Motie van de leden Bromet en Podt over pleiten voor vergroten van de ruimte voor ecosysteemdiensten en de landbouwtransitie door de bandbreedte voor inkomenssteun stapsgewijs te verlagen
21 501-32, nr.1780
document · 24 sep 2026 · Tweede Kamer
Geachte Voorzitter, Met deze brief beantwoorden wij de vragen van de leden van de BBB-, CDA-, D66-, JA21-, PRO-, PvdD-, PVV- en VVD-fracties in de Tweede Kamer die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 21 september jl. over de Landbouw- en Visserijraad (hierna: Raad) van 28 en 29 september 2026. IVragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026 en van het BNC-fiche over het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem. Deze leden zien dat Europa keuzes maakt die bepalend zijn voor de gezondheid van mensen, de kwaliteit van bodem, water en natuur en het toekomstperspectief van boeren en vissers. Zij zijn ervan overtuigd dat vereenvoudiging en een hoog beschermingsniveau hand in hand kunnen gaan, en dat Nederland daarin het voortouw kan nemen. Zij hebben nog enkele vragen. De leden van de D66-fractie constateren dat het Omnibusvoorstel niet op de agenda van deze Raad staat, maar dat op 14 september 2026 in de Anticigroep is gesproken over compromisvoorstellen van het Iers voorzitterschap en dat een raadsakkoord in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) op korte termijn mogelijk is. Deze leden zien dat de Raadspositie op onderdelen een verbetering is ten opzichte van het Commissievoorstel, zoals het behoud van een beperkte goedkeuringstermijn voor reguliere stoffen en een expliciete taak voor de European Food Safety Authority (EFSA) om wetenschappelijke literatuur en monitoringgegevens periodiek te beoordelen. Tegelijkertijd zien zij onderdelen die het beschermingsniveau onder druk zetten, zoals het vrijblijvend maken van uitfaseringsplannen onder artikel 4(7), het schrappen van de eisen uit het Biodiversiteitsverdrag bij het vaststellen van maximumresiduniveaus (MRL’s) en het vergemakkelijken van markttoegang voor nog niet goedgekeurde stoffen die geen biocontrolstof zijn. Kan de staatssecretaris per onderdeel aangeven wat de Nederlandse inzet was, wat daarvan in de tekst is terechtgekomen en wat niet? Waarom verwacht het kabinet dat dit het best haalbare resultaat is? Welke alternatieven, zoals het samen met gelijkgezinde lidstaten vormen van een blokkerende minderheid of het bepleiten van uitstel, zijn overwogen en hoe ziet het krachtenveld eruit? Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel (2026Z19538). De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris bij deze vragen nadrukkelijk af te stemmen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Welke gezondheidsrisico’s ziet de minister van VWS in het voorliggende compromis? Hebben het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) of de Gezondheidsraad hierover geadviseerd? Zo nee, is het kabinet bereid dat advies alsnog te vragen? Hoe wordt geborgd dat nieuwe inzichten over bijvoorbeeld neurodegeneratieve aandoeningen, hormoonverstorende eigenschappen en de cumulatieve effecten van mengsels tijdig leiden tot herbeoordeling, ook bij langere goedkeuringstermijnen? Is het kabinet bereid zich ervoor in te zetten dat de EFSA-monitoring wordt verbonden aan een signaleringssysteem met een verplichting tot opvolging? Wat betekent het compromis voor de bescherming van omwonenden, telers en kinderen? Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. De leden van de D66-fractie zien grote kansen in innovatie. Een groene route voor biologische gewasbescherming helpt boeren aan veilige alternatieven en versterkt de strategische autonomie van Europa. Hoe zet het kabinet zich in voor een snelle toelating van biocontrolstoffen, zonder dat stilzwijgende wederzijdse erkenning de mogelijkheid van Nederland ondermijnt om strengere eisen te stellen? Is het kabinet voornemens gebruik te maken van de mogelijkheid tot afmelding? Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. De leden van de D66-fractie hechten grote waarde aan onafhankelijke wetenschappelijke adviezen als fundament van het visserijbeleid. Gezonde visbestanden zijn de voorwaarde voor een toekomstbestendige visserij en voor vissers die ook over twintig jaar nog kunnen vissen. Deze leden constateren dat de betrouwbaarheid van de adviezen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) in het debat geregeld ter discussie wordt gesteld. Deelt de staatssecretaris de opvatting dat de ICES-adviezen de best beschikbare en meest onafhankelijke wetenschappelijke basis vormen voor het vaststellen van vangstmogelijkheden? Kan hij toelichten hoe deze adviezen tot stand komen en welke kwaliteitsborging en internationale peer review daarop van toepassing zijn? Antwoord De staatssecretaris deelt deze opvatting. De adviezen van ICES worden opgesteld door internationale, onafhankelijke werkgroepen van wetenschappers. Dit kent een vast proces waar een systeem van reviews integraal onderdeel van is. Elke stap in het proces is daarnaast bij te wonen door externe partijen met een status als waarnemer. De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet de sociaaleconomische impact zorgvuldig wil meewegen en dat een voorzorgsbenadering niet automatisch tot reducties moet leiden. Hoe borgt de staatssecretaris dat deze weging niet structureel leidt tot vangstmogelijkheden boven het wetenschappelijk advies? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de dataverzameling en monitoring waarop deze adviezen rusten robuust gefinancierd blijven, mede in het licht van het nieuwe artikel 2b over het reserveren van middelen voor controle, handhaving en dataverzameling? Antwoord De staatssecretaris hecht er waarde aan dat vangstmogelijkheden niet structureel boven het wetenschappelijk advies worden vastgesteld. Dit moet dan ook het uitgangspunt zijn. Tegelijkertijd vindt de staatssecretaris het ook van belang dat in het geval er weinig beschikbare data aanwezig is of er wetenschappelijke onzekerheid heerst over de staat van een bestand, er een zorgvuldige afweging wordt gemaakt over het meewegen van sociaaleconomische belangen. Dit zou mogelijk kunnen worden gemaakt door meer stapsgewijs toe te werken naar de doelstelling van de Maximale Duurzame Opbrengst (Maximum Sustainable Yield, MSY). Daarnaast is de borging van financiering van datacollectie en handhaving onderdeel van de onderhandelingen over de Verordening aangaande de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP). De discussie hierover is nog niet beslecht. Ten aanzien van de sectorale verordening voor het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) steunen de leden van de D66-fractie investeringen in energietransitie, veiligheid en innovatieve vangsttechnieken. Hoe wordt geborgd dat steun voor de aanschaf van nieuwe vaartuigen en de uitzondering op het capaciteitsplafond niet leiden tot een toename van visserijdruk? Hoe wordt het ‘do no significant harm’-principe voor visserijprojecten concreet ingevuld en hoe zorgt het kabinet ervoor dat de verordening volledig aansluit bij het akkoord van de World Trade Organization (WTO) over schadelijke visserijsubsidies? Antwoord In het voorliggende compromisvoorstel voor een sectorale verordening voor steun aan visserij, aquacultuur en maritiem beleid is opgenomen dat steun in principe alleen is toegestaan indien de vangstcapaciteit van het betreffende vlootsegment in balans is met de beschikbare vangstmogelijkheden. Voor vlootsegmenten waarbij de vangstcapaciteit niet in balans is met de beschikbare vangstmogelijkheden is steun alleen toegestaan voor bepaalde verduurzamingsdoelen, zoals veiligheid, energietransitie en het verbeteren van de selectiviteit. Lidstaten moeten in dit geval aantonen dat de economische haalbaarheid van de investering niet afhangt van een toename van vangstmogelijkheden, en er moeten maatregelen genomen zijn om de bestandsniveaus op een duurzaam niveau te brengen. In het deelakkoord van de Raad over het Prestatiekader onder het Meerjarig Financieel Kader 2028-2034 (Kamerstuk 21 501, nr. 2) is overeengekomen dat het ‘do no significant harm’-principe wordt uitgewerkt in een uitvoeringsverordening. Het voorliggende compromisvoorstel voor een deelakkoord op de sectorale verordening voor visserij, aquacultuur en maritiem beleid onder het NRPP bevat de omzetting van het WTO-akkoord over schadelijke visserijsubsidies in EU-regelgeving. De leden van de D66-fractie verwelkomen het actieplan voor het EU-eiwitsysteem. Minder afhankelijkheid van geïmporteerde soja, meer eiwitgewassen van eigen bodem en ruimte voor nieuwe eiwitten zijn goed voor boeren, klimaat en de strategische autonomie van Europa. Hoe zet het kabinet zich in Europees verband in voor snellere en transparantere toelatingsprocedures voor novel foods, zoals precisiefermentatie en kweekvlees? Hoe wordt de Nederlandse ambitie van een 50/50-verhouding tussen plantaardige en dierlijke eiwitten in 2030 verbonden aan het actieplan? En ziet het kabinet in de herziene aanbestedingsrichtlijn, die publieke inkopers ruimte geeft voor duurzaamheid en een eerlijke vergoeding voor boeren, een kans om de vraag naar duurzame Europese eiwitten te versterken? Antwoord Het kabinet steunt de voorstellen van de Europese Commissie (hierna: Commissie) in de Biotech Act I voor wijzigingen in de Algemene levensmiddelenverordening (Verordening (EG) nr. 178/2002) om de risicobeoordelingsprocedures voor biotechnologie te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Zo stelt de Commissie meer consultatie voor voorafgaand aan de behandeling van een dossier en het inkorten van de tijdsstop voor aanvullende informatie van zes naar drie maanden. Deze voorstellen sluiten aan bij de ambitie van het kabinet voor doelmatige en voorspelbare toelatingsprocedures, zoals uitgesproken in de Kabinetsvisie op biotechnologie 2025-2040 (Kamerstuk 2025D16515). Om in 2030 te komen tot een gemiddelde consumptieverhouding van 50% plantaardige en 50% dierlijke eiwitten, wil het kabinet dat de voedselomgeving het voor consumenten makkelijker maakt een gezonde en duurzame keuze te maken. Daarom zet het kabinet in op een groter en diverser aanbod van plantaardige eiwitten. Deze inzet ziet het kabinet ook terug in het plan van de Commissie. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat de consument betrouwbaar wordt voorgelicht. In Nederland gebeurt dit via het Voedingscentrum. Deze inzet juicht het kabinet in Europa ook toe. Het kabinet werkt op dit moment aan een BNC-fiche over de herziene Europese Aanbestedingsrichtlijn. De Kamer wordt hier op een later moment nader over geïnformeerd. Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026. Zij hebben hierover de volgende vragen. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027 De onderhandelingen over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027 zijn inmiddels in een belangrijke fase beland. De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat het nieuwe GLB ruimte blijft bieden aan ondernemerschap, innovatie en verduurzaming. Daarbij moet niet worden voorgeschreven hoe een boer een doel moet bereiken, maar moet het resultaat centraal staan. Hoe zet de minister zich ervoor in dat groene doelen in het toekomstige GLB resultaatgericht en technologieneutraal worden vormgegeven en hoe voorkomt hij dat verdere vergroening leidt tot onnodige regeldruk voor boeren? Antwoord Het belang van ondernemerschap, innovatie en verduurzaming is waar Nederland voor pleit in Europa. De laatste compromistekst van het Iers voorzitterschap biedt meer flexibiliteit aan lidstaten om zelf te bepalen hoe het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) ingericht kan worden. Deze flexibiliteit biedt mogelijkheden om het GLB in Nederland beter aan te sluiten bij nationale en regionale uitdagingen. Daarbij wordt ingezet op een gezamenlijke Europese ambitie op groene doelen met ruimte voor de lidstaten hoe deze doelen gehaald kunnen worden. Dit moet leiden tot vereenvoudiging en een doelgerichte aanpak die beter past bij de Nederlandse ambities. De leden van VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor het verdienvermogen en de productiecapaciteit van de Europese landbouw. Bij de verdere vergroening van het GLB moet voldoende rekening worden gehouden met de marktvraag en de positie van Europese boeren op de wereldmarkt. Voedselzekerheid en het behoud van Europese productiecapaciteit moeten daarbij een duidelijke plek krijgen. Welke inzet pleegt de minister hierop in de verdere onderhandelingen? Kan hij aangeven welke Nederlandse prioriteiten hij op dit moment het zwaarst laat meewegen? Nederland heeft in deze fase nog invloed op de uitkomst van de onderhandelingen. De VVD-fractie wil daarom weten op welke punten Nederland nog wijzigingen probeert aan te brengen voordat de lidstaten tot een gezamenlijk akkoord komen. Antwoord Voedselzekerheid en het op lange termijn behouden van de Europese productiecapaciteit is een belangrijke prioriteit voor ons. De afgelopen droge zomer heeft in veel Europese landen laten zien dat hiervoor aanpassingen in de bestaande aanpak noodzakelijk zijn. Het toekomstige GLB proberen wij meer te richten op de lange termijn weerbaarheid van de sector, juist ook om de voedselproductie te waarborgen. Zo pleit Nederland bijvoorbeeld voor ruimte voor meer doelgerichte GLB-instrumenten die bijdragen aan het versterken van het concurrentievermogen, verduurzaming (waaronder bijvoorbeeld aanpassingen aan het veranderen van het klimaat) en het verdienvermogen. Dit doen wij door een aantal oplossingen voor te stellen die het gemakkelijker maken voor lidstaten om te kiezen voor meer doelgerichte instrumenten en daarbij meer gezamenlijke ambitie hiervoor op Europees niveau af te spreken. Verder pleit Nederland voor het vrijwillig maken en beperken van het gekoppelde steuninstrument om de marktoriëntatie van het GLB te beschermen. Marktsituatie en Actieplan Meststoffen Boeren worden geconfronteerd met hogere kosten voor energie en meststoffen en met onzekerheden als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen en extreem weer. De Europese Unie stelt 540 miljoen euro beschikbaar voor boeren die hierdoor worden geraakt. Voor Nederland gaat het om 14,9 miljoen euro. De leden van VVD-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde inzet van deze middelen via een toeslag op de GLB-basisinkomenssteun, gekoppeld aan het aantal hectares. Dit is een relatief eenvoudige manier om boeren tegemoet te komen zonder nieuwe administratieve lasten te creëren. Ook voor de langere termijn is voldoende beschikbaarheid van betaalbare meststoffen van belang. De Europese Unie is op dit moment voor een deel afhankelijk van import uit derde landen. De leden van VVD-fractie vinden het daarom belangrijk dat de Europese productie van meststoffen wordt versterkt om afhankelijkheid verder te beperken. Welke inzet pleegt de minister binnen het Actieplan Meststoffen om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen te verbeteren en hoe kijkt hij aan tegen het versterken van de Europese productiecapaciteit? Antwoord Het kabinet is positief over het voorstel van de Commissie om de beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen te verbeteren en de strategische autonomie van de Europese Unie te vergroten. Daarbij onderschrijft het kabinet ook het belang van het ondersteunen van de kunstmestsector. Ook ziet het kabinet Renure als een belangrijk instrument om de afhankelijkheid van meststoffen van buiten de EU te verminderen. Daarnaast zal het kabinet zich op EU-niveau inzetten om onder andere de strategische afhankelijkheid van kunstmest aan te pakken. De komende periode gaat de staatssecretaris met Europese partners in gesprek om onder meer strategische afhankelijkheden van veevoeders en kunstmest en mogelijke handelingsopties in beeld te brengen tegen de achtergrond van de voedselzekerheidsagenda. Deze inzichten zullen worden benut voor de invulling daarvan. De leden van VVD-fractie zien daarnaast kansen voor circulaire alternatieven zoals RENURE. Door nutriënten uit dierlijke mest beter te benutten kan de afhankelijkheid van kunstmest worden verminderd. Welke mogelijkheden ziet de minister om de toepassing van RENURE verder op te schalen? Welke Europese belemmeringen staan dit op dit moment nog in de weg en welke inzet pleegt Nederland om deze weg te nemen? Antwoord Op 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werking getreden en op 12 juni jl. is de nationale regeling voor het gebruik van Renure-meststoffen in werking getreden. Sinds het begin van de zomer is het daarom mogelijk voor agrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof per hectare aan te wenden met goedgekeurde Renure-meststoffen bovenop de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest (en passend binnen de totale stikstofgebruiksnorm). Om de productie van Renure te stimuleren staat de Regeling Hoogwaardige Mestverwerking voor grootschalige installaties voor mestverwaarding tot Renure-producten tot midden oktober open en wordt gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten van installaties op veehouderijbedrijven. Het kabinet zet zich daarnaast in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen van de Europese Commissie is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat aangekondigd. Ik steun daarbij het zorgvuldige proces dat de Commissie heeft voorgesteld om de mogelijkheden voor het uitbreiden van Renure naar digestaat te onderzoeken. Het is van belang om bij de mogelijke uitbreiding naar digestaat de milieueffecten in ogenschouw te nemen, met name ammoniakemissies naar de lucht en de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater. Vangstmogelijkheden 2027 Voor de Nederlandse visserij zijn de onderhandelingen over de vangstmogelijkheden voor 2027 van groot belang. De leden van VVD-fractie steunen de inzet van de staatssecretaris voor eerlijke verdelingsakkoorden met andere kuststaten, waarbij het bestaande aandeel van de Europese Unie wordt beschermd. Hoe zet de staatssecretaris zich hiervoor in bij de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen? Welke uitgangspositie heeft Nederland hierbij? Antwoord Voor het vaststellen van de hoogte van de vangstmogelijkheden is voor Nederland de uitgangspositie dat dit wordt gedaan in lijn met de beginselen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. Dit betekent dat Nederland voorstander is van het vaststellen van de vangstmogelijkheden in lijn met de Maximale Duurzame Opbrengst (Maximum Sustainable Yield, MSY) en dat het voorzorgsprincipe wordt toegepast bij data-arme bestanden en waar mogelijk wordt gekeken naar maatwerk. Verder pleit Nederland nadrukkelijk voor het meewegen van de sociaaleconomische impact, bijvoorbeeld door het streven naar meer voorspelbaarheid en stabiliteit in de vangstmogelijkheden. Voor de verdeling tussen lidstaten en derde landen, zoals het Verenigd Koningrijk en Noorwegen, is de Nederlandse uitgangspositie dat de historische verdelingsarrangementen uitgangspunt dienen te zijn. Dit draagt bij aan duurzaam bestandsbeheer en stabiliteit voor de visserijondernemingen. De leden van VVD-fractie willen daarnaast voorkomen dat de positie van Nederlandse vissers binnen de Europese verdeling verder onder druk komt te staan. In dat verband vragen deze leden specifiek aandacht voor de Haagse Preferenties. Welke inzet pleegt Nederland samen met andere lidstaten om te voorkomen dat Ierland via de Haagse Preferenties extra quota krijgt en dit ten koste gaat van Nederlandse vangstmogelijkheden? Welke lidstaten trekken hierin met Nederland op? Antwoord Nederland heeft zich altijd uitgesproken tegen het inroepen van de Haagse preferenties, omdat dit in strijd is met de afgesproken relatieve stabiliteit van de verdeling van vangstmogelijkheden. Op dit moment zijn nog niet alle vangstadviezen gepubliceerd. De staatssecretaris wil eventuele voorstellen voor toepassing van de Haagse preferenties beoordelen in samenhang met de vangstadviezen en de sociaaleconomische impact en op basis daarvan het gesprek aangaan met de andere lidstaten en het Iers voorzitterschap, zoals hij ook in de geannoteerde agenda heeft aangegeven (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1834). Franse 12-mijlszone De Franse regering heeft een consultatie gestart met het oog op een beperking van de visserij door schepen van 25 meter en langer binnen de Franse 12-mijlszone. Voor Nederlandse vissers zijn hierbij de historische toegangsrechten in het Kanaal van belang. De leden van VVD-fractie vinden het belangrijk dat dergelijke rechten niet zomaar ter discussie worden gesteld en dat maatregelen worden gebaseerd op de daadwerkelijke gevolgen voor visbestanden en visserij, en niet uitsluitend op de omvang van een schip. