KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beleidsreactie op het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen ‘Rijke signalen, wisselende opvolging’

9 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e5cf54335bf25f1e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 638MensenhandelNr. 258 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 juli 2025AanleidingOp 3 april 2025 heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en SeksueelGeweld tegen Kinderen (hierna: de Nationaal Rapporteur) het rapport«Rijke signalen, wisselende opvolging» gepubliceerd.In het rapport zijn de resultaten van het onderzoek naar het signalerings-en opsporingsproces van de politie, de Nederlandse Arbeidsinspectie(hierna: Arbeidsinspectie) en de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar)in de periode 2019–2023 in kaart gebracht. Het inzichtelijk maken van dewijze waarop opsporingsinstanties mensenhandel signaleren enopvolgen, kan bijdragen aan het verbeteren van de aanpak van mensen-handel. Het kabinet dankt de Nationaal Rapporteur voor haar onderzoek.De resultaten van het onderzoek kunnen worden meegenomen in deverdere beleidsontwikkeling. In deze brief ga ik, mede namens de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Defensie,nader in op de aanbevelingen uit het rapport.Bevindingen Nationaal RapporteurIn de signalering van mensenhandel spelen de politie, de Arbeidsinspectieen de KMar een belangrijke rol. De opsporingsdiensten hebben in deperiode 2019–2023 8.230 signalen van mensenhandel geregistreerd. HetOM heeft in dezelfde periode tegen 470 verdachten vervolging ingesteld.Om de verschillen tussen deze aantallen te verklaren heeft de NationaalRapporteur onder meer onderzocht wat er gebeurt tussen de fases van hetsignaleren en uiteindelijke vervolging, welke signalen aan het licht komenén hoe deze opgevolgd worden. In het onderzoek zijn de vier fases tussensignalering en opsporing per opsporingsdienst onderzocht. Het gaathierbij om de signalering, het verrijken van deze signalen, het voeren vaneen informatief gesprek en aangifte én het uiteindelijk starten van hetopsporingsonderzoek. kst-28638-258ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 638, nr. 2581 Volgens de Aanwijzing mensenhandel, waarin de regels voor de strafrech-telijke aanpak van mensenhandel zijn beschreven, moet ieder signaal vanmensenhandel worden opgevolgd. Dat betekent dat wordt bekeken of ervoldoende relevante aanknopingspunten voor opsporing zijn. Waaruit deopvolging minimaal moet bestaan wordt niet gespecificeerd. Uit hetonderzoek blijkt dat de opvolging van signalen verschilt per organisatievanwege onder meer de verschillen in taakstelling en organisatorischewerkprocessen. Op basis van de onderzoeksresultaten is per opsporings-instantie een aanbeveling gegeven. De aanbevelingen hebben betrekkingop het verbeteren van de waargenomen knelpunten rondom de signa-lering en opvolging van signalen mensenhandel.Aanbeveling 1: versterk kennis en kunde over mensenhandelonder opsporingsambtenaren bij de politieDe Nationaal Rapporteur constateert in haar rapport dat politie eengedeelte van de signalen van mensenhandel vanuit haar eigen werkzaam-heden verkrijgt, zoals via lopende onderzoeken of wijkagenten. Het ispositief te vernemen dat de Nationaal Rapporteur een verbetering in diesignalering, door middel van de landelijke invoering van de Domeinover-stijgende Informatiegestuurde Werkwijze (hierna: DIGW), ziet. Hiermeewordt op een eenduidige manier dagelijks de BasisvoorzieningHandhaving registraties gescand om daar verborgen signalen vanmensenhandel uit te halen. Politie verkent de mogelijkheden om bij dezedagelijkse scan ook lopende onderzoeken te betrekken.Uit het onderzoek blijkt ook dat het voor kan komen dat mensenhandelniet altijd wordt overwogen bij signalen die in eerste instantie over eenander feit lijken te gaan, zoals bij het signaleren van criminele en/ofseksuele uitbuiting. Daarom ziet de Nationaal Rapporteur eenmogelijkheid om in de signalering van mensenhandel door politie winst tebehalen. Deze mogelijkheid ziet de Nationaal Rapporteur in het vergrotenvan bewustzijn en bredere kennis van de verschillende vormen vanmensenhandel bij opsporingsambtenaren die mensenhandel niet primairals aandachtgebied hebben. Daarom doet de Nationaal Rapporteur deaanbeveling om de kennis over mensenhandel en vaardigheden ommensenhandel te herkennen én te onderzoeken