KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde Agenda van de formele Telecomraad 6 december 2024 (Kamerstuk 21501-33-1096)

16 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ccdbd875cea365f7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-33Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en EnergieNr. 1099 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 december 2024 De vaste commissie voor Digitale Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en deStaatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over:–de brief van 20 november 2024 inzake de «Geannoteerde Agenda vande formele Telecomraad 6 december 2024» (Kamerstuk 21 501-33,nr. 1096),–de brief van 11 juni 2024 inzake het «Verslag formele Telecomraad21 mei 2024»,–het verslag van het schriftelijk overleg (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1069),–het verslag van een schriftelijk overleg inzake o.a. de «Geannoteerdeagenda formele Telecomraad 21 mei 2024» (Kamerstuk 21 501-33,nr. 1069).De vragen en opmerkingen zijn op 27 november 2024 aan de Minister vanEconomische Zaken en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 2 december 2024 zijn devragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,PalmenAdjunct-griffier van de commissie,Muller kst-21501-33-1099ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10991 Vragen en opmerken van de Leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op deagenda van het schriftelijk overleg inzake Telecomraad (formeel) d.d.6 december 2024. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog enkelevragen.Zij hebben in het eerdere schriftelijk overleg van 14 mei 2024 inzake deTelecomraad 21 mei 2024 aandacht gevraagd voor het onderdeel«Toegang tot netwerken voor concurrenten», wat voorkomt in dekabinetsappreciatie van het witboek «How to master Europese’s digitalinfrastructure needs» (Kamerstuk 22 112, nr. 3924). In deze inbreng vanhet schriftelijk overleg werd ingegaan op de opmerking van het kabinetdat het niet onwelwillend stond tegenover het afschaffen van bestaandewetgeving die dominante telecomaanbieders of aanbieders met eenaanmerkelijke marktmacht verplicht om concurrenten toe te laten op hunnetwerk. In het verslag van het schriftelijk overleg (Kamerstuk 21 501, nr.33) lezen deze leden duidelijk terug dat het kabinet de insteek had om dein het witboek geschetste ideeën omtrent toegangsregulering opEuropees niveau als aanvulling te zien op de bestaande toegangsregu-lering op nationaal niveau en niet als vervanging daarvan, met deonderbouwing dat de bestaande wetgeving die dominante telecomaan-bieders of aanbieders met een aanmerkelijke marktmacht verplicht omconcurrenten toe te laten op hun netwerk een belangrijke rol speelt ombetaalbare en hoogwaardige dienstverlening te waarborgen voorEuropese consumenten, bedrijven en publieke instellingen. Dit heeft metname betrekking op de vaste netwerken. In de brief van 20 november 2024(Kamerstuk 21 501-33, nr. 1096), lezen deze leden dit, hetzij summier, terugin de opmerking dat een te eenzijdige focus op het versterken van depositie van grote telecombedrijven juist ten koste kan gaan van Europeseinnovatie en concurrentiekracht. Inmiddels staat vast dat de eindgebrui-kersprijzen voor internet in Nederland bovengemiddeld hoog zijn. Detarieven voor vast internet in Nederland liggen tot 54 procent hoger invergelijking met het Europese gemiddelde, blijkens een recent rapport vande Europese Commissie1. De leden van de PVV-fractie zouden gaarne vanhet kabinet vernemen op welke wijze zij haar standpunt onder deaandacht gaat brengen en in hoeverre de rol van Nederland doorslag-gevend kan zijn. Kan geborgd worden dat Nederland als lidstaat op ditpunt autonoom kan blijven opereren en beslissen?AntwoordNationale toezichthouders hebben de bevoegdheid om, wanneer zijvaststellen dat er geen sprake is van effectieve concurrentie, verplich-tingen op te leggen aan de dominante telecomaanbieder(s). Het kabinetvindt het belangrijk dat deze mogelijkheid om in te grijpen blijft bestaan.Nederland heeft dit standpunt consistent naar voren gebracht in inter-acties met de Europese Commissie en lidstaten. Nederland heeft zich danook ingespannen om in het kader van de Raadsconclusies, die naarverwachting tijdens de Telecomraad van 6 december worden aange-nomen, naar aanleiding van het witboek deze zogenaamde «ex-ante»regulering te behouden. Het kabinet kan op dit moment niet vooruitlopenop deze Raadsconclusies. Nederland gaat er van uit dat de EuropeseCommissie zich rekenschap zal geven van het standpunt van Nederlanden verwacht ook dat andere lidstaten zich hier sterk voor zullen maken. Opdit moment ligt er nog geen concreet wetgevend voorstel van deCommissie. Het kabinet zal zich blijven inzetten voor het behoud van1Europese Commissie, 22 april 2024, Mobile and Fixed Broadband Prices in Europe 2022 |Shaping Europe’s digital future.