet nu zodanig gewijzigdwordt dat er een wettelijke grondslag komt waarbij een AMvB regels steltvoor bewapening, uitrusting en kleding van boa’s. Er zijn nog wel eenpaar punten waar ik uw aandacht voor wil vragen.Er zijn politiemensen die hun hele carrière met een dienstwapen op deheup door stad en land hebben gelopen en dat ding nooit hebben hoevengebruiken. Er zijn anderen die alreeds in hun eerste nachtdiensten er welnaar moesten grijpen. Het heeft dus niet zo veel te maken met hetnoodzaakprincipe, maar ook met een dosis geluk en toeval. Ik kan u uitervaring zeggen dat alleen al het idee dat je zo’n ding bij je hebt, een stukzelfvertrouwen geeft in het optreden. Dit geldt ook voor vele boa’s, zekerdegenen die bij nacht en ontij het veld in worden gestuurd. Wij kunnen enmogen ze niet ongewapend op pad sturen. Dat is wachten tot het een keermisgaat. Dat is dus ook een kwestie van geluk of toeval, of pech.Natuurlijk past enige terughoudendheid. Niet iedere parkeerwachter – metalle respect – hoeft een dienstwapen, maar die boa’s die redelijkerwijsenig risico lopen op geweldsontmoetingen wel degelijk. Niet vijf jaarterugkijken en dan als er niks gebeurd is inleveren of niet verstrekken. Diecriteria zouden wat ons betreft dus geherformuleerd moeten worden.Natuurlijk moeten wapendragende boa’s voldoen aan de criteria die ookgelden voor de politie omtrent geoefendheid et cetera.Naast middelen ter zelfverdediging wil ik aandacht vragen voor decommunicatiemiddelen van boa’s. Net als de politie, ambulance enbrandweer moeten zij goed kunnen communiceren met de meldkamer. Eris al heel veel gezegd over het soms gebrekkige C2000: geen dekking,uitval noodknop. Sommige boa’s werken in afgelegen buitengebieden,maar het is hier nu ook weer geen Canada. C2000 moet nu echt op ordekomen. Ik wil dat de Minister hier bovenop gaat zitten.Wij vinden dat er een passende taakstelling en een goede aansluitendesamenwerking in het veiligheidsdomein moet zijn, ieder met z’n eigenduidelijke taak. Het gevaar bestaat nu dat de politie sommige taken niet ofniet meer kan uitvoeren en dat er dan boa’s voor worden ingezet. Dat kansoms heel prima, maar soms door de mogelijke gevaarzetting juist ookniet. Daarin moet dus duidelijk naar maatwerk gezocht worden.Ten slotte memoreer ik nog even dat er een algemene maatregel vanbestuur in de maak is die ervoor zorgt dat boa’s, net als de politie,neutraliteit moeten uitstralen. Mijn buurman vertelde dat net al. Dat lijktons goed. Ik vraag langs deze weg aan de Minister of hij kan zeggenwanneer dit officieel gaat gelden.Dit even in eerste termijn. Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan is het woord aan mevrouw Van der Werf.Mevrouw Van der Werf (D66):Dank, voorzitter. Ook ik wil allereerst de Minister bedanken voor devoorbereiding van deze wetswijziging. Ik deel de gedachte dat hettoekennen van geweldsmiddelen gebaseerd moet zijn op een stevigewettelijke grondslag, maar ik heb er ook een aantal aarzelingen bij. Deheer Van Nispen verwoordde die eerder vandaag al mooi. Ik hoor vanhandhavers dat het hen niet altijd gaat om meer bewapening, maar dathet juist de bevoegdheden zijn die hun werk makkelijker zouden maken.Boa’s hebben de afgelopen jaren, soms uit noodzaak, steeds meer extraTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2116 taken gekregen, maar de bevoegdheden die daarbij nodig zijn, blijvenvaak uit. Dat leidt tot bizarre situaties. Ik zal er een paar schetsen.Zo mogen boa’s bij bedreiging met een mes die persoon wel fouilleren,maar niet het mes innemen, want dat is een bevoegdheid van de politie.Zo mogen spoor-boa’s hun handboeien wel gebruiken als ze zelf in gevaarzijn, maar bij mishandeling van een reiziger of een collega mag dat niet.Op deze manier maak je het mensen natuurlijk heel moeilijk om hun werkgoed en veilig te kunnen doen. Ik heb ook al een aantal boa’s gesprokendie hier buitengewoon gefrustreerd over zijn.Een goed voorbeeld van hoe het wel kan, is het uitvoeren van deidentiteitscheck in het openbaar vervoer. We hadden het net ook al eenpaar keer over de pilot uit Rotterdam. Het scheelt gewoon heel veel tijd alser niet een politieauto moet komen om een buitengewoon bureaucratischklusje op te gaan knappen, nog los van de ongemakkelijke situatie voorboa’s, die soms gewoon drie kwartier lang met een reiziger stilstaan die zestaande hebben gehouden. Daar kan een beetje een ongemakkelijkesituatie door ontstaan. Die pilot in Rotterdam laat zien dat je 14.000politie-uren kan besparen als je het op die manier doet, dus ik benbenieuwd naar de landelijke implementatie daarvan en hoe dit nuverdergaat.Voorzitter. Dan een ander belangrijk onderwerp, de Wet seksuelemisdrijven. Die is niet onbelangrijk als je kijkt naar de cijfers van de matevan onveiligheid die vrouwen voelen in het openbaar vervoer. Die valt nietbij alle boa’s onder hun bevoegdheid. Er zijn nu pilots gestart inRotterdam, Utrecht en Arnhem. Daar mogen boa’s wel ingrijpen als zijseksuele intimidatie zien. Maar het is natuurlijk heel krom dat ze in anderesteden naar straatintimidatie en aanranding moeten kijken, omdat ze nietde bevoegdheid hebben om te handelen. Kan de Minister iets delen overde resultaten van de pilot waarin boa’s die bevoegdheid hebbengekregen? Hoe kijkt hij naar de mogelijkheid om hun landelijkbevoegdheid te geven op het gebied van de Wet seksuele misdrijven?Voorzitter. We zien dat er op veel verschillende plekken private werkgeverszijn die boa’s leveren. In de praktijk wordt er nog maar heel weinigonderscheid gemaakt tussen de verschillende aanbieders en de kwaliteitdie zij leveren. Wanneer boa’s worden toegerust met meer bewapening enbevoegdheden, lijkt het me dus ook essentieel dat je meer en betertoezicht gaat houden op de aanbieders. Welke boa’s beschikken er noueigenlijk over de juiste opleiding? Welke beschikken er over goedecertificatie en welke niet? Is de Minister het met mij eens dat het toezichtbeter kan? Welke rol ziet hij in dat geval weggelegd voor zijn ministerie?Voorzitter, tot slot de groene boa’s. Veel collega’s hebben daar al rakewoorden over gezegd. Ik wil ook nog even aandacht vragen voor debewapening, met name als het gaat om gewapende stroperij en drugs-dumpingen. Het gekste is dat die bewapening nu wordt gebaseerd op hoevaak een dienstwapen is gebruikt. Als het wapen niet is gebruikt, wordthet weer ingenomen. Dat is natuurlijk een hele rare redenering en eenvreemde prikkel om een dienstwapen te gebruiken, terwijl je dat natuurlijkalleen maar zou moeten gebruiken wanneer het nodig is en niet om jewapen langer te mogen houden. Kan de Minister duidelijkheid geven overde toetsingscriteria bij de bewapening? Ziet hij ook reden om die aan tepassen? Kan hij aangeven waarom ingehuurde groene boa’s niet dezelfdemiddelen kunnen krijgen als hun vaste collega’s?Dank, voorzitter.De voorzitter:U bedankt. De laatste spreker in deze termijn van de zijde van de Kamer isde heer Boswijk.De heer Boswijk (CDA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2117 Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me aan bij het dankwoord van collega Vander Werf. Dank aan de Minister voor het werk, waardoor dit wetsvoorsteler nu ligt. We hebben het over de bewapening en de uitrusting van boa’s.Deze mannen en vrouwen zetten zich dagelijks in voor de veiligheid vanonze samenleving, zowel in de stad als op het platteland. Boa’s kunnenworden uitgerust met bijvoorbeeld handboeien, een wapenstok, pepper-spray en in sommige gevallen ook met een vuurwapen. Helaas blijkendeze geweldsmiddelen steeds vaker nodig nu boa’s in alle verschillendedomeinen worden geconfronteerd met agressie en geweld. Het is eenzorgwekkende trend, die we niet mogen en kunnen accepteren.Voorzitter. Verschillende gemeenten hebben besloten om boa’s uit terusten met een bodycam. Dankzij een succesvolle pilot in Utrecht isgebleken dat bijna de helft van de boa’s zich veiliger voelt dankzij dezebodycam. Ook werkt het de-escalerend en kunnen de beelden van debodycam gebruikt worden als bewijs in de rechtszaal van bijvoorbeeldmishandeling of agressie. Als het aan het CDA ligt, zijn dat genoegredenen om elke boa hiermee uit te rusten. Ik vraag de Minister daarom ofhet klopt dat bodycams op dit moment geen onderdeel zijn van destandaarduitrusting van boa’s en hoeveel gemeenten hier wel gebruik vanmaken. Is de Minister bereid om aan alle boa’s een bodycam terbeschikking te stellen? Hopelijk kunnen boa’s op die manier een stukveiliger hun belangrijke werk blijven doen.Voorzitter. Dan over de groene boa’s. Collega Michon-Derkzen noemde hetal: ze werken midden in de nacht in hun eentje. Toevallig was ik afgelopenvrijdag met twee groene boa’s in een auto midden op de dag op stap. Ikdacht al: mensenkinderen, je zal hier in je eentje midden in de nacht zijnen worden geconfronteerd met – het is al genoemd – drugsdumpingen,schimmige deals en stropers, en met seksueel misbruik, dat helaas ook innatuurgebieden plaatsvindt. Hun werk is ontzettend belangrijk, ook omdatzij werken op plekken waar de politie bijvoorbeeld niet direct beschikbaarkan zijn. Omdat boa’s andere bevoegdheden hebben dan politieagenten,moet in sommige situaties toch de politie worden ingeschakeld. Er zijnhelaas veel voorbeelden van gevallen waarin het veel te lang duurtvoordat de politie ter plaatse is, bijvoorbeeld vanwege capaciteitsgebrek,maar ook omdat het moeilijk te bereiken plekken zijn die bij boa’s bekendzijn, maar bij politieagenten niet. Dit is echt een gevaar voor onzeveiligheid, en zeker ook voor hun veiligheid, zeker als ze niet voldoendebewapend zijn. Wij pleiten daarom voor een betere bewaking van groeneboa’s. Hoe staat het bijvoorbeeld met de wijziging van de criteria voor hetbehoud en de toekenning van vuurwapens aan groene boa’s? Devoorganger van deze Minister zou daarmee starten.Voorzitter. Boa’s in domein II en VI kunnen in aanmerking komen voor eenvuurwapen, mits zij voldoen aan een aantal eisen, bijvoorbeeld de eis dater een redelijke verwachting bestaat dat de boa in zijn werk in omstandig-heden komt waarin hij met vuurwapengebruik wordt geconfronteerd enhet daarbij bezwaarlijk of onmogelijk is om een beroep te doen op depolitie. Zijn deze eisen voldoende helder bij de toezichthouders, aangeziener verschillende interpretaties over mogelijk zijn? Wij vragen ons ook af ofde lange aanrijtijd van politie in het buitengebied wanneer een groeneboa een beroep doet op die politie een reden kan zijn om in aanmerking tekomen voor een vuurwerken – een vuurwápen, sorry. Ik heb de hele tijdde term «vuurwerk» in mijn hoofd, maar dat komt door een ander debat.Kan dit een reden zijn, zo vraag ik de Minister.Er moet bij de aanvraag van een vergunning voor een vuurwapen per seeen incident hebben plaatsgevonden. Dan is het vaak toch al te laat en iser een veiligheidsrisico voor de groene boa. Dat kan toch niet debedoeling zijn? Daarnaast is het zo dat ingehuurde boa’s niet wordenuitgerust met dezelfde middelen als collega-boa’s die wél in vaste dienstzijn, collega Van der Werf refereerde hier al aan. Wat is hiervoor de reden?Hoe kan de Minister ervoor zorgen dat dit niet leidt tot veiligheidspro-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2118 blemen of tot terughoudendheid bij organisaties om boa’s op huurbasis inte zetten?Voorzitter. De Minister schrijft dat groene boa’s niet bedoeld, opgeleid entoegerust zijn voor de aanpak van zware en georganiseerde criminaliteitof voor de handhaving van de openbare orde. Maar het is wel een feit datcriminelen het uitgestrekte buitengebied gebruiken voor hun criminelepraktijken en ernstige milieudelicten. Denk aan de ondermijning inOmmelanden in Groningen, waar we eerder vragen over hebben gestelden waarover een uitgebreid adviesrapport is verschenen. Omdat depolitiecapaciteit niet goed verdeeld is in Nederland, zien criminelen juist inde buitengebieden hun kans schoon. Daar krijgen de groene boa’suiteindelijk wel mee te maken. Goede samenwerking met de politie iscruciaal, maar de aanrijtijden zijn echt te lang. Hoe gaat de Minister ditoplossen? Op welke manier kunnen groene boa’s en de politie beter metelkaar samenwerken? Met name gericht op het gebied van informatie-deling valt er wat ons betreft nog een wereld te winnen.Voorzitter. Eerder hebben wij vragen gesteld aan de Minister over dewenselijkheid dat groene boa’s kentekens kunnen controleren in hetkentekenregister. De Minister heeft toegezegd in gesprek te zullen gaanmet de Minister van IenW. Hoe staat het met deze gesprekken? Kan hijinderdaad voor de groene boa’s invoeren dat zij ook kentekens kunnencontroleren van verdachte voertuigen? Waarom duurt het zo lang voordatdit geregeld is? Wij kregen in 2022 hier al een toezegging op.Voorzitter, tot slot. Lachgas valt onder de Opiumwet. Daar zijn wij als CDAheel blij mee. Gevolg is alleen dat er nog steeds lachgascapsules wordengedumpt. Die worden nu vaak opgeruimd door groene en blauwe boa’s.Maar omdat het onder de Opiumwet valt, mag dat officieel niet. Hoekunnen we dit repareren?