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de Franse plannen en welke inzet pleegt hij om de Nederlandse belangen en bestaande toegangsrechten te beschermen? Is hij bereid zich er in Europees verband voor in te zetten dat de voorgestelde beperking niet wordt overgenomen? Antwoord De staatssecretaris weet dat in Frankrijk een beperking van de visserij door schepen van 25 meter en langer binnen de Franse 12-mijlszone onderwerp van gesprek is. Voor zover de staatssecretaris bekend is, is er geen consultatie met lidstaten gestart met het oog op een eventuele beperking van de visserij door schepen van 25 meter en langer binnen de Franse 12-mijlszone en hij kan dit op dit moment dan ook niet beoordelen. Ten algemene vindt de Staatssecretaris het belangrijk dat dit plaatsvindt op basis van een wetenschappelijke onderbouwing en onder andere rekening wordt gehouden met historische rechten bij dergelijke besluiten. Europese financiering visserij en aquacultuur De Europese financiering voor de periode 2028–2034 moeten volgens de leden van VVD-fractie ruimte bieden aan een toekomstbestendige visserijsector. Investeringen in verduurzaming, modernisering en de energietransitie zijn daarvoor noodzakelijk. Deze leden vinden het belangrijk dat het capaciteitsplafond dergelijke investeringen niet onnodig belemmert. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij zich hiervoor inzet in de onderhandelingen over de toekomstige financiering? Ook de voorwaarden voor investeringssteun verdienen aandacht. Ondernemers moeten voldoende ruimte houden om te investeren in de toekomst van hun bedrijf en de vloot. Welke inzet pleegt Nederland om ervoor te zorgen dat de voorwaarden voor investeringssteun voldoende ruimte bieden voor dergelijke investeringen? Antwoord Nederland heeft zich in alle relevante gremia ingezet voor steunmogelijkheden voor verduurzaming, modernisering en de energietransitie van de visserijsector, in lijn met het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4145, fiche 4). In Nederland is het zogenoemde capaciteitsplafond vooralsnog niet knellend voor de beoogde beleidsdoelstellingen ten aanzien van energie-efficiëntie en modernisering. EMFAF Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor de resterende middelen binnen het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF). Vanuit dit fonds is eerder een steunregeling voor de hoge brandstofkosten van de visserij gefinancierd. Hoeveel middelen zijn op dit moment nog beschikbaar binnen het EMFAF? Welke mogelijkheden zijn er om deze middelen in te zetten voor de Nederlandse visserijsector? Kan de staatssecretaris daarbij specifiek ingaan op de mogelijkheid om de bestaande regeling voor de hoge brandstofkosten te verlengen? Zo ja, welke voorwaarden gelden hiervoor? Antwoord Alle middelen vanuit het EMFAF zijn reeds gealloceerd. Van 16 oktober tot en met 30 oktober 2026 wordt de subsidieregeling 'Steun voor hogere bedrijfskosten' onder het EMFAF voor de tweede keer opengesteld. Door middel van deze regeling kunnen vissers steun ontvangen voor de hoge brandstofkosten die zij hebben gemaakt tussen 1 juli en 30 september 2026. Tussen 20 augustus en 3 september 2026 stond de eerste openstelling van deze regeling open, die zag op de periode 1 maart tot en met 30 juni 2026. Daarmee vormen deze regelingen een overbrugging tot aan de openstelling van de regeling 'Minder energieverbruik in de visserij' die op 28 september 2026 zal worden opengesteld. Een verlenging van de subsidieregeling 'Steun voor hogere bedrijfskosten' is momenteel niet voorzien. Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de relevante stukken voor de Landbouw- en Visserijraad. Zij zullen hun opmerkingen per onderwerp uiteenzetten. Omnibus Food & Feed De leden van de PRO-fractie uiten wederom hun zorgen over de Omnibus Food & Feed. De bescherming van onze gezondheid, ons water en het milieu staat op het spel als de regels voor gevaarlijke stoffen en pesticidegebruik worden afgebroken. De leden van de PRO-fractie willen inzage in het meest recente compromisvoorstel voor de Omnibus Food & Feed en vragen om een duidelijk kabinetsstandpunt. Hoe zijn de aangenomen Kamermoties en de inzichten van de wetenschapstoets afgewogen bij dit standpunt? Kan de regering garanderen dat zij niet in zal stemmen met een voorstel zolang er geen gedegen impact assessment is gedaan en blijkt dat publieke belangen niet in het geding komen? Deze leden zijn niet overtuigd dat deze onderbouwing er ligt. Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. De leden van de PRO-fractie herinneren de minister aan de uitgesproken wens van de Kamer om zich uit te kunnen spreken over het kabinetsstandpunt over de Omnibus Food & Feed. Op welke termijn verwacht de regering een stemming (op ambtelijk niveau) over het voorstel? Hoe zet hij het parlement in positie om hier een oordeel over te vellen? Als er een stemming wordt gepland, nog voordat de Kamer zich heeft uitgesproken, is de minister dan bereid een voorbehoud te maken totdat een debat heeft plaats kunnen vinden over het compromisvoorstel? De leden van de PRO-fractie benadrukken dat dit de wens van de Kamer is en terughoudendheid past bij een kabinet dat rust op steun van een minderheidscoalitie. Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. GLB De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang op de onderhandelingen over het GLB. Voor het is het uitgangspunt altijd dat publiek geld ten goede komt van publieke doelen. De financiering van landbouwactiviteiten moet de sector verduurzamen, bijdragen aan natuurherstel en een eerlijk verdienvermogen voor biologische boerenbedrijven stimuleren. Op deze voorwaarden zullen deze leden de uitkomst van de onderhandelingen beoordelen. Kan de minister uitleggen hoe de aanpassingen van het GLB op deze drie punten een verschil maken? Kan de minister hard maken dat dit in positieve zin bijdraagt? Antwoord Wij pleiten binnen Europa voor voldoende gezamenlijke ambitie op groene doelen en zetten in op het versterken van verschillende regelingen en instrumenten die bijdragen aan het verduurzamen van de sector. Het verdienvermogen voor biologische boerenbedrijven is daarbij van belang. Het kabinet zet zich daarom in voor voldoende GLB-instrumenten die ook biologische boeren kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld via de eco-regeling, investeringsregelingen of het nieuwe transitie-instrument binnen het GLB. De GLB-instrumenten in de verordening bieden hiervoor op dit moment een goede basis en het is straks aan lidstaat Nederland om te bepalen met welke GLB-instrumenten en op welke manier de sector, inclusief de biologische landbouwers, het beste ondersteund kan worden. In de onderhandelingen pleit het kabinet voor meer gezamenlijke ambitie op Europees niveau op het niveau van de doelen zoals klimaat, biodiversiteit en jonge boeren met daarbij voldoende flexibiliteit voor lidstaten om zelf de beste instrumenten te kiezen om deze doelen te halen. De leden van de PRO-fractie spreken waardering uit voor de inzet op het oormerken van GLB-middelen voor artikel 10-maatregelen. Hiermee verzekert de minister dat publieke middelen worden ingezet voor bewezen effectieve eco-regelingen. Zij vragen de minister om nader toe te lichten hoe de Raad hier in de afgelopen periode is verschoven naar het Nederlandse standpunt. In hoeverre wijkt het meerderheidsstandpunt af van de originele Nederlandse inzet? Is er nog ruimte om verder te onderhandelen? Antwoord Afgelopen periode hebben verschillende lidstaten zich uitgesproken voor het belang van de gemeenschappelijke groene doelen. Hier lijkt dan ook meer steun voor te ontstaan. Verschillende lidstaten zijn positief over de bestaande eco-regelingen en willen deze behouden. Nederland is verder actief opzoek naar steun bij lidstaten voor oplossingen voor het stimuleren van groene maatregelen, zoals het geleidelijk verlagen van de gehele DABIS-bandbreedte of andere positieve prikkels om de inzet van doelgerichte instrumenten aantrekkelijker te maken. We zien dat verschillende lidstaten deze denkrichtingen delen. In die zin is er ruimte om verder te onderhandelen. Het toevoegen van nieuwe elementen aan de onderhandeling lijkt niet meer opportuun. Daarnaast blijven lidstaten bezorgd over het budget en voor sommige lidstaten blijft de traditionele inkomenssteun een belangrijke prioriteit voor het behoud van agrarische activiteit in het landelijk gebied. Om verdere steun te krijgen zal elke aanpassing hier ook rekening mee moeten houden. Visserij De leden van de PRO-fractie hebben gelezen dat de staatssecretaris een onderzoek naar de standen van de bruinvis en de grijze zeehond heeft tegengesproken. Dit vinden deze leden opmerkelijk. Zij vragen de staatssecretaris om volledig en wetenschappelijk onderbouwd toe te lichten op welke gronden hij het oneens is met de wetenschappers van Wageningen University & Research (WUR) over de status van de bruinvis en de grijze zeehond. Deelt de staatssecretaris de mening dat afwijken van wetenschappelijke inzichten, zonder waterdichte weerlegging van de feiten, afbreuk doet aan de onafhankelijke positie van de wetenschappers? Wat zijn de gevolgen van dit verschil in inzicht? Heeft de staatssecretaris de ruimte om het oordeel dat hij heeft overgebracht aan de Europese Commissie (EC) over de status van deze diersoorten nog te herzien of aan te vullen als hij het door haar gecommuniceerde oordeel niet voldoende kan onderbouwen? Welke gevolgen heeft het voor de bescherming van de bruinvis en de grijze zeehond dat de staatssecretaris, tegen het WUR-advies in, een positiever beeld schetst over hun status dan de wetenschappers kunnen hardmaken? De leden van de PRO-fractie wijzen er op dat de staatssecretaris zelf het WUR-advies heeft aangevraagd. Waarom wijkt hij dan af van de uitkomsten daarvan? Antwoord Voor de Habitatrichtlijn Rapportages is Wageningen University & Research gevraagd om een adviesrapport te schrijven. In dit rapport wordt er op alle facetten van de Staat van Instandhouding van soorten (SvI) geadviseerd. De SvI bestaat voor soorten uit vier parameters: verspreidingsgebied, populatieomvang, leefgebied en toekomstperspectief. Deze vier parameters bestaan elk ook weer uit een aantal sub-parameters. Voor verreweg het grootste gedeelte is het advies van de WUR rechtstreeks overgenomen. De minister is echter afgeweken van het advies voor de sub-parameter “oppervlakte leefgebied” voor de grijze zeehond. Er werd gesteld dat de oppervlakte van het leefgebied “onvoldoende” zou zijn. Er heeft sinds de vorige rapportage in 2019 echter geen afname in de oppervlakte van het leefgebied plaatsgevonden. Daarnaast is de populatie grijze zeehonden in de afgelopen rapportageperiode ruimschoots verdubbeld. Hieruit blijkt dat de oppervlakte van het leefgebied voor deze soort voldoende is om zo’n verdubbeling aan te kunnen. Voor de bruinvis wijkt de minister af van de sub-parameter “kwaliteit leefgebied”. Hierbij werd door de onderzoekers geadviseerd om “onvoldoende” te rapporteren. Voor de KRM-rapportage in 2025 werd echter door dezelfde onderzoekers van WUR dezelfde parameter “kwaliteit leefgebied” gerapporteerd als “onbekend”. Ook in dit geval vindt de minister het belangrijk om als Nederland consistent te zijn in onze rapportages naar de EU. Deze beoordeling, die in hetzelfde jaar plaatsvond, is ook als “onbekend” gerapporteerd voor de HR-rapportage. Voor het “toekomstperspectief van leefgebied” noemde de WUR drukfactoren die al langer bekend zijn en ook al in beeld waren bij de HR-rapportage in 2019. Het was voor de minister onduidelijk waarom met dezelfde factoren deze parameter nu “onvoldoende” zou zijn, ten opzichte van “gunstig” in 2019. Er is wel begrip voor het feit dat er veel onzekerheden zijn waar we nog niet genoeg vanaf weten. Daarom is het toekomstperspectief als “onbekend” gerapporteerd. Daar waar wordt afgeweken heeft de minister dat op een zorgvuldige en overwogen manier gedaan. Een deel van het oordeel is niet gebaseerd op onderzoek maar op deskundigenoordeel, waarbij experts soms tot verschillende interpretaties komen op basis van dezelfde gegevens. De rapportage van de staat van instandhouding is een verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid. Het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) verleent de opdrachten aan wetenschappers om dergelijke adviezen op te stellen zodat deze rapportages goed geïnformeerd kunnen worden ingevuld. LVVN heeft de ruimte om de adviezen te interpreteren op basis van de gepresenteerde data en is verantwoordelijk voor de uiteindelijke rapportage. Daarnaast wordt het rapport van WUR ook los van de HR-rapportage gepubliceerd. Hierbij worden geen wijzigingen doorgevoerd en dit doet dan ook geen afbreuk aan de onafhankelijke positie van de wetenschappers. Dit heeft verder ook geen gevolgen voor de bescherming van de bruinvis en de grijze zeehond; deze blijft gelijk. Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie Algemeen De leden van de fractie van de PVV spreken hun grote zorgen uit over de aanhoudende stroom aan Europese regelgeving, bureaucratie en klimaatdogma's die over de Nederlandse boeren, tuinders en vissers wordt uitgestort. In plaats van de voedselzekerheid en het verdienvermogen van onze agrarische sector centraal te stellen, lijken de voorstellen vanuit de EU nog steeds doordrenkt van duurzaamheidsdoelstellingen en betuttelende voorschriften. De leden van de PVV-fractie benadrukken dat Nederlandse boeren en vissers tot de meest efficiënte en innovatieve ter wereld horen en dat zij beschermd moeten worden tegen doorgeslagen Europese bemoeizucht. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister van LVVN kan toelichten hoe de Nederlandse inzet in Brussel borgt dat het verdienvermogen van Nederlandse boeren en vissers niet verder onder druk komt te staan door Europese eisen. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister bereid is om in de Raad van de Europese Unie krachtig positie te nemen tegen elke vorm van extra regeldruk en administratieve lasten die voortvloeit uit Europese initiatieven. Antwoord Het kabinet zet in op het verminderen van regeldruk en administratieve lasten, het verbeteren van uitvoerbaarheid en effectiviteit van beleid in de praktijk en vereenvoudiging van regelgeving. De Omnibusvoorstellen van de Commissie hebben als primair doel om vereenvoudiging van Europese wetgeving tot stand te brengen. Het kabinet staat hier in beginsel positief tegenover. Daarbij is het van belang dat vereenvoudigingsvoorstellen niet zullen leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu, en zullen bijdragen aan maatschappelijke opgaven. Het kabinet vindt het belangrijk dat de Omnibusvoorstellen van de Commissie gepaard gaan met een degelijke impactassessment. Het kabinet pleit hier bij de Commissie voor, ook bij de Omnibusvoorstellen. Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 28 en 29 september 2026 De leden van de PVV-fractie constateren dat het Iers voorzitterschap koerst op een gedeeltelijke algemene oriëntatie over de verordening voor het toekomstige GLB in oktober 2026. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de minister garandeert dat de flexibiliteit en subsidiariteit binnen het GLB daadwerkelijk leiden tot minder bureaucratie op het boerenerf en niet tot een verkapte herintroductie van strenge Europese milieuvoorwaarden. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister bereid is om strikt vast te houden aan het principe dat GLB-gelden in de eerste plaats bedoeld zijn als inkomenssteun en marktondersteuning voor boeren, en niet voor het financieren van ideologische klimaat- en natuurprojecten. Antwoord Door meer flexibiliteit en subsidiariteit in de Europese regelgeving op te nemen ontstaan meer mogelijkheden om de bureaucratie op het boerenerf in Nederland te verminderen. In de uitwerking van het GLB, die in een latere fase plaatsvindt, heeft het verlagen van de administratieve lasten de nadrukkelijke aandacht van het kabinet. Het toekomstige GLB moet wat het kabinet betreft primair investeren in de lange termijn weerbaarheid en het concurrentievermogen van de agrarische sector, met oog voor een toekomstbestendige landbouw. Verdienvermogen en verduurzaming hoort daarbij en gaan niet zonder elkaar. Marktsituatie, in het bijzonder na de invasie van Oekraïne De leden van de PVV-fractie nemen kennis van de marktsituatie en het Europese steunpakket van 540 miljoen euro uit de landbouwreserve naar aanleiding van het Actieplan Meststoffen, waarvan 14,895 miljoen euro is toegewezen aan Nederland. Het kabinet stelt voor om deze steun als een top-up op de basisinkomenssteun uit te keren aan grondgebonden landbouwers (Kamerstuk 21501-32, nr. 1834). De leden van de PVV-fractie vragen of de minister kan onderbouwen waarom gekozen is voor een top-up op de basisinkomenssteun van grondgebonden landbouwers en in hoeverre niet-grondgebonden sectoren die eveneens hard getroffen zijn door hoge energie- en grondstofprijzen hiermee buiten spel worden gezet. Antwoord De Commissie heeft het steunpakket beschikbaar gesteld onder de voorwaarde dat landbouwers worden gesteund die getroffen zijn door de gestegen (kunst)mestprijzen en/of de gestegen brandstofprijzen voor landbouwmachines (diesel). Dit heeft betrekking op landbouwers in de grondgebonden sectoren. De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de minister borgt dat de uitkering van deze middelen uiterlijk op 28 februari 2027 plaatsvindt zonder dat Nederlandse agrariërs worden geconfronteerd met ingewikkelde aanvraagprocedures of vertragingen door uitvoeringsorganisaties. Antwoord Door te kiezen voor een top-up bij de basisinkomenssteun van het GLB wordt voorkomen dat een aparte aanvraag- en beoordelingsprocedure nodig is. Alle ontvangers van basisinkomenssteun in 2026 zullen deze extra betaling ontvangen. LVVN en RVO treffen daarvoor op dit moment de voorbereidingen. De leden van de PVV-fractie vragen welke concrete stappen het kabinet zet in Europees verband om de verstoringen op de Europese markt door importen uit Oekraïne tegen te gaan en de Nederlandse producenten te beschermen. Antwoord Met de aanpassing van het Deep and Comprehensive Free Trade Agreement (DCFTA) met Oekraïne vorig jaar is de mogelijkheid opgenomen om eventueel eenzijdig vrijwaringsmaatregelen te nemen bij ernstige marktverstoring als gevolg van plotseling toegenomen import uit Oekraïne. Dit kan ook het geval zijn bij marktverstoring in één of enkele lidstaten. De Commissie monitort de importdata en vooralsnog lijkt hiervan geen sprake. Visserij: Onderhandelingen vangstmogelijkheden 2027 en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over de moeizame visserijonderhandelingen met derde landen zoals het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen. Verder zijn de leden van de PVV-fractie ontstemd over de dreigende inzet van de zogeheten Haagse preferenties door Ierland, wat zou leiden tot een oneerlijke herverdeling van visquota ten nadele van Nederlandse vissers. De leden van de PVV-fractie vragen of de staatssecretaris van LVVN kan garanderen dat Nederland zich onvoorwaardelijk blijft verzetten tegen het inroepen van de Haagse preferenties door Ierland, en welke bondgenoten Nederland heeft verzameld om dit tegen te houden. Antwoord Zoals de staatssecretaris in de geannoteerde agenda heeft aangegeven, heeft Nederland zich altijd uitgesproken tegen het inroepen van de Haagse preferenties, omdat dit in strijd is met de afgesproken relatieve stabiliteit van de verdeling van vangstmogelijkheden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1834). Op dit moment zijn nog niet alle vangstadviezen gepubliceerd. De staatssecretaris wil eventuele voorstellen voor toepassing van de Haagse preferenties beoordelen in samenhang met de vangstadviezen en de sociaaleconomische impact en op basis daarvan het gesprek aangaan met de andere lidstaten en het Iers voorzitterschap. