KamerkringInloggen
Kamerstuk

Gewijzigd amendement van de leden Grinwis en Bontenbal ter vervanging van nr. 20 over doorzettingsmacht voor verenigingen van eigenaren voor een aansluitovereenkomst op een collectieve warmtevoorziening

22 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d775c83fbae15776 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 28 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN GRINWIS ENBONTENBAL TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDERNR. 20Ontvangen 22 mei 2025 De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:Na artikel 4.6 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:§ 4.3a. Besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opwarmte Artikel 4.6a besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opeen collectieve warmtevoorziening van een aangewezen warmte-bedrijf 1. Het besluit van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm om een aanbod van een aangewezen warmtebe-drijf om het gebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorzieningals bedoeld in artikel 2.24 al dan niet te aanvaarden, wordt:a. niet eerder genomen dan nadat deze vereniging haar leden degelegenheid heeft geboden gedurende twee maanden na dit aanbodkenbaar te maken geen aansluitovereenkomst als bedoeld in artikel 2.24met het aangewezen warmtebedrijf te willen aangaan;b. genomen bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van een aangewezen warmtebedrijfals bedoeld in het eerste lid, te aanvaarden, gaat het bestuur van dezevereniging namens al haar leden de overeenkomst aan met het aange-wezen warmtebedrijf voor het aansluiten van de gedeelten van hetgebouw die voor verblijf van personen bestemd zijn op een collectievewarmtevoorziening.3. De bevoegdheid van de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm om namens al haar leden een overeenkomst tesluiten als bedoeld in tweede lid, geldt niet ten aanzien van een lid dat aanhet aangewezen warmtebedrijf en deze vereniging meldt geen aansluito-vereenkomst als bedoeld in artikel 2.24 te willen aangaan, indien het als kst-36576-28ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 281 gevolg daarvan redelijkerwijs technisch niet onmogelijk is de aanleg,instandhouding en verwijdering van de collectieve warmtevoorziening inhet gebouw te realiseren, en de kosten van het realiseren van de aanleg,instandhouding en verwijdering van de collectieve warmtevoorzieningvoor de andere appartementseigenaars daardoor ook niet significanthoger worden.4. De bevoegdheid van de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm om namens al haar leden een overeenkomst tesluiten als bedoeld in tweede lid, geldt uitsluitend ten aanzien van deappartementseigenaars die rechthebbende zijn van een appartements-recht, dat de bevoegdheid omvat tot het uitsluitend gebruik van bepaaldegedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichting bestemd zijn ofworden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en voor verblijf vanpersonen bestemd zijn.Artikel 4.6b bezwaar tegen aansluiting op een collectievewarmtevoorziening 1. Het aangewezen warmtebedrijf adviseert binnen twee maanden na demelding van een lid van een vereniging als bedoeld in artikel 4.6a, derdelid, dit lid en deze vereniging of aan de voorwaarden van dat artikel wordtvoldaan.2. Naar aanleiding van het advies als bedoeld in het eerste lid, kan hetlid en de vereniging een klacht indienen bij het aangewezen warmtebedrijfovereenkomstig de procedure, bedoeld in artikel 2.38.3. Na een melding van een lid als bedoeld in artikel 4.6a, derde lid,besluit het bestuur van de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm over het aanbod van een aangewezen warmte-bedrijf als bedoeld in artikel 4.6a, eerste lid, niet eerder dan:a. twee maanden na ontvangst van het advies van het aangewezenwarmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid, enb. indien een klacht bij het aangewezen warmtebedrijf tegen het advies,bedoeld in het tweede lid, is ingediend, na de afhandeling van deze klachtdoor het aangewezen warmtebedrijf.4. Het lid van de vereniging, bedoeld in het eerste lid, kan binnen eenmaand na de dag waarop hij van het besluit van het bestuur van devereniging als bedoeld in het derde lid, heeft kennis genomen of heeftkunnen kennis nemen, de vernietiging van dat besluit vorderen bij dekantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin hetgebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. Artikel 130 van Boek5 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.Artikel 4.6c Kostenverdeling aansluiting VvE op een collectievewarmtevoorziening van een aangewezen warmtebedrijf 1. De kosten en schulden die voortvloeien uit de overeenkomst, bedoeldin artikel 4.6a, tweede lid, komen in afwijking van artikel 113, tweede lid,van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek voor rekening van de gezamenlijkeappartementseigenaars namens wie de overeenkomst is aangegaan.2. De gezamenlijke appartementseigenaars namens wie de overeen-komst is aangegaan dragen jegens de vereniging van eigenaars voor elkappartementsrecht een gelijk deel bij in de kosten en schulden bedoeld inhet eerste lid.3. Indien bij reglement een andere verhouding is bepaald, als bedoeld inartikel 113, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, dan dragende gezamenlijke appartementseigenaars namens wie de overeenkomst isaangegaan, in afwijking van het tweede lid, jegens de vereniging vaneigenaars op basis van deze andere verhouding bij in de kosten enschulden bedoeld in het eerste lid, tenzij de aard van deze andereverhouding zich hier tegen verzet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 282 4. Indien bij reglement een andere verhouding is bepaald, als bedoeld inartikel 113, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij tenaanzien van ten minste twee te onderscheiden categorieën kosten andereverhoudingen gelden, dan bepaalt de vergadering van eigenaars in haarbesluit, bedoeld in artikel 4.6a, eerste lid, welke andere verhouding wordttoegepast in de situatie bedoeld in het derde lid.5. In de overeenkomst, bedoeld in artikel 4.6a, tweede lid, kan wordenbepaald dat het aangewezen warmtebedrijf, in afwijking van het tweedeen derde lid, zonder tussenkomst van de vereniging van eigenaars dekosten en schulden in rekening brengt bij de appartementseigenaarsnamens wie de overeenkomst is aangegaan, niettegenstaande hetgeen inhet tweede, derde en vierde lid, is bepaald ten aanzien van de verdelingvan de kosten.Artikel 4.6d verplichtingen leden bij besluit vereniging vaneigenaars tot aansluiting op een collectieve warmtevoorziening 1. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm een aansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijfals bedoeld in artikel 4.6a, tweede lid, aangaat, is een lid van dezevereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvormverplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaam-heden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn ten behoeve van de aanleg,instandhouding en verwijdering van de collectieve warmtevoorziening inde betreffende gedeelten van het gebouw, met inbegrip van de gedeeltendie bestemd zijn om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt.2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, meldt een lid dat geenleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten,dit binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan hetaangewezen warmtebedrijf en de vereniging.3. Indien in de situatie, bedoeld in het eerste lid, een lid een aansluito-vereenkomst met een distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeldin artikel 3.41 van de Energiewet heeft, en dat lid een leveringsovereen-komst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten, verleent hijmedewerking aan de werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijnten behoeve van het verwijderen van deze gasaansluiting na beëindigingvan de gasaansluitovereenkomst.4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing als het lid met eenaansluitovereenkomst met een distributiesysteembeheerder voor gas alsbedoeld in artikel 3.41 van de Energiewet aan het aangewezen warmtebe-drijf en de vereniging meldt geen leveringsovereenkomst met hetaangewezen warmtebedrijf te willen afsluiten, indien het als