Verslag van een commissiedebat, gehouden op 25 maart 2026, over Leraren
Brontekst
Versie b68b0bc5138f8ed4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 923Werken in het onderwijsNr. 537 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 22 mei 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op25 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, en mevrouw Tielen, StaatssecretarisOnderwijs en Emancipatie, over:–de brief van de voorzitter van de vaste commissie voorOnderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 maart 2026 inzakeopenbaarmaking van het rapport Een kwestie van lange adem.Historische analyse van het beleid op het terrein van hetlerarentekort (Kamerstuk 27 923, nr. 522);–de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap d.d. 5 februari 2026 inzake toezegging gedaantijdens het plenaire debat Wet herziening wettelijke grondsla-gen kerndoelen van 26 november 2025 over de toezeggingenmet betrekking tot het Herstelplan kwaliteit onderwijs(Kamerstuk 27 923, nr. 519);–de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap d.d. 18 december 2025 inzake lerarenstrategiedecember 2025 (Kamerstuk 27 923, nr. 518);–de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap d.d. 7 oktober 2025 inzake TALIS 2024 (Teachingand Learning International Survey 2024) (Kamerstuk 27 923,nr. 516).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,KoorevaarDe griffier van de commissie,Verhoev kst-27923-537ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5371 Voorzitter: KoorevaarGriffier: EastonAanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Armut, Boomsma,Claassen, Van Houwelingen, Kisteman, Koorevaar, Moorman, Raijer,Rooderkerk en Stoffer,en mevrouw Letschert, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,en mevrouw Tielen, Staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie.Aanvang 13.31 uur.De voorzitter:Goed, dames en heren. Goedemiddag allemaal. Hierbij open ik hetcommissiedebat Leraren. Voor de mensen die mij niet kennen: mijn naamis Jan Arie Koorevaar. Ik ben jullie nieuwe commissievoorzitter. Dit isvandaag mijn eerste optreden, dus als u denkt «wie is dat nou?» of «hoegaat dat?», dan kunt u aan het eind uw opmerkingen kwijt.Ik heet welkom de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,mevrouw Letschert, en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap, mevrouw Tielen. Fijn dat u hier bent. Ik heet ook deondersteuning hartelijk welkom. Ook verwelkom ik graag alle aanwezigeKamerleden. Dat zijn mevrouw Armut namens het CDA, mevrouwRooderkerk namens D66, de heer Boomsma namens JA21, de heerClaassen van Groep Markuszower. Ik neem aan dat er geen bezwaar tegenis dat de heer Claassen deelneemt aan deze vergadering. Dat is niet hetgeval. Hartelijk welkom. Ook van harte welkom aan mevrouw Raijer vande PVV, de heer Kisteman van de VVD, de heer Van Houwelingen van FVDen mevrouw Moorman van GroenLinks-PvdA. Fijn dat u er ook bent.Tevens een warm welkom voor alle mensen hier op de publieke tribune,alle mensen die thuis meekijken en in het bijzondere ook de pers.We gaan het debat starten. Er geldt een spreektijd van vier minuten perfractie in de eerste termijn. We gaan ook korte interrupties belonen, wantals je onder de 30 seconden blijft, worden die interrupties niet meegeteld.De griffier zal dat goed bijhouden. Maar interrupties langer dan30 seconden tellen dubbel. Ja? Even goed opletten, meneer Boomsma.Interrupties van meer dan 30 seconden tellen dubbel. Dan weet u dat. Datbetekent dat u twee lange interrupties en oneindig veel korte interruptieskunt plegen. Is dat helder? Als de interruptie onder de 30 seconden blijft,telt die dus niet mee voor de vier interrupties. Kom je boven de30 seconden, dan telt die dubbel. Het is dus of twee hele lange inter-rupties – dan ben je ook je interrupties kwijt – of korte interrupties. Daarbijgeldt wel dat als u door uw lange interrupties heen bent, u geen korteinterrupties meer mag plegen. Het is een pilot. Het bevalt in anderecommissies erg goed, dus ik zou zeggen: wen eraan. We gaan er gewooniets heel moois van maken. De heer Stoffer van de SGP-fractie is ookaangeschoven. Ook aan u: hartelijk welkom. Ik vraag de aanwezige ledenom de interrupties duidelijk aan te geven. Geef het ook duidelijk aanwanneer je een specifiek antwoord verlangt van de Minister of van deStaatssecretaris.Dan start ik nu met de inbreng van mevrouw Armut namens deCDA-fractie. Het woord is aan u.Mevrouw Armut (CDA):Dank, voorzitter. We hebben het vandaag over leraren en daar is allereden toe. We kampen niet alleen met grote tekorten aan deze waarde-volle mensen; de leraren die we hebben worden ook te vaak niet goedbehandeld. Daarom wil ik stilstaan bij twee onderwerpen: het leraren-tekort en de toenemende agressie richting leraren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5372 Voorzitter. Allereerst over het lerarentekort. Het recente ROA-rapportspreekt terecht van «een kwestie van lange adem». Het is goed dat hetkabinet inzet op het makkelijker maken van zijinstroom, het verkorten vanopleidingsroutes waar mogelijk en de versterking van lerarenopleidingen.Tegelijk vraagt mijn fractie nadrukkelijk aandacht voor arbeidsmobiliteitrichting het onderwijs. Voor mensen uit andere sectoren, bijvoorbeeld uitde advocatuur, de ICT of de financiële sector, is de stap naar het leraar-schap vaak nog ingewikkeld. Natuurlijk horen daar een bevoegdheid endidactische scholing bij, maar de vraag is hoe we deze overstap toeganke-lijker kunnen maken zonder concessies te doen aan de kwaliteit. Welkestappen zet het kabinet om deze drempels verder te verlagen en hetonderwijs aantrekkelijker te maken voor professionals met relevanteervaring?Maar alleen leraren opleiden is niet genoeg. We moeten er ook voorzorgen dat de leraren die we hebben, blijven. Juist beginnende lerarenstoppen door hoge werkdruk en onvoldoende begeleiding. Dat betekentdat de regeldruk omlaag moet en we moeten investeren in professiona-liteit.Het lerarentekort manifesteert zich niet overal hetzelfde. In grote steden isde druk het hoogst en staat steeds vaker een onbevoegde voor de klas.Dat is begrijpelijk in nood, maar het mag niet de norm worden. Hoevoorkomt de Staatssecretaris dat tijdelijke maatregelen permanentworden?Toenemende verschillen tussen leerlingen en een groeiende ondersteu-ningsvraag leggen extra druk op leraren. Juist daarom is investeren in eenstevige start van kinderen van groot belang, bijvoorbeeld via voor- ofvroegschoolse educatie en een betere doorgaande lijn van het basison-derwijs naar het vervolgonderwijs. Dat kan leraren later in de ketenontlasten. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke termijn en op welkemanier dit concreet vorm zal krijgen?Voorzitter. Dan mijn tweede punt: de toenemende agressie richtingleraren. Naar aanleiding van berichtgeving van RTL Nieuws overgrensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren heeft mijn fractiehier eerder vragen over gesteld. Wat het CDA betreft gaan we dit asocialegedrag actief bestrijden. Uit cijfers blijkt dat 17% van het personeel in hetprimair onderwijs en 28% van het personeel in het voortgezet onderwijsmaandelijks te maken krijgt met incidenten. In bijna een vijfde van degevallen gaat het om familieleden van leerlingen. Dat is een heelzorgwekkend beeld. Ook uit onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt datde agressie niet meer bestaat uit losse incidenten, maar een structureelprobleem is. Dat vraagt dus ook om een structurele aanpak.Voorzitter. In het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs worden de eisen dieworden gesteld aan het veiligheidsbeleid aangescherpt, maar is ditvoldoende om dit buitensporige gedrag daadwerkelijk terug te dringen?Beter registreren is belangrijk, maar hoe helpt dit de leraar die vandaagmet agressie te maken krijgt? Welke aanvullende maatregelen ziet deStaatssecretaris voor zich?Daarnaast horen wij signalen over hoe belastend klachtenprocedures enaangiftes zijn voor schoolbesturen en leraren.De voorzitter:O, kijk, u stopt zelf. De heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Goed dat het CDA die agressie aankaart. Wat denkt u zelf dat er moetgebeuren?Mevrouw Armut (CDA):Die was inderdaad kort. Het voorbeeld wordt gegeven. Goede vraag vande heer Boomsma. Het ingewikkelde is dat hier echt een maatschappelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5373 probleem de scholen binnenkomt. We zien dat er een verharding is in demaatschappij. Het is eigenlijk geen verrassing dat je die ook terugziet opscholen. Ik heb met best wel veel leerkrachten gesproken. Er missen echteen paar dingen, denk ik. Ik begin met de nazorg. Op heel veel scholenwordt er eigenlijk bijna van uitgegaan dat dit erbij hoort. Ik heb eenvoorbeeld gehoord van iemand die zei: ik ben echt ... Nou, ik zal nietzeggen wat er exact tegen die leraar is gezegd, maar hij werd nogaluitgescholden. Dat heeft gewoon impact. Ik vind dat het er dan bij hoortdat je als school nazorg levert, dus dat je een gesprek aangaat over: «Hoeis dit gebeurd? Hoe kunnen we jou ondersteunen? Hoe kunnen we jouhierna begeleiden?» Dat is een ding, maar ik denk ook dat op sommigescholen gewoon echt nog veel duidelijker de regels benadrukt moetenworden, zo van: zo gaan we met elkaar om en deze consequenties volgenals een grens wordt overschreden. Ik denk ook dat we er veel meer alsteam naar moeten kijken en dat we niet alleen maar de leraar als individumoeten zien en moeten zeggen: die moet daar maar mee dealen en danzien we wel verder. Er moet heel veel gebeuren; dat hoort de heerBoomsma vast aan mijn antwoord. Ik kan er heel lang over spreken, maardat wilt u niet, voorzitter.De voorzitter:Nee, vervolgt u uw betoog.Mevrouw Armut (CDA):Ik had het over de klachtenprocedures en de aangiftes. Is de Staatssecre-taris het met het CDA eens dat de standaard moet worden dat school-leiders of besturen hierin het voortouw nemen, zodat leraren wordenontlast? Welke ruimte ziet de Staatssecretaris nog meer om leraren teontzorgen en nazorg te bieden?Tot slot wil mijn fractie weten in hoeverre de Inspectie van het Onderwijsexpliciet oog heeft voor de veiligheid van docenten. De focus ligt terechtop de veiligheid van leerlingen, maar een veilige school is ook een veiligewerkplek voor leraren. Hoe wordt dit aspect meegenomen in het toezicht?Voorzitter. Scholen zijn geen loket waar frustraties zonder consequentiesop leraren kunnen worden afgereageerd. Veiligheid en respect zijn geenrandvoorwaarden, maar de basis van goed onderwijs.De voorzitter:Hartelijk dank. U had nog vier seconden over. Dat gaat de goede kant op.Er is nog wel een vraag van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):In haar introductie zei mevrouw Armut dat ze graag minder regels wilvoor het onderwijs. Dat is natuurlijk een belangrijk punt uit het regeerak-koord en ook wat de VVD betreft is dat belangrijk. Aan welke regels denktmevrouw Armut?Mevrouw Armut (CDA):Ik had het niet alleen over regels. Ik weet niet eens of ik exact ... O,«regeldruk» heb ik inderdaad wel gezegd. Maar ik heb het ook echt overwerkdruk. In het coalitieakkoord van VVD, D66 en CDA noemen webijvoorbeeld de planlastcalculator. In Vlaanderen wordt daar werk vangemaakt. Dat houdt in dat scholen echt zelf onder de loep nemen welkeregels ze allemaal hebben, welke vorm van administratie ze van lerarenvragen en of dat eigenlijk misschien te veel is. Het is in eerste instantieaan scholen zelf om daar kritisch naar te kijken en dat omlaag te brengen.Maar het is ook iets wat bijvoorbeeld richting het ministerie gecommuni-ceerd kan worden en misschien breder aangepakt kan worden. Dat is,denk ik, een voorbeeld van hoe je ook als school zelf kan kijken welkeregels eraf kunnen en hoe de werkdruk omlaag kan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5374 De voorzitter:De heer Kisteman heeft een vervolginterruptie.De heer Kisteman (VVD):Begrijp ik daaruit goed dat mevrouw Armut zegt «prima, maar hetonderwijs zoekt zelf maar uit welke regels afgeschaft moeten worden; wijhebben daar geen idee bij»?Mevrouw Armut (CDA):Dat zeg ik niet. Ik vind het wel te simpel om nu te zeggen: deze en dezeregel moeten eraf. Alle regels zijn ooit bedacht met de allerbestebedoelingen – dat wordt altijd in elke discussie over regels gezegd – maardat betekent niet dat ze ook goed werken. Ik denk dat de praktijk hetallerbeste weet welke regels niet werken, voor extra werkdruk zorgen eneraf moeten. Ik vind dat wij hier werk van kunnen maken, maar dat hetook aan de scholen zelf is.De voorzitter:Nog een interruptie van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Afrondend, voorzitter. Daar zit precies het probleem. Voor elke regel zouiemand anders zeggen dat het een nuttige regel is. Volgens mij moetenwij juist met voorbeelden komen van regels die we moeten afschaffen; wijmoeten daarin de lead gaan nemen. Ik zou mevrouw Armut willenaanmoedigen om zelf met voorbeelden te komen, zodat wij de regiekunnen pakken, er voor leerkrachten minder werkdruk komt en het leukerwordt om onderwijs te geven.De voorzitter:Een laatste reactie van mevrouw Armut.Mevrouw Armut (CDA):De moeite die ik daarmee heb, is dat het elke keer dat wij het eroverhebben bij woorden blijft. We zien dat de regeldruk niet omlaag is gegaan.Ik kijk er misschien anders naar dan de VVD. Ik vind niet per se dat hetalleen maar van bovenaf geregeld moet worden. Ik vind juist dat we vanonderop, van scholen zelf, moeten horen welke regels te veel zijn enwelke eraf kunnen. Vervolgens kunnen wij daarmee aan de slag, als wezien dat dat in heel Nederland voor problemen zorgt.De voorzitter:Goed, dank u wel. Dan gaan we naar de tweede spreker van de zijde vande Kamer: mevrouw Rooderkerk namens D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Iedereen herinnert zich wel een leraar die zijn levenveranderde – wellicht horen we vandaag wat voorbeelden voorbijkomenin het debat – omdat hij goed kon uitleggen, omdat hij je echt zag ofomdat hij met heel veel enthousiasme over een boek kon vertellen of eruitkon voorlezen. Vandaag wil ik het hebben over de lezende leraar. AlsNederland beter wil leren lezen, begint dat bij de leraar zelf. Zo sprak ikbijvoorbeeld met de leraren van basisschool De Zevensprong, die mij volpassie konden vertellen over de kinderboeken in hun schoolbibliotheek enhun favoriete boeken aan een slinger door de school hadden gehangen.Maar het vraagt ook wat van ons, vanuit het beleid, op drie punten: hetlerarentekort, professionele ontwikkeling en de opleiding van leraren.Daar wil ik het vandaag over hebben.Voorzitter. Ik begin allereerst met leraren die zelf lezen. Zonder voldoendeleraren komt de belofte van goed onderwijs niet van de grond. Elk jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5375 kiezen honderden mensen voor zijinstroom, maar te veel startendeleraren, ook van de pabo, haken te snel af, niet omdat ze het niet kunnen,maar omdat we ze onvoldoende ondersteunen. We willen zijinstromersals extra kracht op een school, met begeleiding en de ruimte om het vakte leren. Ook voor ambtenaren willen we de drempel verlagen via eenterugkeergarantie, naar voorbeeld van Amsterdam en Den Haag, waar ditgoed werkt. De begeleiding moet ook gaan over wat het leraarschapinhoudt. Een leraar die zelf leest, kent de jeugdliteratuur, begeleidtleerlingen bij boekenkeuzes en voert echte gesprekken over rijke teksten.Daarom vraag ik de Staatssecretaris hoe zij aankijkt tegen het AOb-planom zijinstromers als extra leerkracht aan te nemen. Deelt zij de opvattingdat een terugkeergarantie de drempel kan verlagen? Kan zij zorgen voorbetere samenwerking tussen opleidingen en scholen, zodat een startendeleraar niet zelf een plek moet gaan zoeken terwijl er heel veel tekortenzijn? Kan zij er ook voor zorgen dat het beter en eerlijker wordt verdeeld?De heer Boomsma (JA21):Is D66 zelf voorstander van dat AOb-actieplan?Mevrouw Rooderkerk (D66):Jazeker. Dat kunt u ook terugvinden in het coalitieakkoord. Daarom wasmijn vraag er ook op gericht om hier voortvarend mee aan de slag tegaan. Wij zien namelijk veel waarde in zijinstromers voor het onderwijs envinden het van belang dat meer zijinstromers die stap kunnen maken. Jeziet dat er drempels zijn: een grote inkomensval, het niet extra wordenaangenomen maar meteen voor de klas komen te staan en het niet krijgenvan goede begeleiding. Het AOb-plan laat zien hoe dit beter aangepaktkan worden, om zo ook het lerarentekort tegen te gaan.De heer Boomsma (JA21):Ik begreep dat het 141 miljoen kost. Gaat D66 daar dan ook geld voororganiseren?Mevrouw Rooderkerk (D66):U kunt natuurlijk zien dat wij structureel 1,5 miljard willen gaan investerenin het onderwijs. Een groot deel daarvan zal naar de leraren gaan. Op ditmoment is dit misschien meer een vraag voor het kabinet. Er wordtgewerkt aan de concrete uitwerking daarvan. In het akkoord is in iedergeval opgenomen dat we hier zeker geld aan willen besteden.De voorzitter:Goed, vervolgt u uw betoog. O, er is nog een vraag van de heer VanHouwelingen, FVD.De heer Van Houwelingen (FVD):Dan doe ik het gelijk ook over dit onderwerp: het lerarentekort. Je ziet dathet niet alleen om de instroom maar ook om de uitstroom gaat. Deuitstroom is vooral hoog op zwarte scholen, op moeilijke scholen. Dusmijn vraag aan D66 is: zien we hier niet ook dat het migratieprobleem eenzware wissel trekt op scholen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Mijn eerste vraag is waar de heer Van Houwelingen deze gegevensvandaan haalt, want dit wordt niet bijgehouden. Wat we wel weten, is dathet lerarentekort groter is op scholen waar meer kinderen zitten metleerachterstanden. Dat zijn overigens kinderen van ouders met een lageropleidingsniveau of een lager inkomensniveau. Dat kan zeker ook overkinderen gaan van ouders die hier geboren zijn of die hier al generatiesleven, dus dat heeft helemaal niet zoveel met elkaar te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5376 Dan de vraag of ik zie dat het lerarentekort vooral speelt op scholen waarveel kinderen met onderwijsachterstanden zitten. Ja, dat is zeker hetgeval. Dat is dus ook een grote zorg. Dat is ook waarom wij in het kabinetwaar wij hiervoor in zaten extra geld hadden uitgetrokken voor scholenmet achterstanden, om te zorgen dat daar meer geld is, bijvoorbeeld voorextra begeleiding of voor leraren. Dat geld is in het vorige kabinet metWilders wegbezuinigd, maar wij willen dat dat weer terugkomt, om ervoorte zorgen dat we juist op deze plekken, waar de kinderen het besteonderwijs nodig hebben, de beste docenten hebben en dat we juist daarhet lerarentekort tegengaan.De voorzitter:Goed. Een vervolginterruptie van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik hou mijn vragen kort. De antwoorden mogen dat misschien ook zijn.Wat de cijfers betreft: de NOS heeft grafieken laten zien waaruit blijkt datnaarmate het percentage niet-westerse kinderen oploopt in een school, jeook meer lerarentekorten ziet. Ik heb nog meer van dit soort grafieken. Isdat dan toeval? Heeft dat dan niks met massa-immigratie te maken? Dat ismijn vraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Deze grafiek ken ik niet. De grafieken waar ik mij op baseer, zijn gewoonvan het Ministerie van Onderwijs. Daarin zie je dat op de scholen waar dekinderen met de meeste achterstanden zitten, de tekorten het grootst zijn.Als meneer Van Houwelingen dat ook een probleem vindt, zou ik zeggen:laten we juist daar investeren in gelijke kansen.De voorzitter:Afrondend, de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ja, afrondend op dit punt dan. Dit is dus het probleem. We hebben ookmet leraren gesproken. Natuurlijk trekt dat immigratieprobleem een heelzware wissel op scholen. Je hoeft maar een willekeurige school binnen telopen. Leraren zeggen dat ook tegen elkaar. De kern van het oplossen vanhet probleem zit in het erkennen van het probleem. D66 ziet het verbandniet eens. Dat vind ik zorgelijk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Waar ik een beetje voor wil waken, is dat we van elk debat een asieldebatgaan maken. We zitten nu in een onderwijsdebat, dus laten we onsfocussen op wat wij kunnen doen om te zorgen dat alle kinderen in onsland het beste onderwijs krijgen. Dat is waar ik mij op richt.De voorzitter:Er is nog een interruptie van mevrouw Raijer, PVV.Mevrouw Raijer (PVV):We zien dat de problemen in het onderwijs enorm groot zijn. Dan heb ikhet niet alleen over het geweld tegen leraren. Ook de kwaliteit van hetonderwijs staat behoorlijk onder druk. Ik hoor D66 alleen maar over extrageld, maar als je heel veel geld ertegenaan gooit, wil dat niet zeggen datje altijd het probleem ermee oplost. Hoe gaat u dan de bestaandeproblemen oplossen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat vind ik een hele mooie vraag. Dat is eigenlijk precies waar ik meeverder wilde in mijn bijdrage. Dat brengt mij namelijk tot kwaliteit. MeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5377 leraren is belangrijk, maar kwaliteit blijft de basis. Juist daarom maak ikmij er zorgen over dat bijvoorbeeld de noodmaatregel voor onbevoegdeleraren permanent dreigt te worden in de vijf grootste gemeenten.Daarom wil ik de Staatssecretaris vragen om de waarborgen rond hetnoodplan te waarborgen en te zorgen dat de wet weer alleen ingezet kanworden in noodsituaties.Met dit coalitieakkoord investeren we daarnaast ook in meer ontwikkelmo-gelijkheden, specialisatie en waardering voor leraren, zodat topleraren ...De voorzitter:U bent weer verdergegaan met uw betoog, merk ik. Of niet? Klopt dat?Mevrouw Rooderkerk (D66):Nou, dit was eigenlijk een antwoord op de vraag, namelijk: waar wil je danin investeren om te zorgen dat de kwaliteit van leraren omhooggaat? Ditwas een deel van het antwoord op die vraag.De voorzitter:Oké, mevrouw Raijer, dit was ’m? Ja. Mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik was wel blij om te horen dat er echt geïnvesteerd gaat worden inzijinstroom, ook volgens het AOb-actieplan. Dat kost 141 miljoen. Nu heeftD66 afgelopen dinsdag tegen een amendement gestemd voor extrainvesteringen in zijinstroom. Als we naar die 1,5 miljard kijken, zie je datdat nooit uit kan, want er moeten ook allerlei andere dingen weergecompenseerd worden. Hoe gaat dat dan betaald worden?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik weet dat mevrouw Moorman zich hier hard voor heeft gemaakt. Wijhebben inderdaad hetzelfde doel, namelijk zorgen voor meer zijinstromersen het plan van de AOb uitgevoerd krijgen. We stemden de afgelopenweek over de bezuinigingsbegroting van het vorige kabinet en de erfenisdie we daaraan overhielden. Daar zat geen ruimte voor extra geld. Wekrijgen nu wel ruimte met extra geld. Hoe dat precies gaat wordeningevuld, wordt al uitgewerkt; dat gaf ik al aan. Ik hoop dat een substan-tieel deel daarvan naar leraren gaat, want wij zien allemaal dat goedonderwijs valt of staat met voldoende goede docenten.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben heel blij dat ik D66 hoor zeggen: deze 141 miljoen komt er. Dus datis fijn. Maar we zagen ook een bezuiniging van 1,5 miljard. Dat wordt nugecompenseerd, maar er is geen extra geld. Dus waar komt dat geld danvandaan? Is het gewoon toch een extra investering daarbovenop?Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat ik mevrouw Moorman hoor zeggen, is geen citaat. Dat heb ik nietletterlijk zo gezegd. Ik zeg: we gaan ervoor dat we het AOb-plan gaanuitvoeren, maar het precieze bedrag wordt nu uitgewerkt door het kabinet.We hebben over die 1,5 miljard inderdaad gezegd dat dit gelijk is aan debezuinigingen van het vorige kabinet. Maar we willen dat niet een-op-eenterugzetten. Waarom? Juist omdat wij vinden dat we daarover keuzesmoeten maken die gericht zijn op de kwaliteit en – dat is daarbij ook heelbelangrijk – op leraren. Het gaat dan zowel om het aantrekken als hetbehouden, professionaliseren en opleiden van leraren. Daarom moetenwe nog even wachten op de uitwerking van het kabinet, want aan de handvan de voorwaarden die we hebben gesteld in het coalitieakkoord, wordtdit budget nu verdeeld. Daar zullen wij dan ook over geïnformeerdworden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5378 De voorzitter:Afrondend, mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Kort. Oké, dan blijft er dus een bezuiniging staan. Dan hoor ik graag vanD66: wat wordt er dan niet teruggedraaid?Mevrouw Rooderkerk (D66):Het wordt misschien een beetje een herhaling van zetten. Het kabinet gaatdat nu uitwerken. U kunt in het coalitieakkoord natuurlijk precies zien waarwij op inzetten. Dat zijn dus de zaken die daar sowieso in moeten wordenopgenomen. Er zijn een aantal zaken waarvan je kunt zeggen: het doeldelen wij, maar de manier waarop het wordt ingevuld, hoeft nieteen-op-een hetzelfde te zijn. Er zitten keuzes in die door dit kabinet kunnenworden gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van starters- en stimulerings-beurzen, maar dat kan op meer punten het geval zijn.De voorzitter:Gaat u verder met uw betoog.