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de staatssecretaris duidt dat het wetenschappelijk advies van ICES voor Noordzeetong een stijging van 98 procent laat zien, terwijl voor het oostelijke deel van het Kanaal een daling van 87 procent wordt geadviseerd, en wat de sociaaleconomische gevolgen hiervan zijn voor de Nederlandse kottervisserij. Antwoord Op dit moment is niet te duiden wat de oorzaak is van de sterke verlaging van het advies voor tong in het oostelijke deel van het Kanaal. Van oudsher vist vooral de Belgische kottervloot op tong in het oostelijke deel van het Kanaal. Nederlandse vissers hebben hier een minder groot belang. De Nederlandse tongvisserij is voornamelijk afhankelijk van de Noordzeetong waar een grote stijging van het advies is te zien ten opzichte van vorig jaar. De sociaaleconomische gevolgen van de daling van het advies voor tong in het oostelijk deel van het Kanaal zijn dan ook beperkt. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet een wijziging van de verordening inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) niet noodzakelijk acht, terwijl Nederlandse vissers dringend behoefte hebben aan ruimere ondersteuning voor vlootmodernisering en verduurzaming zonder belemmerende Europese voorwaarden. Antwoord Nederland heeft reeds een bestemming voor de middelen onder het EMFAF. Daarnaast zullen de onderhandelingen over het voorstel van de Commissie nog wel een aantal maanden duren. Tot die tijd kunnen lidstaten nog geen subsidieregelingen openstellen onder artikelen die al dan niet worden gewijzigd. Met het oog op het fonds dat eind 2027 afloopt, heeft Nederland besloten om in te zetten op de besteding van de middelen zoals deze momenteel zijn geprogrammeerd in het EMFAF-programma. Hierin zijn onder meer investeringsregelingen, innovatieregelingen en steunmaatregelen voorzien voor de visserijsector. Voor investeringen aan boord van vissersvaartuigen verwijst de staatssecretaris ook naar de nationale subsidieregeling 'Minder energieverbruik in de visserij' die op 28 september 2026 opengesteld wordt. Met deze regeling kunnen visserijondernemers investeren in hun vissersvaartuig, zodat dit minder brandstof of energie verbruikt. Gedeeltelijke algemene oriëntatie sectorale verordening Meerjarig Financieel Kader De leden van de PVV-fractie nemen kennis van het voorstel voor de sectorale verordening onder het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028-2034 inzake visserij en het Nationaal-Regionaal Partnerschapsplan (NRPP). De leden van de PVV-fractie vragen of de staatssecretaris kan toelichten waarom steun voor de aanschaf van nieuwe vissersvaartuigen groter dan 30 meter uitsluitend via financiële instrumenten zoals leningen mag lopen, en of dit de concurrentiepositie van grotere Nederlandse schepen niet onevenredig benadeelt. De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de staatssecretaris zal voorkomen dat het vervallen van maximale steunpercentages leidt tot een ongelijk speelveld binnen de EU waarbij andere lidstaten hun eigen visserijsector massaal gaan subsidiëren. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de staatssecretaris borgt dat de voorgestelde uitzondering op het capaciteitsplafond voor energietransitie en veiligheid aan boord in de praktijk werkbaar is en niet door Europese regelgeving wordt gecastreerd. Antwoord In het meest recente compromis van het voorzitterschap is opgenomen dat steun voor nieuwbouw van vaartuigen groter dan 30 meter alleen via financiële instrumenten mag verlopen, behalve in het geval van midden- en kleinbedrijf. De reden hiervoor is dat verschillende lidstaten en de Commissie subsidiering van grote bedrijven zien als minder goede benutting van belastinggeld. Naar verwachting zal het geoormerkte budget voor visserij worden beperkt. Daarom acht de staatssecretaris het risico op grootschalige subsidiering door andere lidstaten niet zo groot. Ministeriële lunch over het Actieplan Meststoffen De leden van de PVV-fractie steunen het streven naar strategische autonomie voor kunstmest en nutriënten in Europa, maar benadrukken dat het Nederlandse kunstmestvervangingspotentieel eindelijk volledig benut moet kunnen worden zonder belemmerende EU-regels. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister tijdens de lunchbijeenkomst ondubbelzinnig de snelle en volledige toelating van RENURE-producten als kunstmestvervangers zal eisen bij de EC. Antwoord Op 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werking getreden en op 12 juni jl. is de nationale regeling voor het gebruik van Renure-meststoffen in werking getreden. Sinds het begin van de zomer is het daarom mogelijk voor agrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof per hectare aan te wenden met goedgekeurde Renure-meststoffen bovenop de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest (en passend binnen de totale stikstofgebruiksnorm). Daarnaast heeft de Commissie in haar Actieplan Meststoffen aangekondigd een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat te zullen onderzoeken. Mochten vormen van digestaat worden toegestaan als Renure-meststof dan kan dit de vraag naar stikstofkunstmest verminderen. De minister deelt het beeld van Renure-technologie en circulaire mestverwerking als een belangrijk instrument om de Nederlandse landbouw minder afhankelijk te maken van kunstmest. Hij vindt het daarbij wel van belang om bij de mogelijke uitbreiding naar digestaat de milieueffecten in ogenschouw te nemen, met name ammoniakemissies naar de lucht en de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater. Het is daarom belangrijk een goed beeld te hebben van de eventuele risico’s van de uitbreiding van Renure naar digestaat. De minister steunt het zorgvuldige proces dat de Commissie heeft voorgesteld. Fiche: Mededeling Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen De leden van de PVV-fractie ondersteunen de verfijning en vermindering van dierproeven waar betrouwbare alternatieven voorhanden zijn. Echter waarschuwen de leden van de PVV-fractie voor doorgeslagen Europese regelzucht, het oprichten van nieuwe EU-overlegorganen zoals een Roadmap Steering Team, en de risico's voor de concurrentiepositie van de Nederlandse chemie-, gewasbeschermings- en farmaceutische sector. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister kan garanderen dat het uitfaseren van dierproeven onder geen beding zal leiden tot het verbieden van essentiële stoffen of gewasbeschermingsmiddelen zolang er geen volwaardige proefdiervrije testmethoden juridisch en wetenschappelijk zijn geaccepteerd. Antwoord De routekaart richt zich op het uitfaseren van dierproeven voor de veiligheidsbeoordeling van chemische stoffen. Deze kunnen pas uitgefaseerd worden zodra daar gevalideerde en geaccepteerde proefdiervrije methoden voor bestaan. De routekaart gaat daarmee over het proefdiervrij beoordelen van chemische stoffen, niet over het verbieden van stoffen. Het verbieden van stoffen, los van of die beoordeling is gebaseerd op dierproeven of proefdiervrije methoden, is aan de diverse beoordelingsautoriteiten, zoals het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), ECHA en EFSA. Een nieuw EU-overlegorgaan, het Roadmap Steering Team, biedt vooral kansen voor Nederlandse deelname en invloed op de implementatie van de routekaart. Dit borgt de inbreng van vooruitstrevende Nederlandse initiatieven uit de wetenschap en het bedrijfsleven op dit terrein. Deelname biedt dus vooral kansen om de doelstellingen van Nederland op het gebied van de transitie naar proefdiervrije innovatie in Europa onder de aandacht te brengen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe het kabinet voorkomt dat de introductie van nieuwe Europese governance-structuren en rapportage-indicatoren leidt tot extra administratieve lasten en regeldruk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Antwoord Het kabinet benadrukt dat in het Roadmap Steering Team, naast lidstaten, niet-gouvernementele organisaties en wetenschap ook plaats zal zijn voor deelname vanuit het bedrijfsleven. Dit biedt ruimte aan de diverse partijen om invloed uit te oefenen op de implementatie van de routekaart. Ook wordt er binnen de routekaart gewerkt aan harmonisatie van regelgeving bij de verschillende beoordelingsinstanties. Fiche: Actieplan voor het EU-eiwitsysteem (Kamerstuk 2026Z18711) De leden van de PVV-fractie zijn uitermate kritisch op het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem van de Europese Commissie (COM(2026) 355). De leden van de PVV-fractie verzetten zich fel tegen de door de EU en het kabinet gepropageerde eiwittransitie die streeft naar een 50/50-verhouding tussen plantaardige en dierlijke eiwitconsumptie. Dit is betutteling van de burger en een directe aanval op onze gewaardeerde Nederlandse veehouderij en zuivelsector. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet positief staat tegenover een Europese strategie die streeft naar het sturen van consumentengedrag en het terugdringen van dierlijke eiwitconsumptie. Antwoord Het is en blijft aan consumenten zelf om te bepalen wat ze willen eten. Het kabinet vindt het wenselijk dat er meer aandacht komt voor de inrichting van de voedselomgeving, zodat het voor consumenten makkelijker wordt een gezonde en duurzame keuze te maken. Daarom zet het kabinet in op een groter en diverser aanbod van plantaardige eiwitten. Deze inzet ziet het kabinet ook terug in het plan van de Commissie. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat de consument betrouwbaar wordt voorgelicht. In Nederland gebeurt dit via het Voedingscentrum. Deze inzet juicht het kabinet in Europa ook toe. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister kan toelichten waarom er EU-subsidies en Horizon Europa-gelden moeten worden doorgesluisd naar kweekvlees, precisiefermentatie en 'novel foods', terwijl onze eigen traditionele veehouders worden verstikt door regelgeving. Antwoord Europa zet in op een diverser eiwitaanbod ter bevordering van het concurrentievermogen, de duurzaamheid en de weerbaarheid, waarbij de levensvatbaarheid van de Europese veehouderij op lange termijn moet worden geborgd. Horizon Europe-gelden en EU-subsidies worden ingezet ter bevordering van eiwitrijke gewassen en alternatieve eiwitten. Het kabinet steunt deze inzet. Inzet op nieuwe technologieën om deze eiwitten te produceren past daarbij. De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de minister in Brussel zal opkomen voor het behoud van een sterke, hoogwaardige Nederlandse veehouderijsector die niet mag worden opgeofferd aan Europese eiwitideologieën. Antwoord Het kabinet zet zich in Brussel in voor een toekomstbestendige Nederlandse veehouderijsector, met oog voor het verdienvermogen van boeren en een gelijk speelveld binnen Europa. Tegelijkertijd is het belangrijk op Europees niveau de strategische afhankelijkheid van eiwitrijke grondstoffen voor diervoeders uit derde landen te verminderen en de Europese eiwitvoorziening te versterken. Voortgang Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB De leden van de PVV-fractie constateren dat de onderhandelingen over het GLB na 2027 in een beslissende fase komen (Brief van de minister van LVVN van 18 september 2026, Kamerstuk 2026Z19271). De leden van de PVV-fractie wijzen er op dat Nederlandse boeren snakken naar vereenvoudiging, regeldrukverlichting en het schrappen van onhaalbare Europese vergroeningseisen. De leden van de PVV-fractie vragen waarom de minister niet resoluut afstand neemt van verplichte Europese groen- en klimaatdoelen binnen het GLB en kiest voor volledige nationale beleidsvrijheid. Antwoord Conform de motie-Podt/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr.1780) en de motie-Holman (Kamerstuk 36 749, nr. 7) blijft Nederland zich inzetten voor voldoende gezamenlijke Europese ambitie op de groene doelen van het GLB en voor de bescherming van het gelijke speelveld. Voldoende gezamenlijke Europese ambitie op de groene doelen is nodig om het concurrentievermogen en de veerkracht van de Europese landbouwsector op de lange termijn te ondersteunen. Tevens blijven wij ons inzetten voor een vereenvoudiging van het GLB en het beter laten aansluiten van het Europese GLB bij de nationale uitdagingen en regionale verschillen. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister kan toelichten waarom Nederland overweegt in te stemmen met de verplichting om een Europese data-autoriteit op te richten, en hoe dit zich verhoudt tot het voornemen om administratieve lasten te beperken. Antwoord Het verminderen van administratieve lasten is een belangrijke prioriteit voor de Nederlandse inzet in Brussel. Zo blijven wij kritisch op de verplichte nationale data-autoriteit. Daarnaast ondersteunen wij de lange termijn doelstellingen voor het uitwisselen van GLB-data op Europees niveau, maar gezien de te verwachten hoge uitvoeringskosten moet de GLB-verordening geen verplichting bevatten voor lidstaten om een nationale data-autoriteit op te richten. De leden van de PVV-fractie vragen welke concrete resultaten de minister heeft geboekt om te borgen dat agrarische collectieven en individuele agrariërs in Nederland zonder bureaucratische hindernissen aanspraak kunnen maken op GLB-gelden. Antwoord In Europees verband hebben wij ingezet en blijven wij inzetten op het opnemen van agrarische collectieven in definities en bij relevante artikelen in de verordening. Zo blijven agrarische collectieven en individuele agrariërs gewaarborgd als begunstigde. Nederland blijft zich dan ook inzetten voor het belang van agrarische collectieven en blijft dit benadrukken in Europees verband. Verslag informele Landbouwraad 6-8 september 2026 te Dublin, Ierland De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het verslag van de informele Landbouwraad in Dublin, waar is gesproken over innovatie in de veehouderij en klimaatadaptatie. De leden van de PVV-fractie betreuren het dat Europese bijeenkomsten gedomineerd blijven worden door klimaatretoriek en duurzaamheidsidealen, terwijl praktische knelpunten van agrariërs naar de achtergrond verdwijnen. De leden van de PVV-fractie vragen op welke wijze de minister tijdens de informele Raad de dringende noodzaak heeft benadrukt om Nederlandse agrariërs te verlossen van de verstikkende stikstofregels en vergunningenonzekerheid. Antwoord De staatssecretaris heeft tijdens de informele Landbouwraad gepleit voor het investeren in innovatie voor het waarborgen van een weerbare, concurrerende en duurzame landbouw in de EU. De staatssecretaris heeft daar ook gepleit voor winstgevende verdienmodellen en kennisdeling, bijvoorbeeld door het realiseren van effectieve subsidies zoals de ecosysteemdiensten onder het GLB en het samenwerken aan onderzoeksprojecten. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister kan toelichten hoe de voorgestelde instrumenten voor klimaatadaptatie en innovatie daadwerkelijk op het boerenerf terechtkomen zonder dat boeren verdwalen in bureaucratische aanvraag- en controleprocedures. Antwoord Samen met stakeholderpartijen (de sector, de Unie van Waterschappen, het Interprovinciaal Overleg, het Verbond van Verzekeraars, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat e.a.) is LVVN in 2020 met de uitvoering van het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw gestart. De inzet is gericht op bewustwording, kennisontwikkeling en het aanreiken van concrete handvatten om in de praktijk (regio-specifiek) aanpassingen te kunnen doen om beter voorbereid te zijn op de effecten van klimaatverandering. Zo heeft LVVN bijvoorbeeld de Klimaatstresstest voor open teelten laten ontwikkelen, waarmee agrarisch ondernemers kunnen doorrekenen voor hun locatie en teeltplan met welke klimaatrisico’s en mogelijke schades zij rekening moeten gaan houden. Ook stimuleert de overheid deelname aan de Brede Weersverzekering met een premiesubsidie. Om de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden voor de boer, loopt de aanvraag voor de subsidie mee in de Gecombineerde Opgave. SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen september 2026 De leden van de PVV-fractie maken zich ernstige zorgen over de vergadering van het Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) van 24 en 25 september 2026. Het steeds verder inperken van het pakket aan gewasbeschermingsmiddelen zonder dat er doeltreffende en betaalbare alternatieven zijn, brengt de Nederlandse agrarische teelten en de voedselzekerheid in gevaar. De leden van de PVV-fractie vragen of de staatssecretaris kan toelichten wat de concrete impact is voor de Nederlandse bloemisterijsector van het voorgenomen besluit om de goedkeuring van de werkzame stof buprofezine niet te verlengen en toelatingen binnen 6 maanden in te trekken. Antwoord Bij het bepalen van een standpunt over het al dan niet (opnieuw) goedkeuren van een werkzame stof wordt beoordeeld of een stof veilig kan worden toegepast voor mens, dier en milieu. Ik laat mij hierover adviseren door het Ctgb. Landbouwkundige overwegingen spelen in de basis geen rol bij deze overweging. De leden van de PVV-fractie vragen waarom het kabinet voornemens is in te stemmen met de tijdelijke verlenging van de goedkeuringsperiode van 26 werkzame stoffen vanwege vertraagde besluitvorming bij de Europese Commissie, en of de staatssecretaris kan garanderen dat deze stoffen niet alsnog op termijn op oneigenlijke gronden worden verboden. Antwoord De goedkeuring van deze stoffen wordt tijdelijk verlengd omdat de besluitvorming, buiten de schuld van de aanvragers om, nog niet is afgerond. Het is belangrijk dat pas na een gedegen beoordelingsproces wordt besloten over de goedkeuring van deze stoffen. De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Kamer op een extreem korte termijn geconfronteerd wordt met besluitvorming over het nieuwe compromisvoorstel voor de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder in het COREPER op 23 september 2026, en hoe de staatssecretaris borgt dat de parlementaire controle hierbij niet buitenspel wordt gezet. Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. Overige De leden van de PVV-fractie benadrukken tot slot dat de Nederlandse landbouw, veehouderij en visserij steun en ruimte verdienen, en geen Europese belemmeringen. De leden van de PVV-fractie verwachten dat het kabinet in Brussel pal staat voor de belangen van onze Nederlandse voedselproducenten. De leden van de PVV-fractie vragen of de minister bereid is om de Tweede Kamer per omgaande en gedetailleerd te informeren over de exacte uitkomsten en stemresultaten van de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026. Antwoord De Kamer is met de geannoteerde agenda geïnformeerd over de Nederlandse inzet bij de komende Landbouw- en Visserijraad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1834). De minister zal de Kamer, zoals gebruikelijk, informeren over de uitkomsten van de Landbouw- en Visserijraad van 28 en 29 september 2026 middels een verslag. Dat verslag wordt in de week na de Raad aan de Kamer gestuurd. Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van september en hebben hierbij nog enkele opmerkingen en vragen. