KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 8 april 2026, over Leefbaarheid en Veiligheid

8 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 13cf40ddcb3f84c6 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 995Aanpak WijkenNr. 121 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 8 juni 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeftop 8 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O’Sullivan,Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over:–de brief van de Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening d.d. 10 december 2025 inzake advies van decommissie-Van Rijn: uitwerking Woontopafspraak NationaalProgramma Rotterdam Zuid (NPRZ) (Kamerstuk 32 847,nr. 1396);–de brief van de Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening d.d. 27 november 2025 inzake voortgangsrapportageNPLV 2024 tot en met de zomer 2025 (Kamerstuk 30 995,nr. 107).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,De Vos kst-30995-121ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1211 Voorzitter: BrometGriffier: De VosAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Asten, Bromet,Clemminck, Grinwis, Mooiman, Moorman, Nobel, Steen en Wiersma,en mevrouw Boekholt-O’Sullivan, Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening.Aanvang 14.00 uur.De voorzitter:Welkom bij het commissiedebat Leefbaarheid en veiligheid van de vastecommissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Welkom aande Minister en haar ondersteuning. Welkom aan de Tweede Kamerleden.Dit debat staat tot 17.30 uur ingepland. In de eerste termijn van de Kameris er een spreektijd van vier minuten. Ik wil het aantal interruptiesonbeperkt houden, maar wel met de kanttekening dat je maar tweeinterrupties hebt van 30 seconden. Als die op zijn, dan is het over met hetfeest en zijn er geen interrupties meer. Houd de interrupties dus kort, dankunnen we er een levendig debat van maken.Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Van Asten van D66.De heer Van Asten (D66):Dank, voorzitter. Bouwlust, Moerwijk, Morgenstond en Vrederust, de vierwijken van Den Haag Zuidwest die onderdeel zijn van het NationaalProgramma, heb ik in de afgelopen twaalf jaar dat ik in de gemeentepo-litiek zat, goed leren kennen. Het zijn wijken met talloze uitdagingen: vanslechte woningen tot veiligheid op straat, van weinig sociale binding totgrote kansenongelijkheid. Bij de start van het Nationaal Programma inZuidwest kwamen we bijeen met een grote coalitie van bewoners,corporaties, werkgevers en vele andere betrokkenen met de nodigescepsis na vele jaren achteruitgang, maar wel met hoop en met eenbijzonder ding dat in al die jaren niet veranderd is, iets wat ik ook merktebij mijn bezoeken aan de NPLV-wijken in Rotterdam, Arnhem, Groningen,Utrecht en Tilburg in de afgelopen tijd als Kamerlid: de bewoners zijnondanks alles trots op hun wijk en ergeren zich vaak groen en geel aaniedereen die hun wijk en de bewoners negatief neerzet.Ik vind dat het NPLV er uitstekend in slaagt om de kracht van bewonersjuist tot een centraal punt te maken. De gemeenschapszin wordt terugge-bracht door de combinatie van het verbeteren van woningen, hetstimuleren van wijkeconomie, het verbeteren van schoolprestaties en hetverbeteren van de veiligheid in wijken. Dat het Nationaal Programmawordt doorgezet is dan ook van vitaal belang. Daarom zijn we als D66 blijmet de middelen en het commitment die hiervoor in het coalitieakkoordzijn opgenomen. Gisteren bleek uit de brief dat bij de komende begrotingduidelijk wordt hoe deze middelen zullen worden verdeeld. Daarbij roep ikde Minister wel op om vooral langjarig zekerheid te geven op deprogramma’s die werken, zodat daarop kan worden voortgebouwd.Voorzitter. Ik heb nog een aantal kleine punten te maken. De gezondheid isde basis voor alles: voor goed kunnen werken, goed naar school kunnengaan en voor een goede ontwikkeling van kinderen. Tegelijkertijd zien weeen zorgwekkende ontwikkeling: de vaccinatiegraad daalt, juist inkwetsbare wijken. In steden zoals Den Haag haalt geen enkele wijk nog deWHO-norm van 95% en in sommige wijken is de vaccinatiegraad zelfsonder de 60% gezakt. Ik hoef niet uit te leggen dat dat slecht is, maar ikvraag dan aan de Minister of zij bereid is om samen met het Ministerievan VWS, gemeenten en lokale organisaties gerichte maatregelen tenemen om de vaccinatiegraad juist in deze wijken te verhogen. Los van devaccinatiegraad zijn er ook andere gezondheidsstatistieken die onder hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1212 landelijk en stedelijk gemiddelde zijn. Ze ontwikkelen zich ook nog eens deslechte kant op. Kan de Minister aangeven of en hoe zij VWS gecommit-teerd krijgt aan het verbeteren van de gezondheid van bewoners in deNPLV-wijken?Voorzitter. De problematiek die in deze twintig gebieden speelt, speelt ookin andere gemeentes: van de New Towns tot de middelgrote gemeentesen eigenlijk alles wat daartussen zit. Op welke manier kunnen de lessenvan het NPLV deze gemeenten tot dienst zijn? Moeten er voor dezegemeenten met soortgelijke, maar wellicht iets minder omvangrijkeproblematiek niet een apart programma worden opgetuigd? Hoe kunnenwe deze gemeentes en vooral de inwoners die daarmee te maken hebben,helpen?Voorzitter, ik heb de klok niet helemaal bijgedraaid, maar ik denk dat ik aanhet einde van mijn spreektijd ben. Ik sluit af. Als we willen dat deze wijkenvooruitkomen, moeten we blijven investeren in woningen, in onderwijs, inveiligheid en in gezondheid, langjarig en vanuit alle ministeries. Alleen zozorgen we ervoor dat in de toekomst de bewoners niet achterblijven, maarjuist perspectief krijgen op een betere toekomst.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat was keurig binnen de tijd. Dan is nu het woord aan deheer Nobel van de VVD.De heer Nobel (VVD):Ik ga ook mijn best doen, voorzitter. Een leefbare en veilige wijk is eenbelangrijke randvoorwaarde voor een goed en fijn leven. Het is dan ookbelangrijk dat we vandaag spreken over dit thema. De VVD maakt zichzorgen over de beperkte voortgang in bepaalde gebieden waar problemennu het grootst zijn. In NPLV-gebieden zien we grote verschillen in deaanpak van problemen. Dat is risicovol, want ondanks de jarenlange inzeten investeringen zien we dat in sommige gebieden de leefbaarheidachterblijft. Dat is risicovol, omdat problemen op het gebied vanveiligheid, gezondheid en bestaanszekerheid elkaar versterken.Voorzitter. De Rotterdamwet geeft gemeenten de mogelijkheid om inbepaalde wijken te bepalen wie er mag wonen, bijvoorbeeld op basis vaninkomen of gedrag, om zo leefbaarheid te verbeteren. Deze wet is nu vankracht in zo’n tien gemeenten, waaronder grote steden als Rotterdam,Nijmegen en Amsterdam. Recent zijn hier ook Heerlen en Kerkrade aantoegevoegd. Dit laat zien dat gemeenten belangstelling hebben voor hetinstellen van de wet. Kan de Minister toelichten of zij meetbare verbete-ringen ziet in gemeenten en in het bijzonder wijken waarin de Rotter-damwet wordt toegepast? Wat de VVD betreft gaan we deze toepassingverder verruimen. Hoe kijkt de Minister hier zelf tegen aan?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik zit met aandacht te luisteren naar de heer Nobel. Hij zegt dat deRotterdamwet, en dan vooral het mogen bepalen wie er in wijken magwonen, ook wordt toegepast in allerlei andere gemeenten. Ik herken datniet. Volgens mij wordt er wel degelijk gekeken naar wat bijvoorbeeld desamenstelling is van de woningen, maar het toepassen van de Rotter-damwet in de meest strikte vorm, gebeurt volgens mij niet in die anderegemeentes. Heeft de heer Nobel daar dan andere gegevens over?De heer Nobel (VVD):Volgens mij zijn er tien gemeenten waar de Rotterdamwet wordttoegepast. Ik heb geen lijstje met welke invulling er precies aan wordtgegeven of hoe die Rotterdamwet precies wordt toegepast, maar volgensmij is het zo dat dit op dit moment in tien gemeenten gebeurt. Ik geloofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1213 echter best dat dat in bepaalde gemeenten effectiever is dan in anderegemeenten.De voorzitter:Mevrouw Moorman, voordat u verdergaat, wil ik even zeggen dat wevoordat u binnenkwam, hebben afgesproken dat interrupties korter dan 30seconden niet meetellen en dat er na twee interrupties van meer dan 30seconden geen vragen meer gesteld mogen worden. Uw vorige inter-ruptie was onder de 30 seconden, hoor, maar ik dacht: ik waarschuw ueven. Ik ken u namelijk.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank je, voorzitter. Ik vind het een goede regel.Die Rotterdamwet is voor mij echt een punt, dus misschien moet ik zometeen aan de Minister vragen om te reflecteren op hoe die precies wordttoegepast.De heer Nobel (VVD):Diezelfde reflectie had ik al aan de Minister gevraagd. Ik denk dat het goedis om te zien hoe de Rotterdamwet wordt toegepast en welke gemeentendaar eventueel belangstelling voor hebben. Wat de VVD betreft wordt ditin ieder geval verder verruimd.Voorzitter. Dan het middenhuursegment. De balans in de huursector inNederland is compleet verstoord. Het middenhuursegment is zeer klein invergelijking met andere Europese landen, wat het voor starters lastigmaakt om een passende woning te vinden. Een gezonde mix van socialehuur en middenhuur zorgt ervoor dat verloedering van wijken wordttegengegaan en dat mensen er fijner kunnen wonen. Volgens decommissie-Van Rijn is er op dit moment een oververtegenwoordiging aansociale huur. Dat hangt samen met druk op de leefbaarheid. We moetendaarom onze wijken diverser maken. We moeten ook meer middenseg-mentwoningen toevoegen. Zonder dit ingrijpen blijft de problematiek zichnamelijk concentreren. Is de Minister het met de VVD eens dat er meerregie gepakt moet worden in de NPLV-wijken? Hoe is zij van plan om hetmiddenhuursegment te versterken, juist in deze gebieden? Kan deMinister ook reflecteren op de € 7.000 per woning? Komt die ook terechtbij betaalbare koop en de middenhuur? Kan de Minister aangeven hoe zijkijkt naar de gedachte om prijssegmenten binnen betaalbare koop alsindicator mee te nemen bij de reflectie van de volkshuisvestingpro-gramma’s, zoals de NPLV-wijken?Voorzitter. De VVD is geen voorstander van het uitbreiden van het aantalNPLV-wijken en wil juist de komende vijftien tot twintig jaar de situatie inbestaanbare kwetsbare wijken verbeteren. Ook kunnen buurgemeentenop dit moment al veel van elkaar leren, bijvoorbeeld door de bestpractices te delen. Hoe is dit bij de NPLV-gebieden onderling geregeld?Volgens de commissie-Van Rijn is het beleid op dit moment namelijk nogte gefragmenteerd. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat effectievemaatregelen ook in andere gebieden worden ingevoerd? Hoe controleertzij dat middelen effectief gebruikt worden? Kan de Minister toezeggen dathet beleid van gemeenten die veel verbetering laten zien, wordt gebruiktals uitgangspunt?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan meneer Mooiman van de PVV.De heer Mooiman (PVV):Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we het commissiedebatLeefbaarheid en veiligheid. Het is goed dat we dit debat vandaag metelkaar voeren. Er blijft naast de woningbouwopgave immers aandachtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1214 nodig voor de leefbaarheid in bestaande wijken, om ook daar de opgavendie er zijn aan te pakken en om de potentie te benutten die er in dezewijken is. Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid richt zichop bestaande wijken die al geruime tijd onder druk staan en vergevor-derde problematiek kennen. Het is belangrijk om de negatieve spiraal indeze gebieden te doorbreken en om ervoor te zorgen dat de gezondheid,de veiligheid en de leefomgeving in deze wijken verbeteren.Dat vraagt onder andere om het aanpakken van de bestaande woning-voorraad, die in deze gebieden vaak in slechtere staat verkeert. Dat is eenvan de manieren om ervoor te zorgen dat de leefbaarheid wordtbevorderd. Een deel van de opgaven in deze gebieden en de versterkingdaarvan betreft daarom ook een herstructureringsvraagstuk. Dat is nietmakkelijk, omdat het uiteindelijk om bestaande gebieden gaat, waar heelwezenlijke belangen spelen, die goed moeten worden meegewogen. Ookzal de nieuwbouwopgave daadwerkelijk van de grond moeten komen omervoor te zorgen dat wijken beter in balans komen en de draagkracht voorvoorzieningen en faciliteiten wordt versterkt.Naast de inzet op de bestaande NPLV-gebieden, moeten we er ook zorgvoor dragen dat er geen nieuwe zorgwekkende gebieden bij komen. Ik hebal vaker gewezen op bestaande gebieden zoals de New Towns. Die staanals het ware voor een tweede verstedelijkingsopgave, met verouderdewijken, infrastructuur en voorzieningen die om versterking vragen ensteeds vaker te maken krijgen met problematiek vergelijkbaar met die vande NPLV-gebieden. Deze gebieden hebben veelal te maken met een onderdruk staande sociaaleconomische uitgangspositie. Voor het aanpakkenvan die unieke uitdagingen is specifieke aandacht nodig. Het is dan ookgoed dat de Kamer gisteren unaniem een motie heeft aangenomen vooreen strategie voor de ontwikkeling van de New Towns. Ik denk dat dat eenbelangrijk signaal is.Naast de eerdergenoemde gebieden krijgen ook kleinere gemeentensteeds vaker te maken met dergelijke problematiek. Zo zijn er veelgemeenten onder de 100.000 inwoners die deze zogenaamd grootstede-lijke problematiek steeds meer tegenkomen. Mijn vraag aan de Minister is:hoe kijkt zij naar de uitdagingen waar ook deze gemeenten vaker tegenaanlopen, ook gelet op de vaak beperktere capaciteit die die gemeentenhebben om het tij te keren?Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Wiersma van de BBB.Mevrouw Wiersma (BBB):Dank, voorzitter. Het is goed dat we vandaag spreken over dit programma.Ik hoor tot nu toe veel eensgezindheid vanuit de commissie. Dat is mooien dat is belangrijk. Er zijn twintig NPLV-gebieden, waar ongeveer 1,2miljoen mensen wonen. Dat zijn gezinnen, ouders en kinderen, die iederedag willen kunnen rekenen op een veilige straat, een fatsoenlijk huis eneen buurt waarin je je thuis voelt. Ik weet dat «je ergens thuis voelen» ookeen speerpunt is van deze Minister. De voortgangsrapportage van hetprogramma laat zien dat er hoopvolle cijfers zijn, maar toch mogen weonze ogen niet sluiten voor de gapende kloof die blijft bestaan tussendeze wijken en de rest van Nederland.Er zijn namelijk belangrijke, maar kleine stappen vooruitgezet. Deleefbaarheid is iets verbeterd: van 60% naar 55% zwakke scores. Dat zienwe terug in de rapportage. Dat klinkt aardig en dat is ook positief, maarvergeleken met de rest van Nederland, waar het 11% is, is dat wel derealiteit. De woningvoorraad drukt daar dan ook zes keer zo vaak negatiefop de leefbaarheid als elders. Het moet hier ook hoog op de agendablijven staan. Het betekent slechte huizen, slecht onderhoud en slechtebuurten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1215 Ook sociaal zien we daarin dezelfde kloof. Waar de armoede daalde van18% naar 8%, wat ook goed nieuws is, wonen in deze gebieden nogsteeds twee keer zoveel mensen onder de armoedegrens als gemiddeld inNederland. Inwoners ervaren meer overlast en minder veiligheid. Dat zijngeen statistieken; dat zijn gezinnen die ’s avonds de deur op slot draaienomdat ze zich niet veilig voelen. Daar voelen we gelukkig allemaalverantwoordelijkheid voor.We zien dat problemen zich het sterkst concentreren in Rotterdam-Zuid.De commissie-Van Rijn zegt dat dit gebied 30% tot 40% van de helenationale opgave vormt. Laten we ook vooral niet steden als Heerlen,Leeuwarden, Groningen, Arnhem en Lelystad vergeten. Ook daar werkengemeenten, corporaties en bewoners namelijk hard aan verbetering vanhun wijken. Als voormalig provinciebestuurder ben ik in Leeuwarden Oostgeweest, waar hele mooie dingen gedaan worden. Wat de eensgezindheidbetreft, sluit ik me van harte aan bij het lid Van Asten, die vroeg: hoe kunje eigenlijk uit zo’n programma de best practices halen en die extrapo-leren naar andere gebieden? Dat zei het lid Nobel overigens ook.Er zijn mooie initiatieven. In Heerlen-Noord wordt bijvoorbeeld gewerktaan de verbinding tussen gezondheid en veiligheid. In Leeuwarden Oost –ik noemde het al – worden bewoners na sloop en herhuisvesting intensiefbegeleid naar een nieuwe start. In Groningen-Noord wordt geïnvesteerdin onderwijs en een kansrijke start voor jongeren. Dat zijn hele belangrijkestappen. Er zijn nog steeds serieuze knelpunten, zoals de financierings-vraag. Die werd zojuist ook al aangehaald. De commissie-Van Rijnadviseert een investering van honderden miljoenen euro’s om de fysiekeproblemen aan te pakken. Tegelijkertijd moeten andere gebieden hetvooral doen met bredere regelingen. Hoe voorkomt deze Minister dat degebieden in die regio financieel achtergesteld raken wanneer zij metvergelijkbare problemen kampen?Dan de continuïteit van het programma. Het is opgezet voor een periodevan twintig jaar. Tot en met 2028 is er geld gereserveerd. Ik wil de Ministervragen wat er daarna gebeurt. Kan de Minister garanderen dat er ook na2028 structureel middelen beschikbaar blijven, zodat gemeenten en lokalepartners hun langjarige plannen daadwerkelijk kunnen uitvoeren? Ikhoorde dat zojuist ook als punt. Gisteren waren de M50-gemeenten hier.Wij hoorden van hen dat zij als middelgrote gemeenten ook tegengrootstedelijke problematiek aanlopen. Zij vragen eigenlijk om eensoortgelijke aanpak. Dat gaat in eerste instantie niet alleen om geld. Hetgaat ook om een programma. Ziet de Minister dus kansen om eenprogramma op te stellen om daarmee ook in die gemeenten aan de slagte gaan?De heer Nobel (VVD):Ik vroeg me af of de BBB-fractie de NPLV-wijken zoals die er nu zijn, danook verder wil uitbreiden.Mevrouw Wiersma (BBB):Dat maakt mij op zich niet zo veel uit. Dat zou een aanpak kunnen zijn.Tegelijkertijd is dit een programma dat al loopt. Ik hoorde gisteren ook vandie M50-gemeenten dat zij onder een bestaand programma zouden willenvallen, maar dat er ook een ander programma zou kunnen