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank. Ik had het over de ontwikkeling van leraren. Dat moet ook weerde lezende leraar omvatten, schoolbreed verankerd in en verbonden aande kwaliteitsagenda basisvaardigheden. Daarvoor moeten leraren ook deruimte krijgen door minder werkdruk. Het voorbeeld van de planlastcalcu-lator werd hier ook al genoemd. Op andere vlakken moeten we ervoorzorgen dat leraren toekomen aan waarvoor zij aan de lat staan, namelijkhet geven van hele goede lessen. Daarbij verdienen ze ook een stevigestem. Eerder is onze motie aangenomen over een lerarentoets bij nieuwbeleid. Ik vroeg me af hoe het kabinet staat ten opzichte van het oprichtenvan een lerarenraad die gevraagd en ongevraagd advies kan geven.Ten derde de opleiding. De lezende leraar begint bij de opleiding. Omkwaliteit verder te garanderen, willen wij één stevig landelijk curriculum.In dat curriculum moet niet alleen aandacht komen voor de basisvaardig-heden; ook lezen moet daarin een expliciete plek krijgen. In de bekwaam-heidseisen moet vastliggen dat leraren jeugdliteratuur kennen en dat zijleerlingen kunnen begeleiden bij de boekkeuze en leesgesprekken. Dehuidige kerndoelen zeggen hoe leerlingen moeten lezen, maar niet wat ditvraagt van leraren. Hoe staat het met de plannen in het coalitieakkoordom een verplicht curriculum vast te stellen? Is het mogelijk om teschetsen hoe daar een start mee wordt gemaakt? Is de Staatssecretarisbereid om de lezende leraar te verankeren in de kennisbasis?Tot slot, voorzitter. Een leraar kan een leven veranderen, maar wij moetenervoor zorgen dat leraren goed hun werk kunnen doen, met voldoendecollega’s, de juiste kwaliteit en plezier in hun vak, ook in het lezen. Wantzonder lezende leraren geen lezende leerlingen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Claassen, GroepMarkuszower.De heer Claassen (Groep Markuszower):Naar aanleiding van het interruptiedebatje van net met Forum: eigenlijk ishet een segregatiediscussie. De segregatiemonitor zegt dat 60% van descholen in Den Haag de populatie van studenten zou moeten verdelen omdat te voorkomen. Is D66 voorstander van dat soort modellen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5379 U verwijst nu weer naar iets wat ik niet onder ogen heb gehad. Ik begrijpook niet wat u nu precies concreet voorstelt. Kunt u dat naderverduidelijken?De heer Claassen (Groep Markuszower):Het is niet zozeer dat ik dat voorstel, maar in de segregatiemonitor wordtgezegd: als je segregatie zou willen tegengaan, zouden alle basisscholenin Den Haag 60% van hun populatie moeten verdelen over alle scholen.Mijn vraag is of D66 voorstander is van zo’n antisegregatiemodel.Mevrouw Rooderkerk (D66):Kijk, segregatie op scholen heeft vaak ook te maken segregatie in buurten,dus het is vaak ook een woonvraagstuk. Nu zeggen «we gaan kinderenanders verdelen» is dus nogal vreemd, want kinderen gaan natuurlijk vaaknaar school in de buurt van de plek waar zij wonen. Daarom is het dusniet iets waar je makkelijk over kan zeggen «we moeten het andersverdelen» of «het is allemaal fout». Als we ervoor zorgen dat we buurtenbouwen met sociale woningbouw, middenhuur en koopwoningen doorelkaar heen, dan worden buurten bijvoorbeeld al gelijker en zijn scholendaardoor ook gelijker. Ik zou dit niet zomaar bij het onderwijs neerleggen.Segregatie is wat dat betreft weer een heel ander vraagstuk dan dat waarik het nu over had.De voorzitter:Oké. Dank u wel. Dan gaan we verder naar de volgende spreker van dezijde van de Kamer, de heer Boomsma, namens JA21.De heer Boomsma (JA21):Dank u wel, voorzitter. Het geheim van goed onderwijs is het geheim vande meester, de meesteres, de juf of laten we zeggen: de leraren.«Meesteres» roept misschien andere associaties op.(Hilariteit)De heer Boomsma (JA21):Maar dat vereist in ieder geval de juiste omstandigheden. Laat ikbeginnen met de vraag wat de Staatssecretaris en de Minister willen tenaanzien van de Wet strategisch personeelsbeleid, met betrekking tot deimplementatie van het Bestuursakkoord Flexibilisering Lerarenoplei-dingen, waarvan men zegt dat die stroef verloopt, en ten aanzien van hetactieplan van de AOb; wij zijn er nog niet helemaal van overtuigd dat ditde meest kostenefficiënte manier is om dat te doen. Wat zien ze alsbelangrijkste knelpunten voor de zijinstroom? Hoe moeten die wordenaangepakt? Willen zij iets anders doen dan hun voorgangers? En zo ja,wat?Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat ziet de heer Boomsma dan als een meer kostenefficiënte manier omhet lerarentekort aan te pakken, anders dan een leraar die voor de klasstaat gewoon volwaardig betalen?De heer Boomsma (JA21):Je moet ze sowieso volwaardig betalen. Dat denk ik wel, maar ik las in deanalyse, die nog van het vorige kabinet was, dat dat 141 miljoen gingkosten. Dat zou dan leiden tot een verhoging van het aantal zijinstromersvan 200, oftewel 15%. Ik weet dus niet of dat geld niet op een anderemanier ingezet kan worden. Er zijn natuurlijk wel allerlei andere dingen. Ikweet dat veel leraren parttime werken. Er zijn schijnbaar meer mensenparttime gaan werken sinds de salarissen zijn verhoogd, omdat je je datdan eerder kunt veroorloven. Ik denk dus dat daar ook heel veel kansenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53710 liggen, bij mensen overtuigen om meer uren te gaan werken. Uitonderzoek blijkt dat het ook een effect heeft als mensen duidelijk zienhoeveel meer ze kunnen gaan verdienen. Dat kun je dus duidelijkermaken. Ik denk dat dat soort dingen in ieder geval ook verstandig zijn.Mevrouw Rooderkerk (D66):Zeker, voor meer uren werken hebben wij eerder ook voorstellen gedaan.Dat moet ook worden uitgewerkt, maar ten aanzien van het salaris zag jebijvoorbeeld dat de verhoging van het lerarensalaris in het primaironderwijs leidde tot 15% meer instroom op de pabo. Dan heeft dat tochwel degelijk effect?De heer Boomsma (JA21):Het zal zeker effect hebben, dus het zal uiteindelijk gewoon een puzzelworden om te bepalen waar je het beste op kunt inzetten. Maar goed, ikben ook gewoon benieuwd wat deze bewindspersonen anders willengaan doen dan hun voorgangers en wanneer we de eerste brief met hunvisie en plannen kunnen verwachten.Voorzitter. JA21 was onlangs op het Alfrinkcollege in Deurne, een van debeste mavo’s van Nederland. Op de school staan de deuren van delokalen open tijdens de lessen, maar het is er wel heel rustig. In de gangstaat «sst, hier wordt geleerd». En dat klopt. Deze school laat het zien. Hetkan wel: rust en discipline, met uiteraard mobieltjes thuis of in de kluis. Deaanpak daar draait om kennisoverdracht, veel oefenen, hoge verwach-tingen en duidelijkheid qua klassenmanagement. Men gaat uit vanexpliciete, directe instructie, een klassieke methode die haar effectiviteitheeft bewezen. Je ziet hier ook dat leren leidt tot motivatie, en nietandersom, zoals bijvoorbeeld verondersteld wordt bij gepersonaliseerdleren.Voorzitter. Wat JA21 betreft zouden we dit veel meer moeten uitrollen inheel Nederland en zouden veel meer scholen zo moeten gaan werken.Daar willen wij op inzetten. Volgens de OESO zijn Nederlandse klassen dedrukste van de wereld. Dat maakt zowel het leren als het lesgevengewoon moeilijker en vervelender. Beter onderwijs is dus ook gewooneen kwestie van gezond verstand en bewezen tradities zo oud als de wegnaar Rome. Volgens de man die het PISA-onderzoek leidt, AndreasSchleicher, mist het Nederlandse onderwijs focus en is er geen overeen-stemming over de vraag wat goed onderwijs is. Iedereen doet te veel zijneigen ding en onze scholen missen ambitie, zegt hij. Ook de VO-raad steltnu dat de sleutel naar verbetering ligt in het versterken van eenambitieuze en collectieve leercultuur. Dat wordt ook aangegeven in desessies over het rapport met de historische analyse van het lerarentekort.De kwaliteit van onderwijs hangt samen met het lerarentekort. Dat werktdus twee kanten op.Cruciaal is dus ook de lerarenopleiding. De Radboud Universiteit heeftonderzoek gedaan naar de curricula van de pabo’s. Die zijn bestschokkend, want de verschillen zijn dus heel erg groot. Maar 4 van de47 opleidingen hebben alle bekwaamheidseisen opgenomen in decurricula. Gemiddeld 31% van de vakinhoudelijke, 11% van de vakdidac-tische en 29% van de pedagogische bekwaamheidseisen zijn ongedekt. Inde helft van het onderwijs wordt dus geen aandacht besteed aan devereiste vakbekwaamheden, maar is er meer aandacht voor visievorming,zelfreflectie, de coachende rol van docenten en allemaal dingen die heelerg doen denken aan het nieuwe leren. Ik vind dat zorgelijk. Nu lopen erallemaal beleidslijnen om te komen tot een leidend kader voor allelerarenopleidingen. Gaat men ook vakspecifieke eisen opnemen? Hoeworden die bekwaamheidseisen dan herijkt? Hoe kijkt de Staatssecretarisnaar het idee van landelijke examens? Ik ben het overigens helemaal metD66 eens dat lezen daarin een belangrijke plaats moet krijgen. Wij zoudenook zeggen: maak nou haast met wat het coalitieakkoord heel terecht steltTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53711 over een nieuw kerncurriculum voor de lerarenopleidingen en één toetsvoor alle opleidingen. We willen graag een plan voor de zomer. JA21 vindtook dat directe instructie daarin een belangrijke rol zou moeten krijgen,want wij denken echt dat dat goed is. Zijn de bewindspersonen hetdaarmee eens?De heer Van Houwelingen (FVD):Mooi betoog. Daar ben ik het helemaal mee eens. Expliciete, directeinstructie is het beste, maar het ministerie heeft natuurlijk continu al dieonderwijshervormingen gedaan, zoals het nieuwe leren en de basis-vorming. Nu ben ik benieuwd of JA21 ook vindt dat al die onderwijsher-vormingen meer schade hebben berokkend dan goed hebben gedaan.Hadden ze dat beter niet kunnen doen?De heer Boomsma (JA21):Nee, ja, natuurlijk. Heel veel van de onderwijsvernieuwingen – dat geldteigenlijk al sinds de Mammoetwet – waren uiteindelijk onderwijsvernie-lingen. Er is ongelofelijk veel kapotgemaakt. We staan nu nog steeds voorde uitdaging om dat weer op te ruimen. Er zit dus een bepaalde paradoxin, want op dat moment zijn veel onderwijsvernieuwingen uitgeroldvanuit de overheid en daarna is gezegd: we moeten dat eigenlijk nietdoen, we moeten het meer aan de scholen zelf laten. Maar ondertussenwas er dus al heel veel kapotgemaakt. Ik denk dus dat we nu toch meerzelf de regie moeten nemen om de draad weer op te pakken.De voorzitter:Een vervolginterruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Heel kort. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar hoe kan het dan tochdat ze al die hervormingen, die onderwijsvernielingen zijn blijvenuitrollen? Wij vragen ons dat vaak af. Wat u zegt, is al eeuwen bekend.Expliciete en directe instructie is de manier om les te geven. Hoe kan datdan toch gebeurd zijn?De voorzitter:Leg dat eens uit.De heer Boomsma (JA21):Dan heb ik iets meer tijd nodig dan mij is toegestaan voor het beant-woorden van één interruptie, maar ik denk dat het te maken heeft metbepaalde pedagogische visies en ideologische opvattingen die daaraanten grondslag liggen, met een ander mensbeeld. We kunnen teruggaannaar Rousseau. Herbert Spencer had in 1850 een boek dat heel veelinvloed heeft gehad. Alleen, heel veel van die ideeën werken nog steedsdoor omdat er ook nooit een goed antwoord op is gekomen. Voor heelveel plekken is het dus nog steeds een beetje the only show in town. Ikdenk dat we daar nu als overheid weer een rol in moeten pakken en eenweg terug moeten vinden naar sommige van die tradities, die gewoonbewezen zijn en gewoon goed werken. Ik denk dat we die weer voldoendeaandacht moeten geven.Ik ga verder. De Vlaamse Minister Zuhal Demir hervormt nu de leraren-opleidingen. Ze voert ook een bindende toets Nederlands in voorstudenten. Dat lijkt ons een goed idee. Hoe zien de bewindspersonen dat?Voorzitter De fractie van JA21 is ervan overtuigd dat juist hogere eisenuiteindelijk helpen om het aanzien van het beroep leraar te herstellen. Bijhet lerarentekort moet je dus niet de eisen verlagen, maar gaat het juistom herstel van het aanzien, van de beroepseer en van discipline en rustop school. Alleen zo doen we iets tegen de daling van het niveau, hetlerarentekort en trouwens ook tegen ongelijkheid. De grootste slachtoffersTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53712 van slecht onderwijs zijn namelijk de kinderen die van huis uit mindermeekrijgen.De voorzitter:Goed, dank u wel. Dan gaan we nu verder naar de bijdrage van de heerClaassen namens Groep Markuszower. Aan u het woord.De heer Claassen (Groep Markuszower):Voorzitter. Ik ging twintig jaar geleden na een carrière als verpleegkundigehet onderwijs in en ik heb daar nog steeds geen spijt van. Nog steeds vindik het docentschap prachtig vakmanschap. Onderdeel zijn van iemandspersoonlijke groei is een bijzondere verantwoordelijkheid. Ik weet dat hetovergrote deel van de leraren dat ook precies zo voelt, maar laten weeerlijk zijn: wie wil er nog met volle passie voor de klas staan als datvakmanschap structureel wordt ondermijnd en als je gezag voortdurendter discussie staat? Wie wil dat nog als een onvoldoende leidt totdiscussies met ouders in plaats van reflectie bij de leerling en de ouderszelf, en als je meer tijd kwijt bent aan administratieve lasten en verant-woording dan aan lesvoorbereiding? Wie wil dat nog als scholen zichverliezen in ideologische projecten, eindeloze visievergaderingen enconsultants die modellen moeten implementeren die weinig tot geenmeetbaar effect hebben? Bovendien krijgen leraren te maken met steedscomplexere klassen. Denk aan leerlingen met taalachterstanden,gedragsproblematiek en extra ondersteuningsbehoeften, zonder dat daarvoldoende structuur of ondersteuning tegenover staat. Enkele jarengeleden is gewoon over de schutting gekiept dat dit ook maar gewoon inhet regulier onderwijs moest plaatsvinden. Orde en discipline zijn nietmeer vanzelfsprekend.Voorzitter. Dit is de realiteit die leraren uitput en wegjaagt, niet uit gebrekaan idealisme, maar uit gebrek aan juiste randvoorwaarden waardoor zijhun vak goed kunnen uitoefenen. De regering zegt: wij zijn goed op weg.Er zijn investeringen gedaan, campagnes gevoerd en regionale plannengemaakt, maar de cijfers laten iets anders zien. Het lerarentekort in hetfunderend onderwijs blijft steken op ruim 5.800 voltijdbanen. Dat is 6,3%.Leraren verliezen nog steeds zes tot acht uur per week aan administra-tietijd. Vooral de uitstroom van ervaren leraren blijft veel te hoog. Juist deuitstroom van ervaren vakmensen is de kern van dit probleem, vinden wij,omdat die de continuïteit en kwaliteit van ons onderwijs ondermijnt.Groep Markuszower zet liever een fundamentele koerswijziging in. Stopmet symptoombestrijding en zet het behoud van goede leraren centraal.Werk toe naar een nationale retentiedoelstelling, maak uitstroom volledigtransparant via een landelijk dashboard en introduceer gerichte «blijfbud-getten» voor ervaren leraren, gekoppeld aan minder lesdruk en professi-onele autonomie. Herstel het vakmanschap door harde, meetbarenormen. Wij zijn voor een maximale administratietijd van vier uur perweek voor een fulltimeleraar, voor structurele inzet van ondersteunendpersoneel en voor het schrappen van overbodige regels, vooral rondompassend onderwijs. Geef leraren eindelijk hun professionele autonomieweer terug. Graag op deze vier voorstellen een reactie van de Minister ofStaatssecretaris.Tot slot misschien wel het allerbelangrijkste: herstel rust en orde in deklas. Dring het huidige passendonderwijsmodel terug door meerkleinschalige, aparte voorzieningen te creëren voor leerlingen met zwaregedrags- of psychiatrische problematiek, zodat leraren weer écht kunnenlesgeven in plaats van constant de orde te moeten handhaven enproblemen te managen. Koppel het onderwijsbeleid daarnaast veelsteviger aan een effectief integratie- en taalbeleid, in plaats van diemaatschappelijke problemen onverteerd in het reguliere klaslokaal telaten landen. Is de Minister of de Staatssecretaris bereid deze voorstellente laten landen in toekomstig beleid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53713 De voorzitter:Goed, dank u wel. Dan is er een interruptie van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Een verhelderende vraag. Bedoelt de heer Claassen hiermee dat er danmeer passend onderwijs moet komen, dus dat kinderen niet in hetregulier onderwijs naar school gaan, maar verder uit hun buurt enomgeving, naar scholen die verder weg zijn?De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik hoor heel veel docenten, maar ook ouders en soms ook kinderen, ersteen en been over klagen dat de remmende voorsprong in klassen echteen uitdaging is omdat continu rekening moet worden gehouden metkinderen met een achterstand. Die moeten aandacht krijgen in klassenmet 32 leerlingen. Wat mij betreft is dat, gezien de ontwikkelingen in hetonderwijs, niet meer vol te houden. Als we misschien zouden kunnenkijken of we toch wat meer een clustering van uitdagingen in hetonderwijs kunnen maken en daar de juiste docenten op kunnen zetten,dan hebben we volgens mij een winstpakker.De heer Kisteman (VVD):Als dat betekent dat er meer kinderen naar het speciaal onderwijs zoudenmoeten omdat ze niet mee kunnen komen in het regulier onderwijs, danzou dat een goed idee zijn, als ik de heer Claassen goed begrijp.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat weet ik niet, want nu wordt de koppeling met speciaal onderwijsgemaakt. Je zou ook kunnen kijken of reguliere scholen er wel voormoeten kiezen dat alles maar door diezelfde docenten, die over hetalgemeen gelijke competenties hebben, moet worden opgelost. Je zouook kunnen kijken of bepaalde docenten met affiniteit voor bepaaldegroepen in het regulier onderwijs dat soort groepen zouden moetenkrijgen, in plaats van te denken dat alles en iedereen altijd maar bij elkaarzou moeten kunnen zitten.De voorzitter:Afsluitend, een laatste interruptie van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Maar als ik het dan goed begrijp, dan bedoelt de heer Claassen dat weeigenlijk het passend onderwijs zoals we dat nu hebben binnen descholen zo moeten blijven doen, maar gewoon beter moeten maken. Ofgaan we wel kinderen naar het speciaal onderwijs sturen, dat dus verderuit de buurt is?De heer Claassen (Groep Markuszower):Nee. Nogmaals, ik heb niet gezegd dat er nog meer scholen met speciaalonderwijs zouden moeten zijn. Ik heb gezegd dat je moet kijken welkedocenten de juiste affiniteit en opleiding hebben om bepaalde groepenkinderen te kunnen onderwijzen. Ik zie het volgende in de praktijk. Ooit isde keuze gemaakt dat dit overal in elke klas zou moeten kunnen gebeuren.De praktijk wijst uit dat dit in heel veel gevallen niet lukt. Ik ben benieuwdhoe de Minister of Staatssecretaris dat ziet; ze zitten hier allebei. Zoudenzij het kunnen volgen dat wij het huidige docentenkorps vaak overbe-lasten met de vraag die wij stellen?De voorzitter:Goed, dank u wel. Dan gaan we verder met de volgende spreker van dezijde van de Kamer, en dat is mevrouw Raijer namens de PVV.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53714 Mevrouw Raijer (PVV):Dank u wel, voorzitter. Het eens zo mooie beroep van leraar staat al flinketijd onder druk. Er is sprake van een lerarentekort, agressie tegendocenten en een administratiedruk waar je zowat boekhouder voor moetzijn. Het onderwijs betaalt goed en de vakantiedagen zijn meer dan prima.Hoe kan het dan dat niet half Nederland voor de klas zou willen staan?Naast dat het een roeping is, is het beroep zo onaantrekkelijk mogelijkgemaakt. Wie zou er tegenwoordig nou voor de klas willen staan?Ik begin bij de agressie tegen leerkrachten. Bijna de helft van hen wordtgeconfronteerd met fysiek geweld door leerlingen en ouders – de helft!De voorzitter:Er is een interruptie, mevrouw Raijer, van mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik hoor een paar collega’s dit nu zeggen. Als we de hele tijd zeggen datlesgeven zo vreselijk is, dan wordt het ook niet echt aantrekkelijker. Ik wilmevrouw Raijer vragen of zij het TALIS-rapport kent.Mevrouw Raijer (PVV):Ja, dat rapport ken ik. Maar helaas moet ik wel blijven zeggen dat in hetonderwijs zoals het nu is, de helft van de leerkrachten te maken heeft metgeweld. Mijn fractie vindt dat wij dat moeten blijven benoemen. Op hetmoment dat het onderwijs niet meer aantrekkelijk is, krijg je ook geenleraren. Dan kun je nog heel veel akkoorden sluiten.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Kent mevrouw Raijer ook de bevinding uit het TALIS-rapport dat 95% vande leraren zeer tevreden is over het vak en er ook opnieuw voor zoukiezen?Mevrouw Raijer (PVV):We hebben allemaal bij EenVandaag kunnen zien wat zich allemaalafspeelt binnen het onderwijs. Er werd ook aangegeven dat de helft vande docenten te maken heeft met agressie. Wij vinden dat gewoon heelschrijnend. Wij zullen dat ook blijven benoemen.De voorzitter:Mevrouw Moorman, een laatste interruptie.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik vind agressie in het onderwijs ook vreselijk, maar we moeten deincidenten die er zijn niet veralgemeniseren naar het totale beroepsveld.Daarom wijs ik ook op de feiten.De voorzitter:Mevrouw Raijer, vervolg uw betoog of geef nog een reactie op mevrouwMoorman.Mevrouw Raijer (PVV):Ik ga verder met mijn betoog.De voorzitter:O, er is nog een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoor mevrouw Raijer zeggen dat de PVV vindt dat dit benoemd moetworden, en dat is goed. Maar wat zijn dan de oplossingen?Mevrouw Raijer (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53715 De oplossingen zijn dat er eens meer gezag gegeven moet worden, metname ook aan de leerkrachten. Zoals we hebben gezien bij EenVandaag,kunnen leerkrachten nu zelfs niet bij de scholen terecht. Volgens mij zittenwe hier met z’n allen bij elkaar om te kijken of we een oplossing kunnenvinden.Ik ga verder met mijn ...De voorzitter:Er is nog een tweede interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Als je a zegt moet je ook b zeggen. Ik hoor mevrouw Raijer nu zeggen datde leraar meer gezag moet krijgen, maar dat is natuurlijk nog niet hetbegin van daadwerkelijk een oplossing voorstellen om te voorkomen datleraren te maken hebben met intimidatie of andere vervelende ervaringen.Ik zou dus echt het voorstel doen dat mevrouw Raijer hiervoor dan ookmet ideeën komt.De voorzitter:Mevrouw Raijer, ik denk dat u verder kunt met uw betoog.Mevrouw Raijer (PVV):Ik ga toch verder. Mevrouw Moorman had het over «incidenten», maar iknoem de helft geen «incident» meer. Begin deze maand besteeddeEenVandaag nog aandacht aan dit schrijnende probleem. Er werden eenaantal verhalen gedeeld en er werden beelden getoond van hoe het is omanno 2026 docent te zijn. Ik zal een paar dingen noemen die daar werdengetoond. «Leerlingen hebben mijn kruis, billen en borsten betast enlachten erom», «een ouder heeft mijn schouderblad gebroken omdat zijnzoon een dag geschorst was», «tijdens mijn zwangerschap ben ik in mijnbuik getrapt door een leerling», en er worden zelfs doodsbedreigingengeuit naar docenten. Nou, dat noem ik geen incidenten meer. En watgebeurt er? Scholen grijpen nauwelijks in, en vaak zelfs helemaal niet. Erzijn geen of slechts milde consequenties voor mishandeling, want dat ishet gewoon. Wil je een eerste stap zetten om tekorten tegen te gaan? Geefdan de docent zijn veiligheid weer terug.Dat brengt mij bij het volgende punt: de onmacht van de docent. Eendocent voelt zich vaak machteloos tegen een steeds normlozere jeugd.Vooral jongeren met een niet-westerse achtergrond vormen vaak eengroep die moeilijk te bereiken is, wat het werk van de docent bemoeilijkt.We zien dat docenten steeds vaker kiezen voor kleinere scholen, bijvoorkeur in een dorp.Voorzitter, tot slot. Tegenwoordig moet een docent bijna boekhouder zijn,gezien de enorme hoeveelheid administratie waarmee hij dagelijks temaken heeft. Alles moet worden vastgelegd in leerlingvolgsystemen engerapporteerd. Elke disciplinaire actie moet worden onderbouwd in eenuitgebreid verslag. Dat hoeft nog net niet compleet met didactischebronnen. Ik raad de Minister aan om eerst deze problemen op te lossen,voordat we weer beginnen met een of andere subsidie of pilot.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw verhaal, mevrouw Raijer. We gaan verder met de heerKisteman, namens de VVD.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter, dank u wel. Als ik mijn dochters naar school breng, draag ik zein vol vertrouwen over aan hun leraar. Ik reken erop dat zij goed onderwijsontvangen, zich kunnen ontwikkelen en dat ze worden klaargestoomd omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53716 de stap te zetten naar het voortgezet onderwijs, waar zij de volgende stapmogen zetten om opgeleid te worden voor de arbeidsmarkt.Voorzitter. De kinderen van nu hebben wij in de toekomst keihard nodig.Of ze nu met hun handen of met hun hoofd gaan werken, ze verdienenallemaal een leerkracht die goed opgeleid is en met veel enthousiasme dekennis overbrengt. Als het kan, verdienen ze ook het hele jaar hetzelfdegezicht.Voorzitter. Maar het overdragen van je kind aan een leerkracht of elke dagdezelfde leerkracht krijgen, is niet standaard. Met name in de Randstad ishet lerarentekort een groot probleem. Daar zijn ouders blij als hun kindgewoon de hele week naar school kan. Het lerarentekort is groot en heteinde lijkt niet in zicht. Mijn fractie onderschrijft de aanpak van het kabinetin grote lijnen. De inzet op zijinstroom, regionale samenwerking, hetverbeteren van de kwaliteit van de pabo en het behoud van personeel isterecht en moet onverwijld worden voortgezet.Voorzitter. Mijn fractie wil er alles aan doen om het lerarentekort op telossen. Dat betekent ook het aantrekken van meer mannelijke leraren,meesters, voor de klas. De VVD is dan ook voorstander van het splitsenvan de pabo in een opleiding voor het jonge kind en een opleiding voorhet oude kind. Met name de mogelijkheid om alleen opgeleid te wordenom les te kunnen geven aan het oudere kind, zou meer mannen naar depabo moeten trekken.Ik zou van de Minister graag de stand van zaken van de differentiatie in depabo willen weten. Hoe staat het met de pilot? Hoe gaan we na de pilotverder? De subsidie is tijdelijk. Wat zijn de mogelijkheden als de differen-tiatie doorgezet gaat worden? Hoe gaat de Minister de gemaakteafspraken uit het regeerakkoord uitwerken?Voorzitter. We moeten alles wat helpt in het verkleinen van het leraren-tekort aangrijpen ...De voorzitter:Ik heb een interruptie van de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Ik heb het idee dat de nadruk op zelfreflectie in de pabo-opleiding mannenontmoedigt. Hoe ziet de heer Kisteman dat?