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet om onder andere de eco-regeling te versterken. Naar aanleiding van het uitkeren van de eco-regelingen van 2025 zijn er veel bezwaren binnengekomen. Kan de minister aangeven hoe hij het versterken van de eco-regeling vormgeeft? Kan de minister aangeven of een evaluatie van Areaal Monitoring Systeem (AMS), dat is ingezet in plaats van het menselijk oog, daar ook onderdeel van is? Wat is de status van de behandeling van bezwaren op de resultaten van de eco-regelingen uit 2025? Antwoord Zoals toegelicht in de brief van 12 mei 2026 (Kamerstuk 28 625, nr. 383), heeft de minister de eco-regeling op twee belangrijke punten verder versterkt. Allereerst is de punten-instapeis van 2027 meer flexibel. Zo wordt voorkomen dat boeren over een bepaald eco-doel ‘struikelen’ en wordt ervoor gezorgd dat zij een bijdrage kunnen leveren aan verduurzaming, ook als een bepaald eco-doel minder goed past bij de bedrijfsvoering of het gebied. Daarnaast is de medaillesystematiek afgeschaft. Vanaf 2027 krijgen aanvragers de behaalde waarde van alle correct uitgevoerde eco-activiteiten uitbetaald, en niet meer in staffels van goud, zilver en brons. Op die manier wordt de eco-regeling voorspelbaarder voor deelnemers en worden de financiële risico's voor boeren en voor de overheid verkleind. De handhaving van de subsidievoorwaarden in de eco-regeling wordt jaarlijks tegen het licht gehouden en de werking van het Areaal Monitoring Systeem (AMS) maakt daar deel van uit. Zoals de minister eerder heeft aangegeven, werkt het AMS naar behoren maar kan menselijke beoordeling in bepaalde situaties van meerwaarde zijn. RVO heeft ruim 5.000 bezwaarschriften ontvangen over de rechtstreekse betalingen van het GLB in 2025. De bezwaargronden worden niet centraal geregistreerd, maar het is evident dat veel bezwaren te maken hebben met afwijzing van eco-activiteiten. De afhandeling is nog niet in een zodanig stadium dat lessen getrokken kunnen worden voor de eco-regeling. De leden van de CDA-fractie horen graag de ontwikkelingen rondom de inzet van Nederland in de onderhandelingen voor het nieuwe GLB. Er wordt gesproken over de wens om de Natuurherstelverordening als wettelijk kader aan de GLB-interventie te koppelen wat steun mogelijk maakt voor nadelen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Deze leden vragen wat dat concreet kan betekenen en welke eventueel nadelige consequenties deze koppeling kan hebben. Antwoord Nederland beoogt een instrument dat nu al toestaat steun te verlenen bij nadelen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water, te verbreden naar de Natuurherstelverordening. Hierdoor zou het mogelijk moeten zijn om boeren vanuit het GLB te ondersteunen bij het nemen van maatregelen die nodig zijn in het kader van die verordening. Een lidstaat is vrij om hier al dan niet gebruik van te maken. Zo maakt Nederland in het huidige GLB geen gebruik van dit instrument. Er is derhalve geen nadelige consequentie hiervan. Een lidstaat kan bij de planvorming kiezen om hier al dan niet GLB-budget voor in te zetten. De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat bedrijven met maximaal 30 hectare landbouwareaal zijn vrijgesteld van controles en sancties ten aanzien van de Goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) nummer 7. Dit verlicht de druk op kleinere en middelgrote bedrijven. Deze leden hebben wel vragen over de late communicatie hierover en de wijze waarop is gecommuniceerd. Waarom is de vrijstelling niet eerder actief gecommuniceerd aan Kamer en sector, terwijl boeren hun bouwplan voor 2026 al in het najaar van 2025 maken? Is er zicht op hoeveel bedrijven bij het opstellen van hun bouwplan dit jaar rekening hebben gehouden met rotatie-eisen, terwijl ze eind van de zomer vrijgesteld bleken? Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat in de toekomst op tijd wordt gecommuniceerd zodat er geen onduidelijkheid en onnodig werk voor ondernemers ontstaat? Antwoord Na publicatie van de Omnibus-verordening op 31 december 2025 voor het GLB is de Tweede Kamer op 6 februari 2026 geïnformeerd over de vrijstelling voor landbouwbedrijven tot 30 hectare van controles en sancties op de verplichte gewasrotatie (GLMC 7), zoals deze in de verordening is opgenomen. Het is pas later, na uitleg van de Commissie, duidelijk geworden dat bedrijven tot 30 hectares ook daadwerkelijk zijn vrijgesteld van de voorwaarden van GLMC 7. Vervolgens heeft RVO hierover via de gebruikelijke kanalen gecommuniceerd. Het is bij RVO niet bekend hoeveel bedrijven bij het opstellen van hun bouwplan dit jaar rekening hebben gehouden met rotatie-eisen. Overigens geldt vanuit de mestwetgeving nog steeds de verplichting ten aanzien van de rustgewassen. De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving dat de staatssecretaris nieuwe experimenten met pulsvisserij mogelijk maakt en hiervoor middelen uittrekt. Wat wordt er gedaan voor de vissers die na het verbod hun schepen hebben omgebouwd of hun pulsvisserijvergunning hebben verloren indien de techniek van pulsvisserij terugkomt? Hoe wordt voorkomen dat zij worden benadeeld als de techniek terugkeert? Zijn er andere lidstaten met een soortgelijk belang bij pulsvisserij met wie Nederland kan optrekken? Is er de bereidheid tot een gezamenlijk initiatief? Antwoord Het kabinet heeft middelen ter beschikking gesteld voor onderzoek in relatie tot de visserij, waaronder onderzoek naar het doorontwikkelen van puls. Dit ziet in eerste instantie op het doen van desk- en labonderzoek ten behoeve van een verdere doorontwikkeling. Momenteel bestaat er een Europees verbod op de pulsvisserij. Ik ben voornemens om op termijn beperkt pilots mogelijk te maken, het liefst samen met andere landen. Ik wil dit zorgvuldig en binnen de juiste Europese procedures doen. Gezien de nog te nemen stappen is het voorbarig om nu al te spreken over de mogelijke gevolgen van een herintroductie. De situatie van de visserij verschilt sterk per lidstaat. De staatssecretaris is in contact met zijn collega’s in andere lidstaten om te kijken hoe er samengewerkt kan worden. Pulsvisserij is hierbij één van de gespreksonderwerpen. Wanneer er sprake is van belangrijke ontwikkelingen op dit terrein, dan zal de staatssecretaris de Kamer hierover informeren. Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 22 september 2026 en de onderliggende stukken. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de JA21-fractie zien de gevolgen van onder andere de afsluiting van de Straat van Hormuz voor de beschikbaarheid en de prijzen van energie en meststoffen. Deze leden benadrukken het belang van het verminderen van de afhankelijkheid van buitenlandse energie en meststoffen. Een manier om deze afhankelijkheid te verminderen, is het inzetten van RENURE als kunstmestvervanger. Deze leden constateren dat voor toepassing van de RENURE een van de drie voorgeschreven productiemethoden moet worden gebruikt. De leden van de JA21-fractie vragen of de minister onderschrijft dat de eisen voor RENURE vooral gericht moeten zijn op de kwaliteit en samenstelling van het product, in plaats van op de productiemethode. Welke mogelijkheden ziet de minister om toe te werken naar technologieneutraliteit? Antwoord Voor het kabinet zijn de Renure-criteria, zoals in 2020 opgesteld door het Joint Research Centre, leidend. Het kabinet zet er zich daarom voor in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest (Renure) uit te breiden, maar vindt het daarbij ook belangrijk dat alle randvoorwaarden (waaronder effecten op het milieu) goed in overweging worden genomen. De leden van de JA21-fractie vragen aandacht voor de kosten van het afvoeren en verplaatsen van mest. Deze leden vragen de minister welk deel van de mestafzetkosten samenhangt met transport en in hoeverre deze kosten kunnen worden verlaagd door mest op het eigen bedrijf of in de regio beter te benutten. Antwoord De kosten voor mestafzet en vervoer worden niet geregistreerd of gedeeld met de overheid. De kosten voor vervoer of toediening bestaan grotendeels uit arbeidskosten en kosten van machines en vrachtwagens en zij komen tot stand door vraag en aanbod op de mestmarkt. De kosten voor gebruik van dierlijke mest op het eigen bedrijf zijn over het algemeen lager dan het afvoeren van mest. Bij de afvoer van dierlijke mest zijn er bijkomende kosten voor het wegen van de vracht, bemonstering en analyse en vervoer door een geregistreerde intermediair. Voor bedrijven met een beperkt mestoverschot (uitgedrukt in kilogram fosfaat) die hun mest afzetten binnen tien kilometer van hun bedrijf, geldt onder voorwaarden in de huidige regelgeving een vrijstelling voor bepaalde standaardverplichtingen zoals wegen, bemonsteren en het gebruik van GPS/GR-apparatuur. De leden van de JA21-fractie vragen hoe het vervoer van mest over langere afstanden zich verhoudt tot duurzame landbouw. Welke mogelijkheden ziet de minister om transportbewegingen te verminderen en welke rol kan de toepassing van RENURE hierbij spelen? Antwoord Het kabinet zet onder andere in op het verwaarden van dierlijke mest door de mest te verwerken tot Renure-meststoffen, ten behoeve van het verlagen van de druk op de mestmarkt, de vervanging van kunstmest en het reduceren van ammoniakemissies. Met de Subsidieregeling Hoogwaardige Mestverwerking (HMV) stimuleert het kabinet de productie van Renure in grotere installaties. De minister is voornemens om ook een subsidieregeling open te stellen waarmee hij ook de productie van Renure op boerderijniveau of in kleinere installaties stimuleert. Dit draagt onder andere bij aan het verminderen van transportafstanden van dierlijke mest, omdat meer dierlijke mest in de directe omgeving geplaatst kan worden en minder over grote afstanden hoeft te worden vervoerd. De leden van de JA21-fractie hebben met levendige interesse kennisgenomen de van de brief over de voortgang van de Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB, van het verslag van de informele Landbouwraad van 6-8 september 2026 te Dublin en van de overige geagendeerde stukken. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen, in het bijzonder over de visserij en over de wijze waarop natuur- en biodiversiteitsdoelen in het Europese landbouw- en visserijbeleid worden verankerd. De leden van de JA21-fractie lezen dat de minister zich blijft inzetten voor het toevoegen van de Natuurherstelverordening als wettelijk kader aan de GLB-interventie die steun mogelijk maakt voor nadelen uit wettelijke verplichtingen. De leden vrezen sowieso dat de Natuurherstelverordening gaat leiden tot juridische fuiken die een gezonde belangenafweging verhinderen en vragen het kabinet om dit risico te agenderen en in Europa aan te sturen op een heroverweging, ook gezien de vreemde en ondemocratische manier waarop die verordening is aangenomen. Zij vragen het kabinet verder om toe te lichten wat dit volgens het kabinet zou betekenen. Worden hiermee GLB-middelen, die bedoeld zijn voor inkomenssteun en verdienvermogen, ingezet om verplichtingen uit de Natuurherstelverordening voor boeren te financieren en gaat dit ten koste van de reguliere inkomenssteun? Zij vragen of het kabinet kan toezeggen dat het toevoegen van dit kader uitsluitend dient ter compensatie van boeren voor opgelegde beperkingen en niet als hefboom om aanvullende natuurverplichtingen via het GLB af te dwingen. Antwoord Nederland beoogt een instrument dat nu al toestaat steun te verlenen bij nadelen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water, te verbreden naar de Natuurherstelverordening. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om boeren vanuit het GLB te ondersteunen bij het nemen van maatregelen die nodig zijn in het kader van die verordening. Een lidstaat is vrij om hier al dan niet gebruik van te maken en of Nederland daar daadwerkelijk gebruik van gaat maken wordt later besloten. Keuzes over het toepassen van dit instrument en de voorwaarden die daarvoor gelden zullen gemaakt worden in het Nationaal en Regionaal Partnerschapsplan dat opgesteld wordt in nauwe samenwerking met de medeoverheden. De kamer zal over dit nationale programma separaat geïnformeerd worden. Er is derhalve geen nadelige consequentie hiervan. Een lidstaat kan bij de planvorming kiezen om hier al dan niet GLB-budget voor in te zetten. Marktsituatie en steunpakket uit de landbouwreserve De leden van de JA21-fractie lezen dat uit het Europese steunpakket van 540 miljoen euro een bedrag van 14,9 miljoen euro voor Nederland beschikbaar is en dat het kabinet dit wil toevoegen aan de basisinkomenssteun aan grondgebonden landbouwers wil uitkeren. Deze leden begrijpen de keuze voor een eenvoudige uitvoering, maar vragen of daarmee de sectoren die het hardst worden geraakt door hogere energie- en meststofprijzen niet relatief buiten de boot vallen. Zij vragen daarnaast om welk bedrag per hectare het naar verwachting gaat. Antwoord De Commissie heeft het steunpakket beschikbaar gesteld onder de voorwaarde dat landbouwers worden gesteund die getroffen zijn door de gestegen (kunst)mestprijzen en/of de gestegen brandstofprijzen voor landbouwmachines (diesel). Dit heeft betrekking op landbouwers in de grondgebonden sectoren. Naar verwachting betreft het ongeveer €8 per hectare. Zij wijzen erop dat ook de visserij volgens het verslag van de informele Visserijraad in Cork zwaar wordt getroffen door stijgende brandstofkosten, terwijl de steun aan vissers voor gestegen brandstofkosten uit de bestaande nationale EMFAF-enveloppe moet komen. Zij vragen het kabinet hoeveel van de Nederlandse EMFAF-middelen hiermee is ingezet. Zij vragen voorts hoeveel aanvragen in de eerste ronde van de regeling "Steun voor gestegen bedrijfskosten visserij" zijn ingediend, of het budget van 13,5 miljoen euro toereikend is voor beide rondes en of het kabinet bereid is de regeling te verlengen als de brandstofprijzen na september hoog blijven, mede gezien de aflopende geldigheid van het crisismechanisme eind 2026. Antwoord De subsidieregeling 'steun voor hogere bedrijfskosten visserij' had een totaalbudget van € 13,5 miljoen, verdeeld over twee openstellingen. De eerste openstelling is onlangs gesloten. Op dit moment controleert RVO alle aanvragen met het bijbehorende budget en is een definitief aantal ontvankelijke aanvragen of totaalbudget van ontvankelijke aanvragen nog niet bekend. Of het totaalbudget van € 13,5 miljoen toereikend is voor alle aanvragen over de twee openstellingen zal moeten blijken bij de sluiting van de tweede openstelling op 30 oktober 2026. De regelingen vormen een overbrugging tot aan de openstelling van de nationale regeling 'Minder energieverbruik in de visserij' die op 28 september 2026 zal worden opengesteld. Een verlenging van de 'steun voor hogere bedrijfskosten visserij' regeling is niet voorzien. Visserij: onderhandelingen vangstmogelijkheden 2027 De leden van de JA21-fractie delen de zorg van de staatssecretaris over de buitengewoon stroeve en onplezierige onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en de andere kuststaten de afgelopen jaren, zeker gezien de jarenlange overbevissing van makreel. Zij vinden het niet wenselijk dat vier kuststaten in 2025 buiten de EU om een akkoord over makreel sloten. Zij vragen welke concrete strategie de Commissie en Nederland hebben om te voorkomen dat dit zich in 2026 herhaalt, welke drukmiddelen de EU daarbij bereid is in te zetten. Antwoord De staatssecretaris vindt een concrete strategie noodzakelijk om te voorkomen dat de EU buiten een akkoord van de andere kuststaten wordt gehouden. Tegelijkertijd is het zaak om tot een akkoord te komen dat recht doet aan de historische vangstrechten van de EU. Op het moment van schrijven werkt de Commissie aan het verkrijgen van een mandaat van de lidstaten, dat de basis zal vormen voor de strategie voor de onderhandelingen dit najaar. Net als in voorgaande jaren is dit mandaat vertrouwelijk, omdat dit een onderhandelingsmandaat met betrekking tot derde landen betreft. De uitgangspositie is doorgaans gebaseerd op de wetenschappelijke vangstadviezen, waarbij voor makreel het advies nog gepubliceerd moet worden. De leden van de JA21-fractie steunen de inzet van het kabinet tegen het inroepen van de Haagse preferenties door Ierland en constateren dat de Ierse sector tijdens de informele Visserijraad in Cork opnieuw aandacht heeft gevraagd voor het niet toekennen daarvan in december 2025. Zij vragen of het kabinet, nu Ierland het voorzitterschap bekleedt en tegelijk belanghebbende is, signalen heeft dat opnieuw pogingen worden ondernomen om de Haagse preferenties in te roepen en welke lidstaten de Nederlandse lijn steunen. Is het kabinet nog altijd bereid tegen een verordening vangstmogelijkheden te stemmen waarin de Haagse preferenties ten koste van Nederlandse vissers worden toegepast? Antwoord Zoals de staatssecretaris in de geannoteerde agenda heeft aangegeven, heeft Nederland zich altijd uitgesproken tegen het inroepen van de Haagse preferenties, omdat dit in strijd is met de afgesproken relatieve stabiliteit van de verdeling van vangstmogelijkheden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1834). Op dit moment zijn nog niet alle vangstadviezen gepubliceerd en evenmin heeft Ierland al aangegeven voor welke bestanden het eventueel Haagse preferenties wil inroepen. De staatssecretaris wil eventuele voorstellen voor toepassing van de Haagse preferenties beoordelen in samenhang met de vangstadviezen en de sociaaleconomische impact en op basis daarvan het gesprek aangaan met de andere lidstaten en het Iers voorzitterschap. De leden van de JA21-fractie hebben tevens met grote belangstelling kennisgenomen van de ICES-adviezen, in het bijzonder de stijging van het advies voor Noordzeetong met 98 procent en de daling van het advies voor wijting met 47 procent en voor schelvis met 19,3 procent. Zij vragen het kabinet of het de stijging voor Noordzeetong volledig wil vertalen in de vangstmogelijkheden voor 2027, of dat het kabinet, zoals in eerdere jaren bij grote schommelingen is gebeurd, een gedempte verhoging voorziet. Welke verklaring ziet de staatssecretaris voor het contrast tussen de stijging voor Noordzeetong en de daling voor tong in het oostelijk Kanaal en is ICES hierover om nadere duiding gevraagd? Antwoord De Nederlandse inzet is om het volledige wetenschappelijke vangstadvies te volgen voor de vangstmogelijkheden voor Noordzeetong in 2027. De vaststelling van de hoogte van de vangstmogelijkheden voor deze soort vinden in bilaterale onderhandelingen met het Verenigd Koningrijk dit najaar plaats. Op dit moment is niet te duiden wat de oorzaak is van de sterke verlaging van het advies voor tong in het oostelijke deel van het Kanaal. Van oudsher vist vooral de Belgische kottervloot op tong in het oostelijke deel van het Kanaal. Nederlandse vissers hebben hier een minder groot belang. De leden van de JA21-fractie constateren dat de adviezen voor Noordzeetong en voor tong in het oostelijk Kanaal precies de schommelingen aantonen waarvoor eerder aandacht is gevraagd en waarop de toenmalige staatssecretaris antwoordde grote voordelen te zien in meerjarige quota, het punt op de Raadsagenda te hebben gezet en er in 2025 op terug te komen. Sindsdien lezen deze leden dat voor een aantal uitsluitend door de EU beheerde bestanden wordt ingezet op meerjarige vaststelling, en dat Nederland dit in de GVB-evaluatie meermaals heeft genoemd. Zij vragen de staatssecretaris welke bestanden dit nu betreft, welke lidstaten Nederland hierin steunen en of Nederland bij de Commissie een schriftelijk voorstel heeft ingediend. Zij vragen of het kabinet in de trilaterale consultaties met het VK en Noorwegen actief inzet op meerjarige beheerafspraken voor gedeelde bestanden, in navolging van het beheerplan voor Noordzeeharing en of en in hoeverre dat voor welke bestanden het komende jaar haalbaar wordt geacht. Antwoord De staatssecretaris blijft zich inzetten voor het waarborgen van meer stabiliteit en voorspelbaarheid bij het vaststellen van de vangstmogelijkheden. Mogelijke maatregelen waar de staatssecretaris op inzet betreffen een aanpassing van