gevolgdaarvan redelijkerwijs technisch onmogelijk is de aanleg, instandhoudingen verwijdering van de collectieve warmtevoorziening in het gebouw terealiseren, of de kosten van het realiseren van de aanleg, instandhoudingen verwijdering van de collectieve warmtevoorziening voor de andereappartementseigenaars daardoor significant hoger worden. Artikel 4.6b isvan overeenkomstige toepassing.5. Indien een lid van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm het gebruik van de gedeelten van het gebouwdie bestemd zijn om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt,in gebruik heeft verstrekt aan een andere natuurlijke persoon of rechts-persoon, is deze natuurlijke persoon of rechtspersoon verplichtmedewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden,bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, en kan deze natuurlijke persoonof rechtspersoon de melding doen, bedoeld in het tweede lid.6. Een aangewezen warmtebedrijf dat het voornemen heeft dewerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, stelt de leden vande vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm danwel de andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in het vijfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 283 lid, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn schriftelijk inkennis van dit voornemen.7. Een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm verstrekt het aangewezen warmtebedrijf persoonsgegevensvan haar leden dan wel van de natuurlijke persoon of rechtspersoon,bedoeld in het vijfde lid, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoeringvan de overeenkomst, bedoeld in artikel 4.6a, tweede lid, en voor deschriftelijke kennisgeving, bedoeld in het zesde lid.8. Dit artikel is niet van toepassing op een lid van een vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm, ten aanzien waarvande bevoegdheid, bedoeld in artikel 4.6a, tweede lid, niet geldt krachtenshet derde lid van dat artikel.Artikel 4.6e besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opcollectieve warmtevoorziening in geval van verplicht beëindigenvan gebruik fossiele brandstoffen 1. Op het besluit van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm om een aanbod van een aangewezen warmtebe-drijf om het gebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorzieningals bedoeld in artikel 2.25, al dan niet te aanvaarden, is artikel 4.6a, eerstelid, van overeenkomstige toepassing.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van een aangewezen warmtebedrijfals bedoeld in het eerste lid te aanvaarden, dan wel dit aanbodstilzwijgend aanvaardt, zijn de artikelen 4.6a, tweede tot en met vierde lid,4.6b, 4.6c en 4.6d, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkom-stige toepassing.Artikel 4.6f besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opeen klein collectief warmtesysteem 1. Artikel 4.6a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op hetbesluit van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm om een aanbod van een warmtebedrijf om het gebouw aan tesluiten op een klein collectief warmtesysteem als bedoeld in de artikelen2.24 en 2.25, gelezen in samenhang met artikel 3.7, al dan niet teaanvaarden.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van het warmtebedrijf als bedoeld inhet eerste lid te aanvaarden, zijn de artikelen 4.6a, tweede tot en metvierde lid, 4.6b, 4.6c en 4.6d, met uitzondering van het tweede lid in hetgeval van een aanbod als bedoeld in artikel 2.25, van overeenkomstigetoepassing.Artikel 4.6g besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opeen collectieve warmtevoorziening of een klein collectiefwarmtesysteem in geval van levering van warmte aan tenhoogste 10 natuurlijke personen of rechtspersonen en in gevalvan doorlevering van warmte 1. Artikel 4.6a, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op hetbesluit van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm, om al dan niet een aanbod van een warmtebedrijf om hetgebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening of kleincollectief warmtesysteem te aanvaarden waardoor:a. warmte wordt geleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeela; ofb. warmte wordt doorgeleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid,onderdeel b.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 284 2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van een warmtebedrijf als bedoeld inhet eerste lid te aanvaarden, zijn de artikelen 4.6a, tweede tot en metvierde lid, en 4.6b tot en met 4.6d van overeenkomstige toepassing.Artikel 4.6h besluit vereniging van eigenaars om aan zijn eigenleden warmte te leveren 1. Op het besluit van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm, om aan zijn leden warmte te leveren waarvoorop grond van artikel 4.1, eerste lid, een verplichting geldt dit te meldenaan het college, is artikel 4.6a, eerste lid, van overeenkomstigetoepassing.2. In geval van een besluit van een vereniging van eigenaars of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm als bedoeld in het eerste lid, zijn deartikelen 4.6a, tweede tot en met vierde lid, en 4.6b tot en met 4.6d vanovereenkomstige toepassing.Toelichting AlgemeenDit amendement regelt dat alle Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) dedoorzettingsmacht krijgen om een aansluitovereenkomst op eencollectieve warmtevoorziening af te sluiten, ook als dat werkzaamheden inde privédelen betekent, bijvoorbeeld bij het verwijderen van individueleinstallaties. Indieners zien dat zonder dit amendement de warmtetransitiein de panden die zijn gesplitst in appartementsrechten met een VvEslechts moeizaam en waarschijnlijk niet op gang zal komen. Ditamendement is bedoeld om specifiek voor de collectieve warmtevoor-ziening, waar het betreffende wetsvoorstel over gaat, tot een oplossing tekomen voor eerder breed door de Tweede Kamer gesignaleerdeproblemen, maar waar tot op heden nog geen oplossing voor wasgeregeld.1De meeste VvE’s mogen wel beslissen tot het aansluiten op eencollectieve warmtevoorziening, maar kunnen niet voldoen aan denoodzakelijke voorwaarden. Zo zijn ze niet bevoegd tot het (laten)verwijderen van de gasinstallaties of, bij blokverwarming, tot hetaanpassen van het warmtapwater in de privédelen van het gebouw. In depraktijk komt het er daarmee op neer dat 100% van de VvE-leden (ook wel«appartementseigenaars») mee moet doen met een collectieve warmte-voorziening om de maatschappelijk en technisch-economisch meestoptimale aansluiting te realiseren. Gedeeltelijk aansluiten heeft namelijktechnische consequenties op het gebied van ontwerp en aanleg enbetekent extra maatwerk en coördinatie. Het zal technisch niet altijdmogelijk zijn en/of zal resulteren in hogere kosten, risico-opslagen entijdsinvesteringen.2In de praktijk komt het echter zelden of nooit voor dat alle leden meewíllen doen. Daarmee is het maar de vraag of de aansluiting op collec-tieve warmtevoorzieningen voor woningen in VvE’s haalbaar is, waarmeeook de haalbaarheid van een collectieve warmtevoorziening in deomliggende gebieden in het geding komt. Vanwege het grote maatschap-pelijke belang regelt dit amendement dat alle VvE’s daarom – onder1Kamerstukken II 2022/2023, 32 813, nr. 1201 en Kamerstukken II 2022/2023, 32 813, nr. 11982Maria Scholten (14 januari 2025) «Warmtenet en VvE: Kanttekeningen bij keuzemodelaansluitkosten», https://www.nplw.nl/uploads/files/Warmtenet/Warmtenet-en-VvE-kanttekeningen-model-aansluitkosten-250114.