(Hilariteit)De voorzitter:Nou, meneer Kisteman, het belooft een heel interessant debat te worden!U kunt er even over nadenken, maar wat is uw antwoord op deze vraag?De heer Kisteman (VVD):Zelfreflectie? Daar doen we bar weinig aan! Ik weet oprecht niet of dit eenpunt is. Het volgende lijkt vooral een probleem te zijn. Als je in gesprekgaat met potentiële studenten voor de pabo, zeggen ze: wij willen gewoongroep 6, 7 en 8 doen en niet groep 1 en 2. Dat soort verhalen hoor je.Daarom zeggen wij: kijk dan eens naar de mogelijkheden om meteenopgeleid te worden voor het oudere kind. Ik denk dus meer die kant uit. Ikheb werkelijk geen idee of zij meer moeite hebben met zelfreflectie,meneer Boomsma.De voorzitter:Gaat u verder, meneer Kisteman. O, ik zie dat de heer Claassen op dit puntiets wil zeggen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Het duurde even voordat het bij mij binnendruppelde. Het curriculum vande pabo kan op zich prima zijn. Alleen, de context waarin ze het moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53717 gaan toepassen kan anders zijn. Dan zou je de pabo dus kunnen houden,maar alleen de keuze waar iemand stage loopt en hoe diegene zichontwikkelt, kunnen differentiëren. Dan hoef je niet een hele aparte paboop te richten. Wat zou u daarvan vinden, meneer Kisteman?De voorzitter:Uw reactie daarop, meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Het idee is niet dat een aparte pabo wordt opgericht. De bestaande pabo’sblijven gewoon bestaan. Alleen, binnen de pabo kunnen studenten dekeuze maken of ze opgeleid willen worden voor het oudere kind, hetjongere kind of voor de hele basisopleiding.De heer Claassen (Groep Markuszower):De vraag is of dat curriculum zo differentieert. Volgens mij gaat het ervooral over waar iemand stage gaat lopen. Als de school ervoor kanzorgen dat iemand de keuze krijgt om alleen in groep 6, 7 en 8 stage telopen en de groepen 1 en 2 helemaal te skippen, hebben we toch ook aleen oplossing?De heer Kisteman (VVD):Fijn dat de heer Claassen het onderschrijft. Dat is ook gewoon de pilot dienu loopt. Fijn dat we het erover eens zijn.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Claassen (Groep Markuszower):Je moet het maar weten!De heer Kisteman (VVD):Daarom! We zitten al een tijdje in deze commissie, dus sommige dingenweten we inmiddels al.Voorzitter, ik vervolg. We moeten alles wat helpt bij het verkleinen van hetlerarentekort aangrijpen om ervoor te zorgen dat er voor elke klas eenbevoegde leraar staat. Dat betekent enerzijds nieuwe leraren aantrekken,maar anderzijds ook dat leraren die al lesgeven, dat meer uren gaan doen.Trendrapportages laten namelijk keer op keer zien dat bijna de helft vanalle leraren in deeltijd werkt. Wat mij en mijn fractie betreft stimuleren weleraren zo veel als mogelijk om meer uren te gaan werken. Een succesvolinitiatief daarvoor is het meerurenmaatwerk, dat leraren financieel ofanderszins beloont voor het werken van meer uren. Wat is de stand vanzaken van de voortgang hierin? Wat is het toekomstbeeld voor dezestimulans? Er loopt nu een pilot, maar gaat die structureel wordenverankerd? Hoe gaat de Minister vormgeven aan de ambities rondomexcellentie en topleraren die in het coalitieakkoord staan? Hoe gaat zijwerk maken van meer doorgroeimogelijkheden en verdere professionali-sering van leraren? Hebben de Minister en de Staatssecretaris hier alideeën bij?Voorzitter. Een sterke en krachtige stem van de leraren kan een van deoplossingen zijn voor de kwaliteitsdaling waarmee we in het onderwijs allange tijd te maken hebben. Die stem wordt op dit moment onvoldoendegehoord. In het verleden heb ik al vaker aandacht gevraagd voor het feitdat de stem van de leraar te weinig wordt meegenomen, maar er zijnhelaas amper stappen gezet. Ik zou graag van de Staatssecretaris willenweten hoe zij de afspraak uit het regeerakkoord gaat uitwerken.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53718 De heer Van Houwelingen heeft een interruptie. Of heeft u nog een laatstezin, meneer Kisteman?De heer Kisteman (VVD):Mag ik dit blokje nog even afmaken?De voorzitter:Dat is helemaal prima.De heer Kisteman (VVD):Dan weet de heer Van Houwelingen misschien waar ik naartoe wil. Hoegaat de Staatssecretaris de beroepsgroep leraren – want daar heb ik hetuiteindelijk over – vormgeven? Wie gaat zij daarbij betrekken? Nogbelangrijker: hoe gaat zij ervoor zorgen dat het iets van leraren wordt enniet een verplicht karakter krijgt vanuit het ministerie? In het verleden zijnhierdoor diverse pogingen gesneuveld. Ik zou ook graag van de Staatsse-cretaris willen weten of zij een haakje ziet naar het wetsvoorstelVersterken inspraak leraren en schoolleiders, voor de beroepsgroepleraren.De voorzitter:Hartelijk dank.De heer Van Houwelingen (FVD):De heer Kisteman merkte net terecht op dat de stem van lerarengesmoord wordt en niet voldoende gehoord wordt. Kan het er wellichtook iets mee te maken hebben dat leraren tegenwoordig vaak op eenschool zitten die onderdeel is geworden van een heel groot schoolbestuuren die op het schoolbestuur weinig invloed kan uitoefenen?De heer Kisteman (VVD):Dat denk ik niet, want uiteindelijk kan een leraar zijn stem over nieuwewetten of ideeën die tot stand komen, gewoon ergens laten horen.Daarvoor hoeft hij niet eerst bij zijn schoolleider of bij het bestuurtoestemming te vragen. Om deze stap te nemen heeft een leerkracht zelfmogelijkheden. Dat staat dus volledig los van grotere scholen of groterebesturen.De heer Van Houwelingen (FVD):Hoe zou het dan komen dat bijvoorbeeld in het rapport dat we gelezenhebben, Een kwestie van lange adem van Maastricht University – datEngels vind ik vreselijk – geconcludeerd wordt dat de schoolbesturenvinden dat, en ik citeer, «leraren te veel eigenschap en zeggenschap overhun professionalisering wordt gegeven»? Het wordt dus ondermijnd. Inhet rapport staat dus dat schoolbesturen huiverig zijn om zeggenschapaan leraren te geven.De heer Kisteman (VVD):Ik denk dat dat ook een van de redenen is dat wij zeggen: zorg dat dieleraar beter gehoord wordt. In het verleden hebben we weleens rapportengelezen waarin de stem van de leraar was gehoord. Als je daarop dandoorvroeg naar hoeveel leraren er waren bevraagd, dan bleken dat er eenof twee en vaak weer dezelfden te zijn. Daarom vragen wij juist om detotstandkoming van een beroepsgroep leraren, die ook echt van deleraren is. Zo kunnen we hun stem beter horen en kan de kwaliteit van hetonderwijs omhooggaan. Of zegt u het anders, maar bedoelen wehetzelfde?De voorzitter:Afrondend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53719 De heer Van Houwelingen (FVD):Afrondend. Misschien zeg ik het niet goed, maar wij horen vaak datleraren, toen schoolbesturen nog eenpitters waren ... Nee, eenpittershebben we nog steeds. Toen het schoolbestuur hetzelfde was als deschool, was het één geheel. Had je problemen, dan kon je naar deschoolleiding lopen. Zij kon de besluiten nemen. Zij kon leraren ookontslaan. Tegenwoordig ligt dat allemaal bij het schoolbestuur. Die zijnook verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Die hebbensoms wel tien tot twintig scholen onder zich. Ik denk dat het dus niet meerdan logisch is dat je door de schaalvergroting ook de autonomie, hetwerkplezier en de zeggenschap van leraren ondermijnt.De voorzitter:De heer Kisteman, afrondend.De heer Kisteman (VVD):Volgens mij is het weer dezelfde vraag als waarmee de heer Van Houwe-lingen begon. Volgens mij is het idee nu dat de beroepsgroep leraren totstand gaat komen met zeggenschap en inspraak voor de leraren. Dat staatvolledig los van de grootte van een bestuur of school. Volgens mij heeftdat helemaal niks met elkaar te maken.De voorzitter:U had nog een laatste blokje, denk ik. Of niet?De heer Kisteman (VVD):Ik ga afronden, voorzitter. Tot slot. Vorig jaar werd mijn motie aange-nomen. Die verzocht «om de invoering van een verplichte leeslijst metNederlandse jeugdliteratuur te betrekken bij de herijking van de kennis-basis taal en te bespreken in het Opleidingsberaad» en voorts «de Kamerdaarover te informeren». Dat is gedaan, maar uit de terugkoppeling blijkt– althans, ik maak het eruit op – dat het Opleidingsberaad de urgentie welherkent, maar er eigenlijk niks mee gaat doen. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is hoe zij hiernaar kijkt. Waarom gaat het Opleidings-beraad hier niks mee doen?Daar wilde ik het graag bij laten, voorzitter. Als ik misschien een keer deMinister heb genoemd in plaats van de Staatssecretaris of de Staatssecre-taris in plaats van de Minister, dan zoeken ze dat vast zelf wel heel goeduit.De voorzitter:Daar komen ze vast wel uit. We gaan gewoon om 17.30 uur stoppen, dusdat zal de «hard stop» zijn. Ik wil graag het woord geven aan de heer VanHouwelingen namens de FVD-fractie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank. Het lerarentekort treft niet alle scholen in gelijke mate. Hetconcentreert zich op de scholen waar de omstandigheden het zwaarst zijn.Dat is in delen van de Randstad, in de grote steden en op scholen waarleraren niet alleen lesgeven, maar ook voortdurend bezig zijn om de ordete bewaren, escalaties te voorkomen en gedragsproblemen op te vangen.Een aantal jaren geleden stond in het rapport De Staat van het Onderwijshierover al het volgende: «Scholen waar meer dan driekwart van deleerlingen een niet-westerse migratieachtergrond heeft, hebben vijf keerzoveel last van het lerarentekort als scholen waar minder dan een kwartvan de leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond heeft.» Weweten dat leraren hier onderling met elkaar over spreken en dat veelleraren niet op een zwarte school terecht willen komen. Dat is heelbegrijpelijk. Daar worden ze immers geconfronteerd met taalachter-standen en andere integratieproblemen. Zo zien we dus dat de massami-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53720 gratie ook op ons onderwijs een hele zware wissel trekt. Mijn eerste vraagaan de Minister is dan ook of ze dit erkent. Het probleem kan namelijkalleen opgelost worden als het eerst wordt erkend. Is de Minister bereid telaten onderzoeken waarom leraren bepaalde scholen in de Randstad enscholen met een zware leerlingenpopulatie mijden of weer verlaten? Zoniet, waarom niet?Het onderwijs wordt niet alleen geconfronteerd met de gevolgen van demassamigratie, maar heeft ook te kampen met een gezagscrisis – datkwam ook al een paar keer langs – die voor een deel daarmee samen-hangt, maar ook andere oorzaken kent. Op sommige scholen moetenleraren inmiddels werken in een omgeving waar rust, veiligheid en gezagin het klaslokaal niet meer vanzelfsprekend zijn, waar lesgeven telkensonder druk staat, waar een docent vakkennis, pedagogiek en crisisbe-heersing tegelijk moet leveren, en waar leraren vaak het gevoel hebbendat zij wel verantwoordelijk zijn, maar niet de ruimte, steun of middelenkrijgen om op te treden. Herkent de Minister dit? Hebben lerarentegenwoordig minder gezag in de klas? Is dit wellicht ook gerelateerd aanal die onzalige zogenaamde onderwijshervormingen die het ministerie deafgelopen decennia heeft laten neerdalen op het onderwijsveld? Onder-wijshervormingen en onderwijsvernieuwingen, zo zei de heer Boomsmanet terecht, kennen vrijwel allemaal een egalitair ethos, waarbij de docentniet langer wordt gezien als de meester die vertelt hoe het zit, maar alseen soort vriend die zijn leerlingen begeleidt als ze dat nodig hebben.Erkent de Minister dat orde in de klas, sociale veiligheid en rugdekkingvoor docenten van doorslaggevend belang zijn bij het bestrijden van delerarentekorten?Tot slot, voorzitter. Naast de massamigratie en de gezagscrisis op scholenwil ik nog een derde factor benoemen die, zo denken we, een oorzaak isvan het lerarentekort. Dat is het gebrek aan autonomie en eigenaarschapdat leraren ervaren. Dat wordt ook in allerlei rapporten genoemd. In hetrapport getiteld «Een kwestie van lange adem» schrijven de onderzoekershierover: «Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit vanhet onderwijs en hebben vanuit die positie aarzeling om leraren te veeleigenaarschap en zeggenschap over hun professionalisering te geven.»Dat zeggen die onderzoekers dus. Het gebrek aan zeggenschap enautonomie van leraren wordt inderdaad – dat zeggen ze zelf dus ook –deels veroorzaakt door schoolbesturen. Schoolbesturen zijn de afgelopendecennia gigantisch opgeschaald en zijn daardoor ver weg komen testaan van de leraren. Bovendien zijn die gigantische schoolbesturengetroffen door allerlei schandalen en mismanagement. Denk aan deaffaires bij Amarantis en Inholland. Die corruptie en affaires hebbenongetwijfeld ook het werkplezier van veel docenten vergald, en hebbenmisschien zelfs wel geresulteerd in een giftige werkcultuur op die scholen.Mijn derde en laatste vraag aan de Minister is of zij bereid is te onder-zoeken of de enorme schaalvergroting de afgelopen decennia wellicht eenvan de oorzaken is van de hoge uitstroom in het onderwijs en daarmeevan het lerarentekort. Is ze bereid om te laten onderzoeken of de omvangvan het schoolbestuur – dat wil zeggen: het aantal leerlingen waarvoor hetschoolbestuur verantwoordelijk is – gerelateerd is aan de uitstroom vanleraren, ziekteverzuim en lerarentekorten, waarvoor het schoolbestuurverantwoordelijk is?Voorzitter, ik rond af. Extra wervingscampagnes en een hogere instroomgaan het lerarentekort niet oplossen. Als de leraar na een paar maandendenkt «ik kan hier mijn vak niet uitoefenen», «ik sta er alleen voor»,«niemand grijpt echt in» en «ik heb weinig of geen autonomie in de klas»,dan is die leraar zo weer weg. Dan blijft het tekort zich opstapelen opprecies die scholen die de sterkste leraren het hardst nodig hebben. Dan ishet dweilen met de kraan open. We kijken uit naar de antwoorden van deMinister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53721 De voorzitter:Hartelijk dank, meneer Van Houwelingen namens de FVD-fractie. We gaanverder met mevrouw Moorman namens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Goed onderwijs begint met een goede leraar voorde klas. Daarom is het heel belangrijk dat we het hier specifiek hebbenover leraren. Dat is best moeilijk in vier minuten, dus ik moet me focussenop een aantal punten. Dat wil ik graag in vier punten doen. Ten eerste descheve verdeling van het tekort tussen de scholen, ten tweede of weaccepteren dat er een tekort is, ten derde de zijinstroom en ten vierde deexterne inhuurDe scheve verdeling is nog niet veel aan de orde geweest in dit commis-siedebat. Helaas is het ook niet echt aan de orde gekomen in het rapportdat we hebben gekregen over de historie. Het is echter wel het grootsteprobleem dat er op dit moment is. Er is een enorm tekort, maar sommigekinderen hebben daar veel meer last van dan andere kinderen, omdat hetoneerlijk verdeeld is over alle scholen. We zien dat de school waar iemandnaartoe gaat een enorme impact heeft op de uiteindelijke resultaten, dusdan is het niet gek dat er zo’n scheve verdeling is. Ik mis daar eenduidelijke notie in, ook in de brief van de Staatssecretaris en de Minister.Mijn vraag aan de Staatssecretaris en de Minister is dus: kunnen wij inkaart brengen wat de verschillen precies zijn en kunnen we daaropsturen?Er wordt ook gesproken over een deltaplan. Mijn collega Pijpelink heefteerder al een motie ingediend voor een deltaplan om de tekorten aan tepakken, vooral daar waar dat het allerhardst nodig is. Ongelijk investerenvoor gelijke kansen, zeg ik nog maar een keer. Ik ben benieuwd of we datdeltaplan kunnen maken. Ik ben ook benieuwd of dat via de schoolleiderkan. In de NAPL wordt er gestuurd op de leraar, maar eigenlijk niet op deschoolleider, terwijl we weten dat een schoolleider een cruciale sleutel kanzijn in het oplossen van het tekort. Hoe kunnen we de scholen met eenhoge weging nou aantrekkelijker maken voor leraren om op te werken?Voorzitter. Dan mijn tweede punt: accepteren we het tekort? Ik lees in debrief die we kregen naar aanleiding van het rapport dat we structureelminder leraren gaan krijgen. Ik vind dat een hele moeilijke notie, want ikwil niet structureel minder leraren. Waarom wordt dat op deze manieropgeschreven? Ik vind het onacceptabel. Vinden de Staatssecretaris en deMinister dat ook?Voorzitter. Ten derde de zijinstroom. Mevrouw Rooderkerk benoemde aldat er een AOb-plan van 141 miljoen ligt. Ik was heel blij om te horen datdat wordt uitgevoerd, want wij hebben daar eerder natuurlijk een motieover ingediend. Ik hoor graag hoe het kabinet dat plan gaat uitvoerenbinnen de bestaande financiële middelen. We hebben namelijk nog steedsgeen uitwerking gekregen van onze schriftelijke vragen over hoe demiddelen worden verdeeld.Voorzitter, tot slot. We hebben een motie over externe inhuur aange-houden, zodat we die in deze commissie kunnen bespreken. Er werdgezegd dat die te ver gaat, maar wij vinden het te ver gaan dat er heel veelonderwijsgeld verloren gaat aan commerciële uitzendbureaus. Eeningehuurde leraar kost ongeveer twee keer zoveel als een leraar in vastedienst. Dat geld gaat naar een commerciële sector. Bovendien maakt hetde continuïteit en kwaliteit van het onderwijs niet beter en het leraren-tekort juist groter. Er zijn meerdere plekken waar die externe inhuur wordttegengegaan. Zouden we dat niet landelijk moeten aansturen? Ookdaarop graag een reflectie van het kabinet.Voorzitter, dank u wel.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53722 Dank u wel. Ik zie dat de heer Van Houwelingen graag een interruptie wilplegen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb een korte vraag. Het is eigenlijk dezelfde vraag als ik aan mevrouwRooderkerk stelde. Is de PvdA inmiddels wel al zover dat zij erkent datmigratie een zware wissel trekt op ons onderwijs?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik wil daar twee dingen over zeggen. Het aantal leerlingen neemt af. Tentweede is er geen enkel bewijs dat leraren op sommige scholen metminder plezier lesgeven dan op andere scholen. Dat er grote verschillenzijn in kwaliteit, erken ik volledig. Je ziet vooral dat de kinderen die hetminste meekrijgen van thuis, vaak ook nog eens het minste krijgen opschool. Daarmee hebben ze een dubbele achterstand. Als wij echt willendat alle kinderen goed mee kunnen komen en dat kinderen zo goedmogelijk integreren in onze samenleving, en als we daar gelijke kansen inwillen geven, dan moeten wij dus juist voorkomen dat kinderen die alminder meekrijgen van thuis, ook minder meekrijgen op school. Danmoeten we dus ongelijk investeren. Op die scholen waar het het allerbe-langrijkste is, moeten we extra investeren.De voorzitter:De tweede interruptie van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Het is een sympathiek antwoord, hoor, maar ik krijg geen antwoord opmijn vraag. Ik zei al een paar keer dat je het probleem pas kunt oplossenals je het erkent. Is het nou wel of niet zo dat massamigratie of migratie –het woord dat u wilt gebruiken – een zware wissel trekt op ons onderwijs?Stel dat we helemaal geen migratie zouden hebben. Hadden we danwellicht minder problemen gehad in het onderwijs, of niet?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik begon meteen met mijn antwoord te geven. Het aantal leerlingen neemtaf. Ik zie een toename van allerlei andere zaken, zoals splinterpartijen aaneen bepaalde kant van het politieke spectrum, maar het aantal leerlingenneemt af. Ik vind het ook ingewikkeld dat er bij het onderwijsdebat dat wijhier met elkaar voeren weer door hetzelfde rietje wordt gekeken als altijd.Het probleem is dat kinderen niet hetzelfde krijgen in het onderwijs. Dat ishet allergrootste probleem. Dat kinderen met verschillende achtergrondennaar school gaan, weten we. Maar dat wij vervolgens een ongelijkmakermaken van het onderwijs, vind ik het fundamentele probleem. Dat wordtvervolgens weer neergelegd bij de kinderen die dat onderwijs hebbengenoten. Er wordt gezegd: kijk, dat is je eigen schuld. Maar je had geenkans. Je had geen vaste leraar voor de klas. Er werd niet in je geïnves-teerd. Je kreeg gewoon minder kansen. Door ook van dit probleem, hetprobleem van ongelijke kansen, meteen weer een migratieprobleem temaken, vertelt u echt iets aan de samenleving dat het probleem alleenmaar verdiept.De voorzitter:Afsluitend, de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ja, ik rond af. Het is toch triest dat dit probleem niet erkend wordt. Ik snapwaar u vandaan komt en wat u wil zeggen en dat is allemaal heelsympathiek, maar het is ook een feit dat leraren tegenwoordig vaakbedreigd worden, dat de PISA-scores dalen als een baksteen, dat we eenontzettend groot lerarentekort hebben en dat er heel veel problemen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53723 het onderwijs zijn. Dat hebben we zonet genoemd. Elke leraar die jeaanspreekt zal erkennen dat dat ook met migratie te maken heeft. BeterOnderwijs Nederland zegt het ook. Iedereen zegt het. Dat de PvdA datweigert te erkennen, ja, dat is ... U bent nog niet zo ver als uw Deensecollega’s; laat ik het daarop houden. Die zullen het namelijk wel erkennen.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Moorman, en dan ga ik verder met de heer Stoffer.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ben dol op het Deense onderwijs. Waarom? Ze selecteren daar later, zegeven tot een bepaalde leeftijd geen huiswerk en ze zetten vooral heel ergin op gelijke kansen, vooral daar waar de kinderen meer nodig hebben.Als de heer Van Houwelingen het met mij eens is dat alle kinderen inNederland gelijke kansen verdienen en dat daarom juist ook in kinderenmoet worden geïnvesteerd die minder meekrijgen van thuis, kunnen wehier zakendoen.De voorzitter:Eerst had de heer Stoffer nog een interruptie, namens de SGP.De heer Stoffer (SGP):Mevrouw Moorman had als laatste punt de externe inhuur. Ik denk dat ikdaar dezelfde gevoelens bij heb als mevrouw Moorman, maar ik krijgweleens het volgende terug uit het onderwijsveld. Ten eerste zeggenscholen dat ze op een of andere manier een flexibele schil moetenregelen. Hoe moet dat anders? Ten tweede hoor ik veel docenten zeggendat ze er op school allerlei dingen bij moeten doen, dus allerlei bureau-cratie enzovoorts. Als zij werken via zo’n inhuurconstructie hebben ze aldie ballast niet, al verdienen ze dan eventueel iets minder. Ze geven eersttwee dagen hier les en dan twee dagen daar, dus het is ook nog eenbeetje afwisselend. Hoe kijkt mevrouw Moorman daartegen aan? Hoekunnen we dat niet verliezen en ondertussen wel het probleem van dedure externe inhuur tackelen?De voorzitter:Hoe kijkt mevrouw Moorman daartegen aan?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dank aan de heer Stoffer voor deze zeer goede inhoudelijke vraag. Ikherken dit. Je hebt een flexibele schil nodig voor piek en ziek, met nameop het moment dat er leraren ziek zijn. Dan moet je gewoon mensenhebben die op dat moment kunnen invallen. En er zijn inderdaad mensendie liever gewoon flexibel zijn. Dat is het tweede punt van de heer Stoffer.Misschien willen ze bijvoorbeeld niet gebonden zijn aan schoolvakantiesen willen ze daarom liever invallen. Je kan dit heel goed met elkaar doenmet een invalpool van mensen die in dienst zijn. Je kan gewoon eenafspraak maken met meerdere schoolbesturen. Dat doen meerderegemeentes ook. Die maken gewoon een afspraak, van: oké, we hebbeneen pool van mensen die gewoon bij ons in dienst zijn, dus bij deschoolbesturen, maar niet gebonden zijn aan een vaste school. Het grotevoordeel daarvan is ook nog dat je daarmee continuïteit kan borgen. Wezien namelijk dat inhuurdocenten vaak ook geen oudergesprekken ofteamgesprekken willen doen, en dat ze daarmee ook de continuïteit in hetonderwijs niet verder helpen.De voorzitter:Meneer Stoffer, een tweede interruptie?De heer Stoffer (SGP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53724 Dank voor het antwoord. Ik denk dat we ook daarin best het een en anderdelen. Dat met die pools is natuurlijk goed te doen als je grote scholenhebt, en besturen waar veel scholen onder vallen. Nu ken ik ook scholenmet acht of negen groepen en één directeur-bestuurder en dat is hetongeveer. Ziet mevrouw Moorman daarvoor ook mogelijkheden? Hoe zouje daar vorm kunnen geven aan zo’n pool over scholen heen?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Jazeker. Ik denk dat je het daar ook zo moet doen. Ik zie, ook onder drukvan het lerarentekort, eigenlijk steeds meer solidariteit ontstaan tussenscholen. Dat is niet altijd makkelijk, maar je ziet gewoon op meerdereplekken in het land dat schoolbesturen, ook over verschillende denomi-naties heen, afspraken met elkaar maken over een invalpool. Maar hethelpt wel als de overheid daar ook in stimuleert, want nu moetenschoolbesturen dat allemaal zelf doen. En we weten hoe het is metsolidariteit: af en toe moet je die gewoon echt belonen, want dan gaanmensen het sneller doen. Het lijkt mij dus heel goed als wij vanoverheidswege zeggen: wij willen niet dat onderwijsgeld in de zakken gaatvan commerciële uitzendbureaus en we willen het belonen als er goedwordt samengewerkt.De voorzitter:Afrondend? Nee, dat was het, zie ik. Dan eerst mevrouw Raijer, voordat ikde heer Claassen het woord geef voor een interruptie.Mevrouw Raijer (PVV):Ik hoor de PvdA een aantal oplossingen noemen, zoals externe inhuur enzijinstromers, maar we weten allemaal dat mevrouw Moorman wethouderis geweest in Amsterdam, en dat Amsterdam aan de top stond wat betreftoneerlijke concurrentie met andere steden. Amsterdam beloofde namelijkheel veel om leraren binnen te halen, waardoor andere steden die lerarendus niet kregen. Ik wil van mevrouw Moorman weten hoe zij daar nu instaat.