wordenuitgerold. Dat is mij om het even. Ik wil de Minister graag vragen of zijmogelijkheden ziet. Volgens mij vroeg het lid Nobel ook hoe je de bestpractices die je hier opgedaan hebt, daar kunt toepassen. We weten ookdat de gebieden die hieronder vallen, echt met grote problemen enachterstanden kampen. Dat zal in heel veel andere gebieden misschienniet van die orde van grootte zijn, maar hoe kunnen we de lessenbundelen die in deze gebieden worden geleerd? Ik zie namelijk dat er in deverschillende gebieden ook verschillende lessen worden geleerd. Deaanpak is ook niet altijd identiek. Dat werd zonet ook aangehaald. HoeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1216 zorgen we er nu voor dat de kennis van wat werkt, ook beschikbaar komtvoor al die gemeenten die met soortgelijke problemen kampen, hoeweldie misschien niet van die orde van grootte zijn, en die misschien niet aande criteria van dit programma voldoen? Ik weet niet precies welke criteriadaaraan vastzitten, maar goed.Voorzitter, ik zal verdergaan, want anders wordt mijn antwoord wel heellang.De voorzitter:Nou, nee, want meneer Nobel wil nog een vraag stellen.De heer Nobel (VVD):We lijken het inderdaad eens te zijn. Het delen van die best practices lijktme verstandig, maar het verder uitbreiden van de NPLV-wijken niet,omdat we uiteindelijk beperkte middelen hebben. Zoals u terecht stelt, zijnde problemen in die wijken dusdanig groot dat we daar structureel op inmoeten blijven zetten. Ik hoop dat de BBB-fractie dat met de VVD deelt.Mevrouw Wiersma (BBB):Zoals ik net al zei, hoeven ze wat mij betreft niet per se onder ditprogramma geschoven te worden. Dit is namelijk gewoon afgebakend, enhet is overigens ook een traject van twintig jaar. Ik denk ook niet dat hetoveral in die orde van grootte hoeft te worden ingezet, maar ik denk weldat we erover moeten nadenken. De andere gemeenten vragen in eersteinstantie niet alleen geld, maar u bent wethouder geweest en ik ben ookbestuurder geweest, dus we weten allebei hoe dat werkt. Er zal uiteindelijkwat boter bij de vis moeten. Ik denk wel dat die gemeenten baat hebbenbij een samenhangende aanpak in de vorm van een programma. In die zinvolg ik het lid Nobel dus. Deze aanpak moet voorop blijven staan en daarmoeten we niet aan tornen, maar we zien wel dat er ook andere gebiedenzijn, waar ook de behoefte is om programmagewijs te gaan werken,omdat zij tegen vergelijkbare problemen aanlopen.Dan zal ik nu mijn betoog vervolgen, voorzitter. Over de woningvoorraadis al het een en ander gezegd. In veel van de wijken bestaat een groot deelvan de woningvoorraad uit particuliere panden, waarbij slecht onderhoud,energiearmoede en soms malafide verhuurders een rol spelen. Tegelij-kertijd zijn er sinds 2024 geen nieuwe rijksregelingen meer voor deaanpak van die particuliere voorraad. Ik wil de Minister vragen hoe zijvoor zich ziet dat de leefbaarheid in die wijken kan worden verbeterd,terwijl juist daar de grootste problemen zitten.De voorzitter:Ja, dank u wel. U bent echt ruimschoots over uw tijd heen.Mevrouw Wiersma (BBB):Oké. Nou, dat is jammer.De voorzitter:Mevrouw Steen van het CDA.Mevrouw Steen (CDA):Dank u wel, voorzitter. Soms zie je beleid waarvan je denkt: goed dat heter is, maar jammer dat we het nodig hebben. Het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid is daar een voorbeeld van. In twintig stedelijkegebieden waarin problemen zich opstapelen, wordt structureel enintegraal gewerkt aan verbetering. Dat gaat om ruim 1,2 miljoen mensenen een grote, hardnekkige opgave. We zien in deze gebieden niet alleenplannen, maar vooral ook een concrete inzet op onderwijs, werk,veiligheid en wonen, met langdurige betrokkenheid van het Rijk, degemeenten en partners. Dat is goed en dat is doen wat nodig is. Het CDATweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1217 vindt het belangrijk dat dit programma wordt doorgezet. Juist daarommoeten we ook verder kijken. Uiteindelijk willen we natuurlijk dat dit soortprogramma’s helemaal niet meer nodig zijn en dat we voorkomen datproblemen zich opstapelen. Daar ligt voor het CDA een belangrijke vraag,juist met het oog op de woningbouwopgave.We bouwen de komende jaren honderdduizenden woningen. De vraag is:bouwen we ook gemeenschappen, of bouwen we toekomstige probleem-gebieden? We kennen de lessen inmiddels, over wijken waar wonen,werken en voorzieningen niet in balans zijn, waar sociale structurenontbreken en waar problemen zich opstapelen. Dat ontstaat geleidelijk,maar het ligt wel degelijk op de loer als we alleen focussen op stenenstapelen. Dat speelt niet alleen in de NOVEX-gebieden, maar ook in denieuwe verstedelijkingsgebieden en in de M50. Gisteren kregen we daarook al een petitie over overhandigd. Uit mijn tijd als wethouder weet ikhoe dit werkt. In een wijk met veel sociale huur zag ik hoe buurtmoedersprecies wisten wat er achter de voordeuren van de flats en de portiekwo-ningen speelde. Zij hielden de wijk draaiende en signaleerden problemen,maar juist daar ontbrak het ons als gemeente soms ook aan demogelijkheid om samenhang te organiseren. Dat laat zien dat eensamenleving zelf heel erg veel kan, maar dat de overheid ook thuis moetgeven als dat nodig is.Voorzitter. Daarom de volgende vragen. Hoe wordt in de huidigewoningbouwopgave expliciet gestuurd op het voorkómen van destapeling van problemen buiten de huidige NOVEX-gebieden? Wat is devisie van de Minister op het voorkómen van wijken waar achterstandenzich concentreren in plaats van dat ze zich gemengd ontwikkelen? Mijncollega zei daar net ook al wat over. Hoe gaan we om met de plekken dieniet NOVEX zijn, maar wel een stapeling van problemen kennen?Voorzitter. We weten ook beter wat werkt, namelijk langjarige inzet,samenwerking en continuïteit. We zien bijvoorbeeld de enorme effectenvan een programma zoals Preventie met Gezag. Welke concrete lessen uitde huidige NPLV-gebieden worden nu al toegepast in nieuw beleid en ingebiedsontwikkeling? Wordt er nu al structureel gestuurd op een mix vaninkomensvoorzieningen en werkgelegenheid in die wijken? Hoe wordtvoorkomen dat interventies te versnipperd blijven in plaats van dat zesamenhangend zijn, bijvoorbeeld omdat een deel van de interventiesgedekt wordt uit verschillende potten, verschillende SPUK’s? De SPUKKansrijke Wijk is er daar een van, maar ook de SPUK WoKT. Hoe gaan weervoor zorgen dat het integraal gebeurt?Voorzitter. Dan de uitvoering. Onder andere bij de Woontop zijn afsprakengemaakt, maar alles valt en staat bij de uitvoering, en daar staat druk op.Hoe staat het met de uitvoering van de Woontopafspraken, met name inde gebieden waar de opgaven het grootst zijn? Zijn gemeenten, corpo-raties en partners nu voldoende toegerust om deze afspraken waar temaken? En hoe kijkt de Minister naar de borging hiervan op de langetermijn?Voorzitter. tot slot. Dit programma laat zien dat we echt een verschilkunnen maken, maar de echte opdracht is om te voorkomen dat we hetopnieuw nodig hebben, door bij nieuwe wijken niet alleen woningen maargemeenschappen te bouwen. Uiteindelijk is het juist die gemeenschapszindie maakt dat wijken sterk blijven.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Moorman van GroenLinks-PvdA.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):...De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1218 Mevrouw Moorman, uw microfoon staat niet aan.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):O, excuses. Moet ik helemaal opnieuw beginnen?De voorzitter:Als u ’m nu aanzet en verdergaat, komt het goed.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dat is natuurlijk wel zonde van de enorm mooie bijdrage die ik tot nu toeheb geleverd, maar als u die niet meerekent in mijn tijd, scheelt dat weer.Ik zei dat ik met heel veel interesse de voortgangsrapportage had gelezen.Er moet mij wel één algemene observatie van het hart: er wordt wel heelerg van uitgegaan dat het pas beter wordt in een wijk als de woningenduurder worden. Het wordt als een probleem gezien als er woningen zijnonder de WOZ-waarde van 300.000. Ik vind dat vreemd. Een woning isniet ineens beter op het moment dat die duurder is. Een woning is vooralbeter als die beter geïsoleerd is, als het fijn wonen is. Ik hoor dus graageen reflectie van de Minister daarop. Waarom is dat op deze manier hieringepresenteerd?De heer Nobel (VVD):Op mijn beurt verbaast het me dan weer dat GroenLinks-PvdA niet kaninzien dat een oververtegenwoordiging van bepaalde typen woningen,zoals sociale huurwoningen, er juist voor zorgt dat de leefbaarheid verderonder druk komt te staan. We weten toch dat dat vaak mensen zijn meteen lager inkomen of zonder werk; we weten dat sociale problematiekvaker aanwezig is bij dat type woningen. Ik hoor graag ook een reflectievan GroenLinks-PvdA op het gegeven dat zij zelf blijkbaar niet inziet datdit ertoe leidt dat de leefbaarheid onder druk komt te staan.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik heb echt nog nooit gehoord dat een woning tot criminaliteit overgaat! Ikzie wel dat er woningen zijn die niet goed geïsoleerd zijn of waarin erschimmel is. Maar ik vind het echt heel problematisch om hier te zeggendat een woning onder de WOZ-waarde van drie ton leidt tot een slechteleefbaarheid. Daarmee zegt de VVD eigenlijk dat mensen die minderverdienen, minder waard zijn. Dat is in ieder geval niet de stelling vanGroenLinks-PvdA en dat zou ik ook nooit zo willen zeggen. Mijn punt isvooral: laten we investeren in die wijken. Dat gebeurt gelukkig ook volop,door ervoor te zorgen dat de woningen goed geïsoleerd worden, dat hetvuilnis wordt opgehaald en dat we investeren in de kinderopvang en in descholen in de wijk. Ik denk dat dat ons vooral heel erg vooruithelpt inplaats van steeds focussen op duurder wonen. Dat leidt namelijk alleenmaar tot meer stress voor gezinnen en huishoudens. Dat lijkt me nou juistheel erg slecht voor de leefbaarheid.Voorzitter. Dan ga ik graag door met mijn bijdrage ...De voorzitter:Neeneenee, want de heer Nobel heeft nog een vervolgvraag.De heer Nobel (VVD):Laat ik eerst aangeven dat ik helemaal niet heb gezegd dat mensen die ineen ander type woning wonen, ongeacht of dat nu een dure woning is ofniet, en ongeacht hoe die woning eruitziet, minder waard zouden zijn,want dat slaat helemaal nergens op. Dat heb ik niet gezegd. Dat allereerst.Ik ga het opnieuw proberen. Kan mevrouw Moorman namensGroenLinks-PvdA reflecteren op het volgende. Op het moment dat ermeer sociale huurwoningen zijn, het percentage sociale huurwoningenheel erg hoog ligt en er dus in groten getale mensen zijn die bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 1219 geen werk hebben of meer sociale problematiek ervaren, dan leidt dattoch eerder tot onrust in een wijk? Dat is toch heel logisch? Daar zithelemaal geen waardeoordeel aan. Het is logisch dat er eerder problemenkomen op het moment dat mensen meer sociale problematiek hebben enje die mensen bij elkaar in een wijk zet. Graag een reflectie daarop.De voorzitter:Dit was uw eerste lange interruptie.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Die geef ik heel erg graag. Ik ben het volledig eens dat we moeteninvesteren in mensen, onderwijs en kinderopvang en dat we ervoormoeten zorgen dat mensen aan het werk komen. Dat ben ik allemaal vanharte met de heer Nobel eens. In de rapportage wordt meermaals gezegddat het een probleem is als de WOZ-waarde onder de 3 ton ligt. Dan denkik: een WOZ-waarde onder de 3 ton vinden, is sowieso voor heel veelmensen al een groot probleem. De woningen zijn onbetaalbaar. Dat leidttot heel veel stress. Het enige wat ik vraag aan de Minister is om hierop tereflecteren: laten wij niet net doen alsof duurdere huizen ook leiden totbetere mensen. Ik zou daar niet een soort ordening in willen hebben.Laten we vooral investeren in mensen. Dat is het punt dat ik hier wildemaken. Ik hoor in de bijdrage van de heer Nobel overigens ook dat hij datmet mij eens is. Ik kom verderop in mijn bijdrage terug op wat ik daar danvoor voorstellen voor heb. Ik hoop dan ook heel erg op de steun van deheer Nobel voor die bijdrage.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank u, voorzitter.De voorzitter:Nee, meneer Nobel wil toch nog een vraag stellen.De heer Nobel (VVD):Ja. Ik ga ’m kort op een andere manier proberen te formuleren. Ismevrouw Moorman het namens de GroenLinks-PvdA-fractie met mij eensdat het toevoegen van meer middenhuurwoningen in wijken waarbovengemiddeld veel sociale huurwoningen staan, uiteindelijk deleefbaarheid ten goede zal komen?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben zeker voor het toevoegen van woningen waardoor mensen in eenwijk kunnen blijven wonen. Ik zie ook dat mensen die op zoek zijn naarmeer ruimte, bijvoorbeeld omdat ze kinderen krijgen of omdat ze nietmeer in aanmerking komen voor de sociale huur omdat ze te veelverdienen, graag in de wijk willen blijven. Dat vind ik ook heel verstandig.Daarmee wil ik ook verwijzen naar het goede onderzoek van decommissie-Van Rijn naar Rotterdam-Zuid. Daarin wordt gezegd dat desociale huur in die wijk een enorme waarde heeft en dat het tegelijkertijdook heel goed is om daar middenhuur aan toe te voegen. Dat ben ik dusmet u eens, maar wat ik moeilijk vind, is dat de VVD er altijd een beetjeeen handje van heeft om sommige mensen als betere mensen aan temerken dan andere mensen, vaak afhankelijk van hun inkomen. Dat vindik problematisch.Mag ik verdergaan?De voorzitter:Dit is de laatste interruptie van de heer Nobel over dit deel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12110 De heer Nobel (VVD):Ik ga geen vraag stellen, maar gewoon aangeven dat ik dat helemaal nietheb gezegd. Mensen zijn gelijk, ongeacht het inkomen. Het is alleen zo datde leefbaarheid onder druk staat op het moment dat mensen met socialeproblematiek in groten getale aanwezig zijn in een wijk. Dat is het enigewat ik aangeef.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben het helemaal eens met de heer Nobel dat het leidt tot socialeproblematiek als mensen niet goed rondkomen. Laten we dan dus vooralzorgen dat mensen goed rondkomen en laten we de sociale zekerheid dusgoed borgen. Laten we er dan ook voor zorgen dat mensen de kansenkrijgen in het leven die ze verdienen. Ik zie in deze rapportage bijvoor-beeld ook dat kinderen veel minder onderwijskansen krijgen en dat dekinderopvang onder druk staat. Allerlei manieren waarop mensen vooruitkunnen komen, staan dus onder druk. Laten we daar dus in blijveninvesteren. Volgens mij kunnen we elkaar daar heel goed in vinden.De voorzitter:Nee, meneer Nobel, dit zijn nu al vier interrupties geweest. Het klopt datze kort zijn, maar ze zien wel steeds op hetzelfde. Dan blijf je in rondjesdraaien. Ik hoor mevrouw Moorman zeggen dat ze er blij mee is. Dat snapik, maar de heer Grinwis heeft ook nog een vraag.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik wil hier nog wel even op doorgaan, maar dan vanuit een anderperspectief. Ik vraag me af of mevrouw Moorman het ook belangrijk vindtdat we, op het moment dat een wijk op een bepaalde manier is samenge-steld qua huizen, huizen die eigendom zijn van een woningcorporatietoewijzen met oog voor de buurt, meer dan nu in de praktijk gebeurt. Danbedoel ik misschien niet alleen met oog voor de buurt, maar zelfs met oogvoor het portiek, zodat er zowel mensen met sterkere schouders alsmensen met kwetsbaardere schouders leven, die elkaar tot een hand eneen voet kunnen zijn.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben zeer voor gemengde wijken. Dat heb ik net ook gezegd in derichting van de heer Nobel. Overigens geldt dat dan wel voor álle wijken.We kijken altijd naar één specifieke wijk, maar ik zie ook dat er helegemeentes zijn waarin er nauwelijks sociale huur is. Dat vind ik ook zeerproblematisch. Laten we ervoor zorgen dat het allemaal goede gemengdewijken zijn.Ik had net al een korte interruptie richting de heer Nobel over de Rotter-damwet. De Rotterdamwet zoals die is uitgevoerd in Rotterdam, is zekerniet zo uitgevoerd in andere gemeentes. Wel is er bijvoorbeeld bijinvesteringen gekeken hoe je kunt zorgen voor die goede gemengdewijken, waarbij het dan vooral belangrijk is dat mensen in hun wijkkunnen blijven wonen, ook op het moment dat zij bijvoorbeeld meer gaanverdienen of aan gezinsvorming et cetera gaan doen. Ik zie in meerderegemeentes dat er bijvoorbeeld een voorrangsregel is ingesteld voorjongeren, zodat die in hun wijk kunnen blijven wonen. Ik vind dat heelverstandig, omdat je juist de kracht heel graag in de wijk wil houden; jewil ervoor zorgen dat die mensen daar blijven. Er zijn dus zeker goedevoorrangsregels, maar daar waar het discriminerend wordt, neem ik erafstand van.De heer Grinwis (ChristenUnie):Eigenlijk wist ik dat wel, want mevrouw Moorman heeft pas voor mijnmotie gestemd om dat buurtgericht toewijzen nog eens extra aan temoedigen en nog eens heel kritisch naar de regels voor passendTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12111 toewijzen te gaan kijken. Het is natuurlijk wel een feit dat, sinds we datpassend toewijzen hebben, in combinatie met het feit dat corporatieseigenlijk niet helemaal de ruimte kunnen pakken of hebben gepakt ommet oog voor de buurt huizen toe te wijzen, we kwetsbaarheid meergeconcentreerd zien raken in onze kwetsbare stadswijken. Dat is volgensmij iets waar we gezamenlijk de schouders onder kunnen zetten en waarzelfs GroenLinks-PvdA en VVD elkaar op zouden moeten kunnen vinden,zegt deze blauwhelm.De voorzitter:De grote verbinder!Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank aan de heer Grinwis dat hij hier de postillon d’amour wil spelen. Dathebben we ook nodig in de Kamer. De heer Grinwis heeft natuurlijk gelijkdat de mutatiegraad in dit soort wijken vaak hoger ligt. Als die mutatie-graad hoger ligt, dan kun je daardoor in de toewijzingen soms bestproblemen krijgen. Dat zien wij allemaal. Daarom is het ook zo belangrijkom te bekijken hoe je dat goed kunt spreiden en hoe je dat met z’n allenkan doen; daar heeft de motie van de heer Grinwis ook aan bijgedragen.Voorzitter, dan wil ik graag verdergaan, al heb ik best al wat puntengemarkeerd, dus dat is prettig. Ik wil graag nog een vraag stellen over destructurele financiering. Want nogmaals, een kritische kanttekening magaf en toe, maar ik ben echt wel blij dat we dit aan het doen zijn en dat erzo veel goede voorbeelden zijn. Wel wordt er steeds geconstateerd dat ditalleen maar met een lange adem kan. Daar is ook geld voor nodig. Nublijkt uit een rapportage van Rebel dat dit 1 miljard kost, maar dat geld iser niet. Na 2030 is er zelfs nog 2 miljard extra nodig. Hoe gaan we dit quamiddelen dan doen? Hoe ziet de Minister dat? Zitten daar dan ook al debestedingen in die de commissie-Van Rijn aanbeveelt voor Rotterdam-Zuid?Voorzitter. Ik wil nog een korte opmerking maken over de energiecrisis ende energiearmoede, want die zien we juist in dit soort gebieden enormoplopen. Er staat in de rapportage ook een notie over wat er is gebeurd,met name in de particuliere voorraad, maar het grootste deel van devoorraad zit natuurlijk in de corporaties. Is daar nou echt voldoendegedaan waaraan we zien dat de energiearmoede in deze wijken inderdaadvoldoende is bestreden of kunnen we daar nog andere stappen zetten?We zien juist daar een enorm voordeel ontstaan op het moment dat daarinwordt geïnvesteerd.Voorzitter. Kort nog over de kinderopvang. Ik was samen met mijn collegavan D66 in Utrecht Overvecht. Daar hoorden we dat de kinderopvangenorm onder druk staat, juist in deze wijken, omdat de commerciëlekinderopvang naar andere wijken trekt omdat daar gewoon meer geld teverdienen is. Dan is er ook nog eens een personeelstekort. Als er geenkinderopvang is, dan kunnen mensen ook niet aan werk. Dan bijt hetprobleem zichzelf dus in de staart. Wat kunnen we doen om de kinder-opvang hier ook zo veel mogelijk te stimuleren? Hoe heeft de nieuwe Wetkinderopvang hier impact op?Voorzitter. Tot slot kom ik op de familiescholen. We zien dat juist op defamiliescholen een enorme sleutel zit om alles bij elkaar te betrekken, omgezinnen te helpen, om mensen uit de armoede te helpen, om mensennaar werk te brengen, maar in de suppletoire begroting zie ik tot mijnschrik ook dat er 19 miljoen wordt bezuinigd op de brugfunctionarissen.Dat is gewoon weer een verstopte bezuiniging op het onderwijs. Het istrouwens nog veel meer, maar ook 19 miljoen op de brugfunctionaris. Datmoeten we echt niet willen. Dat is zeker voor deze wijken heel slecht.Graag een reflectie daarop.Tot slot heb ik een heel technisch vraagje over de SPUK School enOmgeving. Vanaf 2028 gaat dat naar de scholen. Dat lijkt me voor dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12112 wijken echt heel onverstandig. Kunnen we ervoor zorgen dat het geldgewoon bij de programmabureaus blijft liggen, zodat School enOmgeving daar onderdeel van kan blijven uitmaken?Mevrouw Steen (CDA):Ik heb mevrouw Moorman net een prachtig pleidooi horen geven overhoe belangrijk het is dat de wijk zelf aan zet is. Net in dat laatste staartjevan haar bijdrage hoor ik haar eigenlijk zeggen dat het geld dat naar diescholen gaat die in de wijken zitten en die precies weten wat er moetgebeuren in de wijk, naar het programmabureau moet gaan. Is mevrouwMoorman niet van mening dat juist die scholen precies weten hoe datgeld goed ingezet kan worden?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik vind het vooral belangrijk dat het allemaal samenkomt. Dat blijkt ook tewerken. Daarom is dit programma zo goed en daarom is het zo goed dater met die programmabureaus wordt gewerkt. Dat betekent dat niet elkschoolbestuur dat voor zichzelf moet bepalen en er concurrentie ontstaat,maar dat er juist gekeken wordt hoe alle schoolbesturen in zo’n wijk datsamen kunnen doen, ook samen met de kinderopvang en de bredetalentontwikkeling, want dat is waar School en Omgeving over gaat. Hoemaken we daar één pakket van? Zo is het op dit moment ook ingericht.Dat werkt uitstekend. Dat geeft écht meer kansen aan kinderen. Dan vindik het ontzettend onverstandig dat we dat vanaf 2028 allemaal weeropknippen in kleine stukjes, waardoor het ook weer heel ingewikkeld gaatworden voor de programmabureaus om dat ook weer zo goed mogelijkaan te sturen. U kunt zich dat voorstellen. U bent ook bestuurder geweest,mevrouw Steen. U weet wat voor tafels er ingericht moeten worden omdat allemaal weer aan elkaar te knopen, terwijl het nu gewoon goed werkt.Het is niet om de autonomie weg te nemen. Dat is helemaal niet mijnbedoeling. Ik wil graag een systeem dat goed werkt voor gezinnen enkinderen om gelijke kansen en ontwikkelkansen te geven.Mevrouw Steen (CDA):Ik heb in die rol als bestuurder vooral heel veel scholen gezien die in heelverschillende wijken staan en dat die verschillende scholen, zelfs indezelfde wijk, een heel verschillende populatie hebben. Die scholenzeiden: laat mij nou alsjeblieft zelf aan het roer zitten van het geld dat ikkrijg, zodat ik het vervolgens op precies de goede plek uit kan geven. Dusjuist in die rol als bestuurder heb ik de waarde gezien van meerautonomie en een grotere rol voor de school zelf om precies te pinpointenhoe elke euro, die schaars zijn, in te zetten is en heb ik gezien dat we datjuist niet moeten opschalen naar een programmabureau, waar we extraoverhead aan moeten toevoegen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik neem helemaal niets af. Het gaat helemaal niet over de lumpsum vande verschillende schoolbesturen. Die kunnen ze nog steeds besteden, ookal is het ook niet gek om daar soms potjes bij elkaar te leggen, maar daarheb ik het nog niet eens over. Ik heb het over het systeem zoals het nuwerkt, dus het extra geld dat juist komt om die verschillende partijen aanelkaar te binden, dus niet één partij. Van dat geld vind ik het verstandigdat het bij elkaar blijft, zodat je met elkaar gezamenlijk die afspraken kanmaken. Dat is mijn vraag aan de Minister: is het nou zo verstandig omdaar ineens een knip in te zetten als het nu zo ontzettend goed werkt enals we zien dat dit juist tot die brede talentontwikkeling leidt? Daar hoorthet ook toe te leiden, want dat is het hele doel. Dit gaat gewoon overdoelmatigheid en doeltreffendheid en over hoe we het zo goed mogelijkmet elkaar kunnen inzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12113 De heer Nobel (VVD):U geeft aan dat het zo goed werkt. Ik heb net namens de VVD juistbetoogd dat we wel een positieve ontwikkeling zien, maar dat die eigenlijkheel minimaal is. Ik vind dat u wel heel erg positief bent als je kijkt naarhoeveel beter het procentueel gaat.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):O, maar dat ben ik eigenlijk helemaal met de heer Nobel eens. Het kannog veel beter. Het ging mij alleen maar om hoe je dit met elkaar zo goedmogelijk inricht. Maar dat er nog veel meer aan gedaan mag worden, datben ik volledig met de heer Nobel eens. Dat brengt mij ook tot de laatstevraag, die ik eigenlijk nog had willen stellen maar die door de interruptieswas komen te vervallen.De voorzitter:Kort.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Er is nu een algemene rapportage gekomen van die verschillendeNPLV-gebieden. Ik denk dat mijn vraag ook aansluit bij de vraag hoeeffectief het nou precies is, die de heer Nobel net stelde. Ik vind heteigenlijk jammer dat de rapportage niet is uitgesplitst naar de twintiggebieden zelf, want we zouden willen weten hoe erg elk gebied nouvooruitgaat, zodat we dat kunnen vergelijken. Het mooie is dat we dit optwintig verschillende plekken doen en dat we daarmee ook kunnen lerenuit de praktijk. Ik denk ook dat we uit de praktijk moeten leren waar hetgoed gaat, waar het beter kan en wat we van elkaar kunnen overnemen.Zou die rapportage nou niet uitgesplitst kunnen worden over die twintigverschillende gebieden? Dat lijkt mij ons goede informatie opleveren.De voorzitter:We gaan naar de heer Grinwis van de ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank. Ik zou best nog wel een keertje, net als vroeger, inMoerwijk willen wonen. Wijken waar je wonen wilt, geen wijken waar jeweg wilt. Dat is mijn missie. Daarom zit ik eigenlijk in de politiek. Mensenzijn gemaakt om in verbondenheid met elkaar te leven. Mensen leven opin sterke buurten, in buurten met sociale samenhang waar mensen elkaarontmoeten. Daar gun je eigenlijk ook je kinderen een plek. Dat is eigenlijkde reden waarom oud-collega Faissal Boulakjar – ik zie hem zitten – metgrote steun van mij in de kabinetsformatie van de coalitie van Rutte IVgeld heeft uitonderhandeld om juist dit Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid op te kunnen starten. Grote complimenten, ookvanaf hier, naar helaas mijn oud-collega, maar hij doet nu heel goed werk.Ik ben heel blij dat dit kabinet, deze coalitie, geld heeft gevonden omervoor te zorgen dit mooie programma – helaas is het nodig, maar het isgoed dat het er is – kan worden voortgezet tot in ieder geval 2035. Devraag is natuurlijk of 135 miljoen per jaar genoeg is. Ik ben benieuwd hoede Minister dat ziet. Zij moet het natuurlijk doen met wat haar is toebe-deeld, maar ik ben wel benieuwd of we het daarmee gaan redden. Ik wildit debat graag gebruiken om in ieder geval collega Boulakjar nog eens inhet zonnetje te zetten, want dat verdient hij.Voorzitter. Kan de Minister uitleggen waarom zij denkt dat dit bedragvoldoende is om de ontwikkeling van de NPLV-gebieden door te zetten?De regelingen voor NPLV-gebieden zijn nu nog verspreid over verschil-lende ministeries. Is de Minister bereid te kijken naar een gebundeldgebiedsbudget voor NPLV-gebieden, waarna zij in samenwerking met deministeries dat geld op een effectieve en efficiënte manier kan gaaninzetten? Wat is ervoor nodig om dit te realiseren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12114 Daarnaast heb ik een specifieke vraag over de gelden voor School enOmgeving. Volgens mij werd deze vraag net ook al gesteld. Het is goeddat hier structureel geld beschikbaar voor wordt gesteld. Deze geldenkomen nu terecht bij de directie van de school en zijn bedoeld voorsamenwerking tussen scholen en partners in de omgeving. Kan deMinister aangeven hoe de samenwerking die met deze gelden beoogdwordt geborgd wordt? Kunnen hier voorwaarden bij worden opgesteld?Er komen mij namelijk ook verhalen ter ore dat dat geld niet overal goedwordt besteed maar soms gewoon op de grote hoop gaat.Voorzitter. Het is goed dat deze aandacht er is voor gebieden in het NPLV,maar ik maak me wel zorgen. Kijken we niet met oogkleppen op naar dezetwintig wijken, veelal in grotere steden, terwijl elders eigenlijk ook heelveel gebieden zijn met grote leefbaarheidsproblemen? Denk aan kleinedorpen in Zeeuws-Vlaanderen en in de veenkoloniën in Drenthe, waardorpen vergrijzen en de tandarts, de supermarkt en de school inmiddelsverdwenen zijn. Hoe wil de Minister werken aan leefbaarheid op dieplekken? Wat kunnen de mensen daar verwachten van de Minister?Kunnen deze gebieden erbij betrokken worden? Ik wil er niet voor pleitenom de 135 miljoen nog verder te versmetsen, maar ik wil wel een pleidooihouden om breder te kijken dan alleen naar de twintig gekozen wijken.Hetzelfde geldt voor de New Towns-gemeenten. Gisteren is er nog eenmooie motie aangenomen van collega Mooiman, samen met collegaClemminck en mij. De heer Mooiman zal er net vast ook wel wat overgezegd hebben in zijn bijdrage – toen was ik nog niet binnen – maar ookde New Towns-gemeenten, waaronder het Zoetermeer van de heerMooiman, hebben toch wel een geheel eigen problematiek. Wat is hetantwoord van de Minister op die uitdaging? Is de Minister bereid eenstrategie voor leefbaarheid en veiligheid te ontwikkelen voor de NewTowns-gemeenten? Hoe kan de Minister deze gemeenten helpen? Dat iseigenlijk kortweg mijn vraag.Voorzitter. Ik wil vandaag ook vooruitkijken naar de toekomst. We willenop grote schaal bouwen aan nieuwe wijken en steden. Daarbij moetenleefbaarheid en veiligheid wat de ChristenUnie betreft vooropstaan. Hetgaat om een thuis geven, het gaat om samenleven. In het verleden is tevaak vergeten dat het niet alleen gaat om kwantiteit, maar ook omkwaliteit van samenleven, om het bouwen van gemeenschappen. Hoeborgt de Minister de leefbaarheid en veiligheid op nieuwe woningbouwlo-caties? Kan de Minister garanderen dat in deze woningbouwplannenvanaf het begin ook buurthuizen, kerken en sportvoorzieningen wordenmeegenomen?Mijn laatste punt, voorzitter. Ons bereikte het schrijnende verhaal, dat nuternauwernood lijkt te zijn afgewend, dat hier dichtbij, in Den Haag, in denieuwbouw in de Binckhorst, een school was geopend en die dreigde tesluiten omdat de leerlingenaantallen te langzaam groeiden. Dat komt ookdoordat de ontwikkeling te langzaam ging – daar weet de heer Van Astenalles van – waardoor het leerlingenaantal een beetje achterbleef. Nouweet ik dat de school zelf, de stichting, had kunnen variëren en dezeschool open had kunnen houden, maar ik heb hier toch een vraag over.Moeten we niet nog eens beter naar deze regels kijken, zodat bijnieuwbouw een school de kans krijgt om tot ontplooiing te komen enouders voor een school kunnen kiezen die misschien in eerste instantienog klein en fijn is, maar later echt wel toekomst krijgt?Ik moet stoppen. De tijd is daar en...De voorzitter:U moet stoppen, ja.De heer Grinwis (ChristenUnie):... ik zie de priemende blik van de voorzitter, maar het punt is hopelijkhelder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12115 De voorzitter:Dank u wel. Binnengekomen is de heer Clemminck van JA21 voor zijninbreng van vier minuten.De heer Clemminck (JA21):Dank u wel, voorzitter. Goede timing. Excuus, ik zat bij een plenair debatover Groningen, dus ik moest even heel snel heen en weer. Het is ook raarom nu aan deze kant van de tafel, bij de bewindspersonen, te zitten, maarik kijk natuurlijk in de richting van de Minister.Voorzitter. De afgelopen weken bezocht ik het NPLV-gebied Zaandam-Oost, sprak ik met de heer Pastors over de situatie in Rotterdam-Zuid enbezocht ik Veenendaal – dat is weliswaar geen NPLV-gebied, maar zit indynamiek en karakter duidelijk met een vergelijkbare opgave. Om met datlaatste te beginnen: de fractie van JA21 maakt zich zorgen om de positievan middelgrote steden. Deze steden hebben vaak een duidelijkestedelijke opgave, die in aard wel maar in schaal natuurlijk niet verge-lijkbaar is met die van grote steden, maar ze beschikken niet overhetzelfde oplossingsvermogen. Er zijn vaak minder grote bedrijven enwoningcorporaties aanwezig. De lokale overheid heeft beperkte capaciteit.Vaak komen ze niet in aanmerking voor rijksprogramma’s zoals ditprogramma, het NPLV. Kortom, een tafellaken-servetdiscussie. Hoe kijktde Minister naar de opgaven en kansen van middelgrote steden? Deelt deMinister de stelling van JA21 dat deze steden te vaak buiten de bootvallen? Kan de Minister aangeven op basis van welke criteria deze twintigNPLV-gebieden destijds geselecteerd zijn?Mijn bezoek aan de Veenendaalse wijk Engelenburg liet zien dat deopgaven daar net zo complex en diepgaand zijn als in Zaandam, waar ikeerder was. Dat werd ook bevestigd door cijfers. Op vrijwel alle leefbaar-heidsindicatoren scoort Engelenburg in Veenendaal – helaas, zou ikzeggen – vergelijkbaar met andere NPLV-gebieden, zowel op sociaaleco-nomische status, overlast en inkomen als op gezondheidsindicatoren.Mijn fractie zou graag zien dat ook de middelgrote gemeenten eenvergelijkbare aanpak als de NPLV-gebieden krijgen, dus het vormen vanlokale coalities, een kleine uitvoeringsorganisatie, toegang tot specifiekerijksbudgetten die daarbij horen, een direct aanspreekpunt op hoogamb-telijk niveau bij de relevante ministeries, een generatielange aanpak enstructurele middelen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om middel-grote steden aan te laten sluiten bij deze NPLV-aanpak dan wel een eigenaanpak te ontwikkelen die vergelijkbaar is in opzet en financieringskansen,maar dan voor middelgrote gemeenten?Voorzitter. Tijdens mijn bezoeken en gesprekken de afgelopen tijd metlokale bestuurders, wijkagenten, woningbouwcorporaties, jongeren-werkers, boa’s en vrijwilligers is mij één ding duidelijk geworden. Hetabsorptievermogen van deze wijken en buurten is al lang geleden bereikten in veel gevallen al ruim overschreden. Het zou ronduit naïef zijn om derol van migratie van kansarmen daarbij te negeren, want wie dat doet,kijkt bewust weg van de werkelijkheid in deze wijken. Ik heb er zelfinmiddels vele malen rondgelopen. Zo sprak ik met een mevrouw uitMarokko die al bijna 30 jaar in zo’n wijk woonde. Ze sprak niet met politiekmeel in de mond. Ze ging de ongemakkelijke waarheid niet uit de weg. Zehad de wijk in al die 30 jaar dat ze er woonde achteruit zien gaan door dekomst van telkens, zoals zij zelf zei, nieuwe golven van migranten, metallerlei problemen die daarmee gepaard gaan, zowel in overlast enarmoede als in cultureel verval. Dat is de realiteit waar de inwoners indeze gebieden mee leven.Is de Minister het met JA21 eens dat een keiharde beperking van demigratie misschien weleens de beste investering kan zijn in dezekwetsbare wijken? Wat gaat de Minister vanuit haar rol in dit kabinetdaarvoor doen? Tot nu toe zijn de antwoorden van de Minister ronduitteleurstellend voor mijn fractie. Ik mis de erkenning van wat migratie doetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12116 met de bestuurlijke verantwoordelijkheden op haar portefeuille. Ik misurgentie. Het enige wapenfeit op dit gebied is juist iets waar wij niet blijvan worden, namelijk het intrekken van de wet over de voorrang vanstatushouders. Voor mijn fractie is dat een zwaar punt. Ik heb dat ookeerder met de Minister gedeeld. Voor ons is het niet bestaanbaar dat deMinister op deze manier bestuurlijke verantwoordelijkheid neemt voor hetlanger discrimineren van Nederlanders op de woonmarkt. Voor ons is datonbegrijpelijk en onvergefelijk. Wat JA21 betreft zetten we de middelenvan de NPLV-aanpak veel meer in voor veiligheid, het tegengaan vanondermijning en het keihard afdwingen van integratie, niet alleen doortaal en werk, maar juist ook cultureel. Is de Minister bereid om hetNPLV-budget meer te richten op veiligheid en integratie?De heer Van Asten (D66):Ik ben wel benieuwd of de heer Clemminck dat geld dan wil weghalen bijhet verbeteren van het onderwijs of bij het verbeteren van de woning-voorraad in die gebieden.De heer Clemminck (JA21):Twee antwoorden. Allereerst: de basis is veilig zijn in je straat, in je buurten in je wijk. Dat is echt de basis. Die moet op orde zijn. Het tweede deelvan het antwoord is dat wij een heel groot voorstander zijn van structureelmeer middelen beschikbaar stellen voor gemeenten in het gemeente-fonds, zodat zij deze basistaak kunnen betalen. Ik was eerder al hierover indebat met de heer Van Asten en het is terecht dat hij hieraan refereert.