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10992 ex-ante regulering. Wanneer de Commissie met een wetgevend voorstelkomt zal het kabinet via de gebruikelijke procedure van het BNC-fiche deappreciatie en de Nederlandse inzet op dit voorstel met de Kamer delen.Onderdeel hierbij is ook dat kabinet toetst of de EU mag optredenconform de EU-verdragen en of de EU handelt binnen de grenzen van debevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijntoegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.Voorts lezen deze leden in de dezelfde brief van 20 november 2024(Kamerstuk 21 501-33, nr. 1096) over de constatering van het kabinetinzake de opmars van met name Chinese bedrijven in de InternationalTelecommunications Union (ITU), waarbij zij steeds vaker leidend zijn voorde te gebruiken standaarden. Verwezen wordt daarbij naar de Interna-tionale Cyberstrategie (ICS) 2023–2028 (Kamerstuk 26 643, nr. 1036). Hierinwordt onder andere verwezen naar de «5G-toolbox» van de EuropeseUnie. In hoeverre is deze inmiddels geïmplementeerd in Nederland en zijner lidstaten die dit nog niet geïmplementeerd hebben?Antwoord2De EU 5G cyber security toolbox is een flexibel, op risico’s gebaseerdinstrument om 5G-cyberbeveiligingsuitdagingen tijdig en efficiënt aan tepakken. Hierbij wordt rekening gehouden met de uiteenlopende nationalesituaties van lidstaten, zoals de desbetreffende marktstructuur, cyberbe-veiligingscapaciteiten en het dreigingsbeeld. De implementatie van de 5Gtoolbox verschilt daarom per lidstaat. Ieder land maakt hierin eenzelfstandige afweging en hanteert eigen nationaal vastgesteldeafwegingskaders.Sinds de vaststelling van de 5G toolbox op 29 januari 20203 hebben de EUlidstaten stappen ondernomen om daarin vermelde beveiligingsmaatre-gelen te implementeren. De voortgangsrapportage «Second report onMember States» progress in implementing the EU Toolbox on 5GCybersecurity» van 15 juni 20234 geeft een geaggregeerd overzicht van destand van zaken van de implementatie binnen de EU. Sinds hetverschijnen van deze rapportage hebben enkele lidstaten verdere stappengezet. Een deel van de lidstaten heeft nog geen maatregelen genomentegen zogenaamde high risk vendors, oftewel leveranciers die een hoogrisico opleveren in de telecomnetwerken. Dit is een belangrijke maatregeluit de 5G Toolbox. Naar aanleiding van de voortgangsrapportage dringtde Commissie erop aan dat de lidstaten die de toolbox nog niet tenuitvoer hebben gebracht, snel relevante maatregelen nemen, zoalsaanbevolen in de EU-toolbox.Nederland heeft in 20195 maatregelen genomen ter bescherming vanmobiele telecomnetwerken. Zo moeten aanbieders extra (technische enorganisatorische) beveiligingsmaatregelen treffen, en mogen er alleenvertrouwde leveranciers worden gebruikt in de kritieke onderdelen vanhet mobiele netwerk. Dit geeft voor de Nederlandse situatie invulling aande maatregelen uit de 5G toolbox.2Met dit antwoord wordt ook vraag over 5G-toolbox van de GroenLinks-PvdA-fractiebeantwoord.3Mededeling uitrol van beveiligde 5G in de EU – uitvoering van de EU-toolbox, d.d. 29 januari2020 (COM(2020)50).4NIB Samenwerkingsgroep, 15 juni 2023 (https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/library/second-report-member-states-progress-implementing-eu-toolbox-5g-cybersecurity)5Kamerstukken II 2018–2019, 30 821, nr. 92.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10993 Nederland blijft zich in EU-verband actief inzetten voor een gezamenlijkeEuropese aanpak voor de veiligheid van 5G-netwerken, onder andere doorhet uitwisselen van risicoanalyses en het delen van oplossingsrichtingenbinnen de NIB Samenwerkingsgroep6. Zoals ook in 2022 gecommuniceerdnaar aanleiding van vragen van de leden van Dijk en Rajkowski7 wordtbinnen de EU op regelmatige basis de voortgang van de implementatievan nationale maatregelen besproken en is er mogelijkheid om informatieuit te wisselen over risicoanalyses en oplossingsrichtingen. Nederlandneemt actief deel aan deze besprekingen. Hierin staan we open vooreventuele verbetersuggesties, waarin vervolgens wel rekening gehoudendient te worden met nationale bevoegdheden inzake nationale veiligheid.Vragen en opmerken van de Leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van destukken voor de formele Telecomraad van 6 december 2024.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn allereerst verheugd te lezendat Nederland zich actief inzet voor een Europese aanpak van verslavendeontwerptechnieken in onlinediensten en producten. Deze leden zijn vanzins om hier de komende periode blijvend aandacht voor te vragen. Kande bewindspersoon aangeven wanneer het verwacht dat het non-paperover het belang van de bescherming van kinderrechten in de digitalewereld wordt gepubliceerd?AntwoordIn de zomer van 2024 is door de voormalige Staatsecretaris BinnenlandseZaken (portefeuille Koninkrijksrelaties en Digitalisering) een evenement opde Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Brussel georgani-seerd om het belang van de bescherming van kinderrechten in de digitalewereld binnen de Europese Unie onder de aandacht te brengen. Deaanpak van ontwerptechnieken in onlinediensten en producten is een vande onderwerpen waar toen bij is stilgestaan. Dit evenement is georgani-seerd in plaats van het versturen van een non-paper waarin de Neder-landse prioriteiten op het gebied van de bescherming van minderjarigenzouden worden opgenomen. Hiervoor is gekozen omdat het versturen vaneen dergelijk non-paper niet opportuun werd geacht vanwege dedemissionaire status van het toenmalige kabinet.In de missiebrief aan Commissaris McGrath voor Democratie, Justitie ende Rechtsstaat heeft Commissievoorzitter Von der Leyen gewezen op denoodzaak om wetgeving te ontwikkelen om onethische technieken encommerciële praktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale producten,aan te pakken. Mogelijk zal de Europese Commissie hiervoor een voorsteldoen in de vorm van een Digital Fairness Act. Het kabinet heeft reeds opEuropees niveau aandacht gevraagd voor de aanpak van het verslavendontwerp en zal dit bij de Europese Commissie onder de aandacht blijvenbrengen, zeker in aanloop van deze mogelijk nieuwe wetgeving. Op ditmoment laat de Staatsecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering eenonderzoek uitvoeren naar het Europees juridisch kader en naar welkeaanvullingen en verbeteringen nodig zijn om verslavend en misleidendontwerp effectiever aan te pakken. Ik zal in samenwerking met deStaatsecretaris Koninkrijksrelaties en Digitalisering uw Kamer in de eerste6De NIB Samenwerkingsgroep zoals bedoeld in artikel 11 van de NIB-richtlijn. De NIB Samen-werkingsgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de Commissie en het EuropeseAgentschap voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (ENISA).7Aanhangsel Handelingen II 2021–2022, nr. 1862.