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage. Het was de klap op de vuurpijl van dezeeerste termijn. Ik kijk even hoelang de Minister nodig heeft om deantwoorden voor te bereiden. Ik hoor «26 minuten». Dan schors ik tot15.00 uur.De vergadering wordt van 14.34 uur tot 15.01 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen dit wetgevingsoverleg van de vaste Kamercommissie voorJustitie en Veiligheid. We zijn aangekomen bij de eerste termijn van dezijde van het kabinet. We zitten goed in de tijd, dus ik zou de leden maarliefst vijf interrupties willen gunnen. Het woord is allereerst aan deMinister. Als hij begint met een introductie, dan wacht ik even metinterrupties totdat de introductie netjes is beëindigd. Minister, aan u hetwoord.Minister Van Weel:Voorzitter, dank. Dank voor de inbreng van de leden in de eerste termijnvan dit wetgevingsoverleg. Ik begin inderdaad met een introductie.Daarna heb ik de kopjes diepgaande beschouwing, bewapening,algemeen, groene boa domein II, neutrale uitstraling en andere belang-rijke onderwerpen. Dan weet u waar ik langskom.Buitengewoon opsporingsambtenaren spelen inmiddels een echtbelangrijke rol in de strafrechtelijke handhaving van de lokale veiligheid,de leefbaarheid en de naleving van vaak hele specialistische regels,bijvoorbeeld in de gemeente. Zo nodig kunnen buitengewoon opsporings-ambtenaren bij de uitoefening van hun taak geweld gebruiken. Met ditwetsvoorstel wil de regering de regels over de toekenning van gewelds-middelen en de uitrusting van handboeien niet meer op het niveau vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2119 beleidsregels regelen, maar op het hogere regelgevingsniveau van eenalgemene maatregel van bestuur, dit gezien de impact van het toekennenen gebruiken van geweldsmiddelen door buitengewoon opsporingsamb-tenaren. Buitengewoon opsporingsambtenaren worden steeds breder envaker ingezet. Daarmee ligt het voor de hand om het niveau van regel-geving gelijk te trekken met dat voor de politie.Dit wetsvoorstel voorziet slechts in de grondslag voor het op een anderniveau regelen van de nu al bestaande regels over de bewapening en deuitrusting van de buitengewoon opsporingsambtenaren. Het brengt geenverandering in de wijze waarop buitengewoon opsporingsambtenarenthans bevoegd zijn geweld toe te passen.Boa’s hebben een specifieke taak en worden ingezet om overlast,overtredingen en sommige misdrijven strafrechtelijk aan te pakken. Inverband met de specifieke taak willen sommige werkgevers hun boa’s weluitrusten met geweldsmiddelen, maar andere juist niet omdat zij meerkijken naar de rol en de taak van hun boa’s vanuit bijvoorbeeld natuur-beheer en leefbaarheid. De politie is er voor het opsporen en handhavenvan zwaardere criminaliteit, zoals drugsdumpingen en openbare-ordeverstoringen. Daarmee wordt meteen het spanningsveld duidelijk.Boa’s zijn niet bedoeld voor de opsporing van zware criminaliteit,waardoor ze enerzijds niet zwaarbewapend moeten rondlopen voor zakendie buiten hun rol en taak vallen. Maar anderzijds kunnen ze daar weltegenaan lopen en moeten ze wel veilig kunnen opereren en adequaatkunnen reageren op zaken die ze tijdens hun werkzaamheden kunnentegenkomen.Het is dan ook van belang dat we met elkaar de meer principiële discussievoeren over de rol en de taak van de boa binnen de brede politiefunctie.Daar zitten ook een aantal dilemma’s in. Hoe kijken we aan tegenzwaardere geweldsmiddelen voor boa’s, zeker als ze in dienst zijn vanprivate werkgevers? Hoe organiseer je de waarborgen in het stelselzonder dat het onwerkbaar wordt in de praktijk? Willen we boa’s ookzwaardere feiten laten opsporen en meer openbare-ordegerelateerdezaken laten afhandelen, wetende dat je daardoor ook meer overlap krijgtmet de politie? Een aantal leden refereerden daar ook aan. Ik ben dan ookheel blij met de inbreng in deze discussie en ik neem die mee in hetverdere traject.Dat verdere traject brengt mij meteen op mijn eerste blokje: diepgaandebeschouwing. De heer Van Nispen constateert een verschuiving in detaken van de boa. Ik herken en deel dat beeld. Om te kijken naar «watwillen we met die boa, hoe zorgen we voor die afbakening, waar hangenwe die boa op, hoe organiseren we die boa, hoe rusten we ’m uit en metelke bewapening» hebben we een diepgaande beschouwing toegezegd.Mevrouw Mutluer refereerde eraan dat mijn voorganger dat reeds in gangheeft gezet. U krijgt die voor de zomer van dit jaar. We zijn daarinvergevorderd. Op basis van scenario’s gaan we kijken naar: waar rakendie boa’s aan de politietaak, waar zien we dat dit juist enorm veelvoordelen brengt? Ik had het er met het lid Aardema al over in de lift. Deboa’s zijn echt een volwaardige partner in de wereld van de handhavinggeworden, dus we moeten ze ook als zodanig beschouwen en serieus eenplek geven in dat hele bestel. Daar komen we dus voor de zomer op terug.Ik neem daar de meeste van uw vragen over het bestel in mee.De heer Van Nispen vroeg daarmee ook of dit betekent dat de boa’s zichontwikkelen tot een eigen handhavingsinstituut en of ik dat voor ogen hebmet de boa’s. Op dit moment zijn er ruim 600 werkgevers van de boa’s,dus we kunnen echt nog niet spreken van één handhavingsinstituut. Maarik ga zeker kijken naar de meest optimale organisatievorm in diediepgaande beschouwing. Ik denk niet dat we uitkomen op één handha-vingsinstituut, maar ik denk bijvoorbeeld wel aan het kunnen combinerenvan bepaalde taken in een beheersorganisatie. Denk daarbij aan inkoop, ITen communicatiemiddelen. Die zaken werden al genoemd. Zeker voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2120 kleinere werkgevers zou het een enorme lastenverlichting betekenen alswe dit soort dingen kunnen bundelen. Het kan ook zijn dat we op grondvan die diepgaande beschouwing ertoe komen dat we sommige boa’s opsommige terreinen wel zouden willen onderbrengen bij de politieorgani-satie. Dat is ook nog een optie. Ik wil dus nog niet de deur dichtgooien,maar ik denk niet dat we op één handhavingsinstituut, dé boa’s, uitkomen.De voorzitter:De heer Van Nispen heeft een vraag.De heer Van Nispen (SP):Dat laatste vind ik, denk ik, wel goed om te horen. En ik vind het ook goeddat de Minister zegt dat hij met die diepgaande beschouwing komt. Diekomt dus ook al snel, voor de zomer. Maar eigenlijk had de vorigeMinister die al wel moeten doen, gelet op alle ontwikkelingen. Dit komteigenlijk vrij laat, vind ik, gelet op alle ontwikkelingen die er zijn. Webespreken nu een wetsvoorstel. We kunnen daarover doen alsof het heelklein is en zeggen dat het maar een technische wijziging is omdat het gaatover een delegatiegrondslag, maar de hele discussie die daarover gaat, zitdaar wat mij betreft echt achter. Mijn vraag is: waarom moet deze wet nu?Was het niet passender geweest om eerst die beschouwing te doen, diewat mij betreft al eerder had gemoeten – maar goed, dat is niet gebeurd,dus die komt nu voor de zomer – en dan te kijken of deze wet hierlogischerwijs wel of niet uit voortvloeit? Is dit niet de verkeerde volgorde?Minister Van Weel:Ongeacht of die beschouwing er eerder had kunnen zijn of niet: ik ben erin ieder geval vol mee aan de slag sinds ik ben aangetreden en ik vind hetook een heel belangrijk stuk. Dat staat deze wetswijziging naar mijnmening niet in de weg, omdat het hierbij puur gaat om het creëren van degrondslag voor de bewapening van boa’s. Als wij straks in de diepgaandebeschouwing komen tot een gewenste wijziging in de bewapening vansommige boa’s of zelfs van alle boa’s, kan dat nog steeds. Maar degrondslag waarop überhaupt de bewapening van boa’s is geregeld, is metdeze AMvB wel op een adequater niveau gelegd dan tot nu toe in debeleidsregels.De voorzitter:Dan heeft u nog een vraag van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ook mijn fractie kijkt heel erg uit naar die diepgaande beschouwing. Ikbegrijp de toelichting van de Minister daarop goed, maar het gaat ookheel erg over de bevoegdheden en de domeinen waar nu de boa’s inzitten. Dan hebben we discussies over dat als je een blauwe boa bent, jeniet ook nog op het water mag. Gemeenten die aan het water grenzen, diedus boa’s in de zomer op een boot willen zien zitten en in de winter opstraat willen zien lopen, zitten dan allemaal weer met allerlei toestanden.Dit is maar één voorbeeldje, maar ziet die diepgaande beschouwing ookop dit hele domeinenstelsel? Een beschouwing vind ik altijd prettig, maarik vind het altijd fijn om daarna een agenda of een voorstel hoe dan wel tekrijgen. Zit dat er dan al bij of gaan we met elkaar beschouwen op debeschouwing en vervolgens verder?Minister Van Weel:De beschouwing heet niet voor niets «diepgaand», dus dat zit ook in dezebeschouwing. Dat nemen we in één keer mee. Nog even als aanvullinghierop merk ik op dat er naar aanleiding van deze wetswijziging wordtgewerkt aan een AMvB waarmee de uitvoering ook komt. Die looptparallel aan de diepgaande beschouwing. In die zin kunnen we deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2121 uitkomsten van ons debat daarover hier nog meenemen in de finaliseringvan wat er uiteindelijk in de AMvB komt te staan.De voorzitter:Dan is er nog een vraag voor u van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Dat brengt mij toch tot een vraag over die diepgaande beschouwing,vooral op het gebied van de bevoegdheden van de betrokken boa’s. Diebevoegdheden zijn natuurlijk zeer divers, maar mijn collega Van der Werfnoemde net een voorbeeld van een boa die tegen een mes of tegenwapens aanloopt en die zaken vervolgens niet in beslag kan nemen. Datzou wat ons betreft wat uitgebreider moeten zijn en zeker diepgaand.Minister Van Weel:Daarmee ben ik het geheel eens. Ik ben die voorbeelden ook tegenge-komen. Boa’s bij het station in Utrecht zeiden: als wij een winkeldiefstalzien, vinden wij eigenlijk dat we nog minder kunnen dan we als burgerzouden kunnen. De burger snapt dat niet, want die ziet ons geüniformeerdrondlopen en verwacht actie. Dus aan alle kanten zijn we erbij gebaat omdat goed tegen het licht te houden en om te kijken wat er nodig is ommensen toe te rusten voor hun taak.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):In dat geval kan een burger iemand natuurlijk ook op heterdaadaanhouden, als je dat durft en kunt. Maar het is inderdaad heel raar voorde beeldvorming dat een boa dat dan niet kan, niet mag of niet doet. Datben ik dus wel eens met de Minister.Minister Van Weel:Mevrouw Wijen-Nass vroeg hoe we aankijken tegen een uitbreiding vande taken. Uiteindelijk neem ik dit ook mee in de diepgaande beschouwing.Op voorhand wil ik daar geen vaste positie in innemen. Wat ik in iedergeval wél wil zeggen, is dat het samenspel van boa en politie niet moetleiden tot de beeldvorming dat we omdat we te weinig politie zoudenhebben, dan maar een boa inschakelen. Met dat uitgangspunt wil ik dediscussie met uw Kamer aangaan. Er moet dus een meerwaarde liggen inhet inzetten van boa’s. Dat kan zeker capaciteitswinst opleveren bij depolitie. Dat is fantastisch. Maar het uitgangspunt is niet dat we gaten diede politie laat vallen, gaan vullen met boa’s. Dat hoor ik ook niet in uwinbreng. Ik denk dus dat we elkaar daarin zullen vinden. Dat onderstreepttemeer dat de boa’s gewoon een eigenstandige rol hebben en vantoegevoegde waarde zijn in het handhavingsproces. Die hebben ze ook nual op heel veel terreinen.De heer Van Nispen (SP):Ik vind het mooi dat de Minister zegt: het moet niet zo zijn dat de boa’svanwege te weinig politiecapaciteit gaten moeten dichtlopen. Dat zijn wijgeheel met hem eens. Maar dat gebeurt nu toch al? Dat erkent de Ministerook in de nota naar aanleiding van het verslag: «De boa wordt ingezetdaar waar opsporing door de politie niet gewenst is, vanwege prioritering,of niet mogelijk is, vanwege onvoldoende deskundigheid of capaciteit bijde politie.» De Minister erkent dus zelf dat dit al gebeurt. Dat is volgensmij ook wat we in de praktijk kunnen zien. Dat roept dus de vraag op of deconclusie in die diepgaande beschouwing dan ook de volgende is. «Er iseigenlijk al iets aan het gebeuren wat we niet wenselijk vinden. Hoe gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2122 we terugroeien op die ontwikkeling?» Dat gebeurt als je een open,diepgaande beschouwing gaat maken. Dat zou ook de uitkomst kunnenzijn.Minister Van Weel:Dat kan. Deels kan de constatering die u net doet, op een gegevenmoment ook een bewuste keuze zijn. Het kan zijn dat we zeggen: nou ja,als we kijken naar wat er gevraagd wordt op het gebied van veelvoorko-mende