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.De heer Clemminck (JA21):Voorzitter. Ik begrijp dat in de NPLV-gebieden scholen met een lumpsumvanaf 2028 bekostigd worden uit de SPUK-middelen. Het risico is datbijvoorbeeld de tien extra uren schoolles ten koste gaan van andere zakenbij deze scholen. Dat is volgens mij juist niet de bedoeling. Ik denk dat deMinister deze situatie kent. Graag krijg ik een reactie van de Minister.De voorzitter:Kunt u afronden?De heer Clemminck (JA21):Voorzitter, ik rond af. Als we deze signalen blijven wegwuiven, onder-mijnen we het vertrouwen van bewoners die al jaren zien dat hunleefomgeving verslechtert. Dan laten we mensen in de steek die zich welaan de regels houden, die wel willen bijdragen en die hun wijk steedsverder zien afglijden. Ik heb heel veel positieve krachten van inwonersontmoet in deze wijken. We mogen deze mensen wat ons betreft niet in desteek laten.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even naar de Minister. Hoeveel tijd heeft zij nodig?Minister Boekholt-O’Sullivan:Twintig minuten, alstublieft.De voorzitter:Daan gaan we schorsen tot 15.10 uur.De vergadering wordt van 14.52 uur tot 15.10 uur geschorst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12117 De voorzitter:We gaan verder met het debat over leefbaarheid en veiligheid. Het woordis aan de Minister.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dank u wel, voorzitter. Ik ben allereerst blij dat we hier vandaag ruim detijd hebben om over dit programma te praten, want wat mij betreft is heteen programma dat ieder aan zijn of haar hart gaat. Ik ben zelf inHeerlen-Noord geweest. Ik heb daar een dagdeel mee mogen fietsen doorde wijken en met mensen mogen spreken. Op het einde kreeg ik een boekmee: De onmisbaren. Ik kan u aanraden om het te lezen. Wat me eigenlijkhet meeste trof toen ik het dit weekend las, was het stukje van maar eenpaar regels: «Eigen schuld, dikke bult. Had je maar moeten studeren ofharder je best moeten doen». Als we zo over deze mensen zouden praten,zou dat echt verschrikkelijk zijn. Als deze mensen zo over zichzelf zoudendenken, dan zou dat nog verschrikkelijker zijn. Het beeld van de mensen indeze wijken zou moeten zijn dat zij net zo veel kansen hebben als eeniederdie in Nederland leeft. Maar er zijn wijken waar dit wel de norm is. Daarmoet iets aan gedaan worden. Dat gebeurt in deze NPLV-wijken, waarvoorook een heleboel mensen hierbij aanwezig zijn. Ik denk dat het goed is datwe dit doen. Ik denk ook dat het goed is dat we ons met z’n allenrealiseren dat dit niet iets is wat je overnight kan regelen, maar dat hetvijftien tot twintig jaar gaat kosten voordat we van een lichtpuntje eenlichtbulb kunnen maken. Ik hoop dat we dat gaan doen. Ik denk ook datdat kan met de mensen die op dit programma zitten.Wat mij het meeste is bijgebleven van mijn werkbezoek is niet zozeer watik heb gezien op het gebied van de inhoud, maar dat ik de mensen hebgezien die met deze programma’s werken. Als antwoord op mijn vraagwaarom ze daar werken, zeggen ze allemaal dat ze nergens liever zoudenwillen werken dan daar. Ik noem mensen die werken aan verduurzaming,de directeuren van een school en de twee verloskundigen die ik in Heerlentegenkwam en die zeiden dat zij nergens anders zouden willen werkendan daar. Op mijn vraag waarom dat zo is, gaven deze twee dames aan:omdat wij hier zien wat er achter de voordeuren gebeurt, omdat we hierzien wat er vanaf de geboorte met de volgende generatie gebeurt enomdat we hier meer kunnen doen. Ik was tijdens dat bezoek dus alverkocht wat betreft dit programma. Ik ben zelf natuurlijk ook heel blij dater in dit coalitieakkoord staat dat er financiën beschikbaar blijven omhiermee door te gaan. Natuurlijk zie ik net als u – ik denk dat u dateigenlijk allemaal wel heeft gezegd – vooruitgang, maar is het genoeg enzijn er niet meer gebieden waar je ook zoiets zou moeten doen?Voorzitter, ik heb een aantal mapjes. Misschien is het handig als ik dieeven benoem.De voorzitter:Ja, graag.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik heb een map die vrij breed is, dus die noem ik maar even overig. Daarzit in: buiten de twintig gebieden, de Wet bijzondere maatregelengrootstedelijke problematiek, en financiën. Dan heb ik een mapje fysiek eneen mapje sociaal veilig. Ik heb dus drie mapjes: overig, fysiek en sociaalveilig.De voorzitter:En met welk mapje begint u?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik begin met het mapje overig, omdat daar eigenlijk de meeste vragen inzitten. Dus ik dacht: laat ik daar maar mee beginnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12118 Ik wil graag beginnen met het antwoord op vragen van de heer Grinwis,de heer Nobel, mevrouw Wiersma, mevrouw Steen en meneer Van Asten.Zij hebben allemaal iets gevraagd over wat je moet doen met «buiten detwintig». Ik ben er echt van overtuigd dat we vast moeten houden aan degebieden zoals we die nu hebben, met focus, daadkracht en de budgettendie ervoor zijn. Als je de budgetten gaat uitspreiden over meer wijken, danga je voor allemaal minder doen. Ik moet het wel doen met de financiëlebudgetteringen die ik nu eenmaal in portefeuille heb. Dat wil niet zeggendat we niks kunnen doen voor de gebieden buiten deze twintig gebieden.We zijn ook in gesprek over hoe we dat beter kunnen vormgeven, want wijvinden dat zelf ook. Wij krijgen ook oproepen van verschillende burge-meesters uit het land die ook graag gebruik zouden maken van het NPLV.We willen dus beginnen met datgene wat eigenlijk geen geld kost,namelijk kennis delen. Burgemeesters van de NPLV-gebieden zijn albuddy’s van andere burgemeesters en anders zijn zij bereikbaar omervaringen, best practices en ook wat er misschien minder goed loopt metelkaar te delen.We zijn inmiddels in gesprek – daar zijn we echt nog maar net meebegonnen – met de provincies, om te kijken of ook de provincies elkaar opkennisniveau nog beter kunnen ondersteunen en helpen, door te delenwat de ervaringen zijn. Ten slotte snap ik «boter bij de vis» wel, maar nietalles hoeft direct geld te kosten. Wat wij zelf vanuit het Rijk willen gaandoen, is zorgen dat de kennis die wij hebben opgehaald, beterbeschikbaar wordt, zodat die gedeeld kan worden. We willen ook kennisdelen over hoe je een alliantie bouwt in de gebieden buiten de gedefini-eerde twintig. Dus ja, ik ben het met u eens. Of het nu gaat om NewTowns of alle andere niet-New Towns buiten de twintig en in de vijftig:tegen iedereen die een gebied heeft en meent dat daar meer aandacht opmoet, zeg ik: laten we beginnen met het delen van kennis, laten webeginnen met het delen van ervaringen, laten we kijken waar dat toe leidt.Dan de vraag van de heer Nobel over de Wet bijzondere maatregelengrootstedelijke problematiek. Ik denk dat we hetzelfde bedoelen als uspreekt over de Rotterdamwet, maar het is goed om dat even vast testellen, want anders heb ik een ander antwoord dan waar u om vroeg. Alswe met de Rotterdamwet bedoelen de Wet bijzondere maatregelengrootstedelijke problematiek, het volgende. U vraagt wat die wet doet,wat we daarvan zien. We hebben lokale evaluaties en zien dat die wetbijdraagt. We zien dat in gemengde wijken gericht op het voorkomen vantoenemende concentratie van kwetsbare bewoners in gebieden waar deleefbaarheid onder druk staat. Zo wordt bijgedragen aan het verbeterenvan het leefklimaat voor bewoners in die gebieden waar bewoners het allastig genoeg hebben. Het blijkt dat selectieve woningtoewijzing eenpositief effect heeft op de samenstelling van de bevolking door deinstroom van meer dragers dan vragers. Dat regulering van de instroomgoed werkt, blijkt ook uit de recente evaluatie van Zaanstad voor de wijkPoelenburg en de buurt Peldersveld in het kader van de verlengingsaan-vraag.In december 2023 en in 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over deherziening van deze wet en met de wijziging wordt die wet vereen-voudigd. Dat moet ertoe leiden dat de gemeenten er effectiever uitvoeringaan kunnen geven. Dat is gebeurd op basis van wat de gemeenten onsterug hebben gegeven en op basis van evaluaties die hebben plaatsge-vonden.Dan een vraag van de heren Moorman en Nobel over de Rotterdamwet,die ik de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek noem.Op dit moment wordt de wet in twaalf gemeenten uitgevoerd en hetverschilt per gemeente welk artikel uit deze wet wordt toegepast. De wetwordt ook buiten het NPLV uitgevoerd en er zijn continu gesprekken metandere gemeenten met grootstedelijke problematiek om deze wet temogen gebruiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12119 De voorzitter:Het is de heer Mooiman en mevrouw Moorman. Het lijkt op elkaar, maarhet is iets heel anders. Vervolgt u uw betoog.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Het zijn inderdaad verschillende artikelen in die wet en ik begrijp dat dieevaluatie er al komt. Zou u die dan ook willen uitsplitsen naar dieverschillende artikelen? Anders hebben we hier gewoon spraakver-warring.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, het lijkt me prima om u toe te zeggen dat wij u aansluitend aan ditdebat een uiteenzetting doen toekomen van welke artikelen we voor welkewijken hebben gebruikt.Ik zet mijn beantwoording voort met de vraag van de heer Nobel over deregie op het NPLV. Ik onderschrijf het belang van regie voeren. Daaromhebben we ook het kennis- en leernetwerk opgezet, de WijkWijzer. Met deWijkWijzer worden de lessen uit de lokale allianties onderzocht en bredergedeeld. Het is vooral de bedoeling dat de NPLV-gebieden van elkaar lerenen dat we de leerkringen stimuleren, bijvoorbeeld met betrokkenheid vanbewoners. De directeuren hebben ook een vast overleg, waarin zij kennisen werkende interventies met elkaar delen. Goede voorbeelden zijn vanbelang, want die hebben we nodig om ook anderen daarop te latendoorpakken. In de voortgangsrapportage van het programma komen wedaarop terug na de zomer.Dan de vraag van mevrouw Moorman hoe ik kijk naar de uitdagingenwaar andere gemeenten tegenaan lopen gelet op de beperkte capaciteitdie zij hebben om het tij te keren. Natuurlijk erken ik dat gebieden metvergelijkbare problematiek... Zeg ik het niet goed?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat het de heer Mooiman was.De heer Mooiman (PVV):Ja, dat is mijn vraag.Minister Boekholt-O’Sullivan:Sorry. Ik spoel terug. Het lid Mooiman vroeg hoe ik kijk naar de uitda-gingen waar andere gemeenten tegenaan lopen. Ik zei eerder dat ikherken dat er wijken, gemeentes en gebieden zijn die met vergelijkbareproblematiek kampen. Ik ben daar ook zelf geweest. Ik word ook benaderddoor burgemeesters die zeggen: bij ons speelt dit ook. Ik blijf wel bij hetstandpunt dat ik in het begin noemde: ik zou de budgettering die wehebben ingezet op de NPLV-gebieden niet willen spreiden over meergebieden. Ik denk namelijk dat je dan minder doet in deze gebieden. Wekunnen er wel actief voor zorgen dat we kennis en best practices metelkaar delen. Met het buddysysteem van de burgemeesters en directeurendie hier met elkaar over praten, kunnen we ervoor zorgen dat we zo veelmogelijk kennis delen.De heer Mooiman (PVV):Dank aan de Minister voor de beantwoording. Het klopt inderdaad. Diesignalen ken ik ook. Vanuit meerdere gemeenten wordt er gezegd: «Kijkuit, wij hebben ook wijken met sociaaleconomische problematiek. Daarwillen we toch graag de aandacht op vestigen, voordat het uit de handloopt en die wijken potentieel probleemwijken worden.» De Kamer heeftgister de motie aangenomen omtrent de New Towns. Dat werd zojuist ookeven door een collega benoemd. Ik denk dat het goed is om in destrategie die er richting de Nota Ruimte moet komen, ook dit soortTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12120 aspecten mee te nemen. Ook denk ik dat het goed is om deze groepsteden en gemeenten toch mee te nemen in eventueel een andere aanpak.De voorzitter:Voor de interrupties gebruiken we hetzelfde systeem als net. Dit was eenlange interruptie, dus let u goed op. Als u ze kort houdt, kunt u onbeperktvragen stellen aan de Minister.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ben het helemaal met u eens, meneer Mooiman. Hier geldt ook:voorkomen is beter dan genezen. We moeten het zeker in een bredereaanpak meenemen. Daarom zeg ik ook dat we vanuit onszelf gaan kijkenwat we daarin kunnen doen. Ik zal het zeker ter inspiratie meenemen naarde Nota Ruimte, om te kijken of we ergens iets kunnen borgen waarmeewe «voorkomen is beter dan genezen» toepassen.Dan de vraag van mevrouw Wiersma over de best practices. Dat ishartstikke belangrijk, altijd, eigenlijk op elk onderwerp. Daar moeten weook onderzoek naar doen en we moeten dat zichtbaar maken en delen.Dat doen we ook. We doen dat door kwalitatieve en kwantitatievemonitoring, samen met WijkWijzer, de alliantiepartners, bewoners en dedepartementen. Ook kost het tijd om het goed te onderzoeken. Ik denk dathet rapport laat zien dat we naar lichtpuntjes kijken, op basis van hetprogramma dat ruim drieënhalf jaar loopt. Wat mij betreft blijven we metelkaar in gesprek, proberen we die goede voorbeelden echt naar anderegemeentes en provincies te extrapoleren en maken we gebruik van watgoed gaat, zodat die lichtpuntjes bij elkaar misschien wel een grote lampgaan vormen.Mevrouw Wiersma (BBB):Ik heb hem net even laten gaan, maar ik heb toch een vervolgvraag. Fijnom te horen dat de Minister dit voortvarend op wil pakken en de geleerdelessen te extrapoleren. Mijn vraag is: hoe gaat zij dat doen? Gaat zij daareen bestaande structuur voor benutten? Ik hoor wat de Minister zegt overniet direct financieren, maar als dat in de toekomst linksom of rechtsomwel nodig blijkt te zijn, ziet zij dan kansen om dit op een programmatischewijze soortgelijk in te zetten, zonder dat daar direct een financiële claimonder zit? Mijn vraag is dus: hoe gaat zij dat oppakken en op wat voortermijn? Wat kunnen we ons daarbij voorstellen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Dat is een hele terechte vraag. We hebben net, de afgelopen dageneigenlijk, gezegd dat we hierop willen intensiveren, omdat we zien dat devraag ook intensiveert. Ik heb het dan over het samenbrengen van dekennis, dus eigenlijk de niet-gefinancierde maatregelen die we hierop vantoepassing zouden kunnen laten zijn. Op uw vraag wat ik er zelf aan gadoen, zeg ik: ik begin altijd graag eerst bij mezelf. Wij gaan dus binnen hetdepartement kijken hoe we dit kunnen omarmen, want de roep is er. Daarmoeten we niet doof voor zijn. Ik wil kijken of het past in dingen die we aldoen of dat we het kunnen borgen in bestaande structuren, om tevoorkomen dat we hier iets nieuws optuigen, waardoor de verwachtingwordt gewekt dat er financiën zijn die er gewoon niet zijn. Ik wil dus naareen light-structuur, het liefst binnen een bestaande structuur, waarin wehierover spreken. Dat kunnen we denk ik het beste samen met de VNG ende M50 doen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik heb toch een korte vraag. Begrijp ik nu dat er gewoon geen extra geldkomt?Minister Boekholt-O’Sullivan:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12121 Ik probeerde te zeggen dat er geen extra geld is voor buiten het NPLV.Voor het NPLV is er extra geld in het coalitieakkoord. Dat is 135 miljoenper jaar. Dat is dus al iets meer dan het was. Volgens mij is dat dus heelpositief en goed voor deze gebieden, maar er is geen budget voor buitendeze gebieden.Dan ga ik door met de vraag van mevrouw Wiersma over buiten detwintig. Ik denk dat ik daar al een heleboel over heb gezegd. We gaan echtkijken hoe we samen kennis kunnen delen, het liefst met een aanpakbinnen bestaande structuren.Mevrouw Wiersma (BBB):Dan zou ik de Minister willen vragen of zij het met ons kan delen als zijeen bestaande structuur gevonden heeft en dan ook kan delen hoe ze daaruiting aan gaat geven. Dat zouden we dan als Kamer graag willen horen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, dat is geen enkel probleem. Als ik eruit ben, zal ik zorgen dat er eenbrief komt.Mevrouw Wiersma vroeg naar de financiering. Ik noem even wat er nu is.We hebben binnen het fysieke domein tot 2030 600 miljoen. Voor hetsociale domein, dus de SPUK Kansrijke Wijk, is er nog 400 miljoen. Voorveiligheid is er 208 miljoen voor Preventie met Gezag. Ik blijf met hen ingesprek. Vanochtend nog hadden we het over hoe we de middelen metvoorrang willen inzetten voor de NPLV-gebieden. Bij de ontwerpbegrotingvan 2027 kom ik daar nader op terug. Ook kom ik dan uiteraard terug opdie 135 miljoen uit het coalitieakkoord waar ik het net over had.Dan was er een vraag van mevrouw Wiersma over het verbeteren van deleefbaarheid en een gecombineerde aanpak op onderwijs, veiligheid, werken de fysieke omgeving. Ik deel uw beeld dat de vaak verouderdeparticuliere voorraad een uitdaging vormt. Die willen we graag bezien inhet licht van de isolatieopgave in deze gebieden, om te kijken of we dat opeen bepaalde manier kunnen combineren. Rond de zomer wil ik uwKamer, en dus ook u, hier nader over informeren.Mevrouw Steen vroeg of er structureel gestuurd wordt op een mix vaninkomensvoorzieningen en werkgelegenheid. Dat is hartstikke nodig, dusik ben het ook echt met u eens. Het heeft geen zin om alleen maar huizente bouwen als je de rest niet inregelt. Als je dat wel doet, kunnen ergemeenschappen ontstaan waar mensen naar elkaar omkijken en voorelkaar zorgen, als zich dat voordoet. Daar moeten we dus naar kijken. Wemoeten naar die samenhang en het inzetten van de interventies. De kernvan het hele programma is dat we het allemaal samendoen.De voorzitter:Mevrouw Steen heeft een vraag. O, toch niet.Mevrouw Steen (CDA):Ik wacht heel even. Misschien komt het nu.