Verslag van een schriftelijk overleg over Kabinetsreactie WRR-rapport Nederland in een fragmenterende wereldorde (Kamerstuk 30821-260)
Brontekst
Versie d69e691f31f415d7 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202530 821Nationale VeiligheidNr. 272 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 18 april 2025 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft enkele vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Ministers van Buitenlandse Zaken, vanJustitie en Veiligheid en van Defensie over de brief van 14 februari 2025inzake de kabinetsreactie op het rapport van de Wetenschappelijke Raadvoor het Regeringsbeleid (WRR) over «Nederland in een fragmenterendewereldorde» (Kamerstuk 30 821, nr. 260).De vragen en opmerkingen zijn op 21 maart 2025 aan de Ministers vanBuitenlandse Zaken, van Justitie en Veiligheid en van Defensievoorgelegd. Bij brief van 18 april 2025 zijn de vragen, mede namens deMinisters voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, van Defensieen van Justitie en Veiligheid, beantwoord.De voorzitter van de commissie,KlaverAdjunct-griffier van de commissie,Dekker kst-30821-272ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2721 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van descherpe analyse van de WRR en hebben een aantal vragen en opmer-kingen bij de kabinetsreactie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet, ondanksde grootste geopolitieke spanningen in vele decennia, vasthoudt aan dewens om de slagkracht van de Nederlandse diplomatie met 10 procent teverminderen. Deze leden vinden deze keuze bestuurlijk onverantwoord.Nu onze belangrijkste bondgenoot ons de rug lijkt toe te keren, miljardenaan essentiële steun aan democratie- en rechtsstaatbevordering,mondiale gezondheidszorg, conflictpreventie en voedselzekerheidterugtrekt en Poetin de vrije hand geeft om verkiezingen en socialecohesie in Europa te beïnvloeden, roepen deze leden het kabinet op omniet te bezuinigen op de oren en ogen van Nederland in het buitenland.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet zegtactiever te willen luisteren naar de wensen, zorgen en behoeften vanderde landen, waarbij het kabinet een grote rol voor hulp en handel ziet.Deze leden vragen hoe het kabinet denkt dit te realiseren met de grotebezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking die het doorvoert. Deelt hetkabinet de mening dat de veranderende wereldorde juist het moment isvoor een integraal afgewogen buitenlandbeleid, waarbij meer middelenbeschikbaar worden gesteld voor ontwikkelingssamenwerking, nietminder?1. Antwoord van het kabinetHet kabinet deelt de mening dat de wereldorde snel verandert.Dit vraagt om een integraal buitenlandbeleid waarin ontwikke-lingshulp meer dan voorheen gericht is op wederzijdse belangen.Conform het Regeerprogramma1 focust het kabinet het ontwikke-lingshulpbeleid op handel en economie, veiligheid en stabiliteit,en migratie. Deze belangen behartigen we met programma’s endiplomatieke inzet op gebieden waar Nederland in uitblinkt:watermanagement, voedselzekerheid en gezondheid. In debeleidsbrief Ontwikkelingshulp wordt toegelicht dat voor dezebelangen en thema’s extra geld wordt vrijgemaakt, dan wel datbudgetten worden ontzien bij invulling van de bezuiniging.2Nederland streeft daarbij naar relaties waar zowel Nederland vanprofiteert als de landen waarmee we samenwerken. Dit vraagtom een dialoog met deze landen, waarbij we goed luisteren welkewensen en zorgen deze landen hebben.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat Minister Klever voorBuitenlandse Hulp en Ontwikkelingshulp in haar beleidsbrief overontwikkelingssamenwerking het volgende schrijft: «We bouwen voort opbestaande relaties die we met landen hebben, maar richten ons daarbijsteeds meer op wat zij ons te bieden hebben». Deze leden zijn in het lichtvan die uitspraak benieuwd hoe het kabinet aankijkt tegen de conclusievan de WRR dat een positieve rol voor ontwikkelingssamenwerking in hetbevorderen van samenwerking met Afrikaanse landen «een bereidheid1Kamerstuk 36 471, nr. 96.2Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 53.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2722 om meer vanuit het belang van die onderling zeer verschillende landen tedenken en hen meer te bieden» vereist.2. Antwoord van het kabinetOntwikkelingshulp wordt ingezet om bij te dragen aan sociaal-economische ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden,daar waar dat bijdraagt aan onze belangen handel en economie,veiligheid en stabiliteit, en migratie. Daarnaast blijven we zondereigen belang humanitaire hulp bieden aan mensen in nood. Voordoeltreffendheid en doelmatigheid heeft het kabinet aangegevendat we niet in alle landen met een hulprelatie dezelfde belangennastreven. Zo richten we ons wat economische belangen betreftop stabiele lage- en middeninkomenslanden en wat veiligheid,stabiliteit, en migratie betreft op de nabuurregio’s van Europa.Voor het behartigen van die belangen wordt vervolgens samenmet die landen bekeken op welke thema’s kan worden ingezet.Ook bij het vaststellen van het type interventies zal gekekenworden wat de wensen van het land zijn, hoe aangesloten kanworden bij bestaande initiatieven en samenwerking met de EU enmultilaterale instellingen. Dit is in lijn met de NederlandseAfrika-strategie.3De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet strate-gische partnerschappen aan wil gaan met opkomende machten, zoalsIndia en Indonesië. De leden zijn benieuwd hoe het kabinet in dezestrategische partnerschappen de juiste balans wil vinden tussen welvaart,weerbaarheid en waarden. Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat delaatstgenoemde waarden niet uit het oog worden verloren? Daarbij zijn deleden benieuwd hoe verdere samenwerking met India zich verhoudt tot deIndiase handelsbanden met Rusland, die het Russisch vermogen om deoorlog in Oekraïne voort te zetten vergroten.3. Antwoord van het kabinetHet is een prioriteit voor het kabinet de relaties te versterken metdiverse partners in de wereld. In de brede partnerschappen dieNederland aangaat, wordt ingezet op een balans tussen waarden,welvaart en weerbaarheid. Een brede en gelijkwaardige bilateralerelatie vormt een belangrijke basis om een effectieve dialoog tekunnen voeren. Daarvoor moet Nederland ook de belangen enpositie van andere landen scherp voor ogen hebben.In een wereld die vraagt om diversificatie van partnerschappenen strategische afhankelijkheden, komen hechtere relaties zoalsmet India vanzelfsprekend naar voren. India, met de grootstebevolking ter wereld, zijn geografische omvang, strategischeligging, economische groei en militaire macht, is een crucialespeler. Dit belang wordt ook in Europees verband onderschrevenzoals ook bleek uit het bezoek van de Commissie Von der Leyenaan India in februari jl. India is, ondanks uitdagingen op hetgebied van mensenrechten, een democratie en rechtsstaat is diezich inzet voor een internationale orde gebaseerd op regels enrecht. Dit alles vormt de basis voor de intensivering van onzesamenwerking. Nederland zet zich daarbij in voor een construc-tieve dialoog met India, op basis van wederzijds respect over deinternationale rechtsorde, democratie en mensenrechten. Juist dehechtere bilaterale relatie maakt het makkelijker om gesprekken3Kamerstuk 29 237, nr. 183.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2723 te voeren over deze onderwerpen waaronder ook de handelsre-latie met Rusland.Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie opmerkingen envragen over handel. De WRR benoemt de trend waar afgestapt wordt vanvrijhandel richting «geo-economie» en de kwetsbaarheid die Nederlandals handelsland in deze nieuwe context heeft. Heeft het kabinet eenredelijke inschatting van de nadelige gevolgen van deze transitie voorNederland, en zijn er in de nieuwe context volgens het kabinet ook kansenvoor Nederland om effectiever op te komen voor onze waarden, welvaarten weerbaarheid?4. Antwoord van het kabinetVrijhandel en geo-economie zijn niet elkaars tegenpolen, noch iseen open economie per definitie kwetsbaar en een gesloteneconomie weerbaar. Sterker nog, een open economie metrobuuste waardeketens is juist weerbaar en bestand tegenexogene schokken. Dat laat onverlet dat de wereld om ons heenverandert en toebeweegt naar meer afgetekende machtsblokken,en dat dit zijn weerslag heeft op de handelsstromen en hethandelsvolume. Voor Nederland, een open economie die zijnwelvaart voor een groot deel te danken heeft aan handel met hetbuitenland, kan dit nadelige effecten hebben. Zo schatten onderandere de Rabobank4, het CPB5 en DNB6 dat er sprake kan zijnvan toenemende inflatie, BBP verlies en afnemende export bij hetinvoeren van handelstarieven.Daarom blijft ook in de nieuwe context Nederland gebaat bij eenop regels gebaseerd en voorspelbaar handelssysteem. Veran-derend en meer protectionistisch beleid van grote economischespelers en geopolitieke uitdagingen zorgen voor meer onzeker-heid voor onze ondernemers. Dit kabinet zet zich daarom binnende EU in om het op regels gebaseerde handelssysteem teversterken en om proactief handelsrelaties met partnerlandenaan te gaan en uit te diepen. Naast deze positieve agenda steunthet kabinet waar nodig ook de inzet van handelsdefensievemaatregelen door de EU om onze belangen te beschermen.Verder zet dit kabinet zich in voor een sterk, stabiel en voor-spelbaar ondernemersklimaat. Hierbij focussen we o.a. opstrategische sectoren, het verkrijgen en behouden van sleutelpo-sities in cruciale waardetekens en diversificatie van de aanvoervan (kritieke) grondstoffen, om zo zowel onze toekomstigewelvaart en als onze toekomstige weerbaarheid veilig te stellen.We ondersteunen Nederlandse ondernemers ook bij hetzakendoen in het buitenland. Zeker in deze onrustige tijden is datextra waardevol. Tot slot, tweederde van de internationale handelvan Nederland is met andere landen in de EU. Het is dan ook vangroot belang om binnen de EU in te zetten op verdere vervol-making van de interne markt en zo onze onderlinge verwevenheidverder vorm te geven. Een sterke EU is goed voor de Nederlandsewelvaart, veiligheid en verdienvermogen.4https://www.rabobank.nl/kennis/d011446084-trump-versus-harris-de-impact-van-de-amerikaanse-verkiezingsuitslag-op-de-nederlandse-economie5https://www.cpb.nl/effect-van-amerikaanse-invoertarieven-op-de-nederlandse-en-europese-economie6https://www.dnb.nl/media/c03hni43/dnb-najaarraming-december-2024.