criminaliteit en welke opsporingsbevoegdheid daarvoor nodig is,zeggen we dat de inzet van een politieagent met een opleiding van tweejaar voor deze taken niet nodig of niet efficiënt is. Dan is het een bewustekeuze. Op dit moment kan je zeggen dat dit gegroeid is uit een capaciteits-gebrek of dat dit het vullen van gaten is. Maar het kan dus, na zo’ndiepgaande beschouwing, ook gewoon een bewuste keuze zijn. Daaromvind ik het zo van belang dat we daar rond de zomer met elkaar overspreken. Het moet voor de boa’s namelijk niet voelen alsof zij een soortvan overloop zijn van wat de politie niet aankan. Dat is niet het doel datwij voor ogen hebben. Ik ben het met u eens dat sommige van die takenorganisch zo gegroeid zijn. Maar ik zeg dus niet dat het verkeerd is dat dietaken zo zijn gevallen. Daar moeten we echter wel een bewuste keuze inmaken.De heer Aardema (PVV):In het verlengde van wat meneer Van Nispen zei: we hadden natuurlijkvroeger de veldpolitie, de politie te water en de spoorwegpolitie. Die zijnallemaal weggesaneerd. Hun taken zijn deels overgenomen door boa’s.Als u die diepgaande beschouwing gaat maken, zou het mooi zijn alsdaarin een stukje verankering plaatsvindt van die mensen.Minister Van Weel:Het doel van die diepere beschouwing is nou juist dat we gaan kijken wiewelke plek in het handhavingsbestel krijgt. Ik moet nog wel preciseren datwe in deze diepgaande beschouwing voornamelijk kijken naar degeüniformeerde boa’s. Maar de meeste van uw vragen zagen daar ook op.De voorzitter:Hartelijk dank. Gaat u vooral verder.Minister Van Weel:Ik denk dat ik dan door kan naar het kopje bewapening. Volgens mij warenveruit de meeste van uw vragen daarop gericht. Binnen de bewapeninggingen de meeste vragen over de bewapening van de groene boa’s.Laat ik even beginnen met een aantal statistieken over de aanvraag vanbewapening en de toekenning daarvan. Ik zal ook meteen zeggen waar degaten in mijn kennis op dit moment zitten, dus wat ik nog niet weet. In2024 zijn voor domein II-boa’s 159 boa’s uitgerust met een kortewapenstok. Van deze 159 boa’s hebben 155 boa’s ook pepperspraytoegekend gekregen. Van deze 155 boa’s hebben 12 boa’s ook eenvuurwapen toegekend gekregen. In één geval is er een diensthondtoegekend. In totaal beschikken 61 boa’s in domein II over eenvuurwapen, waarvan er 27 in dienst zijn van private werkgevers, zoals eenlandgoed. Het aantal aanvragen afgezet tegen het aantal toekenningen in2024: er zijn twintig aanvragen voor een uitschuifbare wapenstok en eenvuurwapen ingediend bij de Dienst Justis. Daarvan zijn twaalf aanvragengoedgekeurd. Acht aanvragen zijn afgewezen. Laat ik ook meteen kijkennaar wat ik níét weet: ik weet binnen die acht afwijzingen niet of datherhaalaanvragen waren. Met andere woorden: een aantal van u vroeg ofer sprake was van een inperking. Dat kan ik op basis van de gegevens dieik nu heb niet zeggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2123 De vraag is hoe wij in de toekomst omgaan met die groene boa’s. Ik hebgoed geluisterd naar uw inbreng in eerste termijn. Laat ik beginnen meteen kleine verduidelijking van het noodzakelijkheidscriterium. Dat wasreeds aangepast en is nu een kan-formulering. Het is dus niet zo dat jeeerst vijf keer beschoten hoeft te worden voordat je kunt aantonen dat jeeen wapen nodig hebt. Als je incidenten uit het verleden kunt aantonenwaarbij een vuurwapen een verschil had kunnen maken, is dat slechts eentoevoeging aan de motivering om een aanvraag te doen.Maar ik heb u goed gehoord en ik wil toezeggen om mij daar wat meer inte gaan verdiepen. Ik heb in principe een positieve grondhouding tenopzichte van aanvragen van groene boa’s voor bewapening, al moeten wedaarbij natuurlijk wel de waarborgen in acht nemen. Het gaat hier wel omhet geweldsmonopolie van de Staat. In sommige gevallen gaat het omparticuliere werkgevers; dat brengt weer nieuwe uitdagingen met zichmee en die moeten we goed beschouwen. Die waarborgen gaan dus nietoverboord, maar ik wil wel gaan bezien of we de toetsingscriteria moetenaanpassen om te voorkomen dat we de groene boa’s letterlijk en figuurlijkin de kou laten staan.De heer Boswijk (CDA):Dat is positief. Dank daarvoor. Neemt u dat gelijk mee in die diepgravendeanalyse, of wat was het ook alweer? Diepgravende beschouwing. Kunnenwe dan ook gelijk dit punt verwachten?Minister Van Weel:Het is in ieder geval geen theologische beschouwing, maar eendiepgaande beschouwing. Daarin nemen we dit ook mee. Dat volgt dushetzelfde tijdpad.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Even over dat criterium zodat we dat hier scherp hebben. Met de vorigeMinister leek het erop, laat ik het zo zeggen, dat het een criterium was datje het wapen had moeten gebruiken. Als je dat wapen dus niet eerdernodig had, dan werd je aanvraag negatief beoordeeld. Nu is het zo dat erbij de beoordeling informatie kan worden gevraagd over situaties waarindat wapen wenselijk zou zijn geweest. Daar zit dus eigenlijk de crux, wantje wilt ook niet dat je al ergens moet hebben gestaan waar dat wapenwenselijk zou zijn geweest, terwijl je het niet had. De aanvrager vraagt eenwapen aan met het argument dat zo’n wapen ’s nachts met een stroperwenselijk zou zijn, vul ik nu maar in, maar die situatie heeft zich – ik zoubijna zeggen godzijdank – nog niet voorgedaan. Daar zit de crux. Dan hebje het gevoel dat je eerst in een heel vervelende situatie moet hebbengezeten, voordat je een positief oordeel over zo’n aanvraag krijgt. Het zitecht precies op dit snijvlak. Het gaat om de taken. Vanuit de taakuitoe-fening loop je een zeker risico, waarbij een wapen wenselijk zou zijn als jedie taak goed uitvoert.Minister Van Weel:Ik denk dat dat met de wijziging van de AMvB ook beoogd is. Voorheenmoest je inderdaad op basis van incidenten kunnen aantonen dat datwapen nodig was. Nu is het een kan-bepaling. Met andere woorden: hetkan helpen om de noodzaak te onderbouwen. Dat is natuurlijk ook welwaar. Als je uitgaat van de gevaarzetting en de risico’s die je kunt lopen,wordt het altijd concreter als je daadwerkelijk een concrete zaak kunttoevoegen. Maar ik sluit niet uit, en neem dat ook mee in de beschouwing,dat bij aanvragers is blijven hangen hoe het voorheen was geregeld,namelijk dat het een harde voorwaarde was om überhaupt te kunnenkomen tot een positieve uitkomst op je aanvraag. Bij de herziening van decriteria neem ik dus ook dit punt mee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2124 Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank aan de Minister voor deze toezegging, maar die kan-bepaling wordtin de ogen van de aanvragers, volgens veel geluiden die ik hebontvangen, juist uitgelegd in het nadeel van de aanvrager: als je dat nietkan overleggen, dan zal het wel niet nodig zijn. Daar zit volgens mij decrux. Ik hoor de Minister het interpreteren als een soort extra grond omiets te motiveren, maar het omgekeerde lijkt het geval. Het lijkt wel of jeéén-nul achterstaat als je dat niet kunt aantonen. Dat nog ter verduide-lijking richting de Minister.Minister Van Weel:Ik ben het geheel eens met mevrouw Michon. Zoals ik zei, het is eenaanvulling; het is niet meer een harde voorwaarde. Maar ik sluit niet uitdat dat verkeerd geïnterpreteerd is, ook bij aanvragers.De voorzitter:Ja. Dan zijn er nog enkele andere vragen. Allereerst de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik wil toch graag nog even mijn collega van de VVD bijvallen. Want juistdie kan-bepaling kan blijkbaar allerlei interpretatieverschillen oproepen. Ishet dus niet wenselijk dat in de nieuw te maken AMvB veel krachtigerdoorklinkt wat ook al is toegezegd door de ambtsvoorganger – ik heb hetgeciteerd uit 2023: geweldsincidenten niet meer leidend et cetera – en omgewoon eens klip-en-klaar te maken in die AMvB hoe we hierin staan,zonder al te veel uitwijkmogelijkheden rond de kan-bepaling, en dus ookeen eind te maken aan die onduidelijkheid op dit punt?Minister Van Weel:Een einde maken aan onduidelijkheid, daar ben ik altijd voor, dus ik neemdat zeker mee. Hoe het nu is, is wel zoals ik het nu zeg. Dus het aantalincidenten kán worden meegenomen in de afweging. Dat is klip-en-klaar.Dus op zich, als iedereen het zo interpreteert, moet het duidelijk zijn dathet een ondersteunend criterium is, maar niet een doorslaggevend ofvereist criterium. Dat is hoe we het nu hebben geregeld. Dat is dus al eenwijziging die door mijn voorgangers is doorgevoerd, maar aangezien wedit nu toch tegen het licht gaan houden, neem ik deze bepaling daarinmee.De voorzitter:Hartelijk dank. Een vraag nog van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Ik wil mijn collega’s toch een beetje bijvallen. Je zou toch ook in detoevoeging zeker een aantal niet-limitatieve voorbeelden kunnen noemen.En dat wil niet zeggen dat die ene boswachter zaken heeft meegemaakt;het kan dan best zijn dat hij kan refereren aan een soortgelijke casus vaneen boswachter elders in het land. Daarmee kun je die geweldsincidentendus wel beschrijven.Minister Van Weel:Zeker. Dat neem ik ook graag mee.De voorzitter:Voldoende op dit punt? Ja. Continueert u.Minister Van Weel:Dan waren er een aantal vragen over de opleiding van boa’s, de traininget cetera in vergelijking tot de politie, en ook gerelateerd aan debewapening. Het gaat dan niet alleen maar om groene boa’s, maar ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2125 om andere. Een daarvan was die van de heer Six Dijkstra over de trainingin stressbestendigheid en de-escaleren. Er is een onderscheid tussen dealgemene training en opsporingsbevoegdheden die de boa’s krijgen en despecifieke training die zij aanvullend krijgen voor het gebruik vangeweldsmiddelen. Ik kan de exameneisen met u delen. De details heb iknu niet een-twee-drie, maar zowel in de algemene opleiding als in despecifieke opleiding wordt aandacht besteed aan stressbestendigheid, aande-escalatie en aan om hoe om te gaan met geweldsincidenten. Dus ikdenk dat dat adequaat is opgenomen.Er waren nog meer vragen over opleiding, onder andere van de heer VanNispen: of boa’s voldoende worden opgeleid om politietaken te kunnenuitvoeren. Er zit overlap, zeg ik tegen de heer Van Nispen, tussen deopleiding van boa’s en van de politieagenten, maar die van de politie-agenten – en dat hoorde u al aan de lengte – is natuurlijk veel uitgebreiderdan de boa-opleiding. Ze sluiten wel allebei aan op wat er van de persoonwordt gevraagd en de taakuitvoering. Dus er wordt niet hetzelfdegevraagd aan een boa als aan een politieagent. Belangrijke verschillen zijnbijvoorbeeld de generieke opsporingsbevoegdheid versus de specifiekeopsporingsbevoegdheid, waar het bij boa’s vaak om gaat, maar ook het aldan niet mogen optreden ter handhaving van de openbare orde. Ook daarzit natuurlijk een hoop van de bepaling van de lengte van de opleiding in.Er was ook nog een vraag over hoe het zit met ingehuurde boa’s: waaromworden die niet met dezelfde middelen uitgerust als de vastemedewerkers? Dat was een vraag van de heer Boswijk en mevrouw Vander Werf. Particuliere boa’s zijn in dienst van een particuliere werkgever.En dat maakt het toch net anders, of we te maken hebben met eengemeente of met een particuliere werkgever. Dus hoewel ze wel degeweldsbevoegdheid kunnen hebben, mogen zij niet over de bewapeningbeschikken. Dat is echt voorbehouden aan de opsporingsfunctionarissendie in dienst zijn van de overheid. Een gebrek aan bewapening kanverantwoorde inzet beperken. Uiteraard geldt dit dus weer niet voor degroene boa’s, die soms wel in dienst zijn. Hier gaat het wel over domeinI-boa’s en de geweldsmiddelen.Zou de duur van de vergunning voor dienstwapens en diensthondengelijkgesteld moeten worden aan die van de opsporingsakte? Nee. Deomstandigheden die aanleiding hebben gegeven voor de bewapening,kunnen wijzigen in de loop der tijd. Dat is de reden voor de duur van devergunning die daaraan wordt verleend. Dus ik zie niet automatisch eennoodzaak om die twee samen te voegen.De voorzitter:Dat leidt nog tot een vraag van de heer Aardema.De heer Aardema (PVV):Ik begrijp de overwegingen van de Minister. Maar neem een diensthond.Die zijn er niet zo veel. Zo’n beest moet worden opgeleid en looptvervolgens jaren mee. Je kunt moeilijk na twee jaar zeggen: we doen hemmaar weer in de kennel.Minister Van Weel:Ik ben geneigd om dat met de heer Aardema eens te zijn. Ik wil nog weleven kijken naar diensthonden. Ik kom in de tweede termijn terug op hoehet specifiek daarmee zit.De voorzitter:En nog een vraag van mevrouw Van der Werf.Mevrouw Van der Werf (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2126 Ik had specifiek gevraagd naar het toezicht op de juiste opleiding encertificering. Ik weet niet of de heer Van Weel die vraag al had beant-woord. Hij refereerde wel even aan mijn