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10994 helft van 2025 nader informeren over de uitkomsten van de fitness checken de Nederlandse inzet in aanloop naar een mogelijk voorstel van deEuropese Commissie.Zij lezen verder dat het kabinet de indruk heeft dat er geen sprake is vanenig marktfalen dat eventuele regulering van de pakketmarkt zourechtvaardigen. Kan de bewindspersoon aangeven waarom in Europeesverband toch de noodzaak bestaat voor een onderzoek over mogelijkeregulering van de pakket- en bezorgmarkt? Kan de bewindspersoonaangeven wanneer het Europese onderzoek wordt verwacht en, indien hetonderzoek reeds is gepubliceerd, aangeven of deze publicatie hetstandpunt van het kabinet heeft doen veranderen of niet en wat deredenen daarvoor zijn?AntwoordDe indruk dat er geen sprake is van marktfalen vloeit voort uit het feit dater op de pakketmarkt sprake is van een aanbod van hoge kwaliteit tegenconcurrerende prijzen.Zeer recent is het onderzoek over de toekomst van de postmarkt gepubli-ceerd dat de afgelopen periode in opdracht van de Europese Commissie isuitgevoerd8.Elke vier jaar voert de Commissie een breed onderzoek naar de ontwikke-lingen op de post- en pakketmarkt. Daar kwam in 2022 een expliciete wensvan lidstaten bij om de Postrichtlijn te herzien. De Commissie zal hetonderzoek gebruiken als basis voor een evaluatie van de Postrichtlijn enmogelijk met voorstellen komen tot wijziging van het wettelijk kader. Ditonderzoek is daarnaast één van de elementen die naast het onderzoek vande ACM de basis biedt voor voorstellen van de Minister van EconomischeZaken in de loop van komend jaar.9De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het Ministerie vanEconomische Zaken dit jaar gesprekken is gestart met de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO) om te verkennen of deze de rol van éénloket voor de vergunningsprocedures van zeekabelconsortia op zich kannemen. Deze leden juichen een dergelijke stroomlijning van de procedurevan harte toe. Kunnen de bewindslieden aangeven wat de stand vanzaken is ten aanzien van deze gesprekken met de RVO? Zijn zij bereid omdeze loketfunctie op zich te nemen? Wat is de planning ten aanzien vanhet openen van dit loket?AntwoordHet Ministerie van Economische Zaken is met de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO) overeengekomen dat per 1 januari 2025een loketfunctie bij laatstgenoemde zal worden ingericht voor onder-steuning bij vergunningsprocedures van zeekabelconsortia. Dit loket kanconsortia informeren en begeleiden bij het bepalen van geschikte locatiesvoor aanlanding, aanvragen van de benodigde vergunningen bij dediverse overheidsinstanties en kan als zodanig dus de rol op zich nemendie de Europese Commissie voor een coördinator aanbeveelt. RVO heeftruime ervaring met de procescoördinatie van ruimtelijke processen.Zij lezen ook dat de Europese Commissie overweegt om een «blendingfa-ciliteit» in te richten waarbij private financiering gecombineerd kan8Beschikbaar via https://single-market-economy.ec.europa.eu/sectors/postal-services_en9Kamerstukken 29 502 nr. 187Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10995 worden met publieke financiering voor de aanleg van zeekabels. De ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie lezen verder dat het vorige kabinet geenbudget had gereserveerd voor nationale cofinanciering van zeekabelpro-jecten. Kunnen de bewindslieden aangeven of dit kabinet wél budgetheeft gereserveerd? Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien vanhet belang van zeekabels voor de nationale kenniseconomie? Wat is demening van de bewindslieden over het feit dat enkele (intercontinentale)zeekabels die Nederland rijk is over enkele jaren «End of Life» zijn envervangen dienen te worden? Maken de bewindslieden zich zorgen overde mogelijke gevolgen voor onze kenniseconomie en de nationalesoevereiniteit als deze zeekabels niet tijdig vervangen worden? Vinden debewindslieden dat de aanleg van (intercontinentale) zeekabels volledigaan de markt overgelaten dient te worden? Zijn de bewindslieden vanmening dat er sprake is van marktfalen ten aanzien van onze kenniseco-nomie en nationale soevereiniteit indien deze zeekabels niet door demarkt vervangen worden en, zo ja, op welke manier gaan de bewinds-lieden om met dit feit?AntwoordIn de brief van 23 september 2024 (26 643 nr. 1222) over onderzeesedatakabels is het grote belang van deze digitale infrastructuur toegelicht.Sinds 2022 zet het Ministerie van Economische Zaken actief in op hetaanlanden van nieuwe zeekabels met de Zeekabel Coalitie. Nieuwezeekabels dragen bij aan het versterken van het digitaal vestigingsklimaat,doordat ze grotere volumes dataverkeer kunnen vervoeren en zorgen voorhoogwaardige connectiviteit en meer redundantie in de digitale infra-structuur. Het vervangen en uitbreiden van de Nederlandse zeekabelinfra-structuur is dan ook als prioriteit aangemerkt in de Agenda Digitale OpenStrategische Autonomie (36 259, nr. 21). Uit onderzoek dat met de Kameris gedeeld in de brief van 23 september blijkt dat investering in nieuwekabels gerechtvaardigd en noodzakelijk is om de toenemende groei inbandbreedte te faciliteren en de digitale ambities van Nederland terealiseren. Investeringen in digitale infrastructuur en dus ook zeekabelsgeschieden primair door de markt, al dan niet aangevuld met Europesesubsidies vanuit de Connecting Europe Facility. De afgelopen jaren zijn erdrie nieuwe zeekabels naar Nederland door marktpartijen gerealiseerd