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2724 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie sluiten zich aan bij de WRR dat geopolitiekeexpertise binnen de overheid belangrijk is. Deze leden vragen het kabinethoe het blijvend zal inzetten op het aantrekken van talent met geopolitiekeexpertise. Op strategische autonomie wordt nog te weinig gedaan, ditvereist ook interdisciplinair werken. De leden vragen het kabinet of hieropuitdagingen liggen met betrekking tot een gebrek aan talent of gebrekkigesamenwerking tussen disciplines. Zo ja, hoe gaat het kabinet dieopvangen?5. Antwoord van het kabinetHet kabinet onderschrijft het belang van talent met geopolitiekedeskundigheid. Er wordt daarom door onder andere het Minis-terie van Buitenlandse Zaken ingezet op de voortdurendeprofessionele ontwikkeling om medewerkers in staat te stellenhun rol te spelen in de geopolitieke context. Bij de selectie- enwervingsprocessen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken,alsook via het opleidingsaanbod voor rijksambtenaren via deAcademie voor Internationale Betrekkingen, wordt gestuurd ophet verder versterken van de geopolitieke en geo-economischeexpertise, inclusief het ontwikkelen van de kennis, kunde engedrag om interdisciplinair te kunnen werken. Om als organisatiegoed in te kunnen spelen op geopolitieke vraagstukken wordenfunctie ook steeds meer interdisciplinair ingericht, zoals bijvoor-beeld het geval is met het netwerk van Economische Veiligheids-diplomaten die op meerdere posten hun functie op het snijvlakvan economie, veiligheid en technologie uitvoeren. Het kabinetinvesteert in zijn ambtenaren zodat zij professioneel kunnenwerken en voorbereid zijn op de toekomst waarin het diploma-tieke speelveld snel verandert en zij moeten kunnen meebewegenmet de ontwikkelingen wereldwijd.De leden van de VVD-fractie zijn positief dat er een publiek-privaatgeopolitiek- en weerbaarheidsraad wordt opgericht, in lijn met de eerderemotie Brekelmans voor de oprichting van een geopolitieke raad(Kamerstuk 36 410 V, nr. 48). De raad krijgt een niet-besluitvormendkarakter. Deze leden willen het kabinet vragen hoe zij de rol van de raad inde besluitvorming voor zich zien. Hoe wordt gegarandeerd dat geprodu-ceerde overeenstemmingen of adviezen worden meegenomen in debesluitvorming? Ook vragen de leden op welke termijn de raad opgezetgaat worden en wanneer deze in werking zal treden.6. Antwoord van het kabinetHet Geopolitieke en Weerbaarheidsberaad, in lijn met de motieBrekelmans en Veldkamp,7 beoogt om het maatschappelijkmiddenveld en bedrijfsleven in een vertrouwelijke en informelesetting samen te brengen als belangrijke belanghebbenden ingeopolitieke, weerbaarheids- en nationale veiligheidsvraag-stukken. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan het informeren enbespreken van geopolitieke ontwikkelingen, alsook het ophalenvan ervaringen, wensen en ideeën van buiten de overheid tenbehoeve van beleidsvorming. Het beraad is informeel en nietbesluitvormend en daarmee niet bedoeld voor bindende adviezenof afspraken. Wel zullen de besprekingen en de inbreng van hetmaatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven door de7Kamerstuk 36 410 V, nr. 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2725 kabinetsleden meegewogen worden bij besluitvorming. Ookkunnen de partners van buiten de overheid de inbreng van dekabinetsleden meewegen bij hun eigen besluiten en activiteiten.Het is de bedoeling om de eerste bijeenkomst van het Geopoli-tieke en Weerbaarheidsberaad voor de zomer van 2025 teorganiseren.De leden van de VVD-fractie zetten zich in voor het afbouwen vanstrategische afhankelijkheden, met name op kritieke grondstoffen.Hiervoor willen zij breed inzetten op zowel bilaterale en multilateraleafspraken, als op brede strategische EU-partnerschappen. De WRRonderschrijft ook het belang van nieuwe partnerschappen om kritiekegrondstoffentoegang te diversifiëren. Toch maakt het kabinet geen directekoppeling tussen brede strategische partnerschappen en kritiekegrondstoffen. Deze leden vragen het kabinet of het kritieke grondstoffenen leveringszekerheid centraal wil gaan zetten bij nieuw brede partner-schappen. Verder vragen de leden hoe het kabinet zich bilateraal enmultilateraal in gaat zetten om waardenketens voor kritieke grondstoffenblijvend te diversifiëren.7. Antwoord van het kabinetNederland zet in op het aangaan van nieuwe strategischepartnerschappen met derde landen en heeft daarin ook oog voorhet belang van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen.Zodoende heeft Nederland bilaterale samenwerkingsverbandenop gebied van kritieke grondstoffen met Vietnam, Zuid-Korea enCanada, en verkent samenwerking met andere landen. Daarnaastgeeft het kabinet invulling aan de verschillende strategischegrondstoffenpartnerschappen die de EU heeft afgesloten metgrondstofrijke landen, zoals Australië en Kazachstan.8 In dezepartnerschappen richt het kabinet zich op het versterken enverduurzamen van internationale grondstoffenketens omleveringszekerheid van kritieke grondstoffen te vergroten. Ookzet het kabinet zich in om het Nederlandse bedrijfsleven beter inde internationale kritieke grondstoffensector te positioneren. DeSpeciaal Vertegenwoordiger Grondstoffen die door het kabinet inaangesteld speelt hier tevens een aanjagende rol.Momenteel heeft de EU handelsakkoorden in toepassing meto.a. Chili, die ook afspraken bevatten die de toelevering vangrondstoffen vergemakkelijken. Ook onderhandelt de EU sindskort een Clean Trade and Investment Partnership (CTIP) metZuid-Afrika, waar o.a. samenwerking op gebied van grondstoffencentraal staat. Tenslotte steunt het kabinet o.a. multilateraleinitiatieven via de Wereldbank welke bijdragen aan de brederebeschikbaarheid van grondstoffen op de markt. Het RISE initiatief(Resilient and Inclusive Supply Chain enhancement) zet in opmeer lokale waardetoevoeging in de grondstoffenketens vanlagere- en middeninkomenslanden. Ook wordt leveringszekerheidvan kritieke grondstoffen multilateraal besproken via hetInternationaal Energieagentschap (IEA). Tenslotte werkt hetkabinet samen met de defensie-industrie aan een pilot om deketenkwetsbaarheden voor de productgroep militaire schepen inkaart te brengen. Hierbij wordt onder andere diversificatie van8EU and Australia sign partnership on sustainable critical and strategic minerals, EuropeseCommissie en Strategic partnership with Kazakhstan on raw materials, batteries and renewablehydrogen – European CommissionTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2726 leveranciers van grondstoffen onderzocht als mogelijkemaatregel om ketenkwetsbaarheden te verkleinen.De leden van de VVD-fractie zien dat het kabinet goede en nodigedoelstellingen schetst aansluitend op de veranderende geopolitiekerealiteit. Concrete doelstellingen zijn positief, maar het is belangrijker datwe de doelstellingen ook halen. Met name bij Europese doelstellingen ophet gebied van defensie en de diversificatie van waardenketens geldt datde doelen afhankelijk zijn van de nationale inzet. Deze leden willen wetenhoe het kabinet zijn plannen overweegt op basis van haalbaarheid.Concreet willen de leden weten of er meer gedaan moet worden of dat hetkabinet met bestaande initiatieven de doelstellingen denkt te halen.8. Antwoord van het kabinetOver de inzet ten aanzien van kritieke grondstoffen en kwetsbaretoeleveringsketens binnen de defensie-industrie is uw Kamer op13 januari jl. geïnformeerd.9 Tot de zomer richt het kabinet zichals eerste stap op het ontwikkelen van een publiek-privateroutekaart om risicovolle strategische afhankelijkheden voormilitaire schepen inzichtelijk te maken en mogelijke interventiesen bijpassend instrumentarium te identificeren. Hierbij wordt ookgekeken naar voorraadvorming.10 Deze pilot heeft onder andereals doel om te bezien of en hoe deze routekaartsystematiekmaatwerk kan leveren voor de defensiesector of dat maatwerknoodzakelijk is ten opzichte van civiele productgroepen.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van destukken bijgaand dit schriftelijk overleg. De leden van de NSC-fractiehebben naar aanleiding van de stukken nog enkele vragen.Aanbeveling I.: maak Nederland geopolitiek robuust:De leden van de NSC-fractie lezen dat het WRR-rapport stelt datNederland goed gepositioneerd is ten opzichte van kennis over interna-tionale ontwikkelingen, onder andere door een uitgebreid diplomatiekpostennetwerk. Nu zal in de toekomst een bezuiniging van 10 procent opdit postennetwerk plaatsvinden. Deze leden vragen hoe de Minister kanwaarborgen dat deze bezuinigingen juist niet ten koste gaan van de kennisen netwerk-functie van het postennet, zoals bijvoorbeeld binnen interna-tionale organisaties juist in deze geopolitiek onrustige tijden.9. Antwoord van het kabinetOp dit moment wordt de invulling van de taakstelling uitgewerkt.Dit is een zorgvuldig proces waarbij het kabinet de belangen vanhet Koninkrijk goed in het oog houdt. Dat geldt ook voor dekennis- en netwerkfunctie die de posten hebben in de landen enbij internationale organisaties waar we vertegenwoordigd zijn.De leden van de NSC-fractie lezen dat het WRR-rapport ook aanbeveelt,dat naast een Nationale Veiligheidsraad een Planbureau voor Veiligheidzou moeten worden ingericht. Het kabinet zegt echter in zijn reactie datkennis en expertise op dat gebied met de nationale Veiligheidsraad, deRijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid en de Veiligheidsstrategie9Kamerstuk 32 852, nr. 326.10Kamerstuk 32 852, nr. 319.