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Raijer heeft een punt. Toen wij in Amsterdam extra bonussengaven aan leraren en wij heel veel deden voor leraren om ervoor tezorgen dat we ze behielden, zoals voorrang op woningen, parkeervergun-ningen en extra reiskostenvergoedingen, trok dat leraren aan. Er wareninderdaad wethouders uit andere gemeentes die mij belden en zeiden:wat doet u nu, wethouder? Toen zei ik: dank voor uw compliment, wanthet werkt dus. We zagen dat er heel veel leraren wegtrokken naar andereplekken. Dat moesten we wel corrigeren, juist voor de scholen waar detekorten het grootst waren.Dit speelt in Amsterdam, maar ook in andere grote steden. Den Haag,waar we nu zijn, heeft het allergrootste probleem. Rotterdam heeft eengroot probleem. Almere heeft een enorm probleem. Als we dat willenoplossen, zullen we het aantrekkelijk moeten maken, bijvoorbeeld doorvoorrang op huizen, maar ook qua salaris. Gelukkig is er al het een enander gedaan in de afgelopen tijd. Wat mevrouw Raijer hier dus vooralzegt, is: het werkt. In het verleden werd weleens gedacht dat dat niet zo’nimpact had, maar dit laat dus zien dat het daadwerkelijk werkt. Laten weons beleid dus zo goed mogelijk inrichten, op basis van de bewijzen die erzijn.De voorzitter:Goed. Heeft meneer Claassen ook een interruptie?De heer Claassen (Groep Markuszower):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53725 Ja. Ik moet heel even nadenken, want die ging eigenlijk over een heelander onderwerp, van hiervoor. Ik hoorde GroenLinks-PvdA in hetinterruptiedebatje met Forum voor Democratie zeggen dat rust, orde enduidelijkheid in de klas belangrijk zijn, net als geen onderscheid maken opbasis van waar je vandaan komt. Toen moest ik denken aan het volgende.Mevrouw Moorman is op bezoek geweest in Engeland. Daar is ook eendocumentaire gemaakt. Dat was het toonbeeld van hoe het zou kunnen.Betekent dit dat u de inzichten van daar meegenomen heeft naar dezecommissie? Dat is overigens echt een oprechte vraag.De voorzitter:Mevrouw Moorman, nu verwachten we ook een oprecht antwoord.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik ga oprecht antwoorden. Dat was precies waarom ik daarnaartoe ging,meneer Claassen. Ik was er al een halfjaar – het was nog niet eens eenhalfjaar, denk ik, maar slechts een paar maanden – nadat ik wethouderwerd. Het mooie is: juist in Londen is er iets heel unieks gebeurd.Engeland heeft best wel veel privaatonderwijs, maar juist de publiekescholen zijn door jarenlange investeringen van de overheid, juist in debuurten waar veel problemen waren en dus juist door ongelijk investerenin die scholen, ontzettend goed geworden. Ze zijn zo goed geworden datook de kinderen van meer welgestelde ouders daarnaartoe gingen, wantdie weten altijd wel de plek te vinden waar het beste onderwijs te halen is.Dit bewees inderdaad dat investeren in heel goed onderwijs, in onderwijsdat gebaseerd is op bewezen effectieve methodes – daar ben ik het heelerg mee eens – echt wat oplevert voor kinderen. Dus dank voor dezevraag. Ik heb daar inderdaad veel van geleerd. Dat is echt een basisgeweest voor wat we later zijn gaan doen.De voorzitter:Ik kijk nog één keer naar de heer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat betekent dus dat we juist geen onderscheid moeten gaan makentussen waar iemand vandaan komt, wie de ouders zijn, of er eenachterstand is of niet. Je moet gewoon zeggen: iedereen is hetzelfde, webehandelen iedereen hetzelfde en we gaan niet lopen pamperen aan deonderkant, waar we misschien een reden vinden om te mogen pamperen.Dan zeg je gewoon: iedereen is gelijk. Is dat wat GroenLinks-Partij van deArbeid nu voorstaat?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Kinderen hebben echt wel verschillende achtergronden op het momentdat ze daar aankomen. Als een kind de taal niet spreekt, en dat kan ook zozijn bij ouders... Wij hadden bijvoorbeeld... Mag ik een klein beetjeuitweiden, voorzitter? Een heel klein beetje, ja. In Amsterdam-Noordhadden we bijvoorbeeld een autochtone bevolking die gewoon spraken inhele korte zinnen. Zij zeiden niet «doe de deur dicht», maar «deur». Hetene gezin is nou eenmaal taalrijker dan het andere gezin. Kinderen nemendat mee naar school. Zeker als ze geen voorschool of kinderopvanghebben gehad en niet in een taalrijke omgeving zijn opgegroeid – dat kanallerlei redenen hebben – hebben kinderen zo’n achterstand. Dan is hetheel verstandig dat de school daarop inspeelt en dus extra taalonderwijsaanbiedt om ervoor te zorgen dat kinderen op dat niveau komen. Hetheeft namelijk niks te maken met hun talenten; het heeft te maken methun achtergrond.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53726 Goed. We gaan wel richting een afronding van de eerste termijn. Ik geefde heer Boomsma nog het woord. Probeer het even beknopt te houden.De heer Boomsma (JA21):Mevrouw Moorman zei dat ze blij was met de vraag over de scholen inLonden. Ik was ook heel blij met haar antwoord. Ik herinner me eendocumentaire, Klassen, waarin te zien was dat zij die school bezocht. Erwas inderdaad zichtbaar dat er heel veel orde en tucht was. Er werd heelklassikaal lesgegeven. Toen haar werd gevraagd wat ze daarvan vond, zeize: nou, dat vind ik eigenlijk niks voor Nederland. Zoiets heeft ze toengezegd. Ik begrijp nu eigenlijk dat dat wel degelijk heel inspirerend was.Dat kan ik alleen maar toejuichen.De voorzitter:Wilt u wellicht reageren? Het is namelijk geen vraag, denk ik.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik vind het heel leuk om hier over de documentaireserie Klassen te praten.Ik raad iedereen aan om naar die serie te kijken, want daarin wordtongelofelijk duidelijk dat er ontzettend veel ongelijkheid is en dat onsonderwijs dat echt kan versterken door het systeem dat we hebben. Dankdat u dat nog een keer aan de orde brengt. Nogmaals, ik ben juist naarEngeland gegaan – overigens ben ik ook naar heel veel andere mooiplekken geweest in de wereld, zoals Finland, waar veel van te leren is –om daar inspiratie op te doen. Ik leerde daarvan dat het allerbesteonderwijs uiteindelijk ook de allerbeste manier is om segregatie tevoorkomen, maar dan wel voor alle kinderen, en niet voor sommigekinderen.De voorzitter:Helder. Dank u wel. We gaan naar de laatste spreker van de zijde van deKamer. Dat is de heer Stoffer namens de SGP-fractie.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter. Mijn spreektijd voor politieke partijen start ik met een reclame-spotje voor het leraarschap. Ik geloof dat collega’s het er al over hebbengehad. Dubbelgoed nieuws voor wie in het onderwijs wil werken: leraarzijn is een schitterend beroep dat er echt toe doet. Je draagt ook bij aan«onderwijsheid», zoals Kees Boele dat noemt. Van goed onderwijsworden leerlingen wijzer, het geeft voldoening en het salaris is inmiddelsbest stevig.Voorzitter. Deze positieve boodschap moeten we de komende jaren nietvergeten. Maar natuurlijk ziet ook de SGP niet over het hoofd dat hetonderwijs met twee grote problemen kampt: er zijn te weinig leraren en teveel regels. Er zijn veel concrete acties om meer leraren te werven, maarhet begint eigenlijk met meer erkenning van het vakmanschap vanleraren. De werkelijkheid van de afgelopen jaren was helaas dat lerarensteeds meer aan de leiband van goedbedoelde plannen en beleid lopen.Met een illusie van bewezen effectiviteit schrijft de overheid leraren enscholen steeds meer de les voor. Mijn vraag is: op welke manier willen debewindslieden de eigen kracht en ruimte van vaklui in het onderwijs meererkennen?Voorzitter. In de vorige Kamerperiode heeft de SGP onderstreept datleidinggevenden, lerarenopleiders en inspecteurs zelf ervaring moetenhebben en houden met het geven van onderwijs. Het is mooi dat deMinister nu werkt aan hybride functies, maar de vraag is: hoe zit het methet verzoek om een professionele richtlijn? Het kabinet wijst terecht op deverantwoordelijkheid van de werkgevers en werknemers. Is de Staatsse-cretaris bereid om met hen het gesprek aan te gaan over een richtlijn?Welke stappen worden gezet als het gaat om de onderwijsinspectie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53727 Voorzitter. Het blijft frustrerend om verhalen te horen dat de financiëledrempel naar het onderwijs soms te hoog is, bijvoorbeeld voor Chris –een andere dan ik. Hij werkt in het bedrijfsleven, heeft geen hbo-opleidingen valt buiten de regeling voor zijinstromers. Het collegegeld van € 2.700per jaar is best veel als je ook nog studerende kinderen hebt. Volgens detegemoetkoming studiekosten verdient hij te veel, maar de regelingbouwt al af vanaf € 43.000. Mijn vraag is: hoe komt zo’n gemotiveerdeman toch het onderwijs in?Voorzitter. Regelzucht is de wurgslang van het onderwijs. De coalitie wiltoezicht op de inspectie en op regeldruk. De inspectie zelf benadruktechter vooral dat de overheid te veel regels stelt. Er is maar één geloof-waardige oplossing: de rem op nieuwe regels en bestaande regels hetraam uit. Heel concreet noem ik hier het wetsvoorstel Strategischpersoneelsbeleid. Onze adviesorganen en de sectorraden zijn kritisch overde meerwaarde ervan. Bovendien leidt het tot nieuwe regellast enbeperkingen. Mijn vraag is: gaat het kabinet afzien van dit wetsvoorstel?Het zou een vertrouwenwekkend eerste signaal zijn richting het onderwijs.Voorzitter. De SGP is blij dat universiteiten werken aan een actieplan voorde talenstudies Frans en Duits. Dat begint met een externe adviesvraagover een breedgedragen, toekomstbestendige en uitvoerbare aanpak. DeMinister beschouwt het amendement nu al als afgedaan, maar zonderzicht op het vervolg zijn we dan, mijns inziens, te snel tevreden. Mijnvraag is: kan de Minister toezeggen dat ze de Kamer haar bevindingenstuurt zodra het advies en de reactie van de instellingen bekend zijn?Voorzitter. Identiteit is de smaakmaker in het onderwijs. Volgens hetcoalitieakkoord worden de kern van het curriculum en de toetsinggeüniformeerd. Mijn vraag is: kan de Minister bevestigen dat lerarenoplei-dingen voldoende tijd en ruimte houden om hun identiteit en profiel voluitvorm te kunnen geven? Krijgen profiel en identiteit ook een duidelijkplaats in het nieuwe kader van macrodoelmatigheid?Tot slot, voorzitter, een opsteker voor de nieuwe bewindslieden. De SGPvroeg namelijk om een dashboard voor het lerarenbeleid. Het ligt er nu enik vind het heel nuttig. Het zijn kleine lettertjes als je het print, maar ik konhet nog net lezen zonder bril. Dat was fijn. Ik zou zeggen: laat dit in iedergeval bijdragen aan scherpe focus en vooral, zoals het recenteMaastrichtse rapport benadrukt, aan koersvast beleid.Nu is mijn tijd op, dus dank u wel.De voorzitter:Op de seconde nauwkeurig inderdaad. Dat wil ik onderschrijven.Hartelijk dank voor uw bijdrages in eerste termijn. Dank u wel allemaal.We schorsen tot 15.15 uur, zodat de Minister en Staatssecretaris hunantwoorden kunnen voorbereiden. We schorsen deze vergadering tot15.15 uur.De vergadering wordt van 14.50 uur tot 15.15 uur geschorst.De voorzitter:Goed, dames en heren. We vervolgen met de beantwoording door deStaatssecretaris en de Minister naar aanleiding van de eerste termijn vande Kamer. Ik zou als eerste het woord willen geven aan de Staatssecre-taris. Aan u het woord.Staatssecretaris Tielen:Dank u wel, voorzitter. Ik probeer op het ministerie een motto in tebrengen. Wellicht is dat ook leuk voor uw Kamercommissie, namelijk: eendag niet geleerd is een dag niet geleefd. Leren is voor ons allemaalbelangrijk, maar voor jonge mensen en vooral voor kinderen is hetbelangrijk dat dat in het onderwijs gebeurt. Onderwijs betekent namelijkvooruitgang voor iedereen en heel goed onderwijs stimuleert talenten enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53728 creëert toekomstperspectief. Goed onderwijs wordt gegeven door goede,inspirerende lerarenteams. Leraren, schoolleiders en natuurlijke alleondersteunende collega’s inspireren, begeleiden en ontwikkelen descholieren van nu. Op mijn beurt wil ik als Staatssecretaris Onderwijs enEmancipatie die leraren en schoolleiders ook inspireren, begeleiden enhelpen ontwikkelen, om te zorgen dat onderwijs daadwerkelijk goedonderwijs is of wordt, voor scholieren en hun ouders, voor de vervolgop-leidingen, voor werkgevers en niet in het minst voor al die leraren,schoolleiders, en medewerkers in die scholen. Daar zijn we, samen methen, allemaal voor aan de slag, om maar weer even die titel van hetregeerakkoord aan te halen.Daarvoor gebruiken we de lerarenstrategie, die concrete maatregelen enwetsvoorstellen bevat langs de lijnen aantrekken en opleiden, behoudenen doorontwikkelen, professionaliseren, en toekomstbestendig maken.Die strategie bouwt aan heel goed onderwijs, ondanks de grote tekorten.Over die tekorten heeft uw Kamer al enige woorden gesproken. Het gekkeis dat er heel veel opgeleide leraren zijn en we toch grote tekortenhebben. Dat is een vraagstuk waar we mee zitten, want dat betekent datwe wat te doen hebben aan de plekken waar leraren willen werken, in deklas en op school. Werken in het onderwijs moet aantrekkelijk zijn. Deorganisatie van onderwijs moet daar wendbaar, weerbaar en realistischvoor worden, want sommige tekorten zullen blijven; mevrouw Moormanrefereerde daar al aan. Dat betekent dat we meer inzetten op teamwerk,ook inzetten op taakherschikking en meer moeten gaan samenwerken, inen rond de klas. Scholen moeten dus ook zelf blijven leren: «Wat kanbeter? Hoe kan het nog beter? Hoe kan het aantrekkelijker?» Dat leren zitdus wat mij betreft in ons aller DNA, want een dag niet geleerd is een dagniet geleefd.De voorzitter:Ik zie al een interruptie van mevrouw Moorman. Dit was de inleiding,neem ik aan. Ja? We gaan nu richting de blokjes. Als u een dringendverzoek heeft of een vraag hierover wil stellen, dan kan dat. Anders gaanwe gewoon eerst even naar het eerste blokje, zou mijn voorstel zijn.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Nog even voor de orde. Ik wil hem prima na de inleiding stellen, maar erwas net wel een zin waarvan ik dacht: daar wil ik nog wel even een vraagover stellen.De voorzitter:Nou, ga uw gang.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):De Staatssecretaris geeft hier aan dat sommige tekorten blijven. Ik vinddat een keuze, dus ik zou graag willen weten waarom zij die keuze maakt.Staatssecretaris Tielen:Het is deels een keuze, maar de wereld is niet helemaal maakbaar. Als wekijken naar het rapport van de staatscommissie demografie ... Hoe heethet ook alweer? Het is een best wel dik boek. Ik ben even de titel kwijt. Ikhad hem niet opgeschreven. Daarin zien we gewoon dat in de toekomsteen aantal tekorten, zeker in een aantal sectoren, eigenlijk onvermijdbaarzijn. We kunnen niet voor elkaar krijgen dat de helft – ik noem maar eveniets – van alle mensen die van school gaan in het onderwijs gaat werken.We zullen er dus ook rekening mee moeten houden dat we gewoon mettekorten te maken zullen hebben. De vraag is hoe we daar dan meeomgaan.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53729 Dit is natuurlijk overdreven. Het gaat niet om de helft. Het gaat om eenaantal dat gewoon gebaseerd is op het aantal leerlingen dat wij hebben.Het is een verdelingsvraagstuk. We zien bijvoorbeeld een ontzettendetoename van het aantal coaches. De vraag is: hoe maken wij hetonderwijs aantrekkelijk? We kunnen toch niet accepteren dat er gewoonniet genoeg onderwijzers zijn in een welvarend land?Staatssecretaris Tielen:Die opmerking maakte ik ook. Daarover ben ik het helemaal eens metmevrouw Moorman. We moeten zorgen dat het onderwijs een aantrekke-lijke omgeving is om in te werken, je talenten te kunnen ontwikkelen endie over te brengen op jonge mensen. Maar ik denk dat we rekeningmoeten houden of in ieder geval na moeten denken over hoe we omgaanmet schaarste aan de beroepsbevolking. Dat is wel een gegeven.De voorzitter:Mevrouw Moorman, uw laatste interruptie.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dit vind ik echt een gevaarlijke weg. Daarmee worden noodmaatregelen,bijvoorbeeld onbevoegden die voor de klas staan, eigenlijk dus gewoonhet nieuwe normaal. Dat vind ik eigenlijk onacceptabel. Deze keuze wordtnu zomaar gemaakt. Er wordt gezegd: het is zo. Ik denk dat het echt eenkeuze is.De voorzitter:Goed, een reactie van de Staatssecretaris. Ik stel voor dat zij daarnadoorgaat naar het eerste blokje.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Moorman doet een stelling en koppelt daar gelijk een anderestelling aan, alsof die twee direct verband houden met elkaar. Ik zeg nietdat noodmaatregelen normaal moeten worden. Zeker niet; ik kom daarstraks nog even op terug. Ik denk wel dat we moeten kijken hoe we hetonderwijs toekomstbestendig en wendbaar maken en hoe we ervoorzorgen dat we rekening houden met de tekorten. We zijn al heel lang bezigom die op te lossen. Overigens, het rapport van de staatscommissiedemografie heet «Gematigde groei». Ik denk dat we erover na moetendenken hoe we met die tekorten omgaan, houdende – volgens mij vindenmevrouw Moorman en ik elkaar daar zeker – dat de kwaliteit van hetonderwijs en de richting die onderwijs geeft aan de toekomst van jongemensen, op een hoog niveau blijven of in ieder geval komen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Hierop voortbordurend, want dit roept mij bij ook vragen op: ik neem aandat het doel moet zijn om het lerarentekort naar nul te brengen. Is dat ookhet doel van de Staatssecretaris?Staatssecretaris Tielen:Het belangrijkste doel van de Staatssecretaris is een hoge kwaliteit vantoekomstbestendig en wendbaar onderwijs. Daar gaat het om. Uiteindelijkhebben we daar leraren voor nodig, want zoals ik al aangaf, begintonderwijs bij goede leraren en schoolleiders. Maar er zitten volgens mijeen aantal stappen tussen dat doel en het een-op-een doorvertalen vanhet tekort, het kwantitatieve onderdeel van docenten, aan de kwaliteit entoekomstbestendigheid van onderwijs. Mijn belangrijkste doel is een hogekwaliteit van onderwijs voor alle scholen en alle kinderen. Daar hebbenleraren een heel belangrijke rol in.Mevrouw Rooderkerk (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53730 Daar sluit ik me helemaal bij aan. Kwaliteit kan zelfs niet zonder een leraar,want je kan geen onderwijs geven zonder een leraar voor de klas. Wehebben nu 10.000 leraren te kort. Waar zet de Staatssecretaris dan op in,want als we gaan investeren, moet dat toch een duidelijk doel hebben?Staatssecretaris Tielen:Ik hou van die vraag, want ik hou ervan dat wanneer we een doel hebben,dat doel ook meetbaar is. Maar het is nu voor mij net iets te vroeg omdaar echt een cijfer over te geven. Ik hoop dat ik mevrouw Rooderkerk omenig geduld mag vragen en erop terug mag komen in de brief over onslerarenbeleid en de voortgang daarvan, die voor de zomer met u wordtgedeeld.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank voor die toezegging. Ik zie daar echt naar uit. Ik denk echt dathet heel erg nodig is dat als wij investeren, wij er ook voor zorgen dat dieinvesteringen gericht zijn op kwaliteit, met duidelijke doelen. Ik zie de briefdus graag tegemoet.De voorzitter:Goed. Dank u wel. Een reactie ...Staatssecretaris Tielen:Het is altijd mooi als we ons ergens op kunnen verheugen. Ik denk echtdat we elkaar best heel goed kunnen vinden op een aantal van dat soortgrote lijnen.De voorzitter:Dan is er nog een interruptie van de heer Kisteman, VVD.De heer Kisteman (VVD):Puur ter verheldering. Kunnen wij de Staatssecretaris op dezelfde manierinterrumperen als we elkaar hebben geïnterrumpeerd? Dus korteinterrupties onder de 30 seconden? Ik zie nu dat dat zo is. Oké. Ik dacht uitde non-verbale communicatie begrepen te hebben dat we naar eenmaximum van vier gingen. Dan waren een aantal collega’s hier al bijnaklaar. Maar dat is nu duidelijk. Dank u wel.De voorzitter:Laat ik het nog even herhalen, ook voor de mensen die thuis met onsmeekijken. Het is zo dat interrupties korter dan 30 seconden niet wordenmeegeteld. Interrupties langer dan 30 seconden tellen direct als tweeinterrupties. We gaan tot een maximum van vier interrupties. Zo doen wehet ook in deze ronde.Ik wil nu graag de Staatssecretaris de ruimte geven om een eerste blokjete introduceren en jullie even mee te nemen. Daarna mogen jullie vanalles vragen. Doe het lekker kort en bondig, dan hebben we een mooidebat.Staatssecretaris Tielen:U legde het uit, voorzitter, en toen zag ik wat blikken van «het isingewikkeld», maar volgens mij werkt het leuk en zit er zo ook lekker vaartin het debat.De voorzitter:Er schuilt een leraar in mij.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53731 Staatssecretaris Tielen:Mooi!Voorzitter. Ik heb vijf blokjes, langs de lijnen van onze strategie. Het eersteblokje is aantrekken en opleiden. Dat gaat vooral over de vragen diegesteld zijn over de zijinstroom. Het tweede blokje gaat over behouden endoorontwikkelen. Dat gaat vooral over veiligheid en de basis rondom hetwerk als docent. Het derde blokje gaat over professionaliseren. Daarin zalik een aantal vragen beantwoorden over zeggenschap en inspraak. Hetvierde blokje gaat over toekomstbestendig en wendbaar maken. Endaarna heb ik uiteraard – u verwachtte het al, voorzitter – ook nog eenblokje overig.Ik begin met het eerste blokje, over aantrekken en opleiden. MevrouwArmut had een vraag over de financiële regelingen van de zijinstroom.Een variant van die vraag werd ook gesteld door de heer Boomsma vanJA21. Het is inderdaad heel belangrijk dat voordat mensen het zijin-stroomtraject ingaan, zij geholpen worden bij een bewuste keuze. Het isgoed om te benoemen – voor mij was dit best nieuw, dus ik vermoed datdat ook het geval is voor een aantal Kamerleden – dat er onderwijsregio’szijn waarin schoolbesturen van zowel primair als voortgezet onderwijs,dus van zowel basisscholen als middelbare scholen, samenwerken met delerarenopleidingen. Ze bekijken wat er aan leerlingenaantallen op henafkomt, hoe ze daarmee om moeten gaan, wat ze dan aan tekortenhebben, wat ze überhaupt nodig hebben aan opleidingen en wat zekunnen verwachten van de zijinstroom. Zo maken ze onderling afspraken.Dat werkt best goed. Het voortraject bedenken ze ook samen, bijvoorbeeldhet inzetten van een zogenoemde instroommakelaar en oriëntatiepro-gramma’s zoals Zin in Lesgeven, waarin zijinstromers drie dagen langworden ondergedompeld in de ins en outs van het leraarschap, zodat zeweten waar ze aan beginnen. Dit helpt om als zijinstromer over te stappennaar het onderwijs. Daarnaast worden schoolbesturen gesubsidieerd meteen subsidie zijinstroom à € 25.000 per zijinstromer per jaar, om te zorgendat het ook financieel uit kan, in overleg tussen zijinstromer en de school.We zien dat deze bevordering van zijinstroom succesvol is. Als je 2018vergelijkt met het afgelopen jaar dan zijn we van 1.000 zijinstromersgegroeid naar 2.250 zijinstromers, zowel in het p.o., dus op basisscholen,als op middelbare scholen als op het mbo, waar de groei echt enormgroot is.We gaan hier gewoon mee door. De onderwijsregio’s spelen daar eenbelangrijke rol in. Zij maken afspraken over het aantal zijinstromersbinnen die regio, zodat ze daar elkaar op kunnen stimuleren. Ik benuiteraard in gesprek, zeker ook over dit onderwerp, met alle partners inhet basisonderwijs, middelbaar onderwijs en speciaal onderwijs om tekijken of er extra zijinstromers nodig zijn en hoe we het traject nog beterin kunnen regelen om de drempels zo klein mogelijk te maken en deaantrekkelijkheid zo groot mogelijk. In de brief die ik uw Kamer voor dezomer doe toekomen, kan ik een korte samenvatting geven van diegesprekken.Het was ook een vraag van mevrouw Rooderkerk of de samenwerkinggoed is. Zoals ik al zei, zitten zowel de opleiders als de schoolbesturen zelfin die onderwijsregio’s om met elkaar afspraken te maken. Ze hebben ookeen regionaal informatieloket waar overstappers duidelijke informatiekunnen krijgen die ze nodig hebben om de keuze om zijinstromer wordente kunnen maken.Een specifieke vraag van mevrouw Rooderkerk was hoe je ervoor zorgtdat de zijinstromer weet waar die terecht moet. Kan de zijinstromerdaarbij worden geholpen in plaats van naar – ik noem maar eventjes wat –tien verschillende scholen een brief te moeten schrijven? De instroomma-kelaar kan deze match echt faciliteren.De heer Chris Stoffer refereerde aan een andere meneer, Chris ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53732 De voorzitter:Er is toch een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat de Staatssecretaris zei, ook over de instroommakelaar, klinkt goed.Maar ik sprak vorige week nog een zijinstromer die wél de ervaring haddat ze zelf bij tien scholen moest vragen om een plek, terwijl er toch eenheel groot tekort is. Is het dus mogelijk om ook te onderzoeken of ditoveral goed geregeld is of dat er heel veel verschillen zijn?Staatssecretaris Tielen:Ik denk dat voor heel veel dingen in ons domein geldt dat er