enrecent is het IOEMA-project aangekondigd. Er lijkt dus vooralsnog geensprake van marktfalen, maar waakzaamheid blijft geboden. Het kabinetblijft dit nauwlettend volgen vanuit een faciliterende en stimulerende rol.Andere landen in Noord- en West-Europa zetten de laatste jaren actief inop het realiseren van nieuwe zeekabels. Om onze concurrentiepositie tebehouden is het belangrijk dat Nederland hier ook actief op blijft inzettenmet de diverse acties die in de brief van 23 september zijn toegelicht. Er isop dit moment geen budget gereserveerd voor nationale cofinancieringvan zeekabelprojecten. De Kamer zal nog nader worden geïnformeerdover de uitvoering van de motie Kathmann (26643–1192) waarin hetkabinet is verzocht om zich ten volste in te zetten voor een Nederlandseaanlanding van de Far North Fiber in Nederland, verschillende mogelijk-heden van financiering samen met partijen uit de sector in kaart tebrengen.Deze leden lezen over de plannen van het IOEMA-consortium om eendatakabel aan te leggen waarmee het Verenigd Koninkrijk, Nederland,Duitsland, Denemarken en Noorwegen met elkaar verbonden worden.Kunnen de bewindslieden aangeven wat de status is van dit project? Ismet zekerheid te zeggen dat deze zeekabel eveneens Nederland aandoet?Kunnen de bewindslieden dezelfde vragen beantwoorden ten aanzien vande Far North Fiber (FNF) kabel? Kunnen de bewindslieden aangeven watvolgens hen het belang is van intercontinentale zeekabels en of erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10996 plannen zijn vanuit het kabinet om de aanleg van deze intercontinentalezeekabels te stimuleren, los van de Zeekabelcoalitie en het feit dat ergewerkt wordt aan één loket voor de vergunningsaanvraag?AntwoordIOEMA is een project waarmee de Zeekabel Coalitie contact heeft overaanlanding in Nederland. Dit project voorziet een voorgenomen zeekabeldoor de Noordzee waarmee het Verenigd Koninkrijk, Nederland,Duitsland, Denemarken en Noorwegen met elkaar verbonden worden. Op29 mei 2024 heeft het consortium haar plannen officieel aangekondigd.Daarin was één aanlanding in Nederland voorzien, bij Eemshaven. Inseptember is een tweede aanlanding in Nederland opgenomen in hetprojectplan, dit maal in het kustgebied rond Rotterdam. Het feit dat tweeaanlandingen zijn opgenomen in het projectplan betekent nog niet datmet zekerheid gesteld kan worden dat dit zeekabelsysteem ook daadwer-kelijk (met deze route) gerealiseerd wordt. Het realiseren van een nieuwekabel is een complex proces, waarvoor diverse zaken succesvol moetenworden geregeld zoals vooronderzoeken, vergunningen en financiering.Op dit moment wordt aan deze zaken gewerkt. Per 1 januari zou via hetloket bij RVO ondersteuning kunnen worden verleend bij een eventuelevergunningsprocedure voor dit kabelsysteem.Far North Fiber (FNF) is een plan voor een zeekabelsysteem tussen Japanen Europa via het Arctisch gebied bij Noord-Amerika. Er is actief contacttussen de Zeekabel Coalitie en het FNF-consortium. Het aanleggen vaneen dergelijk lange zeekabel met veel verschillende aanlandpunten is eenzeer complex proces, waarbij het projectplan voortdurend aan veran-dering onderhevig is. De Zeekabel Coalitie blijft zich inzetten voor eenNefderlandse aanlanding en blijft in nauw contact met hetFNF-consortium. Zodra er voldoende informatie bekend is zal verdergekeken worden voor welke financieringsmogelijkheden FNF daadwer-kelijk in aanmerking zou kunnen komen, in lijn met de motie-Kathmann.10In ieder geval wordt daarbij onderzocht of financiering via Invest-NLmogelijk is via een door de Europese Commissie in te richten blendedfacility waarover uw Kamer in april is geïnformeerd.11 Zodra er voldoendeduidelijkheid is, zal ik uw Kamer nader informeren.Voor dit gehele zeekabelsysteem kan niet met zekerheid gezegd wordendat het gerealiseerd wordt, al dan niet met aanlanding in Nederland. Hetrealiseren van een nieuwe kabel is een complex proces, waarvoor diversezaken succesvol moeten worden geregeld zoals consortiumvorming,vooronderzoeken en financiering.Naast de genoemde activiteiten voor het stimuleren van de aanleg vanintercontinentale zeekabels zet het Ministerie van Economische Zaken zichin Europees verband in voor het aantrekken van bij voorkeur privaatkapitaal voor de aanleg van nieuwe zeekabelsystemen die bijdragen aande veiligheid en weerbaarheid van de Europese digitale infrastructuur. Inhet geval van publieke EU-middelen dienen deze gevonden te wordenbinnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting2021–2027 en moeten deze passen bij een prudente ontwikkeling van dejaarbegroting. Het kabinet wil daarnaast niet vooruitlopen op de integraleafweging van middelen onder het volgend Meerjarig Financieel Kader. Inde Aanbevelingen over onderzeese communicatiekabels komt deEuropese Commissie met voorstellen voor het realiseren van kabelpro-jecten van Europees belang (CPEI’S). Het kabinet denkt mee over hoe opEuropees niveau invulling kan worden gegeven aan deze voorstellen op10Motie van het lid Kathmann over zich inzetten voor een Nederlandse aanlanding van de FarNorth Fiber 26 643, nr. 1192.11BNC-fiche Aanbeveling onderzeese communicatiekabels, Kamerstuk 22 112, nr. 3925.