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 285 voorwaarden – de doorzettingsmacht krijgen om een aansluitovereen-komst met het warmtebedrijf af te sluiten, waarmee appartementseige-naars moeten meewerken aan het realiseren van de aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening en worden verplicht mee te werken aan hetverwijderen van gasleidingen als dat nodig is voor deze aansluiting opeen collectieve warmtevoorziening. Deze doorzettingsmacht is ookessentieel om de financiering via de VvE te kunnen regelen, wat inrentepercentage en looptijd van de leningen scheelt.Dit amendement regelt dat een VvE, in de Wet collectieve warmte(Wcw) gedefinieerd als gebouweigenaar, bevoegd is om namens al haarleden een aansluitovereenkomst met een aangewezen warmtebedrijf aante gaan, wanneer een meerderheid hiertoe besluit. Hiermee sluit ditamendement aan bij een breed gedeelde wens vanuit de Tweede Kamer.3Deze bevoegdheid geldt niet ten aanzien van een lid van de VvE dataangeeft niet aangesloten te willen worden op een collectieve warmte-voorziening en als dit geen onredelijke technische of financiële conse-quenties heeft voor de overige leden.De leden van de VvE zijn vervolgens ook verplicht medewerking teverlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden die redelijkerwijsnoodzakelijk zijn om de collectieve warmtevoorziening te realiseren. Dezemeewerkplicht geldt voor zowel de gezamenlijke delen van het gebouw,zoals het trappenhuis of een technische ruimte, als de privédelen van eenVvE-lid, zoals een woonruimte of winkel. De (eenmalige) kosten voor deaansluiting worden op evenredige wijze over alle appartementseigenaarsverdeeld die worden aangesloten op de collectieve warmtevoorziening,tenzij in het reglement een andere verhouding is bepaald. Dit is eenvergaande, maar noodzakelijke bevoegdheid voor VvE’s om mee tekunnen in de verduurzamingsopgave voor de gebouwde omgeving.Immers, (1) krijgt de VvE deze bevoegdheid niet, dan kan door onderlingetechnische afhankelijkheden, een individueel lid van de VvE de aansluitingop een collectieve warmtevoorziening voor de gehele VvE blokkeren,terwijl een alternatief niet altijd voorhanden is, of leidt de weigering tot(veel) hogere kosten voor andere appartementseigenaars. Ook wordthiermee (2) voorkomen dat slechts een deel van de VvE de initiëleaansluitkosten draagt, terwijl uiteindelijk alle appartementseigenaars, ookop een later moment, gebruik kunnen maken van de getroffenvoorziening.(1) In een in appartementsrechten gesplitst gebouw is er vaak sprakevan technische onderlinge afhankelijkheid bij het aansluiten op eencollectieve warmtevoorziening. Voorbeelden hiervan zijn stijgleidingenvoor een collectieve warmtevoorziening die verschillende, boven elkaargelegen, appartementen doorkruisen, het gebruik van een bestaandetechnische ruimte, waar nu bijvoorbeeld een collectieve warmteketelstaat, voor het plaatsen van een collectieve afleverset, of het vervangenvan rookgasafvoerkanalen door stijgleidingen voor warmte. Het warmte-bedrijf zal deze technische afhankelijkheid niet altijd kunnen voorkomen ofondervangen door een andere wijze van aansluiten aan te bieden.Wanneer de VvE niet bevoegd is om namens een meerderheid van haarleden tot dit besluit over te gaan voor al haar leden, kan in deze situatiesvan technische afhankelijkheid, een individuele appartementseigenaar eenaansluiting op een collectieve warmtevoorziening voor de gehele VvE ofeen deel hiervan blokkeren. Hierdoor wordt de vrijheid van appartements-eigenaars om te beslissen over aansluiten op een collectieve warmtevoor-ziening sterk ingeperkt. Dit is onwenselijk, zeker omdat alternatieven,zoals een individuele warmtepomp, technisch niet altijd mogelijk zijn, ofduurder kunnen zijn.3Kamerstukken II 2022/2023, 32 813, nr. 1198.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 286 (2) De kosten die een warmtebedrijf maakt voor het realiseren van eenaansluiting van een gebouw zijn in voorkomende gevallen maar voor eenklein deel afhankelijk van de kosten per appartement. Wanneer een deelvan de appartementseigenaars besluit om niet aan te sluiten, zullen deinitiële kosten voor de andere appartementseigenaars stijgen. Dit kanonredelijke financiële consequenties met zich brengen voor de overigeappartementseigenaars. Op een later moment kunnen deze appartements-eigenaars wel, tegen mogelijk lagere kosten, aansluiten, omdat hetgrootste deel van de infrastructuur reeds gerealiseerd is. Hier zou eenprikkel vanuit kunnen gaan om het besluit om aan te sluiten op indivi-duele basis uit te stellen. Door de bevoegdheid bij de VvE te beleggenbetalen alle appartementseigenaars die door de aansluitovereenkomstvan de VvE gebonden worden op een evenredige wijze bij aan hetrealiseren van de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening.In geval van warmtelevering door het warmtebedrijf via een individueleleveringsaansluiting, kan een appartementseigenaar op individuele basisbepalen om een leveringsovereenkomst met het warmtebedrijf aan tegaan. Alleen in die gevallen wordt er een afleverset en meetinrichtinggeplaatst. Wanneer het om een centrale leveringsaansluiting gaat, waarbijde VvE de warmte doorlevert of wanneer de VvE zelf warmteleverancieris, ligt het in de rede dat alle VvE-leden die worden aangesloten, warmtegeleverd krijgen. Bij een centrale leveringsaansluiting zal de VvE deleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf aangaan.Een besluit van een VvE om aan te sluiten op een collectief warmte-systeem kan ingrijpend zijn. Zo geldt de verplichting ook voor hetafsluiten en verwijderen van het aardgas, waaronder kookgas, wanneerdit noodzakelijk is voor het realiseren van een aansluiting op het collec-tieve warmtesysteem. Ook nemen warmteleidingen en afleversets in deregel meer ruimte in beslag dan gasleidingen, waardoor deze installatiesniet altijd op dezelfde plek als de bestaande installaties gerealiseerdkunnen worden.Het is van belang dat het warmtebedrijf dat de aansluiting realiseertrekening houdt met de belangen van de individuele appartementseige-naars. De voorgestelde aanpassingen moeten proportioneel zijn en nietop een minder ingrijpende manier kunnen worden gerealiseerd.In de regel zal bij het aanleggen van een collectieve warmtevoorzieningin een in appartementsrechten gesplist gebouw het systeem van leidingenen installaties om alle appartementen en andere verblijfsruimten aan tesluiten op een collectieve warmtevoorziening een samenhangend geheelvormen. In die situaties is het om bovengenoemde redenen redelijk datiedereen in de VvE meewerkt en meebetaalt aan de aansluitkosten vooreen collectieve warmtevoorziening. Er zijn situaties waarin dezetechnische en financiële onderlinge afhankelijkheid van VvE-leden nietbestaat, of slechts een deel van de VvE beslaat. Bijvoorbeeld wanneer eropgetopt is (met appartementen die bijvoorbeeld al een warmtepomphebben), of wanneer de VvE een combinatie is van woningen en winkels,waarbij de winkels een eigen individuele warmtenetaansluiting nodighebben, die de gemiddelde aansluitkosten opdrijven. In deze situaties ishet mogelijk om een deel van de VvE uit te zonderen van de verplichtingom aangesloten te worden op een collectieve warmtevoorziening en meete betalen aan de aansluiting.Deze bevoegdheid om met een meerderheid te beslissen over al danniet aansluiten op een collectieve warmtevoorziening, krijgt een VvEalleen ten aanzien van een collectieve warmtevoorziening en een kleincollectief warmtesysteem. Deze bevoegdheid geldt dus niet wanneer eenVvE op een andere manier haar warmtevoorziening wil verduurzamen, ofwanneer een VvE andere verduurzamingsmaatregelen wil treffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 287 Uitbreiding van de rechten van de VvE ten aanzien van andere verduurza-mingsmaatregelen vallen immers buiten de scope van de Wcw.De maatregelen ten aanzien van de besluitvorming binnen VvE’s overde aanleg van een collectieve warmtevoorziening gelden als eenspecifieke invulling van het generieke appartementsrecht (zoalsopgenomen in titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek). Het verlagenvan de benodigde meerderheid om een collectieve warmtevoorzieningaan te sluiten kent inhoudelijke samenhang met deVvE-versnellingsagenda verduurzaming, waarin is aangekondigd dat dewet zal worden gewijzigd, zodat voor alle VvE’s een meerderheid van 50%+1 van de stemmen gaat gelden voor het nemen van een besluit voorverduurzamingsmaatregelen.4Omdat VvE’s naast woningcorporaties onderdeel zijn van de startmotorvoor het realiseren van nieuwe warmtenetten en VvE’s nu reeds te makenhebben met de realisatie van nieuwe warmtenetten, menen de indienersdat deze bevoegdheden voor VvE’s vooruitlopend op in voorbereidingzijnde wetgeving ten aanzien van besluitvorming in VvE’s reeds moetworden geregeld.Eigendomsrechtelijke aspectenOp grond van artikel 1 Protocol 1 bij het EVRM (EP EVRM) genietenburgers bescherming tegen onrechtmatige inmenging door de overheid inhun eigendom. Allereerst moet worden vastgesteld of de voorgesteldemaatregelen een regulering van het eigendomsrecht betreffen. Reguleringvan eigendom is