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2727 voor het Koninkrijk der Nederlanden voldoende geborgd is. De beschrij-ving in de kabinetsreactie is wat summier. Deze leden vragen de Ministerdat nader toe te lichten.10. Antwoord van het kabinetDe beschrijving in de kabinetsreactie refereert aan de Kamerbriefvan de Minister van Justitie en Veiligheid van 22 december2023.11 Het WRR-rapport beveelt het kabinet aan de rijksbredegeopolitieke deskundigheid te versterken. De in 2021 opgerichteNationale Veiligheidsraad voorziet in strategische kennisopbouwdoor regulier strategische discussies te agenderen. Recenteontwikkelingen met betrekking tot de Veiligheidsstrategie voorhet Koninkrijk der Nederlanden zijn te lezen in de Voortgangs-brief van 6 december 2024.12 De Ministers van Justitie enVeiligheid en van Buitenlandse Zaken zetten hierin namens hetkabinet uiteen hoe de koers van de Veiligheidsstrategie constantwordt gemonitord en bijgesteld middels de input van verschil-lende departementen, maatschappelijke organisatie, het bedrijfs-leven en de wetenschap. Ook de resultaten van de TrendanalyseNationale Veiligheid uit juni 202413 en de Rijksbrede Risico-analyse Nationale Veiligheid, voorzien in 2026, geven hieraanrichting.Het kabinet acht hiermee diepgaande en strategische Rijksbredegeopolitieke deskundigheid voldoende gewaarborgd. Zoals ookaangegeven in zowel de Kamerbrief van 22 december 2023 als deVoortgangsbrief blijft dit kabinet zich vol inzetten voor denationale en internationale veiligheid met aandacht voorduurzame borging van strategische kennisopbouw en besluitvor-mingsprocessen.Aanbeveling II.: Herijk de Nederlandse inzet in multilaterale samenwerkingDe leden van de NSC-fractie lezen dat volgens het WRR-rapportNederland zich moet herpositioneren binnen de nieuwe Europeseverhoudingen. In de kabinetsreactie gaat het kabinet niet verder in opdeze aanbeveling. Deze leden vragen hoe de Minister een dergelijkeherpositionering van Nederland voor zich ziet.11. Antwoord van het kabinetDe WRR geeft aan dat het vertrek van het VK gevolgen heeft voorEuropese verhoudingen en de positionering van Nederland. Ookbenadrukt de WRR dat Nederland zichzelf niet exclusief zoumoeten richten op beïnvloeding via het werkprogramma van deEuropese Commissie en de initiatieven die hieruit voortvloeieninclusief wet- en regelgeving, maar er ook veel afspeelt inminilaterale constructies en andere multilaterale verbandenwaarin ook niet EU-lidstaten zitting hebben. Europa staat op eenkantelpunt in de naoorlogse geschiedenis, waarop er twee keuzeszijn. Ofwel gevormd worden door gebeurtenissen en de wereldom ons heen, ofwel onze eigen toekomst vorm geven. Voor hetNederlandse kabinet is duidelijk dat we vol op het laatste moeteninzetten. Dit betekent dat de Europese Unie moet veranderen. Wehebben een krachtiger en weerbaarder Unie nodig, die onze11Kamerstuk 30 821, nr. 202.12Kamerstuk 30 821, nr. 249.13Kamerstuk 30 821, nr. 231.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2728 belangen in de wereld behartigt, die van betekenis is voorNederland en die werkt voor onze burgers. De huidige ontwikke-lingen stellen ons vermogen tot succesvolle aanpassing stevig opde proef. Het kabinet blijft zich inzetten voor die eenheid viaactieve Europa-diplomatie. Zoals ook is opgenomen in hetRegeerprogramma zet het kabinet in op een intensivering vanbilaterale samenwerking en coalitievorming met andere Europeselanden. Het is daarom van belang in samenwerking te blijveninvesteren, in het bijzonder met belangrijke Europese partnersbinnen en buiten de EU.De toenemende geopolitieke spanningen en Russische dreigingonderstrepen de noodzaak dat lidstaten zichzelf beter kunnenbeschermen. Dit vraagt om urgente actie van Europa ten aanziensamenwerking op het gebied van defensie. Het kabinet benadruktdat naast de EU ook andere samenwerkingsverbanden enpartners een belangrijke rol hebben voor de Europese veiligheid.De NAVO is de hoeksteen van ons Europese en Nederlandseveiligheidsbeleid, en het belangrijkste samenwerkingsverband ommét de VS en niet-EU bondgenoten te spreken over de Europeseverantwoordelijkheden op gebied van de Euro-Atlantischeveiligheid. Daarnaast zien we het belang van de EuropesePolitieke Gemeenschap en de samenwerking met VS, VK,Noorwegen en Turkije. Door overlappende doelstellingen – maarverschillende competenties – is onderlinge samenwerking enfocus op synergie tussen de NAVO en EU cruciaal bij alleveiligheids- en defensiethema’s. Het kabinet ziet toegevoegdewaarde in de EPG als een forum voor uitwisseling en samen-werking en geeft de voorkeur aan een flexibele en lichtestructuur om duplicatie met andere multilaterale fora tevoorkomen.De WRR benadrukt dat in alle geopolitieke turbulentie denormatieve kern van de Europese samenwerking gemakkelijkerover het hoofd wordt gezien. Het kabinet onderschrijft dezeconclusie. Samenwerking binnen de EU is alleen mogelijk als dewaarden van de democratische rechtsstaat door lidstaten wordengerespecteerd. Dit zijn essentiële pijlers van de Europese Unie. Zijzorgen ervoor dat lidstaten erop kunnen vertrouwen datafspraken worden nagekomen. Zorg dragen voor de democra-tische legitimiteit en de waarden van de EU blijft dan ook dekomende jaren onverminderd relevant.Ook worden in de aanbevelingen over hervormingen van bestaandemultilaterale instituties gesproken, zo lezen de leden van de NSC-fractie.Deze leden weten dat pogingen tot hervorming van de Verenigde Naties(VN) al decennia genomen zijn, echter zonder succes. Deze leden vragenwelke concrete stappen van hervormingen van organisaties, zoals de VN,World Health Organisation, World Trade Organisation etc., de Minister alswenselijk en realistisch acht. En deze leden vragen hoe de Minister de rolvan Nederland hierin ziet.12. Antwoord van het kabinetDe WRR concludeert dat er al langer kritiek is op de effectiviteit,het intern functioneren en de financiële verantwoording van deVN. Het kabinet herkent die kritiek en is al langer pleitbezorgervan volledige implementatie van de hervormingsagenda van deSecretaris Generaal van de VN (SGVN) die de VN effectiever enefficiënter moet maken. De VN heeft hier, ondanks de uitda-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 2729 gingen die horen bij het hervormen van een organisatie die wordtaangestuurd door 193 landen, de nodige stappen op gezet.Nederland zet zich in voor handhaven en bevorderen van denormatieve agenda, betere samenwerking tussen VN-organisatiesop landenniveau en tussen de VN en de private sector en deinternationale financiële instituties, betere samenhang tussenontwikkelingshulp, humanitaire hulp en vredesopbouw, en beterbestuur en integriteit. Vanwege toenemende geopolitiekespanningen en afnemende financiering wordt de roep om hetversneld invoeren van reeds aangekondigde hervormingen, maarook meer verregaande, aanvullende hervormingen groter.Het kabinet verwelkomt daarom ook het recentelijk door deSGVN gelanceerde UN80 Initiative, wat gericht is op additioneleefficiëntiewinsten en de herziening van de implementatie van allemandaten.14 Het kabinet wil daarbij dat de hulp aan de aller-kwetsbaarsten en het behoud van de systeemelementen diefundamenteel zijn voor de internationale rechtsorde en denormatieve mandaten voorop staan. Deze inzet is in lijn met hetBeleidskader Mondiaal Multilateralisme.15 Daarbij trektNederland nauw op binnen EU-verband en met het bredereVN-lidmaatschap, inclusief het mondiale Zuiden.Als gevolg van het recente besluit van de Verenigde Staten omhet lidmaatschap van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) opte zeggen zet WHO, met steun van Nederland, in op een ingrij-pende her-prioritering, onder andere door het aanbrengen vanfocus op de kerntaken en verdergaande decentralisatie. Als groothandelsland is voor Nederland het op regels-gebaseerde handels-systeem, met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) als kern, vangroot belang. Ook bij de WTO zet Nederland zich in voor hethandhaven van het normatieve kader en ter hervorming van deorganisatie, zodat deze ook in de toekomst effectief zijn takenkan uitvoeren.De leden van de NSC-fractie lezen dat in het rapport ook wordt gesprokenover het aangaan van nieuwe internationale samenwerkingsverbanden ener worden enkele voorbeelden aangehaald. Deze leden vragen welkemogelijke samenwerkingsverbanden de Minister als waardevol ziet voorde toekomst van Nederland. In de reactie van het kabinet wordt beklem-toond, dat de natuurlijke partners van Nederland landen zijn die onzewaarden van vrijheid, democratie en markteconomie delen. Deze ledenwillen zich binnen de EU inzetten voor de democratische rechtsstaat enstaan voor de bevordering van internationale rechtsorde en universelemensenrechten. Tegelijkertijd wordt er gesuggereerd dat de veranderendewereldorde ons voor moeilijke keuzes zal plaatsen. Deze leden vragen hoedeze toekomstige dilemma’s er volgens de Minister uit komen te zien enwelke keuzes hij zou aanbevelen.13. Antwoord van het kabinetNederland staat als democratische rechtsstaat met een openeconomie voor waarden als vrijheid, democratie en de markteco-nomie, en werkt nauw samen met landen en organisaties die dezewaarden onderschrijven. Naast samenwerking in het kader van deEU en de NAVO hebben Nederland en het Koninkrijk als geheelveel belang bij een goed functionerend multilateraal systeem via14UN / GUTERRES UN80 INITIATIVE | UNifeed15Kamerstuk 36 200 V, nr. 72.