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10997 een wijze die aansluit bij onze behoeften. Dit gebeurt in lijn met hetBNC-fiche dat hierover in april met uw Kamer is gedeeld.12Zij lezen dat het kabinet jaarlijks gesprekken voert met andere lidstatenover, onder andere, hun inkoopbeleid en het waarborgen van digitaleopen strategische autonomie. Kunnen de bewindslieden aangeven welkelidstaten andere keuzes maken dan Nederland, bijvoorbeeld ten aanzienvan het gebruik van de Europese (publieke) cloud providers of het gebruikvan open source software binnen de rijksoverheid? Wat zijn de bevin-dingen van die lidstaten? Welke lessen trekken de bewindslieden uitdergelijke gesprekken en zien zij mogelijkheden om in Nederland ookdergelijk beleid op te zetten ten aanzien van strategische (digitale)autonomie?AntwoordHet belang van digitale (open strategische) autonomie, ook op het gebiedvan cloud, wordt breed erkend binnen de Europese Unie, zoals blijkt uit deRaadsconclusies over de toekomst van digitaal beleid. Ook het kabinethecht hier veel waarde aan. We hebben echter geen compleet overzichtparaat van alle keuzes en overwegingen die lidstaten maken op degenoemde thema’s. Wat betreft de keuzes van andere lidstaten is welbekend dat er binnen veel landen discussie plaatsvindt over hoe menomgaat met public cloudgebruik. De benadering varieert per lidstaat,afhankelijk van nationale prioriteiten, marktsituaties en beleidskaders.Daarnaast heeft de Europese Commissie in de Political Guidelines en deMission Letter van Eurocommissaris Virkkunen verschillende relevanteinitiatieven aangekondigd, zoals een niet-wetgevend initiatief voor eenEU-breed cloudbeleid voor overheden en een Cloud and AI DevelopmentAct. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen en de ontwikkelingen in anderelidstaten met interesse, omdat ze inzichten kunnen bieden die relevant zijnvoor de Nederlandse context. Zo hebben we overleg met Frankrijk enDuitsland, in het bijzonder over meer autonome werkplekken en hetgebruik van open source daarbij.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn verheugd met de inspan-ningen van Nederland voor de oprichting van een European DigitalInfrastructure Consortium. Kunnen de bewindslieden aangeven wat destatus van dit project is? Zijn de bewindslieden van plan om zich hiervoorte blijven inzetten?AntwoordNederland werkt nog steeds (samen met Duitsland, Frankrijk en Estlandaan de oprichting van European Digital Infrastructure Consortium (EDIC)ten behoeve van digitale gemeenschapsgoederen. De formele aanvraagbij de Europese Commissie om deze EDIC te kunnen vestigen is nog nietgedaan. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de stukken diehiervoor vereist zijn. Nederland is aldus nog steeds voornemens één vande oprichtingslanden te zijn.Specifieke investeringen en uitgaven ten behoeve van de digitalegemeenschapsgoederen worden op dit moment bezien in het kader vande Nederlandse Digitaliseringsstrategie. In de voorjaarsnota worden dedefinitieve uitgaven vastgesteld.12BNC-fiche Aanbeveling onderzeese communicatiekabels, Kamerstuk 22 112, nr. 3925.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10998 Tevens zijn deze leden zeer verheugd te lezen dat het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoekt of de open-source-oplossingen die door andere lidstaten worden ontwikkeld om hunafhankelijkheid te verminderen ook in Nederland kunnen wordentoegepast. Kan de bewindspersoon aangeven wat de eerste inzichten zijn?Kan de bewindspersoon ook aangeven of er naast onderzoek naaropen-source-oplossingen die door andere lidstaten worden ontwikkeldook plannen zijn om zelf dergelijke open-source-oplossingen te ontwik-kelen? Indien dat niet het geval is, wil de bewindspersoon zich hiervoorinspannen? We kijken uit naar een uitgebreide motivatie voor dezevragen.AntwoordDe actuele status is dat er een technische Proof of Concept (levensvatbaar-heidstest) is voorbereid die in januari van start gaat. In de voorbereiding issamenwerking gezocht met Franse en Duitse overheden en ook Neder-landse overheidsorganisaties zoals de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG) en de gemeente Amsterdam.Eerste inzichten zijn op dit moment dat de bereidheid tot samenwerkinggroot is en er interesse is vanuit andere overheidsorganisaties. Demedewerkers die betrokken zijn bij de Proof of Concept zijn uitgenodigdom medio december in Berlijn deel te nemen aan een projectathon13 metFranse en Duitse ontwikkelaars om de samenwerking vorm te geven.Er zijn momenteel nog geen concrete plannen om de geteste oplossingente beproeven in een pilot of te gaan gebruiken. Er zijn ook geen plannenzelf open-source-oplossingen te ontwikkelen op de schaal waaropgenoemde landen dat doen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven de mening vanhet kabinet dat een eenzijdige focus op het versterken van de positie vangrote telecombedrijven ten koste kan gaan van Europese innovatie enconcurrentiekracht. Kan de bewindspersoon aangeven op welke vlakkenhij ruimte ziet om te werken aan de doelstellingen die in het witboekgenoemd zijn (sterkere concurrentiekracht, meer investeringen, meerinnovatie) zonder daar grootschalige consolidatie voor in te hoevenzetten? Welke mogelijkheden ziet de bewindspersoon bijvoorbeeld voorhet verplicht opengooien van netwerken voor andere telecomleveranciersof voor het scheiden van netwerken en telecomleveranciers (vergelijkbaarmet de energiemarkt)?AntwoordNederland ziet het behoud van het concurrentiegerichte karakter van hethuidige kader als het meest effectieve instrument om de concurrentie-kracht, investeringen en innovatie binnen de telecomsector te bewaken.Daarnaast is het belangrijk om het technologische fundament in debredere context van de digitale infrastructuur te versterken in het licht vantoekomstig verdienvermogen en digitale open strategische autonomie.Het kabinet sprak zijn steun uit voor dit onderdeel van het witboek.Nederland is op vele manieren actief op het versterken van het technolo-gische fundament van de digitale infrastructuur, zoals bijvoorbeeld blijktuit actieve deelname van Nederland in onder andere IPCEI CIS en Gaia-Xwaarin wordt gewerkt aan projecten gericht op Europese clouddiensten.13Een evenement waarbij verschillende systemen onder één dak met elkaar worden verbondenen