aan de orde indien de gebruiksmogelijkheden van ofbeschikkingsmogelijkheden over het eigendom worden beperkt, zonderdat het beschikkingsrecht over het eigendom (geheel) verloren gaat.Indien dat het geval is, moet worden vastgesteld of voldaan wordt aan devereisten uit artikel 1 EP EVRM, namelijk of deze inmenging op heteigendomsrecht is gerechtvaardigd aangezien deze aan de legaliteitstoets,de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets («fair balance») voldoet.Onderdeel van de voorstellen is het vereenvoudigen van de besluitvor-mingsregels van de VvE ten aanzien van het aanbod van een aangewezenwarmtebedrijf om het appartementsgebouw aan te sluiten op eencollectieve warmtevoorziening. De huidige systematiek van het apparte-mentsrecht neemt in artikel 5:127 lid 1 BW als uitgangspunt dat besluitenin de vergadering van eigenaars genomen worden met een volstrektemeerderheid, oftewel met ten minste meer dan de helft van de uitge-brachte stemmen. Het is echter mogelijk om in het reglement van de VvEaf te wijken van dit uitgangspunt en een hogere besluitvormingseis voorte schrijven. Het besluit om een aanbod van een aangewezen warmtebe-drijf te aanvaarden zal in de regel onder de hogere besluitvormingseisvallen, bijvoorbeeld twee-derde van het totale aantal aanwezige stemmen,aangezien deze eis in de regel geldt voor het aanbrengen voor nieuweinstallaties en voor uitgaven boven een bepaald bedrag. Het voorschrift inartikel 4.6a, eerste lid, dat het besluit van een vergadering van eigenaarsom het gebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorzieninggenomen wordt met een volstrekte meerderheid van stemmen, geldt alseen wettelijke doorkruising van een in het splitsingsreglementopgenomen afwijkende regeling. Deze afwijkende regeling geldt dan nietmeer en een besluit tot aansluiten op een collectieve warmtevoorzieningkan hiermee eerder genomen worden dan voorheen. Deze doorkruisingbrengt dan ook een (indirecte, want via het besluit van de VvE) materiëlewijziging aan in de rechten en plichten van de appartementseigenaars. DeVvE krijgt in de voorgestelde regeling verder de bevoegdheid om een4Kamerstukken II 2022/2023, 30 196, nr. 817, p. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 288 besluit te nemen dat als consequentie kan hebben dat een individueleappartementseigenaar tegen zijn wil wordt aangesloten op een collectievewarmtevoorziening. Dit is het geval als deze individuele appartementsei-genaar geen aansluiting op een collectieve warmtevoorziening wil, maardie aansluiting om technische of financiële redenen wel noodzakelijk isom een collectieve warmtevoorziening aan te kunnen leggen. Daarnaastzal in bepaalde gevallen de appartementseigenaar medewerking moetenverlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden die redelijkerwijsnoodzakelijk zijn ten behoeve van de aanleg, instandhouding en verwij-dering van de collectieve warmtevoorziening in de betreffende gedeeltenvan het gebouw, met inbegrip van de privégedeelten. Het gaat hier omeen uitbreiding van de bestaande bevoegdheid van de VvE de gemeen-schappelijke ruimten te beheren (artikel 5:126 BW). Al deze maatregelenkunnen al dan niet direct leiden tot een materiële wijziging in de rechtenen plichten van de appartementseigenaars en kunnen dan ook wordenaangemerkt als een regulering van (het gebruik van) het eigendomsrechtvan deze appartementseigenaars. Of er daadwerkelijk sprake is vaninmenging in de eigendomsrechten van de individuele appartementseige-naars in de zin van artikel 1 EP EVRM hangt echter af van de omstandig-heden van het geval en zal niet voor iedere appartementseigenaarhetzelfde zijn. Zo zal de versoepeling van de besluitvormingsproceduregeen effecten hebben in een VvE waar geen van artikel 5:127 lid 1 BWafwijkende regeling in het splitsingsreglement is opgenomen. Indienaanpassingen noodzakelijk zijn in privégedeelten dan wel sprake is vaneen sterke onderlinge, technische afhankelijkheid van de voorzieningendie nodig zijn voor een collectieve warmtevoorziening, zal eerder sprakezijn van een dergelijke inmenging. In de gevallen waarin de appartements-eigenaars echter een individuele aansluiting hebben en deze technisch tescheiden is van het gehele systeem, zal geen inmenging noodzakelijk zijn.Hierdoor is in algemene zin niet op voorhand te bepalen of de regeling inhet amendement tot regulering van de eigendom leidt in een specifiekgeval.Dan moet vervolgens voor de gevallen dat er sprake kan zijn van eeninmenging van het eigendomsrecht worden beoordeeld of dit eengeoorloofde inmenging op het eigendomsrecht betreft. Hiertoe moet deregeling worden getoetst aan de voorwaarden die artikel 1 EP EVRM steltaan de inmenging in het eigendomsrecht. Een inbreuk op het eigendoms-recht is gerechtvaardigd als deze aan de legaliteitstoets, de legitimiteits-toets en de evenredigheidstoets («fair balance») voldoet.De toets van legaliteit brengt met zich mee dat de inmenging in heteigendomsrecht voorzien moet zijn bij wet. Daarnaast dient de wettelijkeregeling precies, toegankelijk en voorzienbaar te zijn. Aan dezevoorwaarde wordt voldaan doordat de maatregelen als een speciale,wettelijke voorziening voor de aanleg op een collectieve warmtevoor-ziening in de Wcw worden opgenomen. De maatregelen gelden als eenspecifieke invulling van het generieke appartementsrecht in Boek 5 vanhet Burgerlijk Wetboek voor uitsluitend de aanleg op een collectievewarmtevoorziening. Daarmee is de wettelijke basis gegeven. Daarnaast isdeze wettelijke basis voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaardoordat de artikelen duidelijk en precies omschrijven wanneer de VvEgerechtigd is namens haar leden een aansluitovereenkomst met eenaangewezen warmtebedrijf aan te gaan. Ook worden de consequentiesvan deze overeenkomst voor haar leden expliciet geregeld.De legitimiteitstoets houdt in dat de inmenging enkel mag plaatsvindenin overeenstemming met het algemeen belang en dat deze een legitiemdoel dient. Ook hieraan wordt voldaan. Dit amendement regelt dat eenVvE bevoegd is om namens al haar leden een aansluitovereenkomst metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 289 een aangewezen warmtebedrijf aan te gaan, wanneer een meerderheidhiertoe besluit én dit noodzakelijk is om de collectieve warmtevoorzieningvoor het gehele gebouw te realiseren. De leden van de VvE zijnvervolgens ook verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering vande werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de collectievewarmtevoorziening te realiseren. Dit is een vergaande, maar ook eennoodzakelijke bevoegdheid voor VvE’s om mee te kunnen in de verduurza-mingsopgave voor de gebouwde omgeving. Immers, krijgt de VvE dezebevoegdheid niet, dan kan door onderlinge technische afhankelijkheden,een individueel lid van de VvE de aansluiting op een collectieve warmte-voorziening voor de gehele VvE blokkeren, terwijl een alternatief niet altijdvoor handen is of leidt tot een significante verhoging van de kosten voorandere VvE leden. Ook wordt hiermee voorkomen dat slechts een deelvan de VvE de initiële aansluitkosten draagt, terwijl uiteindelijk alleVvE-leden, ook op een later moment, gebruik kunnen maken van degetroffen voorziening. Het EHRM laat de lidstaten een ruime beoorde-lingsmarge bij het vaststellen van wat als een legitieme doelstelling in hetkader van het algemeen belang kan gelden. De met dit amendementbeoogde verruiming van de bevoegdheden van de VvE ten aanzien van debesluitvorming over de aansluiting op een collectieve warmtevoorzieningbetreft een dwingende reden van algemeen belang, namelijk het borgenvan de warmtetransitie in wijken waar zich appartementsgebouwenbevinden. Er zijn geen andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijkom ditzelfde doel te bereiken. Daarbij zij opgemerkt dat de aansluitover-eenkomsten die de VvE mag aangaan namens haar leden, niet ook leidttot warmtelevering. Daarvoor zal ieder VvE-lid in voorkomend geval eeneigen leveringsovereenkomst moeten aangaan. De voorgestelde regelingleidt dus niet ertoe dat een VvE-lid buiten zijn wil om warmte (al dan niettegen bepaalde voorwaarden) moet afnemen. Ook pas bij het aangaanvan de leveringsovereenkomst zal in het privégedeelte van een VvE-lideen afleverset en een meetinrichting worden geplaatst.De evenredigheidstoets