vraag.Minister Van Weel:Ik kom volgens mij bij de andere belangrijke onderwerpen nog terug optoezicht, maar houdt u mij vooral scherp of ik dat ook doe.De voorzitter:Hartstikke goed. Gaat u vooral verder.Minister Van Weel:Bodycams vat ik nu nog even onder dit hoofdstuk. Daar was een aantalvragen over, onder anderen van de heren Van Nispen en Boswijk. Ik hebgeen inzicht in het aantal bodycams dat op dit moment wordt gedragen.Er is wel een sluitende grondslag om die te dragen, namelijk in artikel 142van het Wetboek van Strafvordering. Elke werkgever van boa’s die zijnboa’s wil uitrusten met een bodycam, heeft daartoe alle wettelijkemiddelen in handen. Het is uiteindelijk wel aan de werkgever om zijnboa’s daar ook mee uit te rusten, vandaar dat het verschilt per werkgeveren ik er ook geen overzicht van heb.De heer Boswijk (CDA):Ik refereerde al aan een pilot in Utrecht, waar het dus echt wel bijdraagtaan de zelfverzekerdheid en het gevoel van veiligheid van boa’s. Is hetidee om als overheid hierin normerend te zijn? Het is best wel scheef alsje in het ene natuurgebied wel die middelen hebt, maar in het andere niet.Ik kan me ook voorstellen dat er onderscheid gaat ontstaan tussendegenen die in overheidsdienst zijn en degenen die worden verhuurddoor een particulier bedrijf. Ik denk dat het ontstaan van zo’n verschilonwenselijk is. De kosten zijn het niet. Kunnen we niet zeggen dat we hetgewoon overal gaan doen?Minister Van Weel:Ik wil het nog niet meteen wegzetten in normering. Ik zie ook gemeentesdie zeggen dat zo’n bodycam absoluut niet nodig is. Er zijn ookgemeentes of werkgevers die van mening zijn dat een bodycam extraagressie kan opwekken. Uiteindelijk is het wel aan de werkgever om tebepalen waar zijn werknemers volgens hem het meest mee gebaat zijn. Ikga dus niet normeren, maar ik ben er wel voor om de bestaande bestpractices – ik ben zelf ook in Utrecht geweest en ik heb de positievegeluiden gehoord – te delen en beschikbaar te stellen aan alle werkgeversvan boa’s, zodat zij daar hun voordeel mee kunnen doen.De voorzitter:De Minister. Of wil de heer Boswijk nog een vervolgvraag stellen?De heer Boswijk (CDA):Het delen van best practices is altijd goed. Zou het een mogelijkheid zijnom in die diepgaande analyse of beschouwing – beschouwing, dat was’m; ik ga ’m nu onthouden – de geluiden van bijvoorbeeld de vakbond vande boa’s mee te nemen? Is er bij de boa’s zelf geen behoefte? Misschienzeggen ze: ik zou me er prettiger bij voelen. Even los van de acties die weeraan verbinden, zou ik het interessant vinden om te weten wat deverschillende meningen daarover zijn. Als de Minister die gesprekken tochvoert, kan dat misschien worden meegenomen.Minister Van Weel:Dat valt voor mij onder best practices, namelijk de ervaringen die mensenermee hebben. Nogmaals, ik heb ook geluiden gehoord van boa’s dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2127 zeggen: doe mij dat niet aan, want daarmee verlies ik een stuk toegang totbepaalde wijken of populaties die ik nu wel heb. Het is niet een one sizefits all. Het is niet in alle gevallen iets wat bijdraagt aan de taakuitvoeringen uiteindelijk moeten de taakuitvoering en de veiligheid van de boa’s detwee bepalende factoren zijn. Net zoals bij het aanvragen van wapens hetaan de werkgever is om te bepalen wat in een specifieke casus voor deboa’s wenselijk is of niet, geldt dat hier ook. Ze kunnen dat echter zelfdoen, daar hoeven ze geen toestemming voor te vragen.De voorzitter:Dank. Gaat u verder.Minister Van Weel:Dan had de heer Six Dijkstra nog een vraag over de WARP, die stelt datbeschermingsmiddelen geen aparte status hebben. In algemene zin is degeweldsbevoegdheid altijd bedoeld voor de primaire taakuitvoering. Datis ook het doel waarvoor de bewapening wordt toebedeeld. De zelfverde-digingsfunctie van het wapen is een afgeleide daarvan. In die zin zie ikanders dan de theoretische optie zoals we die hebben verkend, niet echteen verschil in status voor de uitvoering, omdat de geweldsmiddelenaltijd voor de taakuitvoering worden toebedeeld.Mevrouw Michon-Derkzen had vragen over de moeizaamheid die doorsommige gemeentes werd ervaren bij het aanvragen van de kortewapenstok. Begin 2023 is onduidelijkheid ontstaan over de toekenningvan de korte wapenstok aan boa’s in domein I. Om gezamenlijk tot eenoplossing te komen is er eind 2023 en begin 2024 een reeks gesprekkengeweest met politie, OM en de VNG. De oplossing is gevonden in demogelijkheid om tijdelijk, voor twee jaar, een wapenstok toe te kennenaan gemeenten die net niet in aanmerking komen voor een regulieretoekenning. Het idee is dat deze werkwijze in ieder geval tijdelijk eenoplossing heeft geboden voor de opgetreden onduidelijkheid. In 2024 zijndoor Justis negen aanvragen beoordeeld voor het uitrusten van eendomein I-boa met korte wapenstok. Daarvan zijn er zeven toegewezen,waarvan zes voor de periode van twee jaar en een voor de periode van vijfjaar. Daarmee zijn er in 2024 275 boa’s in domein I extra uitgerust met dewapenstok. Het totaal komt daarmee op 832. Ik heb het idee dat hetknelpunt hiermee is opgelost. Als dat niet zo is, horen we dat uiteraardgraag.Op het punt van de groene boa’s is er ook nog gevraagd naar dewerkagenda. Mevrouw Mutluer vroeg: hoe staat het hiermee, want wehebben er al een tijdje geleden om gevraagd? Er is een werkgroep met degrootste werkgevers van groene boa’s, politie, OM en mijn ministerie,maar het blijkt lastiger dan we hadden gedacht om die werkagenda op testellen. Het probleem zit ’m niet in de werkafspraken zelf; dat punt is algrotendeels uitgedacht in domein I en is gewoon een kwestie vanaanpassen naar dit domein. Het grote verschil echter is de afwezigheidvan een bestuurlijk overleg waar die werkafspraken in gemaakt kunnenworden. De werkgevers zitten namelijk niet in de lokale driehoek en degroene gebieden overstijgen vaak gemeentegrenzen en soms zelfsprovinciegrenzen, waardoor het moeilijk is om afspraken te maken. Wezijn daarom nu aan het kijken of de regioburgemeesters hier een rolzouden kunnen spelen, zodat het op een iets hoger terrein komt te zitten.Mevrouw Van der Werf – daar is ie dan – vroeg nog of het toezicht op deboa’s die in dienst zijn van private werkgevers beter kan. In het huidigebestel zijn het het OM en de burgemeesters die fungeren als toezicht-houders op de boa’s die in dienst zijn bij private werkgevers. Ik heb op ditmoment geen signalen ontvangen dat dat niet volstaat of dat zij het ideehebben dat zij deze toezichtstaak niet goed kunnen uitvoeren.Voorzitter. Dat brengt mij bij het kopje neutrale uitstraling van hetboa-uniform. Door enkelen van u werd eraan gerefereerd dat dit isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2128 opgenomen in het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma. We zijner voortvarend mee aan de slag gegaan. De heer Six Dijkstra vroeg wat dereden is dat we in dit wetsvoorstel geen grondslag daarvoor hebbenopgenomen. Dat is omdat er naar onze mening al een wettelijkegrondslag voor bestaat, namelijk artikel 142, lid 4 van het Wetboek vanStrafvordering. Dat artikel staat toe om bij of krachtens een AMvB regelste stellen met betrekking tot onder andere de instructie van de buiten-gewoon opsporingsambtenaar. Een AMvB met die strekking, deuitwerking van het hoofdlijnenakkoord, is op dit moment in internetcon-sultatie. Die consultatie loopt over een week of twee af. Afhankelijk vanhet commentaar dat daar gekregen wordt, gaat die AMvB zo snel mogelijkde rest van het traject in.Omdat het raakt aan de vrijheid van godsdienst hecht ik er wel aan om dewetgevingsprocedure volledig te volgen. Dat betekent dat we via de Raadvan State gaan voor consultatie en advies. Na de consultatieperiode dieop 13 februari afloopt, gaat de AMvB dus voor advies naar de Raad vanState. Als het soepel verloopt, denk ik dat we al met al zo rond de zomerhet hele traject afgerond kunnen hebben. Het is in ieder geval positief datde gemeenten die in eerste instantie voornemens waren om een andereroute te volgen, hebben gezegd dit wetgevingstraject af te wachten. Datzorgt er in ieder geval voor dat we niet heel veel onzekerheid op verschil-lende regimes krijgen of wisselbaden bij boa’s in de verschillendegemeentes.Daarmee heb ik naar mijn mening ook de vraag van de heer Aardemaover de neutraliteit behandeld.Dan kom ik op de andere belangrijke onderwerpen. Ik begin met de heerVan Nispen. Hij vroeg: hoe zorgen we ervoor dat minder politiemensenvertrekken? Een deel van het vertrek heb ik niet in de hand. Dat heeft ookte maken met de bevolkingsopbouw van ons land. De demografischeontwikkelingen hebben helaas ook hun weerslag op het politiebestand. Ikkijk niet expres naar u, meneer Aardema. Waarom vertrekken vooral jongemensen, en hoe kunnen we de instroom zo goed mogelijk bevorderen enhet behoud verbeteren? Daar zit een heel programma op bij de politie. Hetis ook onderdeel geweest van de cao-onderhandelingen. Het heeft temaken met doorstroommogelijkheden. Het heeft te maken met oplei-dingseisen om door te stromen. Het heeft soms te maken met mensenjuist in een bepaald functiegebied laten zitten als ze daar heel erg goed inzijn. Het gaat dus ook om flexibiliteit creëren in het huis. Een ander heelconcreet voorbeeld is de vergoeding van het rijbewijs voor aspiranten. Ikkreeg het van mijn ouders als ik niet zou roken. Dat is me niet gelukt.Misschien was de politie dan een alternatief geweest. Dat lijkt iets kleins,maar het kan mensen net helpen om die stap te nemen. De ervaring leertdat als ze eenmaal bij de politie zitten, ze het fantastisch werk vinden.Dat brengt mij op de tweede vraag: hoe kunnen we boa’s aantrekken bijde politie? Ik heb er geen cijfers van, maar ik heb wel verhalen gehoordvan diverse eenheden en diverse boa-werkgevers. Je ziet dat er tweekanten op bewegingen zijn. Er zijn dus politieagenten die denken: ik voelme hier in deze gemeente op mijn plek, heb een gezin en wil eigenlijkgeen nachtdiensten meer draaien; ik wil thuis zijn en een overzichtelijkebaan hebben of me specialiseren in een vak. Dat zijn mensen dieoverstappen van de politie naar boa’s. Maar het gebeurt ook andersom. Erzijn mensen die als boa fungeren en zeggen: eigenlijk wil ik een stapjeverder gaan en een breder takenpakket gaan uitvoeren. Ik denk dat datgoed is. Ik denk dat we wat dat betreft niet in elkaars vijver moeten vissen,maar dat het juist mooi is dat die twee beroepen in elkaars verlengdeliggen en dat daar ook een gezonde uitwisseling is van personeel. Maarals ik daar ooit cijfers over kan vinden, dan hoort u dat van mij. Ik ben erzelf ook erg benieuwd naar.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2129 Ik ben het zeer eens met de laatste bijdrage van de Minister in dit debat.De boa’s die op reguliere mbo-opleidingen zitten, hebben natuurlijk altijdeen stageverplichting. Het zou bijvoorbeeld ook helpen als je dan probeertom de stages bij de politie te doen. Dat kan bijvoorbeeld ook bij Intake &Service zijn; dan hoef je niet gelijk ’s nachts achter de grote boeven aan.Maar dat gaat allemaal uitermate moeizaam. Juist om de samenwerkingen verwevenheid tussen die twee beroepsgroepen te benadrukken, zou ikhet heel mooi vinden om dat soort afspraken met elkaar te maken overhet stagepact van de op het mbo opgeleide boa’s bij de politie. Ik denkook dat dat de politie heel erg kan helpen. Is de Minister bereid om diteens te onderzoeken of in zijn gesprekken mee te nemen?Minister Van Weel:Ik neem dit mee in het volgende halfjaarbericht politie. Eén. Ik ga kijken ofik informatie daarover kan vinden. Twee. Ik neem de suggestie vanmevrouw Michon daarin mee. Ik kan nu niet overzien of daar beren op deweg liggen, maar ik ben bereid om ernaar te kijken.De voorzitter:Dan heeft u nog een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Die gaat over het om- of bijscholen van boa’s naar politieagenten. Ik weethet zelf niet, maar ik heb begrepen dat er vroeger zoiets was als deblauwe leerlijn. Dan kon je van boa naar blauw gaan. Ik heb gehoord datdie er nu niet meer is. De vraag is waarom die er eigenlijk niet meer is. Datwas toch zoiets moois? Je zou daar zelfs ook nog breder de veiligheids-keten bij kunnen laten aanhaken, bijvoorbeeld DJI. Dat idee heb ik uitpraktijk gehoord en wil ik graag meegeven aan de Minister, omdat datvolgens mij zeer interessant kan zijn.Minister Van Weel:Dank voor de input. Ik zie dat in hetzelfde kopje, dus het halfjaarberichtpolitie gaat iets zeggen over de kruisbestuiving tussen die twee.Dat brengt mij op de pilot in Rotterdam, die zo succesvol was. Maarhelaas, zoals ik wel vaker heb met discussies hier, ligt daar altijd weer hetpunt van uitruil tussen privacy en opsporing. Ook hier is dat het geval. Erwerden onder andere pasfoto’s met boa’s gedeeld. Daardoor