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik loop ze allemaal af, hoop ik. Mevrouw Steen vroeg over de SPUKKansrijke Wijk: hoe wordt voorkomen dat de interventies versnipperdblijven in plaats van samenhangend en integraal zijn? Ik ben het met ueens dat samenhang en integraliteit juist het succes van dit programmazou moeten zijn. We moeten niet alles alleen doen, maar zorgen dat éénen één nog steeds drie is. We moeten dus zorgen dat we goede regievoeren op die geldstromen en dat we die zo veel mogelijk bij elkaar wetente houden. Het is ook zo dat de geldstromen eigen voorwaarden kennen.Daar hebben we ook rekening mee te houden in de uitvoering. Het doelvan de verdeling van de middelen van de gebieden is het verlagen van deadministratieve last en het vergroten van de uitvoeringskracht en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12122 integraliteit. We proberen versnippering tegen te gaan en zo veel mogelijkte bundelen wat er te bundelen is.De voorzitter:Mevrouw Steen, nu wel.Mevrouw Steen (CDA):Ja. Ik hoor de Minister aan de ene kant zeggen: we hebben te doen metalle randvoorwaarden die rondom al die SPUK’s gelden. Tegelijkertijdhoor ik haar zeggen: we gaan kijken naar hoe we die administratieve lastkunnen verlichten. Is de Minister ook bereid om te kijken hoe al dieingewikkelde randvoorwaarden rondom die SPUK’s gedownsized kunnenworden, zodat ze gewoon makkelijker uitvoerbaar zijn? Volgens mij hoefthet namelijk niet zo ingewikkeld te zijn. Ik hoor de Minister dus eigenlijktwee dingen zeggen: we hebben de randvoorwaarden en ik wil er iets aandoen. Wil de Minister dan ook iets aan de ingewikkelde randvoorwaardendoen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik wil altijd heel graag iets aan ingewikkelde randvoorwaarden doen, opwelk dossier dan ook. Er zijn een aantal dingen. Eén. Vanuit het depar-tement is er een oproep gedaan om die SPUK’s af te bouwen. Dat is dusde SPUK of een ander instrument dat daarvoor terugkomt. Het voordeelvan de SPUK is dat je iets heel gericht doet. Je kunt daar snel geld opinzetten, maar het heeft ook een tijdelijk karakter. Als je snel iets wilt doen,is de SPUK best een goed instrument om in te zetten als je niet zeker weetof iets heel lang gaat duren of dat er heel lang geld daarvoor beschikbaarmoet zijn, bijvoorbeeld over een coalitieperiode heen. Het nadeel is dathet kort is en dat er natuurlijk altijd gevraagd kan worden hoe duurzaamzo’n programma is. Vooropgesteld moet worden dat de NPLV-gebiedenergens hun status als NPLV zouden moeten verliezen. Als het goed is, leidtdeze aanpak ertoe dat deze wijken zonder deze status verder kunnen,omdat de uitkomst van deze aanpak is dat die niet meer nodig is, dus dathet gelukt is. «Wat jammer dat dit nodig is, maar wat goed dat dit er is»,zei u zelf volgens mij ook in de openingszin bij uw introtekst. Zo kijk ikhiernaar. Ik zal altijd mijn best doen om te vereenvoudigen. Tegelijkertijdis het zo dat je soms moet roeien met de riemen die je hebt. Als dat leidttot succes in een NPLV-gebied, zal ik daar altijd de voorrang aan geven.Mevrouw Steen (CDA):Nou is er vorige week een motie van het CDA aangenomen die het kabinetoproept om ervoor te zorgen dat we ontmoeting en bewegen in deopenbare ruimte als rendabel gaan zien. We moeten ervoor zorgen datgemeenten en ook private bouwers meer ruimte krijgen om samen tewerken om dit soort maatschappelijke baten erbij in te rekenen op hetmoment dat we wijken ontwikkelen. In heel veel NPLV-gebieden wordennu ook weer woningen toegevoegd. Is de Minister bereid om te kijkenwaar we gaan herstructureren? Eigenlijk is de teneur van die motie om datook daar te doen. We moeten nu al meteen beginnen met ervoor tezorgen dat we kunnen bewegen in de openbare ruimte en dat er daadwer-kelijk ontmoetingsruimtes komen. Wil de Minister deze motie ookbetrekken bij het verder brengen van het NPLV?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, dat wil ik. Ik zal die motie een plek hierin geven.Ik ga door naar het Rebelrapport. Daar ging een vraag van mevrouwMoorman over. Zij had het over de lange adem. Die is nodig en daaromnoemde zij ook dit rapport. Ik heb nog geen standpunt over het rapport. Ikben me nog aan het beraden op een inhoudelijke reactie daarop. Die komtdan natuurlijk ook uw kant op. Ik kijk daarbij ook naar de twee prioriteitenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12123 uit het coalitieakkoord, namelijk de aanpak van energiearmoede in deNPLV-gebieden en de verduurzaming. Ik kan alleen nog niet vooruitlopenop financiële besluitvorming hierover. Ik verwacht echter de Kamerhierover te kunnen informeren bij de ontwerpbegroting van 2027.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Mijn moeder heet trouwens Mooiman; om het nog even ingewikkelder temaken, dus eigenlijk heet ik Moorman-Mooiman.De voorzitter:Dat willen we niet weten.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Moorman-Mooiman! Maar dat was buiten de orde. Dit is niet onderdeelvan mijn interruptie.Wat wel onderdeel is van mijn interruptie is dat mijn vader opgroeide inMoerwijk. Ik zou best nog wel een keertje net als vroeger in Moerwijk... Ikwas daar laatst op de Coevordenstraat. De huizen daar waren geïsoleerden dat scheelde enorm op de rekening. Ik had daar vragen over gesteld.Kan de Minister daar nog wat over zeggen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja. Dat had volgens mij geen relatie met het Rebelrapport.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Nee, maar ik dacht dat u aan het einde was gekomen van de beant-woording van mijn vragen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Nee. Het zijn er zo veel! We zijn nog wel even bezig. Ik zal ervoor zorgendat ik deze vraag niet vergeet.Ik ga eerst nog even in op een andere vraag van mevrouw Moorman overde SPUK en het programma School en Omgeving, die vanaf 2028 directnaar scholen gaan. Dat lijkt mevrouw Moorman onverstandig. Ik bendaarover de afgelopen periode in gesprek geweest. Het goede nieuws vanhet overdragen naar de bekostigingsregeling van scholen is dat hetdaarmee weggaat uit het incidentele karakter van de SPUK, dat ik netuitlegde. De SPUK is voor een bepaalde periode bedoeld met eengelimiteerd budget. Door het te borgen, raakt dit de samenleving en descholen breder dan alleen maar via de NPLV. Heeft het potentieel eennegatieve consequentie voor de NPLV-gebieden? Ik onderken niet dat datzo is. Ik heb daar met mijn collega-bewindspersoon over gesproken.Hierover hebben we afgesproken dat we met elkaar in gesprek gaan om tekijken wat we wél kunnen doen. «We» zijn dan de gemeenten, de scholenen wij vanuit het Rijk. We kunnen het niet tegenhouden of terugbrengennaar de SPUK, want dit besluit is genomen, maar hoe kunnen we er opbasis van dat genomen besluit toch voor zorgen dat het werkbaar enuitvoerbaar blijft voor de scholen?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Borgen kan natuurlijk ook op een andere manier. Je kan er gewoonstructureel geld voor vrijmaken. Ik vind dit dus niet helemaal overtuigend.Ik ben wel blij dat de Minister erkent dat het gewoon heel erg nodig is indeze NPLV-gebieden. Zou er dus niet een uitzondering gemaakt kunnenworden voor de NPLV-gebieden?Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan dachten wij hetzelfde, want ik heb zelf een poging gedaan om tekijken of er toch nog iets mogelijk was met een uitzondering. Maar het isvoor DUO een te ingewikkelde uitvoeringsopgave om het op die manier teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12124 organiseren. Ik kan u dus toezeggen dat ik het gesprek blijf voeren met degemeenten en de scholen om ervoor te zorgen dat iets wat goed is, nietzomaar wegloopt. Tegelijkertijd zit het geld hiermee in een structurelereeks. Dat moet dus uiteindelijk ook iets goeds doen voor dit domein.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik heb er waardering voor dat de Minister hier aandacht voor heeft, maarde uitvoeringsproblemen komen nu natuurlijk in de gebieden zelf teliggen, want daar moet het geld bij elkaar gelegd worden. Dat blijkt ookuit het rapport over Rotterdam-Zuid. Ik hoop dus echt dat we toch nog eentandje dieper kunnen gaan en hier nog een keer naar kunnen kijken.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kan u toezeggen dat ik in gesprek zal blijven.Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Moorman over het rapporteren pergebied. We hebben afgesproken dat het landelijke programma aan deKamer rapporteert over totale gemiddelden. Het is aan de gebieden zelfom te rapporteren over hun lokale voortgang. Voor alle indicatoren in hetmonitoringskader zijn de data per focusgebied ontsloten aan de gebieden.Er is daarbij meer kennis nodig om deze cijfers juist te kunnen duiden. Ditvraagt om een goed begrip van de lokale context.De voorzitter:Eerst mevrouw Moorman en daarna meneer Nobel.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Wat zegt de Minister nou precies? Ik snap dat elk gebied weer anders is,maar we hebben tegelijkertijd een monitor om met elkaar te kunnenvergelijken. Kan het dus niet gewoon per gebied worden opgeschreven?Minister Boekholt-O’Sullivan:We hebben bij het ontwerpen afgesproken dat we het op deze manierzouden doen. We laten het dus aan de gebieden om het lokaal te doen,terwijl wij naar het overkoepelende landelijke beeld kijken. Dat is wat wehebben afgesproken. Als u een andere informatiebehoefte heeft – dat kan– en als die breed gedeeld wordt, moeten we natuurlijk kijken hoe we datkunnen oplossen. Het is dus geen onwelwillendheid. Ik vertel u alleen hoehet initieel is ingericht en hoe we daarop acteren.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dat begrijp ik natuurlijk heel goed, maar ik heb inderdaad een andereinformatiebehoefte, en veel van mijn collega’s ook, denk ik. Het wordt alin de gemeentes gedeeld. Tenminste, in de gemeentes die ik ken, wordthet gewoon gedeeld. Het is dus een kwestie van het ook hier op tafelbrengen, zodat we het met elkaar kunnen vergelijken.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kan in gesprek gaan met de gebieden over de vraag op welke manierwe dit zouden kunnen doen. Ik hoop wel op uw begrip als we danproberen te kijken of we dit op een hele laagdrempelige en laag adminis-tratief lastige manier kunnen doen, zodat het niet veel meer werk wordt ofhet tot een fancy dashboard moet gaan leiden. Laten we echt kijken of wedit dan op een hele eenvoudige manier kunnen vormgeven.De heer Nobel (VVD):Mevrouw Moorman en ik hadden net een leuk debatje, maar over éénding waren we het volgens mij best wel eens, namelijk dat we echtzouden moeten kijken naar gemeenten die het relatief gezien goed doen.Ik heb ook de concrete toezegging aan de Minister gevraagd omgemeenten die blijkbaar meer impact maken met hun beleid dan andere,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12125 als uitgangspunt te gebruiken. Daar kan dan volgens mij de vraag vanmevrouw Moorman aan gekoppeld worden, op een laagdrempeligemanier – dat ben ik eens met de Minister – om te kijken welke interventieszij dan doen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kan toezeggen dat we dat zo zullen doen.Dan ga ik verder met de vraag van mevrouw Moorman ... Nee, die hebbenwe net gehad, sorry. Ik heb geen vragen meer van mevrouw Moorman.De heer Van Asten (D66):Het gevaar is dat we nu via de Minister een debat met elkaar moetenvoeren over hoe zo’n rapportage eruit zou moeten zien. Ik ben alswethouder in Den Haag gewend om bijvoorbeeld de stukken over DenHaag Zuidwest altijd op de collegetafel te hebben, en daarin een duidelijkinzicht te hebben. Die ervaring heeft mevrouw Moorman natuurlijk ookmet gebieden in Amsterdam. Dat allemaal samenvoegen op een simpelewijze, zoals de Minister aangeeft, lijkt mij tot een enorme versimpelingleiden, die ook geen regionale invloeden kan meenemen. Daardoorhebben we hier vervolgens een debat waarin we zeggen: Heerlen doet hetslechter dan Amsterdam en Zaandam doet het beter dan Arnhem, maarwat zegt dat ons nu? Laat ik tot de vraag, of oproep, aan de Ministerkomen dat zij wel met een systeem komt als hieraan gewerkt wordt. Of deregionale verschillen spelen daadwerkelijk een rol in de manier waarop jeiets met elkaar vergelijkt of er komt een brief van de Minister die zegt: ikwil ze graag allemaal met een hyperlink naar u doorsturen. Maarsamenvoegen zorgt er niet voor dat er een helderder beeld ontstaat waarwij als Kamer ook echt iets aan kunnen hebben.Minister Boekholt-O’Sullivan:Heldere vraag. Wat ik volgens mij net heb gezegd, is dat ik in gesprek gaom te kijken of er iets mogelijk is, met zo min mogelijk extra lasten. Als ikvervolgens zelf naar iets zit te kijken waarvan ik vind dat het echt helemaalnergens op slaat, dan kom ik ook bij u terug. Dan zou het een hyperlinkkunnen zijn vanuit de gemeente. Maar laat me een poging doen om tekijken of ik er iets van kan maken wat voldoet aan uw informatiebehoefte.Als dat me niet lukt, dan kom ik bij u terug en zeg ik: het is niet gelukt. Danis het aan u om daar dan weer uw werk op te verrichten.De voorzitter:Zitten we nog steeds in het blokje overig?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja.De voorzitter:Oké.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan ga ik naar de vraag van de heer Grinwis of de financiering genoeg is.Ik ben heel blij dat in het coalitieakkoord jaarlijks 135 miljoen voor hetprogramma staat. Dat is meer dan wat er nu in zit. Is het genoeg? Ik denkdat dat een vraag is die waarschijnlijk met «nee» beantwoord moetworden. Maar is het heel veel en kunnen we hier echt impact mee maken?Ja. We hebben een lichtpuntje. Vanuit dat lichtpuntje gaan we verder.Over de gebiedsbudgetten vroeg de heer Grinwis naar de versnipperingover de diverse departementen. Dat klopt. Dat zie ik ook. Dat was ookonderdeel van mijn eigen inwerken op dit dossier. Tegelijkertijd ben ikheel erg blij dat de verschillende departementen ook zien dat ditprogramma zo succesvol is en dat ze kijken hoe ze ervoor kunnen zorgenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12126 dat ze hun financiële stromen ook op het NPLV blijven richten. Zoals ikeerder al zei, zitten er eigen voorwaarden aan die stromen. Misschiennoemt u mij een opportunist, maar het feit dat ze allemaal blijvenbijdragen of het geld structureel via andere stromen borgen, leidt er inieder geval toe dat het programma niet in gevaar komt. Dat lijkt mij hetallerbelangrijkste.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dat laatste, dat het beschikbaar blijft, is natuurlijk fijn. Dat geldt ook voorde betrokkenheid van vier, vijf ministeries bij dit holistische probleem, datje niet verkokerd moet aanpakken. Tegelijkertijd doen we dit voor demensen in de wijken. Als het voor de programma’s in de wijken zelfdaarmee wel onoverzichtelijker wordt om ervoor te zorgen dat allesdaadwerkelijk binnenkomt en als het ervoor zorgt dat ze ik weet niethoeveel bureaucratie en tijd kwijt zijn aan deze bureaucratie, is daar danniet toch iets aan te doen? Hoe kan de Minister het op gebiedsniveau zoprettig mogelijk georganiseerd krijgen? Het is prima dat het aan deachterkant dan verkokerd zit over diverse ministeries en dat de IRF het ookgraag zo wil, maar kan het dan voor de wijken in kwestie niet eenvoudigerworden geregeld?