echtverschillen zijn tussen scholen en tussen leraren, maar ook tussen regio’s.Maar ik vind het prima om richting die brief in de zomer daar wat kleuraan te geven en in ieder geval te stimuleren dat het overal in alle regio’sgoed werkt, want ik denk dat dat voor zijinstromers heel belangrijk is.De voorzitter:Een vervolginterruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank daarvoor. Ik denk dat dit juist belangrijk is omdat we, ook in hetakkoord, naar een eenduidig curriculum toe willen. Natuurlijk willen weook maatwerk mogelijk maken, maar die 270 routes tot het leraarschapzijn echt te complex en te veel. Ik denk dat het goed past in dit streven omook zoiets eenduidiger te maken.Staatssecretaris Tielen:Over het curriculum verwijs ik naar de Minister, want zij gaat over deopleidingen an sich. Maar ik hoor goed wat mevrouw Rooderkerk zegtover zorgen dat de onderwijsregio’s in ieder geval het matchen en het aanelkaar verbinden van zijinstromer en school op een goede en herkenbaremanier regelen.De voorzitter:U vervolgt.Staatssecretaris Tielen:Ik was al begonnen met mijn antwoord op de vraag van de heer Stofferover de financiële drempels. Er zijn twee routes. Als zijinstromers eenlerarenopleiding volgen en collegegeld betalen, kunnen zij via hetlevenlanglerenkrediet een lening krijgen voor de studiekosten. Zijin-stromers met werkervaring kunnen via de zogenoemde regeling«Zij-instroom in beroep» binnen twee jaar een bevoegdheid behalen. Zo’nzijinstromer heeft dan een aanstelling en ontvangt ook direct eenlerarensalaris. De kosten voor scholing komen voor rekening van hetschoolbestuur en niet voor die van de zijinstromer. De werkgever krijgt,zoals ik net al noemde, € 25.000 subsidie per zijinstromer voor diescholings- en begeleidingskosten. We hebben natuurlijk ook geprobeerdom de beloning van leraren zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Zijin-stromers die in het onderwijs zijinstromen, verdienen vergeleken met eenaantal andere sectoren een redelijk goed salaris.Mevrouw Moorman en mevrouw Rooderkerk vroegen naar hetAOb-actieplan. We vinden dat daar heel veel positieve elementen in zittenwat betreft zijinstromers als extra leerkracht. We denken ook dat het eenhele succesvolle maatregel kan blijven in de aanpak van het lerarentekort.Dat blijft namelijk onverminderd belangrijk. Ook alle partners in het veld,om het maar zo te noemen, dus alle betrokken partners, zijn hier positiefover. Het inzetten van de zijinstromer voor een halfjaar aan het begin vanhet traject als extra leerkracht kan daar echt wel bij helpen. Wel is het eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53733 kostbare maatregel, om het maar zo te zeggen. We hebben zelf uitge-rekend dat het ongeveer 141 miljoen zou kosten. We zijn nu in gesprekmet alle partners over dit deel van het plan. Ik kijk hoe we daar een impulsaan kunnen geven. We zullen daarop terugkomen, maar ik kan er noggeen toezeggingen op doen.De voorzitter:Ik zie dat het eerste blokje, aantrekken en opleiden, ongeveer gereed is.Mevrouw Moorman wil een interruptie plegen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Op dat laatste punt. Zes maanden bovenformatief is 39 miljoen. Studie-verlof is 102 miljoen. We wachten nog op de antwoorden over hoe hetbedrag van 1,5 miljard wordt verdeeld. Kan de Staatssecretaris dat daarinmeenemen?Staatssecretaris Tielen:Die antwoorden zijn al best ver in het proces, dus ik verwacht dat het nietmeer heel lang duurt voordat mevrouw Moorman die in haar Parlisinboxzal krijgen. We hebben daar iets nadere... U ziet daarin een tabel met eenaantal van de elementen. We nemen alle onderdelen van de ambities diewe hebben daarin mee. Dat zult u dus waarschijnlijk volgende week in dietabel zien.De voorzitter:Voor de mensen thuis: het Parlissysteem is het systeem dat wij alsparlementariërs gebruiken. Daarin krijgen we de post van de andere kant.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Zit dit er dan ook in?Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Moorman, maar natuurlijk ook alle andere Kamerleden zullendaar het onderdeel zijinstroom in terugzien. Maar dat betreft natuurlijkmeer dan alleen het AOb-plan.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):De vraag kan meteen, want anders kost het later weer een moment. Zoude Staatssecretaris dan ook kunnen onderscheiden wat waarnaartoe gaaten hoeveel naar het AOb-plan gaat? Dan gaat het dus over zowelbovenformatief als het studieverlof.De voorzitter:Goed, we gaan het de Staatssecretaris vragen.Staatssecretaris Tielen:Dat zou ik net een beetje voorbarig vinden, juist omdat ik nu met allebetrokken partners in het veld in gesprek ben over hoe we die verschil-lende maatregelen het beste kunnen neerleggen. Het AOb-plan is zekeronderdeel van die gesprekken, maar ik ga nu nog niet zeggen: het wordtzoveel voor dit en zoveel voor dat. Daar wil ik echt even het gesprek metde partners voor afwachten. Volgende week is dan dus net te vroeg.De voorzitter:Goed. Dan ronden we het blokje aantrekken en opleiden af. Ik vraag deStaatssecretaris te vervolgen met het volgende blokje.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53734 Staatssecretaris Tielen:Dank u wel, voorzitter. Dat is behouden en doorontwikkelen, waaronderde veiligheid en het plezierig kunnen werken. Ik heb daar een aantalvragen over gekregen. Ik vind het fijn om daar het volgende bij tebenoemen. Ik denk dat een aantal van uw Kamerleden er ook al aanrefereerde. Überhaupt zij we als politiek, samen met de lokale politiek, aanhet zoeken hoe we het leven in wijken veiliger en beter kunnen maken. Iknoem dat in jargon «de sociaal-pedagogische basis». Dat gebeurt zekermet gemeenten, maar ook met ouders en met de stevige lokale teams.Begin deze week werd bekend dat daar vanuit de Minister van LangdurigeZorg, Jeugd en Sport aan wordt gewerkt. Hoe zorgen we überhaupt dathet in en om de school sociaal-pedagogisch verantwoord oftewel veilig enplezierig is? Vanuit Onderwijs zijn we sowieso nauw bij dat trajectbetrokken en bemoeien we ons daar dus ook mee, omdat we dat een heelbelangrijke basis vinden voor het onderwijs. Binnen en om die scholen ishet natuurlijk belangrijk dat leraren zich beschermd weten tegen agressieen andere incidenten.Mevrouw Armut vroeg wat we daaraan doen. Hoe zorgen we dat datvoorkomen en bestreden wordt? Er gebeurt al heel veel op scholen. DeInspectie van het Onderwijs en de Stichting School & Veiligheid biedenscholen gezamenlijk toegang tot hulp bij dit soort vraagstukken, zowel bijbeleid als bij incidenten. De Inspectie van het Onderwijs doet datbijvoorbeeld middels vertrouwensinspecteurs. Verder zijn we in een bestvergevorderd stadium met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs,waarmee we scholen willen helpen om onveiligheid en de aankondigingdaarvan eerder te kunnen zien, er eerder op in te kunnen grijpen en tekunnen voorkomen. Een van de onderdelen daarvan is het hebben vaneen interne en externe vertrouwenspersoon, zodat leraren zich niet alleenhoeven te voelen in waar ze tegenaan lopen en ze altijd ergens terecht-kunnen. Dat geldt overigens ook voor scholieren, maar zeker voor leraren.Daarnaast ben ik in gesprek met de sectorraden, de PO-Raad en deVO-raad, om te kijken hoe we de relatie tussen ouders en de schoolkunnen verbeteren. Ik denk dat dat ook een belangrijk element is binnendit vraagstuk.Mevrouw Armut en mevrouw Raijer vroegen of de Inspectie van hetOnderwijs eigenlijk ook let op de veiligheid van docenten. Dat is dan weernet iets anders geregeld. De veiligheid van docenten is namelijk geregeldin de Arbeidsomstandighedenwet. De Nederlandse Arbeidsinspectie zietdaarop toe, niet de Inspectie van het Onderwijs. De inspecties komennatuurlijk wel op heel veel scholen, hebben nauw contact en hebben ookvertrouwensinspecteurs, dus de onderwijsinspectie kan er wel op toeziendat het veiligheidsbeleid binnen scholen op orde is volgens de wet. Ikverwees net al naar het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, waar we nogeen aanscherping aan doen om dat nog beter te kunnen borgen.Meneer Van Houwelingen vroeg naar de gezagscrisis en wat daarvan heteffect is op school. Ik denk dat meneer Van Houwelingen en ik elkaar dehand kunnen schudden wat betreft het grote belang van veiligheid opschool, zowel voor scholieren en docenten als voor al het anderepersoneel dat op school werkt. Scholen hebben de verantwoordelijkheidvoor een positief pedagogisch klimaat. Daar horen ook hele helderegedragsnormen en schoolregels bij. Binnen de lerarenopleiding en in depraktijk wordt daar ook aandacht aan besteed. In de praktijk begint datnatuurlijk met een schoolcultuur onder leiding van schoolleiders. Middelsde Stichting School & Veiligheid is er een subsidie voor scholen om dieschoolcultuur op orde te brengen en om daar aandacht aan te besteden.We werken met de sectorraden – ik verwees daar net al naar – ook aan demogelijke verbetering van de relatie tussen scholen en ouders en deouderbetrokkenheid.De heer Van Houwelingen (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53735 Veel dank voor de beantwoording. Toch staat het gezag van de leraaronder druk; ik denk dat heel veel Kamerleden dat delen. De vraag is dan:hoe komt dat? Wij dachten dat een van de verklarende factoren wellicht isdat het met de onderwijshervormingen te maken heeft, waardoor deleraar een soort vriend is geworden in plaats van een instructeur. Hoe kijktde Staatssecretaris daarnaar? Wat zouden de oorzaken daarvan kunnenzijn?Staatssecretaris Tielen:Ik denk dat er in de afgelopen 20, 30, 40, 50 jaar überhaupt heel veel isveranderd in de samenleving. Dat is niet alleen maar nadelig, zou ik willenzeggen. Meneer Van Houwelingen vroeg naar een gezagscrisis. Is het perse alleen dat of is er ook gewoon veel meer mondigheid in de helesamenleving, omdat er veel meer vrijheid, ontwikkeling en ontplooiing inde samenleving is? Die twee dingen horen ook wel een beetje bij elkaar. Ikkan me niet herinneren dat we een onderwijshervorming hebben gedaanmet de titel «De leraar is uw vriend». Maar goed, misschien heb ik datverkeerd. Ook daar geldt weer voor dat er heel veel verschillen bestaan inhet onderwijsdomein: verschillen tussen leraren, verschillen tussenscholen, verschillen in kwaliteit en verschillen in populatie. Ik denk dat ikde conclusie die meneer Van Houwelingen zoekt, dus niet zoeen-twee-drie zou ondersteunen.De voorzitter:De heer Van Houwelingen heeft een vervolginterruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Er zijn natuurlijk meer oorzaken, maar ik denk wel dat er een verband ligt.Dan een andere vraag over de veiligheid en het sociaal-pedagogischklimaat, waar de Staatssecretaris het over had. Is er dan ook een relatie teleggen met migratie? Ik heb daar een interruptiedebatje over gehad. Trektmigratie wat de Staatssecretaris betreft wel of niet een zware wissel opscholen?Staatssecretaris Tielen:Ik heb daar geen eenduidige rapporten of onderzoeksresultaten van. Ikdenk dat ook daar heel veel verschillen zijn en dat er in wijken waar veelniet-westerse migranten wonen scholen zijn waar geen gezagscrisis aande orde is, om het maar zo te zeggen, en in andere wel. Waar we volgensmij naar moeten zoeken, is hoe we schoolleiders en docenten in goedeteams de ruimte geven om hun eigen sociaal-pedagogische klimaat opschool, om school en in de klas vorm te geven, waarbij ouders, zoals ik aleerder zei, ook een belangrijke rol spelen.De voorzitter:De heer Van Houwelingen, afsluitend.De heer Van Houwelingen (FVD):Tot slot, voorzitter. Volgens mij zijn die cijfers onomstreden. Dat kan deStaatssecretaris eventueel nakijken. Dat staat ook in de rapporten. Het isniet om niet-westerse migranten af te kraken – dat is mijn doel niet – maarnaarmate de school er daarvan meer heeft, zie je dat het een zwaardereschool is, dat er meer vacatures zijn en dat het verloop hoger is. Dat zoude Staatssecretaris eventueel zelfs kunnen onderzoeken; dat was een vanmijn vragen. Als je dat allemaal ziet, dan kun je toch niet anders danconcluderen, wat al die leraren en Beter Onderwijs Nederland ook zullenzeggen, dat het in ieder geval een heel zware wissel trekt op hetonderwijs? Dat dit niet met een volmondig ja beantwoord kan worden,blijft me verbazen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53736 Staatssecretaris Tielen:Ik hoorde niet echt meer een vraag van meneer Van Houwelingen, alleenzijn uitroep van verbazing, wat mag. Daar zullen we vast nog eenvolgende keer op terugkomen, als ik meneer Van Houwelingen een beetjeken.De voorzitter:U blijft waarschijnlijk nog wat langer; dat denk ik wel, ja. Ik zag ook nogeen vraag van de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Het is natuurlijk het beeld dat wij ook vaak horen. Voorheen, als je hetslecht deed op school en straf kreeg, kreeg je thuis nog meer straf. Nugaan de ouders verhaal halen. Herkent de Staatssecretaris dat en ziet zijnog een rol voor de overheid om een bepaalde normvervaging die daar isopgetreden op een of andere manier te herstellen?Staatssecretaris Tielen:Ik wil daar niet te flauw over doen, maar ook daar zitten natuurlijk heelveel verschillen. Dat heeft onder andere met de sociaal-pedagogischebasis in en om de school te maken, maar ook met de wijk enzovoort. Eénding is belangrijk en daarom ga ik het gewoon nog een keer noemen,want ik vind het zelf ook. Meneer Boomsma verwees volgens mij naar depodcast met het interview met meneer Andreas Schleicher van de OESO.Ouderbetrokkenheid is natuurlijk heel belangrijk. Als ouders denken «iklever mijn kind af op school en dan krijgt het na zoveel jaar een diploma;dat is mijn betrokkenheid», dan schiet dat tekort, denk ik. Andersom geldthet ook. Als leraren zeggen «komt u op woensdag voor de zomervakantiemaar met uw schoonmaakemmertje de tafeltjes schoonmaken en verderhoef ik u niet te zien», is dat ook niet goed. Volgens mij is het heelbelangrijk dat er tussen leraren, ouders en scholieren een onderwijsrelatieis. Ouderbetrokkenheid is heel belangrijk daarbij. Ik heb geen idee of hetdoor het een of het ander komt, maar als het doel is om dat veel meer aanelkaar te verbinden, is dat beter. Dat zie je ook in goede scholen, metgoede kwaliteit.De voorzitter:Oké, goed. Dan zou ik u willen verzoeken om verder te gaan met hetblokje behouden en doorontwikkelen.Staatssecretaris Tielen:Het ging onder andere over de terugkeergarantie. Mevrouw Rooderkerkvroeg: is het goed om een terugkeergarantie als maatregel te nemen? Ikvind het eigenlijk jammer als het signaal is: als het mislukt, kunt u altijdweer terug. Tegelijkertijd kan het voor sommigen wel het risico verkleinen.Ik snap de vraag dus wel, maar ik weet niet of dat nou de oplossing moetzijn. Overigens kan het nu al. Werkgever en zijinstromer kunnen natuurlijkmet elkaar afspraken maken over wat mogelijk is. Dat gebeurt ook al,maar ik weet niet zeker of het nou het beste signaal is om dat wettelijk enlandelijk af te dwingen. Ik weet ook niet zeker of het helemaal eerlijk is,want voor sommige zijinstromers zou dat wel kunnen, bijvoorbeeld als zeambtenaar zijn, maar als ze bij een private onderneming werken, kan hetniet. Ik weet dus niet zeker of dit nou de beste maatregel is om daarvoorte zorgen.De voorzitter:U lokt een interruptie uit.Staatssecretaris Tielen:Ja, dat mag, maar ik maak even mijn antwoord af.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53737 De voorzitter:Helemaal prima.Staatssecretaris Tielen:Er zit namelijk nog een onderdeel bij, want het gaat natuurlijk ook over hetantwoord op de vraag – ik denk dat mevrouw Rooderkerk daarnaar zoekt,want daar hebben we ook een aantal vragen over gehad – of je weet waarje aan begint als je de keuze maakt en of het risico klein is. We zien nu datonder andere door dat voortraject, door de goede selectie en de inves-tering in begeleiding, de uitval onder zijinstromers eigenlijk best wel laagis, namelijk tussen de 5% en de 7%. De meeste zijinstromers weten dusgewoon waar ze aan beginnen en zijn ook blij met die stap.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk, D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is hier maar net een beetje hoe je het bekijkt. Je kunt het op diemanier negatief framen, maar aan de andere kant kan dit ook een helegrote stimulans zijn om die stap gewoon te zetten. Ik denk ook: een beterewereld begint bij jezelf. Laten we als Rijksoverheid nou ook mensen dekans geven om leraar te worden en het makkelijker maken om die stap tezetten. Ik ben ook ambtenaar geweest en het is soms toch een beetje eengouden kooi.De voorzitter:Nou, dat is interessant. Mevrouw Tielen, de Staatssecretaris, over degouden kooi.Staatssecretaris Tielen:Ik ben er in het totale beeld van kijken hoe je ervoor zorgt dat de zijin-stroom goed blijft en dat we voldoende ervaren mensen met levenser-varing en een goede rugzak voor de klas krijgen, niet van overtuigd dat ditde beste regeling is om wettelijk af te dwingen. Dat laat onverlet datzijinstromers daar inderdaad met hun werkgevers gewoon afspraken overkunnen maken. Volgens mij komt dat binnen de Rijksoverheid ook welvoor.De voorzitter:U vervolgt, alstublieft.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Armut had een vraag over de klachtenprocedures. Ik maak eveneen stapje terug naar veiligheid en agressie. Het begint dus met eengoede schoolcultuur. We ondersteunen scholen met het programmaSchool als veilige leergemeenschap, waarin we ook aandacht hebbenvoor het voorkomen van conflicten. Heel veel klachtenprocedures lopenal, maar met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs maken we deklachtenprocedure nog eenduidiger en beter. De Stichting School &Veiligheid is daarin nu al werkzaam, maar kan vanuit dat wetsvoorstel nogwat meer doen als het gaat over handreikingen, protocollen, checklists ende vraag hoe je omgaat met klachten.Meneer Boomsma en meneer Stoffer hadden een vraag over hetwetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid. Afgelopen december heeft deRaad van State advies gegeven over dit wetsvoorstel. We zijn nu aan hetkijken wat we met dat advies willen doen. Uiteraard zijn we ook in gesprekmet heel veel betrokkenen, waaronder uw Kamer. We luisteren daarnatuurlijk naar, maar denken zelf ook nog verder. Ik ga terugkomen op watwe precies met dit wetsvoorstel gaan doen, in de loop van de komendemaanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53738 Mevrouw Moorman vroeg hoe het mogelijk gemaakt kan worden dathooggewichtscholen wellicht aantrekkelijker worden voor leraren. Wehebben daar landelijk natuurlijk de arbeidsmarkttoeslag voor geïntrodu-ceerd. In de regio’s werken we samen met de onderwijsregio’s om ervoorte zorgen dat er in afstemming met zowel de opleidingen als de scholenen de schoolbesturen ook daadwerkelijk op alle scholen goede lerarenvoor de klas gezet kunnen worden.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Dit gaat me toch iets te kort door de bocht. Er is net een artikel verschenenin ESB van Jonk en De Wolf dat laat zien dat het eigenlijk steeds ongelijkerwordt tussen scholen, niet alleen in het basisonderwijs maar ook in hetvoortgezet onderwijs. Ik vroeg eigenlijk drie dingen. Kunnen we eendeltaplan maken? Kan het niet ook via de schoolleider? En hoe maken wegewichtscholen nou aantrekkelijker? Het antwoord «dat doen we al» isdus niet genoeg, want het wordt steeds ongelijker.Staatssecretaris Tielen:Nou, we doen het al, maar het is wellicht nog niet genoeg. Het artikelwaar mevrouw Moorman naar verwijst, heb ik niet helemaal scherp, dusdat zou ik tot me moeten nemen. Dat laat onverlet dat – ik zei het net al –we ook goed moeten kijken naar wat er in die onderwijsregio’s gebeurt,hoe dat nog beter kan en waar ze dan tegenaan lopen. Daar heb ik nugeen antwoord op, maar ik wil er uiteraard op terugkomen om te kijken ofdat nog nieuwe of andere inzichten geeft.De voorzitter:Een vervolginterruptie van mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Deze toezegging vind ik heel fijn. Zou u dan een overzicht kunnen gevenvan die verschillen en welke maatregelen we daartegen kunnen nemen?Dat zou erg helpen voor het debat.Staatssecretaris Tielen:Ja. Ik laat mezelf de vrijheid om erop terug te komen of ik dat in eentabelletje of gewoon in een tekst zet.De voorzitter:Gaat u verder met de, denk ik, laatste paar onderdelen van dit blokje.Staatssecretaris Tielen:De laatste vraag was van meneer Kisteman. Die ging over de pilotmeerurenmaatwerk, die nu een maand of vier loopt. We verwachten datde eerste leraren in september van dit jaar ook dat meerurenmaatwerkkrijgen, om het maar zo te zeggen. De pilot duurt drie jaar. Ik vind het indit redelijk prille stadium van de pilot dus nog wat vroeg om al te zien watwe daar op lange termijn wel of niet uit gaan halen, daarom is het ook eenpilot. Het is ook een behoorlijk nieuwe aanpak die niet alleen eencultuurverandering vraagt maar ook per school een puzzel opwerpt. Ikverheug me er heel erg op dat deze pilot echt gaat lopen, omdat ik denkdat die heel veel aanknopingspunten gaat geven. Ik durf nog niet tezeggen welke dat precies zullen zijn. Ik kan dus nog geen toezegging doenop de vraag van meneer Kisteman.Mevrouw Armut (CDA):Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. In mijn bijdrage hebik best uitgebreid stilgestaan bij grensoverschrijdend gedrag richtingleraren. Ik heb daarover gezegd dat het natuurlijk een maatschappelijkprobleem is. Ik verwacht dus zeker niet van de Staatssecretaris dat zij datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53739 met één draai aan de knop op kan lossen. Tegelijkertijd maakt dat het weleen beetje onbevredigend om de antwoorden aan te horen over bijvoor-beeld die klachtenprocedures. De Staatssecretaris zei dat het wetsvoorstelVrij en veilig onderwijs eraan komt en dat daarin ook terugkomt hoescholen daar bijvoorbeeld beter mee om kunnen gaan. Alle gesprekkendie ik hierover met schoolleiders en leraren heb gehad, gaan over hoeongelofelijk tijdrovend deze klachtenprocedures zijn, hoeveel uren zedaaraan kwijt zijn en wat voor impact dat heeft. Ik ben een beetje op zoeknaar hoe we dat kunnen versimpelen en beter kunnen maken. Ik snap dater klachten ingediend kunnen worden door ouders en dat die serieusgenomen moeten worden, maar hoe maken we het nou beter enontzorgen we de schoolleiders en leraren op dit vlak?De voorzitter:Hoe maken we dat beter? De Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Ik herken heel erg wat mevrouw Armut noemt. Precies daarom hebben wedaar in het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs heel specifiek een deelaan gewijd. Als ik daar nu op vooruit ga lopen, dan doe ik het debat tekort.Bovendien weet ik alle ins en outs nog niet helemaal. Ik hoop dus datmevrouw Armut met mij uit wil kijken naar het moment dat we die wetnaar u toe kunnen sturen en daarover in gesprek kunnen gaan. Ik herkennamelijk heel goed wat ze zegt over dat het tijdrovend is en over demoeite die het scholen soms kost om die klachten goed af te handelen.De heer Kisteman (VVD):Ik wil even terug naar het meerurenmaatwerk. De Staatssecretaris geeftaan dat het een pilot is van drie jaar. Worden wij dan als Kamer tussen-tijds nog op de hoogte gehouden van eventuele ontwikkelingen die deStaatssecretaris ziet, aangezien zij net zo enthousiast is als wij zijn?Staatssecretaris Tielen:Dat weet ik nog niet; ik ben enthousiast over wat er misschien gaatkomen. Het lijkt me goed om dat één keer tussentijds te doen, als we ookal een beetje body hebben van wat er dan uitkomt. Ik kan me voorstellendat we daar in de zomer of het najaar van ’27 dan wel een beeld vanhebben.De voorzitter:U gaat vast naar de termijn vragen, meneer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):Hoe en waar?De voorzitter:Hoe en waar.Staatssecretaris Tielen:In de Kamer zijn we blij als er brieven komen, dus ik denk dat meneerKisteman graag een brief wil. Ik kan me voorstellen dat dat in het najaarvan ’27 wordt, want dan hebben we er net een lopend jaar met docentenop zitten. Ik snap dat dat heel erg ver weg klinkt. Het is natuurlijk het voor-en nadeel van het onderwijs dat we met schooljaren te maken hebben.De voorzitter:De heer Kisteman heeft net de award voor kortste interruptie binnenge-sleept. Ik zag volgens mij nog een interruptie van mevrouw Armut. Nee?Oké. Hartelijk dank. Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Dan gaan wenaar het derde blokje: professionaliseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53740 Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de motie over de lerarentoets en, metname, in het verlengde daarvan de lerarenraad. Ik houd van betrok-kenheid van leraren op alle niveaus, om het maar zo te zeggen: bij huneigen school, bij het schoolbestuur en zeker ook bij ons beleid. We hebbenin de vorige lerarenbrief aangegeven hoe we de verschillende opties vaneen lerarentoets uitwerken. Een lerarenraad kan zeker een van die optieszijn, ook om juist die niet-georganiseerde leraren te kunnen betrekken bijwat we allemaal nodig hebben en van plan zijn. Zoals ik al zei, zijn we dieopties aan het uitwerken en op een rijtje aan het zetten. Ik wil daar graagwat meer aandacht aan geven in de brief over het lerarenbeleid die wevoor de zomer sturen, zodat ik daar weer met u over in gesprek kan. Als ikkijk naar andere domeinen – ik kom natuurlijk net bij het zorgdomeinvandaan – word ik bijvoorbeeld heel enthousiast van de verenigingVerpleegkundigen & Verzorgenden Nederland, V&VN, die echt heelgeëmancipeerd zeggenschap kan geven aan de stem van de verpleegkun-digen. Het zou mooi zijn als ook in de lerarengroep dat soort bewegingenvan de grond komen, om het maar zo te zeggen.De VVD vroeg daar eigenlijk ook een beetje naar, denk ik: hoe gaan we deberoepsgroep vormgeven? Kijk, ik moet dat niet bepalen. Dat is natuurlijkaltijd een beetje het dilemma. Het is echt aan de groep zelf om de weg tevinden en hun stem te laten horen. Wij moeten daar vervolgens welruimte voor geven. Maar nogmaals, ik sta daar heel erg voor open. Ik vinddat echt heel erg belangrijk. Op de varianten die we op basis van de motiehebben, kom ik voor de zomer terug.