kon snel deidentiteit worden vastgesteld. Maar de Gegevensautoriteit van de politieheeft gezegd dat deze werkwijze moet worden aangepast, omdat die nietin lijn is met de bestaande regels voor gegevensdeling. Nu mogen eralleen nog politiegegevens worden uitgewisseld. Ja, dat bestand en diemogelijkheden zijn natuurlijk een stuk kleiner. Dat wil zeggen dat een heelgroot deel van het voordeel dat deze pilot nou juist bood, weg is.Dat brengt ons terug bij het rijbewijzenregister. Daar hebben we het ook alheel, heel lang over met uw Kamer. Men refereerde er al aan dat deStaatssecretaris van IenW het nu opgenomen heeft in zijn brief. Dat isnaar aanleiding van een overleg dat we hebben gehad en waarin wehebben gezegd dat we hier echt prioriteit aan willen geven. Maar ook hiermoet wetgeving worden aangepast om dit mogelijk te maken, dus ik benbang dat we in ieder geval het grootste deel van dit jaar nog wel eraankwijt zijn om het ook echt geformaliseerd te kunnen hebben.De voorzitter:Een vraag van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat hier ook weer een frustratie ligt. Die moties en verzoeken zijnin 2021 ingediend, of in 2022 volgens mij, en dan duurt het zo langvoordat er dergelijke wetgeving komt. Wat kan er in de tussentijdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2130 gebeuren om dit probleem op te lossen, voordat het een en ander in deAMvB is geregeld?Minister Van Weel:Ik heb het zelf uit de eerste hand gehoord van boa’s in Utrecht, die zeiden:«We houden iemand staande omdat hij door rood fietst en dan hebben wede politie nodig om de identiteit vast te kunnen stellen. Dan zijn weiemand die door rood fietste op weg naar zijn werk, en die waarschijnlijkal te laat was, omdat hij door rood fietste, een halfuur aan het tegen-houden in de regen bij een stoplicht om zijn identiteit te laten checkendoor de politie.» Ik denk dat er tegen die tijd mogelijk nog wel anderemisdrijven gepleegd zijn, als je iemand voor zoiets zo lang ophoudt. Dat isenorm frustrerend, dus ik heb echt alles bekeken. De pilot in Rotterdamleek een hele mooie mogelijkheid. Maar het delen van gegevens, zekerpersoonsgegevens, wordt ons in het huidige bestel absoluut nietmakkelijk gemaakt. Daar lopen we in tal van domeinen tegen aan. Daarlopen we tegenaan in het handhaven van de openbare orde en veiligheiden bij het toegang krijgen tot onlinechatgroepen. We hebben eenuitgebreid debat gehad over CSAM met uw Kamer. De balans tussenprivacy en opsporing is in dit geval – helaas, zeg ik erbij – in het nadeelvan de boa’s die daar op straat mee geconfronteerd worden en in hetvoordeel van het privacybelang uitgevallen. Om dat recht te trekkenmoeten we de wet veranderen. Dat kost tijd. Ik ga niet over de periode «21tot nu. Dat betreur ik. Maar ik ga wel over de periode «24 tot «25. Ik hoophet dit jaar gewoon geregeld te hebben.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik wil er geen misverstand over laten bestaan dat wij de privacy en deAVG een heel groot goed vinden. Daar moet je heel zorgvuldig meeomgaan. Mijn frustraties zitten met name in het feit dat wij vinden dat jehier wel een uitzondering voor mag maken, als je dat goed onderbouwtvia de wet, en dat die wet zo lang op zich laat wachten. Maar goed, wegaan het gewoon afwachten. Het antwoord is eigenlijk dat we in detussentijd moeten roeien met de riemen die er zijn, en dit zijn ze.Minister Van Weel:Dat klopt. Laat ik daar dan meteen een volgende teleurstelling aantoevoegen. Dat is het kentekenregister. Ook dat is van de RDW en daarlopen we tegen precies hetzelfde aan. Ook daar hebben we dusgesprekken over met het Ministerie van IenW, maar ook dat zullen we viaeen wettelijke regeling moeten wijzigen.Mevrouw Van der Werf (D66):Ik wou nog één ding vragen om het even goed te begrijpen. Ik ben opwerkbezoek geweest bij de boa’s in Rotterdam, bij de RET. We hebben hetspecifiek over het stukje van die privacy gehad en ook over het rijbewij-zenregister. Zij zeiden dus: het gaat niet om het versturen van foto’s ofinformatie, maar echt om een kort moment waarop je een controle kandoen. Die gegevens worden dus niet daadwerkelijk aan iemand andersverstrekt. Het gaat eigenlijk om de check. Daarom zeggen zij dat dieprivacyregels daar juist niet op van toepassing zijn en dat het een idealeoplossing is. Zij zeggen dat je het dus juist ook niet moet verwarren methet rijbewijsregister, want dat is echt wat anders. Ik vroeg me af of deMinister daarvan op de hoogte was en of het ook echt op die maniervanuit JenV met hen is besproken.Minister Van Weel:De informatie die ik heb, dateert van oktober, dus dat is vrij recent. Dat isnaar aanleiding van de Gegevensautoriteit van de politie, die de werkwijzedie gebruikt werd in Rotterdam heeft afgekeurd op basis van de AVG. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2131 is dus inderdaad iets compleet anders dan het rijbewijzenregister. Dat benik helemaal met u eens. Maar dan nog kon deze werkwijze, zoals het ging,niet door de beugel. Er mag dus nog wel iets. Dat zei ik al. De politiege-gevens mogen wel worden uitgewisseld. In sommige gevallen biedt datsoelaas, maar het is lang niet zo effectief als wat er tot nu toe kon.Mevrouw Van der Werf (D66):Is de Minister bereid om met de initiatiefnemers van die pilot inRotterdam te spreken of in ieder geval even te kijken of het echt zo is dathet niet op deze manier kan? Ik meen namelijk dat er ook een motie isaangenomen bij de begroting van Infrastructuur en Waterstaat – ik dachtdat het de motie-Veltman was – waarin ook deze werkwijze werd bepleit.Dat is natuurlijk ook vrij recent. Daar was toen ook een grote Kamermeer-derheid voor. Ik twijfel namelijk niet over de intenties van deze Minister.Laat ik daar duidelijk over zijn. Het is meer dat ik ervan werd verzekerddaar – laat ik het zo zeggen – dat deze werkwijze juist wel AVG-proof zouzijn.Minister Van Weel:Dank dat u niet twijfelt aan mijn intenties. Ik denk dat u af en toe zelfs defrustratie in mijn stem kunt horen op de momenten dat we hiertegenaanlopen. Maar dat komt natuurlijk ook doordat ik hierin met een opspo-ringsbril naar de zaken kijk en de mensen op straat wil helpen. We zullenvanuit het ministerie nogmaals contact zoeken met de initiatiefnemers.Wat kan, gaan we mogelijk maken. Maar het ziet er, in ieder geval op basisvan de informatie die ik heb, niet heel erg rooskleurig uit.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):De Minister had het over informatie van de politie van oktober vorig jaar.Maar begin dit jaar, op 10 januari om precies te zijn, was er dus datrapport van OV-NL – ik hoop dat ik dat goed zeg, want ik heb er nietdagelijks mee te maken. Zij hebben dus deze methode onderzocht. Dat isook weer besproken in een commissiedebat IenW. Daarin is door deStaatssecretaris de toezegging gedaan dat daar een kabinetsreactie opkomt. In dat rapport is namelijk weer de hele Rotterdamse methodegeanalyseerd en er is aangegeven hoe dat dus landelijk zou kunnenworden uitgerold. Ik hoop dat de Minister deze toezegging herkent, wantbij de Staatssecretaris van IenW is dus toegezegd om samen met JenVdaarover met een reactie te komen. En dan gaan we hier weer met elkaarverder. Vanuit ons wil ik dus even die twee ministeries aan elkaar knopenen op basis van dit rapport kijken waar nu de knelpunten zitten en wat ernodig is om het uit te rollen, als dat kan. Wil de Minister dus bevestigendat hij dat gaat doen met IenW?Minister Van Weel:Een toezegging van de Staatssecretaris van IenW geldt net zo goed voormij. Het antwoord is dus ja.De voorzitter:Oké. Gaat u dan verder.Minister Van Weel:Dan was de vraag van mevrouw Michon-Derkzen of de mbo’s niet deopleiding, de bijscholing en de examentoetsing kunnen doen in plaats vanallerlei particuliere opleiders. We hebben in het boa-bestel qua oplei-dingen andere keuzes gemaakt dan bij de politie. Dat is dus niet ééncentraal opleidingsinstituut, maar ruimte voor veel particulier initiatief. Wecontroleren indirect op de kwaliteit daarvan, namelijk via de exameneisenen via de examens zelf. Bijna 40 mbo’s bieden al een driejarigeboa-opleiding aan, dus zij zijn al erg actief in dit veld. Ik wist niet of zij ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2132 een rol ambiëren qua bijscholing, maar dat zullen we zeker nagaan. Hetgaat volgens mij vooral om het punt of de examinering niet door dembo-instellingen zelf kan gebeuren, in plaats van door de examenin-stelling ExTH. Daarvoor heeft de MBO Raad inderdaad afgelopen najaareen aanvraag ingediend. Die wordt op dit moment beoordeeld.Dan was er een vraag van de heer Diederik van Dijk: zijn we bereid om depolitieregistratie en boa-registratie beter op elkaar af te stemmen, zodateen aangifte niet meer nodig is? Laat ik vooropstellen dat agressiefgedrag tegen mensen met een publieke taak, en daar horen boa’s zekerbij, te allen tijde onacceptabel is. Volgende week heb ik weer een debatmet uw Kamer over het afgelopen oud en nieuw. Ook daarbij hebben weweer moeten constateren dat het aantal incidenten tegen hulpverleners enhandhavers is toegenomen. Niet voor niks staat er in het hoofdlijnenak-koord en het regeerprogramma opgenomen dat we een taakstrafverbodgaan instellen tegen mensen die geweld gebruiken tegen mensen met eenpublieke taak of hulpverleners. Als het toch gebeurt, dan is het essentieeldat medewerkers goed worden opgevangen, dat de nazorg goed isingericht en dat de dader een passende en duidelijke reactie krijgt op zijnof haar grensoverschrijdende gedrag.De primaire verantwoordelijkheid voor de preventie en de nazorg ligt bijde werkgevers, maar ook het doen van aangifte is van groot belang. Vooriedere beroepsgroep met een veilige publieke taak geldt dat deze stapmoet worden genomen, al was het maar omdat we daarmee duidelijkkunnen maken dat we dit niet accepteren.De eenduidige landelijke afspraken vormen het kader voor het strafrechte-lijke proces. De aangiften van personen met een publieke taak, waaronderdus de boa’s, worden altijd met prioriteit opgepakt. Er zijn afsprakengemaakt over een harde daderaanpak. Zoals ik zei, zal ook het taakstraf-verbod in aanvulling daarop komen. De uitkomsten van de evaluatie vande eenduidige landelijke afspraken komen dit jaar nog.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ja, we wachten nog op een evaluatie, maar de strekking van mijn vraag isnatuurlijk het tegengaan van bureaucratie maar ook het recht doen aan depositie van boa’s. Daarbij ligt het verplicht aangifte doen natuurlijk niet zoin de rede. Zijn er mogelijkheden of staat de Minister daar positief opvoorgesorteerd om die boa- en politieregistratie zodanig op elkaar te latenafstemmen dat boa’s niet per se zelf ook aangifte moeten doen?Minister Van Weel:Op dat hele specifieke vraagstuk kom ik even terug in de tweede termijn,als u me dat toestaat.Dan was er nog een vraag van de heer Van Dijk over dat er te weinigcapaciteit is om boa’s bij te scholen en te examineren en of anderepartijen dan de politie hierbij kunnen helpen. Die vraag ziet, neem ik aan,op het bijscholen en examineren van het gebruik van geweldsmiddelen enniet zozeer op de opsporingsbevoegdheden. De examinering in het kadervan de regeling toetsing geweldsbevoegdheden gebeurt bij de Politieaca-demie. Het enige signaal over capaciteitsproblemen bij de Politieacademiedateert van een paar jaar geleden. Er is toen ruimte gegeven aanexaminatoren die in dienst zijn bij boa-werkgevers om de examens ook tekunnen afnemen. Ik zal naar aanleiding van uw vraag nagaan of eropnieuw capaciteitsproblemen zijn. Als die er zijn, dan zal ik maatregelennemen.De heer Boswijk had een vraag over aanrijtijden die te lang zijn. Ik wil dezevraag meenemen in een diepgaande beschouwing van het boa-stelsel,want dit heeft natuurlijk ook te maken met boa’s die soms in heelafgezonderd regio’s of in grote natuurgebieden zitten. Dat is niet zozeereen kwestie van aanrijtijden, maar van het specifieke karakter van hetgebied waar die boa’s zich in bevinden. Als het goed is, worden daarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2133 daarom al lokaal afspraken over gemaakt. Het hangt natuurlijk samen metde grote vraag die we hadden over: welke mogelijkheden heeft de boa omzelf op te treden, wat verwachten we eigenlijk van de boa in dit soortsituaties, welke bewapening past daarbij et cetera, et cetera? Als u het mijtoestaat, dan neem ik die vraag daarin mee.Dat brengt mij op de WSM, de Wet seksuele misdrijven, de pilot seksueleintimidatie en de landelijke uitrol zoals door mevrouw Van der Werfgevraagd. De pilot heeft tot nu toe een aantal concrete processen-verbaalopgeleverd. Daarnaast zijn door een aantal personen aangifte vanseksuele intimidatie bij de politie gedaan. Naar aanleiding van dezeprocessen-verbaal en aangiften