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27210 de Verenigde Naties en vergelijkbare instellingen voor normering,standaardisering en internationale samenwerking. Dit geldt ookvoor organisaties als de OESO, de G20, de Raad van Europa, deOVSE, of ASEAN waarvan Nederland sinds 2023 DevelopmentPartner is. Waarden, normering en standaardisering zijn hetkrachtigst wanneer deze door alle of veel landen gedeeld worden,zowel binnen de VN als binnen de EU. Waar dat niet lukt, zalNederland in kleiner verband optrekken.Een centraal dilemma in het buitenlandbeleid is de omgang metgrote autocratische mogendheden die onze waarden niet delen,zoals leden van uw Kamer al eerder constateerden.16 Zoals vervatin de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Nederland in eenfragmenterende wereldorde», heeft het kabinet heeft deafgelopen jaren stappen gezet om afhankelijkheden en kwets-baarheden ten aanzien van grote autocratische, revisionistischemogendheden af te bouwen en de geopolitieke en geo-economische slagkracht van de Europese Unie te versterken,waarbij het internationaal recht en mensenrechten een centraleplaats blijven innemen. Tegelijkertijd is het van toenemendbelang om ook te engageren met landen die niet of deels onzenormen en waarden delen, om mogelijkheden voor (multilaterale)samenwerking op basis van gedeelde belangen te blijven identifi-ceren en resultaten te bereiken. Het kabinet houdt daarom oogvoor de opkomst van andere internationale samenwerkingsver-banden waar Nederland geen lid van wil en/of kan worden, maardie voor andere landen een aantrekkelijk alternatief vormen,zoals de BRICS. De veranderende wereldorde stelt Nederland engelijkgezinde landen voor keuzes binnen welke fora welkeuitdagingen het beste kunnen worden aangepakt.De leden van de NSC-fractie lezen dat het kabinet het eens is met debeoordeling van de WRR dat de we de interesses van de Global Southbeter in kaart moeten brengen en daarnaar moeten handelen. Deze ledenvragen welke concrete ideeën de Minister al heeft en hoe Nederland zijnrelatie met de Global South in de toekomst beter vorm kan geven. Deleden vragen daarnaast of de Minister hier een concreet voorbeeld vankan geven.14. Antwoord van het kabinetIn tijden van geopolitieke onrust is het een prioriteit voor hetkabinet om de relaties te versterken met diverse partners in dewereld. Met de verschuiving van het mondiale zwaartepunt naarhet oosten (en zuiden) zal Nederland assertiever moeten opkomenvoor zijn belangen en waarden. Dat betekent ook dat we goedmoeten beseffen waar de belangen van derde landen liggen.Ambassades, consulaten en permanente vertegenwoordigingendragen eraan bij de kansen en mogelijkheden in kaart te brengen,en er wordt met alle ministeries in Den Haag bezien wat er in derelatie met een land speelt. Steeds houden we onze eigenbelangen scherp in het oog en zoeken naar manieren om deze tematchen. Indien mogelijk maken we hierover nadere afspraken enontstaan brede partnerschappen. Zo wordt bijvoorbeeld met Indiagewerkt aan nadere samenwerking op uiteenlopende terreinen.De inventarisatie van belangen is goed in beeld gebracht en erzijn goede aanknopingspunten om met India gezamenlijk tewerken aan weerbaarheid, welvaart en waarden. De politieke16Motie Sjoerdsma/Van der Lee 36 200 V, nr. 59 (2022) – gewijzigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27211 overleggen die dit voorjaar plaatsvinden met India onderstrepende gezamenlijke inzet de samenwerking structureel op een hogerplan te brengen. Ook in multilateraal verband kunnen we actieverde samenwerking met landen uit het mondiale Zuiden opzoeken,bijvoorbeeld door het co-sponsoren van resoluties in multilateraalverband.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het WRR-rapport«Nederland in een fragmenterende wereldorde», en de daaropvolgendekabinetsreactie. Zij hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de D66-fractie lezen dat de WRR in haar rapport duidelijkwijst op het gevaar van verschansing: «Nederland is te klein en te openom erop te vertrouwen dat de eigen dijken veiligheid en welvaart bieden.»«In plaats van een afwachtende houding aan te nemen, benadrukt deWRR de noodzaak om actief bij te dragen aan de EU, omdat Nederlandniet in haar eentje de mondiale ontwikkelingen te lijf kan gaan. Deze ledenzien in de recente acties van dit kabinet echter het tegenovergestelde. ZetNederland zich niet op een zijspoor door zich tegen (een deel van) ReArmEurope te keren, zo vragen deze leden. In plaats van actief deel te nemenaan het versterken van de Europese defensiecapaciteit, trekt Nederlandzich terug. Deelt de Minister de mening dat dit potentiële risico’s – zoalsbeschreven in het WRR-rapport – vergroot, en dat isolatie de veiligheid enwelvaart van Nederland op langere termijn kan ondermijnen, zo vragenzij.15. Antwoord van het kabinetHet kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de inzet t.a.v.ReArm met de Kamerbrief Motie-Eerdmans en de Europese Raadvan 20–21 maart.17Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie in de brief over een«versterkte communicatieaanpak» om het maatschappelijk bewustzijnover dreigingen te vergroten. Deze leden onderschrijven dit belang, maarzijn van mening dat het kabinet hierin nog een been bij kan trekken omervoor te zorgen dat bijvoorbeeld voldoende Nederlanders zich voorbe-reiden op noodsituaties. Op welke manier gaat de Minister zich inzettenom dit bewustzijn te vergroten, zo vragen zij. Daarnaast benadrukken deaan het woord zijnde leden dat dit bewustzijn gaat om meer dan deaanschaf van noodpakketten, maar om het besef dat in de toekomstmogelijk vitale publieke voorzieningen, levensstandaarden, en zelfsvrijheid op het spel kan komen te staan. Deelt de Minister dit en is hijvoornemens om ook hier actie op te ondernemen, zo vragen deze leden.16. Antwoord van het kabinetEen solide, weerbare maatschappij kan schokken aan, vangt dezeop en herstelt zich. Daarbij is een parate en veerkrachtigesamenleving beter voorbereid op langdurige uitval, verstoring entekorten. Duidelijke en intensievere overheidscommunicatiedraagt hieraan bij. Communicatie die inderdaad verder gaat danmensen te stimuleren een noodpakket aan te leggen. OmNederland meer paraat en weerbaar te maken communiceert deoverheid intensiever over de volgende zaken:1.Wat de dreiging is en de gevolgen voor Nederland;17Kamerstuk 21 501-20, nr. 2214.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27212 Naar de oproep van de Wetenschappelijke Raad voor hetRegeringsbeleid spant het kabinet zich in om duidelijk uit teleggen wat er op het spel staat en hoe groot de uitdagingenzijn. Hiermee tracht het kabinet bij te dragen aan de kennis engedachtenvorming in de Nederlandse samenleving. Datgebeurt op vele manieren:•Door gebruik te maken van bestaande communicatiemo-menten (zoals toespraken), het bieden van informatie aanjournalistieke media of media-optredens van bewindsperso-nen.•Met een nieuw dossier op www.rijksoverheid.nl is dezeinformatie bovendien gebundeld te vinden voor hetalgemeen publiek, aangevuld met relevante actualiteiten.18•Aanvullend op communicatie door de rijksoverheid wordtdeze boodschap ook versterkt door actieve communicatievan partners uit binnen- en buitenland. Door de EU, deNAVO, Kennisinstituten, gemeenten et cetera.2.Hoe de overheid en andere partners zich voorbereiden;•Voorbeelden hiervan zijn hoe het Ministerie van Defensieconcreet uitlegt hoe de krijgsmacht werkt aan militaireparaatheid, gemeenten die een lokale aanpak ontwikkelenen VNO-NCW die het bedrijfsleven in stelling brengt.3.Wat, onder andere, burgers, (maatschappelijke) organisaties,lokale overheden, kennisinstellingen en bedrijven, zelf kunnendoen om paraat en veerkrachtig te zijn, ongeacht de aard vande dreiging;•Op www.denkvooruit.nl is sinds enige tijd alle basisinfor-matie over risico’s in Nederland te vinden, en wat inwonerskunnen doen om hierop voorbereid te zijn. In 2025 start eenpubliekscampagne van overheden, maatschappelijkeorganisaties en bedrijven.Op het gebied van samenwerking met landen in het mondiale Zuidenbenadrukt de WRR het belang van gelijkwaardige partnerschappen, vooralmet Afrikaanse landen. De leden van de D66-fractie maken zich zorgenover de plannen van dit kabinet om een derde van het budget voorontwikkelingssamenwerking weg te bezuinigen en een tiende van hetpostennet te schrappen. Gezien de wereldwijde fragmentatie is het juistbelangrijk dat Nederland zich engageert met landen in het mondialeZuiden, vooral op gebieden zoals klimaatverandering, voedselzekerheiden watermanagement, niet in de laatste plaats omdat China en Ruslandmaar al te graag in dit gat springen. De aan het woord zijnde leden vragende Minister hoe hij bestaande partnerschappen gaat behouden en nieuwepartnerschappen aan wil gaan in het licht van deze grote bezuinigingsope-ratie op de internationale aanwezigheid van Nederland wereldwijd.17. Antwoord van het kabinetZie de beantwoording bij vragen 1 en 2.De WRR stelt ook dat Nederland zich moet wapenen tegen buitenlandsebeïnvloeding, bijvoorbeeld via media en technologie. De leden van deD66-fractie delen dit en verwijzen daarbij naar de recente inmenging viaplatform X in Europese democratieën. De recente berichten over deinvloed van buitenlandse actoren, zoals de zorgen rondom social mediaen desinformatie, geven aan dat deze dreiging steeds serieuzer wordt.Hoe is de Minister van plan om deze bedreigingen tegen te gaan, en hoezal Nederland zijn infrastructuur beschermen tegen buitenlandse18Link: www.rijksoverheid.nl/dreiginginnederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27213 manipulatie, zowel in de media als in strategische sectoren zoals detechnologie en halfgeleiders, zo vragen deze leden.18. Antwoord van het kabinetIn de Rijksbrede strategie voor effectieve aanpak van desinfor-matie19 en de daaropvolgende Voortgangsbrief20 is uw Kamergeïnformeerd over het kabinetsbeleid omtrent de aanpak vandesinformatie en statelijke informatie-operaties, en nieuweacties.Tot