de meerjarenplannen, de mogelijkheid om stapsgewijs toe te werken naar MSY, langetermijn beheerplannen en indien gepast meerjarige vangstmogelijkheden. Dit zijn allen maatregelen waar een lang proces aan vooraf gaat, mede omdat hierover overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen nodig is. De verwachting is dan ook niet dat hier specifiek nu voor nieuwe bestanden een besluit over nieuwe maatregelen genomen zal gaan worden. Nederland blijft erop aandringen dit proces zowel gedegen als spoedig tot uitvoering te brengen. De leden van de JA21-fractie lezen dat de staatssecretaris streeft naar bevissing op het niveau van de maximale duurzame opbrengst en de voorzorgsbenadering onderschrijft voor soorten met weinig data, maar dat dit niet tot automatische reducties hoeft te leiden. Deze leden steunen die lijn. Zij vragen voor welke voor Nederland relevante bestanden nu een data-arm advies geldt. Antwoord Veel van de belangrijkste commerciële soorten voor Nederland zijn niet data-arm. Eén van de belangrijke data-arme bestanden betreft de roggen (elasmobranches). Hiervoor volgt het advies op 7 oktober 2026. Een ander voor Nederland belangrijk bestand waar op dit moment meer data over gewenst is, betreft de Noordzee Horsmakreel. Samen met betrokken stakeholders beziet de staatssecretaris momenteel hoe er meer wetenschappelijke gegevens verzameld kunnen worden om de biologische staat en ontwikkeling van dit bestand beter te kunnen duiden. De leden van de JA21-fractie vragen naar de stand van zaken rond de zeeduivel. Zij vragen welk beheerregime het kabinet voor ogen heeft, of dit kan leiden tot een beperking van de Nederlandse vangstmogelijkheden terwijl het bestand er naar eigen zeggen goed voor staat en hoe het kabinet voorkomt dat een nieuwe beheerafspraak voor zeeduivel voor de Nederlandse vloot een extra choke-risico oplevert. Voor welke soorten vreest het kabinet nu dat risico van een ‘choke’? Geldt dat ook voor de daling van wijting? Antwoord De staatssecretaris is voorstander van het maken van duurzame beheerafspraken, waarbij rekening wordt gehouden met alle vangsten van deze soort. Dit is nu niet het geval, omdat niet voor alle kuststaten de vangsten worden meegewogen bij de verdeling van de vangstmogelijkheden en niet alle vangsten van alle gebieden worden meegewogen. Nederland heeft een relatief klein aandeel in de quota vergeleken met andere landen. Dit betekent dat het risico op een choke situatie bestaat in de demersale gemengde visserij. Nederland pleit er Europees voor rekening te houden met dit risico en te zoeken naar maatregelen die dit mogelijk kunnen mitigeren. Afhankelijk van de visserij en het gebied kan ook bij wijting een choke situatie optreden. Dit is echter een andere situatie dan de zeeduivel waar nu mogelijke nieuwe afspraken worden gemaakt. De leden van de JA21-fractie constateren dat de adviezen voor de pelagische bestanden op 30 september 2026 en voor kabeljauw op 9 oktober 2026 worden verwacht, dus na deze Raad. Zij vragen het kabinet toe te zeggen de Kamer direct na publicatie van deze adviezen te informeren over de Nederlandse inzet. Antwoord De Kamer zal zoals gebruikelijk na publicatie van de vangstadviezen door de staatssecretaris worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet, waarbij rekening wordt gehouden met de onderhandelingspositie van Nederland en de EU. Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur De leden van de JA21-fractie lezen dat een wijziging van de EMFAF-verordening is geagendeerd, dat het achtergronddocument nog niet beschikbaar is en dat de wijziging voor Nederland niet noodzakelijk is. Zij vragen het kabinet toe te lichten welke wijziging andere lidstaten of de Commissie beogen en met welk doel. Deze leden constateren uit het jaarverslag 2025 dat de benutting van het Nederlandse EMFAF-programma van 139,9 miljoen euro tot dusver beperkt is en dat de uitbetaling bij de innovatieregelingen nog moest beginnen, terwijl nu ook de brandstofregeling van 13,5 miljoen euro voor 70% uit het EMFAF wordt gefinancierd. Zij vragen het kabinet een geconsolideerd overzicht te geven van het al toegezegde, het al uitbetaalde en het nog vrije deel van het (Nederlandse) budget. Deze leden wijzen erop dat de baseline-evaluatie van Technopolis uit 2025 al constateerde dat de budgetbesteding van de overheidsopdrachten sterk achterliep, dat de innovatieregeling visserij door gebrek aan aanvragen minder dan de helft van het budget toekende, dat de uitvoeringskosten in verhouding tot de output erg hoog zijn, en dat de middelen binnen de fondsperiode moeten worden uitgegeven om een ophoping van declaraties aan het einde te voorkomen. Zij vragen dan ook wat met deze vier aanbevelingen is gedaan. Antwoord De Commissie heeft op 21 september jl. het voorstel voor herziening van de huidige EMFAF-verordening gepubliceerd. Welke wijzigingen op het Commissievoorstel door andere lidstaten beoogd worden, is nog niet duidelijk. De onderhandelingen over dit voorstel zullen nog starten. Het is dus nog niet definitief welke wijzigingen eventueel uiteindelijk doorgevoerd zullen gaan worden. Een geconsolideerd overzicht van het al toegezegde, het al uitbetaalde en het nog vrije deel van het Nederlandse EMFAF-deel zal de staatssecretaris nog met de Kamer delen. Mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de baseline-evaluatie die door Technopolis in 2025 is opgesteld zijn er verschillende maatregelen getroffen. Zo is de sturing op de planning van de uitgaven van de overheidsopdrachten versterkt. In het programma-EMFAF heeft Nederland een zo adequaat mogelijke budgetverdeling voor de verschillende regelingen opgenomen. Onderuitputting is echter nooit helemaal te voorkomen. De onderuitputting op innovatieregelingen wordt gedeeltelijk veroorzaakt door een gebrek aan aanvragen, maar is ook deels gelegen in het feit dat bij vaststelling soms aanvragers niet het gehele budget nodig hebben gehad. Bij onderuitputting wordt wel naderhand bekeken of deze middelen dan vervolgens elders kunnen worden ingezet. LVVN is continu met RVO in gesprek om te bezien hoe de uitvoeringslasten kunnen worden verlaagd. Om eventuele ophoping van declaraties aan het einde van het fonds te voorkomen, zijn er in de EMFAF-verordening regels voor decommittering vastgelegd. Dit betekent dat ieder jaar een 7e deel van het totale toegewezen EMFAF-budget door een lidstaat moet worden uitgegeven. Tot nu toe heeft Nederland hieraan voldaan. Dit zorgt op een natuurlijke wijze al voor een redelijke spreiding van de administratieve lasten over de fondsenperiode. Sectorale verordening steun aan het GVB, het Oceaanpact en het maritiem en aquacultuurbeleid (MFK 2028-2034). De leden van de JA21-fractie delen de zorg dat door de nieuwe controleverordening het aantal als ernstig aangemerkte inbreuken is toegenomen, waardoor onredelijk veel vissers van subsidie kunnen worden uitgesloten of met terugvordering te maken kunnen krijgen. Is het kabinet van mening dat proportionaliteit niet uitsluitend wordt overgelaten aan een gedelegeerde handeling van de Commissie, maar dat het beter is om dat in de verordening zelf vast te leggen? Zij vragen welke inzet Nederland heeft voor de inhoud van die gedelegeerde handeling. Antwoord Met de herziene controleverordening is een aantal als ernstig aangemerkte inbreuken op EU-niveau vastgesteld. In de gesprekken die momenteel lopen over de sectorale verordening visserij zet Nederland zoveel mogelijk in op een voortzetting van het huidige beleid in de verordening of een gedelegeerde handeling. Dit is momenteel nog onderdeel van de onderhandeling. De inzet van de staatssecretaris is erop gericht om de proportionaliteit van de regelgeving zoveel mogelijk te waarborgen. De leden van de JA21-fractie lezen dat de sectorale verordening ook randvoorwaarden stelt aan de besteding van middelen voor "de natuuropgave" en andere prioriteiten van het Oceaanpact. Zij vragen het kabinet te verduidelijken welk deel van de middelen onder deze verordening naar verwachting ten goede komt aan de visserij- en aquacultuursector zelf, en welk deel aan natuurherstel, mariene beschermde gebieden en de uitvoering van milieuwetgeving. Zij vragen tevens of er ook in de nieuwe periode ruimte blijft voor compensatie van vissers die visgrond verliezen door de aanwijzing van beschermde gebieden of windparken en hoe het kabinet dat wil borgen. Antwoord De onderhandelingen over de omvang en verdeling van de middelen binnen het volgend Meerjarig Financieel Kader 2028-2034 zijn nog gaande. Het BNC-fiche over het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, het Oceaanpact en het maritieme en aquacultuurbeleid (Kamerstuk 22 112-32, nr. 4146) en de Kamerbrief ‘Update Nederlandse inzet ten aanzien van de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader en het eigenmiddelenbesluit van de EU voor de periode 2028-2034’ (Kamerstuk 22 112, nr. 4357) zijn leidend voor de Nederlandse inzet in de onderhandelingen. De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 19 mei 2026 over de overdraagbaarheid en vererfbaarheid van visserijdocumenten voor de sleepnetvisserij, die is toegezegd naar aanleiding van vragen van deze leden in januari 2026. Zij blijven van mening dat het noodzakelijk is om deze overdraagbaarheid voor deze beperkte groep mogelijk te maken. De leden van de JA21-fractie constateren dat zowel het verslag van de informele Landbouwraad in Dublin als het fiche over het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem in het teken staan van het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitten. Zij vragen of het kabinet bereid is in de Raad te bepleiten dat vis, schaal- en schelpdieren en aquacultuur expliciet en nadrukkelijk onderdeel worden van het Europese eiwitbeleid. Antwoord Het kabinet zet in op verdere diversificatie van het eiwitaanbod. Daarbij richt het kabinet zich op een breed en duurzaam eiwitaanbod. Binnen deze benadering is ook ruimte voor duurzaam geproduceerde vis, schaal- en schelpdieren en producten uit aquacultuur. Het kabinet vindt het van belang dat deze eiwitbronnen, waar relevant, worden betrokken bij de verdere uitwerking van het Europese eiwitbeleid en zal hiervoor in Europees verband aandacht vragen. Overige geagendeerde stukken De leden van de JA21-fractie vragen tot slot wanneer de Commissie de Visie 2040 voor visserij en aquacultuur naar verwachting publiceert, of de staatssecretaris signalen heeft dat de Nederlandse inbreng van 11 juni daarin wordt overgenomen, met name op het punt van de aanlandplicht, en of het kabinet toezegt de Kamer direct na publicatie een appreciatie te sturen. Antwoord Volgens de laatste langetermijnplanning van de Commissie zal de Visie 2040 voor visserij en aquacultuur eind september 2026 worden gepubliceerd. Zoals gebruikelijk zal het kabinet zijn standpunt ten aanzien van het voorstel in een BNC-fiche neerleggen en met de Kamer delen. Naar aanleiding van de brief van de staatssecretaris aan de Commissie met de Nederlandse inzet van 11 juni jl. (Kamerstuk 26 737, nr. 13) heeft de Commissie ten algemene aangegeven de Nederlandse punten met belangstelling te bekijken en deze waar mogelijk mee te nemen. Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van september. Deze leden hebben hierover verschillende vragen en opmerkingen. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang van de onderhandelingen over het toekomstige GLB. Deze leden constateren dat artikel 13 van het voorstel de steun regelt voor investeringen die bijdragen aan de veerkracht van de landbouw, de voedselsystemen, bosbouw en de plattelandsgebieden en in het bijzonder aan de klimaat- en waterweerbaarheid. Zij merken op dat dierenwelzijn in dit artikel niet langer wordt genoemd als doel van investeringssteun. Kan de staatssecretaris aangeven waarom dat het geval is? Deelt de staatssecretaris dat dit, in het kader van een integrale aanpak, onwenselijk is? Willen de minister en staatssecretaris zich ervoor inzetten dat dierenwelzijn opnieuw expliciet wordt opgenomen als doel van investeringssteun onder artikel 13, eerste lid, van het GLB? Antwoord Er is ten opzichte van het voorstel van de Commissie op dit punt geen wijziging voorgesteld. Ook in dat voorstel wordt dierenwelzijn in dit artikel niet expliciet genoemd. Dit betekent niet dat steun voor deze doelen niet mogelijk is onder dit artikel in het GLB. Investeringen voor dierenwelzijn kunnen een bijdrage leveren aan veerkrachtige voedselsystemen. Het is voor lidstaten dan ook mogelijk om steun te geven aan maatregelen voor dierenwelzijn via het instrument investeringen. De leden van de PvdD-fractie missen een update over de uitvoering van de motie-Kostić (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1800) in de Kamerbrief Voortgang Europese onderhandelingen over het toekomstige GLB. Deze leden horen graag welke stappen het kabinet heeft ondernomen en wat de Europese stand van zaken is. Antwoord De minister deelt de zorgen over dierenwelzijn en stierenvechten. Waar relevant zal de minister dit punt benoemen in de gesprekken die hij heeft en marge van de Landbouw- en Visserijraad. Het is overigens de verantwoordelijkheid van de lidstaten die de steun verlenen om te bepalen of GLB-subsidies op een verantwoorde wijze verstrekt worden. Fiche: Actieplan voor het EU-eiwitsysteem De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het Actieplan voor het EU-eiwitsysteem. Deze leden delen de analyse dat de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitrijke grondstoffen, met name soja voor veevoer, het Europese voedselsysteem kwetsbaar maakt. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de enige bindende doelstelling in het Actieplan het verhogen van de zelfvoorzieningsgraad voor diervoeder naar 35 procent in 2035 betreft. Alle overige maatregelen zijn vrijblijvend. Deze leden vragen of het kabinet deelt dat het Actieplan hiermee eenzijdig gewicht legt bij het in stand houden van het huidige intensieve veehouderijsysteem en te weinig bij de transitie naar een gevarieerder voedselpatroon. Is het kabinet bereid zich in EU-verband in te zetten voor bindende afspraken of streefdoelen aan de vraagzijde van de eiwittransitie? Zo nee, waarom niet? Antwoord Het kabinet vindt het van belang om toe te werken naar gezonde en duurzame eetpatronen. De ambitie is om in Nederland een balans in de gemiddelde eiwitconsumptie van 50% plantaardige eiwitten en 50% dierlijke eiwitten in 2030 te bereiken. Het kabinet zet in Nederland in op gerichte ketenafspraken om de eiwittransitie te versnellen. Deze zijn in eerste instantie niet bindend. Op EU-niveau liggen er nu geen streefdoelen of ketenafspraken voor. De leden van de PvdD-fractie constateren dat in de onderbouwing van het Actieplan wordt gesteld dat het verminderen van de Europese dierlijke productie zou worden vervangen door meer import. Deze leden wijzen erop dat juist door in te zetten op de productie van en vraag naar plantaardige eiwitten dit kan voorkomen. Deelt het kabinet die analyse en is zij bereid zich ervoor in te zetten dat het EU-eiwitbeleid dit expliciet aan elkaar verbindt? Zo nee, waarom niet? Antwoord Het kabinet vindt het van belang om voor een toekomstbestendig voedselsysteem te kijken naar zowel de productie als consumptie van voedsel. Het kabinet zet daarom zowel in op het stimuleren van de productie van meer plantaardige eiwitten als op een diversificatie van het eiwitaanbod en een voedselomgeving die uitnodigt tot gezonde en duurzame keuzes. Het blijft daarbij aan mensen zelf om een voedselkeuze te maken die bij hen past. Zowel inzet op productie als consumptie komt terug in het plan dat is gepubliceerd door de Commissie. Dit steunt het kabinet. De leden van de PvdD-fractie verwelkomen dat de Commissie en het kabinet inzetten op het stimuleren van de vraag naar plantaardige eiwitten. Deze leden wijzen ook op het draagvlak in de samenleving en de Kamer, wat tot uiting komt in het actieplan ‘Meer Plantaardige Voeding’ en de recent aangenomen motie-Teunissen (Kamerstuk 37020, nr. 26). Kan de minister aangeven of het kabinet op koers ligt om het doel van 2030 te halen? Wanneer komt het kabinet met aanvullende maatregelen om hier meer vorm aan te geven? Antwoord Op dit moment is het doel om in 2030 een gemiddelde Nederlandse consumptie van 50% plantaardige en 50% dierlijke eiwitten te bereiken nog niet in zicht. Uit de eiwitmonitor van 2025 blijkt dat de gemiddelde consumptieverhouding 39/61 % is. Binnenkort zal de Kamer worden geïnformeerd over de verdere inzet om de eiwittransitie te versnellen. Hiervoor wordt onder andere gekeken naar ketenafspraken om het aanbod van plantaardige eiwitten te vergroten en diverser te maken. Daarnaast blijft betrouwbare en praktisch toepasbare voorlichting via het Voedingscentrum van belang. De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het structureel stunten met de prijs van vlees haaks staat op deze doelstelling. Daarom herinneren zij de staatssecretaris eraan dat de Kamer op 19 maart 2026 de motie-Ouwehand/Grinwis (Kamerstuk 36800-XIV, nr. 61) heeft aangenomen, waarmee de regering wordt verzocht te komen tot een wettelijke grondslag om prijsstunten met agrarische basisproducten, waaronder in elk geval vlees, tegen te gaan. Dit naar aanleiding van een eerder verzoek van de Kamer om via een wettelijke grondslag prijsstunten met agrarische basisproducten tegen te gaan (motie-Grinwis c.s., 36200-XIV, nr. 59). De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de minister heeft toegezegd de Kamer na de zomer te informeren over de gesprekken die, in het kader van deze motie, zouden worden gevoerd (Kamerstuk 30252, nr. 225). Kan het kabinet toelichten wat de uitkomst is van zijn gesprekken op dit punt? Is het kabinet bereid om spoedig uitvoering te geven aan de motie? Zo nee, waarom niet? Antwoord Met de in juni jl. gepresenteerde Kamerbrief 'Weer ruimte voor boer, natuur en bouw' (Kamerstuk 36 800-XIV, nr. 87) heeft de minister benadrukt dat partijen in alle schakels van de keten een rol te spelen hebben in de verduurzaming van de voedselproductie: boeren, ketenpartijen waaronder supermarkten, de verschillende overheden en de consument. De minister is van mening dat boeren door de overheid en door de keten moeten worden ondersteund bij het nemen van maatregelen op het gebied van verduurzaming, waarbij een goede prijs voor de door hen geproduceerde agrarische basisproducten een deel van de oplossing is. Ketenpartijen waaronder supermarkten spelen een belangrijke rol. Met hen wil de minister verder verdiepen wat het effect van maatregelen op verschillende terreinen is. Zo is in de genoemde Kamerbrief aangegeven dat het kabinet stappen ontwikkelt naar een juridisch kader voor een duurzamere voedselomgeving, zodat de keten niet vrijblijvend bijdraagt aan de opgaven en de verduurzaming van de primaire sector en het voedselsysteem. De komende maanden zal de minister met de ketenpartijen waaronder supermarkten over de verschillende thema’s, waaronder ook het stunten met prijzen, nader in gesprek gaan. De minister zal de Kamer daarover voor het einde van het jaar nader informeren. Visserij De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de inzet van de staatssecretaris bij de komende visserijonderhandelingen. Deze leden vragen wat de staatssecretaris concreet bedoelt met het “zorgvuldig meewegen” van de sociaaleconomische impact. Deelt de staatssecretaris de mening dat wetenschappelijk advies en het voorzorgsbeginsel leidend moet blijven? Antwoord De staatssecretaris acht het van belang dat de drie pijlers van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid - de ecologische, sociale en economische - zorgvuldig worden meegenomen bij de vaststelling van vangstmogelijkheden. Hierbij vormt het wetenschappelijke advies, dat gebaseerd kan zijn op het MSY-advies of de voorzorgbenadering, het uitgangspunt. Zoals in de beantwoording op eerdere vragen over de voorzorgbenadering is aangegeven, dient, indien de situatie daarom vraagt, bij het volgen