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank voor die toezegging. We kijken nog meer uit naar deze brief. Tenaanzien van de beroepsgroepvorming is mij bekend dat er al geruime tijdeen voorstel ligt of aanwezig is bij het ministerie. Vanuit allemaalverschillende lerarenorganisaties wordt gezegd: zorg nou dat we datverder brengen. Ik hoop dus dat het met dit tempo lukt om dat voor dezomer verder te kunnen brengen, zodat ze gewoon aan de slag kunnenmet de beroepsgroepvorming.Staatssecretaris Tielen:Als ik het goed heb begrepen, is dat voorstel inderdaad onderdeel van eensubsidieaanvraag. We zijn nu aan het studeren op hoe we daarmeeomgaan en we laten de Kamer dan weten wat dat betekent.De heer Kisteman (VVD):We hebben het hier natuurlijk al eerder over gehad. Ik kreeg daarnaberichten van leraren die hier interesse in hadden. Waar kunnen zij danterecht? Ik zal ze niet het telefoonnummer van de Staatssecretaris geven,maar er is belangstelling vanuit het veld om hierover mee te denken. Watkunnen zij?De voorzitter:Staatssecretaris, wat kunnen zij?Staatssecretaris Tielen:Er is een lerarenplatform via het zogenoemde OCW Dichtbij. Dat is demanier waarop we als ministerie proberen zo veel mogelijk in en om allescholen in gesprek te zijn. Gisteren hadden we overigens de aftrap van dekerndoelen met OCW Dichtbij, waar inderdaad heel veel leraren enschoolleiders bij waren. Dat lerarenplatform is er, dus daar kunnen zezeker terecht, op www.ocwdichtbij.nl, denk ik. Dat is het bijna. Het heet inieder geval OCW Dichtbij.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53741 Nou, genoeg reclame. Gaat u verder.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Raijer vroeg hoe we kunnen voorkomen dat docentenoverbelast worden door allerlei niet-kerntaken; zo noem ik die maar even.Ze ervaren veel werkdruk door administratie en dat soort dingen. Ookdaarvoor geldt weer dat er een heel groot verschil is tussen verschillendeleraren en verschillende scholen. We kunnen dus niet zeggen «zo gaan wehet doen en dan is voor elke leraar de werkbelasting minder», maar ikvind wel dat ik er een rol in heb. Ik kan het niet voor iedereen oplossen,maar ik vind wel dat ik er een rol in heb. Dat betekent dat we samen metscholen kijken hoe we zorgen voor minder regels en hoe we bij nieuwbeleid kritisch kunnen zijn op de impact op de werkvloer en de adminis-tratie daarbij. De inspectie is daar een belangrijke medespeler in, alsmedeal de andere betrokkenen in het veld. Uiteindelijk moeten we natuurlijkzorgen dat er op school gewoon zo weinig mogelijk werkdruk enadministratieve belasting is. Dat heeft ook te maken met slim innoveren,taken herschikken en verdelen, in teams werken en digitalisering. Dat zijnallemaal begrippen die kunnen helpen om de administratieve last en dewerkdruk te verkleinen. Het is belangrijk dat teams daarover met elkaar ingesprek gaan. Wij kunnen daar handvatten voor geven.De heer Claassen (Groep Markuszower):Misschien weet ik er nog niet voldoende over, maar bij de introductiesprak de Staatssecretaris ook over taakherschikking. Ik hoor dat woord nuook vallen. Wat is dan die taakherschikking en waar zou die toe moetenleiden?Staatssecretaris Tielen:Dat begint gewoon met het gesprek binnen schoolteams over wie watdoet en of dat slim is. De heer Claassen en ik hebben vaak gezien hoe inde zorg tot hele slimme taakverdelingen en herverdelingen kan wordengekomen, waardoor iedereen ook echt bezig is met waar die vooropgeleid is en waar die goed in is. Dat zou op scholen ook zo kunnen zijn.We doen een aantal pilots met samengestelde teams, waarbij lerarenonderdeel zijn van een team waarin bijvoorbeeld ook onderwijsassis-tenten een rol spelen. Volgens mij moeten we gewoon met elkaar hetgesprek voeren daarover, over wat schoolleiders daarbij kunnen doen enover hoe je met elkaar zorgt dat iedereen doet wat die het beste kan.De voorzitter:De heer Claassen heeft een vervolginterruptie.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dan hoor ik in de uitleg toch ook een vleugje functiedifferentiatie. Heeft deStaatssecretaris het over taakherschikking of over functiedifferentiatie?Dat zijn namelijk twee wezenlijk verschillende dingen.Staatssecretaris Tielen:Dat zou daar onderdeel van kunnen zijn. Nu zijn er al scholen waar internbegeleiders bepaalde dingen doen en waar onderwijsassistentenbepaalde dingen doen. Ik zeg niet dat het zo of zo moet, maar ik zou welgraag willen dat vanuit scholen waar dat al heel goed gebeurt en waariedereen heel tevreden is en het gevoel heeft dat die zijn werk op eengoede manier doet, dat soort manieren van werken breder wordengedeeld.De voorzitter:Afsluitend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53742 De heer Claassen (Groep Markuszower):Als er ingezet wordt op taakherschikking en functiedifferentiatie, zou hetook mogelijk zijn om de pool van niet-pabo-opgeleide leraren tevergroten. Is dat dan de intentie van de Staatssecretaris?Staatssecretaris Tielen:Dat is niet zozeer meteen de intentie, maar dat zou wel een resultaatkunnen zijn dat bijdraagt aan de onderwijskwaliteit.De voorzitter:Goed. Gaat u verder met de beantwoording in het derde blokje.Staatssecretaris Tielen:In het verlengde van het onderwerp administratieve last en werkdrukvroeg de heer Stoffer naar de voorschriften van de overheid in relatie totde professionele ruimte van leraren zelf. Ik denk dat dat een mooie vraagis. Die geeft me de kans om nog eens reclame te maken, namelijk voor hetwetsvoorstel Versterken inspraak leraren en schoolleiders. Ik vind het dusheel belangrijk dat juist de vakprofessionals meepraten over beleid op elkniveau, zoals ik al zei. We zijn nu bezig om die professionele ruimte teborgen. Ik kom daar graag nader op terug als we meer beeld hebben bijde voortgang van dat wetsvoorstel.De heer Stoffer vroeg ook naar de professionele richtlijn voor opleiders,schoolleiders en de inspectie. Een professionele richtlijn om mensen diein het onderwijs werken maar niet per se voor de klas staan, te helpen omwel voor de klas te komen staan, klinkt oké. Heb ik dat zo goed begrepen?Ik zie de heer Stoffer knikken. Dan moet je dus wel rekening houden metverschillen in rollen en bevoegdheden. Niet elke leraar is een effectieveinspecteur of schoolleider. Andersom geldt dat natuurlijk ook. Ookdaarvoor geldt dat we daar volgens mij niet één mal voor moeten maken,maar dat we wel het gesprek op gang moeten brengen. We moetenervoor zorgen dat professionals daarover met elkaar in gesprek gaan endat ze kijken hoe die taken het beste onderling verdeeld kunnen wordenen hoe ze daarmee omgaan.De voorzitter:Goed. Dank u wel. Dit was het blokje professionaliseren, denk ik.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik had nog een vraag over de schoolbesturen en hoe die de positie vanleraren kunnen ondermijnen, maar misschien zit dat in een ander blokje.De voorzitter:Ik kijk even naar de Staatssecretaris. Misschien zit het bij overig.Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet of ik die net tegen ben gekomen.De voorzitter:Volgens heer Van Houwelingen past die het best bij dit blokje.Staatssecretaris Tielen:Ik vind die ook best wel bij het blokje overig passen, eigenlijk. Daarmeekoop ik ook wat tijd.De voorzitter:Dan komt die straks terug in het blokje overig. We gaan eerst naartoekomstbestendigheid.Staatssecretaris Tielen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53743 Ik had één vraag die wat mij betreft paste bij het toekomstbestendig enwendbaar maken van het onderwijs. Die vraag is gesteld door zowelmevrouw Rooderkerk als mevrouw Armut en ging over de noodmaatregelin de G5. Volgens mij had mevrouw Moorman daar ook iets over gezegd;ik kijk even naar de Kamerleden. Nee, mevrouw Moorman niet. De zorgenzaten ’m erin dat de noodmaatregel die nu beschikbaar is gesteld, strakspermanent wordt. Dat is zeker niet de bedoeling. Het gaat vooral om eenexperiment. Dat is een juridische term, omdat je daar niet zomaar aanmee mag doen. Je mag meedoen als er een goede analyse onder ligt enje voldoet aan een aantal criteria. Bepaalde scholen in de vier grootstegemeenten en Almere – de G5 noemen we die; dat is eigenlijk niet degoede term – kunnen daarbij afwijken van de wet. Dat is niet bedoeld alsvoorbereiding op wat voor landelijke wetgeving dan ook, laat staan oppermanente wetgeving, maar wat we daarvan leren over teamsamen-werking en toekomstbestendig onderwijs kan wel een stap zijn. Ik probeerde tekst even wat in te korten; vandaar dat ik afgeleid lijk. Scholen kampenmet aanzienlijke personeelstekorten. We gaan het experiment verlengenom ervoor te zorgen dat het onderwijs georganiseerd kan wordenconform goede kwaliteit, zodat we kunnen leren wat wel en niet goed isvoor de kwaliteit. Het belangrijkste dat we nu zien, is dat de impact op dekwaliteit vooral positief is. Dat is wat ons betreft het belangrijkstecriterium.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik denk dat het goed is om hier wat meer in detail op in te gaan. DeStaatssecretaris geeft aan: het is niet onze bedoeling om dit alsnoodmaatregel te schrappen en structureel te maken. Maar in artikel 3 isde voorwaarde vervallen dat er sprake moet zijn van een groot tekort in deformatie om van de wettelijke regels af te wijken. In artikel 7 zijn deverplichting van een noodplan en de uitvoering van de beschrijving vaneen noodplan vervallen. Dat zijn allemaal maatregelen die doen denkenaan bijvoorbeeld de AOb. Het zou dus niet alleen om een noodsituatiekunnen gaan.De voorzitter:Een reactie daarop van de Staatssecretaris, mevrouw Tielen.Staatssecretaris Tielen:De informatie die mevrouw Rooderkerk nu benoemt, herken ik niethelemaal. Dat maakt het altijd een beetje ingewikkeld om daar een debatover te voeren.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is inderdaad lastig. Ik citeer uit een brief van de AOb, FNV, FvOv enCNV, die gestuurd is aan de Kamercommissie voor Onderwijs. Wellicht ishet mogelijk om daar een reactie op te geven, zodat die zorgen kunnenworden weggenomen dan wel anders kunnen worden opgelost.De voorzitter:U vraagt om een toezegging. Of niet?Mevrouw Rooderkerk (D66):Om een reactie.De voorzitter:Een reactie.Staatssecretaris Tielen:Ik moet zeggen dat ik die brief ook heb gezien en dat ik toen ook dacht: ditis andere informatie dan ik zelf heb gekregen. Ik vind het prima om daarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53744 een reactie op te geven om zo enige onduidelijkheden en wellicht ookmisverstanden weg te nemen. Voor die brief hebben we een paar wekennodig.De voorzitter:Laten we afspreken: twee weken vanaf nu. «Een paar» is twee.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Het is inderdaad goed om dit te doen om helderheid te creëren. Ik hoor deStaatssecretaris zeggen: dit is positief voor de kwaliteit. Ik vind dat eengevaarlijke uitspraak. Het is natuurlijk beter dan niets doen, maar het isnog niet zo goed als een bevoegde leraar voor de klas. We moeten echtniet het pad op gaan dat noodmaatregelen normaal worden. Ik heb datnet ook al gezegd, maar ik wil dat toch nog eenmaal onderstrepen.De voorzitter:Als u daarop wilt reageren, dan kan dat, Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Volgens mij heb ik al een paar keer gezegd dat ik ook niet vind datnoodmaatregelen normaal moeten worden. Wat mij betreft hoeft daargeen licht tussen te zitten.De voorzitter:Daar staat een streep onder. Gaat u verder met het laatste blokje.Staatssecretaris Tielen:Het laatste blokje is overig.Mevrouw Moorman vroeg naar het rapport over de historie van 30 jaarlerarenbeleid, dat volgens mij door de Kamer is aangevraagd. Dat heb ikmet interesse gelezen. Dank aan uw Kamercommissie voor het initiërendaarvan. Ik wil hierover in gesprek gaan. Ik heb het gelezen en tot megenomen, maar ik vind het ook fijn om daarnaar te kijken en daarover tespreken met leraren, lerarenopleidingen, schoolleiders, besturen,onderwijsregio’s, scholieren, ouders en iedereen die een rol speelt in hethele onderwijs. De suggesties van mevrouw Moorman neem ik wat mijbetreft mee in de strategie voor het lerarenbeleid. Daar krijgt u in juni eenbrief over.Mevrouw Armut vroeg naar de verschillen tussen leerlingen en de druk opleraren, en de relatie met voorschoolse educatie. Ik vind het heelbelangrijk dat de kinderen die dat nodig hebben, deelnemen aan vroeg-en voorschoolse educatie om daarmee zowel de kwaliteit van de vroeg-en voorschoolse educatie als de kwaliteit van het onderwijs aan jongekinderen te versterken. Mijn voorganger stuurde ongeveer een jaargeleden een beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start.Daar stonden een aantal maatregelen in, die ik nu nog even herhaal.Volgend jaar, in 2027, is er de mogelijkheid om groepen peuters enkleuters onder voorwaarden te mengen. Ik noem ook de oproep aangemeenten om voorschoolse educatie al vanaf 2 jaar aan te bieden. Er zijnextra middelen beschikbaar gesteld voor het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid in die gebieden om het bereik vanvoorschoolse educatie te verhogen, om extra beroepskrachten in tekunnen zetten in groep 1 en 2, en om de ontwikkeling in de thuissituatie testimuleren, samen met de jeugd- en gezondheidszorg. Ik vind dat eenbelangrijk punt. Ik noem nu een aantal dingen die we meenemen, maar ikkom hier in het najaar graag in een wat grotere brief op terug, omdat ikdenk dat hier heel veel in zit waarmee we verder moeten en kunnen.Meneer Van Houwelingen vroeg naar de relatie tussen het aantalleerlingen per bestuur en de uitstroom, de tekorten en het ziekteverzuim.Die vraag zat toch bij overige. Sorry, meneer Van Houwelingen... Nou ja,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53745 sorry, ik heb ’m nu voor me liggen. Als je kijkt naar het onderzoek naar devertrekredenen, dan zie je dat de redenen die meneer Van Houwelingensuggereert, maar beperkt relevant zijn. Het feit dat de school te groot of teklein is, is eigenlijk maar in een paar procent van de gevallen de redenvoor vertrek. 33% van de vertrekkers noemt als reden de hiërarchischerelatie met de schoolleiding en het bestuur, maar dat ziet meer oppersoonlijke leiderschapsstijl, dus meer op kwaliteit dan op kwantiteit. Uiteerder onderzoek blijkt dat zowel grote als kleine scholen kwalitatief goedonderwijs kunnen leveren, goed personeelsbeleid kunnen voeren en eenprettige werkomgeving kunnen bieden. Het zit dus echt meer in dekwaliteit dan in de kwantiteit. Ik weet niet wat meneer Van Houwelingengraag wil, maar ik zou graag op de kwaliteit willen sturen.De heer Van Houwelingen (FVD):Dat wil ik ook. Daar zijn we het helemaal over eens. Maar in het rapportdat de Staatssecretaris zelf naar de Kamer heeft gestuurd – ik heb deconclusie al genoemd – wordt door Maastricht University geconcludeerddat de leraren dit zelf zeggen. We weten uit een ander onderzoek datautonomie en zeggenschap heel belangrijk zijn voor leraren. Dit rapportconcludeert dat er vanuit de schoolbesturen een aarzeling is om lerareneigenaarschap en zeggenschap te geven. Als je een en een bij elkaaroptelt, lijkt er een mogelijk probleem te zijn. Hoe oordeelt de Staatssecre-taris daarover?Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet precies welk onderzoeksrapport meneer Van Houwelingen nuaanhaalt, maar ik weet wel dat ik vaker met meneer Van Houwelingen indebat ben over correlatie en causaliteit. Daar laat ik het nu eventjes bij. Alsmeneer Van Houwelingen wil doorvragen op dat rapport, dan vind ik datprima, maar dan moet ik wel even weten welk rapport dat is. Wat wij uitmeerdere onderzoeken, en zeker uit dit onderzoek, terugkrijgen is dat hetveel meer gaat om de kwaliteit van het personeelsbeleid, van hetonderwijs en van de werkomgeving dan om de kwantiteit, dus om hetaantal leerlingen per schoolbestuur. Er is überhaupt geen rechtevenredigecorrelatie te vinden.De voorzitter:We gaan wellicht richting een statistische discussie. Meneer Van Houwe-lingen, uw tweede interruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik zal afronden, voorzitter. Dit staat in het rapport van MaastrichtUniversity, dat de Staatssecretaris zelf naar de Kamer heeft gestuurd. Daarbaseer ik me op. We moeten daar nog maar even naar kijken. Ik snap datdat nu niet kan, maar desalniettemin wil ik bij mijn vraag blijven. Ik zouhet waardevol vinden als dit een keer wordt onderzocht.Ik heb nog een andere vraag uitstaan. Misschien mag ik die gelijk ookeven stellen, voorzitter. Wat ik heel graag wil – ik weet dat andereKamerleden daar ook in geïnteresseerd zijn – is dat een keer onderzochtwordt hoeveel van het geld dat schoolbesturen uitgeven, naar de lerarenvoor de klas gaat. De rest zijn overheadkosten. Ik wil dat dat per schoolbe-stuur en per omvang van een schoolbestuur wordt uitgezocht. Wij hebbende indruk dat er steeds meer geld blijft hangen bij adviesbureaus en bijallerlei zaken die wat ons betreft maar beperkt ten goede komen aan hetonderwijs. Dit gaat dus weer om de schoolbesturen. De financierings-stroom loopt immers via het schoolbestuur. Kan dat een keer uitgezochtworden? Dit kost me zeker twee interrupties?De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53746 U krijgt inderdaad de prijs voor de langste interruptie. De winnaars zittennaast elkaar, zullen we maar zeggen. Staatssecretaris, het woord is aan u.Staatssecretaris Tielen:Ik denk niet dat er heel veel extra onderzoek nodig is. 85% van het gelddat naar het onderwijs gaat, gaat naar het personeel op en om de scholen.Nogmaals, meneer Van Houwelingen verwijst naar een zin in het rapport.Was dat de hoofdconclusie? Nee, dat was niet de hoofdconclusie. Volgensmij moeten we dingen niet complexer maken dan ze zijn. De kwaliteitstaat voorop. Kwantiteit kan daar soms een rol in spelen, maar in devragen die meneer Van Houwelingen daarover stelde, is dat niet het geval.Dat laat onverlet, en dat ben ik eens met de heer Van Houwelingen, dat wemoeten zorgen dat leraren zeggenschap en inspraak hebben. Op dat puntheb ik al een aantal antwoorden gegeven. Volgens mij vinden wij elkaardaar zeker.De voorzitter:Goed, helder. Ik wil u vragen om dit blokje af te maken en dit onderdeel afte ronden. Aan u het woord.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Moorman vroeg naar externe inhuur. Op zichzelf is die nietgigantisch, maar ik steun wel de doelstelling van mevrouw Moorman:liever minder externe inhuur en liever meer «invalpools», zoals u hetvolgens mij noemde, of in ieder geval groepen van invallers, die danbijvoorbeeld in de onderwijsregio’s kunnen worden ingericht of dooront-wikkeld. Dat doen we dus ook via die onderwijsregio’s. Er wordt nuverkend hoe dat kan worden ingevuld met bovenbestuurlijke samen-werking. Volgens mij refereerde een aantal andere Kamerleden daar ookal aan. Het staat dus op de agenda. Ik kan nog niet garanderen dat dat inalle onderwijsregio’s al helemaal geregeld is, maar ik weet wel dat we erallemaal mee bezig zijn en dat we op basis van de ervaringen enresultaten in gesprek blijven met de regio’s om op die manier huninvallers te kunnen reguleren of – «reguleren» klinkt een beetje stom – inte zetten of, met een nog beter woord, te organiseren.Tot slot, voorzitter. Meneer Boomsma vroeg een brief met visie enplannen. Daar hou ik van! De Minister en ik hebben sowieso eentotaalbeleidsbrief. Die staat over ongeveer anderhalve maand op hetprogramma. Maar dat gaat dus verder dan alleen maar leraren. Ik verweesal een paar keer naar de lerarenbrief. Voor de zomer ontvangt u een watuitgebreidere lerarenbrief namens ons tweeën, een brief die ook aanhaaktop de onderwerpen die we vandaag bespraken, waarschijnlijk nog watverrijkt met een aantal dingen die we van u meekrijgen en ook meekrijgenuit de gesprekken in het veld.De voorzitter:We laten u bijna gaan in eerste termijn, maar ik zag mevrouw Moormannog, die, denk ik, over het vorige punt, de pool, nog een vraag wil stellen.Aan u het woord.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik vind 450 miljoen per jaar aan externe inhuur eigenlijk wel gigantisch.Het is ook echt zonde: € 58 per uur voor een leraar in dienst, € 113 peruur voor een leraar die extern wordt ingehuurd. Dat maakt het tekortalleen maar groter. Ik ben blij dat we wat gaan doen, maar dan vraag ikme af: waarom zo kritisch over die eerdere motie?Staatssecretaris Tielen:Die eerdere motie is echt van voor mijn tijd. Nee, dat is flauw om tezeggen, want zo werkt het natuurlijk niet. En ik ben het eens met mevrouwTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53747 Moorman: het is een heel groot bedrag. Maar het gaat niet alleen maarnaar commerciële inhuur. Daarom moeten we ook inzetten op dieinvalpools – dat vind ik trouwens ook een lelijk woord; daar moeten wenog iets anders op verzinnen – om daarmee piek, ziek en uniek in tevullen. Volgens mij volgen we dezelfde route. Waar de kritiek op de vorigemotie is, dat durf ik zo niet te zeggen.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Laten we daar dan nog even naar kijken, want ik denk dat het heel erg inlijn is met de gedachte dat wij hierop moeten ingrijpen, dat wij hetprobleem niet groter maken en het geld echt naar het onderwijs latengaan in plaats van naar commerciële instellingen.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie nog een interruptie van de heer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Het is meer een vraag. De Staatssecretaris is klaar met alles. Betekent datdat de Minister op al mijn vragen antwoord gaat geven? Ja? Oké.De voorzitter:Ja, dat is het lot van de Minister. Die krijgt ook een grotere auto. Maar danmoet je er wel wat voor doen. Nou ja, ik weet niet of dat zo werkt. Nee,oké, het werkt niet zo.De heer Claassen (Groep Markuszower):Als ze een grotere auto heeft, moet ze dat ook aftrekken van haar loon.Dus ik weet niet of je blij moet zijn met een grotere auto.De voorzitter:Klopt het dat die vragen bij de Minister zitten?Staatssecretaris Tielen:Ik vond het jammer, hoor, dat meneer Claassen geen vragen had voor mij.Maar mevrouw Letschert, de Minister, neemt dit waar.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. Dan gaan we door naar de beantwoording van devragen door de Minister. Mevrouw Letschert, fijn dat u hier ook bent endat u de vragen wilt beantwoorden.Minister Letschert:Dank u wel, meneer de voorzitter. Volgens mij hebben wij dezelfde auto.Maar dat ga ik checken.De heer Kisteman (VVD):De voorzitter en u?Minister Letschert:Nee, «wij»: de Staatssecretaris en ik! We gaan ze vanavond even naastelkaar zetten.Beste mensen. Met goed onderwijs leggen wij het fundament onder detoekomst van onze samenleving. Goed onderwijs – daar hebben we hetnet, in het eerste deel van dit debat, al over gehad – staat of valt metvoldoende en goed opgeleide leraren. En dus is ook de kwaliteit van delerarenopleidingen van het allergrootste belang voor ons basisonderwijsen voortgezet onderwijs. We stellen dan ook terecht hoge eisen aan dezeopleidingen en aan de studenten die daar afstuderen. Toen de Staatsse-cretaris en ik op dit prachtige ministerie begonnen, zijn wij meteen op padgegaan. We zijn – volgens mij was het in de tweede week – naar een vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53748 de pabo-opleidingen aan de Hogeschool Leiden gegaan om daar met deopleiders te praten en te kijken wat de reden voor de studenten is om voorde verschillende trajecten die daar worden aangeboden te kiezen en tekijken hoe die trajecten passen bij de verschillende vooropleidingen, dewerkervaring en ook de interesses van de studenten. Dat hebben we nietvoor niets meteen in die tweede week gedaan, omdat wij ook wel merkenen voelen – en terecht – dat dit onderwerp van een dusdanige urgentie isdat wij niet pas volgend jaar bij u als Kamercommissie met onze visie enplannen willen komen, zowel als het gaat om de kwaliteit van hetonderwijs in het algemeen, waar de Staatssecretaris voor het p.o. en vovoor aan de lat staat, als om die belangrijke lerarenopleidingen.Dat was dus een prachtig werkbezoek. Ik moet ook eerlijk zeggen dat hethet eerste werkbezoek was. Dat betekent dat er in de komende periodenog vele gaan volgen. Ik ga u vandaag op basis van die ervaring enuiteraard op basis van alles wat we eromheen gelezen hebben,meenemen in de beantwoording van de vragen die u mij hebt gesteld.Laat ik ook vooropstellen dat de eisen die wij aan startbekwame lerarenstellen voor iedereen gelijk moeten zijn, of je nou in Groningen, in Leidenof in Maastricht wordt opgeleid, want leerlingen verdienen dat.Ik heb in de beantwoording van uw vragen drie blokjes gemaakt. Dieblokken zijn als volgt. Allereerst heeft u veel vragen gesteld over hetfenomeen «één fundament»; zo noem ik het even. Daarbinnen ga ik ookmet u in gesprek over «één toets», de lezende leraar en ook overFrans/Duits. Dan bedoel ik niet de zanger; dan bedoel ik de vakken.De voorzitter:Daar komt hij!Minister Letschert:Dat zou wel interessant zijn. Ik ga dat blokje dus afsluiten met Frans enDuits. Dan ga ik naar het tweede blokje. Dat gaat over de gedifferentieerdepabo, waar u ook een aantal vragen over heeft gesteld. Als laatste heb ikeen blokje over docentprofessionalisering en in het bijzonder over deNAPL, die mevrouw Moorman, geloof ik, in één woord «Nappel» noemde.Dat is de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren, maar «Nappel»klinkt eigenlijk nog veel mooier. Ik begreep trouwens dat de meningenover de vraag of je het zo kan noemen, verdeeld zijn.Laat ik dan beginnen met de vragen van onder anderen mevrouwRooderkerk en de heer Boomsma over die afspraak, die ook in hetcoalitieakkoord staat, om te werken aan één stevig fundament voor hetcurriculum van de lerarenopleidingen. Daar zijn wij meteen al over ingesprek gegaan toen wij op dat mooie bezoek in Leiden waren. Wijhebben met elkaar afgesproken dat ik, samen met de Staatssecretaris,maar ook met de opleidingen en met de beroepsgroep, ook weer – dat ismisschien voor u hier teleurstellend – vóór die zomer zowel die bekwaam-heidseisen als die landelijke kennisbasis gaan aanscherpen, ook nauwaansluitend bij die nieuwe kerndoelen; die zomer wordt echt op heel veelonderwerpen heel belangrijk. Maar daar hebben we nog wel even wat tijdvoor nodig. Ik hoop dat u ook begrijpt dat wij niet in de eerste vier wekendat wij hier nu zitten al de eerste aanzet daartoe hebben om met u tedelen.Wij onderzoeken de mogelijkheid om in die vervolgstappen de vakspeci-fieke eisen op te nemen in regelgeving, zodat we komen tot één wettelijkkader voor alle opleidingsroutes naar het leraarschap. Ook hier is het welvan belang om het veld daarin voldoende mee te nemen, want ik merktena het bezoek in Leiden – toen hadden we ook het een en ander op onzesocial media gezet – hoeveel reacties je dan krijgt van alle betrokkenen inhet veld die daar heel graag over mee willen praten. Dat is natuurlijk vooreen deel in het verleden ook gedaan, maar het is ook van belang dat wijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53749 als nieuwe bewindspersonen die gesprekken gaan hebben; dat is dan,nogmaals, mét de opleidingen en met de beroepsgroep zelf.Wij kijken daarnaast naar de uniformering van toetsing en houden daarbijook rekening met de bestaande toetsen. De heer Boomsma vroeg mij naarde toets Nederlands. Dat is een al bestaande toets. Dus ook op dit puntzullen wij in de breedte kijken naar de uniformering van toetsing. Wijzullen dit in die lerarenbrief waar de Staatssecretaris naar verwees verderuitwerken. Die komt al echt voor de zomer.Meneer de voorzitter. Er was een vraag rondom hoe het nou toch kan dater pabo’s zijn ...De voorzitter:U heeft toch een interruptie, Minister.