vraagt tot slot om een beoordeling of met ditamendement sprake is van een rechtvaardig en evenwichtig resultaat,oftewel «fair balance», tussen het algemeen belang en de belangen vanhet individu dat wordt geraakt door de inmenging in het eigendomsrecht,in casu de appartementseigenaars. Bij de beoordeling of sprake is van een«fair balance» dienen verschillende aspecten in ogenschouw te wordengenomen, in het licht van de met dit amendement te dienen belangen. Ineen VvE is er vaak sprake van technische onderlinge afhankelijkheid bijhet aansluiten op een collectieve warmtevoorziening. Het warmtebedrijfzal deze technische afhankelijkheid niet altijd kunnen voorkomen ofondervangen door een andere wijze van aansluiten aan te bieden.Wanneer de VvE niet bevoegd is om namens een meerderheid van haarleden tot dit besluit over te gaan voor al haar leden, kan in deze situatiesvan technische afhankelijkheid, een individuele appartementseigenaar eenaansluiting op een collectieve warmtevoorziening voor de gehele VvE ofeen deel hiervan blokkeren. Hierdoor wordt de vrijheid van appartements-eigenaars om te beslissen over aansluiten op een collectieve warmtevoor-ziening sterk ingeperkt. Dit is onwenselijk, zeker omdat alternatieven,zoals een individuele warmtepomp, technisch niet altijd mogelijk zijn, ofduurder kunnen zijn. Een besluit tot het aanleggen van dat systeem kandan alleen genomen worden indien alle appartementseigenaarsinstemmen met dat besluit, ook als overeenkomstig het splitsingsre-glement een andere besluitvormingsprocedure voor dat besluit geldt. Eenunaniem besluit binnen de VvE zal in de praktijk vaak niet realistisch zijn.Deze situatie is onwenselijk gezien het maatschappelijk belang om teverduurzamen. Maar deze situatie is ook onwenselijk omdat daarmee deuitvoering van een legitiem genomen meerderheidsbesluit in de VvEonmogelijk kan zijn, terwijl het juist in de aard van een VvE ligt datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2810 individuele appartementsgerechtigden in hun eigen doen en nalatenrekening hebben te houden met de gerechtvaardigde belangen van hunmede-eigenaren. Om aan deze onwenselijke situatie een einde te maken ishet noodzakelijk individuele appartementseigenaars onder omstandig-heden te verplichten een aansluitovereenkomst met het aangewezenwarmtebedrijf te accepteren en te verplichten mee te werken aan deaanleg van deze collectieve warmtevoorziening (inclusief het opruimenvan gasleidingen), ook als het om hun privéappartementen gaat. Er issprake van een fair balance omdat rekening kan worden gehouden met deindividuele belangen van de appartementseigenaars. Er zijn diverseprocessuele waarborgen in de regeling opgenomen om met de belangenvan de appartementseigenaars die geen aansluiting op de collectievewarmtevoorziening willen, rekening te houden. Individuele appartements-eigenaars die geen aansluitovereenkomst willen kunnen dit bij hetaangewezen warmtebedrijf en de VvE melden. Naar aanleiding van dezemelding zal het aangewezen warmtebedrijf moeten adviseren over definanciële en technische consequenties van het in stand houden van deindividuele aansluiting van deze appartementseigenaar voor de aanlegvan de collectieve warmtevoorziening. Naar aanleiding van dit advies kande betreffende appartementseigenaar een klacht indienen bij hetaangewezen warmtebedrijf. De VvE kan niet eerder een besluit over hetaanbod van het aangewezen warmtebedrijf nemen dan nadat dezeprocedures zijn doorlopen. Tegen het besluit van het bestuur van de VvEstaat tot slot voor de appartementseigenaar de mogelijkheid open eenvordering tot vernietiging van dat besluit bij de kantonrechter overeen-komst artikel 5:130 BW in te dienen. De kantonrechter zal vervolgensbeoordelen of de VvE in alle redelijkheid en billijkheid – gezien het adviesvan het aangewezen warmtebedrijf – tot het besluit om het aanbod teaanvaarden, heeft kunnen komen. Indien het technisch mogelijk is en dekosten van de aanleg van een collectieve warmtevoorziening voor deoverige appartementseigenaars daardoor niet significant hoger worden,wordt de wens van deze appartementseigenaars om hun individueleaansluiting te behouden, geaccepteerd. De collectief door de VvEafgesloten aansluitovereenkomst geldt dan niet voor hen en zij zijn nietonderworpen aan de medewerkingsverplichtingen. Ook hoeft deindividuele appartementseigenaar dan niet mee te betalen aan deaansluitovereenkomst die door de VvE wordt gesloten. Hij is dan immersook niet gebonden door deze overeenkomst. Een appartementseigenaardie weliswaar aangesloten wordt maar geen leveringsovereenkomst wil,kan dit eveneens melden aan het aangewezen warmtebedrijf. Deze zal danbij de aanlegwerkzaamheden hiermee rekening houden en bijvoorbeeldgeen afleverset of meetinrichting plaatsen. Bij de uitvoering van dewerkzaamheden zal het aangewezen warmtebedrijf rekening moetenhouden met de belangen van de individuele appartementseigenaars (dewerkzaamheden moeten namelijk «redelijkerwijs noodzakelijk zijn»). Alseen warmteleiding technisch gezien ook buitenlangs kan wordengeplaatst (en niet door het privégedeelte) zonder buitensporige extrakosten voor de andere leden, zal het aangewezen warmtebedrijf dit doen.Van het ontbreken van een fair balance bij deze inmenging in heteigendomsrecht is dan ook geen sprake.Gevolgen voor de rechterlijke machtMet dit amendement wordt beoogd te regelen dat VvE’s vaker zullenkunnen besluiten om een aansluitovereenkomst aan te gaan. Hiertegenstaat rechtsbescherming open, in de eerste plaats bij de kantonrechter.Aangezien hierdoor naar verwachting vaker aansluitovereenkomstenzullen worden gesloten is het niet onwaarschijnlijk dat dit leidt tot eenstijging in het aantal rechtszaken. Het amendement heeft voor de werklastvan de rechterlijke macht ook verlichtende effecten. Het doel van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2811 amendement is om een duidelijker juridisch kader te creëren voor VvE’som over te gaan op een collectieve warmtevoorziening. In bepaaldegevallen kan dit ertoe leiden dat een gang naar de rechter niet langernodig is.ArtikelsgewijsArtikel 4.6aIn de artikelen 4.6a tot en met 4.6e wordt de bevoegdheid van de VvEgeregeld bij een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf om aan tesluiten op een collectieve warmtevoorziening/klein collectief warmte-systeem als het gaat om de levering van warmte door dat warmtebedrijfin een warmtekavel. Het aangewezen warmtebedrijf levert dan recht-streeks aan individuele appartementseigenaars (die een individueleleveringsaansluiting hebben).– Artikel 4.6a, eerste lid, regelt dat besluitvorming van de VvE over hetal dan niet aanvaarden van een aanbod van een aangewezen warmtebe-drijf om een gebouw aan te sluiten op een collectieve warmtevoorzieningsteeds bij volstrekte meerderheid van stemmen kan worden genomen(een meerderheid van minimaal meer dan 50%, ook wel «50% +1»).Daarmee wordt beoogd de mogelijkheid die artikel 5:127, eerste lid, BWbiedt om in de statuten een andere stemverhouding te bepalen, uit tesluiten. Deze bepaling ziet alleen op de stemverhouding. Met dezebepaling is dus niet beoogd andere bepalingen die in de wet of destatuten zijn opgenomen ten aanzien van de besluitvorming, zoals eeneventueel quorum of een oproeptermijn, buiten toepassing te verklaren.Deze bepalingen blijven na inwerkingtreding van artikel 4.6a onver-minderd van kracht.Het besluit van een VvE wordt niet eerder genomen dan nadat haarleden gedurende twee maanden na het aanbod van het warmtebedrijf inde gelegenheid zijn gesteld te melden dat zij geen aansluitovereenkomstmet het warmtebedrijf willen aangaan. Omdat naar aanleiding van ditbesluit de VvE namens al haar leden een aansluitovereenkomst met hetaangewezen warmtebedrijf aangaat, moeten leden eerst de mogelijkheidhebben om daartegen bezwaar te maken. Naar aanleiding van dezemelding zal het aangewezen warmtebedrijf dit lid en de VvE adviserenover de financiële en technische consequenties van het in stand houdenvan de individuele aansluiting van deze appartementseigenaar voor deaanleg van de collectieve warmtevoorziening. Naar aanleiding van ditadvies kan de betreffende appartementseigenaar een klacht indienen bijhet aangewezen warmtebedrijf. De VvE kan niet eerder een besluit nemenover het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf dan nadat dezeprocedures zijn doorlopen (artikel 4.6b).Het gaat om een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf alsbedoeld in artikel 2.24 en ziet dus op situaties buiten de Wet gemeentelijkeinstrumenten warmtetransitie (WGiW) om. In het kader van de WGiWwordt in artikel 4.6e de besluitvormingsprocedure van het eerste lid vanovereenkomstige toepassing verklaard op het besluit van de VvE om eenaanbod niet te aanvaarden.