slot, de leden van de D66-fractie lezen dat de WRR het belang vangeopolitieke zelfredzaamheid en daarvoor de essentie om te investeren inkennis en analysecapaciteit benadrukt. Echter, tegelijkertijd wordt ermiljoenen bezuinigd op onderwijs en onderzoek, ondanks dat dezesectoren cruciaal zijn voor het versterken van de nationale en interna-tionale weerbaarheid van Nederland. De voorgenoemde leden vragen deMinister daarom hoe hij deze tegenstrijdigheid rijmt, en of hij kanuitleggen hoe hij deze noodzakelijke investeringen in kennis en capaciteitgaat realiseren.19. Antwoord van het kabinetHet kabinet heeft op zowel de korte als de lange termijn eenopgave om de begroting sluitend te krijgen. Om extra te kunneninvesteren in bestaanszekerheid, veiligheid en defensie, moet hetkabinet bezuinigen op andere beleidsterreinen, zoals ookonderwijs en wetenschap.Voor het onderwijs geldt dat instellingen naast de bezuinigingenook te maken hebben met bijvoorbeeld dalende studentenaan-tallen (o.a. ingegeven door demografische ontwikkelingen), watleidt tot verder dalende inkomsten. Daarnaast zijn de kosten voorinstellingen gestegen, bijvoorbeeld door hogere salaris- enenergiekosten. Het kabinet kijkt hoe we met de beschikbaremiddelen en de veranderde omstandigheden het stelsel klaar enweerbaar kunnen maken voor de toekomst. In de beleidsbrief vande Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 maart202521 wordt aangegeven wat het kabinet hiervoor nodig acht.Zo richt het kabinet zich op de samenwerking tussen onderwijs-instellingen op het gebied van het opleidingsaanbod. Hier is ookeen belangrijke rol voor de onderwijsinstellingen zelf. Tevensverkent het kabinet hoe de bekostiging stabieler kan.Onderzoek en innovatie leveren een belangrijke bijdrage aan hetbevorderen van onze strategische autonomie en aan eenweerbare economie. Dit onderschrijft het kabinet, bijvoorbeelddoor in te zetten op versterking van kennis en innovatie bijDefensie, voor een toekomstbestendige krijgsmacht. Investe-ringen worden ingezet op de vijf Nederlandse focusgebieden,22die veelal een dual-usetoepassing kennen. Dit is niet alleen goedvoor de effectiviteit van de krijgsmacht, maar ook voor deNederlandse kennis- en innovatiepositie en daarmee de Neder-landse welvaart. Op dit moment werkt het kabinet aan een3%-actieplan dat in het derde kwartaal van dit jaar met uw Kamer19Kamerstuk 30 821, nr. 173.20Kamerstuk 30 821, nr. 230.21Kamerstuk 31 288, nr. 1185.22Slimme materialen, ruimte vaart technologie, kwantum, intelligente systemen en sensoren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27214 zal worden gedeeld. In dit actieplan zal het kabinet hande-lingsperspectieven schetsen die bijdragen aan het stimuleren vanmeer R&D.Om gericht om te gaan met minder middelen, focust het innova-tiebeleid zich op technologieën die van strategisch belang zijn.Mede hiervoor hebben we de Nationale Technologiestrategie(NTS) opgesteld.23 Deze strategie wordt nu uitgewerkt inactieagenda’s. De sleuteltechnologieën uit de NTS zijn inherentR&D-intensief, en groei daarin zal op termijn bijdragen aan hetverhogen van onderzoek en ontwikkeling. Duurzame innovatie isalleen mogelijk met investeringen in een brede (fundamentele)kennisinfrastructuur die in verbinding staat met de maatschappij;daarom zetten we ook in op bijvoorbeeld de Einstein Telescoop.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van BBB-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen vanzowel het rapport «Nederland in een veranderende wereldorde», als ookvan de reactie erop door het kabinet.De leden van BBB-fractie volgen de reactie van het kabinet, maar willendaarbij wel nog een paar kanttekeningen maken. Gezien de huidigeontwikkelingen is het van belang om zowel de banden met de VS goed teblijven onderhouden, maar als Nederland en Europa ook op eigen benente kunnen (komen te) staan. Het laatste is op dit moment nog lastig, maarde aanbevelingen uit het rapport en de actiepunten die het kabinet daaruitheeft meegenomen zijn stappen in de goede richting.Voor de leden van BBB-fractie staan een robuuste economie, met minderbelemmerende regelgeving en een goede adequate infrastructuur alsbelangrijke pijler en tegelijkertijd ook krachtig wapen voor een toekomst-bestendige, sterke en weerbare samenleving. Zij zien hierin samen metvoedselzekerheid en watermanagement een grote rol weggelegd voor hetNederlandse bedrijfsleven, ook op het wereldtoneel. Dat geldt ook voor AIen halfgeleiders, en natuurlijk voor de Nederlandse defensie-industrie, diegezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen haar vleugels kan uitslaan.De leden van BBB-fractie zien deze rol ook voor de Nederlandse enEuropese defensie-industrie, waarbij de leden zich wel zorgen maken ofgevoelige informatie en innovatie in Europese handen kan blijven inplaats van in buitenlandse handen middels strategische overnames. Daarzit voor deze leden nog wel een zorgenkind. Dit sluit aan bij de zorgen dieook het kabinet beschrijft op het gebied van internationale misdrijven,kennisveiligheid, cyberveiligheid en hybride dreigingen.De leden van BBB-fractie zien ook het belang in van strategischevoorraden en volgen het rapport van de Europese Rekenkamer waaruitnaar voren kwam dat het vervoeren van defensiemateriaal vanuitNederland door Europa vertraagd wordt door knelpunten in onze huidigeinfrastructuur. De voorgenoemde leden willen het kabinet dan ookverzoeken deze in kaart te brengen en dit aan te pakken, op een manierdie ook de Nederlandse infrastructuur ten goede komt voor andere doelendan defensie. Tegelijk vragen deze leden of dit soort investeringenmeegeteld kunnen worden binnen de huidige berekeningsmethoden vande NAVO-norm. Daarmee zou Nederland al snel kunnen opschalen naarboven de 2 procent, als wenselijk geachte nieuwe infrastructuurprojectenhieronder zouden mogen komen te hangen.23Kamerstuk 33 009, nr. 140.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27215 20. Antwoord van het kabinetHet kabinet benadrukt dat de EU een sleutelrol heeft in hetverbeteren van militaire mobiliteit en kijkt uit naar de in hetWitboek aangekondigde mededeling en wetgevende voorstellen.Het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat, ProRail en Rijkswaterstaat werken aan analyseswaarin de EU Military Requirements worden vergeleken met onshuidige netwerk. Voor de havens en binnenvaart worden verge-lijkbare projecten opgestart. De richtlijn van de NAVO voor hettoerekenen van uitgaven tot defensie-uitgaven onder de DefenseInvestment Pledge is vastgelegd in de NATO Defence ExpenditureDefinition. Uitgaven voor de categorieën civil defence en civilpreparedness worden in deze aanwijzing specifiek uitgeslotenvan de gedefinieerde aan de defensie-uitgaven toe te rekenenposten.De leden van BBB-fractie wijzen op hun verkiezingsprogramma waarin zijook al opriepen om strategische partnerschappen te vinden in landen inAfrika en Azië om daarbij grondstoffen zeker te stellen, maar ook opandere vlakken samenwerking te zoeken. Daarnaast is het ook belangrijkom migratiestromen te beheersen en zoveel mogelijk vluchtelingen in huneigen regio op te vangen. Want ook grote immigratiestromen naar de EUkunnen een ondermijnend effect hebben. De aandacht hiervoor mag voordeze leden een tandje hoger.De leden van BBB-fractie zijn voorstander van Europese samenwerking,maar voorzichtig en kritisch inzake het toelaten van nieuwe leden tot deEU. Dit geldt ook voor het vormen van een Europese kapitaalmarktuniewaarop door het kabinet in haar reactie op het WRR-rapport wordt gehint.Deze leden willen van de EU geen transferunie maken en zijn tegen hetaangaan van eurobonds. Waar verschillende actoren het met elkaar eenszijn dat een sterke economie een krachtig wapen is op het wereldtoneel,geldt dat volgens deze leden ook voor een degelijke staatshuishoudingbetreffende begrotingstekorten, schulden en rentestanden. Het kan niet zozijn dat landen als Nederland hogere rentes moeten gaan betalen om deproblemen van andere EU-landen te helpen financieren. Verder onder-mijnt de EU zichzelf op de langere termijn als onze financiële funda-menten nu al uitgehold worden, wat tot allerlei nadelige gevolgen voor delangere termijn kan leiden. De enorme gevolgen van de vergrijzingsgolf inde nabije toekomst komen er ook nog aan. Daar kunnen we beter opvoorbereid zijn door het nu durven maken van lastige keuzes en hetgezond houden van onze overheidsfinanciën, dan door een te ruimmonetair beleid. Dat laatste heeft bovendien ook nog eens aanwakke-rende invloed op de inflatie, zoals de honderden miljarden schuldentijdens de COVID-crisis hebben laten zien. Voor de voorgenoemde ledenbleef dit belangrijke onderdeel onderbelicht in het WRR-rapport. Hier zienzij graag meer aandacht voor, ook bij het kabinet, want dit hoort immersook bij een sterke en weerbare economie op de langere termijn.Tot slot merken de leden van BBB-fractie op dat Nederlanders zichrecentelijk meer zorgen maken over hun veiligheid in de internationalecontext. Zij worden ook geconfronteerd met alsmaar oplopende kostenvoor het dagelijks leven. Met al deze factoren moet rekening wordengehouden bij de belangenafwegingen die bij de begrotingsbehandelinggemaakt worden. Want een weerbare samenleving bestaat ook uitdraagvlak onder haar eigen bevolking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27216 Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het WRR-rapport «Nederland in een fragmenterende wereldorde»en maken graag van de gelegenheid gebruik om deel te nemen aan hetschriftelijke overleg.Aanbeveling 1De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet, mede dankzij deTweede Kamer, heeft geïnvesteerd in het aantrekken en ontwikkelen vanRijksbrede expertise op domeinen zoals economische veiligheid,kennisveiligheid, bescherming van vitale infrastructuur, cybersecurity ende aanpak van andersoortige hybride