gedurende meerdere dagen een marathon van peer-to-peer interoperabiliteits- encompliancetests uitvoeren in een gestructureerde omgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 10999 Een ander voorbeeld is het Groeifondsproject rondom 6G, genaamdFuture Network Services. Ook het stimuleren van nieuwe zeekabels in hetkader van de zeekabelcoalitie is relevant in dit verband.Het verplicht openstellen van netwerken voor andere telecomleveranciersin situaties waarbij geen sprake is van een dominante positie acht ik op ditmoment niet nodig en wenselijk. Een dergelijk diep ingrijpen op debedrijfsvoering van niet-dominante telecomaanbieders kan veel negatieveconsequenties hebben. Ook het scheiden van netwerken en telecom-diensten (vergelijkbaar met de energiemarkt) is een zeer vergaandemaatregel die in de context van de Nederlandse telecommarkt niet voorde hand ligt.Voorts zijn deze leden benieuwd naar de antwoorden van de bewinds-lieden op de volgende vragen: Kunnen de bewindslieden meer informatiegeven over de planning voor de cyberbeveiligingsregels voor 5G (5GEU)?Welke lidstaten hebben de 5G-toolbox van de EU nog niet geïmplemen-teerd? Wat is de stand van zaken ten aanzien van de implementatie van de5G-toolbox in Nederland?AntwoordZie het antwoord op de tweede vraag van de leden van de PVV-fractie.Voorts zijn zij benieuwd naar het volgende: kan de bewindspersoonaangeven wanneer de Europese Commissie het voorstel voor deherziening van de Cyber Security Act (CSA) zal uitbrengen? Kan deMinister meer informatie geven over de planning voor de cyberbeveili-gingsregels voor clouddiensten (European Cybersecurity CertificationScheme for Cloud Services, EUCS) die het agentschap van de EuropeseUnie voor cyberbeveiliging (ENISA) zal uitbrengen? Kan de Minister meerinformatie geven over de inhoud van de EUCS?AntwoordDe Europese Commissie is gestart met de evaluatie van de Cyberbeveili-gingsverordening (Verordening (EU) 2019/881), conform artikel 67. Deevaluatie beoordeelt de prestaties van ENISA bij het vervullen van haarmandaat en taken, evenals de werking van het Europese kader voorcyberbeveiligingscertificering. De studie loopt tot eind 2024 en zal inputleveren voor de herziening van de CSA. Naar verwachting zal de EuropeseCommissie in 2025 het voorstel voor de herziening van de Cyber SecurityAct uitbrengen.De CSA voor cyberbeveiliging is op 27 juni 2019 in werking getreden methet doel de EU grensoverschrijdende cyberaanvallen beter het hoofdkunnen bieden. De CSA is begin 2022 in Nederland geïmplementeerd inde uitvoeringswet Cyberbeveiligingsverordening. RDI is aangewezen alsde Nederlandse cybersecuritycertificeringsautoriteit (NCCA).Certificering gebeurt op basis van vrijwilligheid. Afnemers kunnen bij huninkoop vragen naar deze certificering.In het kader van de Europese Cyber Security Act wordt thans door deEuropese Commissie samen met het Europese cyberagentschap ENISAeen EU Cybersecurity Certification Scheme on Cloud Services (EUCS)uitgewerkt in de vorm van de zgn. Implementing act (uitvoeringshan-deling). Het doel daarvan is om zowel het beveiligingsniveau tegencyberdreigingen te verhogen, als ervoor te zorgen dat fabrikanten endienstverleners niet in elke lidstaat afzonderlijk een certificaat hoeven teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109910 behalen. De Europese regeling vervangt daarmee vergelijkbare nationalecertificeringen.Het Europese Cloud cyberbeveiligingscertificeringschema EUCS wordtnaar verwachting in 2025 afgerond en gepubliceerd. Het schema zal eenbelangrijke rol spelen bij het beoordelen en aantonen van de veiligheidvan clouddiensten, hetgeen essentieel is voor zowel gebruikers alsleveranciers. De CSA en het EUCS bieden een krachtig instrumentariumom de cyberveiligheid binnen de EU te versterken en de interne markt teharmoniseren. Nederland is goed gepositioneerd om een leidende rol teblijven spelen, dankzij een sterke expertise en internationale samen-werking.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie danken de bewindspersoon voor onder-havige stukken en brieven en hebben op dit moment geen verderevragen.Vragen en opmerken van de Leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda en hebben een aantal vragen.Deze leden willen graag weten hoe het kabinet waarborgt dat deimplementatie van EU-wetgeving, zoals het «Digital Rulebook», aansluitbij nationale belangen zonder extra regeldruk voor bedrijven te veroor-zaken, met name voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).AntwoordHet kabinet neemt meerdere maatregelen om ervoor te zorgen dat deuitvoering van het «digital rulebook» in Nederland niet alleen aansluit bijde nationale belangen, maar ook zo weinig mogelijk extra regeldrukoplevert.Het kabinet spant zich in om de Europese Commissie ertoe te bewegenalleen nieuwe (Europese) regels op te stellen wanneer dat echt nodig is.Wij pleiten bij de Europese Commissie daarom voor een gedegenonderzoek voordat een nieuw voorstel wordt gepubliceerd. Daarnaastzullen wij bij de onderhandelingen over een wetsvoorstel altijd het belangvan het MKB betrekken, bijvoorbeeld door regelmatig met hen teoverleggen tijdens het «Brusselse proces».Bij de implementatie van Europese regelgeving heeft het kabinetaangegeven geen nationale koppen te zullen toevoegen. Daarnaast wordtook tijdens het implementatieproces overlegd met stakeholders,waaronder het mkb. Ook implementatie van Europese regels wordtopenbaar geconsulteerd zodat iedereen input kan leveren.Om ervoor te zorgen dat het duidelijk is wie aan welke regels moetvoldoen, zet het kabinet actief in op heldere communicatie over nieuwedigitale regelgeving. Zo heeft het kabinet onlangs een beknopte «GidsAI-verordening» gepubliceerd.Specifiek voor de AI-verordening draait in Nederland op dit moment eenpilot voor een regulatory sandbox. In de regulatory sandbox kunnenorganisaties die vragen hebben over de toepassing van AI-verordeningondersteuning en advies krijgen vanuit toezichthouders.