– Het tweede lid regelt de gevolgen van het besluit van een VvE om eenaanbod van aansluiting op een collectieve warmtevoorziening teaanvaarden. Als gevolg van het besluit van de VvE gaat het bestuur vande VvE namens alle appartementseigenaars die deel uitmaken van de VvEen die gedeelten van een gebouw bezitten die bestemd zijn voor verblijfvan personen, een aansluitovereenkomst aan met het aangewezenwarmtebedrijf. Het gaat dan om de aansluitovereenkomst die uit deaanvaarding van dat aanbod voortvloeit. Het aangewezen warmtebedrijfhoeft dus niet meer met de afzonderlijke appartementseigenaarsindividuele aansluitovereenkomsten te sluiten. De aansluitovereenkomstTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2812 die de VvE aangaat met het aangewezen warmtebedrijf ziet op deaansluiting van alle gedeelten van het gebouw die voor verblijf vanpersonen bestemd zijn. Voor de betekenis van het begrip «verblijf vanpersonen» wordt verwezen naar de terminologie zoals die ook wordtgebruikt in het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteitleefomgeving. Het gaat dan om een verblijfsgebied met een minimum-niveau van verblijven van personen. Bij bijvoorbeeld een kantoor moetende werkvertrekken voor administratieve werkzaamheden en bij een schoolde klaslokalen als dergelijke verblijfsgebieden worden aangemerkt. Ookbijvoorbeeld een winkel in de plint van een gebouw is bedoeld voorverblijven van personen. Hiervan is geen sprake bij gedeelten met eenoverige gebruiksfunctie waarin activiteiten plaatsvinden waarbij hetverblijven van personen een ondergeschikte rol speelt, zoals eenopslagruimte of een ondergrondse parkeergarage. Of bij gedeelten meteen industriefunctie, zoals een opslagloods, een kas en een stal. Eenwinkelfunctie of een kantoorfunctie is wel bedoeld voor verblijven vanpersonen.Het betreft hier een uitbreiding van de bevoegdheden van een VvE tenopzichte van hetgeen is geregeld in artikel 5:126 BW. Alle leden van deVvE (alle individuele appartementseigenaars van het gebouw waar de VvEbetrekking op heeft) worden daarmee aangesloten op een collectievewarmtevoorziening. Het uitgangspunt dat iedereen wordt aangeslotencreëert een heldere, juridische situatie, waarbij wordt aangesloten bij hetbelang van de meerderheid van de appartementseigenaars en technischcomplexe en daardoor kostbare, uitvoeringsproblemen wordenvoorkomen. Iedere appartementseigenaar heeft vervolgens demogelijkheid als verbruiker een leveringsovereenkomst met het aange-wezen warmtebedrijf te sluiten. Indien een appartementseigenaar zijnappartement laat gebruiken door een andere persoon, kan deze verbruikereen leveringsovereenkomst afsluiten. Een appartementseigenaar die geenleveringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.30 met het aangewezenwarmtebedrijf wil afsluiten, kan dat doorgeven aan het aangewezenwarmtebedrijf zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij deaanleg van het systeem door zijn appartement (bijvoorbeeld geenindividueel afleverset of meetinrichting). Zie voorgesteld artikel 4.6d,tweede lid.– Het derde lid biedt de individuele appartementseigenaar demogelijkheid niet gebonden te zijn aan de aansluitovereenkomst die deVvE sluit met het aangewezen warmtebedrijf namens al haar leden, indienhij geen aansluiting op een collectieve warmtevoorziening wil en dezewens kan worden gerespecteerd zonder dat daarmee de aanleg van eencollectieve warmtevoorziening voor de overige appartementseigenaars ingevaar komt of significant duurder wordt. Deze appartementseigenaar zaldit moeten melden bij zijn VvE en het aangewezen warmtebedrijf zodrahet aanbod van dit warmtebedrijf bekend is bij de VvE. Het besluit van deVvE om het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf al dan niet teaanvaarden kan niet eerder genomen worden dan nadat individueleappartementseigenaars gedurende twee maanden in de gelegenheid zijngesteld deze melding te doen (eerste lid, onderdeel a). Als deze apparte-mentseigenaar voldoet aan de voorwaarden van het derde lid, kan hij zijneigen (bijvoorbeeld gas-) aansluiting behouden. Omdat hij niet gebondenwordt door de aansluitovereenkomst die de VvE sluit overeenkomstigartikel 4.6a, tweede lid, zal hij ook niet met de kosten van deze aansluito-vereenkomst kunnen worden geconfronteerd.– Het vierde lid regelt dat de overeenkomst bedoeld in het tweede lidalleen wordt gesloten namens appartementseigenaars die een apparte-mentsrecht bezitten dat bestemd is voor verblijf van personen. Dit sluitaan bij het tweede lid, waarin is geregeld dat de overeenkomst alleen zietop het aansluiten van de gedeelten van het gebouw die voor verblijf vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2813 personen bestemd zijn op een collectieve warmtevoorziening. Indien eenappartementseigenaar geen appartementsrecht bezit dat bestemd is voorverblijf van personen, is hij dus niet gebonden aan de aansluitovereen-komst.Artikel 4.6bEen lid van een VvE die bezwaar heeft tegen een aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening kan dit binnen twee maanden nadat hetaanbod door het aangewezen warmtebedrijf aan de VvE is gedaan, ditmelden bij de VvE en het aangewezen warmtebedrijf. Het aangewezenwarmtebedrijf zal naar aanleiding van deze melding adviseren over devraag of het verzoek van dit lid niet aangesloten te worden voldoet aan devoorwaarden van artikel 4.6a, derde lid (eerste lid). Naar aanleiding vandit advies kan het lid van de VvE als de VvE een klacht bij het aangewezenwarmtebedrijf indienen als ze het niet mee eens zijn met het advies(tweede lid). Het aangewezen warmtebedrijf moet op grond van artikel2.28 van de Wcw een klachtenprocedure inrichten. Doel is daarmee eenweloverwogen en goed toegelicht standpunt van het aangewezenwarmtebedrijf te verkrijgen over de financiële en technische mogelijkheidom een individuele aansluiting van een lid in stand te houden als dezeniet wil overgaan op de collectieve warmtevoorziening (tweede lid). Na ditadvies en eventueel de afhandeling van de klachtenprocedure naaraanleiding van dit advies, kan de VvE een besluit nemen over het aanbodvan een aangewezen warmtebedrijf (derde lid). Als het betreffende lid hetvervolgens niet eens is met het besluit dat de VvE vervolgens neemt, kandit besluit door hem overeenkomstig artikel 5:130 BW voor vernietigingworden voorgedragen bij de kantonrechter (vierde lid).Artikel 4.6cIn artikel 4.6c, eerste lid, wordt geregeld dat de kosten die voortvloeienuit de aansluitovereenkomst voor rekening komen van de gezamenlijkeappartementseigenaars namens wie de overeenkomst is aangegaan. Dekosten komen dus niet voor rekening van de appartementseigenaarnamens wie de overeenkomst niet gesloten wordt, in het geval eenappartementseigenaar gebruik maakt van de mogelijkheid die wordtgeregeld in artikel 4.6a, derde lid, of indien deze geen rechthebbende isvan een appartementsrecht dat bestemd is voor verblijf door personen.In het tweede lid wordt geregeld dat de kosten in beginsel wordenverdeeld over de appartementseigenaars die overgaan op de collectievewarmtevoorziening op basis van het aantal appartementsrechten dat zijbezitten. Hiermee wordt aangesloten bij hetgeen wettelijk is geregeld inartikel 5:113, tweede lid, BW. De appartementseigenaars dragen hieraanbij jegens de vereniging van eigenaars, die gehouden is de financiëleverplichtingen die voortvloeien uit de aansluitovereenkomst aan hetaangewezen warmtebedrijf te voldoen. Het voorgestelde tweede lid wijktechter af van artikel 5:113, tweede lid, BW omdat deze kosten niet behorentot de gezamenlijke kosten van alle appartementseigenaars, maaruitsluitend die appartementseigenaars wier appartementsrecht op decollectieve warmtevoorziening wordt aangesloten.In het geval dat een verkrijger via toedeling of overdracht rechtheb-bende wordt van het appartementsrecht, zullen de kosten die voortvloeienuit de aansluitovereenkomst