zijn in oktober vier zaken aan de rechtervoorgelegd, die allemaal tot veroordelingen hebben geleid. Daarnaast zijner ook nog een paar andere politiezaken aan de rechter voorgelegd dieook tot veroordelingen hebben geleid. Op basis van de eerste positieveervaringen met de pilot wordt momenteel de uitbreiding naar een paarextra gemeenten voorbereid. Parallel wordt de handhaving van destrafbaarstelling van seksuele intimidatie door de boa’s en de politiegeëvalueerd. Die evaluatie zal pas rond de zomer van 2026 gereed zijn.Tegelijkertijd zeg ik tegen mevrouw Van der Werf dat gemeenten die eenacuut probleem hiermee ervaren en die denken dat ze dat door deelnameaan deze pilot een halt toe kunnen roepen zich zeker kunnen melden voordeelname aan de pilot. Een pilot met 340 gemeenten is wellicht niethelemaal het idee van een pilot. Er zullen natuurlijk ook lessons learneduit komen van dingen die we anders willen doen, dus we moeten dat nietgelijk helemaal landelijk uitrollen. Maar ik snap het wel als er gemeentenzijn die zeggen: ja, maar ik moet hier nu paal en perk aan stellen. Diekunnen zich dan melden en die oproep doe ik dan ook bij dezen.Dan heb ik nog een vraag van de heer Boswijk...De voorzitter:Ja.Minister Van Weel:... en die gaat over lachgas.De voorzitter:Maar eerst nog een vraag van mevrouw Van der Werf.Mevrouw Van der Werf (D66):Ja, even voor de helderheid. Als ik de Minister zo voorzichtig proef, danzegt hij eigenlijk: tot nu toe komen er geen gekke dingen uit die pilot enlijkt dit best op een goede manier iets op te leveren. Gemeenten kunnenzich daarbij aan sluiten, maar pas volgend jaar zomer. Is er een definitiefmoment waarop je dit landelijk kunt uitrollen? Want «over anderhalf jaar»klinkt toch best ver weg. Dat begrijp ik nog niet helemaal.Minister Van Weel:Ja, maar het is ook wel heel pril. De eerste resultaten zijn positief, maarwe hebben het hier over vier gevallen, over vier veroordelingen. Dat isdus nog geenszins een aantal op basis waarvan je een pilot met lessonslearned kunt uitrollen. Daarom is daar de tijd voor genomen. De pilotwordt uitgebreid. Het is dus niet zo dat de situatie nu bevroren is. Erkomen extra gemeenten bij. Dat zal blijven gebeuren. Daarom roep ikgemeenten die zeggen «alstublieft, mag ik ook aan de slag?» ook op omzich te melden. Die zullen er dan in worden opgenomen. Maar het wordtnu niet meteen een landelijke uitrol, want daarvoor ontbreken de data.De voorzitter:Uw vijfde en laatste interruptie, mevrouw Van der Werf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2134 Mevrouw Van der Werf (D66):Goed dat u het zegt, voorzitter. Ik begrijp dat het niet wenselijk is als zichdaar 340 gemeenten voor melden, maar het is dus in principe welongelimiteerd? De reden dat ik het vraag, is dat er verscheidene onder-zoeken gedaan zijn naar de veiligheidsbeleving van vrouwen. Met nameop en rondom stations is die echt belabberd. Het zullen dus met namejuist vaker boa’s zijn die in die situaties zouden kunnen helpen of dingenkunnen signaleren. Het is ingewikkeld dat agenten dan wél iets kunnendoen en zij niet.Minister Van Weel:Zoals ik heb gezegd, sta ik ervoor open om gemeenten die dat willen toete laten tot de pilot. Ik hoop niet dat dat er 340 zullen zijn. Dan missen wenamelijk het idee van een pilot. Dat maakt het gewoon moeilijk om ditgoed te evalueren. Daarom zeg ik dit ook. Maar het onderwerp heeftabsoluut mijn sympathie. Daarom stel ik ’m open.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Weel:Dan het lachgas en het afval daarvan. De heer Boswijk vroeg daar nognaar. Met name groene boa’s ruimen dat op, maar mogen dat eigenlijkniet. Daar ervaren zij frustratie bij. Ik deel die frustratie. Ik heb gewoondop een plek waar veel van dit soort cilinders hun weg vonden. Het geefteen verschrikkelijk straatbeeld. Het geeft ook een verschrikkelijk natuur-beeld. Het is gewoon troep. Het is gewoon rommel. Het feit dat je daarniks mee kan doen, is frustrerend. Maar formeel gezien valt dit afval onderde Opiumwet. Daarom moet dat door gespecialiseerde personen wordenopgeruimd. Ik wil daar graag in een volgend halfjaarbericht op terug-komen. Ik denk dat dat het halfjaarbericht ondermijning zal worden,omdat we daarin natuurlijk over andere drugsgerelateerde zaken spreken.Daar is dit er een van. Daar neem ik de stand van zaken in mee.Voor zover ik weet, voorzitter, heb ik de vragen beantwoord.De voorzitter:Ik zal eens even vragen of er nog urgente, onbeantwoorde vragen zijn bijonze leden. Dat lijkt niet het geval. O, de heer Aardema heeft toch nog eenonbeantwoorde vraag.De heer Aardema (PVV):Ja, ik durf het bijna niet, maar ik doe het toch. Ik heb een opmerkinggemaakt over C2000 en de verbinding van boa’s met de meldkamer. Kuntu daar nog even op ingaan?Minister Van Weel:Ik heb gezegd dat we niet één handhavingsinstituut krijgen. Maar in dediepgaande beschouwing ga ik wel kijken naar welke taken in debeheersorganisatie we kunnen centraliseren. Communicatie valt daarzeker onder. Over C2000 zou ik verder in dit debat niet al te veel willenuitweiden. Ik geloof dat we daar nog uitgebreid over te spreken komen,vermoedelijk volgende week al bij het oud-en-nieuwdebat, maar ook ineen separaat debat over C2000 en de NOS.De voorzitter:Goed. Dan dank ik u voor de beantwoording in de eerste termijn. Datbrengt ons bij de tweede termijn van de Kamer. Omdat dit een wetge-vingsoverleg is, mag u in de tweede termijn ook moties indienen. Onzebodes staan voor u klaar. Zij zullen de moties vervolgens vermenigvul-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2135 digen en uitdelen. Er geldt een spreektijd van een derde van uw eerstetermijn. Ik gun u met plezier nog drie onderlinge interrupties.Meneer Van Nispen, als u wilt beginnen, heeft u het woord.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel, voorzitter. Geen grondige analyse, geen nieuwe visie, maareen «diepgaande beschouwing». Dat is toch een beetje het woord van hetdebat. Ik ben inmiddels ontzettend benieuwd naar wat daarin komt testaan, maar ik vind het toch wel een beetje de verkeerde volgorde. Ik vindhet gek dat je deze wetswijziging bespreekt, die volgens mij meer is daneen technische wijziging, maar dat daarna pas een diepgaandebeschouwing komt over de rol, de taken, de verantwoordelijkheden en dewerkgevers van de boa’s, en alles wat daarmee samenhangt. Voor dezomer van 2025 komt die beschouwing. Ik vind het niet heel logisch omdan nu al deze wet te bespreken en aan de Kamer voor te leggen. Dat vindik.De Minister zei dat de inzet van boa’s niet moet voortkomen uit capaci-teitsgebrek bij de politie. Ik ben het daarmee eens. Maar dat is nu wel zo.Dat erkende de Minister ook in de nota naar aanleiding van het verslag.Ook op dit punt ben ik dus heel nieuwsgierig of dat ook uit die diepgaandebeschouwing gaat komen en of dat steeds een bewuste keuze is geweestin het verleden. En is dat een bewuste keuze naar de toekomst toe? Watgaan we eraan doen als dat geen bewuste keuze is?Tot nu toe was bij vragen over te weinig politiecapaciteit, die ik en veleanderen met mij vaak stellen, het antwoord steeds: de mensen zijn ergewoon niet. Als ik kijk naar hoe groot de particuliere veiligheidsbrancheis en hoeveel duizenden mensen er als boa werken, die dus deels ookpolitietaken uitvoeren zonder de politieopleiding te hebben gedaan, dandenk ik: er zijn wel mensen die willen bijdragen aan de veiligheid. Zijwillen lang niet allemaal onderdeel worden van de politieorganisatie,maar misschien een deel wel. Daarom is mijn vraag: waarom kijken weniet wat breder naar wat we kunnen doen om die mensen bij of om tescholen tot politieagenten, en naar hoe we dat kunnen doen?Daarom heb ik de volgende motie. Daarmee rond ik af.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat buitengewoon opsporingsambtenaren in de praktijksteeds vaker worden ingezet als algemene handhavers, in plaats van datzij belast worden met de uitvoering van een gerichte taak;overwegende dat boa’s mede hierdoor in gevaarlijke situaties terechtkunnen komen, waardoor zij gedwongen worden zich te verdedigen ofgeweld te gebruiken, waardoor de roep om bewapening toeneemt;overwegende dat het geweldsmonopolie enkel de politie toebehoort;verzoekt de regering te onderzoeken wat er nodig is om bepaalde boa’sop termijn uit te laten groeien tot onderdeel van de politieorganisatie enze op te leiden tot politieagent,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2136 Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen.Zij krijgt nr. 8 (36 395).De heer Van Nispen (SP):Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan is het woord aan mevrouw... O, er is eerst nog eeninterruptie van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ja, ik zou het volgende aan de heer Van Nispen willen vragen, vooralomdat hij zelf begint over de volgorde. Hij vraagt: moeten we niet eerstdie diepgaande beschouwing hebben en dan pas deze wet behandelen?Nu hoor ik deze motie, waarin wordt gezegd dat de boa’s onderdeelzouden moeten worden van de politieorganisatie, terwijl we diediepgaande beschouwing nog niet hebben. Wat vindt hij zelf van dezevolgorde in het licht van hetgeen de Minister toezegt in de zomer naar deKamer te sturen?De heer Van Nispen (SP):Goed. Die volgorde vind ik heel goed. Volgens mij is de analyse die we nual kunnen maken en die de Minister zelf ook had gemaakt, zo bleek uit denota naar aanleiding van het verslag, dat als gevolg van te weinigpolitiecapaciteit soms boa’s worden ingezet om de gaten te dichten. Dat isnu de praktijk, nog zonder dat we die hele discussie hebben gevoerd. Weweten dat de opleiding voor boa’s in de regel, of altijd, denk ik, korter enanders is dan de opleiding tot politieagent. Mijn punt is dat we te weinigpolitiemensen kunnen vinden. Ik zeg ook niet dat alle boa’s volgend jaarof wanneer dan ook onderdeel moeten worden van de politieorganisatie.Dat staat niet in de motie. Het gaat om bepaalde boa’s, op termijn. Dietermen staan erin. Dat is volgens mij de richting waarin we moeten gaan.Er is een heel groot veiligheidsprobleem. Er is een heel groot tekort aanpolitieagenten. Aangezien boa’s nu worden ingezet om dat gat te dichten,denk ik dat het slim is om te kijken hoe je hen beter kunt opleiden enonderdeel kunt maken van de politieorganisatie, waar dat mogelijk is,waar dat kan en als ze dat zelf willen, natuurlijk.De voorzitter:Oké, hartelijk dank. Dan is het woord aan mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank, voorzitter. Ik dank de Minister voor dit debat. Het ging over een lichttechnische wet, maar ik vind het heel goed en waardevol dat wevanmiddag hier met zo veel aanwezige Kamerleden over de handhavershebben gesproken. Ze zijn gewoon een voor iedereen zichtbare partner inhet veiligheidsdomein en daarmee heel serieus te nemen. Dat doen weook al in vergelijking met de periode van de totstandkoming ooit. Vroegerhadden we het nog over de melkertbaan. Tegenwoordig zijn het heel goedopgeleide, serieuze partners van de politie en vele anderen. Dank dus aande Minister. Ik kijk heel erg uit naar de diepgaande beschouwing. Ik hoopdat we dan weer zo’n debat hebben. Ik kijk ook erg uit naar het kabinets-standpunt over het rapport van OV-NL. Vanuit daar gaan we verder.Ik heb een drietal moties. Daarom zit ik hier en niet in de plenaire zaal metde heer Bontenbal, want die zou dit allemaal niet goed vinden. Ik ga erheel lang over doen.Motie Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2137 De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de werkgever van de groene boa besluit over dienstaken en verantwoordelijk is voor een veilige en verantwoordelijkeuitvoering van die taken;constaterende dat de werkgever in het kader van de veilige taakuitoe-fening een aanvraag voor bewapening kan doen voor een groene boawaarover, na advies van OM en politie, de Minister van JenV besluit;van mening dat de beoordeling van een aanvraag voor een wapenonvoldoende blijk geeft van de risico’s die een groene boa loopt in hetwerk, door de kan-bepaling in artikel 10.3;verzoekt het kabinet om de toetsingscriteria van het ontwerpbesluit tegenhet licht te houden, waarbij rekenschap wordt gegeven van de gevaar-zetting van het werk van de groene boa,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.Zij krijgt nr. 9 (36 395).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dan een motie over die koppeling van het opleiden van boa’s op regulierembo-opleidingen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat reguliere mbo-opleidingen voorzien in het opleiden vanboa’s;constaterende dat elke boa de verplichte periodieke bij- en nascholingvolgt bij een waaier aan verschillende particuliere opleidingsbureaus;constaterende dat de toetsing van de bij- en nascholing verplicht moetworden afgenomen bij de stichting Exameninstelling Toezicht enHandhaving, wat voor de werkgever aanzienlijke kosten met zichmeebrengt;verzoekt het kabinet om te onderzoeken of de reguliere mbo-opleidingeneen (grotere) rol kunnen vervullen in de bij- en nascholing en toetsing vande boa’s,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.Zij krijgt nr. 10 (36 395).