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, in aanvulling op die vraag. Het is inderdaad interessant om te zien hoede hervorming van de lerarenopleidingen in Vlaanderen nu wordtaangepakt. Daar wordt de huidige starttoets vervangen door eenbindende taaltoets Nederlands voor alle lerarenopleidingen; ik meen nahet eerste jaar. Ik weet niet of deze hetzelfde is als die wij hebben. Deze isnog wat steviger, denk ik. Is het het wellicht waard dat te onderzoeken?Minister Letschert:Ja, absoluut. Wij zijn nu de eerste gesprekken aan het voeren, zoals ik netzei. Dit is dicht bij huis. Er worden ook mooie voorbeelden uit Finlandgenoemd. Ik denk dat het zaak is dat wij de komende weken alle infor-matie voldoende scherp voor ons op tafel krijgen, om dan uw Kamer teinformeren over wat het beste werkt in de Nederlandse context.De voorzitter:Een vervolginterruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Zouden we daar misschien een concrete toezegging van mogen maken,dus om te onderzoeken of we dit voorbeeld ook in Nederland zoudenkunnen invoeren?Minister Letschert:Uiteraard.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat scheelt ons namelijk een motie.De voorzitter:Zo, er wordt gelijk gedreigd. De vraag is of u dit kunt toezeggen.Minister Letschert:Ja. Ik denk dat het belangrijk is om bij al het beleid en de wetgeving diewij maken, ons heen te kijken en om voorbeelden uit landen om ons heenzeker mee te nemen als het gaat om bewezen effectieve interventies diepassen binnen de context waarin wij hier opleiden.De voorzitter:Kunt u concreet zijn in wanneer u daarmee terug kan komen?Minister Letschert:Dat is voor de zomer.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53750 Voor de zomer. De heer Claassen heeft een interruptie namens de GroepMarkuszower.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik heb toch even een verduidelijkende vraag. Hoe verhoudt een bindenddeel zich tot de lijn die is ingezet in het hoger onderwijs waarbij we geenbindend afwijzend studieadvies hebben en dat ook zeker niet voor heteerste jaar kan gelden? Hoe gaat dat daarin passen?Minister Letschert:Ik denk dat het echt belangrijk is dat wij hieraan verder richting geven inde junibrief, anders maak ik dadelijk allerlei opmerkingen die niet passenbij zowel bestaande gesprekken als plannen die er liggen, inclusiefvoorbeelden in landen om ons heen. Als u geduld heeft tot voor de zomer,dan krijgt u daar uw volledige antwoord op.De voorzitter:Meneer Claassen. Nee, geen tweede interruptie? Gaat u dan verder metuw beantwoording, Minister.Minister Letschert:Meneer de voorzitter. Het Kamerlid Boomsma vroeg hoe het kan dat erpabo’s zijn die niet voldoen aan de wettelijke bekwaamheidseisen en tochde accreditatie door de NVAO passeren. Volgens mij verwees een van deandere Kamerleden naar het inspectieonderzoek en de analyse van deRadboud Universiteit, die heeft gekeken naar 47 opleidingen en decurricula daarvan. Tegelijkertijd heeft de NVAO bij de allerlaatsteaccreditatie geconstateerd dat de bredere algemene kwaliteit van deNederlandse lerarenopleidingen aan de Nederlandse hogescholen oporde is. Tegelijkertijd zeggen wij, de Staatssecretaris en ikzelf, dat hetbelangrijk is dat het herleidbaar is hoe de wettelijke bekwaamheidseiseneen plek vinden in de curricula van lerarenopleidingen.Dan kom ik terug bij mijn eerdere beantwoording over het fundament. Ikdenk dat het voor de komende maanden van belang is dat we met zowelde beroepsgroep als de opleidingen goed kijken hoe we dat fundamentmet elkaar scherp genoeg ontwikkeld krijgen. De zorg over de kwaliteit isin ieder geval vanuit de accreditatie door de NVAO niet op die maniergeuit.De heer Boomsma (JA21):Ik had inderdaad gezien dat men vanuit de accreditatie die opmerking hadgemaakt, maar de vraag is hoe dat zich tot elkaar verhoudt. Dat begrijp iknog niet helemaal.Minister Letschert:Dan bedoelt u de vraag hoe het kan dat de wettelijke bekwaamheidsver-eiste in de analyse van de inspectie op die manier naar voren kwam enhoe dat zich verhoudt tot de NVAO, die de vakinhoudelijke kwaliteitstoetsdoet. Volgens mij is dat precies de discussie die ik merk sinds ik benbegonnen. Voor de Staatssecretaris en mij is het volgende van belang.Aan de ene kant heb je de wettelijke vereisten en aan de andere kant devakinhoudelijke, specifieke kwaliteitscriteria die bij de opleidingen horen.Hoe gaan we nou zorgen dat die in een stevig fundament in een kwali-teitsborging komen, zodat het voor iedereen helder is? Volgens mij is datwaar we voor de zomer naartoe werken.De voorzitter:Gaat u verder met uw beantwoording.Minister Letschert:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53751 Oké. Dan gaan wij naar de vragen van mevrouw Rooderkerk en de heerKisteman over de lezende leraren. Er zijn verschillende gesprekken methet ministerie en het Opleidingsberaad Leraren. Ik heb zelf nog geen tijdgehad om met het Opleidingsberaad een gesprek te organiseren. Dat ga ikbinnenkort wel doen. Ik heb mij laten vertellen dat het Opleidingsberaadconstateert dat het thema leesonderwijs serieus wordt opgepakt in delopende herijking van de landelijke kennisbases en een hele stevige plekzal krijgen in de herontwikkeling van die kennisbases. Het Opleidings-beraad heeft ook aangegeven...De voorzitter:Er klinkt een reclamespotje uit een telefoon. Dat komt gewoon eventussendoor. Dat is ook wel prettig als afleiding.Minister Letschert:Altijd belangrijk, reclame voor wasmiddelen!De voorzitter:Exact! Aangeprezen door Frans Duijts, dus het kan niet mooier! Maar gaatu verder met de lezende leraren.Minister Letschert:Ik heb begrepen dat het Opleidingsberaad de urgentie van het belang vanhet leesonderwijs ziet en vindt dat het ook een plek moet krijgen in deopleiding voor de leraren zelf. Ik zal dat blijven volgen. Ik kan nu nog nietbepalen of daar aanvullende actie op nodig is. Daarover wil ik echt graaghet gesprek met hen hebben. Ook dit zal u dus terugkrijgen in die heleberoemde brief voor de zomer.Meneer de voorzitter. Dan heb ik de vraag van de heer Stoffer of oplei-dingen, als we toewerken naar wat ik «dat ene fundament» noem,voldoende tijd en ruimte houden om hun eigen identiteit en profiel vormte kunnen geven. Dat is eigenlijk precies de vraag die de Staatssecretarisen ik kregen toen we in Leiden op werkbezoek waren, want dat isuiteraard voor heel veel opleidingen heel erg van belang. Het valt vooreen groot deel ook binnen de autonomie van de opleidingen. Ik kan daardus zeker ja op zeggen. We willen de kern van de curricula borgen.Tegelijkertijd moet er ruimte blijven voor profilering, voor identiteit en omin te spelen op behoeftes vanuit het werkveld. Dat geldt ook voor de wijzewaarop we met de macrodoelmatigheid omgaan. De verdere uitwerkinghiervan mag u van ons verwachten in de zomerbrief.Dan kom ik bij Frans/Duits, dus de vakken Frans en Duits. Er is een adviesgekomen. Dat heeft u waarschijnlijk ontvangen. In dat advies zijnmogelijkheden geschetst voor hoe de universiteiten gezamenlijk en ooklandelijk meer kunnen samenwerken met betrekking tot de opleidingenFrans en Duits, en hoe zij ook de zijinstroom naar die lerarenopleidingenkunnen bevorderen. Ik heb vernomen dat de universiteiten met dat adviesaan de slag zijn en dat zij pas aan het einde van dit kalenderjaar verdereinformatie kunnen delen over de uitkomsten van dat advies en hoe datgeïmplementeerd is. Dat klinkt heel ver weg, want u hoort hetwaarschijnlijk liever voor de zomer. Hier heb ik als input gekregen: voordecember. Ik wil u een voorstel doen, want ik vind het zelf ook interessantom te kijken wat de universiteiten met dit advies aan het doen zijn. Mijnvoorstel is om gezamenlijk op werkbezoek te gaan om hierover hetgesprek te hebben ter voorbereiding op de decemberperiode. Dat zoueigenlijk een voorstel van mij zijn voor anderen die in Frans/Duitsgeïnteresseerd zijn.De heer Stoffer (SGP):Ik dacht dat de Minister klaar was met dit deel. Dat klopt, toch? Ja. Dank,Minister, dat aanbod neem ik graag aan. Het tweede punt gaat over dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53752 bevindingen. Die zijn er in december. Dat is eind dit jaar. Dat kan ik mevoorstellen. Ik heb liever dat het wat langer duurt, maar goed gebeurt. Alsdie bevindingen er zijn, wil de Minister die dan actief delen met deKamer?Minister Letschert:Altijd, zeker.De voorzitter:Dat is een heel kort antwoord op een korte vraag. Gaat u verder met hettweede blokje, zou ik zeggen.Minister Letschert:Er zijn een aantal vragen gesteld, met name door de heer Kisteman, overde differentiatie in de pabo en de leeftijdsspecialisatie. Daar hebben wijook in Leiden met de opleiders over gesproken. De pilot om de profileringmet betrekking tot het jonge of oudere kind op de pabo te versterken, liepvan 2020 tot 2022. Uw Kamer is al eerder geïnformeerd over wat daaruit isgekomen. Sinds die pilot hebben de pabo’s onderling afgesproken datstudenten zich gedurende de helft van hun opleidingstijd kunnen richtenop het jonge of juist op het oude kind. De Staatssecretaris en ik hebbenverschillende studenten gesproken. Zij gaven aan dat ze die keuze ookgemaakt hebben en dat, in ieder geval in de ogen van de opleiding waarwij nu geweest zijn, het op deze manier al de wens van die studentenvoldoende borgt. Ik vind het van belang om me hier de komendemaanden verder in te verdiepen, om met u in gesprek te kunnen gaanover wat er nodig is om die differentiatiemogelijkheden te borgen en ofdat op de manier moet waarop de instellingen dat nu doen. Ik hebnamelijk begrepen dat alle pabo-opleidingen deze mogelijkheid nu albieden. Ik kan eerlijk gezegd nog geen antwoord geven op de vraag wat erdan eigenlijk nog meer nodig is vanuit het ministerie. Het lijkt op dezemanier namelijk voldoende aan de doelstellingen te voldoen. Dat is dushet antwoord op de vraag rondom de splitsing in de pabo.De heer Kisteman (VVD):Wat er meer zou kunnen gebeuren, is natuurlijk niet de helft van deopleiding splitsen maar de hele opleiding, zodat studenten al vanaf heteerste jaar kunnen kiezen voor het oudere of voor het jongere kind.Volgens mij zou dat een logische vervolgstap kunnen zijn.Minister Letschert:Dan zou ik daarin mee moeten nemen dat dat bijvoorbeeld ook leidt totmeer mannelijke studenten die voor die opleiding kiezen. Volgens deinformatie die ik nu heb gekregen, is daarvoor die volledige splitsing nietnodig. De studenten die nu voor het grote gedeelte van de studie voor hetoudere kind kiezen, geven ook aan dat hetgeen zij geleerd hebben overhet jongere kind, ook belangrijk is voor hun eigen ontwikkeling. Ik heb dusnog niet voldoende evidence, bewijs, om te zeggen dat die splitsing perdefinitie nu al noodzakelijk is. Maar nogmaals, ik ga graag in gesprek metzowel de opleidingen als alle betrokkenen die hier een visie op hebben omdaar een definitieve richting aan te geven.De voorzitter:De tweede interruptie van de heer Kisteman.De heer Kisteman (VVD):De studenten die die opleiding niet zijn gaan volgen, zitten natuurlijk nietop die opleiding. Die zijn iets anders gaan doen. De vraag is natuurlijk hoeje ervoor gaat zorgen dat je in gesprek gaat met hen die er bewust voorhebben gekozen om niet de pabo te volgen, omdat ze die keuze nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53753 hadden. Volgens mij zou je dat wat breder moeten trekken. Ik heb zelf ooitgesproken met een groep studenten die vrienden hadden die bewust nietvoor de pabo hebben gekozen vanwege dit verschil. Dat waren met namede mannen. Dan zouden we het dus wat breder moeten trekken om tekijken hoe we daar echt een goed beeld van kunnen krijgen.Minister Letschert:Ik krijg heel mooi ingefluisterd dat ook daar onderzoek naar is gedaan. Datnemen wij ook verder mee in de keuzes die we aan u gaan voorleggen.De heer Kisteman (VVD):Kunnen wij dat dan de komende tijd verwachten? Komt dat in dieberoemde brief?Minister Letschert:Die brief wordt wel steeds langer. Ik heb inmiddels in de gaten dat wij vrijlange brieven schrijven, dus dit onderdeel komt daar zeker bij.Dan ga ik naar het laatste blok. Dat gaat over de NAPL, de NationaleAanpak Professionalisering Leraren. Dat is een groot Groeifondsprojectwaarbij voor tien jaar een investering is gedaan in deze specifieke aanpak.Daarin werkt men in de gezamenlijkheid aan een infrastructuur waarmeede lerarenprofessionalisering verder wordt gestructureerd en gestimu-leerd. Daarbij zijn met name vier programmalijnen van belang. Eendaarvan is de ontwikkeling van landelijke ontwikkelpaden, waarbij menook met elkaar, in zogeheten cocreatielabs, die ontwikkelpaden aan hetuitwerken is. Er hoort ook een digitaal platform bij, zodat je ook toeganghebt tot dat opleidingsaanbod. En er hoort uiteraard ook een kwaliteits-borgingssysteem bij. De pilots lopen net. De eerste docenten die gebruikgaan maken van dat opleidingsaanbod gaan de komende maandenbeginnen. Zodra wij daar dus ook relevante informatie en data vanhebben om met u te delen, zullen wij dat uiteraard doen. Ik ga proberenom voor de zomer in diezelfde brief de eerste deelbare resultaten van hetprogramma, met name die van dat digitale platform, en uiteraard ook deuitwerking van de maatregelen uit het coalitieakkoord rondom professio-nalisering mee te nemen. We gaan hard aan de slag.De voorzitter:Nou, kijk eens aan. Dank u wel, Minister. Ik kijk nog even rond. MevrouwMoorman heeft een vraag.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik kan het goed begrijpen dat de Minister hem in alle snelheid heeftgemist, maar ik had nog een vraag over de schoolleiders en of we die erook in mee kunnen nemen.De voorzitter:Het gaat over de schoolleiders. Ik kan dus aannemen dat dit een vraagvoor de Minister is?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Het gaat over opleidingen, dus daarom denk ik dat de vraag inderdaadvoor de Minister is. Maar ik kan me voorstellen dat het er een beetjetussenin valt.De voorzitter:Er zit ook iemand tussen de Minister en de Staatssecretaris in, maar wegaan het toch aan de Minister vragen.Minister Letschert:Gelukkig werken wij goed samen en hebben we een schakelpunt!Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53754 De voorzitter:Mevrouw Moorman wil het verduidelijken.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ja. Ik wil niet te lang zijn, maar ik geef een kleine verduidelijking. Weweten dat de schoolleider en het goed in staat zijn van de schoolleider ommet hr om te gaan, een enorme sleutel kan zijn in het lerarentekort. Weweten ook dat als er kleine hr-opleidingen zijn voor schoolleiders, jedaardoor een beter hr-beleid en minder verloop en ziekte onder jepersoneel hebt. Dat is dus eigenlijk mijn vraag.Minister Letschert:Wat ik weet, is dat het niet in de NAPL zit. Het is dus een vraag waar wijsamen op gaan studeren.De voorzitter:Dan gaan we toch even luisteren naar de Staatssecretaris, mevrouwTielen.Staatssecretaris Tielen:Ik herken heel goed wat mevrouw Moorman zegt, want het is gewoonwaar. Ik geloof dat ik er in een aantal van de antwoorden tussen de regelsdoor al naar heb verwezen. De opleiding en professionalisering vanschoolleiders is een belangrijk aandachtspunt, dus we zullen dit ookmeenemen. Het hoort wat mij betreft ook wel bij het totale lerarenbeleid.Het is daar dus onderdeel van.De voorzitter:Afsluitend.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Nou krijgen we een enorme brief voor de zomer. Zit het daar dan in?De voorzitter:Zit dit ook in de brief?Staatssecretaris Tielen:Dat nemen we zeker mee, ja. Meneer Boomsma – misschien was het juistverkeerd; dat weet ik niet – zei het al: een lange brief kost minder tijd daneen korte. We gaan het proberen compact en eenvoudig aan u te doentoekomen, maar we zorgen wel dat u denkt: er zit lekker veel in.De voorzitter:Het valt mij op dat er inderdaad heel veel in de brief voor de zomer komt.Ik zie de griffier ook driftig meepennen. Ik hoop dat we zo meteen ook alletoezeggingen daarop terughoren. Maar ik zou nu alvast willen voorstellendat u het meldt als u iets niet hoort wat wel is afgesproken. Ik denk dat degriffie later ook nog wel even goed zal kijken of het helemaal klopt.We gaan verder met de tweede termijn. O, de heer Claassen nog.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik zit hier voor spek en bonen, voorzitter! Als u dat goed vindt, gaan wij deMinister helpen. Ik heb geen zin om dat in de tweede termijn te doen,want dan kan ik niet meer reageren in de tweede termijn. Er staat nog watopen. Ik heb antwoord gekregen op mijn vraag om te stoppen metsymptoombestrijding en het behouden van goede leraren centraal tezetten. Daar hebben we het met elkaar over gehad. Maar ik had ookgevraagd toe te werken naar nationale retentiedoelstellingen, deuitstroom volledig transparant te maken via een landelijk dashboard engerichte «blijfbudgetten» voor ervaren leraren te introduceren, gekoppeldTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53755 aan minder lesdruk en meer professionele autonomie. Dat was mijnvraag. Ik had ook een vraag over het herstellen van het vakmanschap ende harde, meetbare normen die daarbij horen: een maximale administra-tietijd van vier uur per week voor een fulltimeleraar, structurele inzet voorondersteunend personeel en het schrappen van overbodige regels. Daarwas deels antwoord op gegeven, maar niet op het eerste deel. Ik had ookeen vraag over het koppelen van het onderwijsbeleid aan een effectief enveel steviger integratie- en taalbeleid in het lager onderwijs of in hetfunderend onderwijs. Die vragen staan dus nog open. Er was mijtoegezegd dat ik daar antwoord op zou krijgen.De voorzitter:We gaan even kijken wie deze vragen in de eerste termijn nog wilbeantwoorden, de Staatssecretaris of de Minister. Daarna gaan we welecht naar de tweede termijn. Ik zie dat de Staatssecretaris de vragen wilbeantwoorden. De Staatssecretaris heeft het woord.Staatssecretaris Tielen:Ik was abuis, want ik zei inderdaad dat ik het jammer vond dat meneerClaassen geen ... Maar toen had ik nog niet gezien dat ik inderdaad eenpaar dingen had opgeschreven.De heer Claassen (Groep Markuszower):Apart mapje.Staatssecretaris Tielen:Een apart mapje Claassen, dat zou wat zijn! Meneer Claassen noemde hetal: hij heeft een vierpuntenplan om de uitstroom te verkleinen. Volgensmij zitten daar hele goede dingen in. Ik reageer even op die vier punten.Ten eerste over het dashboard. We hebben een dashboard per onderwijs-regio. In december geven we altijd een hele hoop van die cijfers mee,zodat we de cijfers van het hele jaar hebben. Die kan ik dus ook best naarde Kamer sturen. Dat doen we eigenlijk altijd al. Die cijfers komen dus.Wat betreft blijfbudgetten verwijs ik even naar wat we in het regeerak-koord hebben gezegd over bijvoorbeeld loopbaanontwikkeling enperspectieven. Vaak is geld niet zozeer een reden om niet in het onderwijste blijven, maar is dat meer de mogelijkheid om andere dingen te doen,om de loopbaan te ontwikkelen. Volgens mij past dat daarbij. Ik neem deopmerkingen van meneer Claassen uiteraard ter harte.Over administratieve lasten heb ik wat gezegd. Ik vind het mooi omdoelen te stellen, maar als we de administratieve lasten op maximaal vieruur zetten, dan zie ik alweer heel veel invullijstjes verschijnen die deadministratieve last verhogen, door vragen als: wat valt er wel onder, watniet en hoe zit dat overal? Volgens mij moeten we dus met elkaarafspreken dat we zorgen dat wet- en regelgeving al met al zo slankmogelijk is ten aanzien van administratieve lasten. Daar heb ik al eenaantal dingen over gezegd.Het vierde punt van meneer Claassen ging volgens mij over passendonderwijs. Daarin zitten voor heel veel docenten en schoolleiders nogvraagstukken en open vragen, maar ook voor kinderen en hun ouders. Datverdient een apart debat. Daarover hebben we volgens mij ook een apartdebat. Ik ga graag met u in debat om dat verder te verbeteren.Voorzitter. Verder had u van mij nog het platform voor leraren tegoedwaar leraren terechtkunnen als ze mee willen praten. Dat kan via hete-mailadres [email protected] en via een hele mooie app: deTeacher Tapp-app. Ik heb ’m net ook zelf geïnstalleerd. Duizenden lerarenhebben die app al gedownload. Daarop worden elke dag vragen het veldin gestuurd, waarop wij antwoorden krijgen. Zo houden we gewoonvoeling met wat leraren vinden van een aantal dingen die gebeuren in hetonderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53756 De voorzitter:Hartelijk dank. Hartelijk dank ook aan de Staatssecretaris en de Ministervoor de beantwoording in de eerste termijn.Dan gaan we nu over tot de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Despreektijd daarin is 1 minuut en 20 seconden. U mag ook afzien van uwtweede termijn, maar dat is helemaal aan u. Ik geef als eerste het woordaan mevrouw Armut namens de CDA-fractie.Mevrouw Armut (CDA):Dank, voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebat willen aanvragen.Dan rest mij alleen nog dank uit te spreken aan de Staatssecretaris en deMinister voor de beantwoording van de vragen.De voorzitter:Dat is genoteerd. Het tweeminutendebat is bij dezen aangevraagd.Mevrouw Rooderkerk namens D66 in tweede termijn.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ook namens mij veel dank voor de beantwoording van alle vragen. Ikvond dat veel van de vragen zich best wel richtten op dezelfde doelen, opkwaliteit en op betere en meer leraren. Dat vind ik dus mooi om te zien. Ikhoop dat er veel ambitie komt in de brief voor de zomer. Dat hoorde ik ookin de beantwoording. We hebben heel veel toezeggingen gehad over hetlerarentekort, professionele ontwikkeling en de lerarenopleiding.Dan ten aanzien van het debatje aan het eind, over de administratievelasten. Net als de Staatssecretaris was ik maandag in Vlaanderen, waarwe voor de Taalunie aanwezig waren. Ik sprak aldaar een Kamerlid datveel ervaring heeft met de planlastcalculator. Dat Kamerlid gaf aan datdaaruit blijkt dat 80% van de werkdruk vooral komt door de inspectie.Leraren en scholen denken namelijk dat ze voor een aangekondigd bezoekheel veel moeten printen en heel veel extra dingen moeten doen, die heelvaak niet nodig zijn. Ik denk dus dat het goed is om de ervaringen die daaral zijn, mee te nemen in het beleid dat wij hierop vormgeven, om hopelijkecht een concrete invulling te geven aan het terugdringen van die lasten.Tot slot. De brief die ons is beloofd, wordt bijna een boek. Dat brengt mijweer terug naar de lezende leraar, waarvoor ik aandacht heb gevraagd. Ikhoop zeker dat we op dat gebied goede stappen kunnen zetten, om tezorgen dat we ook het Nederlands bij leraren en leerlingen verbeteren.