als vast en verplichtonderdeel op te nemen in de basisopleidingen van de politie en dezekennis bij te houden en te borgen.Ik deel de mening van de Nationaal Rapporteur dat eerstelijns opsporings-ambtenaren een belangrijke rol kunnen spelen in het signaleren vanslachtoffers mensenhandel. Het onderwerp mensenhandel heeft al eenplaats in de basispolitieopleiding. Zo wordt het onderwerp mensenhandelin het tweede leerjaar van de basispolitieopleiding behandeld in de vormvan leeractiviteiten en kennispagina’s bij de opdrachten «surveilleren,overlast en misdrijven». Doelstelling daarvan is dat de studenten in hunwerkgebied de omgeving observeren, afwijkingen signaleren (o.a. op hetgebied van mensenhandel als deze aanwezig zijn) en vervolgensweloverwogen optreden, vastleggen en overdragen aan de juiste interneen/of externe partners. Daarnaast is de afgelopen jaren reeds ingezet ophet trainen van alle eerstelijns politiemedewerkers op het herkennen vansignalen van mensenhandel. Na afronding van deze trainingsronde in2023 is de e-learning, die gaat over het herkennen van signalen vanmensenhandel, blijvend beschikbaar gemaakt voor alle politiemede-werkers. De huidige praktijk sluit daarmee aan bij de aanbevelingen diedoor de Nationaal Rapporteur worden gedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 638, nr. 2582 Aanbeveling 2: zorg voor een structurele verbetering van deopvolging van signalen arbeidsuitbuiting bij de ArbeidsinspectieDe Nationaal Rapporteur is positief over de potentie van ontwikkelingendie de afgelopen tijd in gang zijn gezet en kunnen bijdragen aan deverbetering van de signalering én opsporing bij de Arbeidsinspectie. Zo isde verantwoordelijkheid voor het registeren, verrijken en doorzetten vansignalen overgedragen aan de afdeling Arbeidsuitbuiting bij de Opspo-ringsdienst van de Arbeidsinspectie, wordt het wegingsproces vansignalen transparanter gemaakt met behulp van DIGW én loopt desamenwerking tussen de Opsporingsdienst en Toezicht binnen deArbeidsinspectie soepeler.Tegelijkertijd ziet de Nationaal Rapporteur kansen voor verbetering enadviseert het de Arbeidsinspectie concrete doelstellingen en richtlijnenvast te stellen in het gehele proces. Allereerst pleit de NationaalRapporteur om de verrijkingsfase uit te breiden door onder meermogelijke slachtoffers, getuigen en/of een gezamenlijke inspectie metToezicht in te zetten. Daarnaast adviseert de Nationaal Rapporteur dedrempel in het wegingsproces voor het opvolgen van een signaal niet tehoog te leggen én om slachtoffers te spreken tijdens het gehele proces.Het spreken van slachtoffers is naast een belangrijke verrijkingsmethodeook belangrijk om slachtoffers eventueel te helpen via het strafrecht ofhulpverlening. Verder is het volgens de Nationaal Rapporteur van belangom richtlijnen voor opsporingshandelingen op te stellen waarin isvastgelegd in welke fase en op basis van welke criteria bepaaldeopsporingshandelingen passend zijn. Hierin dienen ook de eisen vanopsporingshandelingen te zijn verwerkt voor het verkrijgen van bruikbaarbewijsmateriaal. Ten slotte dient onder medewerkers meer kennis over deveelzijdigheid en complexiteit van arbeidsuitbuiting te worden verspreid,met name over duidelijke aanwijzingen voor (fysieke) dwang.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is blij te vernemen datde Nationaal Rapporteur de ontwikkelingen binnen de Arbeidsinspectieonderschrijft. Het opzetten van de afdeling Arbeidsuitbuiting binnen deOpsporingsdienst, waar onder andere alle werkzaamheden rondom designalering zijn belegd, is hier een voorbeeld van. Deze professionali-sering en verdere intensivering van de strafrechtelijke aanpak vanarbeidsuitbuiting in 2024 heeft geleid tot goede resultaten.1De Arbeidsinspectie deelt het optimisme van de Nationaal Rapporteurover de ingezette versterkte samenwerking tussen Toezicht en Opsporingen over de toegenomen eigen signalering. Deze ontwikkelingen vormeneen belangrijke basis voor een daadkrachtiger en rechtvaardiger handha-vingsketen. De suggesties om signalen gronderiger te verrijken, onderandere door vaker met mogelijke slachtoffers te spreken en meeropsporingshandelingen in te zetten, neemt de Arbeidsinspectie serieus.Zij verkent hoe de verrijkingsfase versterkt kan worden en of concreteopsporingshandelingen eerder in het proces kunnen plaatsvinden.De Arbeidsinspectie zal de aanbeveling meenemen in haar voorbereidingop de inwerkingtreding van de