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kan de heer Grinwis hierop toezeggen dat ik best wil kijken naar hetbundelen van de geldstromen helemaal op het einde, daar waar het degebieden binnenkomt. Ik ga daarnaar kijken en dan kom ik bij u terug. Danwilt u weten wanneer. Ik begin u te leren kennen. Dat doe ik voor dezomer.Dan kom ik bij de vraag van de heer Clemminck over hoe de twintiggebieden geselecteerd zijn. Die zijn getoetst aan de hand van deLeefbaarometer en geselecteerd op de score «zeer onvoldoende». Er isrekening gehouden met geografische spreiding over Nederland en met deinzichten die eerder waren opgedaan binnen de Regio Deals.Dan een vraag van mevrouw Steen over welke concrete lessen we nu altoepassen in nieuw beleid en nieuwe gebiedsontwikkeling. Dat gaat overlangjarige inzet, samenwerking, continuïteit en verbindingen tussen deverschillende beleidsdomeinen. Dat zijn de belangrijke succesfactorenvoor onze NPLV-aanpak, denk ik. Het succes van die koppelkansengebruiken we nu ook in de ontwikkeling van de totaalaanpak voor denationaal grootschalige woningbouwgebieden rond wonen, werken,bereikbaarheid, groen en voorzieningen. Dat is volgens mij ook waar wein het kader van de Nota Ruimte over hebben gesproken. Dat moet leidentot een integrale aanpak, want als je alleen huizen bouwt waar geen groenis, waar geen voorzieningen zijn en waar geen wegen zijn, dan heb je nogsteeds geen gemeenschap gebouwd en volgens mij waren we daar nouzo nadrukkelijk naar op zoek. Een van de lessen van de NPLV, de bredeSPUK, is dus om gemeenten te helpen met integrale financiering. Verdergaan we kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat dit ook nadrukkelijkaandacht krijgt in de NPLV-gebieden en dat daar waar huizen wordengerenoveerd of waar nieuwbouw plaatsvindt, dat plaatsvindt met ingedachten de eerdere opmerking van mevrouw Steen over groen enrecreatie en ontmoetingsruimte, ook al gemaakt in eerdere debatten.Mevrouw Steen (CDA):Ik wil ’m toch even scherp maken, want dit is voor mijn fractie toch bestwel belangrijk. De integrale aanpak van het NPLV gaat natuurlijk ook overbijvoorbeeld het sociale domein. We hebben het net gehad over hetonderwijs. Er ziet ook een deel op armoedebestrijding. We hebben het ernu over in de commissie VRO, maar die SPUK’s zijn wel belegd onder deverantwoordelijkheid van andere departementen. Is het dan ook zo dat ophet moment dat daar dingen niet parallel lopen, of juist misschien wel teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12127 verkokerd lopen, wij hier dan ook weer met elkaar komen te spreken overwaar die financieringsstromen uit elkaar blijven lopen? Ik zoek nog welnaar een plek waar we dat kunnen adresseren, want ik denk dat een lesdie we hebben geleerd is dat verkokering uiteindelijk leidt tot overalmisschien wel net niks of misschien twee keer dezelfde euro op hetzelfdepunt. Gaan we híér dan ook met elkaar spreken over de effectiviteit van deSPUK’s die onder andere departementen vallen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Goeie vraag. Die vraag heb ik mezelf deze week ook al gesteld toen ikdacht: ben ik coördinerend op dit allemaal? Het antwoord is: ja. Ik zagmevrouw Wiersma ook al ernstig ja knikken. Ja, dat ben ik. Dus ja, daarspreken we hier over. Ik heb goed geluisterd naar wat u heeft gezegd enzal mijn collega-bewindspersonen nog nadrukkelijker op het hart drukkendat ze mij het leven hier niet al te moeilijk maken. Met steun van deKamer, zegt mevrouw Wiersma. Dat zal ik noteren.Ik had nog een vraag van mevrouw Moorman, namelijk of de adviezenvan de commissie-Van Rijn zijn meegenomen in de ramingen van hetrapport van Rebel. Dat is niet zo. Er is ook nog geen financiële dekkingvoor de adviezen van de commissie-Van Rijn. Zoals ik eerder al zei,beraden we ons op een inhoudelijke kabinetsreactie. Ik kan daardoor dusook nog niet vooruitlopen op de financiën.Dan kom ik bij de vraag van meneer Clemminck over «buiten de twintig».Dit is eigenlijk een beetje een herhaling van wat ik eerder al zei over hetbuddysysteem, de delen van werkende aanpakken. Wat ik u eerder hebtoegezegd, geldt eigenlijk ook als antwoord op deze vraag.Dan had de heer Clemminck een vraag over migratie. De StaatscommissieDemografische Ontwikkelingen 2050 adviseert om in te zetten opgematigde groei. Het vorige kabinet omarmde dit advies. Daar gaat ditkabinet mee verder. We willen grip krijgen op alle vormen van migratie.Natuurlijk sturen we op gemengde wijken.Dan de vraag van de heer Clemminck over hoe de twintig gebiedengeselecteerd zijn. Die zijn getoetst aan de Leefbaarometer. Er is gekekenwelke gebieden daar «zeer onvoldoende» scoorden.Dit was het eerste mapje, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Er is nog een vraag van de heer Nobel.De heer Nobel (VVD):Zitten de vragen met betrekking tot het middenhuursegment en hettoevoegen van betaalbare koopwoningen in andere mapjes of moet ik numijn vinger opsteken?Minister Boekholt-O’Sullivan:Die zitten in het mapje fysiek, waar ga ik nu mee beginnen.Voorzitter. Ik begin het mapje fysiek met de vraag van de heer Nobel, alsofhet zo bedoeld was. Ik ben het helemaal met u eens dat middenhuur eenbelangrijk onderdeel vormt van de NPLV-gebieden. De insteek van deWoontopafspraak is het creëren van een gevarieerd woonaanbod in dezeNPLV-gebieden, ook om ervoor te zorgen dat bewoners in zo’n wijk willenblijven wonen en kunnen blijven wonen omdat er aanbod is om devolgende stappen in hun leven te zetten. Of dat nou een stap naar meer ofminder ruimte is, is dan minder aan de orde. Betaalbare woningen,waaronder middenhuur, borgen we onder andere met de inzet van deRealisatiestimulans.Dan de vraag van de heer Nobel of ik kan aangeven hoe ik kijk naar degedachte om prijssegmenten binnen betaalbare koop als indicator mee tenemen. In de komende periode breng ik de voortgang van de Woontopaf-spraken in kaart. Daarbij kijk ik ook naar de gerealiseerde middenhuur enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12128 de gerealiseerde betaalbare koop in de NPLV-gebieden. Monitoring opprijssegmenten binnen betaalbare koop brengen we niet verder in beelddan reguliere monitoring op woningbouw in heel Nederland. Dat doen wewel specifiek in de NPLV-gebieden op de gerealiseerde middenhuur en degerealiseerde betaalbare koop, maar dus niet voor de middenkoop.De heer Nobel vraagt of ik kan reflecteren op de vraag of de € 7.000 perwoning wel terechtkomt bij betaalbare koop en middenhuur. We strevennaar een goede balans tussen sociale huur, middenhuur en betaalbarekoop. Vanaf 2025 krijgt de bouw van elke betaalbare woning in heelNederland een bijdrage van € 7.000 per woning uit de Realisatiesti-mulans. Dit betreft alle betaalbare woningen, dus sociale huur, betaalbarekoop en middenhuur, ook in de NPLV-gebieden. Hiervoor is tot 2030 zo’n1,5 miljard beschikbaar.Dan vraagt de heer Nobel of we effectieve maatregelen breder kunnentoepassen. Dat gaat met name over de commissie-Van Rijn, die aangaf dathet beleid te gefragmenteerd is. Daar ben ik het natuurlijk helemaal meeeens. Fragmentatie zit soms de voortgang in de weg. We hebbenkennisontwikkeling nodig en kennisdeling is belangrijk. Het kost ook tijdom nieuwe aanpakken grondig te onderzoeken. Als we veelbelovendeaanpakken signaleren, bijvoorbeeld met de SPUK’s Kansrijke Wijk enPreventie met Gezag, bekijken we of we deze aanpakken ook wat meersystematisch kunnen onderzoeken en daarna kunnen extrapoleren.Dan vroeg de heer Nobel: hoe controleert u dat middelen effectiefgebruikt worden? Dat doen we achteraf, omdat het geld dat de gemeenteontvangt uit de Startbouwimpuls voor betaalbare woningen, moetworden uitgegeven ten faveure van de NPLV-opgave. Tevens is er sindsbegin dit jaar een team fysiek aangesteld binnen het NPLV-team, dat echtgaat kijken of we, als dat nodig is, nog wat meer kunnen begeleiden danwel sturen op de afspraken die we hebben gemaakt.De heer Nobel (VVD):Dat klinkt op zich goed, maar we zien tussen de NPLV-wijken toch nogalwat verschil in hoeverre er stappen worden gemaakt. Dit was ook dereden waarom ik er specifiek naar heb gevraagd. Ik hoop eigenlijk dat deMinister dat ook specifiek betrekt bij de toezegging die zij eerder heeftgedaan, over dat het beleid in NPLV-wijken die het relatief goed doen,wordt gebruikt als uitgangspunt voor andere gemeenten, waarbij ze gaatkijken waarom die gemeenten het beter doen. Ik ben namelijk bang datgeld uiteindelijk aan randzaken wordt besteed en bijvoorbeeld niet aan hetvinden van werk of het realiseren van kinderopvang zodat mensen de stapnaar werk kunnen zetten. Daarin zit dus een beetje mijn zorg. Als uhetgeen u zojuist vertelde zou kunnen betrekken bij uw eerderetoezegging, ben ik erg blij.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, dat kan ik. Het gaat er natuurlijk wel over dat wij monitoren of definanciën die specifiek uit de Realisatiestimulans of de Woningbou-wimpuls komen, worden uitgegeven aan waar die voor bedoeld zijn. Ikken ook geen voorbeelden waarbij dat geld voor iets anders zou zijngebruikt, maar misschien zijn die er wel; dan hoor ik die graag. Volgensmij worden de gelden echt wel gebruikt voor de opgave waarvoor die zijn.Maar als uw signaal is dat u daar twijfels over heeft, dan ga ik daarnatuurlijk naar kijken.De vraag van mevrouw Wiersma over de woningnood. De leefbaarheidverbeteren we door een gecombineerde aanpak op onderwijs, veiligheid,werk en de fysieke opgave. Ik deel uw beeld dat de vaak verouderdeparticuliere voorraad een enorme uitdaging vormt. Ik zou deze kwestiegraag bezien in het licht van de aanpak voor de isolatieopgave. Rond dezomer wil ik uw Kamer hier graag over informeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12129 Dan een vraag van mevrouw Steen. Bedoelde u NPLV toen u het had overNOVEX?Mevrouw Steen (CDA):Ja. We hebben de NOVEX-gebieden. Het NPLV heeft zich in eersteinstantie alleen gericht op wijken in die NOVEX-gebieden. Het zijn er nutwintig. Het zijn er net even iets meer, maar in principe zijn het NOVEX-locaties. Als je als regio of stad buiten NOVEX viel, kwam je sowieso nietin aanmerking om een NPLV-gebied te worden. Daarom heb ik mijn vraagover NOVEX gesteld. Maar u mag ook «NPLV-gebieden» lezen, hoor, wantdat is ook de strekking van mijn vraag.Minister Boekholt-O’Sullivan:Voorzitter. Dan vraag ik of ik in de tweede termijn even op deze vraag magterugkomen.Dan ga ik naar een andere vraag van mevrouw Steen, over de gemengdewijken. U vroeg naar mijn visie op het voorkómen van achterstands-wijken. Ik ben het, zoals ik eerder al zei, helemaal met u eens: we moetenzoiets voorkomen. Als we nadenken over nieuwe steden of nieuwegrootschalige woningbouwlocaties of zelfs het wijkje erbij of het straatjeerbij, zou een integrale aanpak daarin een rol moeten spelen, waarin hetdus ook gaat over het speeltuintje, de sociale voorzieningen, de ontmoe-tingsplekken. Zo krijgt de gemeenschapszin, die we allemaal hooghebben, een plek.Dan een vraag van mevrouw Steen over de Woontopafspraken. Wehebben op dit moment nog geen definitieve voortgangscijfers over dewoningbouw uit de in 2025 gemaakte afspraken. Dat komt doordat dewoningbouw wordt versneld met de Realisatiestimulans. De verant-woording en uitkering vinden na start van de bouw plaats. Ik verwacht inQ4 een compleet beeld te kunnen geven over wat er in 2025 daarop isgerealiseerd.Mevrouw Steen stelde ook de vraag over de Woontopafspraken ofgemeenten, corporaties en partners voldoende toegerust zijn. Deuitvoeringscapaciteit is natuurlijk een uitdaging, overigens in deze helebrede opgave. Daarom is er binnen de Realisatiestimulans een aparteopslag voorzien voor versterking van de capaciteit op de fysieke opgavevan de NPLV-gebieden. Per gebied is in kaart gebracht welke uitvoerings-capaciteit benodigd is. Hier zijn per gebied ook maatwerkafspraken overgemaakt in 2025.Mevrouw Steen vroeg hoe ik kijk naar de borging van deze afspraken oplangere termijn. Dit is een proces van lange adem. Dat is niet anders danin de NPLV-gebieden. We willen langjarig borgen in de gebieden. Permaart is daarom een team fysiek toegevoegd aan het bredere NPLV-team,dat zich specifiek gaat richten op het voor 2030 realiseren van deWoontopafspraken. Dit is niet helemaal een antwoord op uw vraag hoewe het gaan borgen, maar we willen in ieder geval dat dedicatedcapaciteit zich erop gaat richten dat we het in 2030 ook daadwerkelijkhebben gerealiseerd.De heer Nobel (VVD):De Minister refereert aan de Woontopafspraken. Een van de zaken diedaarin is afgesproken dat er meer betaalbare woningen worden gereali-seerd, waaronder ook in het middenhuursegment. De Minister gaf zojuistaan dat ze dat belangrijk vindt. Dat doet me deugd, maar tegelijkertijdvraag ik me af hoe de Minister dat aantal woningen in het middenhuur-segment wil gaan versterken. Dat heb ik namelijk nog niet echt beluisterd.Minister Boekholt-O’Sullivan:Gaat dit alleen over het NPLV of bedoelt u de bredere vraag?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12130 De heer Nobel (VVD):We hebben het vandaag natuurlijk met name over het NPLV. Breder mag uer ook op reageren, maar voor het debat is het misschien makkelijker omhet bij de NPLV-wijken te houden.Minister Boekholt-O’Sullivan:Daarvoor geldt natuurlijk wat ik hier eerder over heb gezegd. We hebbenüberhaupt alle segmenten nodig. In de NPLV-gebieden hebben we nodigdat mensen in wijken willen blijven en kunnen blijven en dat er dus vooralle segmenten iets is. Dat is onderdeel van de aanpak. Dat is ookonderdeel van de gesprekken die we met de verschillende gebiedenmoeten voeren over hoe die wijken eruit zouden moeten zien om ervoorte zorgen dat ze hun status van NPLV-gebied hierop verliezen. We sturenhier hetzelfde op als op de andere categorieën huizen in diezelfdegebieden.De heer Nobel (VVD):Ik vraag dit omdat we in NPLV-gebieden zien dat het percentage socialehuurwoningen echt fors hoger is dan in gebieden die niet de NPLV-statustoegekend hebben gekregen. Op het moment dat je dat wil verbeteren, zulje bijvoorbeeld ook meer middenhuurwoningen moeten toevoegen. Ik benbenieuwd hoe u dat gaat doen. Hoe gaat u die versterking in die wijkendaadwerkelijk toepassen? U zegt nu «aan alle woningen hebben webehoefte», maar in die wijken is juist geen behoefte aan nog meer socialehuurwoningen, want in die sociale huurwoningen zitten ook mensen diemisschien meer van de overheid vragen, zoals de ChristenUnie zojuist ookzei. Daar zitten misschien de minder sterke schouders. Die wijken hebbenjuist behoefte aan meer middenhuurwoningen.De voorzitter:Uw interrupties zijn nu op.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan zal ik proberen die interruptie niet verloren te laten gaan en een goedantwoord te geven. Ja, er zijn veel sociale huurwoningen, maar volgensmij is het ten minste zo belangrijk dat die huizen ook de kwaliteit hebbendat mensen er gezond, plezierig en veilig kunnen leven. De problematiekvan de sociale huurwoningen moet ook aangepast worden. Daarnaastmoeten er woningen bij. Dat is ook onderdeel van het programma, dat erwoningen bij moeten en dat die er versneld bij moeten. Ook is er behoefteaan dat mensen in die wijken blijven. U heeft dat zelf net ook gezegd. Wehebben dragers en vragers; dat moet een beetje in balans gebrachtworden in deze wijken. Daarom moet er bijgebouwd worden. Dat moetalleen niet ten koste gaan van dat je de bestaande voorraad naar eenniveau moet brengen dat mensen daar ook gewoon een goed levenkunnen hebben. We zullen sturen op bijbouwen en op zorgen dat wie jedaar wil houden, maar die je ook ontwikkelkansen wil geven, gewoon inde eigen buurt kan blijven wonen. Die mensen willen daar ook blijvenwonen, zo is tenminste mijn ervaring in Heerlen-Noord – ik weet het: datis n=1 – maar ze hebben alleen een andere woonbehoefte, waar nu geenruimte voor is binnen die wijken.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben wel blij met dit antwoord, want het problematiseren van socialehuur vind ik problematisch. Ik wil maar even zeggen dat in Wenen 70%van de woningvoorraad sociaal is. En je kan toch niet zeggen dat Weneneen enorm problematische stad is. Toch zie ik in de rapportage dat af entoe wordt gezegd dat er te veel sociale huur is. Over mengen zijn we heteens, maar zullen we niet steeds doen, zoals ook weer in deze rapportagegebeurt, alsof sociale huur het probleem an sich is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12131 Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik wil op geen enkele manier ... Ik merk ook aan mezelf dat het me raaktdat we het bijna over sociale huur hebben alsof het iets is om je voor teschamen. Ik kom er zelf vandaan en ben best oké terechtgekomen, denk ikzelf. Ook als je ergens anders terechtkomt, is dat goed. Als er woorden inrapportages staan die de suggestie wekken dat dit zo is, hoor ik die straksgraag van u. Dan zullen wij kijken of wij met taal onbedoeld een beeldschetsen dat ik helemaal niet wil schetsen. Los daarvan ben ik wel voorgemengde buurten, zodat we vragers en dragers met mekaar in balanskunnen brengen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben heel blij met deze woorden van de Minister, want dat brengt hetinderdaad in balans. Ik wijs bijvoorbeeld op pagina ... O, er staan geenpaginanummers op, dus dat maakt het lastig. Ik toon nu een grafiekwaarbij de WOZ-waarde tegenover elkaar wordt gezet. Dat wordtgepresenteerd als een probleem: de WOZ-waarde is te laag. Dat vind iklastig. We doen net alsof het slechter is omdat het goedkoper is.Nogmaals, ik ben blij dat de Minister zegt: nee, het gaat erover of dewoningen goed zijn en of je kan doorstromen en dat het gemengd is.Maar laten we toch steeds ook wel weer door die bril naar dit soortrapportages kijken. Dat is mijn enige vraag.Minister Boekholt-O’Sullivan:Daar moet ik eerst antwoord op geven. Ik zal altijd door die bril daarnaarkijken. Tegelijkertijd hebben we soms wel meetinstrumenten nodig. Somsis dat gewoon de WOZ-waarde, omdat die een instrument is waarlangs jetot bepaalde analyses kan komen. Maar wij zullen zorgvuldig zijn dat wijgeen suggestie wekken dat de een meer waard is dan de ander, want datis simpelweg niet zo.Mevrouw Wiersma (BBB):Dit zal wel een wat langere interruptie worden, voorzitter, maar ik krijg nutoch een beetje het gevoel van de taalgids van OCW. Laten we niet netzoals bij greenwashing gebeurt hier aan socialwashing gaan doen. Erwordt natuurlijk niet door het lid Nobel sec bedoeld dat sociale huurwo-ningen een probleem zijn, maar laten we wel met elkaar vaststellen dat indie sociale huurwoningen gemiddeld genomen mensen wonen die metgrotere uitdagingen in het leven te maken hebben dan in de middenhuuren in koopwoningen. Ik kom zelf ook uit zo’n situatie, waarin alle zevenvinkjes van de multiprobleemgezinnen gezet kunnen worden, dus ikspreek uit ervaring over welke uitdagingen daar zijn. Dat is wat het lidNobel volgens mij bedoelt. We moeten dat niet met woorden proberenmooi te omschrijven, want het bestaat wel degelijk. Ik ben blij om te horendat het lid Moorman ook erkent dat die inmenging van wezenlijk belangis, juist ook om die problemen in de toekomst te lijf te kunnen gaan. Het isniet zozeer een vraag aan de Minister, maar ik hoop wel dat we dit nietwillen gaan verstoppen in ons taalgebruik. Er zijn immers reële uitda-gingen die in deze woningvoorraad spelen. Daar moeten we de ogen nietvoor sluiten. Ik hoop dat de Minister dat met me eens is.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ben het met u eens wat betreft de problematiek. Ik denk dat we het ookmet elkaar eens zijn dat we mensen geen stempel moeten geven. Volgensmij zijn we het daar allemaal over eens. Volgens mij zit daar het onder-scheid in. Ik heb niemand iets horen zeggen over «een mens een stempelgeven». Dit moet gaan over de vraag wat we in zo’n wijk proberen terealiseren. U kan erop rekenen dat ik daar geen andere houding inaanneem dan ik nu heb gedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12132 Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Moorman over de WOZ-waarde,maar volgens mij hebben we het daar net over gehad. Het is een indicatorwaar we naar kijken, maar we kijken niet alleen naar die. We kijkenbijvoorbeeld ook naar energielabels, energiearmoede, ervarengezondheid en het schooladvies.Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Moorman over de aanpak vanenergiearmoede bij corporatiewoningen. Zij vroeg of ik voldoende doe.We helpen de huishoudens met weinig financiële ruimte om hun woningte verduurzamen met middelen uit de SPUK voor het tegengaan vanenergiearmoede, de SPUK Lokale Aanpak Isolatie, het Warmtefonds endiverse subsidies die daarvoor beschikbaar zijn. De verhuurders moetenhun woningen met de slechte labels E, F en G dus voor 2029 verduur-zamen. In het coalitieakkoord staat dat we via het Nationaal IsolatieOffensief woningen verder gaan verduurzamen om de energierekening zobetaalbaar mogelijk te houden, met extra aandacht voor deNPLV-gebieden met de grootste energiearmoede. Ik heb de nieuwecolleges begin deze week een brief gestuurd waarin ik heb gevraagd omhier prioriteit aan te geven in de bredere zin.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dat is hartstikke fijn. Dit gaat voor mensen echt schelen in hun porte-monnee en dan zitten ze er ook nog warm bij. Dit is dus echt hartstikkefijn. Kunt u er ook een specifiek doel aan koppelen? Hoeveel woningen inde corporatiesector willen we opknappen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik weet dat die aantallen er zijn, maar ik weet ze niet uit mijn hoofd. Dezevraag neem ik dus even mee naar de tweede termijn.Ik ga verder met een vraag van de heer Clemminck.De voorzitter:Sorry, ik zag niet dat de heer Grinwis nog wilde interrumperen. Het woordis eerst aan hem.De heer Grinwis (ChristenUnie):Het is natuurlijk een prachtige doelstelling. We hebben al een aantal jaarhet Nationaal Isolatieprogramma. Dat is juist opgericht om het collectievespoor, de collectieve aanpak, de ontzorgende aanpak verder te brengen.Het is mooi dat die wordt geïntensiveerd met het Isolatie Offensief in deNPLV-gebieden, maar op welke manier wil de Minister die collectieveaanpak intensiveren? Hoe ziet ze dat voor zich? Er waren wel allerleiideeën over, bijvoorbeeld om dat met een contingentenaanpak te doen endoor te standaardiseren en industrialiseren. Dat is tot nu toe heelweerbarstig gebleken. Het vve-spoor is tot nu toe veelbelovend. Hoezouden we dit verder kunnen brengen, zodat we daadwerkelijk massagaan maken? Tot nu toe valt dat een beetje tegen.De voorzitter:Uw interrupties zijn op. De regel is dat interrupties voor twee tellen als zelanger duren dan 30 seconden. U zat er bij allebei ruimschoots overheen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Wat we zien en waar we in eerdere debatten over dit onderwerp ook overhebben gesproken, is dat er is geen quick fix is, want die was dan alverzonnen. Dan hadden wij het er waarschijnlijk ook niet met elkaar overhoeven te hebben, want dan was het al opgelost. We zien dat wenormeringen hebben over hoeveel huizen verduurzaamd moeten worden.In de tweede termijn kom ik terug op het antwoord op die vraag. Mijninsteek in de afgelopen weken en tot vannacht was, en nog steeds is alswe vooruitkijken, dat we ervoor moeten zorgen dat we zo veel mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12133 huishoudens zo goed mogelijk isoleren voordat we de winter ingaan endat de mensen die er het meeste belang bij hebben hiermee wordengeholpen. Dit is een beetje buiten het NPLV, maar er zit 1,6 miljard bij degemeentes om iets te doen met verduurzaming. De oproep aan hen is omdat vooral te richten op de bewoners van de huizen met de slechtstelabels. Dat is de aanpak waar we nu voor kiezen.Ik begrijp dat u zegt dat het niet genoeg is en dat het grootschaliger enmeer moet. Voordat je het weet hebben we straks een discussie overwarmtenetten en hybride warmtepompen. Dat zullen we nu niet doen. Ikkijk naar het volgende. Hoe kan ik met de financiële ruimte die ik heb enmet de problematiek die er is ervoor zorgen dat ik weet hoeveel euro elkeeuro die we in de weerbaarheid van de samenleving stoppen – ik zie hetnamelijk meer als de weerbaarheid van de samenleving dan als verduur-zaming – zou opleveren in de portemonnee van het individu? Dat zou echtheel mooi zijn. Dat kan ik nu nog niet. Ik probeer alles wat ik nu heb en nukan doen, ook nu in te zetten. Daarnaast ben ik, net als de anderebewindspersonen, met het kabinet in gesprek om te kijken wat we nogmeer kunnen doen en hoe we kunnen zorgen voor een meer integraleaanpak die uiteindelijk tot een versnelling zou moeten leiden.De voorzitter:Dank u wel. Is het blokje «fysiek» al afgerond?Minister Boekholt-O’Sullivan:Nog één laatste vraag, van de heer Clemminck. Hij had het over vooruit-kijken naar de toekomst en bouwen aan nieuwe wijken en steden, waarbijleefbaarheid voorop moet staan. Daar ben ik het natuurlijk helemaal meeeens. Binnen de Realisatiestimulans is een aparte opslag van in totaal 180miljoen voorzien voor het realiseren van deze voorzieningen en hetverbeteren van de openbare ruimte.Voorzitter. Ik kom bij het volgende mapje, sociaal en veiligheid. Ik beginmet een vraag van de heer Van Asten. Hij vraagt mij of ik bereid ben omsamen met het Ministerie van VWS, gemeenten en lokale organisatiesgerichte maatregelen te nemen voor de vaccinatiegraad. Om de vaccina-tiegraad te verhogen, investeert het kabinet in uitbreiding van dewijkgerichte aanpak voor vaccinaties. Deze aanpak richt zich op eenlaagdrempelig aanbod van vaccinaties en voorlichting, die is afgestemdop de lokale behoeften in wijken waar deze vaccinatiegraden laag zijn. DeNPLV-alliantiepartners hebben een breed netwerk en goede verbindingmet bewonersgroepen in deze stedelijke focusgebieden. Ik moedig hetvan harte aan dat gemeenten en lokale organisaties van deze netwerkengebruikmaken voor het bereiken van de kwetsbare doelgroepen. Ik zal inieder geval dit voorjaar met de Minister van VWS in overleg treden om tekijken of we hier nog iets op kunnen intensiveren.De tweede vraag van de heer Van Asten gaat over gezondheid. Hij vraagthoe VWS zich eraan committeert om de gezondheid van bewoners teverbeteren. Het gaat hier natuurlijk over mentale en fysieke gezondheid.Dat is een basisvoorwaarde voor wat we in dit programma doen. In eenaantal gebieden maakt gezondheid ook deel uit van de lokale uitvoerings-plannen. Een integrale aanpak op het terrein van huisvesting, leren enwerken draagt ook bij aan een betere gezondheid. Het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord geeft aan deze ontwikkelingen een nieuwe impuls. Indit akkoord zijn afspraken gemaakt over de aanpak van multiproblematiekin de NPLV-gebieden. Mijn collega van VWS heeft hiervoor van 2027 tot2029 60 miljoen beschikbaar gesteld. Deze integrale aanpak zal naarverwachting ook een positief effect hebben op het terugdringen vanbovenmatige zorgkosten in deze gebieden.De heer Van Asten (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12134 Dank voor deze beantwoording. Ik heb daarbij één vraag. De Minister gafal aan dat niet in alle NPLV-gebieden die gezondheidsprogramma’sworden uitgerold. Wat is eigenlijk de reden om dat niet breder neer tezetten? Ik zie dat in meer onderdelen van het NPLV-programma. In eenaantal gebieden wordt iets opgezet, en dan hoop ik altijd maar dat hetverder uitrolt. Ik was even benieuwd naar de status van de gezondheids-plannen in dit totale programma.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik zou deze graag toevoegen aan mijn toezeggingen aan de heer Nobel,die vroeg om de goede voorbeelden te extrapoleren en te zorgen dat weer wat meer op sturen dat die goede voorbeelden ook gedeeld wordenmet de andere gebieden. Dat betekent dat we ervoor zorgen dat de goedeervaringen op het gebied van gezondheid veel breder gedeeld wordenmet de andere gebieden. Dit is wel een van de prioritaire gebieden binnende NPLV-aanpak.Dan de vraag van mevrouw Steen: hoe wordt voorkomen dat de inter-venties versnipperd blijven en hoe we zorgen dat die juist samenhangenden integraal worden? Ik hou ook van samenhangend en integraal, dus ikben het helemaal met u eens dat we daarop moeten sturen. Dat is nietmijn antwoord; dit was alleen de aanloop ernaartoe. Binnen de SPUKKansrijke Wijk worden meerdere geldstromen van departementensamengevoegd. Deze kennen eigenlijk hun eigen voorwaarden. Dat is watik eerder tegen u heb gezegd hierover. Ik heb u ook al toegezegd dat ikernaar ga kijken. Als u het goedvindt, neem ik deze vraag hierin mee.Dan de vraag van mevrouw Moorman over kinderdagverblijven. Kinder-opvang is hartstikke belangrijk, niet alleen voor de ontwikkeling van hetkind, maar ook voor de ruimte voor ouders om te kunnen werken. Datgeldt voor zowel vaders als moeders. In de NPLV-gebieden werken we ookaan het verhogen van het bereik van voorschoolse educatie met hetprogramma voor het jonge kind. Het CBS monitort ontwikkelingen in dekinderopvang en maakt deze inzichtelijk met een dashboard. Naastlandelijke cijfers bevat dit dashboard ook cijfers op het niveau van degemeente, de wijk of de buurt. De trend waarover u spreekt, wordt inalgemene zin niet herkend door het Ministerie van SZW.Dan de vraag van ...De voorzitter:Een interruptie van mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Toch wordt het in sommige wijken wel erkend. Dat geldt onder anderevoor Overvecht in Utrecht, waar meneer Van Asten en ik allebei waren. Ikben bang dat de nieuwe wet dat gaat versterken, omdat er meer schaarstekomt en geen maximaal plafond. Dan zou het zomaar kunnen gaanschuiven. Hoe houd je hierbij de vinger aan de pols?Minister Boekholt-O’Sullivan:Daarop kan ik, denk ik, het beste het volgende zeggen. In het vorige blokjezei ik al dat ik als coördinerend Minister verantwoordelijk ben om dit soortthema’s hier te bespreken. Ik zal dus nader in gesprek gaan met deMinister van SZW om te kijken of we kunnen identificeren of dat wat inUtrecht gebeurt ook breder gebeurt. Dan kom ik hierop terug bij u.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Daarbij wil ik het niet specificeren tot alleen Utrecht, want ik herken hetook van andere gebieden. Dank dat u dat gaat doen. Zou daarbij ookgekeken kunnen worden hoe we daar bijvoorbeeld gratis kinderopvangvoor alle kinderen uit deze wijken aan toe kunnen voegen? Dat zou enormhelpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12135 Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik snap dat dat enorm zou helpen. Ik denk dat dat, als we dat zoudenwillen, ten koste gaat van andere delen van het programma, omdat het uitdezelfde financiering zou moeten komen. In mijn gesprek met SZW zal ikkijken wat het standpunt hierover vanuit SZW is, maar ik geef alvast dewinstwaarschuwing dat als we dit willen, dit waarschijnlijk ten koste gaatvan iets anders.Dan een vraag van mevrouw Moorman over het onderwijs. Zij noemdehet voorbeeld van de Familieschool in Amsterdam. Dat is inderdaad eenmooi voorbeeld waarbij kinderen een brede basis wordt geboden. We ziendeze scholen ook al in andere gebieden, zoals Breda-Noord, Heerlen-Noord en Utrecht Overvecht. Het is aan de gemeenten en scholen zelf omde slag te gaan met een familieschool. Er wordt wel actief ingezet opkennisdeling over de Familieschool. Er is een landelijke agenda van deGelijke Kansen Alliantie vanuit OCW, waar dit ook op staat.En dan tot slot, de laatste ...De voorzitter:Mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik zit te twijfelen. Het kan ook in de tweede termijn, maar ik vind dit welecht een mager antwoord. We weten dat dit enorm werkt. Ik had ookgevraagd naar die 19 miljoen die wordt bezuinigd op de brugfunctionaris.Daar gaat dit echt enorm aan raken. Ik zou toch hopen op een iets stevigerantwoord hierop.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan gaat hij mee naar de tweede termijn.Tot slot de vraag van de heer Clemminck. Hij noemde dat vanaf 2028scholen met lumpsum worden bekostigd, met de kans dat scholen deextra uren niet meer kunnen aanbieden. Het programma School enOmgeving wordt inderdaad vanaf 2028 structureel gefinancierd via eenaanvullende bekostigingsregeling. Ik ben het er dus niet mee eens datscholen na 2028 niet meer worden bekostigd. De samenwerking tussenscholen, gemeenten en andere alliantiepartners blijft ook na 2028belangrijk.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Een vraag van mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Even over de orde. Wat bent u van plan met de tweede termijn? Wilt uliever dat wij vragen die zijn overgebleven nu in een interruptie aan deMinister stellen?De voorzitter:Ik wou nu beginnen aan de tweede termijn. Daar kunt u de vragen die zijnblijven liggen nog eventjes in herinnering brengen.Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Van Asten.De heer Van Asten (D66):Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording in hetdebat over de voortgangsrapportage. Mijn vragen zijn daarbij beant-woord, waarvoor dank. Ik ben wel benieuwd naar hoe de toezeggingenuitpakken richting de collega’s. Ik noemde net al in een interruptie dat ik ergraag voor wil waken dat dit hele programma, dat zo gebaseerd is oplokale kennis en lokale aanpakken, te veel veralgemeniseerd wordt naarcijfers en vergelijkingen. Sommige dingen zijn niet vergelijkbaar. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12136 gezegd hebbende, is het natuurlijk wel van belang wat je van elkaar kuntleren. Wat kun je als gebieden van elkaar leren? Ik zie in het verslag dat erdiverse programma’s lopen, soms bij acht, soms bij elf van de twintiggebieden. Hoe kun je dat breder maken? Wanneer heeft dat wel zin enwanneer niet? Wat houdt dat tegen? Zijn dat de financiën vanuit eenbepaald ministerie, of is dat simpelweg omdat de behoefte in zo’n gebieder niet toe is? Maar goed, dat is ook wel iets dat gemeenten zelf moetengaan bepalen.Dank voor de toezeggingen over het vaccinatieprogramma. Ik maak me eraltijd erg druk om dat we dat in heel Nederland, dus in elke stad, op eenhoog niveau houden. Dat is van groot belang, dus veel aandacht is ookvan groot belang, ook in deze gebieden.Ik heb verder geen vragen in deze termijn. Ik laat het hierbij. Dank.De voorzitter:Dank u wel. De heer Nobel, VVD.De heer Nobel (VVD):Voorzitter, dank u wel. Dank aan de Minister voor de beantwoording vande vragen en voor de toezeggingen die de Minister heeft gedaan. Ik benblij dat de Minister gaat kijken naar NPLV-wijken waar het beter gaat enhet beleid van die wijken als uitgangspunt wil nemen. Ik denk dat dat ookrechtvaardig is. Als sommige gemeenten de middelen heel goed bestedenen andere gemeenten dat relatief minder doen, denk ik dat het ookrechtvaardig is om vanuit de Kamer te vragen daar kritisch naar te kijken.Ik was ook blij dat de Minister het belang aangaf van het middenhuur-segment en de betaalbare koop in die NPLV-wijken, maar ik zal dat welkritisch gaan volgen, want ik denk dat het belangrijk is om een balans tevinden in de verhouding met sociale huurwoningen, in dat percentage.Dan gaat het natuurlijk niet om de sociale huurwoningen an sich, maarwel om de mensen die vaak in die woningen wonen. Dat is ook wat hetrapport-Van Rijn heeft aangegeven. Mensen in het middenhuursegmentzullen bijvoorbeeld altijd een baan hebben, anders kunnen ze diemiddenhuur niet betalen. In die zin is het goed als die wijk op dat vlakdiverser wordt. Ik zal daar vanuit de VVD dus echt kritisch naar blijvenkijken, want anders blijft het dweilen met de kraan open, denk ik, omuiteindelijk op de lange termijn iets tot stand te brengen in die wijken.Ik zou ook graag een tweeminutendebat willen aanvragen om degelegenheid te krijgen om een motie in te dienen over die betaalbare koopals indicator, want ik hoorde daar nog niet een enthousiast antwoord opvan de Minister, dus ga ik proberen om dat via een tweeminutendebat tekrijgen.De voorzitter:Gaan we doen. Mevrouw Wiersma van de BBB.Mevrouw Wiersma (BBB):Ook van mijn kant dank voor de duidelijke beantwoording van dezeMinister. Ik heb ook het idee dat zij met deze onderwerpen echt voort-varend aan de slag wil gaan. Er zijn ook een aantal toezeggingen gedaanwaar ik natuurlijk van harte naar uitkijk. Ik hoop die op relatief kortetermijn tot ons te zien komen.Ik denk dat die interdepartementale samenwerking echt van belang is, diehet lid Grinwis ook aanhaalde, met name waar het gaat om middelen. Ikkwam in mijn bijdrage niet toe aan het volgende punt. We willen van zorgnaar positieve gezondheid, maar volgens mij speelt deze Minister ookjuist op dat thema, het thema van VWS, een cruciale rol als het gaat omdeze wijken. Daar liggen ook op dat gebied de grootste uitdagingen. Wezien ook daarin dat dit daar enorm aan kan bijdragen. Dat gaat echt ookom preventie. Het gaat ook om in wat voor woning je woont.