dreigingen. Deze leden vragen ofhet kabinet in de veronderstelling is dat deze investeringen voldoende zijngeweest en daarmee de Rijksbrede expertise op orde is of dat er nogtekorten bestaan op één of meerdere van deze domeinen.21. Antwoord van het kabinetHet kabinet blijft inzetten op de versterking van rijksbredeexpertise op de verschillende domeinen om kennis op te bouwen,bestaande kennis te verdiepen en te behouden. In de afgelopenjaren is bepaalde deskundigheid aangetrokken om kennistekortenop specifieke onderwerpen te reduceren. Ook worden verschei-dene leeractiviteiten aangeboden waar vanuit integraalperspectief aandacht is voor de verschillende thema’s binneneconomische veiligheid. Verschillende departementen en Rijks-academies trekken in de versterking van rijksbrede expertise ookgezamenlijk op. Zo werkt het Ministerie van Buitenlandse Zakenintensief samen met het Ministerie van Defensie op het gebiedvan leren en ontwikkelen, maar ook met de ABD, de Ministeriesvan Justitie en Veiligheid, en van Economische Zaken en anderen.De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet streeft naar het sluitenvan bredere en strategische partnerschappen met opkomende machten,onder andere door middel van handelsakkoorden via de Europese Unie.De voorgenoemde leden vragen of het kabinet in dit licht ook hetEU-Mercosur handelsakkoord ziet. Daaropvolgend vragen deze leden ofhet kabinet, wanneer het streeft naar het bovenstaande, dan ook van planis om in te stemmen met het EU-Mercosur handelsakkoord.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of het kabinet eeninschatting kan geven op welk moment de Kamer geïnformeerd zalworden over een kabinetsstandpunt over het EU-Mercosur handelsak-koord, en wanneer de Kamer zich hierover zou kunnen uitspreken.22. Antwoord van het kabinetDe grondhouding van het kabinet ten aanzien van het sluiten vanhandelsakkoorden is – in algemene zin – positief. Specifiek voorhet EU-Mercosur akkoord geldt dat dit akkoord bijzondergevoelig ligt. Naar aanleiding van motie Teunissen c.s.24, commu-niceert het kabinet het afwijzende standpunt van de TweedeKamer in Brussel, zoals aangegeven in de Kamerbrief van16 december 2024.25 Uw Kamer ontvangt naar verwachting inhet voorjaar een kabinetsappreciatie van het EU-Mercosur24Kamerstuk 36 600 XVII, nr. 36.25Kamerstuk 31 985, nr. 85.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27217 akkoord op basis van de conceptteksten van het onderhandelaar-sakkoord van 6 december 2024. Het handelsdeel van het onder-handelaarsakkoord is reeds gepubliceerd door de EuropeseCommissie, maar het politieke deel nog niet. Voor een volledigekabinetsappreciatie van het akkoord zijn alle teksten van hetonderhandelaarsakkoord noodzakelijk. Zoals aangegeven inbovengenoemde Kamerbrief, zal het kabinet pas een formeelstandpunt innemen in de Raad, nadat uw Kamer de gelegenheidheeft gehad om desgewenst met het kabinet in debat te gaan opbasis van de kabinetsappreciatie.De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet streeft naar hetvergroten en versterken van de militaire paraatheid en de maatschappe-lijke weerbaarheid. Deze leden vragen of het kabinet in kan gaan op de roldie het ziet voor een maatschappelijke dienstplicht in het kader vanmilitaire paraatheid en maatschappelijke weerbaarheid.23. Antwoord van het kabinetEr is op dit moment geen sprake van het invoeren van eenmaatschappelijke dienstplicht. Wel heeft de Staatssecretaris vanDefensie onlangs in zijn brief «Onze mensen, onze toekomst;meer beter en sneller»26 benoemd dat het kabinet zal bezien hoehet voor voldoende personeel kan zorgen in vitale sectoren inNederland in een krappe arbeidsmarkt. Daarbij zijn verschillendeopties bespreekbaar.Nu de Maatschappelijke Diensttijd (MDT) doorgaat, zetten we ookMDT Missie voort. MDT Missie – het programma dat Defensieaanbiedt binnen het landelijke MDT-programma – biedt jongereneen unieke kans om op laagdrempelige wijze kennis te makenmet Defensie, bij te dragen aan de maatschappij én vaardighedente ontwikkelen die hun persoonlijke en professionele groei enweerbaarheid versterken. Het MDT betreft een vrijwilligprogramma. Via uiteenlopende projecten in het hele land draagtMDT bij aan meer sociale cohesie, en daarmee aan een weerbaresamenleving.Defensie ontwikkelt daarnaast ook weerbaarheidstrainingen. Dedeelnemers doorlopen een programma van tien tot twaalf wekenwaarin ze een militaire basisopleiding krijgen. Al dit jaar gaan wevan start met deze trainingen, die we komende jaren zo snel alsmogelijk zullen opschalen. Na het volgen van de training maaktde deelnemer de keuze of hij of zij als reservist aan wil blijven.Ook als een deelnemer er niet voor kiest om als reservist aan teblijven, draagt het volgen van de weerbaarheidstraining bij aande weerbaarheid van de samenleving.De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het belang onderschrijftvan investeren in onderwijs, talent, vaardigheden, onderzoek, eninnovatie. Deze leden vragen of het kabinet dit belang ook op nationaalniveau onderschrijft en of het kabinet in kan gaan op de bezuinigingen ophet hoger onderwijs in het kader van investeren in onderwijs, onderzoek,en innovatie.24. Antwoord van het kabinetZie de beantwoording bij vraag 19.26Kamerstuk 33 763, nr. 161.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27218 Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben van het rapport van de Wetenschap-pelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en de kabinetsreactie daaropkennisgenomen en hebben enige vragen en opmerkingen.De leden van de SGP-fractie onderschrijven de woorden over eenadequaat postennet. Dit is voor consulaire dienstverlening, politieke eneconomische banden en ontwikkelingssamenwerking in veel landencruciaal. De aan het woord zijnde leden vragen of het kabinet watuitgebreider kan toelichten wat zij onder adequaat verstaat.25. Antwoord van het kabinetEen adequaat postennet betekent dat wij een post hebben enhouden, daar waar wij het beste handelingsperspectief hebben bijhet behartigen van de belangen van het Koninkrijk. Hierbij wordtrekening gehouden met de toegenomen geopolitieke competitieen de groeiende onvoorspelbaarheid in de wereld. De publiekedienstverlening aan burgers en bedrijven, inclusief midden- enkleinbedrijf, blijft centraal staan.De voornoemde leden vragen voorts of het kabinet kan zeggen wanneerde uitwerking voor de taakstelling op het postennet komt, zodat de Kamerzich daarop kan beraden.26. Antwoord van het kabinetHet kabinet heeft op 17 april jl. een Kamerbrief verstuurd(Kamerstuk 32 734, nr. 55) waarin de eerste stappen over deinvulling van de taakstelling op het postennet worden toegelicht.Daarnaast wordt bij komende begrotingsmomenten de Kamerverder geïnformeerd over volgende stappen die het Ministerie vanBuitenlandse Zaken gaat zetten om de taakstelling de komendejaren in te vullen.Voorts vragen de aan het woord zijnde leden hoe goed de consulairedienstverlening is bij een ambassade die mede geaccrediteerd is voor eenbuurland. Tevens vragen zij hoeveel tijd en aandacht er is voor publieksdi-plomatie van een ambassadeur of zijn medewerkers in landen waar hijmede voor is geaccrediteerd. Graag op die punten een reflectie van hetkabinet en een vergelijking tussen landen waar Nederland een ambas-sadeur heeft en landen waar de ambassadeur vanuit een buurland medegeaccrediteerd is.27. Antwoord van het kabinetNederland heeft op dit moment 155 beroepsposten (ambassades,ambassadekantoren, consulaten-generaal en permanente verte-genwoordigingen) in 115 landen. Daarnaast zijn er 23 Nether-lands Business Support Offices (NBSO) die in twaalf landen hetNederlands bedrijfsleven ondersteunen bij hun internationaleambities. Tot slot heeft Nederland een netwerk van ca. 300 ho-norair consulaten die op het terrein van consulaire dienstver-lening en handelsbevordering worden ingezet. Met dezecapaciteit is Nederland in staat om uitstekende consulairedienstverlening te leveren aan de vele Nederlanders in hetbuitenland en de bezoekers die naar Nederland willen komen.Alle Nederlandse ambassades besteden aandacht aan publieksdi-plomatie. Dat doen ze op verschillende manieren en momentenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27219 waarop dit passend is. Voor de landen waar er sprake is vanmede-accreditatie is dit beperkter. Wel wordt het land vanmede-accreditatie periodiek bezocht en dan kan ook hetinstrument van publieksdiplomatie ingezet worden.De leden van de SGP-fractie zijn benieuwd naar de woorden van hetkabinet over besluitvorming rond het Gemeenschappelijke Buitenlandseen Veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Het kabinet zegt datde besluitvorming verbeterd moet worden en dat de EU slagvaardigermoet kunnen opereren. Deze leden zien een spanning ontstaan tussendeze reactie en de licht euro-kritische toon van het kabinet die ook meteen Europawet meer grip op de EU wil krijgen. De voornoemde leden zijnook van mening dat naast het nut van gezamenlijk optreden de EU weleen Unie van de lidstaten moet blijven met op een aantal crucialeterreinen ook het veto. Kan de Minister daarom toelichten hoe hij staat inde discussie over het afschaffen van het veto op GBVB-besluitvorming enhet gebruik van de passerelle, zo vragen de leden van de SGP-fractie.28. Antwoord van het kabinetHet kabinet zet in op het vergroten van de effectiviteit vanbesluitvorming in het EU-buitenlandbeleid. Dit kan op meerderemanieren, bijvoorbeeld door de efficiëntie van de Raad Buiten-landse Zaken te vergroten of door vaker gebruik te maken vanconstructieve onthouding. De EU heeft sinds de start van deRussische agressieoorlog pal achter Oekraïne gestaan en latenzien gezamenlijk besluiten te kunnen nemen over steun aanOekraïne en restrictieve maatregelen tegen Rusland. Het kabinetblijft zich elke keer weer inspannen om de benodigde EU-eenheidte