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2138 En de derde motie gaat over de boa als beroepsgroep. Ik denk dat dit kanhelpen in de professionalisering van de beroepsgroep als geheel.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de beroepsgroep van boa’s zeer divers is door dewaaier van werkgevers en de waaier van bevoegdheden;constaterende dat niet één beroepsgroep voor boa’s bestaat, terwijl eenaantal generieke zaken voor iedere boa relevant is;overwegende dat het Ministerie van JenV een faciliterende rol kanvervullen bij een aantal uniforme beheersmatige zaken die voor iedereboa relevant zijn;verzoekt het kabinet om te bevorderen dat er één boa-beroepsorganisatietot stand komt,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.Zij krijgt nr. 11 (36 395).Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Ik dank u wel voor uw bijdrage. Dan is het woord aan mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor zijn antwoorden. Ontzettendconstructief. Ik denk dat het goed is dat we zo snel mogelijk het debat overhet boa-stelsel gaan voeren, omdat de grenzen vervagen tussen hetwerkterrein van de politie en dat van de boa’s. Te veel boa’s zeggen datmensen ze regelmatig aanzien voor politie en dat snap ik. Ik denk dat hetgoed is dat we op enig moment wel bepalen of de boa zware geweldsmid-delen mag hebben of moet hebben of dat dat alleen maar bij de politiehoort, ons eerste uitgangspunt, of juist andersom, dat bewapende boa’sin feite functioneren als politieagenten en ook onder de politie zoudenmoeten vallen. Ik heb daar nog geen keuze in gemaakt, maar volgens mijmoeten we wel dat debat zuiver en goed voeren en uiteindelijk eenduidelijke richting kiezen.Ook ik heb me beraden op moties, in de eerste plaats ten aanzien vantoetsingscriteria. Je zag heel veel eensgezindheid bij de collega’s, maar ikdenk dat we de moties iets minder goed op elkaar afgestemd hebben.Mijn eerste motie luidt als volgt.Motie De Kamer,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2139 gehoord de beraadslaging,overwegende dat groene boa’s in de buitengebieden steeds vakergeconfronteerd worden met criminele activiteiten, wildtroperij, geweld enagressie;overwegende dat de aanvraag voor het gebruik van een vuurwapenterecht vooraf wordt getoetst door Justis met advies van het OpenbaarMinisterie en de politie;overwegende dat de toegepaste toetsingscriteria in de praktijk als te rigideworden ervaren met ruimte voor wisselende beoordelingen;verzoekt de regering om onderzoek te doen naar de toepassing van dietoetsingscriteria door Justis bij vuurwapenaanvragen van groene boa’s,en de resultaten en mogelijke aanpassingen te betrekken bij het nieuweboa-stelsel,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.Zij krijgt nr. 12 (36 395).Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik heb daar de Minister ook een toezegging op horen doen, dus ik kijk nade beantwoording van de Minister of ik me aansluit bij de collega van deVVD of dat dat ik de motie gewoon intrek en dit als toezegging beschouw.Ik noem ’m wel alvast en ik wacht even op de beantwoording voor dezuivere lijn.Dan nog een andere motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de afgelopen jaren mede door capaciteitsproblemen bijde politie veel meer taken door de boa’s worden uitgevoerd om onzegemeenten en wijken veilig en leefbaar te houden;van mening dat het belangrijk is de samenwerking tussen politie en boa’sverder te professionaliseren, met name op het gebied van communicatie,informatiesystemen en bevoegdheden;verzoekt de regering om samen met de politie, boa’s en hun werkgeversserieus werk te maken van de werkagenda, teneinde samenwerkingtussen deze actoren te versterken, en de Kamer hierover voor deVoorjaarsnota te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.Zij krijgt nr. 13 (36 395).Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2140 Hier leg ik eigenlijk de druk meer op de Minister. Ik heb hem het een enander hierover horen zeggen, maar ik vind het belangrijk dat uiteindelijkdie werkagenda, hoe ingewikkeld het ook is met al die samenwerkingentussen verschillende werkgevers, gewoon tot stand moet komen. Dus ikdien ’m in als steuntje in de rug richting de Minister.De voorzitter:Kijk eens aan. Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan is het woord aan deheer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor zijn adequate beant-woording. Ook de SGP ziet erg uit naar wat de diepgaande beschou-wingen gaan opleveren. Hoe dan ook wil ik los van wat daar verder uitkomt, de Minister graag enkele moties meegeven als aansporing ombepaalde zaken in ieder geval mee te nemen in de wijziging van de AMvB.Ik val collega Mutluer bij. Als Kamerleden hebben wij niet heel veel aanafstemming gedaan. Ook de eerste motie die ik heb voorbereid, heeftbetrekking op de toetsingscriteria bij de aanvraag van geweldsmiddelen.We moeten straks kijken hoe we dat oplossen. Ik denk dat ik de bestemotie heb, maar dat gaan we straks allemaal bekijken.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat buitengewoon opsporingsambtenaren bij de aanvraagvan geweldsmiddelen moeten aantonen dat sprake is van een inredelijkheid te verwachten kans dat de boa bij de vervulling van zijnfunctie met geweld of dreiging met geweld wordt geconfronteerd;overwegende dat hierbij ook de frequentie en mate waarin zich in hetverleden situaties hebben voorgedaan waarbij bewapening wenselijk wasgeweest, betrokken worden;overwegende dat dit er in de praktijk toe leidt dat de vergunning van eenboa die zijn dienstwapen in de afgelopen periode niet heeft gebruikt nietverlengd wordt, ofschoon hij daar wel toe bevoegd is;verzoekt de regering in de AMvB op te nemen dat bij de toekenning vangeweldsmiddelen aan buitengewoon opsporingsambtenaren, in deafweging of er een redelijke verwachting is, rekening wordt gehouden metde taakstelling van de boa in plaats van met feitelijke incidenten, en hierbijde belasting met specifieke wetgeving mee te wegen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.Zij krijgt nr. 14 (36 395).De heer Diederik van Dijk (SGP):Mijn tweede motie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2141 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat buitengewoon opsporingsambtenaren belast zijn metde handhaving van specifieke wetgeving;overwegende dat de boa ingeval van geweld bij een aanhouding aangiftemoet doen bij de politie;overwegende dat dit bureaucratie in de hand werkt en niet bijdraagt aande gelijkwaardige positie van boa’s;verzoekt de regering de boa- en politieregistratie beter op elkaar te latenaansluiten zodat aangifte bij een aanhouding niet noodzakelijk is omintegraal in het proces-verbaal van de politie opgenomen te worden,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.Zij krijgt nr. 15 (36 395).De heer Diederik van Dijk (SGP):En de laatste motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat er discrepantie bestaat tussen de geldigheidsduur vaneen opsporingsakte en de geldigheidsduur van de wapenvergunning vaneen buitengewoon opsporingsambtenaar;overwegende dat er een gevaar op willekeur en onnodige bureaucratie indeze aanpak schuilt;verzoekt de regering in de AMvB op te nemen dat de duur van devergunning voor geweldsmiddelen wordt gelijkgesteld aan de geldig-heidsduur van de opsporingsakte,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Diederik van Dijk.Zij krijgt nr. 16 (36 395).De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u, voorzitter.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2142 U bedankt! De heer Six Dijkstra heeft geen inbreng. Meneer Aardema, aanu het woord.De heer Aardema (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ik ben in ieder geval blij met de positieve grond-houding, zoals de Minister het zelf noemde, en dat er een diepgaandebeschouwing gaat komen over het boa-stelsel.Ik had even niet in de gaten dat vandaag het laatste moment is om motiesin te dienen. Daarom heb ik mijn motie zelf met de hand geschreven en ikhoop dat mijn hanenpoten straks te lezen zijn.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat boa’s worden belemmerd in hun taakuitvoering op hetgebied van ID-check en/of kentekenregister, en dat dit leidt tot frustratiesbij boa’s en burgers;verzoekt de regering te onderzoeken of er toch mogelijkheden zijn omdeze procedures te vergemakkelijken,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Aardema en Boswijk.Zij krijgt nr. 17 (36 395).De heer Aardema (PVV):Ik hoop dat die leesbaar is. U mag ’m zeker medetekenen, zeg ik tegen deheer Boswijk. Het zou heel mooi zijn als iedereen dat deed.De voorzitter:Hartelijk dank. Heel flexibel opgelost. Dan is het woord aan mevrouw Vander Werf.Mevrouw Van der Werf (D66):Voorzitter, dank. Dank ook aan de Minister voor de beantwoording.Volgens mij zijn we vanmiddag met een redelijk eensgezinde commissiebest een eind gekomen. Dat is ook goed om een keer te benoemen. Er isnog wel één punt dat ik wat scherper zou willen, namelijk de Wet seksuelemisdrijven. Ik blijf het toch een beetje gek vinden dat we nu een soorttweede pilot doen, want dat is het in feite. Ik vind de mogelijkheid van eenlandelijke uitrol over anderhalf jaar gewoon nog heel erg lang duren. Datdoet geen recht aan de problematiek waar we het over hebben, en ookniet aan de ernst waarmee we dat wetsvoorstel hier eensgezind hebbenbehandeld. Dan moeten we nu ook niet al te lang blijven miepen over ofde boa’s daar ook mee aan de slag kunnen. Op dat punt heb ik dus devolgende motie.Motie De Kamer,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2143 gehoord de beraadslaging,constaterende dat in 2024 twee op de drie vrouwen tussen 13 en 24aangeven slachtoffer te zijn geweest van seksueel grensoverschrijdendgedrag;constaterende dat het aantal meldingen van seksuele intimidatie slechtseen beperkt beeld geeft van de schaal waarop vrouwen last hebben vanseksuele intimidatie, waarbij een groot deel zich op straat afspeelt;overwegende dat er sinds juli een pilot loopt in Rotterdam, Arnhem enUtrecht om handhavers handelingsbevoegdheid te geven onder de Wetseksuele misdrijven, maar dat handhavers in andere steden niet bevoegdzijn om in te grijpen;verzoekt de regering boa’s nationaal handelingsbevoegd te maken onderde Wet seksuele misdrijven,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Michon-Derkzen enMutluer.Zij krijgt nr. 18 (36 395).Goed. Ik dank u hartelijk. Er is een vraag voor u van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Er wil iemand meetekenen, maar dat was niet mijn vraag. Het kan zijn datik het in de eerste termijn gemist heb. Excuus daarvoor. Ik heb eenverduidelijkende vraag over de motie. Wat is dat handelingsperspectiefdan precies? Wat kan zo’n opsporingsambtenaar dan meer dan wat iedereburger op straat kan? Deze vraag is puur informatief.Mevrouw Van der Werf (D66):Nou, in de steden waar nu die pilot loopt, mogen zij ingrijpen. Voor diesteden is gezegd dat boa’s zich erin kunnen mengen en dat ze dus ookkunnen verwijzen naar de Wet seksuele misdrijven waarin onder anderewordt gezegd dat straatintimidatie strafbaar is. Als je die bevoegdhedenniet hebt, is dat gewoon heel erg onlogisch. Dat is eigenlijk hetzelfdeverhaal als bij de voorbeelden van boa’s die ik noemde, die wel voorcollega’s in kunnen staan maar niet voor burgers. Volgens mij is er doorniemand bewust een foutje gemaakt bij de Wet seksuele misdrijvenwaardoor zij daar nu dus niet onder vallen. Je wil eigenlijk dat dat zo snelmogelijk wel kan, zeker als je kijkt hoe vaak dit soort problematiek zichbijvoorbeeld op en rondom stations afspeelt. Ook daarom vind ik het dusrelevant om niet alleen maar te zeggen dat de politie het moet doen. Jewilt dus ook juist dat het overal in situaties mogelijk is. Natuurlijk zijn erook ernstige verkrachtingszaken bij mensen thuis et cetera. Gezien deschaal vind ik het heel vreemd dat we hier nu voor de tweede keer eenpilot gaan doen en dat we dan pas over anderhalf jaar zouden kunnenzeggen dat boa’s hier ook mee aan de slag kunnen.