en waarvoor de verkrijger van het apparte-mentsrecht aansprakelijk wordt, moeten blijken uit de in artikel 5:122,vijfde lid, BW bedoelde verklaring.Op grond van artikel 5:113, tweede lid, BW kan in het splitsingsre-glement een verdeelsleutel worden opgenomen die afwijkt van dewettelijke regeling dat de appartementseigenaars in gelijke delenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2814 bijdragen in de kosten op basis van het aantal appartementsrechten. Inmodelreglement (MR) 1983 en latere modelreglementen5 is voorzien ineen verdeling van de kosten op basis van het aantal breukdelen. Deverdeling van het aantal breukdelen is opgenomen in de splitsingsakte engeeft de verhouding tussen het betreffende appartementsrecht en hettotaal aantal appartementsrechten in de VvE weer. De breukdelen wordenin de meeste gevallen gebaseerd op de omvang of de waarde van deappartementen. In eerdere modelreglementen6 is opgenomen dat dekosten in gelijke delen tussen de appartementseigenaars wordenverdeeld.Met het derde lid wordt beoogd te regelen dat een dergelijke in hetreglement opgenomen verdeling van toepassing is op de kosten dievoortvloeien uit de aansluitovereenkomst. Dit betekent dat de apparte-mentseigenaars die worden aangesloten de kosten verdelen op basis vande in het reglement opgenomen verdeling, waarbij de appartements-rechten (en de daaraan verbonden breukdelen) die niet worden aange-sloten buiten beschouwing worden gelaten, in zoverre deze alternatieveverdeling zich hier niet tegen verzet.Een alternatieve verdeling die zeer nauw toegespitst is op een bepaaldtype kosten, waarvoor een bijzondere verdeling aangewezen is, is eenvoorbeeld van een alternatieve verdeling die zich verzet tegen overeen-komstige toepassing op de kosten en schulden van een collectievewarmtevoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan een alternatieveverdeling die alleen betrekking heeft op de kosten voor de lift.7In een splitsingsreglement kan ook worden opgenomen dat ten aanzienvan verschillende kosten verschillende andere verhoudingen wordenvastgesteld. Met het vierde lid wordt beoogd voor deze gevallen duide-lijkheid te scheppen over welke andere verhouding dan moet wordentoegepast. Deze keuze is aan de vergadering van eigenaars gelaten. Zijdient hierin te beslissen bij het initiële besluit om het aanbod van eenaangewezen warmtebedrijf te accepteren. Tegen een dergelijk besluit vande VvE staat ook rechtsbescherming open. Een individuele appartements-eigenaar zou bijvoorbeeld kunnen menen dat de gekozen andereverhouding in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, en op grondhiervan vernietiging van het VvE-besluit verlangen bij de kantonrechter.8In het vijfde lid wordt geregeld dat in afwijking van het tweede en derdelid de appartementseigenaars namens wie de overeenkomst wordtgesloten niet gehouden is jegens de vereniging van eigenaars in dekosten bij te dragen, maar dat – indien dit in de overeenkomst is bepaald –het aangewezen warmtebedrijf deze kosten direct bij de individueleappartementseigenaars in rekening brengt. Hiervoor kan bijvoorbeeldworden gekozen om de VvE op administratief gebied te ontlasten.5MR 1983, artikel 2; MR 1992, artikel 2; Reglement ondersplitsing 2006, artikel 8; MR 2006, artikel8; MR Kleine Vereniging van Eigenaars, artikel 6.6Het betreft MR 1973 evenals Reglement serviceflats 1987 en Reglement serviceflats 1975.7In voorkomende gevallen wordt bijvoorbeeld voor de lift een specifieke verdeelsleutelopgesteld om rekening te houden met het feit dat de bewoners van de begane grond geengebruik maken van de lift. Hierom kan in het splitsingsreglement zijn bepaald dat zij nietbijdragen in de kosten die hiermee gemoeid zijn. Een dergelijke verdeling is niet van overeen-komstige toepassing, omdat deze redenering niet redelijkerwijs toepasbaar is op de kostenvoor een warmtenet.8Artikel 5:130, eerste lid, BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2815 Artikel 4.6d– Het eerste lid regelt een medewerkingsplicht voor alle leden van deVvE die het besluit heeft genomen het aanbod van een aangewezenwarmtebedrijf te aanvaarden en daartoe een aansluitovereenkomst methet aangewezen warmtebedrijf namens al zijn leden sluit. Deze plichtbetreft «alle werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn» tenbehoeve van het realiseren van de aansluiting, maar ziet ook op hetonderhoud dat daarna nodig is, alsook eventuele toekomstige verwij-dering van leidingen e.d. Het aangewezen warmtebedrijf is bij hetverrichten van de werkzaamheden gehouden rekening te houden met debelangen van de individuele appartementseigenaars (aanpassingenmoeten proportioneel zijn en niet minder ingrijpend kunnen wordengerealiseerd). Dit geldt met name als een appartementseigenaar heeftdoorgegeven niet op warmtelevering over te zullen gaan (tweede lid).Daarbij is expliciet bepaald dat de medewerkingsplicht ook ziet op hetprivégedeelte van de appartementseigenaar, «het deel dat bestemd is omals afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt» (artikel 5:106 BW).Een appartementseigenaar moet dus meewerken aan het aanleggen vanleidingen door de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw maarook door zijn appartement, indien en voor zover dat redelijkerwijsnoodzakelijk is om een aansluiting van het gebouw op een collectievewarmtevoorziening te realiseren. Het gaat meer concreet om hetaanleggen van een collectieve warmtevoorziening met toebehoren in hetappartementsgebouw tot aan de hoofdaansluiters in de appartementen.Het plaatsen van de individuele afleverset en de meetinrichting gebeurtpas bij het sluiten van de leveringsovereenkomst. De VvE kan zo nodig denaleving van de verplichting voor de rechter afdwingen door op grondvan artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nakoming vande verplichting onder betaling van een dwangsom te vorderen van een liddat medewerking weigert.– Het tweede lid regelt dat een lid van de VvE die niet op warmte wilovergaan en dus geen leveringsovereenkomst gaat sluiten met hetaangewezen warmtebedrijf, dit kan melden aan dit warmtebedrijf, opdatdeze bij de noodzakelijke aanpassingen in het appartement ten behoevevan de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening hiermeerekening kan houden (bijvoorbeeld geen afleverset en meetinrichting). Hetbetreffende lid zal echter wel aan de kosten van de aansluiting moetenmeebetalen omdat hij wel wordt aangesloten op grond van de aansluito-vereenkomst van de VvE, bedoeld in artikel 4.6a, tweede lid. De aansluito-vereenkomst wordt immers gesloten door de vereniging van eigenaarsnamens alle leden. De kosten die op grond van deze overeenkomstworden gemaakt komen dan ook ten laste van de gezamenlijke apparte-mentseigenaars die door deze overeenkomst worden gebonden enbehoren tot de gemeenschappelijke kosten. Deze kosten worden op grondvan artikel 4.6c evenredig verdeeld over de appartementseigenaars, tenzijin het reglement een andere verhouding is bepaald. Indien het reglementniet voorziet in een kostenverdeling komen de kosten op grond van artikel5:113, tweede lid, BW in gelijke delen voor rekening van de appartements-eigenaars. Voor het aansluiten schrijft de Wcw en het daarop gebaseerdeBesluit collectieve warmtevoorziening voor dat er een eenmalig aansluit-bedrag in rekening kan worden gebracht. De appartementseigenaars diemelden geen aansluitovereenkomst met het warmtebedrijf te willenaangaan en voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.6a, derde lid, zullendaar ook niet door gebonden worden. Aan hen kunnen daarom ook geenaansluitkosten in rekening worden gebracht.– Het derde lid regelt dat een lid van de VvE die het besluit heeftgenomen het aanbod van een aangewezen warmtebedrijf te aanvaarden,en dat een aansluitovereenkomst met een distributiesysteembeheerdervoor gas heeft, meewerkt aan het verwijderen van zijn gasaansluiting. HijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2816 zal ook in zijn privégedeelten aan het verwijderen van de gasleidingen ende daarmee verbonden hulpmiddelen moeten meewerken. Hij zal voor hetbeëindigen van zijn gasaansluiting contact moeten opnemen met zijndistributiesysteembeheerder. Deze zal in nauw overleg met het aange-wezen warmtebedrijf het moment van het afsluiten van het gas enaansluiten op een collectieve warmtevoorziening bepalen.