bewerkstelligen. Het pleiten voor het gebruik van de passerel-leclausule voor het EU-buitenlandbeleid wordt op dit momentniet overwogen.De leden van de SGP-fractie herkennen de discussie over Welvaart,Weerbaarheid en Waarden als klassieke internationaal politieke vraag-stukken. Vroeger kon een dimensie de andere makkelijker versterken danvandaag de dag, en het wordt in toenemende mate een afweging enzero-sum game of in ieder geval botsen deze dimensies. Waar dezedimensies botsen vragen deze leden of het kabinet deze dilemma’s kanexpliciteren en de afwegingen en keuzes helder kan tonen. Specifiekvragende voorgenoemde leden hoe het kabinet weegt tussen de-riskingvan producten uit China en collectieve welvaart. Hoe komt het kabinetdaarbij uit op een gewogen gemiddelde?29. Antwoord van het kabinetHet kabinet maakt voortdurend een zorgvuldige afweging tussende economische en veiligheidsbelangen. Hierbij staat centraal datwe onze eigen veiligheid vergroten terwijl we marktverstoringzoveel mogelijk voorkomen en welvaartsverlies minimaliseren.Per sector en productgroep wordt een zorgvuldige afweginggemaakt tussen strategische risico’s en economische belangen.Waar afhankelijkheden risicovol en strategisch zijn zetten we inop het verminderen van de risico’s. Wanneer deze afhankelijk-heden de nationale veiligheid in gevaar brengen, neemt hetkabinet meer verstrekkende maatregelen.Uw Kamer is geïnformeerd over de kabinetsaanpak ten aanzienvan risicovolle strategische afhankelijkheden in de KamerbriefKabinetsaanpak Strategische Afhankelijkheden van 12 mei 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27220 en de voortgangsrapportage van 31 oktober 2024.27 De TaskforceStrategische Afhankelijkheden (TFSA) richt zich op het in kaartbrengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en hetontwikkelen van handelingsopties. Op 13 december jl. is ook deKamerbrief «Ontwikkelingen Chinabeleid» naar de Kamerverstuurd.28De leden van de SGP-fractie zijn geboeid door de discussie in hetWRR-rapport over botsende wereldbeelden in internationale betrekkingenen hebben deze verschillen eveneens gesignaleerd rond de Russischeagressieoorlog in Oekraïne en rond de mensenrechtensituatie in China.Daarbij zijn bijvoorbeeld andere wereldbeelden een mogelijke redenwaarom onze stellingnames conflicteren met die van andere landen enconcurrenten of systeemrivalen. Hoe balanceert de Minister daarin hetbegrijpen van de wereldbeelden en begrip gebruiken in de omgang, maartegelijk niet de eigen wereldbeelden en waarden te laten varen, zo vragendeze leden. Hoe balanceert het kabinet bijvoorbeeld het afkeuren vanRussisch revisionistisch geschiedschrijven en retoriek waar het onzeopvattingen over de internationale rechtsorde schendt, maar welbegrijpen dat het een drijfveer is, zo vragen de voorgenoemde leden.30. Antwoord van het kabinetNederland staat als democratische rechtsstaat met een openeconomie voor waarden als vrijheid, democratie en de markteco-nomie, en werkt nauw samen met landen en organisaties die dezewaarden onderschrijven. Tegelijkertijd is het van toenemendbelang om ook te engageren met landen die niet of deels onzenormen en waarden delen, om mogelijkheden voor (multilaterale)samenwerking op basis van gedeelde belangen te blijven identifi-ceren en resultaten te bereiken. Het kabinet onderschrijft deWRR-aanbeveling dat om geopolitiek robuust te opereren ookmoet worden begrepen wat andere landen drijft, ook als wij hunwereldbeelden niet delen. Zo kunnen we een realistisch buiten-landbeleid voeren, dat de belangen van Nederland en Neder-landers dient, onze waarden niet uit het oog verliest en onzevrijheden verdedigt. Het kabinet keurt Russische revisionistischegeschiedschrijving en retoriek die de internationale rechtsordeondermijnt af.De leden van de SGP-fractie danken het kabinet voor de reactie op deWRR inzake toetreding. De voorgenoemde leden begrijpen de overwe-gingen van de WRR rond de strategie en weerbaarheidsvoordelen vanmeer lidstaten en een grotere Unie, maar maken zelf een andere politiekeafweging die deels op weerbaarheid en waarden is gebaseerd. Devoorgenoemde leden hechten zeer aan de Kopenhagencriteria, en ook aande houdbaarheid van de Unie. Daarbij merken zij op dat een Unie metsteeds meer lidstaten, meer terreinen waarover zij regeert en steedsverdere integratie niet steeds besluitvaardig en slagvaardig kan zijn.Daarom moet men enerzijds streng en terughoudend zijn met uitbreidingen anderzijds de EU beperken tot haar kerntaken en waar zij meerwaardebiedt. Dit hoort met echte overeenstemming en respect voor deverschillen tussen de lidstaten te geschieden. Daarbij vragen deze ledenwel welke houding van de Europese Commissie nodig is om alle lidstatenin eensgezindheid bij elkaar te houden. De aan het woord zijnde ledendenken onder andere dat het oprekken en toe-eigenen van bevoegdhedenen vergaande suggesties op het gebied van abortus, gezin en gender-27Kamerstuk 30 821, nr. 24428Kamerstuk 35 207, nr. 81Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27221 zaken onverstandig zijn an sich en de verschillen tussen de lidstaten nietrespecteren. Uiteindelijk achten zij dit onverstandig voor de verhoudingenbinnen de EU en het draagvlak.31. Antwoord van het kabinetHet kabinet hecht aan de onverkorte toepassing van de begin-selen van attributie en subsidiariteit: de EU handelt alleen op deterreinen waar de lidstaten haar in de Verdragen bevoegdhedenhebben toegekend, en alleen als deze handeling niet beter oplager niveau kan worden vastgesteld. Het kabinet wil ook in hetgeval van een uitgebreide Unie aan deze beginselen vasthoudenen zal de Commissie, als hoeder van de Verdragen, daaraanhouden. Het kabinet staat zeer kritisch tegenover verdereuitbreiding van de EU en houdt streng vast aan de eisen voorlidmaatschap van de EU, inclusief de zogenoemde Kopenhagen-criteria.Overigens ziet het kabinet het als een verantwoordelijkheid vanalle EU-instellingen en lidstaten om de EU, binnen de kaders vande Verdragen, slagvaardig en weerbaar te houden op die terreinenwaarop de EU bevoegd is en waar de EU meerwaarde heeft.De leden van de SGP-fractie hebben naast het WRR-rapport en deonderhavige kabinetsreactie tevens de beleidsbrief ontwikkelingshulp(Kamerstuk 36 180, nr. 133) gelezen. In de kabinetsreactie wordt welverwezen naar de Afrikastrategie en de Mondiale Gezondheidsstrategie,echter niet naar deze beleidsbrief. Deze leden vragen het kabinet of hetWRR-rapport en de kabinetsreactie zijn meegenomen bij het schrijven vande beleidsbrief of andersom.32. Antwoord van het kabinetIn de kabinetsreactie op het WRR-rapport is voor een naderetoelichting over ontwikkelingshulp verwezen naar de beleidsbriefdaarover. Deze beleidsbrief is pas na de publicatie van dekabinetsreactie WRR afgerond en met uw Kamer gedeeld enderhalve kon hier nog niet uitgebreider naar verwezen worden.Zowel het WRR rapport zelf als de reactie van het kabinet hierop,is wel meegenomen in de totstandkoming van de beleidsbriefontwikkelingshulp. Daarbij zijn inzichten die geleid hebben tothet nieuwe beleid op ontwikkelingshulp ook meegenomen in dekabinetsreactie op het WRR rapport.De leden van de SGP-fractie merken op dat de zeer sterke toon van heteigenbelang eerst in de beleidsbrief ontwikkelingshulp schuurt met hetadvies van de WRR op pagina 17–18 waar wordt aanbevolen om meervanuit de belangen van Afrikaanse landen te denken om ook de relatie teverbeteren. Deze leden vragen het kabinet hoe de diplomatieke inzet en debeschouwing van belangen rond de inzet van ontwikkelingshulp elkaarkunnen versterken in Afrika. Is dit niet strijdig en contraproductief als menin Afrika ontwikkelingssamenwerking met meer eigengerichtheid enminder budget bedrijft en mogelijk ook ambassades wegbezuinigt of doetkrimpen, zo vragen deze leden. De aan het woord zijnde leden zien inAfrika een werelddeel van groeiend belang, met ook complexe uitda-gingen en hechten aan de gelijkwaardige relatie die de Afrikastrategiebeoogt. De leden vrezen of vermoeden dat de boodschap van minderaanwezigheid en minder hulp met een sterkere focus op het eigenbelangde relatie op de lange termijn kan schaden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27222 33. Antwoord van het kabinetHet kabinet deelt niet de mening dat een sterkere focus op eigenbelang de relatie schaadt. Afrikaanse landen laten zichoverwegend positief uit als we opkomen voor onze eigenbelangen en samen zoeken naar wederzijds voordeel. We blijvendaarbij werken vanuit basale waarden zoals democratie en(internationale) rechtsorde. Daarnaast blijven we noodhulpverlenen op basis van de acute noden, daar zijn de Nederlandsebelangen geen voorwaarde. Zie verder het antwoord op vragen 1en 2.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de kabinetsreactie op het WRR-rapport «Nederland in eenfragmenterende wereldorde». Deze leden herkennen zich veelal in deaanbevelingen en conclusies van het rapport. Zij hebben over dekabinetsreactie nog enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie zien ook de verschuivende panelenop het wereldtoneel en erkennen dat dit een andere houding vraagt vanNederland in het buitenlandbeleid. Daarbij verbazen ze zich over de grotebezuinigingen van dit kabinet op ontwikkelingssamenwerking. In decontext van dit rapport uiten de leden nadrukkelijk hoe onverstandig zedie bezuinigingen vinden vanuit geopolitiek perspectief. Waarom ziet hetkabinet zich niet, in een veranderende wereldorde en een terugtrekkendebeweging van de Verenigde Staten, ook op ontwikkelingssamenwerkinggenoodzaakt om juist méér verantwoordelijkheid te nemen?34. Antwoord van het kabinetHet kabinet neemt verantwoordelijkheid en doet dat met eenzeker realisme en gepastheid gezien de geopolitieke realiteit.Realisme dat ook past binnen de afspraken van het Hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma. Zoals in de beleidsbriefontwikkelingshulp beschreven is het hulpbudget nog steedsaanzienlijk, maar moeten we keuzes maken en focus aanbrengenom effectief te kunnen zijn.29 Het kabinet analyseert de gevolgenvan de terugtrekkende beweging van de Verenigde Staten voorontwikkelingshulp. Dat geldt ook voor de EU.Deze leden vragen de Minister hoe hij denkt de belangen van ontwikke-lingslanden meer mee te kunnen wegen, zoals in de Afrikastrategie staaten waar de Minister in de kabinetsreactie aan refereert, terwijl erbezuinigd wordt op ontwikkelingssamenwerking. Deze conclusies strokenniet met het handelen van dit kabinet.35. Antwoord van het kabinetZie de beantwoording op de vragen 1 en 2.