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109911 Deze leden vragen welke concrete stappen Nederland zet om de synergietussen de digitale en de duurzame transitie te bevorderen.AntwoordOp nationaal niveau is in juni van dit jaar het actieplan DuurzameDigitalisering naar de Kamer gestuurd, waarin 44 concrete acties staan omzowel de digitale sector te verduurzamen als andere sectoren duurzamerte maken aan de hand van digitalisering. De uitvoering van deze actieswordt gedaan door betrokken departementen (EZ, KGG, LVVN, IenW, BZK)en de digitale sector zelf, onder andere vertegenwoordigd door deNationale Coalitie Duurzame Digitalisering, waarin ook kennisinstellingenen andere overheden zijn vertegenwoordigd.In het najaar van 2025 wordt dit actieplan geëvalueerd en op basis van deevaluatie daarna zal een vervolg actieprogramma worden opgesteld ennaar de Tweede Kamer worden gestuurd. Onderdeel van dit vervolgactieprogramma zijn concrete doelen en vervolgstappen voor nog op terichten een Kenniscentrum Duurzame Digitalisering. Dit Kenniscentrumversterkt en verbindt het bedrijfsleven, overheid en wetenschap enbevordert de synergie tussen de digitale en duurzame transities.Om de synergie tussen de digitale en duurzame transitie te bevorderen ishet van groot belang dat EU-lidstaten gezamenlijk optrekken om vanelkaar te leren. In verschillende EU-gremia wordt al van gedachtengewisseld over deze transities, bijvoorbeeld bij programma’s zoals DigitalEurope, Horizon en CEF (Connecting Europe Facility). In internationaalverband neemt Nederland proactief deel aan de Organisatie voorEconomische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waar wordtgewerkt aan het bevorderen van een digitale en duurzame transitie doormiddel van het ontwikkelen van aanbevelingen en meetstandaarden.Zij vragen hoe Nederland waarborgt dat de Europese standaarden voorcyberveiligheid en kunstmatige intelligentie (AI) aansluiten bij Neder-landse kernwaarden zoals privacy en menselijke autonomie.AntwoordOp 20 november j.l. is de Cyber Resilience Act (CRA) opgenomen in hetPublicatieblad van de EU. De CRA zal vanaf december 2027 volledig vankracht worden, en voorziet in vereisten voor cybersecurity waar digitaleproducten aan moeten voldoen voordat ze op de Europese markt wordengebracht. Nederland heeft actief bijgedragen aan het wetstraject en kanzich goed vinden in de CRA.Onder de CRA-vereisten waaraan digitale producten moeten voldoenvallen ook vereisten die ten goede komen aan de privacy van gebruikers.Zo moet de fabrikant er voor zorgen dat de vertrouwelijkheid van door hetdigitale product verwerkte gegevens is beschermd, en dat alleengegevens verwerkt worden die relevant zijn voor het functioneren van hetproduct (dataminimalisatie).Om conformiteit met de CRA vast te kunnen stellen, geeft de EuropeseCommissie aan een Europese standaardiseringsorganisatie de opdrachtom normen te ontwikkelen. Nederlandse partijen dragen actief bij aan dittraject. Zo levert de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) en hetNederlands Normalisatie Instituut (NEN) experts voor de standaardisatie-werkgroep die de normen ontwikkelt.Op 1 augustus 2024 is de AI-verordening in werking getreden en zalgefaseerd van kracht worden. Het doel van de wet is dat AI-systemen dieorganisaties binnen de EU aanbieden en gebruiken, veilig zijn enfundamentele rechten respecteren. Op basis van risicocategorieën wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109912 duidelijk aan welke eisen hun systemen in Europa moeten voldoen. Dezeglobaal omschreven eisen moeten worden uitgewerkt in Europesetechnische normen.De AI-verordening is uniek vanwege de vraag om naast veiligheidsrisico’s,ook risico’s voor fundamentele rechten zoals privacy en publieke waardenmee te nemen in de normen. Dit vraagt naast technische ook omjuridische en ethische expertise waardoor er niet gemakkelijk gebruikgemaakt kan worden van (bestaande) internationale (ISO-)normen.Momenteel worden de Europese normen geschreven met betrokkenheidvan de ministeries van EZ, BZK, JenV en VWS en andere publiekeorganisaties. Het Ministerie van EZ draagt financieel bij aan de normcom-missie AI & Big Data van de NEN onder meer om een actieve en strate-gische inzet van Nederlandse partijen te ondersteunen en om Neder-landse belangen te waarborgen in de ontwikkeling. Binnen denormcommissie is een aparte werkgroep opgericht voor «Ethiek enfundamentele rechten» om ook strategisch en actief op deze Nederlandsekernwaarden in te zetten binnen het Europese normalisatieproces.De leden van de NSC-fractie vragen of het kabinet kan toelichten hoe hetEuropees AI-bureau, dat toezicht houdt op AI-modellen, bijdraagt aanNederlandse strategische autonomie op digitaal gebied.AntwoordHet Europees AI-bureau houdt zich naast het toezicht op AI-modellen vooralgemene doeleinden ook bezig met (i) ondersteuning bij de geharmoni-seerde implementatie van de overige AI-verordening bepalingen, (ii) hetversterken van de ontwikkeling en gebruik van betrouwbare AI, en (iii)internationale samenwerking op het gebied van AI. Hiervoor werkt ditbureau samen met andere instituties, experts en belanghebbenden.Hiermee speelt het AI-bureau een essentiële rol in het vormen van eenstevig Europees ecosysteem van AI en de internationale positioneringhiervan. Dit ecosysteem is van belang voor de Nederlandse digitale openstrategische autonomie.Door toezicht op AI-modellen voor algemene doeleinden te houdenvoorkomt het AI-bureau dat er onbetrouwbare of gevaarlijke AI-modellenop de Europese