nieuwe Wet modernisering en uitbreidingstrafbaarstelling mensenhandel. Hierin wordt ook de verdere samen-werking tussen de Opsporingsdienst en Toezicht binnen de Arbeidsin-spectie meegenomen.1Jaarverslag 2024 | Jaarverslag | Nederlandse ArbeidsinspectieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 638, nr. 2583 Aanbeveling 3: verduidelijk de taakstelling van de KMarDe KMar signaleert de signalen van mensenhandel en spreekt hetgrootste gedeelte van de groep slachtoffers ook zelf. De bestrijding vanmensenhandel wordt echter niet expliciet als taak van de KMar genoemdin de Politiewet 2012. Dit zorgt volgens de Nationaal Rapporteur voor eenbeperkte taakstelling in het signaleren van mensenhandel en heeft alsgevolg dat binnen de organisatie verschillend wordt gedacht over hoe eensignaal wordt verrijkt en op welk punt deze informatie wordt overge-dragen aan de politie.De Nationaal Rapporteur constateert dat de KMar een grotere rol kanspelen in het signaleren van mensenhandel door het uitbreiden van detaakstelling van de organisatie. Zij roept op om te verkennen of eenaanpassing van de Politiewet 2012 hiervoor nodig is. Daarnaast beveelt deNationaal Rapporteur aan om voor de KMar te onderzoeken waar eenstandaard verrijking aan moet voldoen en hoe een standaard verrijkingeruit zou moeten zien. Om de signalerende functie van de KMar teverbeteren is het vervolgens van belang dit ook vast te leggen.De Minister van Defensie merkt op dat terecht wordt geconstateerd dat deKMar reeds een belangrijke rol speelt in het signaleren van mensenhandelen juridisch gezien in voldoende mate hiervoor is geëquipeerd. Zo kan deKMar, op basis van de in de Politiewet 2012 toegewezen politietaken,mensenhandel registeren en overdragen aan de politie. Daarnaast is deKMar zelf bevoegd om onderzoek te doen naar mensenhandel op een vande aangewezen luchtvaart terreinen. De KMar kan ook op grond van dePolitiewet 2012 de politie ondersteunen bij lopende opsporingsonder-zoeken. Gezien de wettelijke mogelijkheden die de KMar op dit moment alheeft om signalen mensenhandel op te sporen, ziet de KMar geen directenoodzaak in het wijzigen van de KMar-taken in de Politiewet 2012. Wel isde KMar inderdaad gebaat bij het vaststellen en verduidelijken van degewenste verrijkings- en opsporingsacties. De afstemming en vertalingvan de richtlijn aanpak mensenhandel speelt hierin een belangrijke rol.Breder perspectiefNaast de drie aanbevelingen roept de Nationaal Rapporteur ook op omopvolging te geven aan eerder gedane aanbevelingen en eenmogelijkheid te creëren om, los van de strafrechtelijke procedure, ingesprek te gaan met (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel van wiede verklaringen weinig opsporingsindicaties bevatten. Dit kan volgens deNationaal Rapporteur leiden tot meer zicht op en inzicht in de verschij-ningsvormen van mensenhandel. Zo heeft de Nationaal Rapporteureerder gewezen op het belang van het loskoppelen van de vaststelling vanslachtofferschap en het strafrechtelijk onderzoek naar verdachten vanmensenhandel. Andere zaken waar de Nationaal Rapporteur in hetverleden aandacht voor heeft gevraagd zijn het inzicht krijgen in hetslachtofferschap van slachtoffers mensenhandel met een Dublinstatus enhet versterken van de internationale samenwerking.De wens om de loskoppeling van de vaststelling van slachtofferschap enhet strafrechtelijk onderzoek naar verdachten van mensenhandel terealiseren leeft al langer. Daarom wordt in Actielijn 3 van het Actieplanprogramma Samen tegen mensenhandel een verkenning uitgevoerd naarde mogelijkheden om deze loskoppeling te realiseren. Hierin worden ookeerdere pilots, onderzoeken, interviews met experts én best practices uitandere landen rondom de vaststelling van slachtofferschap meegenomen.Daarnaast is de internationale samenwerking een van de pijlers van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 638, nr. 2584 Nederlandse mensenhandelbeleid. In de voortgangsbrief van hetActieplan programma Samen tegen mensenhandel, die op 4 juli jl. met uwKamer is gedeeld, heb ik hier een uitgebreidere toelichting op gegeven.2De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van Weel2TK Voortgangsbrief Samen tegen mensenhandel | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 638, nr. 2585

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · aaaf9ac54f0dff4e

14 okt 2026 · fe9f4e6194b27b82

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.