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in deze context ook om eenreflectie op een recente opinie uit de Volkskrant door diverse experts ophet gebied van buitenlandbeleid30. Kan de Minister uiteenzetten hoe de29Kamerstuk 36 180, nr. 133.30De Volkskrant, 18 maart 2025, «Opinie: Het Nederlandse buitenlandbeleid heeft dringendbehoefte aan regie en visie», https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-het-nederlandse-buitenlandbeleid-heeft-dringend-behoefte-aan-regie-en-visie~b81ec756/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27223 vier pijlers voor het buitenlandbeleid – defensie, diplomatie, ontwikke-lingssamenwerking en internationale handel – zowel in visie als inconcrete daden, bij dit kabinet met elkaar samenhangen? Vindt deMinister dat geïntegreerd beleid inderdaad mist?36. Antwoord van het kabinetDe inzet van het kabinet op het buitenlandbeleid is beschreven inhet regeerprogramma, de kabinetsreactie op het WRR-rapport alsook in de beleidsbrief ontwikkelingshulp.31 Die inzet getuigt vaneen toegenomen integratie van de beleidsterreinen die onderdeelzijn van het buitenlandbeleid: defensie, diplomatie, ontwikke-lingshulp en internationale handel.En hoe kijkt hij aan tegen de suggestie van de auteurs om in te zetten op5 procent van het nationaal inkomen voor een geïntegreerd buitenlandsbeleid?37. Antwoord van het kabinetBinnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS)wordt er reeds met een geïntegreerde blik naar de budgettenvoor buitenlandbeleid over de gehele Rijksbegroting gekeken. Ditzorgt voor meer samenhang in de buitenlandse inzet van ditkabinet. Het kabinet is geen voorstander om het budget voor hetbuitenlandbeleid (HGIS + Defensie-uitgaven) op te hogen tot5 procent, omdat dat niet past binnen de beleidsmatige enfinanciële kaders van het Hoofdlijnenakkoord en de Startnota.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister op welkeconcrete manieren dit kabinet meer aandacht besteed aan Azië. Ziet hetkabinet noodzaak voor een Azië-strategie?38. Antwoord van het kabinetHet kabinet ziet op dit moment geen noodzaak voor eenAzië-strategie. In lijn met de beleidsnotitie «Indo-Pacific: eenleidraad voor versterking van de Nederlandse en EU-samen-werking met partners in Azië»32 is de Nederlandse inzet in deIndo-Pacific regio gericht op het adequaat behartigen van deNederlandse en Europese belangen, waaronder duurzame handel,veiligheid en stabiliteit en vrije doorvaart, in de snelst groeienderegio van de wereld op terreinen waar Nederland meerwaardekan bieden en optimaal de inzet van gelijkgezinde landen benut.Dit vraagt om een intensivering van de Nederlandse inzet op dezesamenwerking, inclusief via brede partnerschappen. Ook speelthet kabinet actief in op de Brusselse agendabepaling om meergrip te krijgen op de EU-inzet in de regio, inzet van EU-middelenen concrete uitvoering van de EU Indo-Pacific strategie33. Daarbijzet Nederland ook in op meer coördinatie van maritieme aanwe-zigheid van EU-Lidstaten en gelijkgezinde partners in de regio enstimuleert het de EU-discussie over veiligheidsscenario’s in deregio. Tot slot toont het kabinet zich actief ten aanzien vanbezoek aan en vanuit Aziatische landen, zoals dit semester aanen vanuit India, China, Japan, Zuid-Korea en Indonesië en wordenook in de marge van bijvoorbeeld de G-20 bijeenkomst bilaterale31Idem.32Kamerstuk 2020–2021, 21 501-02, nr. 2241.33https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7914-2021-INIT/en/pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27224 besprekingen met ambtsgenoten uit Aziatische landen aange-knoopt, zoals de Minister van Buitenlandse Zaken onlangs nogdeed met bijvoorbeeld Singapore en de Filipijnen.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister om uit een tezetten op welke manier de Minister zich inzet om de strategischezelfstandigheid van de EU te verbeteren. Daarbij vragen de voorge-noemde leden ook of de Minister noodzaak ziet om nog beter op tetrekken met landen als Groot-Brittannië en Noorwegen, en op welke wijzehij dat wil doen.39. Antwoord van het kabinetHet kabinet werkt op verschillende manieren aan het versterkenvan de weerbaarheid van de EU. Welvaart en veiligheid zijnonlosmakelijk met elkaar verbonden. Door het EU-concurrentie-vermogen te versterken creëren we de welvaart waarmee weveiligheid kunnen financieren, en daarmee ons beter kunnenweren tegen externe schokken.34 Het kabinet benadrukt dat deEU een belangrijke rol heeft in het versterken van deverdedigings- en afschrikkingscapaciteit van lidstaten en deNAVO, voornamelijk door actief defensie-industriebeleid en hetversterken van weerbaarheid. Samenwerking met bondgenotenen partners is hierbij belangrijk – zoals met het VK en Noorwegen–, evenals het stimuleren van de Oekraïense defensie-industrie.Ook de VS is hierbij een onmisbare partner en het kabinet zetzich onverminderd in voor sterke trans-Atlantische samen-werking. De inzet van de EU ten aanzien van defensie wordtverder vormgegeven in het EU Witboek Defensie, waarover uwKamer op 11 april jl. een kabinetsappreciatie ontving.Het aangaan van partnerschappen met derde landen is eveneenseen onderdeel van de inzet om de weerbaarheid van de EU teversterken. Het kabinet steunt een pragmatische en actieveEU-handelsagenda en zet daarbij in op versterking van onsverdienvermogen, bestrijding van oneerlijke concurrentie,verbetering van het mondiale gelijke speelveld, vermindering vanstrategische afhankelijkheden zoals voor grondstoffen en groene-en digitale technologie, en vergroting van onze economischeweerbaarheid. Nieuwe handelsakkoorden kunnen hieraanbijdragen, waarbij elk akkoord op zijn merites zal wordenbeoordeeld. Met het gelijkgezinde en nabijgelegen partnerlandhet VK heeft de EU reeds een handels- en samenwerkingsover-eenkomst gesloten waaronder goederen met de juiste oorsprong-sregels tariefvrij en zonder quota verhandeld kunnen worden. Dedeur staat wat het kabinet betreft open om handel verder teversoepelen en ketens te integreren onder voorwaarde dat deintegriteit van de interne markt behouden blijft.De leden van de ChristenUnie-fractie onderschrijven het belang dat hetkabinet hecht aan de inzet op een constructieve trans-Atlantische relatie.Welke strategie hanteert het kabinet om deze relatie te behouden, zowelop het gebied van veiligheid als op het gebied van de economie? De ledenmerken op dat we al voor het aantreden van de huidige Amerikaanseregering zagen dat de focus van de Amerikaanse regering verschoofrichting Azië. Wat betekent deze trend voor de lange termijn, volgens deMinister?34Kamerstuk 21 501-30, nr. 621.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27225 40. Antwoord van het kabinetHet kabinet zet in op een positieve, pragmatische en construc-tieve relatie met de Amerikaanse regering, en zet in op ondermeer samenwerking op het gebied van economie en veiligheid.De Nederlandse en Europese economieën zijn zeer verweven metde Amerikaanse en dat maakt dat wij nauwe economischebanden blijven onderhouden op zowel op federaal als op statelijkniveau. Tegelijkertijd dienen we als EU onze belangen te verde-digen wanneer de VS met handelstarieven komt die onzeeconomie raken. Nederland pleit daarin voor een robuuste,proportionele en de-escalerende benadering richting de VS. Hetkabinet verwacht dat, gezien de wederzijds belangen en deverbondenheid van de Euro-Atlantische en Indo-Pacifischeveiligheid, de VS betrokken zal blijven bij Europa. Op veiligheids-gebied vraagt de VS aan Europa duidelijk om meer verantwoorde-lijkheid te nemen t.a.v. het naleven van bondgenootschappelijkeverplichtingen en op die manier voor de eigen veiligheid. Hetkabinet zal over een nieuwe NAVO-norm voor de NAVO-top in juniin Den Haag een standpunt innemen en uw Kamer hieroverinfomeren.De leden van de ChristenUnie-fractie delen de visie van de kabinetsreactiedat het ontwikkelen en borgen van deskundigheid over het buitenland inbrede zin ontzettend belangrijk is in de huidige context. Zij delen ook in deerkenning van de belangrijke rol van ambassades, consulaten enpermanente vertegenwoordigingen hierin. In dit licht vragen deze ledenhoe de Minister deze visie rijmt met de bezuinigingen die dit kabinetdoorvoert op ambassades en consulaten.41. Antwoord van het kabinetJuist in deze turbulente tijd ligt hier ook een kans voor hetMinisterie van Buitenlandse Zaken en Rijkscollega’s in hetbuitenland. Nu de speelruimte voor Nederland kleiner wordt, isonze wereldwijde kennis en kunde een onmisbaar middel omonze belangen te behartigen. Onze mensen zien kansen, bouwenbruggen en herkennen afhankelijkheden. Ze helpen Nederlandsebedrijven slagen in het buitenland, en zorgen ervoor dat Neder-landers goed voorbereid op reis kunnen. We kunnen evenwel nietalles doen, en overal. Steeds vaker zullen we in ons buitenlandsbeleid een scherpere afweging moeten maken. In dat licht heefthet kabinet besloten om de taakstelling op de overheid voor hetpostennet terug te brengen naar tien procent. Op basis van dezeuitgangspunten wordt het postennet aangepast.3535Zie ook Kamerstuk 32 734, nr. 55Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 821, nr. 27226
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.