– Op grond van het vierde lid zal de verplichting om mee te werken aanhet verwijderen van de gasaansluiting ook gelden voor een lid dat geenleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten,maar waarbij het verwijderen van deze aansluiting om financiële oftechnische redenen noodzakelijk is om het gebouw aan te sluiten op eencollectieve warmtevoorziening (vergelijk artikel 4.6a, derde lid).– In het vijfde lid is geregeld dat – indien een appartementseigenaar zijnappartement heeft verhuurd – de huurder als verbruiker aan dezelfdemedewerkingsverplichting is gehouden als de appartementseigenaar alslid van de VvE. Indien hij geen leveringsovereenkomst wil afsluiten, meldthij dit aan het aangewezen warmtebedrijf.– Het zesde lid regelt dat het aangewezen warmtebedrijf de apparte-mentseigenaars dan wel de verbruikers, bedoeld in het vijfde lid, binneneen bij ministeriële regeling te bepalen termijn schriftelijk informeert overde werkzaamheden die moeten gebeuren voor het realiseren van deaansluiting. Het zal dan in de regel gaan om het informeren over hettijdstip, de aard van de werkzaamheden en de wijze waarop dezeuitgevoerd gaan worden. Daarbij ligt het in de rede dat het aangewezenwarmtebedrijf duidelijk maakt op welke wijze met de belangen van deonderscheidene appartementseigenaars rekening zal worden gehouden.– Een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm verstrekt het aangewezen warmtebedrijf persoonsgegevensvan haar leden voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deaansluitovereenkomst die zij sluit (bijvoorbeeld facturering) en om hetaangewezen warmtebedrijf in staat te stellen de schriftelijke kennisgeving,bedoeld in het zesde lid, te doen (zevende lid).– Het achtste lid sluit aan bij de mogelijkheid van een appartementsei-genaar om krachtens artikel 4.6a, derde lid, te melden dat hij geenaansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil aangaan.Hij wordt dan niet gebonden aan de aansluitovereenkomst die de VvEnamens haar leden sluit met het aangewezen warmtebedrijf indiendaardoor tenminste de aanleg van een collectieve warmtevoorzieningredelijkerwijs technisch niet onmogelijk wordt en de kosten voor deandere appartementseigenaars daardoor niet significant hoger worden. Indat geval valt hij ook niet onder de verplichtingen, geregeld in artikel 4.6d.Artikel 4.6e– In het geval dat een gemeente in het kader van de WGiW gebruikmaakt van haar bevoegdheid een wijk aan te wijzen om van het gas af tegaan, en een collectieve warmtevoorziening als alternatieve voorziening isaangewezen, schrijft artikel 2.25 voor dat de VvE binnen een bepaaldetermijn moet reageren op een aanbod van het aangewezen warmtebedrijf.Indien daar niet op tijd op wordt gereageerd wordt de VvE geacht hetaanbod stilzwijgend aanvaard te hebben (met de mogelijkheid binnen 14dagen de aansluitovereenkomst kosteloos nog te ontbinden). Het isbelangrijk dat de VvE de mogelijkheid heeft adequaat te reageren op eenaanbod. De besluitvormingsprocedure die is voorgesteld voor hetreguliere aanbod van artikel 2.24 wordt via artikel 4.6e, eerste lid, dan ookvan overeenkomstige toepassing verklaard in de situatie van artikel 2.25.– Indien een VvE aan aanbod van een aangewezen warmtebedrijf alsbedoeld in artikel 2.25 (actief) aanvaardt, geldt op grond van het tweedelid, ook in deze situatie dat als gevolg van het besluit van de VvE de VvEnamens alle appartementseigenaars die deel uitmaken van de VvE eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2817 aansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf sluit. Deaansluitovereenkomst die de VvE aangaat met het aangewezen warmte-bedrijf ziet op de aansluiting van alle gedeelten van het gebouw die voorverblijf van personen bestemd zijn. In deze situatie geldt ook deverplichting voor de individuele appartementseigenaar om medewerkingte verlenen aan het aanleggen van een collectieve warmtevoorziening,ook als dat zijn privégedeelte betreft, en dat hij als hij een gasaansluitingheeft dient mee te werken aan de verwijdering van deze aansluiting. Dezeverplichtingen gelden ook in het geval een VvE niet reageert op hetaanbod van het aangewezen warmtebedrijf en daardoor het aanbodstilzwijgend wordt aanvaard (artikel 2.25, derde lid, Wcw). Omdat opgrond van artikel 2.34 van het wetsvoorstel een verbruiker gedurende driejaar een leveringsovereenkomst met betrekking tot een gebouw waarvande gebouweigenaar het aanbod om aangesloten te worden, bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeft aanvaard, doormiddel van opzegging niet kan beëindigen, is artikel 4.6d, tweede lid, nietvan overeenkomstige toepassing verklaard. Als een appartementsei-genaar zijn appartement in gebruik heeft gegeven aan een ander persoon,zal deze gehouden zijn de medewerking te verlenen aan de aanleg vaneen collectieve warmtevoorziening en eventueel het verwijderen van degasaansluiting. Verder verklaart het tweede lid van artikel 4.6e deverplichting van het aangewezen warmtebedrijf om de appartementseige-naars dan wel de verbruikers aan wie deze zijn appartement in gebruikheeft gegeven, te informeren over de werkzaamheden die moetengebeuren voor het realiseren van de aansluiting, van overeenkomstigetoepassing (artikel 4.6d, zesde lid). Daarnaast wordt artikel 4.6c, waarin deprocedure is geregeld voor een appartementseigenaar om naar aanleidingvan het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf bezwaar te makentegen het aansluiten op een collectieve warmtevoorziening als ook tegenhet besluit van de VvE om dat aanbod te aanvaarden, van overeenkom-stige toepassing verklaard. Tot slot geldt eveneens de regeling van kostenen schulden die voortvloeien uit de collectief door de VvE geslotenaansluitovereenkomst (artikel 4.6c).Artikel 4.6fDit artikel regelt de bevoegdheid van een VvE bij een aanbod van eenwarmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.24 en 2.25, om het gebouw aan tesluiten op een klein collectief warmtesysteem. Deze artikelen worden inartikel 3.7 van overeenkomstige toepassing verklaard op klein collectievesystemen. In dat geval zijn de artikelen 4.6a tot en met 4.6d (met uitzon-dering van het tweede lid, in geval van een aanbod van een warmtebedrijfals bedoeld in artikel 2.25) van overeenkomstige toepassing.Artikel 4.6gArtikel 4.6g regelt de bevoegdheid van een VvE bij een aanbod van eenwarmtebedrijf tot aan te sluiten op een collectieve warmtevoorziening ofeen klein collectief warmtesysteem als het gaat om de levering vanwarmte, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel a. Het gaat dan om delevering van warmte aan ten hoogste 10 natuurlijke personen of rechts-personen (artikel 1.2 eerste lid, onderdeel d). Ook ziet dit artikel op dedoorlevering van warmte door een VvE als bedoeld in artikel 4.1, eerstelid, onderdeel b. Alsdan zijn de artikelen 4.6a, tweede en derde lid, tot enmet 4.6d van overeenkomstige toepassing. Hoewel in deze situatie hetwarmtebedrijf voor deze levering geen aanwijzing nodig heeft noch eenmeldplicht richting het college geldt, en tevens slechts enkelevoorschriften uit het wetsvoorstel gelden, is er voor gekozen voor dezesituatie regels op te stellen en daarbij aan te sluiten bij hetgeen geregeldis in de artikelen 4.6a tot en met 4.6d. Ook hier spelen immers deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2818 problemen binnen VvE’s die in het algemeen deel van de toelichting zijngeschetst.Artikel 4.6hIn dit artikel wordt de situatie geregeld dat de VvE zelf leverancier is.Hoewel deze situatie valt onder de ontheffingsmogelijkheid van artikel 4.2en slechts enkele voorschriften uit het wetsvoorstel in dat geval gelden, iser voor gekozen ook voor deze situatie regels te stellen en daarbij aan tesluiten bij de artikelen 4.6a tot en met 4.6d. Het gaat dan om het besluitvan een VvE warmte te leveren waarvoor op grond van artikel 4.1, eerstelid, een verplichting geldt dit te melden aan het college. De problematiekdie binnen VvE’s speelt met betrekking tot het aansluiten op een collec-tieve warmtevoorziening, speelt namelijk ook hier.GrinwisBontenbalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 2819

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 89b4b50a257e3c01

14 okt 2026 · 2d6121a78fcf9970

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.