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk, hartelijk dank. We gaan naar de heer Boomsma intweede termijn.De heer Boomsma (JA21):Dank, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording.Er rust op ons allemaal gewoon een hele zware verantwoordelijkheid omstappen te zetten, bij te dragen aan herstel en de trends te keren. De rolvan leraren is natuurlijk fundamenteel. Ik zag dat de Minister zich in eennieuwsbericht ten doel had gesteld om de grootste tekorten binnen vierjaar op te lossen. O, dat zal gezamenlijk met de Staatssecretaris zijn.Fantastisch.Dank voor de toezegging om te kijken naar wat ze in Vlaanderen doen omde lerarenopleiding hervormen en het specifiek bekijken van de bindendetoets voor Nederland. Het is gewoon belangrijk dat je als je van dieopleiding komt, echt al die vaardigheden beheerst en een lezende leraarbent geworden of gebleven.Verder komt er een grote brief. Er wordt ook gekeken naar het nieuwekerncurriculum. Daar zien we gewoon zeer naar uit. Ik had nog wel gezegddat wij hopen dat directe instructie daar onderdeel van wordt of meer inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53757 die opleidingen wordt geïntegreerd dan nu het geval is. Daar zullen welater waarschijnlijk nog over doorpraten.Tot slot heb ik nog één vraag. Ik las dat twaalf Achterhoekse scholenhebben besloten om het collegegeld terug te betalen aan oud-leerlingendie minimaal vier jaar hebben lesgegeven in tekortvakken. Ik vraag me afhoe jullie daartegenover staan.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan kijk ik nu naar de heer Claassen van Groep Markus-zower. Het woord is aan u. Het woord is niet aan u; kijk eens aan. Hartelijkdank. Dan gaan we naar mevrouw Raijer. Nee, ook niet. Meneer Kisteman,aan u het woord.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter, ik zal het heel kort houden. Dank voor de antwoorden. Ik blijfmet interesse de splitsing van de pabo volgen. Ik zal ook naar de appTeacher Tapp kijken om te zien of we daar zelf af en toe kunnen meekijken.Dan nog heel kort het volgende. We hebben een eerste proef gedaan meteen onbeperkt aantal korte interrupties. Ik moet zeggen dat ik het gewoonheel tof vind hoe dat is gegaan en dat we ons volgens mij echt keurighebben gedragen als commissie.De voorzitter:Ja, grote complimenten aan deze commissie, want volgens mij hebbenjullie het zelf gedaan. Dat is heel geweldig. De heer Van Houwelingen,lekker kort.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. Ik zal het ook kort houden. Ik heb tweeopmerkingen. Wat dit debat betreft vind ik het toch teleurstellend datzowel een aantal partijen, zoals PvdA en D66, als het kabinet niet willenerkennen dat de migratie een zware wissel trekt op ons onderwijs, al is hetmaar door de taalachterstanden en integratieproblemen. Dat is gewoonnet zo goed een feit als dat de lucht blauw is. Dat dit probleem niet wordterkend, is op zichzelf al een probleem.Tot slot, voorzitter. Om redenen die ik niet ga herhalen, denk ik echt dat erwellicht ook een verband is tussen de uitstroom, het ziekteverzuim opscholen en de omvang van de schoolbesturen, waar we sowieso heelkritisch op zijn. De Staatssecretaris is die mening niet toegedaan, maar ikwil toch nogmaals de vraag herhalen: waarom onderzoeken we dat danniet? Het is zo simpel. Ik kan dat niet doen, want ik heb die cijfers niet. Jehebt de omvang van het schoolbestuur nodig en kijkt gewoon of er eencorrelatie is. Dan kunnen we achteraf nog wel onze eeuwige discussiehebben over de vraag of het ook causaal is, maar dat is een ander verhaal.Het gaat erom of er in ieder geval een correlatie is tussen de omvang vanhet bestuur en het verzuim, het verloop enzovoort. Dat is interessant. Datzou ik graag onderzocht zien worden. Ik hoop dat de Minister dat wil doen.Anders komen we wellicht met een motie daarvoor.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan kijk ik nu naar mevrouw Moorman voor haar tweedetermijn.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Veel dank aan de Staatssecretaris en de Minister voor de toezegging. Ikben heel blij dat we in kaart brengen wat de verschillen zijn en hoe wedaarop kunnen sturen. Ik kijk daarnaar uit. Ik kijk ook ontzettend uit naarwat we nou gaan doen met de zijinstroom. Dat komt nog in de verdeling.Er zijn twee dingen waar ik me nog niet helemaal lekker bij voel. Neem hetaccepteren van het tekort. Ik hoor toch te vaak dat het nou eenmaal zo is,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53758 terwijl ik vind dat dat niet zomaar geaccepteerd moet worden. Ik had heter net ook al even over met mijn collega. Daarmee krijg je toch selfful-filling prophecy’s. Sorry voor het Engels, meneer Van Houwelingen. Hetgaat om een zichzelf versterkende profetie. Dat past vast ook in uwstraatje, meneer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Ja, maar van mij mag het ook best in het Engels in dit geval.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Je gaat dus ergens naartoe werken. We denken al dat er een tekort is. Ikvind gewoon dat we als standaard moeten hebben dat elk kind eenbevoegde leraar voor de klas verdient. Dat moet altijd de standaard zijn.Daar gaan voor het tweeminutendebat – dank voor het aanvragen – nogop kauwen.Dat geldt ook voor de motie over externe inhuur die we hebben aange-houden. Ik ben blij dat de Staatssecretaris zegt die richting eigenlijk welop te willen. Dat onderstreept het.Voorzitter. Tot slot zal ik het artikel van Jonk en De Wolf in ESB opsturen,want het is echt heel interessant om die verschillen te zien.De voorzitter:Misschien kan dat dan breder verspreid worden door de griffie. Dat lijktme helemaal prima. Als u contact opneemt met de griffie, dan komt datgoed.De heer Stoffer, afsluitend.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter, dank. Ik zat net te bedenken of ik zou weten wat «selffulfillingprophecy» in het Frans en het Duits is, maar dat weet ik eigenlijk niet,moet ik bekennen. Ik doe iedere avond een lesje Duolingo in het Duits.Voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris en de Minister voor de beant-woording. We zien natuurlijk enorm uit naar de zomerbrief die over eenmaand of drie komt, want ik denk dat daarin echt heel veel resultatenkomen.Voorzitter. Ik heb nog een specifieke vraag over die Chris waarover ik hetdaarstraks had. Ik bedoel niet mezelf, maar die zijinstromer. Meer specifiekgaat het erom dat hij geen hbo-opleiding heeft. Dan kom je niet inaanmerking voor zo’n zijinstroomregeling, geeft hij aan. Ik snap dat deStaatssecretaris wellicht niet nu kan zeggen of het wel of niet past, maarzou zij misschien nu of later eens willen kijken of er een toets voor te doenis? Ik snap wel dat niet altijd alles past, maar is er misschien naar tekijken? Er zijn gemotiveerde mensen die vaak wel het niveau hebben maarnog net niet het goede papiertje. Dan raak je ook mensen kwijt. Ik wil netals mevrouw Moorman niet te weinig leraren. Ik wil gewoon voldoendeleraren voor de klas, vandaar.Voorzitter, tot slot. Ik zie uit naar dat werkbezoek Duits/Frans. Ik benbenieuwd waar we dat gaan doen, of we dat in Leiden, Maastricht of inUtrecht gaan doen. Ik weet niet eens waar ze dat allemaal geven. Ik laathet aan de Minister over waar dat dan zal zijn.Dank.De voorzitter:Hartelijk dank. Ik kijk even naar de Staatssecretaris en Minister: is erbehoefte aan een korte schorsing? Als dat niet het geval is, gaan wegewoon gelijk verder met de beantwoording in de tweede termijn. Ja? Isdat voor de Kamer ook oké? Dan geef ik de Staatssecretaris het woord.Mevrouw Tielen, aan u het woord.Staatssecretaris Tielen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53759 Dank u wel, voorzitter. Dank aan uw Kamer voor een levendig en goeddebat dat ging over wat echt belangrijk is, namelijk een goede kwaliteitvan onderwijs, met goede docenten die in plezierige en veilige schoolom-gevingen kunnen werken, willen werken en blijven werken.Mevrouw Rooderkerk zei al dat we veel toezeggingen hebben gedaan.Daarom ben ik ook wel een beetje verbaasd over het tweeminutendebat.Ik ben eigenlijk wel benieuwd wat daarin nog aan moties wordt meege-geven. Dat laat ik dan even aan uw Kamer.Er waren nog een aantal vragen. Mevrouw Rooderkerk vroeg naar deplanlastcalculator. Dat is mijn favoriete wordfeud – ... o nee, scrabble – ...nou ja, letterspelwoord aan het worden. In juni hebben we een afspraakmet de Vlaamse collega om daarover met elkaar van gedachten tewisselen en te kijken wat we daarmee kunnen doen. Dat ligt eigenlijk eenbeetje in het verlengde van datgene waar de heer Boomsma naarverwees, namelijk überhaupt wat ze in Vlaanderen aan het doen zijn enhoe we dat bij elkaar kunnen brengen. Het is leuk dat mevrouwRooderkerk en ik er allebei maandag waren, maar het belang van deNederlandse taal is natuurlijk heel groot, omdat het de basis is voor allesin het onderwijs. We gaan daarin dus van elkaar leren.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank. Ik dacht zelf aan het woord «bureaucratieberekenaar» alsvertaling voor de Vlaamse variant, maar dat laat ik even vrij.De voorzitter:Er worden allerlei suggesties gedaan. Wat vindt u daarvan?Staatssecretaris Tielen:Ja, het is mooi. Het is natuurlijk één woord. Er zit geen spatie tussen,maar toch is het allitererend. Dat is ook mooi.De voorzitter:Drie keer woordwaarde. Gaat u verder.Staatssecretaris Tielen:We gaan nog een keer een debat Nederlands doen of een groot dictee, ofwat dan ook.Meneer Boomsma vroeg naar de Achterhoekse scholen. Dat is volgensmij typisch iets wat onderwijsregio’s met elkaar kunnen afspreken, omervoor te zorgen dat de tekorten binnen hun onderwijsregio minderworden en kwalitatief goede leraren een plezierige werkplek hebben, endaar soms ook op die manier voor beloond kunnen worden. Dus ik bendaar positief over. Ik vind het wel echt iets voor de onderwijsregio’s omdaar afspraken over te maken.Dan de vragen van de heer Van Houwelingen. Als mensen stellingenhebben, zeg ik altijd: denk je dat, weet je dat of vind je dat? De heer VanHouwelingen zei ook een paar keer: ik denk dat dit ... We hebben al heelveel onderzocht. We weten dat het niet om kwantiteit gaat bij onderwijs-besturen, maar om kwaliteit. Ik heb er gewoon geen behoefte aan om datopnieuw te onderzoeken. Sterker nog, al die capaciteit die we dan daaraanzouden besteden, kunnen we niet besteden aan het uitvoeren van deplannen en de visie die we hebben om te zorgen dat het lerarentekortkleiner wordt.Dat is dan ook een bruggetje naar mevrouw Moorman, want ...De voorzitter:Dan ga ik eerst even naar de heer Van Houwelingen, met toch nog eeninterruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53760 Het is inderdaad een hypothese, die heel simpel getest kan worden. Datkost ook niet veel tijd. Als ik zelf onderzoeker was en die cijfers had, denkik dat het misschien een middagje werk zou zijn. Als het dan niet klopt,kan de Staatssecretaris ook tegen de Kamer zeggen dat het niet klopt. Hetheeft wel degelijk met kwaliteit te maken. Als er heel veel ziekteverzuim is,als er heel veel verloop is – dat wordt hier maar zomaar afgedaan, maardat is toch belangrijk? – gaat dat natuurlijk ten koste van de onderwijskwa-liteit. Daar zijn we het hier allemaal wel over eens. Zoek dat even uit in diepaar uurtjes. Waar vraag ik eigenlijk om?De voorzitter:Dus uw vraag is of dat kan worden uitgezocht.Staatssecretaris Tielen:Dit accepteer ik niet! Meneer Van Houwelingen lijkt te verwijzen naargrote onderzoeken waarin slimme mensen volgens wetenschappelijkenormen onderzoek doen en conclusies trekken. Dan zegt meneer VanHouwelingen: «Dat geloof ik niet zo. Ik denk dat het anders is. U moet ermaar een middagje tijd aan besteden.» Zo werkt het hier in de Kamernatuurlijk niet. De hypothese die meneer Van Houwelingen heeft, is altegengesteld. Er is geen causaliteit tussen de kwantiteit van het aantalleerlingen waar schoolbesturen over gaan, en uitstroom en verzuim. Diecausaliteit is er niet. Daar zijn diverse onderzoeken over. De stelling vanmeneer Van Houwelingen onderschrijf ik dus gewoon niet. Ik ga het nietopnieuw onderzoeken, want ik wil die capaciteit, ook al is het maar «eenmiddagje», liever besteden aan het oplossen van het lerarentekort enervoor zorgen dat goede leraren goede klassen en leerlingen op kunnenleiden.De heer Van Houwelingen (FVD):Goh, dat is wel opmerkelijk!De voorzitter:Wacht even. Afsluitend, meneer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ja, ik begrijp het, voorzitter. Als ik de Staatssecretaris überhaupt kanvolgen, zegt ze dat die onderzoeken al zijn gedaan. Stuur die onderzoekendan naar de Kamer, zou ik zeggen. Ik ben ontzettend benieuwd. Dan lezenwe dat.De voorzitter:Afsluitend de Staatssecretaris op dit punt.Staatssecretaris Tielen:Een van die onderzoeken heeft de Engelse titel – sorry, meneer VanHouwelingen – ResearchNed 2023. Ik zou zeggen: als u daar een middagjeaan besteedt en er dan nog aanvullende vragen over heeft, dan hoor ik zevanzelf. Dit klinkt wat cynischer dan ik het bedoel. Het is niet grappigbedoeld, maar ik vind serieus dat we elkaar hier serieus moeten nemen endat we ook onderzoeken serieus moeten nemen. Almaar nieuwe onder-zoeken uitzetten omdat iets misschien toch anders is dan iets anders: nee,daar kunnen we geen beleid op maken. Dat doet ook geen recht aan demoeite die we serieus moeten doen om te zorgen dat we het lerarentekortindammen.De voorzitter:Kort en afsluitend.De heer Van Houwelingen (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53761 Dat onderzoek ken ik toevallig, want ik heb de samenvatting daarvangezien. Die tabel staat er niet in, dus het is weer pure bluf. De Staatssecre-taris zou moeten weten als ze enige... Nou, laat ik het niet zo formuleren.Als ze enigszins begrijpend kan luisteren naar wat ik bedoel: datonderzoek is er niet. De Staatssecretaris kan het blijkbaar ook niet naar deKamer sturen en wil het dus niet doen. Ze wil het niet doen. Dat zegt tochwel wat, hè!De voorzitter:Volgens mij hebben we dit nu een paar keer uitgewisseld en hebben wehet hier nu mee te doen. Ik kijk nog even naar de Staatssecretaris: zijn ernog zaken in tweede termijn waarop u wil terugkomen?Staatssecretaris Tielen:Ja, want ik had een bruggetje gemaakt naar de vraag van mevrouwMoorman, die zei dat we het tekort niet kunnen accepteren. Ik accepteerhet ook niet. Ik denk dat we ambitieus moeten zijn, maar ook realistisch.Dat is de reden waarom ik zeg wat ik zeg. Ik vind dat we veel actie enenergie moeten steken in zorgen dat er kwalitatief goede leraren zijn diemet plezier werken en blijven werken, om te zorgen dat kinderen goedonderwijs krijgen. Ik denk echter dat dat tekort ook als ik daar eenkwantitatieve doelstelling op moet zetten, niet nul gaat zijn; daarover hebik met mevrouw Rooderkerk al een kort interruptiedebatje gehad. Dat iseigenlijk wat ik daarover zeg.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Misschien moet ik het even heel specifiek maken. Ik lees op pagina 2 vande brief die van de week is gestuurd dat we «het onderwijs toekomstbe-stendig moeten maken door voor te bereiden op structureel minderleraren». Dat is een zin waar ik echt op haak. Misschien moeten wegewoon zeggen: dat is verkeerd geschreven; dat moet anders.De voorzitter:Was dat een foutje?Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet of dat een foutje is. Het punt is dat ik denk dat we nooit naarnul gaan. Dat is wat ik net ook zei. Ik denk dat we het tekort niet terugkunnen brengen naar nul. Dat zeg ik ook weer refererend aan het rapportGematigde groei van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen.Ik heb mevrouw Rooderkerk toegezegd om in de brief die voor de zomerkomt, in te gaan op cijfers. Ik kan ook wel wat meer woorden wijden aande toelichting met betrekking tot waar we dan wél op af kunnen sturen.Tegelijkertijd moeten we zorgen dat het onderwijs toekomstbestendig enwendbaar wordt, en van hoge kwaliteit.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Moorman.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Het gaat ook over ambitie en waarop je wil afstuderen. Ik snap heus depraktische bezwaren. Het gedicht «tussen droom en daad staan praktischebezwaren in de weg» is hier al vaak geciteerd, al gaat dat over moord, dusdaar moeten we niet te veel naar verwijzen. Ken uw klassiekers.De voorzitter:Het debat begint een beetje uit de hand te lopen. Wat is precies uw vraag?Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53762 Mijn punt is dat de ambitie natuurlijk moet zijn dat er geen structureeltekort is. Dat mogen we nooit uit het oog verliezen.De voorzitter:In reactie, afsluitend.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Moorman weet het, want ik heb het woord al een paar keergenoemd: ja, wij hebben ambities. Ik vind het echter ook plezierig omrealistisch te zijn en zeker te weten dat we onze beloftes, toezeggingen ofrichtpunten met elkaar kunnen halen of in ieder geval bijna kunnen halen;laat ik het zo zeggen. Maar nogmaals, ik zal hier wat meer woorden aanwijden in de brief. Wellicht kunnen mevrouw Moorman en ik elkaar daarinecht wel vinden. Volgens mij streven we hetzelfde na en hebben we ookallebei voldoende actie en energie om dit voor elkaar te krijgen.Het artikel van ESB zie ik graag tegemoet. Volgens mij vinden we elkaarook daar wel enigszins.Dan de vraag van de heer Stoffer over hbo-diploma’s, de onderwijsbe-voegdheid en het zijinstromen. Dat is natuurlijk een dilemma, in die zindat we proberen ervoor te zorgen dat mensen die voor de klas komen eenbepaald niveau, namelijk vanaf hbo-niveau, hebben en daarmee dekwaliteit hebben om les te geven. Als mensen dat hbo-diploma niethebben, gaan we natuurlijk aan de slag met dingen als eerder verworvencompetenties, en kijken we hoe mensen dat kunnen invullen. Dat is nogbest ingewikkeld, is ook gebleken. Maar dat hebben we wel. Tegelijkertijdwillen we niet te veel afdoen aan kwaliteit. Hoe kun je meten of iemanddie kwaliteit daadwerkelijk heeft? Dat is natuurlijk een worsteling,helemaal in ons onderwijs, maar zeker als het gaat over docenten. Ik kanhier dus geen eenduidig antwoord op geven, zeker ook niet omdat hethier om één persoon gaat. Maar ik leg wel graag het dilemma neer: hoekun je kwaliteit borgen en ervoor zorgen dat bekwaamheid ook echtbekwaamheid is?De heer Stoffer (SGP):Ik snap het dilemma, hoor. Dat heb ik natuurlijk zelf ook als ik datgene leeswat bovenkwam. Ik weet ook niet om hoeveel mensen het in totaal gaat.Je hebt ook wel een alternatief, een tegemoetkomingsregeling ombijvoorbeeld de pabo in deeltijd te doen. Maar als je dan te veel verdient –dat begint al bij € 43.000 – is het ook al mis. Misschien is daar ook nogiets in te doen. Er zit misschien wel enige relatie tussen het hebben vaneen salaris dat daar ver boven zit en het niveau waarop je werk verricht,waar je dan net geen diploma voor hebt. Ik geef het maar mee, want wezoeken gewoon alle mogelijkheden om genoeg leraren te krijgen. Dat iseigenlijk waarom we hier zitten.De voorzitter:Ik begrijp uw zoektocht. De Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Dank aan de heer Stoffer. Volgens mij zijn we samen op zoek naar hoe jezowel de kwaliteit van het vak behoudt als voldoende aantrekkingskrachthebt voor mensen die willen zijinstromen. Dat is precies de zoektocht. Wenemen deze opmerkingen zeker mee.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. Ik kijk even naar de Minister om te zien of zij nogantwoorden te geven heeft in tweede termijn. Nee. Kijk, al het gras was algemaaid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53763 We zijn aan het einde gekomen van dit commissiedebat. Nu even goedopletten, want we gaan de toezeggingen voorlezen. De volgendetoezeggingen zijn gedaan.–De Kamer ontvangt voor de zomer van 2026 – laten we dat er dan ookhelder bij zeggen; daar ga ik wel van uit – een brief over de voortgangvan de lerarenstrategie. In de brief gaat de Staatssecretaris in iedergeval in op, maar beperkt zich niet tot, de volgende onderwerpen:–meetbare doelstellingen betreffende de kwaliteit van het onderwijs;–de gesprekken die zij heeft gehad met zijinstromers;–de stand van zaken van een eventuele lerarenraad;–de stand van zaken betreffende de beroepsgroepvorming vanleraren;–de uniformering van de starttoets voor lerarenopleidingen, waarbijwordt gekeken naar het Vlaamse model;–de stand van zaken betreffende de differentiatie van de pabo;–de ontwikkelingen in het curriculum van de lerarenopleidingen;–de voorlopige resultaten van de Nationale Aanpak Professionalise-ring Leraren, de NAPL.–De Kamer ontvangt binnen een paar maanden informatie over destand van zaken van het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid enarbeidsmarktmaatregelen.–De Kamer ontvangt een brief over de verschillen tussen scholen in delerarentekorten.Ik heb daar nog geen termijn bij gehoord, dus wellicht kan de Staatssecre-taris of de Minister hier nog een termijn aan plakken.Staatssecretaris Tielen:Die hoort bij de brief die we voor de zomer sturen, want dit past natuurlijkheel goed bij het beleid, de tekorten en de verschillen.De voorzitter:Ik zie dat de heer Stoffer ook nog even wil reageren.De heer Stoffer (SGP):Ja, op die tweede toezegging, over het wetsvoorstel. De Kamer krijgt eenreactie binnen een paar maanden. Er werd net gesuggereerd dat de zomerniet de zomer van ’26 hoefde te zijn. «Een paar maanden»: betekent datvoor de zomer? Of betekent dat september?De voorzitter:Ik geleid de vraag door.Staatssecretaris Tielen:Dat betekent: voor de zomer.De voorzitter:Van 2026.Staatssecretaris Tielen:Ja, anders wordt het echt vijftien maanden. Dat vind ik geen «paar» meer.De voorzitter:Nee, exact, een paar is geen vijftien.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik mis drie kleine dingen.De voorzitter:We zijn nog niet klaar, dus hold your horses.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53764 –De Kamer ontvangt in het najaar van 2027 een brief over de tussen-tijdse resultaten van de pilot meerurenmaatwerk.–De Kamer ontvangt binnen een paar weken een reactie op de brief vanAOb, CNV en FvOv betreffende de G5-noodmaatregel.–De Kamer ontvangt in het najaar van 2026 een brief waarin wordtingegaan op enkele maatregelen betreffende voor- en vroegschoolseeducatie.–De Kamer ontvangt over circa anderhalve maand een beleidsbrief vanbeide bewindspersonen.–De Kamer ontvangt in december 2026 een brief over de bevindingenvan het onderzoek naar het behoud van talenstudies.Nu ben ik heel benieuwd of mevrouw Moorman nog iets heeft gemist.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ja, voorzitter, eigenlijk toch alle drie. Ten aanzien van die ene brief over deverschillen gaf de Staatssecretaris aan dat het ook gaat over hoe wedaarop kunnen sturen, dus welke sturingsmaatregelen daarbij horen. Daarwas ik blij mee.Ik heb ook een heel prettige toezegging gekregen over de schoolleiders,maar dat viel een beetje tussen de twee bewindspersonen in. Dat zou indie brief zitten die voor de zomer komt.Tot slot over de zijinstroom: er was een toezegging dat we nu heel snel deverdeling van de envelop van 1,5 miljard gaan krijgen. Daarin zou ookworden ingegaan op hoe de zijinstroommiddelen zijn verdeeld. Toen gafde Staatssecretaris aan dat ze dat nog niet helemaal precies kunnen doen,maar ze gaf vervolgens ook een datum waarop dat wel precies kon. Dusdat zou ik ook graag vastgesteld willen hebben.De voorzitter:Aan de hand van het verslag zullen deze toezeggingen worden verwerkt,zeg ik tegen mevrouw Moorman. Dat heb ik net even afgestemd met degriffie. Ik kijk even naar mevrouw Armut.Mevrouw Armut (CDA):Begreep ik het goed dat er in het najaar verder wordt ingegaan op voor-en vroegschoolse educatie? Zou dat niet eerder kunnen, zeker in lijn metwat in het coalitieakkoord is afgesproken? Er is afgesproken om daarin teinvesteren. Dan ben ik wel benieuwd hoe we dat gaan doen. Dat hoor ikgraag eerder.Staatssecretaris Tielen:Ik heb daar echt even wat tijd voor nodig, in die zin dat ook daar geldt datwe niet alleen het gesprek met de onderwijssector voeren, maar bijvoor-beeld ook met de jeugdgezondheidszorg. Dat is echt wel een beetje eenander domein. Ik heb echt meer tijd nodig om daar goede gesprekkenmee te hebben en om dat vervolgens tot een brief te vormen. Voor dezomer hebben we al heel veel. Ik snap de urgentie van mevrouw Armut.Die zie ik ook wel, maar ik wil er wel gelijk een goede brief van maken.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. Ik wil nog even opmerken dat er namens mevrouwArmut een tweeminutendebat is aangevraagd, dus dat staat ook alsafspraak genoteerd. Mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik miste – althans, dat denk ik – in de toezegging over de eerste brief nogde afspraken tussen lerarenopleidingen en scholen over bijvoorbeeld deinstroommakelaars. Daar was ook een toezegging over, om te zorgen dathet eenduidig en overal goed dekkend is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53765 De voorzitter:Die verwerken we in het verslag. Ik kijk even naar de griffier om te zien ofdat klopt. Dat klopt. Die wordt in het verslag verwerkt. Dus die toezeggingwordt ook verwerkt. Dan dank ik, denk ik, ook kijkende naar de zijde vande Kamer, de Minister en de Staatssecretaris voor de beantwoording vande vragen tijdens dit debat. Ik dank iedereen op de publieke tribune, demensen die thuis mee hebben geluisterd en de pers, die hier ronkendeartikelen over gaat schrijven, ook voor hun aanwezigheid en aandacht.Mevrouw Moorman wil toch nog even het woord.Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):Ik dank de voorzitter. Ik vond het een fijn en levendig debat, en ik vind hetgoed werken met deze interruptievorm, dus dank u wel.De voorzitter:Nou, laten we die erin houden. Dan sluit ik de vergadering. Dat doen wedoor de hamer te laten vallen.Sluiting 17.10 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 53766
Gerelateerde bronnen
- Leraren
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 25 maart 2026, over Leraren
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.