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12137 Ik heb verder geen vragen aan deze Minister, want volgens mij zijn devragen goed beantwoord. Ik kijk uit naar alle informatie die ze heefttoegezegd. Nogmaals bedankt.De voorzitter:Mevrouw Steen, CDA.Mevrouw Steen (CDA):Dank, voorzitter. Ook dank aan de Minister voor de antwoorden en demooie reflecties. Ik begon mijn bijdrage met: goed dat het programma eris, jammer dat we het nodig hebben. Ik denk dat we vandaag breedgedeeld hebben dat we daarmee wel doen wat nodig is en dat de eersteresultaten voorzichtig goed en hoopvol zijn, maar dat we eigenlijk ook nogwel moeten optimaliseren, willen we ervoor zorgen dat het niet al te langduurt voordat we die wijken daadwerkelijk een stap verder kunnenbrengen. De samenwerking op al die terreinen, tussen al die departe-menten en medeoverheden en corporaties, is cruciaal. Het CDA gaat ookecht wel kritisch volgen of het ook zo op die manier blijft gaan. Ik denk datdat echt de sleutel is tot het succes.Mijn zorg is nog niet helemaal weggenomen dat het niet nogmaalsgebeurt bij de nieuwe grootschalige woningbouwlocaties of bij deM50-gemeenten die aan het uitbreiden zijn. Ik denk dat we daar echtbovenop moeten zitten met elkaar. Ik vraag me ook nog af of de Ministerkan toezeggen dat zij bijvoorbeeld bij de Staat van de Volkshuisvestingheel specifiek kan rapporteren over hoe het nou staat met de leefbaarheidbij die verstedelijkingsgebieden en bij die M50-gemeenten, want ik denkdat het belangrijk is dat we daar met elkaar dichter op gaan zitten.De voorzitter:Dank u wel. De heer Van Asten heeft een vraag.De heer Van Asten (D66):Ik heb een puur verduidelijkende vraag. Ik hoor collega Steen aangevendat zij zich zorgen maakt over de leefbaarheid van de nieuwbouwge-bieden, over of daar voldoende voorzieningen zijn. Dat is uiteraard eenterechte zorg, maar mijn vraag ziet op de vergelijking met deNPLV-gebieden. Dat zijn namelijk wijken uit de jaren vijftig en zestig, diebij de start volgens mij niet leden onder een gebrek aan voorzieningen.Kijk naar het aantal roemruchte voetbalclubs dat in die wijken speelde, debakker op elke hoek, de melkboer et cetera et cetera. Als je begint metgoede voorzieningen in de wijk, betekent dat dus niet dat die er na 50 jaarniet heel anders voor kunnen staan. Ik ben dus benieuwd of mevrouw VanSteen dat nog iets meer kan toelichten.Mevrouw Steen (CDA):Volgens mij weten we dat het in de huidige NPLV-gebieden niet alleenover voorzieningen gaat, maar ook over die mix wat betreft het typewoningen; daar hebben we net ook al iets over gewisseld. In die nieuweverstedelijkingsgebieden gaan we natuurlijk gemengd bouwen, maar deaspecten waar we nu mee te maken hebben, zoals de voorzieningen,elkaar wel of niet treffen en de verdunning van huishoudens, zijn heelandere aspecten dan in de jaren vijftig. Toen woonde je met je gezin ineen kleinere woning. Nu zien we dat huishoudens kleiner worden, dat erveel eenpersoonshuishoudens zijn, dat mensen achter de voordeurwegkwijnen en dat er alleenstaande ouders met kinderen zijn, die ookproblemen kunnen krijgen. De aspecten van het ontmoeten, voorzie-ningen buiten hebben, kunnen bewegen en lucht kunnen hebben, zijn dusongelofelijk belangrijk. We hebben nu dus andere dingen nodig danvroeger om gezond en vitaal te kunnen samenleven. Dat maakt dat dielessen uit het verleden weliswaar getrokken moeten worden, maar danTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12138 ook doorvertaald moeten worden naar die nieuwe verstedelijkingsge-bieden, want daar wonen heel veel mensen op een steeds kleiner kluitje.Dat maakt dus ook dat we hier bovenop moeten zitten.We zien dat dit ook in de M50-gemeenten gaat gebeuren. Daar zien wejuist dat de mix van woningverdunning en nieuwe mensen die erbijkomen, weer voor andere problemen kan gaan zorgen. Daarom is hetbelangrijk dat we al deze verschillende gebieden op een eigen maniergaan beschouwen. Daarom vraag ik ook juist om een extra monitorhierop, zodat we de juiste interventies doen op de juiste plek.De voorzitter:Dank u wel. Dan mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, dank u wel. Er zijn natuurlijk veel toezeggingen gedaan overinformatie die nog komt, dus we gaan dit gesprek met elkaar blijvenvoeren. Dank aan de Minister voor het feit dat zij ons die informatie gaatverstrekken.Ik ben in ieder geval blij met de toon van de Minister in dit debat. Zij geeftnamelijk heel duidelijk aan dat zij ook heel erg goed voelt wat er gebeurtin die gebieden, en dat de opgave niet alleen een fysieke opgave is. Het istrouwens zeker ook een fysieke opgave; we hebben het al over verduur-zaming, de aanpak van schimmelwoningen, het Isolatie Offensief et ceteragehad. En ja, het gaat ook over gemengd bouwen, zeg ik maar meteen.Maar de problemen die mensen ervaren – en dat die problemen er zijn,zien wij ook; denk aan die vijftien jaar dat je in minder goede gezondheidleeft – los je natuurlijk niet op met alleen maar een middenhuurwoning.Daarvoor moet je ook echt iets doen aan de sociale problematiek vanmensen. Dat doe je onder andere door in te zetten op kinderopvang,onderwijs en het begeleiden naar werk.Ik vond het echt een beetje jammer om te horen wat de Minister zei overde familiescholen. Het is inderdaad waar dat die inmiddels in meerderegebieden zijn ontstaan. Dat is niet voor niks. Het is namelijk een heleeffectieve manier om ervoor te zorgen dat je niet alleen de kinderen hetallerbeste onderwijs geeft, maar dat je ook ouders ondersteunt, metschuldhulpverlening, financiële educatie, taal, het begeleiden naar werk etcetera. Ik vind het heel jammer dat er nu wordt gezegd «dat mogen ze danallemaal zelf bedenken», terwijl we weten dat dit heel erg goed werkt.Investeer daar nou in, want dat is een manier waarop we die socialeproblematiek enorm goed kunnen aanpakken.Dan nog een tip over het gesprek met SZW over de kinderopvang: ditzorgt er juist voor dat mensen aan het werk gaan. Als ik namelijk één dinghoor vanuit die gebieden, is het moeders die zeggen: ik wil wel aan hetwerk, maar hoe moet dat dan met mijn kinderen? Er is dus een gebrek aankinderopvang. Ik hoop dus echt dat u daar goed het gesprek over voertmet SZW, zodat wij die kinderopvang gratis in die gebieden gaanaanbieden. We weten inmiddels dat het gewoon ontzettend helpt voor deontwikkeling van kinderen. Het zorgt er ook nog eens een keer voor dat errust komt in de huishoudens en dat mensen aan het werk kunnen.Tot slot. Ik was net vergeten om een heel belangrijk punt te maken overkraamzorg.De voorzitter:Heel kort dan, want u bent al ruimschoots over uw tijd in de tweedetermijn heen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter, voor deze coulance. We zien dat er in dezegebieden heel weinig kraamzorg wordt afgenomen, veel minder dan inandere gebieden, terwijl een goede start juist zo belangrijk is voor dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12139 gezinnen om verder te kunnen komen. Zou de Minister aandacht willengeven aan de kraamzorg? Ik zie dat namelijk helemaal niet in derapportage terug. Maar het begint echt bij de start. Mensen nemenhelemaal geen kraamzorg als gevolg van de hoge eigen bijdrage of alleenmaar het minimumaantal uren. Dan weet je eigenlijk al dat een kind meteen achterstand begint en dat het heel lastig wordt om die in te lopen.Ik ben blij met het tweeminutendebat, want wij zullen ook met voorstellenhierover komen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Grinwis van de ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de Minister voor de beantwoordingen voor de toezeggingen, onder meer om ook te kijken naar de bundelingvan alle verschillende potjes in de gebieden. Op die manier wordt het eenbeetje eenvoudiger.Voorzitter. Ik verwacht geen wonderen van het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid. Het is als hozen op een schip vol metleefbaarheidsgaten. Dat moeten we wel beseffen. Als we proberen omik-weet-niet-wat-voor kwantitatieve, in data uit te drukken verbeteringenna te streven, zal dat echt heel moeilijk worden. Ik weet wel dat dezewijken zienderogen verder zouden afglijden als we dit programma nietzouden hebben. Ik hoop dat dit programma de inzet is. Ik heb die missieen het vertrouwen ook wel geproefd bij de Minister. Het programma kaneraan bijdragen dat mensen zich weer een beetje thuis voelen in hun wijk,omdat het er leefbaar en veilig is. Dan kunnen ze tot bloei komen enhopen dat hun kinderen daar later kunnen en willen blijven wonen.Als dat zo is, dan hebben we het volgens mij goed gedaan met elkaar. Datis misschien geen hooggespannen verwachting. Tegelijkertijd is het echterveel moeilijker dan we hier in Den Haag zomaar door willen en kunnenhebben, omdat het in de praktijk echt soms ploegen op rotsen is. Laten wein ieder geval proberen om dat makkelijker te maken, zodat het ploegenop goede grond wordt. Ik zie hier de diverse directeuren zitten die zichdaar enorm voor inspannen. Ik hoop dat zij het kunnen volhouden en datze zich gesteund weten door onze Kamer en door deze Minister.Voorzitter. In verband met de collectieve aanpak kom ik morgen bij hettweeminutendebat over het Klimaatakkoord gebouwde omgeving nogmet een motie om de boel een zetje te geven en wat aan te scherpen. Dathoef ik dus niet in tweede termijn uit te discussiëren met de Minister, wantdat komt morgen wel.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk even naar de Minister. Heeft zij nog wat tijd nodig?Minister Boekholt-O’Sullivan:Als ik vijf minuten mag, dan graag.De voorzitter:Ja, dat kan. Dan zijn we hier om 16.40 uur terug voor de beantwoordingvan de laatste vragen.De vergadering wordt van 16.33 uur tot 16.38 uur geschorst.De voorzitter:De Minister is sneller terug dan aangekondigd en de leden zijn allemaalnog aanwezig, dus ik stel voor dat we doorgaan met de tweede termijnvan de Minister. Het woord is aan de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12140 Minister Boekholt-O’Sullivan:Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de vraag van de heer Grinwis over deenergiearmoede bij woningcorporaties. Ik zou nog terugkomen op deaantallen. Dat is misschien bruikbaar voor morgen. In het afgelopen jaarzijn er ruim 8.000 sociale huurwoningen in energieprestaties verbeterd. Decijfers en de omvang van de problematiek worden in kaart gebracht, omeen passende aanpak hierop te matchen. Daarin kunnen we wat mijbetreft niet ambitieus genoeg zijn. Ik zeg u toe dat u voor de zomer vanmij een brief krijgt. Daarin staat dan ook het Nationaal Isolatie Offensief,zoals in het coalitieakkoord is afgesproken, nader geduid. Dit neem ik daargelijk in mee.Dan de vraag van mevrouw Steen over de NOVEX-gebieden en het NPLV.De NOVEX-gebieden zijn, denk ik, de woondealregio’s. Bij het sluiten vande woondeals in 2020 hebben gemeenten, naast de afspraken overnieuwbouw, ook gebieden genoemd met grote leefbaarheidsvraag-stukken. Dat zijn de NPLV-gebieden geworden. Daar zijn later, met behulpvan de Leefbaarometer en met het oog op regionale spreiding, nog eenaantal gebieden aan toegevoegd. Primair zetten gebieden in opgemengde, leefbare en veilige wijken door integrale gebiedsplannen, hetrealiseren van voorzieningen en het mengen van de woningvoorraad. Debrede, integrale aanpak, die juist de stapeling van problemen moetvoorkomen, is hierin de kern. Ook breder in de huidige woningbouw-opgave gebruiken we deze integrale aanpak. Met de Taskforce VersnellingWoningbouw wil dit kabinet er samen met de gemeenten voor zorgdragen dat ook nieuwe woningbouwgebieden voldoende voorzieningenhebben.Dan de vraag van mevrouw Moorman over onderwijs. Ik ben blijkbaaronvoldoende enthousiast uit mijn woorden gekomen over de familie-school, want dat ben ik wél. Ik ben alleen een beetje zoekende naar wat ikdaar zelf over kan zeggen. Ik heb dus tegen u gezegd, mevrouw Moorman,dat ik erover in gesprek zal blijven met OCW. Misschien is het goedenieuws als antwoord op uw vraag dat de brugfunctionaris niet wordtgekort. De regeling gaat juist over naar een structurele bekostiging,samen met de subsidieregeling voor schoolmaaltijden en de Subsidiere-geling School en Omgeving.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dat verbaast me. In de suppletoire begroting die we net hebben gekregen,staat voor volgend jaar namelijk een korting van 19 miljoen. Is dat danomdat het wordt omgezet in een structurele bekostiging? Hoe moet ik datlezen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik begrijp uw vraag, mevrouw Moorman, maar ik heb dat antwoordgewoon niet voor u. Ik ga zorgen dat ik dat antwoord heb. Ik zal zorgen datu dat dan van mij ontvangt. Dat doe ik zo snel mogelijk. Is dat voldoende?Ja, zie ik.Dan de vraag van mevrouw Moorman over de gezondheid en de gratiskraamzorg. De eigen bijdrage in de kraamzorg is de beleidsverantwoorde-lijkheid van de Minister van VWS. Mijn collega heeft aangegeven dat zijbereid is om te kijken hoe regionale aanpakken verzameld kunnen wordenen op landelijke tafels kunnen worden gebracht. Op deze manier wordt dekennis hierover breder verspreid en kunnen verschillende partijen enregio’s door elkaar inspiratie opdoen en van elkaar leren. De stap naar éénwijkgerichte aanpak wordt nog niet gezet, omdat het specifieke vraagstuknog best weleens verschillend kan zijn per regio.De voorzitter:Zijn er nog resterende vragen? Mevrouw Moorman.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12141 Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Heel kort dan. Ik zou heel graag zien hoe in deze NPLV-gebieden hetgebruik van kraamzorg is. Dat helpt ons om te kijken of we daar extra inzetop moeten plegen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dat is goed. Dat gaan we gewoon bij de gebieden uitvragen. Ik kom meteen beeld terug.Voorzitter. Ik heb nog twee vragen openstaan. De eerste is van mevrouwSteen en gaat over de verstedelijkingsgebieden en de M50. Samen-werking op alle terreinen en alle departementen, medeoverheden encorporaties: we gaan kritisch volgen dat het zo blijft gaan. Dat is namelijkde kritische sleutel tot succes. Ik heb nog zorgen over de M50-gemeentendie uitbreiden. Daar moeten we inderdaad, zoals u zegt, bovenop zitten. Ikkan toezeggen dat ik hierover bij de Staat van de Volkshuisvesting kanrapporteren.O, dan zijn er nog twee vragen over, sorry. De laatste twee vragen zijn vanmevrouw Moorman. O nee, deze heb ik al gehad. Deze heb ik ook algehad. Dan vroeg mevrouw Moorman nog iets over de aanpak vanenergiearmoede bij de corporatiewoningen. We streven naar zo concreetmogelijke doelen voor de isolatie van woningen. We proberen hierafspraken over te maken met de gebieden en de gemeenten. Ik wil datlaten landen in de bestuurlijke afspraken die we daarover maken.Dat was ’m.De voorzitter:Dank u wel. Dat brengt me bijna tot het einde van dit debat. Ik ga nogeven de toezeggingen voorlezen.–Bij de volgende evaluatie van de Wet bijzondere maatregelengrootstedelijke problematiek zal de Minister uiteenzetten welkeartikelen specifiek in welke wijken worden gebruikt. Dat is eentoezegging aan mevrouw Moorman.Ik wil van de Minister nog even weten wanneer die rapportage er komt.Minister Boekholt-O’Sullivan:Voor de zomer.De voorzitter:Voor de zomer. Ik zal het bij meerdere toezeggingen nog even vragen,omdat ik verzuimd heb dat te vragen op het moment dat u de toezeg-gingen deed.–De Minister zal bezien hoe zij binnen de bestaande structuren ervoorgaat zorgen dat gemeenten buiten de twintig NPLV-gebieden ookkunnen profiteren van kennisuitwisseling en best practices. Zodra daarduidelijkheid over is, informeert de Minister de Kamer. Dat is eentoezegging aan mevrouw Wiersma.Komt die ook voor de zomer?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, die komt ook voor de zomer.De voorzitter:Voor de zomer.–De Minister zal bezien hoe aan de informatiebehoefte van meerdereleden om inzicht te krijgen in de resultaten van de verschillendeNPLV-gebieden laagdrempelig tegemoetgekomen kan worden.Wanneer?Minister Boekholt-O’Sullivan:Voor de zomer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12142 De voorzitter:Voor de zomer.–Voor de zomer zal de Minister de Kamer informeren over wat er nodigis om budgetten per gebied te bundelen. Dit is een toezegging aan deheer Grinwis.–De Minister gaat in gesprek met haar collega van SZW over afnamevan kinderopvanglocaties in NPLV-gebieden naar aanleiding van hetsignaal van mevrouw Moorman over Utrecht Overvecht.Wanneer informeert zij de Kamer hierover?Minister Boekholt-O’Sullivan:Voor de zomer.De voorzitter:Zij informeert de Kamer dus voor de zomer over de vraag of er in diegebieden eventueel gratis kinderopvang kan worden aangeboden.–In de richting van de heer Nobel heeft de Minister toegezegd de Kamerte informeren over hoe de goede voorbeelden en resultaten extraaandacht kunnen krijgen.–In de richting van het lid Van Asten zegt de Minister toe dat zij methaar collega van VWS in gesprek zal gaan over de aanpak om in deNPLV-gebieden de vaccinatiegraad te verhogen.Gebeurt dat ook voor de zomer?Minister Boekholt-O’Sullivan:Voor allebei geldt dat dit voor de zomer gebeurt. Het zal ook echt nog weldaarvóór zijn.De heer Nobel (VVD):Volgens mij was de toezegging iets scherper, namelijk dat deNPLV-gebieden die het goed hebben gedaan als uitgangspunt genomenzouden worden voor andere NPLV-wijken.Minister Boekholt-O’Sullivan:Bedoelen we dan allebei dat het, naar analogie van de rolmodellen, gaatover de vraag hoe dit effectief kan zijn? Je kan natuurlijk niet het succesvan het ene gebied zomaar op het andere projecteren, want het iscontextafhankelijk. Maar als u dat ermee bedoelt, dan zeg ik dat inderdaadzo toe.De heer Nobel (VVD):Ja. In het debat ging het ook over de beleidsmatige interventies die dieNPLV-gebieden hadden gedaan.De voorzitter:–Voor de zomer ontvangt de Kamer een brief over de aanpak voor hetIsolatie Offensief ten aanzien van de corporatiewoningen. Dat is eentoezegging aan de heer Grinwis.–De Minister informeert de Kamer schriftelijk naar aanleiding van devragen van mevrouw Moorman over een bezuiniging van 19 miljoenop de brugfunctionarissen.Wanneer?Minister Boekholt-O’Sullivan:Heel snel.De voorzitter:Binnen twee weken?Minister Boekholt-O’Sullivan:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12143 Ja, binnen twee weken. Dank u wel.De voorzitter:–Bij de volgende Staat van de Volkshuisvesting volgt een reactie op dekraamzorgvraag van mevrouw Moorman.Dat zijn de toezeggingen.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ging de toezegging over het Isolatie Offensief alleen over corporatiewo-ningen, of ging die ook over andere woningen in de NPLV-wijken? Ik dachtnamelijk dat die breder was, maar de Minister weet zelf vast beter wat zeheeft toegezegd.Minister Boekholt-O’Sullivan:Het was een toezegging op corporaties, maar ik kan er best breder naarkijken.De voorzitter:Ik zie tevreden geknik van de Kamerleden. Er is een tweeminutendebataangevraagd door de heer Nobel van de VVD.Daarmee komen we aan het einde van dit debat. Dank aan de Ministervoor de beantwoording. Dank aan de Kamer voor de goede vragen. Dankaan de ondersteuning.Hiermee sluit ik de vergadering.Sluiting 16.48 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 995, nr. 12144

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 655f8b269b5098e0

14 okt 2026 · d1f306e4c57e3438

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingLeefbaarheid en Veiligheid
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 8 april 2026, over Leefbaarheid en Veiligheid

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.