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan zijn we aangekomen bij de heer Boswijk. Aan u hetwoord.Mevrouw Van der Werf (D66):Voorzitter, ik heb één vraag. Excuus dat ik daar nu op terugkom, maar ikhoorde collega Michon-Derkzen zeggen dat ze graag meetekent. Is datgebeurd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2144 De voorzitter:Dat is thans gebeurd.Mevrouw Van der Werf (D66):En heeft mevrouw Mutluer ook meegetekend? Fantastisch, voorzitter.De voorzitter:Alles is voor u al in kannen en kruiken. Goed, de heer Boswijk, aan u hetwoord.De heer Boswijk (CDA):Dank, voorzitter. Ik heb geen moties. Ik heb een hele strenge fractievoor-zitter. Mevrouw Van der Werf biedt aan dat mijn naam onder haar motiehad gemogen, maar daar was ik te laat voor. Ik regel dat zo wel. Dank aande Minister voor de antwoorden op de vragen en voor de toezeggingen.Een deel van de daadwerkelijke antwoorden zullen we later dit jaar bij debeschouwing zien. Ik kreeg nog wel een beetje een onbevredigd gevoelover het punt waarover mijn collega net de motie die ik heb meeonder-tekend, heeft ingediend. Dat is namelijk bij veel boa’s wel een groteirritatie. Die krijgen toch een beetje het gevoel dat zij niet voldoendevertrouwen krijgen ten opzichte van bijvoorbeeld politiemannen en-vrouwen terwijl ze soms wel belangrijk werk doen in gebieden dieontzettend kwetsbaar zijn. Dus vandaar dat ik de motie heb meeonder-tekend. Ik hoop dat de Minister op dat punt wel een beetje voorover gaatleunen om te kijken wat er wel mogelijk is. Verder heb ik geen vragen.Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweedetermijn aan de zijde van de Kamer. Ik schors sowieso even zodat weallemaal de moties krijgen. Minister, hoelang heeft u nodig, denkt u? Nulminuten, helemaal nul? Oké, maar we schorsen wel even. Ik schors voorvijf minuten.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Goed, dames en heren. De moties zijn rondgedeeld. De Minister ishelemaal klaar voor de appreciatie in de tweede termijn, dus ik geef hemgraag het woord. De leden krijgen in deze termijn ook drie interruptiesvoor de Minister.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Dank ook voor de inbreng in tweede termijn en voor deingediende moties.Ik heb nog een vraag openstaan van de heer Aardema. Die ging over dediensthond. Sporadisch wordt er een diensthond aangevraagd entoegekend. Ik heb gezegd dat dat er afgelopen jaar eentje is geweest. Er isons inderdaad geen geval bekend waarbij die ook weer is afgenomen. Datheeft natuurlijk ook te maken met de band tussen het baasje en de hond.Ik sluit me daar dus bij aan. Ik kan me niet voorstellen dat er technocra-tisch wordt gezegd: stop de hond maar weer in de kennel, want we ziendat de noodzaak ietsje minder is geworden. Ik denk dat het wat dat betrefteen theoretisch vraagstuk is.Op de vraag van de heer Diederik van Dijk over de registratie kom ik terugbij de appreciatie van zijn motie.Dat brengt me bij de moties. Ten eerste de motie op stuk nr. 8 van de heerVan Nispen. Ik zie die op de inhoud. Ik vind die echter ontijdig op ditmoment, omdat ik graag eerst de diepgaande beschouwing wil afmaken.Het oordeel dat ik meegeef, is dus ontijdig, terwijl ik sympathiekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2145 tegenover de inhoud sta. Ik zal dit dan ook betrekken bij de diepgaandebeschouwing zelf.Dan de motie van mevrouw Michon-Derkzen op stuk nr. 9 overbewapening van groene boa’s. Ik heb de strekking van deze motieeigenlijk al toegezegd in het debat, maar ik geef de motie oordeel Kamer,zeg ik tegen mevrouw Michon-Derkzen.Dat geldt ook voor de motie van mevrouw Michon-Derkzen op stuk nr. 10over periodieke opleiding en toetsing. Ik had al gezegd dat de MBO Raadeen verzoek bij het ministerie heeft ingediend om de boa-basisexamenszelf te mogen uitvoeren. We zijn daar op dit moment naar aan het kijken.Ik neem de motie ook mee in de verdere uitwerking van de diepgaandebeschouwing. Deze motie krijgt dus oordeel Kamer.De motie van mevrouw Michon-Derkzen op stuk nr. 11 over deboa-beroepsorganisatie geef ik ook oordeel Kamer en neem ik ook mee inde diepgaande beschouwing.Dat geldt dus ook voor de motie over vuurwapenaanvragen van groeneboa’s van mevrouw Mutluer. Dat is de motie op stuk nr. 12.De voorzitter:Er is een vraag voor u van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dit is altijd een beetje flauw, maar ik ga het toch doen. Er is een motieontijdig omdat er nog een diepgaande beschouwing komt. Bij een anderemotie, bijvoorbeeld die voor het bevorderen van de totstandkoming vanéén boa-beroepsorganisatie, denk ik: is die dan niet ontijdig, omdat er nogeen diepgaande beschouwing komt? Nogmaals, ik vind mezelf nu ook eenbeetje flauw doen. Ik vind het prima voor een collega dat een motieoordeel Kamer krijgt, maar ik vind het wel zonde dat dat dan niet zo gaatbij de eerste motie, waarmee ik echt een probleem probeer op te lossen.De Minister zegt eigenlijk tegen de meerderheid van de Kamer ... Zo gaathet namelijk vaak; dan stemmen de coalitiepartijen er niet mee in omdatde Minister de motie «ontijdig» noemt. Volgens mij is dit nou juist eenoplossing voor een probleem. Kan ik de Minister dan toch bewegen ombij de eerste motie tot een ander oordeel te komen?Minister Van Weel:Nee, toch niet, omdat ik niet weet of het dictum van de motie de oplossingis voor het probleem. Dat hangt voor mij dan weer af van de diepgaandebeschouwing. Daar zit voor mij in dit geval dus een volgtijdelijkheid in,terwijl ik de andere zaken juist kan meenemen in de diepgaandebeschouwing, vandaar het verschil. Excuses. Wat mij betreft heeft dat nikste maken met in de coalitie zitten of niet. U weet dat ik ook uw motiesgraag oordeel Kamer geef als dat me lukt.De motie op stuk nr. 12: oordeel Kamer. Dat had ik al gezegd. Dat is ookomdat ik dit al had toegezegd. Deze ligt natuurlijk ook in het verlengdevan sommige andere moties.De voorzitter:Er is toch een vraag van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Geen vraag, maar een mededeling. Ik luister wel naar de heer Boswijk. Ikga de motie gewoon samenvoegen met die van de collega van de VVD,zodat we iets minder moties hebben. Volgens mij willen we precieshetzelfde. Hierbij trek ik die motie dus in, en mijn naam komt onder demotie van de VVD.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2146 Aangezien de motie-Mutluer (36 395, nr. 12) is ingetrokken, maakt zij geenonderwerp van beraadslaging meer uit.Hartelijk dank daarvoor.Minister Van Weel:Dan de motie van mevrouw Mutluer op stuk nr. 13 over samenwerkingtussen boa’s en de politie. Die zou ik oordeel Kamer willen geven, maardan wil ik die wel graag doorschuiven naar het volgende halfjaarberichtpolitie. Dat zal dus niet bij de Voorjaarsnota zijn, maar ietsje later, voor hetzomerreces. Dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik kan daarmee leven. Ik hoop echt dat het zo snel als mogelijk kan, dus ikga ervan uit dat de Minister de urgentie snapt. We hebben de motietweeënhalf jaar geleden ook ingediend en het kan niet zo zijn dat we weertwee jaar moeten wachten voor er überhaupt een reactie komt. Ik vind dathier serieus werk van moet worden gemaakt. Ik ben best bereid tot dezomer te wachten, maar ik hoop dat het sneller kan dan dat.Minister Van Weel:Dank aan mevrouw Mutluer voor haar flexibiliteit. Dan krijgt die motie dusoordeel Kamer.Dan de motie op stuk nr. 14 van de heer Diederik van Dijk. Ook die geef ikoordeel Kamer. We zijn bezig met de diepgaande beschouwing. Daarneem ik dit in mee.De motie op stuk nr. 15, over de aansluiting tussen de politie- en deboa-registratie, geef ik oordeel Kamer. Ik zeg er wel bij dat we bezig zijnmet een traject om deze beter op elkaar te laten aansluiten. Op ditmoment zijn er ontzettend veel systemen in omloop. Dat maakt hetmoeilijk om de boa-registratie direct gelijk te trekken met de politieregis-tratie en daarmee de aangifte makkelijker te maken. Dat is echter wel hetstreven. Dus in de geest van de motie, zonder me nu al vast te leggen opeen termijn, kan ik haar oordeel Kamer geven.De motie op stuk nr. 16 van de heer Van Dijk gaat over de discrepantietussen de geldigheidsduur van de opsporingsakte en de wapenver-gunning. Ik ben zelf niet helemaal helder geweest in mijn eerste termijn,dus ik leg nog één keer uit hoe het echt zit. De bevoegdheid om gewelds-middelen te gebruiken is integraal onderdeel van de opsporingsakte, dusin algemene zin is de geldigheidsduur van beide gelijk. Maar er zijn weluitzonderingen, met name bij de korte wapenstokken en in gevallenwaarbij de toezichthouders een proeftermijn adviseren. Maar dat zijn echtkleine aantallen ten opzichte van het geheel. Daarmee geef ik de motie hetoordeel «overbodig», omdat naar mijn mening die termijnen in de regel algelijklopen. Excuus voor de verwarring die ik in de eerste termijn hebveroorzaakt.De heer Diederik van Dijk (SGP):Geen enkel probleem. Dank aan de Minister voor zijn beantwoording. Mijninformatie is echt anders, namelijk dat die geldigheidsduur in de praktijkheel vaak níét hetzelfde is. Volgens mij raakt dit ook aan een eerdereopmerking over de diensthond; dat is een goed voorbeeld. Ik heb daar dusandere informatie over. Maar goed, dat is dan blijkbaar een verschil ininformatie.Minister Van Weel:Het zou ’m kunnen zitten in de kleine aantallen die ik net noemde, dus dekorte wapenstokken dan wel anderszins. Dat hoop ik althans.De motie op stuk nr. 17 van de heer Aardema geef ik oordeel Kamer. Ikheb goed meegeluisterd, niet meegeschreven in dit geval.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2147 De motie op stuk nr. 18 van mevrouw Van der Werf geef ik ook oordeelKamer, met dien verstande dat ik ga kijken hoe snel we de pilot kunnenomvormen tot een nationaal geldend traject. Daarbij wil ik niet per se deafgesproken evaluatie van twee jaar om de handhaving van de wet tebezien als leidend uitgangspunt nemen. Met uw Kamer is afgesproken datwe de handhaving medio 2026 gaan evalueren. Ik zeg u dat we niet per sewachten met het uitrollen van de handhaving op landelijk niveau tot dietwee jaar om zijn. Ik kan u niet zeggen dat ik het al meteen vanaf morgenalgemeen geldend maak. Er moet wel iets van vaste grond onder devoeten zijn om te kunnen zeggen dat dit een werkend principe is, maar datzal eerder zijn dan medio 2026. Dan geef ik de motie oordeel Kamer.Mevrouw Van der Werf (D66):Daar kan ik wel mee leven. Ik snap heel goed dat het niet vanaf morgen is,maar als de Minister echt bereid is om dat dan niet één dag voor volgendjaar zomer te laten zijn, dan denk ik dat we de gemeenschappelijke grondweten te vinden.Minister Van Weel:Ik handel soms naar de letter, maar hier in de geest. Dat betekent: niet eendag voor medio 2026.De heer Van Nispen (SP):Ik heb ook nog een korte vraag. Die is wederom informatief en gaat overdeze motie. Toch nog even in normale mensentaal: zou dit nou betekenendat een boa die bijvoorbeeld in de nabijheid van een station straatintimi-datie constateert, dan ook een boete kan opleggen? Zo’n boa kan nubijvoorbeeld een boete opleggen voor zwartrijden, maar niet voorstraatintimidatie. Is dat hoe de Minister deze motie interpreteert, dus datdie lacune dan wordt opgelost? Vertaal ik het zo goed? Ik zie de Ministerknikken.De voorzitter:De Minister knikt. Oké, dat waren de moties. Heeft u nog andere punten,Minister? Nee. Zijn er nog punten blijven liggen, vragen die in de tweedetermijn gesteld zijn? Dat is niet het geval bij de leden. Dan dank ik deMinister voor deze appreciatie van de moties en de beantwoording van devragen.Ik heb samen met de griffier een drietal toezeggingen genoteerd. Ik zougraag even met u willen kijken of die zo goed te boek staan.–Allereerst. Voor de zomer van 2025 stuurt de Minister een diepgaandebeschouwing over het boa-stelsel naar de Kamer.Klopt dat? Dat klopt.–De tweede. In het volgende halfjaarbericht politie gaat de Minister inop de vragen van mevrouw Michon-Derkzen en de heer Van Nispenover de samenwerking van de opleidingen tot boa met de politie.Is dat goed genoteerd? Dat is het geval.–Dan de derde toezegging. In het volgende halfjaarbericht ondermijninggaat de Minister in op de stand van zaken inzake lachgas.Klopt dat? Het gaat om afval inzake lachgas. Dan gaan we dat zo goednoteren.Dat zijn de toezeggingen die vandaag zijn gedaan. Daarmee is een eindegekomen aan deze beraadslaging. De stemmingen over het wetsvoorstelen de ingediende moties vinden aanstaande dinsdag 28 januari plaats. Alser verder geen op- of aanmerkingen zijn, sluit ik dit wetgevingsoverleg. Ikdank u hartelijk.Sluiting 16.37 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 395, nr. 2148
Gerelateerde bronnen
- Wijziging van de Politiewet 2012 in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporingsambtenaren (Kamerstuk 36 395)
Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 23 januari 2025, over wijziging van de Politiewet 2012 in verband met een delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur over de bewapening en uitrusting van buitengewoon opsporingsambtenaren (Kamerstuk 36 395)
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.