van een voorzorgbenadering ook een zorgvuldige afweging te worden gemaakt met betrekking tot de sociaaleconomische impact van een dergelijke beslissing. Octopus De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de aanhoudende plannen voor de eerste commerciële octopuskwekerijen in Europa. Deze leden constateren dat het bedrijf Nueva Pescanova heeft afgezien van een octopuskwekerij op Gran Canaria, maar dat inmiddels naar een alternatieve locatie wordt gekeken. Zij wijzen erop dat de octopus een intelligent, solitair en nieuwsgierig dier is, en dat breed wordt onderkend dat het houden en doden ervan in intensieve kwekerijen onverenigbaar is met dierenwelzijn. De leden van de PvdD-fractie merken op dat een ruime Kamermeerderheid in 2023 een motie heeft aangenomen waarmee de regering wordt verzocht zich in Europa actief uit te spreken tegen octopuskwekerijen (Kamerstuk 32627, nr. 50). Zij constateren dat de ambtsvoorganger van de staatssecretaris heeft toegezegd dit onderwerp te agenderen in de EU-besprekingen over de herziening van de dierenwelzijnsregelgeving, maar dat die herziening op zich laat wachten, terwijl kwekers in de tussentijd blijven zoeken naar locaties binnen Europa. Daarbij wijzen deze leden erop dat ook internationaal de druk op octopuskwekerijen toeneemt, met een verbod in verschillende Amerikaanse staten, en dat ook landen als Colombia, Mexico en Chili wetgeving voorbereiden. De leden van de PvdD-fractie vragen of de staatssecretaris de zorgen deelt dat er op korte termijn octopuskwekerijen worden opgezet binnen de Europese Unie. Wanneer gaat de staatssecretaris, ter uitvoering van de motie, in EU-verband pleiten voor een verbod op octopuskwekerijen? Is hij bereid dit niet langer afhankelijk te maken van de vertraagde herziening van de dierenwelzijnsregelgeving? Zo nee, waarom niet? Wat is voorts zijn inschatting van het Europese krachtenveld op dit onderwerp? Antwoord De staatssecretaris is bekend met de eerdere plannen voor een octopuskwekerij op Gran Canaria en dat daar inmiddels van af wordt gezien. Dat vindt de staatssecretaris een goede zaak. Actief uitspreken als Nederland tegen octopuskwekerijen in Europa vindt de staatssecretaris alleen passend wanneer dit onderwerp besproken wordt in Europees verband, omdat er geen nationaal belang is voor Nederland. De besprekingen over de herziening van de dierenwelzijnsregelgeving zouden hiervoor een passende gelegenheid kunnen bieden, zoals de ambtsvoorganger van de staatssecretaris eerder heeft aangegeven, voor de uitvoering van de motie-Vestering/Wassenberg (Kamerstuk 32 627, nr. 50). Er is tot dusver echter alleen over transport gesproken en niet over het houden van (water)dieren, waardoor zich nog geen geschikt moment heeft voorgedaan om dit aan de orde te stellen. Wanneer gerelateerde onderwerpen zullen worden besproken, dan zal de staatssecretaris uitdragen dat hij geen voorstander van een octopuskwekerij is. Het Europese krachtenveld is op dit moment lastig te duiden, al is Nederland wat betreft dierenwelzijn vaak vooruitstrevend in vergelijking tot andere EU-lidstaten. Paling De leden van de PvdD-fractie maken zich al langere tijd grote zorgen over de staat van de ernstig bedreigde paling. Deze leden wijzen erop dat ICES al jaren adviseert dat alle door de mens veroorzaakte sterfte van paling, inclusief de vangst, tot nul of zo dicht mogelijk bij nul moet worden teruggebracht. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de vangst van zowel glasaal als volwassen dieren binnen de EU nog altijd is toegestaan en dat Nederland daarbij tot de lidstaten behoort die de meeste paling vangen. Hoe verhoudt deze vangst zich tot het herhaalde ICES-advies voor nulvangst en tot de internationale verplichtingen om het paling bestand te herstellen? De leden van de PvdD-fractie herinneren de staatssecretaris aan het verzoek van de Kamer aan de regering om zich in te zetten voor internationale en Europese beschermingsmaatregelen, en daarbij de meest recente wetenschappelijke rapporten leidend te laten zijn (Kamerstuk 36200 XIV, nr. 74). Kan de staatssecretaris uiteenzetten welke concrete stappen sinds 2022 zijn gezet ter uitvoering van deze motie, en tot welke resultaten dat heeft geleid? Is de staatssecretaris bereid om aanvullende stappen te zetten om paling beter te beschermen en beter te voldoen aan het advies van ICES? Antwoord De beschermende maatregelen in Europees verband om bij te dragen aan het herstel van de aal zijn primair vormgegeven via de Europese Aalverordening. In dat kader is door Nederland een nationaal Aalbeheerplan opgesteld waarin substantiële maatregelen ter bescherming van de aal zijn opgenomen. Het gaat daarbij niet alleen om visserijmaatregelen, maar breder ook om maatregelen die bijvoorbeeld aalmigratie beter mogelijk moeten maken. Dat is van belang omdat voor herstel van de aal maatregelen op alle onderdelen nodig zijn. Met betrekking tot de visserij is in het Aalbeheerplan opgenomen dat op de binnenwateren gedurende drie maanden in de uittrektijd voor aal geen visserij mag plaatsvinden en voor de kustwateren gedurende zes maanden. Daarnaast is sportvisserij op aal verboden en is alle aalvisserij in de grote rivieren niet meer toegestaan. Binnen deze beperkingen is aalvisserij toegestaan. De resultaten van dit nationaal Aalbeheerplan worden iedere drie jaar gemonitord en laten met name over de laatste periode zien dat de sterfte van aal door menselijke invloeden is afgenomen en dat mogelijk sprake lijkt te zijn van een voorzichtig herstel. Dat is positief, maar verder herstel is nog nodig. Blauwvintonijn De leden van de PvdD-fractie maken zich zorgen over de sterke groei van de blauwvintonijn-kwekerijen in de Europese Unie. Deze leden constateren dat wilde blauwvintonijn, een vissoort die van nature duizenden kilometers aflegt, levend wordt gevangen en vervolgens in kooien op zee wordt vetgemest met wild gevangen vis. Zij wijzen erop dat deze praktijk gepaard gaat met ernstig dierenleed, doordat deze snelle zwemmers hun leven lang rondjes moeten zwemmen zonder enige ruimte voor natuurlijk gedrag. De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat zo’n 90 procent van de blauwvintonijn uit Europese kwekerijen wordt geëxporteerd naar landen buiten de EU. Hoeveel subsidies krijgen kwekers van blauwvintonijn in de EU? Wat is het standpunt van de staatssecretaris over deze gesubsidieerde blauwvistonijn-kwekerijen? De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de blauwvintonijn inmiddels ook weer in de Noordzee voorkomt. Deze leden hebben kennisgenomen van de oproep om geen tonijnvisserij in de Noordzee toe te staan (https://www.ad.nl/opinie/opinie-jonge-blauwvintonijn-heeft-geen-leven-als-hij-wordt-opgesloten-in-een-kooi-op-zee~a5a25dae). Is de staatssecretaris bereid zich ertegen te verzetten dat de Noordzee een nieuw wingebied wordt voor tonijnen voor de kwekerij en om de vangst van blauwvintonijn niet uit te breiden? Zo nee, waarom niet? Antwoord Er wordt onder Nederlandse vlag niet gericht op blauwvintonijn gevist. Ook zijn er in Nederland geen blauwvintonijnkwekerijen. De staatssecretaris heeft daarom in dit verband ook geen subsidieregeling opengesteld. Het is de staatssecretaris niet bekend hoe andere EU-lidstaten, die wel een quotum voor gerichte blauwvintonijnvisserij hebben, hiermee omgaan. Verder heeft Nederland geen quotum voor gerichte visserij op blauwvintonijn en het is dus ook niet toegestaan om gericht op blauwvintonijn te vissen op de Noordzee. Deze visserij en dit soort blauwvintonijnkwekerijen komen op de Nederlandse Noordzee dan ook niet voor. Fiche: Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Routekaart voor de uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen. Deze leden verwelkomen de routekaart en de ambitie van de EC en het kabinet om te komen tot een volledige vervanging van dierproeven. De leden hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de routekaart in hoge mate vrijblijvend is. Deze leden vrezen dat de uitfasering hiermee opnieuw te traag verloopt. Deelt het kabinet deze zorg? Deze leden wijzen erop dat de routekaart niet aangeeft hoe de bestaande wetgeving zal worden aangepast, geen heldere tijdlijnen stelt voor acties na 2029 en geen concrete doelen stelt voor het beëindigen van specifieke dierproeven. Deze leden achten daarom een helder implementatieplan noodzakelijk, met concrete doelen, afspraken over financiering en verantwoordingsmechanismen. Is het kabinet bereid zich hiervoor in te zetten? Is het kabinet tevens bereid zich in EU-verband in te zetten voor afbouwdeadlines? Zo nee, waarom niet? Deze leden vragen hoe het kabinet de motie-Thijssen c.s. (Kamerstuk 32336, nr. 148) betrekt bij de Europese inzet rondom deze routekaart. Antwoord Het kabinet is blij met de routekaart en deelt die zorgen niet. Uitfasering moet op Europees niveau plaatsvinden en deze routekaart biedt bij uitstek de kans om daar nu stappen op te zetten richting uitfasering van dierproeven voor beoordeling van chemische stoffen. Het voorgenomen Roadmap Steering Team kan Nederland de kans bieden om invloed uit te oefenen op de uitvoering van de routekaart en de invulling na 2029. De Dierproevenrichtlijn (Richtlijn 2010/63) schrijft voor dat dierproeven alleen zijn toegestaan als er geen gevalideerde en geaccepteerde proefdiervrije methoden beschikbaar zijn. Dat houdt tegelijk in dat zodra die er wel zijn, een dierproef niet meer is toegestaan. Dat vraagt vervolgens wel om eventuele aanpassing van diverse richtlijnen. De oproep voor deelname aan het Roadmap Steering Team is nog niet open en deelname is dus nog niet gegarandeerd, maar Nederland heeft al aangegeven zeer geïnteresseerd te zijn om experts voor te dragen. Het kabinet zal waar mogelijk pleiten voor de noodzakelijke randvoorwaarden, zoals concrete doelen, financiering en een implementatieplan. Het kabinet gaat niet pleiten voor afbouwdeadlines. Wanneer een benodigde ontwikkeling en vervolgens validatie en acceptatie van een proefdiervrije beoordelingsmethode beschikbaar is voor even goede of zelfs betere veiligheidsbeoordelingen, is niet te voorspellen. De veiligheid van mens, dier en milieu moet geborgd blijven. Het kabinet begrijpt de oproep tot een concreter implementatieplan, maar zoals beschreven in de Kamerbrief dierproeven en TPI van 13 juli 2023 (Kamerstuk 32 336, nr. 150), waarin de reactie op de motie van het lid Thijsen is opgenomen, is dit niet eenvoudig. Een afbouwplan met kwantitatieve reductiedoelen zou schijnzekerheid creëren, aangezien er geen harde instrumenten voorhanden zijn om die afbouw juridisch te borgen. Het kabinet heeft in die brief, maar ook recenter, de Kamer geïnformeerd zich in te zetten om op Europees niveau tot verandering te komen. De Nederlandse inbreng aan de totstandkoming van deze routekaart is daarvan een voorbeeld. Daarnaast werkt het kabinet samen met de Commissie actief mee aan het European Research Area-voorstel (ERA), wat tevens toeziet op biomedisch onderzoek, geneesmiddelen en medische apparatuur. Het kabinet zet in op een brede EU-aanpak op twee belangrijke domeinen (veiligheid van chemische stoffen en domeinen gedefinieerd binnen de ERA), waar nu nog veel dierproeven voor worden gebruikt. De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet verwelkomt dat binnen de plannen specifiek wordt onderzocht welke dierproeven nu al overbodig zijn en op korte termijn kunnen worden uitgefaseerd. Deze leden onderschrijven deze inzet. Is het kabinet bereid om erop aan te dringen dat dierproeven waarvoor reeds alternatieven beschikbaar zijn, op zeer korte termijn worden beëindigd? Is het kabinet bereid de Kamer hierover op de hoogte te houden? Antwoord De Dierproevenrichtlijn (Richtlijn 2010/63) schrijft voor dat dierproeven alleen zijn toegestaan, wanneer er geen gevalideerd alternatief beschikbaar is. Deze regelgeving geldt voor heel de Europese Unie. In Nederland beoordeelt de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) of er een vergunning verleend wordt voor een dierproef en die toetst daarbij of er een gevalideerd alternatief is. Het kabinet is sinds de aankondiging actief bij de routekaart betrokken en mengt zich in gesprekken over de implementatie. Het aanjagen van vervanging van dierproeven, zodra dat wetenschappelijk mogelijk is en de veiligheid van mens, dier en milieu gewaarborgd blijft, behoort tot de kern van de routekaart en de inzet van het kabinet. Zowel met de Commissie als met andere betrokken stakeholders wordt gewerkt aan draagvlak bij lidstaten voor brede implementatie van de plannen. Om die betrokkenheid te verstevigen zal het kabinet zich blijven inzetten voor prominente deelname vanuit Nederland in de verschillende onderdelen van de routekaart, waaronder het Roadmap Steering Team. De leden van de PvdD-fractie constateren dat de routekaart zich beperkt tot dierproeven voor veiligheidsbeoordelingen, terwijl verreweg de meeste dierproeven in de EU plaatsvinden bij wetenschappelijk onderzoek. Is het kabinet bereid zich in EU-verband in te zetten voor een parallelle routekaart voor het uitfaseren van dierproeven in het onderzoek, gekoppeld aan gerichte investeringen in innovatieve, proefdiervrije methoden? Zo nee, waarom niet? Antwoord Het ERA-project, dat mede op initiatief van het kabinet is opgestart, richt zich specifiek op de ontwikkeling en implementatie van proefdiervrije methoden binnen biomedisch onderzoek en het testen van geneesmiddelen en medische apparaten. Die domeinen zijn bewust als onderwerp van de ERA gekozen, omdat deze geen onderdeel van de routekaart van de Commissie uitmaken, om zo ook daar toe te werken naar reductie van dierproeven. Een van de verwachte resultaten van dit project is een agenda die duidelijk maakt waar proefdiervrije methoden de meeste impact zullen hebben. Dit zal naar verwachting richting geven aan toekomstige inzet op opschaling van proefdiervrije innovaties met maximale impact, net als de routekaart van de Commissie. Hoewel dit project pas net is begonnen, hebben al achttien EU-lidstaten zich aangesloten, net als een brede groep stakeholders uit de (farmaceutische) industrie, de wetenschap en de maatschappij. Door deze brede betrokkenheid ontstaat er een forum op Europees niveau dat nadenkt over het aanjagen van proefdiervrije innovatie in biomedische wetenschap. Het kabinet zal dit forum en andere kanalen aanwenden om te pleiten voor investeringen en zal de samenwerking met andere lidstaten en de Commissie blijven opzoeken. De leden van de PvdD-fractie constateren dat het kabinet aangeeft dat nationale afbouw van dierproeven juridisch beperkt is door de dierproevenrichtlijn. Deze leden vragen of het kabinet het hierdoor wenselijk acht dat de dierproevenrichtlijn wordt herzien, zodat lidstaten die aanvullende stappen willen zetten, deze ruimte ook krijgen. Zo nee, waarom niet? Voorts constateren deze leden dat het kabinet onderzoekt of bepaalde dierproeven binnen de huidige Europese kaders wél nationaal kunnen worden afgebouwd. Om welke dierproeven gaat het en wanneer verwacht het kabinet hierover duidelijkheid te krijgen? Antwoord Het kabinet acht het niet wenselijk dat de Dierproevenrichtlijn wordt herzien, zodat lidstaten meer ruimte krijgen. Onderzoek waarbij proefdieren worden ingezet beperkt zich niet tot landsgrenzen. Wanneer landen verschillende regels hanteren voor welke dierproeven toegestaan zijn, belemmert dat de Europese gelijke interne markt. Bedrijven zouden bijvoorbeeld hun dierproeven kunnen verplaatsen naar een land waar dat nog wel mag, in plaats van te werken aan vervanging. Afbouw moet daarom op Europees niveau gebeuren. De routekaart van de Commissie vormt hiervoor een goede stap. Het kabinet zet zich in voor ambitieuze implementatie en zal hierop aandringen bij de Commissie, agentschappen en stakeholders, onder andere via mogelijke deelname aan het Roadmap Steering Team. Op nationaal niveau wordt in opdracht van het kabinet door de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) in samenwerking met het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) onderzocht wat er binnen de huidige wet- en regelgeving aan uitfasering van bepaalde dierproeven mogelijk is. De CCD heeft aangegeven haar inzichten later dit jaar te kunnen delen. Landbouwgif De leden van de PvdD-fractie lezen in de brief ‘SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen september 2026’ dat het Ierse voorzitterschap met haast een nieuw compromisvoorstel voor de Omnibus AnFood & Feed in het Coreper-overleg 23 september wil vaststellen. Dit doen ze terwijl vorige week nog 573 wetenschappers gezamenlijk een brief stuurden met hun zorgen over de gevolgen van dit voorstel en een verzoek om een pauze in te lassen (https://www.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/science/cml/letter-to-parliament-pdf.pdf). Gaat het kabinet tegen dit voorstel stemmen, nu 573 wetenschappers aangeven dat de regels risicovol worden versoepeld en dit dus een verslechtering zal opleveren voor de bescherming van mens, dier en milieu (Kamerstuk 22112, nr. 4328)? Zo nee, kan het kabinet wetenschappelijk aantonen dat dit voorstel geen verslechtering oplevert voor de bescherming van mens, dier en milieu? Informeert het kabinet vooraf bij andere lidstaten of er een mogelijkheid is om een blocking minority te vormen? Zo nee, waarom niet? Kan het kabinet aangeven welke concrete verbeteringen en verslechteringen hij ziet voor de bescherming van mens, dier en milieu ten opzichte van het vorige compromisvoorstel dat voorlag en is weggestemd? Is het kabinet bereid om tegen het voorstel te stemmen als de Kamer onvoldoende tijd heeft gekregen om niet alleen van het compromisvoorstel kennis te nemen, maar ook om er een oordeel over te vellen, zoals verzocht in de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335)? Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. De leden van de PvdD-fractie begrijpen dat met dit nieuwe compromisvoorstel onder andere wordt geregeld dat de periodieke herbeoordeling voor laag-risicomiddelen wordt geschrapt en de toelatingsperiode voor de meeste bestrijdingsmiddelen wordt verlengd tot 25 jaar. Daarnaast wordt de respijtperiode voor bewezen schadelijke en verboden pesticiden tot drie jaar verlengd. Kan het kabinet beschrijven wat de verwachte consequenties en mogelijke risico’s hiervan zijn voor werknemers die werken met pesticiden? Wat doet dit met het risico wat zij lopen op zeer ernstige gezondheidseffecten, zoals verminderde vruchtbaarheid, vormen van kanker en de ziekte van Parkinson? Kan het kabinet beschrijven wat de verwachte consequenties en mogelijke risico’s hiervan zijn voor directe omwonenden, in het bijzonder hun kinderen? Wat zijn de gevolgen van deze versoepelingen voor onze waterkwaliteit? Op welke manier helpen ze ons om dichterbij de verplichte wettelijke natuurdoelen te komen? Wat betekenen deze voorgenomen versoepelingen voor het Nederlandse Natuurplan, als invulling van de Natuurherstelverordening? Zal deze nu aangescherpt moeten worden, aangezien de verwachting is dat burgers hierdoor met meer vervuiling en ongezonde gevolgen te maken zullen krijgen? Antwoord Voor deze vraag verwijzen wij de Kamer naar de brief die de staatssecretaris op 22 september jl. aan de Kamer heeft gestuurd over het nieuwe Omnibus compromisvoorstel. De leden van de PvdD-fractie lezen tevens dat de EC lidstaten voorstelt de toelatingen van buprofezine binnen 6 maanden na inwerkingtreding in te trekken en dat ze daarbij een maximale respijttermijn van 12 maanden kunnen voorschrijven. Is het kabinet bereid om, aangezien buprofezine bewezen hormoonontregelende eigenschappen heeft voor mensen, de toelating van het middel met deze werkzame stof per direct in te trekken? Zo nee, waarom niet? Antwoord Het is aan het Ctgb om, als onafhankelijke toelatingsautoriteit, de respijtperiode (opgebruik- en aflevertermijn) van middelen vast te stellen. Bij het vaststellen van deze termijn kijkt het Ctgb ook naar de mogelijke risico’s van gebruik. Indien het Ctgb dit nodig acht, zal een korte(re) respijtperiode worden vastgesteld. De leden van de PvdD-fractie wijzen het kabinet tevens op de meest recente alarmerende berichten van onder andere de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de wetenschap over de grote problemen en risico's veroorzaakt door PFAS-houdend landbouwgif. In het huidige voorstel over verbod op PFAS in de EU is landbouwgif uitgezonderd en de bestaande andere wegen om PFAS in landbouwgif aan te pakken zijn ontoereikend. Gezien de schadelijkheid van deze stoffen en risico's voor niet alleen water, maar ook volksgezondheid en ongeboren kind, is de regering bereid om actief in EU te pleiten voor een verbod op PFAS in landbouwgif, zoals nu conform de aangenomen motie-Kostić door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat wordt gedaan daar waar het gaat biociden of gif buiten landbouw? Is het kabinet bereid is dit jaar of volgend jaar maatregelen te treffen om PFAS in landbouwgif op nationaal niveau te beperken? Kan het kabinet tevens in dat licht het volgende nieuws (https://www.nu.nl/binnenland/6409707/al-voor-een-pfas-verbod-is-duidelijk-het-verbod-is-geen-verbod.html) meenemen, waaruit blijkt dat de industrie effectief is in afzwakkingen van maatregelen tegen PFAS, en het gevaar dat dat met zich meebrengt voor volksgezondheid en water? Antwoord De staatssecretaris heeft samen met de minister van Infrastructuur en Waterstaat op 11 september jl. de Kamer een reactie gestuurd op het betreffende ILT-rapport en de acties die het kabinet neemt om de blootstelling aan PFAS te verminderen (Kamerstuk 2026Z18695). Staat van instandhouding bruinvis en zeehond De leden van de PvdD-fractie lazen tenslotte het bericht dat de staatssecretaris opnieuw wetenschappelijk onderzoek naast zich neer heeft gelegd, ditmaal over de staat van instandhouding van de bruinvis en zeehond (https://www.nu.nl/dieren/6409317/ministerie-schuift-oordeel-onderzoekers-over-status-natuur-opzij-beetje-gek.html). Dit baart deze leden grote zorgen. Waarom volgt de staatssecretaris de adviezen van wetenschappers niet op? Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het afwijkende standpunt van de staatssecretaris over de staat van instandhouding van de bruinvis en zeehond? Beschouwt de staatssecretaris resultaten van wetenschappelijk onderzoek als suggesties of als feiten (tot het tegendeel bewezen is)? Ziet de staatssecretaris hoe hij hierdoor meewerkt aan een breder antirechtsstatelijk patroon en politiek van onderbuik, waarin wetenschappelijke adviezen worden genegeerd en weggezet als meningen? Is er een interne risicoanalyse gemaakt van het afwijken van wetenschappelijke adviezen, en heeft de staatssecretaris interne adviezen gekregen die tegen deze afwijking adviseerden? Zo ja, kan de staatssecretaris deze stukken delen? Wat zou de staatssecretaris ervan vinden als andere EU-landen zouden afwijken van wetenschappelijke adviezen over de staat van instandhouding van diersoorten? Is de staatssecretaris bereid om met de WUR in gesprek te gaan over haar omgangswijze met wetenschappelijke adviezen en daarover verslag te doen aan de Kamer? Antwoord Het bericht dat LVVN het wetenschappelijk onderzoek naast zich neer heeft gelegd is onjuist. Verreweg het grootste gedeelte van het advies van WUR is overgenomen in de rapportage. Dat geldt ook voor het grootste gedeelte van de beoordelingen voor zeezoogdieren. Daar waar is afgeweken in de sub-parameters is daar zorgvuldig mee omgegaan. De minister neemt het advies van wetenschappelijke instituten altijd zeer serieus. Alleen bij uitzondering wordt afgeweken van het advies en dan wordt dat transparant en goed onderbouwd gedaan. Ook is dit met de betrokken wetenschappers besproken en er is in dit geval een document als bijlage voor de afwijking extra toegevoegd in het adviesrapport waarin onze toelichting staat. Zie verder het antwoord op de vragen van de leden van PRO. De leden van de PvdD-fractie verzoeken de staatssecretaris om alle vragen zorgvuldig en zoveel mogelijk met verwijzing naar (wetenschappelijke) bronnen onderbouwd te beantwoorden. Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie Marktsituatie en Actieplan Meststoffen De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen om de 14,895 miljoen euro die Nederland uit de Europese landbouwreserve ontvangt via een top-up op de basisinkomenssteun uit het GLB beschikbaar te stellen aan grondgebonden landbouwers. Deze leden kunnen zich vinden in de keuze voor een pragmatische verdeling die zo min mogelijk extra administratieve lasten voor landbouwers en uitvoeringsorganisaties met zich meebrengt. De leden van de BBB-fractie wijzen er daarnaast op dat Nederlandse landbouwbedrijven in Europees verband relatief weinig afhankelijk zijn van overheidssteun en gemiddeld slechts circa 10 à 11 procent van hun inkomen uit overheidsbetalingen ontvangen, waarvan het grootste deel voor geleverde ecosysteemdiensten. Nederland is bovendien nettobetaler aan de Europese Unie. Tegen die achtergrond vragen deze leden hoe het Nederlandse aandeel van 14,895 miljoen euro uit het totale steunpakket van 540 miljoen euro zich verhoudt tot de Nederlandse bijdrage aan dit pakket. Is Nederland bij deze steunmaatregel per saldo opnieuw nettobetaler? Kan de minister inzichtelijk maken hoeveel Nederland via de Europese begroting aan deze landbouwreserve bijdraagt en hoeveel daarvan nu naar Nederlandse landbouwers terugvloeit? Hoe verhoudt het Nederlandse steunbedrag per landbouwer en per hectare zich tot dat van andere lidstaten? Antwoord De Commissie heeft getracht met haar verdeling zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de werkelijke kostenstijging in de lidstaten. Hiertoe heeft de Commissie de allocatie van de budgetten over lidstaten bepaald op grond van drie criteria, namelijk 1) het aandeel in de directe betalingen, 2) de kosten besteed aan meststoffen en 3) kosten besteed aan energie, anders dan elektriciteit en gas (met name diesel, omdat hierop de grootste prijsstijgingen hebben plaatsgevonden. Bron: Eurostat data). De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat Nederlandse landbouwbedrijven in vergelijking met veel andere Europese lidstaten relatief sterk hun inkomen uit de markt halen en relatief beperkt afhankelijk zijn van directe inkomenssteun. Kan worden aangeven welk aandeel directe betalingen en welk aandeel totale publieke landbouwsteun momenteel uitmaken van het Nederlandse landbouwinkomen en hoe Nederland daarmee binnen de EU staat? Antwoord In het algemeen zijn Nederlandse boerenbedrijven goed in staat het inkomen uit de markt te halen. GLB-inkomenssteun is over het algemeen een beperkt onderdeel van het inkomen. Hierbij zijn er verschillen tussen de sectoren, maar ook binnen een sector kunnen grote verschillen tussen bedrijven bestaan. Daarnaast kunnen de kosten en opbrengsten van jaar tot jaar sterk fluctueren. In algemene zin klopt het dat in vergelijking met veel Europese lidstaten het aandeel GLB-steun in het inkomen in Nederland relatief klein is. De gevraagde verdere analyse zal onderdeel uitmaken van de planvorming voor het GLB 2028-2034. In dat kader zal de minister de Kamer hier verder over informeren. De leden van de BBB-fractie vinden het bovendien opmerkelijk dat Europa enerzijds wel geld beschikbaar stelt om boeren te compenseren voor hoge kunstmestkosten, terwijl Europese regelgeving anderzijds het gebruik van stikstof uit dierlijke mest begrenst op 170 kilogram stikstof per hectare en landbouwers daardoor in voorkomende gevallen juist zijn aangewezen op kunstmest om binnen de totale stikstofgebruiksnorm in de behoefte van het gewas te voorzien. De EC erkent inmiddels zelf dat het vervangen van minerale meststoffen door teruggewonnen stikstof uit dierlijke mest de afhankelijkheid van geïmporteerde kunstmest kan verminderen. Is de minister het ermee eens dat een ruimere mogelijkheid om stikstof uit dierlijke mest binnen de totale stikstofgebruiksnorm te benutten eveneens kan bijdragen aan een lager kunstmestgebruik? Antwoord Het is belangrijk dat mestaanwending plaatsvindt met zo min mogelijk nadelige milieueffecten. Op 2 maart jl. heeft de Commissie een start gemaakt met het toestaan van Renure bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest (en passend binnen de totale stikstofgebruiksnorm). Daarnaast heeft de Commissie in het Actieplan Meststoffen aangekondigd een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat te zullen onderzoeken. De minister volgt deze ontwikkelingen met belangstelling, omdat hij Renure als een belangrijk instrument beschouwt om de Nederlandse landbouw minder afhankelijk te maken van kunstmest. Tegelijkertijd is hij van mening dat het belangrijk is de milieueffecten in ogenschouw te nemen, met name ammoniakemissies naar de lucht en de uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 8 april jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 643), ziet de minister op dit moment geen ruimte voor een nieuwe mestderogatie, gezien de stikstof- en waterkwaliteitsopgave die Nederland resteert. Kan de minister tijdens de Raad daarom opnieuw nadrukkelijk bepleiten dat niet de herkomst van de stikstof en daarmee de beperking van dierlijke mest leidend moet zijn, maar de totale bemestingsbehoefte van het gewas en het risico op verliezen naar water en milieu? Welke mogelijkheden ziet de minister om op Europees niveau meer ruimte te creëren voor het verantwoord gebruiken van dierlijke mest in plaats van kunstmest? Antwoord In reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie van de ambtsvoorganger van de minister, heeft de Commissie aangegeven dat Nederland niet voldoet aan de voorwaarden voor een nieuwe derogatie. De Commissie heeft daarbij aangegeven dat Nederland nog een grote opgave heeft ten aanzien van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en zij heeft daarbij ook de stikstofopgave in Nederland benoemd. Gelet hierop ziet de minister geen ruimte voor een nieuwe derogatie voor Nederland om het gebruik van dierlijke mest boven de 170 kilogram stikstof per hectare toe te staan. Wel is verwerkte circulaire dierlijke mest in de vorm van Renure een belangrijk instrument om de Nederlandse landbouw minder afhankelijk te maken van kunstmest. Ministeriële lunch Actieplan Meststoffen De leden van de BBB-fractie lezen dat de minister tijdens de ministeriële lunch het belang zal onderschrijven van de beschikbaarheid, betaalbaarheid en strategische autonomie van in de EU geproduceerde meststoffen. Deze leden onderschrijven het belang van strategische autonomie, maar missen daarbij nadrukkelijk de rol van dierlijke mest. Is de minister bereid tijdens deze lunch te benadrukken dat strategische autonomie niet alleen moet betekenen dat Europa meer kunstmest zelf gaat produceren, maar ook dat Europa beter gebruikmaakt van nutriënten die al beschikbaar zijn in dierlijke mest? Is de minister het ermee eens dat vervanging van kunstmest door stikstof uit dierlijke mest voordelen kan hebben voor circulariteit, het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde kunstmest en fossiele energie, de CO2-voetafdruk van de landbouw en de waterkwaliteit? Kan de minister daarbij opnieuw expliciet aandacht vragen voor de huidige arbitraire grens van 170 kilogram stikstof uit dierlijke mest en inzetten op meer ruimte voor dierlijke mest binnen de totale stikstofgebruiksnorm? Hoe verhoudt een blijvende Europese afhankelijkheid van kunstmest zich volgens de minister tot de wens om minder afhankelijk te worden van buitenlandse grondstoffen en energie? Antwoord De Commissie heeft naar aanleiding van de evaluatie van de Nitraatrichtlijn besloten de Nitraatrichtlijn niet te herzien. Ook de norm van 170 kilogram stikstof per hectare uit dierlijke mest blijft daarmee gehandhaafd. De minister beschouwt verwerkte, circulaire dierlijke mest in de vorm van Renure als een belangrijk instrument om de (Nederlandse) landbouw minder afhankelijk te maken van kunstmest. Er is op dit moment geen ruimte voor een nieuwe mestderogatie gezien de stikstof- en waterkwaliteitsopgave die Nederland resteert, zoals aangegeven in de brief van 8 april jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 643). Routekaart uitfasering dierproeven De leden van de BBB-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de Routekaart voor de geleidelijke uitfasering van dierproeven voor chemische veiligheidsbeoordelingen. Zij vinden het positief dat daarbij niet wordt gekozen voor een kunstmatige einddatum die voorbijgaat aan de wetenschappelijke mogelijkheden, maar voor een stapsgewijze aanpak waarbij vervanging plaatsvindt zodra betrouwbare alternatieven beschikbaar zijn. Het uitgangspunt dat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu onverkort behouden moet blijven en dat proefdiervrije methoden een gelijkwaardig beschermingsniveau moeten bieden is voor deze leden essentieel. Deze leden steunen daarom de Nederlandse inzet om ontwikkeling, validatie en internationale acceptatie van proefdiervrije methoden te versnellen, zonder daarbij concessies te doen aan de veiligheid. Zij vinden het eveneens verstandig dat onderscheid wordt gemaakt tussen korte, middellange en lange termijn, omdat de mogelijkheden voor vervanging per onderzoeks- en veiligheidsvraagstuk verschillen. Actieplan voor het EU-eiwitsysteem De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van een weerbaar Europees voedselsysteem en het verminderen van kwetsbare strategische afhankelijkheden. Zij constateren dat het actieplan sterk is gericht op het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitrijke grondstoffen, met name soja, en op het vergroten van de Europese productie van eiwitgewassen. Deze leden missen daarbij echter een andere belangrijke strategische afhankelijkheid, namelijk die van kunstmest. Voor de productie van plantaardige eiwitten is stikstof noodzakelijk. Tegelijkertijd beperkt Europese regelgeving de hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest die kan worden gebruikt, terwijl stikstofkunstmest vervolgens wel binnen de stikstofgebruiksnorm kan worden ingezet. Waarom wordt in een strategie die expliciet is gericht op strategische autonomie van het Europese eiwitsysteem niet nadrukkelijker gekeken naar het optimaal benutten van Europese dierlijke mest als bron van nutriënten? De EC wijst zelf op de stikstofbindende eigenschappen van peulvruchten en op vermindering van de behoefte aan meststoffen. Deelt de minister de mening dat dezelfde redenering moet worden toegepast op het beter benutten van reeds beschikbare nutriënten uit dierlijke mest? Welke inzet pleegt Nederland in Brussel om de afhankelijkheid van geïmporteerde eiwitgrondstoffen en de afhankelijkheid van geïmporteerde kunstmest en grondstoffen daarvoor gezamenlijk te verminderen? Antwoord Tegen de achtergrond van de voorgenomen voedselzekerheidsagenda (Kamerstuk 31 532, nr. 310) zet het kabinet zich in om op EU-niveau de strategische afhankelijkheid van veevoergrondstoffen en kunstmest aan te pakken, aangezien de EU vanwege haar bevoegdheden op het gebied van landbouw, handel en de interne markt het belangrijkste platvorm vormt voor het reduceren van strategische afhankelijkheden. De komende periode wil de staatssecretaris met Europese partners in gesprek om onder meer strategische afhankelijkheden voor veevoeders en kunstmest en mogelijke handelingsopties in beeld te brengen. Deze inzichten wil hij benutten voor de invulling van de voedselzekerheidsagenda. Verder blijft het kabinet zich inzetten voor een betere benutting van Renure-waardige producten en andere circulaire meststoffen, om zo de strategische afhankelijkheid van stikstofkunstmest te verminderen. Daarbij vindt het kabinet het belangrijk om de milieueffecten van een eventuele verbreding van de toepassing van deze circulaire meststoffen zorgvuldig in ogenschouw te nemen. De leden van de BBB-fractie plaatsen daarnaast kanttekeningen bij de gedachte dat de afhankelijkheid van soja eenvoudig kan worden verminderd door meer eiwitgewassen in Europa te produceren. Sojabonen worden verwerkt tot verschillende producten, waaronder sojaolie, sojaschroot en sojahullen, die verschillende toepassingen hebben. Hoe wordt in het Actieplan rekening gehouden met deze verwevenheid tussen humane consumptie, verwerking en diervoeders? Wordt onderscheid gemaakt tussen de import van hele sojabonen, sojaolie en sojaschroot en tussen de verschillende toepassingen daarvan? Welke gevolgen heeft een vermindering van het gebruik van sojaschroot als veevoer wanneer andere producten uit dezelfde sojaboon binnen Europa nog steeds worden gevraagd? Voorkomt de strategie daadwerkelijk import van soja, of bestaat het risico dat slechts de bestemming van verschillende delen van die grondstof verandert? Antwoord Het kabinet onderschrijft dat de strategische afhankelijkheid van soja niet eenvoudig kan worden verminderd door alleen meer eiwitgewassen in de EU te telen. Sojaschroot is vanwege het hoge eiwitgehalte, de gunstige aminozuursamenstelling en de hoge productiviteit een hoogwaardige eiwitbron voor diervoeding en is daarom niet één-op-één te vervangen. Onder bepaalde omstandigheden kan soja wel gedeeltelijk worden vervangen door een combinatie van Europese eiwitgewassen, reststromen en andere eiwitbronnen, bijvoorbeeld door aanpassing van rantsoenen. Dit sluit aan bij het EU-actieplan voor het eiwitsysteem en de Nationale Eiwitstrategie, die inzetten op diversificatie en efficiënter gebruik van eiwitbronnen. Bij de beoordeling van de effecten moet de gehele sojaketen worden meegenomen. Soja wordt verwerkt tot onder meer olie, schroot en hullen, waardoor een lagere vraag naar sojaschroot niet automatisch leidt tot een evenredige daling van de totale import van sojabonen. Het EU-actieplan voor het eiwitsysteem zet daarom naast meer Europese productie ook in op diversificatie van importbronnen. Daarbij kan Oekraïne, met zijn grote productiepotentieel voor plantaardige eiwitten, een relevante rol spelen. Het kabinet vindt het daarom van belang om bij maatregelen tegen de soja-afhankelijkheid de effecten op de gehele eiwitketen en de totale strategische afhankelijkheid te bezien. Deze leden wijzen er bovendien op dat in Nederland al jarenlang wordt gewerkt aan de teelt van eiwitrijke gewassen. De praktijk laat zien dat het verdienmodel daarbij een belangrijk knelpunt blijft. Zo constateert WUR dat de opbrengsten van verschillende peulvruchten achterblijven en dat bijvoorbeeld de eerder in Nederland geïntroduceerde sojateelt niet rendabel bleek. Welke lessen uit eerdere Nederlandse pilots, de Nationale Eiwitstrategie en de Bean Deal zijn meegenomen in de Nederlandse appreciatie van het Europese actieplan? Welke concrete belemmeringen zijn daarbij vastgesteld ten aanzien van opbrengst, teeltrisico, verwerking, afzet en verdienvermogen? Hoe wordt voorkomen dat met Europees geld opnieuw teelten worden gestimuleerd waarvan reeds bekend is dat zij onder Nederlandse omstandigheden zonder structurele ondersteuning onvoldoende concurrerend zijn? Antwoord Uit drie jaar Bean Deal blijkt vooral dat achterblijvende marktvraag het opschalen van de teelt van vlinderbloemigen in Nederland belemmert. Initiatieven voortgekomen uit de Bean Deal laten zien dat ketensamenwerking, een grotere rol voor de Producentenorganisatie Eiwitboeren van Nederland, en consumentenactivatie bijdragen aan het vergroten van de marktvraag. Het kabinet onderschrijft het pleidooi van de Commissie voor het versterken van samenwerking en kennisdeling over de volledige eiwitwaardeketen, van productie tot en met consumptie, en het versterken van onderzoek, ontwikkeling en innovatie om de productie, verwerking en toepassing van Europese eiwitten te verbeteren, waarbij de nadruk ligt op onder meer de ketensamenwerking. Daarnaast verwelkomt het kabinet de voorstellen van de Commissie om de samenwerking tussen telers van eiwitgewassen in de keten te versterken. De in 2025 voorgestelde wijzigingen van de Verordening Gemeenschappelijke Marktordening (GMO-verordening) inzake de erkenning van producentenorganisaties en de mogelijkheden voor sectorale interventies in deze sector worden gesteund. De leden van de BBB-fractie hebben nadrukkelijke vragen over de verhouding tussen productie en consumptie. Het Nederlandse beleid streeft naar een verhouding van 40% dierlijke en 60% plantaardige eiwitconsumptie. Uit de Eiwitmonitor 2025 blijkt echter dat de Nederlandse consumptie nog altijd voor ongeveer 61% uit dierlijke en voor 39% uit plantaardige eiwitten bestaat en dat hierin ten opzichte van 2024 geen statistisch significante verschuiving is opgetreden. Hoe verstandig is het volgens de minister om beleid dat invloed heeft op de Europese productiecapaciteit van dierlijke eiwitten vooruit te laten lopen op een verandering in de daadwerkelijke consumentenvraag? Heeft de minister onderzocht wat er gebeurt wanneer de Europese productie van dierlijke eiwitten sneller afneemt dan de Europese consumptie daarvan? Kan de minister daarbij specifiek ingaan op het risico dat Europa zijn afhankelijkheid van geïmporteerde soja vermindert, maar daar een nieuwe afhankelijkheid van de import van vlees, zuivel, eieren of andere dierlijke producten voor terugkrijgt? In hoeverre is daarmee sprake van een daadwerkelijke vergroting van de strategische autonomie wanneer de productie van het eindproduct vervolgens naar derde landen verschuift? Welke waarborgen bevat het Europese actieplan om dit zogenoemde weglekeffect te voorkomen? Antwoord Beleid gericht op eiwittransitie – het toewerken naar een balans in de gemiddelde Nederlandse eiwitconsumptie van 50% dierlijke eiwitten en 50% plantaardige eiwitten – en beleid met gevolgen voor de dierlijke productie in Nederland dienen zeker in samenhang te worden bezien. De situatie is nu zo dat in Nederland van de meeste dierlijke producten meer dan voldoende worden geproduceerd voor de eigen voedselvoorziening en er geen signalen zijn dat die productie drastisch zou zakken. Het is daarbij belangrijk om de ontwikkelingen inzake productie van voedsel van dierlijke en plantaardige oorsprong in de rest van de EU en wereldwijd steeds goed te bezien, zonder dat de Nederlandse regering de mogelijkheid heeft om sterk te sturen op wat buiten Nederland gebeurt. Het kabinet heeft wel de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat voedselproductie in Nederland in overeenstemming gebeurt met de randvoorwaarden en doelen inzake onder andere natuur, milieu en volksgezondheid, ook gelet op de volhoudbaarheid van de voedselproductie in Nederland. Daarnaast zet het kabinet zich in voor verduurzaming van de voedselconsumptie. De leden van de BBB-fractie vinden dat strategische autonomie over de hele voedselketen moet worden beoordeeld. Kan de minister toezeggen zich er in Brussel voor in te zetten dat bij maatregelen gericht op het verminderen van de import van veevoereiwitten steeds wordt doorgerekend wat deze maatregelen betekenen voor de Europese productie van dierlijke eiwitten, de consumentenprijzen, de import van dierlijke eindproducten en de totale strategische afhankelijkheid van derde landen? Antwoord Het kabinet onderschrijft het belang van een integrale benadering van strategische autonomie in de gehele voedsel- en eiwitketen. Het kabinet zal zich daarom, daar waar mogelijk, in Brussel inzetten voor een integrale beoordeling van maatregelen gericht op het verminderen van de importafhankelijkheid van veevoereiwitten. Visserij De leden van de BBB-fractie constateren dat Spanje meer vissers toestaat om blauwvintonijn als bijvangst te behouden en hiervoor ruim 233 ton beschikbaar stelt. Ook in de Noordzee wordt de blauwvintonijn steeds vaker waargenomen. Kan worden onderzocht of het Nederlandse quotum voor blauwvintonijn kan worden uitgebreid, zodat ook Nederlandse handlijnvissers hiervan kunnen profiteren? Antwoord Spanje heeft nationaal een quotum voor gerichte visserij op blauwvintonijn en verdeelt dit nationaal over de visserijsector. Nederland heeft nationaal geen quotum voor gerichte visserij op blauwvintonijn en kan dat dus ook niet toekennen. De staatssecretaris onderzoekt momenteel de mogelijkheden om incidentele bijvangst door de kleine kustvisserij van blauwvintonijn op de Noordzee, ondanks het ontbreken van een quotum, te kunnen aanlanden. De leden van de BBB-fractie vragen zich af hoe de ontwikkeling en de ecologische invloed van de Europese meerval momenteel worden gemonitord, met name rond stuwen, sluizen en vispassages. De leden van de BBB-fractie vragen tevens of de staatssecretaris bereid is lokaal maatwerk mogelijk te maken wanneer uit onderzoek blijkt dat uitzonderlijk hoge dichtheden Europese meervallen aantoonbare ecologische problemen veroorzaken, bijvoorbeeld door dieren te verplaatsen of andere beheermaatregelen toe te staan. Antwoord De meerval heeft momenteel een beschermde status onder de Visserijwet. Voor gevangen meervallen geldt daarom een terugzetverplichting; oftewel zij moeten direct in hetzelfde water worden teruggezet. Het verplaatsen van meervallen (naar andere wateren) is daarmee binnen de huidige regelgeving niet toegestaan. De signalen dat de meerval bezig lijkt aan een opmars zijn mij bekend. Om dit beter in beeld te brengen heeft Wageningen Marine Research (WMR), samen met Waardenburg Ecology en de Sportvisunie, in opdracht van LVVN en Rijkswaterstaat onderzoek uitgevoerd rond het stuw- en sluizencomplex bij Lith. Dit onderzoek was met name gericht op de vraag of meervallen bij deze migratiebarrière op grote schaal prederen op trekvissen, zoals zalm, zeeprik en aal, die het complex proberen te passeren. Het onderzoek heeft hiervoor geen aanwijzingen gevonden. Dit sluit niet uit dat de meerval op andere locaties, bijvoorbeeld bij andere migratieknelpunten of bij hoge lokale dichtheden, wel negatieve ecologische effecten kan hebben. LVVN laat momenteel door WMR onderzoek uitvoeren naar het algemene voorkomen en de ontwikkeling van de Europese meerval in Nederland. De resultaten van dit onderzoek zullen eind 2027 beschikbaar zijn en kunnen als basis dienen om de huidige beschermde status van de Europese meerval onder de Visserijwet opnieuw te evalueren. Op basis daarvan kan vervolgens worden bezien of aanpassing van het huidige beschermingsregime en daarmee meer ruimte voor beheermaatregelen wenselijk is. De leden van de BBB-fractie constateren dat Nederland een gezamenlijke Europese aanpak voor de aalscholver kan steunen, maar dat daarvoor eerst de gevolgen voor lokale visbestanden in kaart moeten worden gebracht. Is de staatssecretaris bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de impact van aalscholvers op de Nederlandse visbestanden, zodat kan worden bepaald waar maatregelen nodig en mogelijk zijn binnen de kaders van de Vogelrichtlijn? Antwoord Op dit moment laat de staatssecretaris hier een eerste analyse naar uitvoeren. In het Europese debat vindt de staatssecretaris het van belang om beter in beeld te hebben wat de Nederlandse situatie is. Een rapportage hiervan verwacht hij in het eerste kwartaal van 2027. De leden van de BBB-fractie constateren dat het aantal zeehonden, waaronder grijze zeehonden, in de Nederlandse kustwateren is toegenomen. Zij vragen welke gevolgen dit heeft voor de visstand, andere diersoorten en de doelstellingen van onder meer de KRW, de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Kan onderzoek worden gedaan naar het dieet van de grijze zeehond en de bredere invloed van deze soort op het mariene ecosysteem? Kan daarbij ook worden onderzocht hoe vaak grijze zeehonden bruinvissen en gewone zeehonden aanvallen en of dit gevolgen heeft voor hun populaties? Hierbij kan bijvoorbeeld via DNA-onderzoek naar de doodsoorzaken van gestrande dieren worden gekeken en kan het gedrag worden gemonitord op zandbanken waar beide zeehondensoorten voorkomen. Antwoord Er is momenteel geen aanwijzing dat de toegenomen aantallen grijze zeehonden impact hebben op de visstand of op de populatie van andere diersoorten. Aanvallen van grijze zeehonden op bruinvissen vinden inderdaad plaats, maar het is onduidelijk hoeveel dit gebeurt. LVVN is voornemens om te starten met postmortaal onderzoek voor zeehonden. Indien mogelijk zal daar ook gekeken worden naar het dieet van de twee zeehondensoorten. De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat vissers bij de Maxima-centrale mogelijk fuikenstekken verliezen. Kan worden onderzocht waar deze fuiken precies staan en hoeveel vislocaties hierdoor verloren gaan? Kan tevens worden nagegaan of de betrokken vissers hiervoor in aanmerking komen voor compensatie? Antwoord Als door infrastructurele ingrepen aangewezen vaste fuikenlocaties op het IJsselmeer komen te vervallen, ligt de verantwoordelijkheid voor eventuele financiële nadeelcompensatie bij de partij die deze ingreep pleegt. In de meeste gevallen heeft dit betrekking op Rijkswaterstaat dat hiervoor ook een regeling heeft. Indien mogelijk wordt wel altijd eerst bekeken of er andere alternatieve locaties gevonden kunnen worden, waar de betreffende visser de fuiken zou kunnen plaatsen. De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat vissers met een gemengde visserij voor de brandstofcompensatie verplicht moeten kiezen tussen tongvisserij en garnalenvisserij. Klopt het dat zij hierdoor, ondanks dat zij beide visserijen beoefenen, een deel van de compensatie mislopen en waarom is voor deze keuzeconstructie gekozen? Is de staatssecretaris bereid deze vissers alsnog voor het volledige compensatiebedrag in aanmerking te laten komen en daarbij rekening te houden met het gemengde karakter van hun bedrijfsvoering? Antwoord Ieder vissersvaartuig dat in aanmerking komt voor de regeling 'steun voor hogere bedrijfskosten visserij' kan slechts voor één categorie in aanmerking komen. Het is niet zo dat een vaartuig, omdat dit zowel op garnalen als tong vist (en dus kwalificeert voor beide categorieën), dubbel subsidie kan ontvangen. Welke visserij door de visser in kwestie het meest wordt uitgeoefend, bepaalt uiteindelijk in welke categorie het vaartuig thuishoort en hoeveel subsidie dit kan ontvangen. De compensatie is gebaseerd op het brandstofverbruik in die periode per vaartuig, ongeacht op welke soort er in die periode is gevist. De leden van de BBB-fractie ontvangen vanuit de garnalenvisserij regelmatig het verzoek om het weekendverbod met zes uur te verschuiven. Hierdoor kunnen vissers op vrijdag langer doorvissen en hoeven zij niet al op zondagavond om twaalf uur ‘s nachts uit te varen, maar kunnen zij op maandagochtend om 6 uur vertrekken, terwijl het totale aantal uren gelijk blijft. Zo zou ook personeel en jonge vissers beter behouden kunnen worden voor de sector. Is de staatssecretaris bereid binnen de sector te inventariseren of hiervoor voldoende draagvlak bestaat en welke praktische gevolgen deze verschuiving heeft? Antwoord Ja, de staatssecretaris is bereid dit te inventariseren. Hij zal het betrekken bij het overleg dat hij al heeft met de sector in het kader van de toekomstvisie garnalenvisserij. De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat buitenlandse schepen die op zandspiering vissen regelmatig binnen de driemijlszone komen en daar mogelijk illegaal vissen. Kan de staatssecretaris aangeven of deze signalen bekend zijn en hoe vaak hierop wordt gecontroleerd? Is de staatssecretaris bereid de controles en handhaving binnen de driemijlszone te intensiveren en overtredende schepen daadwerkelijk aan te pakken? Antwoord De Staatssecretaris is bekend met het gegeven dat buitenlandse vaartuigen die op zandspiering vissen in de Nederlandse 12-mijlzone actief zijn, maar kent geen signalen dat er regelmatig overtredingen plaatsvinden in de 3-mijlzone. De NVWA houdt toezicht op dergelijke visserijactiviteiten in het kader van reguliere toezichtactiviteiten met onder andere fysieke controles met het inspectievaartuig, waarnemingen vanuit de lucht en toezicht op afstand door middel van het Vessel Monitoring System (VMS). Op dit moment acht de staatssecretaris deze inzet voldoende om overtredingen te voorkomen en waar nodig handhavend op te treden. De leden van de BBB-fractie willen graag weten wat de actuele stand van zaken is rond de karperproblematiek in de Oostvaardersplassen. Zij ontvangen signalen dat beroepsvissers en sportvissers al meerdere jaren karpers moeten redden, terwijl het uitzetten van deze vissen op andere locaties tot omwoeling van de waterbodem kan leiden en daarmee het behalen van de doelen van de KRW kan bemoeilijken. Klopt dit en welke verantwoordelijkheid heeft de betreffende terreinbeherende organisatie (TBO) hierin? Kan de staatssecretaris deze TBO hierop aanspreken omdat die niets doet om de situatie te verbeteren? Antwoord Karper is een vissoort die al heel lange tijd onderdeel uitmaakt van het ecosysteem van de wateren in de Oostvaardersplassen. Zij heeft hier haar plek in de voedselketen, waarbij karper inderdaad in belangrijke mate op de bodem en het bodemleven foerageert. In periodes van droogte kan daarbij in deze wateren ook sterfte van vissen, waaronder karpers, optreden. Als dit wordt geconstateerd, wordt hier waar mogelijk op gehandeld door dieren over te plaatsen naar andere wateren. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt daarbij bij de eigenaar en beheerder van het gebied, in dit geval Staatsbosbeheer. De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het vooronderzoek van de EC naar mogelijke schendingen van Europese regelgeving bij de aanleg van Spaanse windparken op zee, waarbij de gevolgen voor de visserij en het mariene milieu mogelijk onvoldoende zijn meegewogen. Is de staatssecretaris bekend met dit onderzoek en is hij bereid de Kamer te informeren over de inhoud daarvan, evenals over de mogelijke betekenis hiervan voor de Nederlandse windparken op zee? Antwoord Ja, de staatssecretaris is bekend met dit vooronderzoek. Aanleiding voor dit vooronderzoek is een officieel verzoekschrift (petitie 0620/2026) dat op 2 maart 2026 is ingediend door de Spaanse vissers- en redersorganisatie Asociación de Armadores y Pescadores Miracanarias. De Commissie verzoekschriften (PETI) van het Europees Parlement heeft de zaak vervolgens op 27 augustus 2026 officieel overgedragen aan de Europese Commissie voor een verkennend onderzoek. De Nederlandse overheid hanteert eigen strikte ecologische randvoorwaarden bij de aanleg van windparken op de Noordzee en hanteert het uitgangspunt dat bij ieder windpark inzichtelijk wordt gemaakt hoe rekening wordt gehouden met de ruimte voor verschillende soorten visserij, in balans met andere spelers, waarbij ook de ambities voor wind op zee doorgang moeten kunnen vinden. Mocht dit vooronderzoek toch voor de Nederlandse situatie relevante resultaten opleveren, dan zal de staatssecretaris de Kamer hierover informeren. In Duitsland is een sanering aan de gang. Kan de staatssecretaris aangeven of Duitse zogenaamde vlagkotters hier ook betrokken bij zijn? Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel Duitse vlagkotters van Nederlandse bedrijven ook gesaneerd worden? Antwoord Gegevens over welke Duits gevlagde vaartuigen meedoen aan Duitse saneringsregelingen zijn niet bekend bij de staatssecretaris. Dergelijke gegevens worden niet met LVVN gedeeld. De leden van de BBB-fractie vragen of Nederlandse vissers die in Britse wateren vissen te allen tijde verplicht zijn een reddingsvest te dragen. Klopt het dat Nederlandse vissers bij het niet naleven van deze Britse verplichting kunnen worden beboet, ook wanneer zij niet op de hoogte zijn van deze afwijkende regelgeving? Antwoord Dit onderwerp valt buiten de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. Het is van belang dat vissers bekend zijn met de geldende wet- en regelgeving in internationale wateren en wateren van derde landen, zoals voorschriften die betrekking hebben op hun persoonlijke veiligheid. De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat er in zogenoemde derde landen nog altijd problemen bestaan met de invoering en het gebruik van het Europese vangstcertificeringssysteem CATCH. Kan de staatssecretaris een actuele stand van zaken geven en aangeven welke gevolgen deze problemen hebben voor de Nederlandse visserij en vishandel? Antwoord De afgelopen maanden is de werking van het CATCH-systeem significant verbeterd, waarbij er ook stappen zijn gemaakt in de verdere aansluiting van derde landen op het systeem. Belangrijke import- en exportlanden als Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk zijn inmiddels deels aangesloten op het systeem, wat betekent dat Nederlandse bedrijven een deel van de informatie digitaal tot hun beschikking krijgen. Dit vergemakkelijkt het verder invullen van de nodige certificaten. De staatssecretaris erkent dat het nog geen volledige aansluiting betreft waardoor een deel van de administratieve lasten voor de Nederlandse bedrijven blijft bestaan. De Commissie voert momenteel gesprekken met meerdere derde landen, waarbij verdere aansluitingen op z'n vroegst in 2027 worden voorzien. Bij de verdere ontwikkeling en implementatie van het CATCH-systeem zal de staatssecretaris het belang van de aansluiting van derde landen op het systeem voor de werkbaarheid blijven benadrukken. De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris nader in te gaan op de gevolgen van de ongekend hoge brandstofprijzen voor de Nederlandse visserij, mede als gevolg van de aanhoudende geopolitieke spanningen en conflicten. Welke gevolgen hebben deze prijsstijgingen voor de bedrijfsvoering en financiële positie van Nederlandse vissers, en welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de sector te ondersteunen of te compenseren? Antwoord In verband met de hoge brandstofprijzen heeft de staatssecretaris in augustus jl. de subsidieregeling 'Steun voor hogere bedrijfskosten visserij' opengesteld. Deze eerste openstelling zag op gestegen brandstofkosten die gemaakt zijn tussen 1 maart en 30 juni 2026. Op 16 oktober 2026 volgt de tweede openstelling van deze regeling. Visserijondernemers kunnen dan opnieuw gebruik maken van deze regeling. Ditmaal ziet de regeling op de periode 1 juli tot en met 30 september. De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat in Nederland slechts twee bedrijven het grootste deel van de langoustines van Nederlandse vissers afnemen en daarmee de handel vrijwel volledig beheersen. Zo ja, welk effect heeft deze marktconcentratie op de prijsvorming en onderhandelingspositie van langoustinevissers? Antwoord De staatssecretaris heeft geen signalen ontvangen dat de huidige situatie rond de afzet van langoustines problemen oplevert. De leden van de BBB-fractie constateren dat in Duitsland, naast saneringsmaatregelen, ook grote gebieden voor de visserij worden gesloten. Is de staatssecretaris bereid hierover met zijn Duitse ambtsgenoot in gesprek te gaan, aangezien deze sluitingen mogelijk ook gevolgen hebben voor gebieden zoals de Oostereems, waar momenteel veel Nederlandse garnalenvissers actief zijn? Kan hij de Kamer informeren over de gevolgen voor deze vissers en de inzet van Nederland om hun visgronden te behouden? Antwoord De staatssecretaris heeft vernomen dat er voornemens zijn voor gebiedssluitingen in de Duitse Noordzeekustzone. De staatssecretaris vertrouwt erop dat Nederland hierover zal worden geconsulteerd in de daarvoor relevante Europese gremia en hecht er belang aan dat de eventuele gevolgen van een voorgenomen gebiedssluiting voor de Nederlandse visserij goed in kaart worden gebracht. De staatssecretaris zal zich hier ook voor inzetten. Indien het daarbij nodig blijkt om specifieke zorgen bij Duitsland onder de aandacht te brengen, dan is de staatssecretaris hiertoe bereid. Jaimi van Essen Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Silvio P.A. Erkens Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Versie 0dd8ce9e-805b-4602-8496-3a2226b92412 · Officiële bron.
21 501-32, nr.1780
21 501-32, nr. 1800
37020, nr. 26
22112, nr. 4328
22 112, nr. 4335
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.