markt komen. Europese organisaties die AI-modellen, ofde systemen die daarop voortgebouwd zijn, gebruiken, kunnen erdaarmee op vertrouwen dat deze veilig zijn. Aangezien deze AI-modellenvoor algemene doeleinden in allerlei verschillende producten enprocessen belanden, is het van groot belang dat de veiligheid enbetrouwbaarheid hiervan gegarandeerd is.Daarnaast ondersteunt het AI-bureau op Europees niveau de verdereimplementatie van de AI-verordening, waardoor er een duidelijk geharmo-niseerd kader van regelgeving ontstaat waarbinnen AI-systemen op deEuropese markt gebracht mogen worden. Niet-Europese ontwikkelaarsvan AI-modellen en AI-systemen die deze producten op de markt willenbrengen, moeten ook aan deze regels voldoen. Hiermee zet Europa destandaard voor veilige AI-ontwikkeling. Dit wordt verder bestendigd doorhet werk van het AI-bureau op internationaal niveau om tot wereldwijdeafspraken hierover te komen en de Europese belangen hierin vertegen-woordigd te laten zijn.De Nederlandse digitale open strategische autonomie wordt verder doorhet AI-bureau versterkt via de investerings- en innovatieprogramma’s diehet AI-bureau vanuit de Commissie uitrolt. Voorbeelden hiervan zijn deTesting and Experimentation Facilities (TEFs), de AI-fabrieken onder hetEuroHPC netwerk en het GenAI4EU-initiatief. Hiermee krijgt het Europeseecosysteem voor betrouwbare AI een impulsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109913 Deze leden vragen welke maatregelen het kabinet neemt om ervoor tezorgen dat Nederlandse AI-startups optimaal gebruik kunnen maken vanEuropese initiatieven, zoals de European High Performance ComputingJoint Undertaking (EuropHPC JU).AntwoordSinds 2021 biedt Nederland cofinanciering voor de deelname vanNederlandse organisaties, waaronder AI-startups, aan projecten diegefinancierd worden door de gemeenschappelijke ondernemingEuroHPC14. Voor de Onderzoek & Innovatie-projecten die op Europeesniveau in de EuroHPC Governing Board (waar Nederland ook lid van is)worden vastgesteld, wordt per keer bekeken of deelname van Nederlandpast binnen de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementenen of het aansluit bij lopend beleid en lopende investeringen. Hierbijwordt de behoefte van het Nederlandse veld ook meegewogen.De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) informeert Neder-landse organisaties, waaronder AI-startups over kansen bij Europeseinitiatieven, waaronder EuroHPC. Naast het bieden van voorlichtingondersteunt en adviseert RVO op verzoek bij aanvragen voor deelnameaan Europese initiatieven.Naast de inzet van RVO zijn verschillende publiek-private partners inNederland actief om innovatief mkb, waaronder AI-startups, te informerenen te ondersteunen bij internationale mogelijkheden voor samenwerkingen financiering, zoals de Nederlandse AI Coalitie (NLAIC) met zevenregionale AI-hubs, het investeringsprogramma AiNed, TechLeap en deEuropean Digital Innovation Hubs (EDIHs). Het kabinet zet in op hetversterken van het Nederlandse AI-ecosysteem door de toegang totsupercomputers, hoogwaardige kennis en data verder te faciliteren, vooronderzoekers en bedrijven, waaronder AI-startups.Zij vragen hoe ervoor wordt gezorgd dat de verdeling van supercomputer-rekentijd eerlijk en transparant gebeurt, met speciale aandacht voorkleinere bedrijven?AntwoordToegang tot supercomputersystemen is afhankelijk van het toegangs-beleid en aandachtsgebied dat voor elke systeem wordt bepaald.Bijvoorbeeld het EuroHPC-programma kent verschillende type toegangs-calls voor rekentijd, die zijn ingericht om tegemoet te komen aan debehoeften van de potentiële gebruikers. Bij deze calls wordt gekeken naarhet ingediende voorstel om daarmee een eerlijke verdeling te maken. Ookkleinere bedrijven kunnen via deze calls toegang aanvragen tot EuroHPC-supercomputers, net als onderzoekers. Het toegangsbeleid voorzogenaamde nieuwe AI-fabrieken is nog onderwerp van discussie binnende Governing Board van het EuroHPC Joint Undertaking. De AI-fabriekenzien daarbij kleinere bedrijven en startups wel expliciet als belangrijkedoelgroep.Voor het kabinet is het belangrijk dat er speciale aandacht is voor toegangvoor (innovatieve) mkb-bedrijven, met zo min mogelijk administratievelasten en kosten bij het aanvragen van rekenkracht.De leden van de NSC-fractie vragen hoe het kabinet de balans tussenEuropese harmonisatie en nationale beleidsautonomie op het gebied vandigitale innovatie en cyberveiligheid ziet.14Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, 3.25. High-performance computing-projecten(HPC-projecten).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109914 AntwoordWetgeving zoals de Cyber Resilience Act (CRA) draagt bij aan een veiligerEuropees digitaal ecosysteem, en daarmee ook aan cyberveiligheid inNederland.De CRA maakt dat iedereen die een digitaal product koopt op de internemarkt ervan uit kan gaan dat het product aan essentiële vereisten voorcyberveiligheid voldoet. Dat geeft op een goede manier invulling aan deNederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) en de Strategie DigitaleEconomie (SDE), waarin het verhogen van de veiligheid van digitaleproducten een belangrijke prioriteit is.Wetgeving als de CRA geldt voor het aanbieden van producten op degehele interne markt, en kan daarom alleen in geharmoniseerde vormsuccesvol zijn. Dat laat onverlet dat bedrijven en overheden er voorkunnen kiezen innovatieve producten of diensten te ontwikkelen c.q. dezeaan te schaffen die aan een hoger niveau van cyberveiligheid voldoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-33, nr. 109915

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 57c5fb7b37f4df52

14 okt 2026 · 83993391775fc34c

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.