Verslag van een schriftelijk overleg over mondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk 32620-312)
Brontekst
Versie 1896a58c48e5bd98 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 620Beleidsdoelstellingen op het gebied vanVolksgezondheid, Welzijn en SportNr. 313 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 17 maart 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 10 december 2025 overmondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk 32 620, nr. 312).De vragen en opmerkingen zijn op 30 januari 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 17 maart 2026zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-32620-313ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3131 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie4II.Reactie van de Minister5 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over mondzorg en financiële toegankelijkheid en hebbendaarover op dit moment geen vragen aan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister. Zij hebben enkele aanvullende vragen of opmer-kingen.De leden van de VVD-fractie lezen dat «voor elke maatregel geldt datgekozen moet worden voor een duidelijke afbakening van wie ervoor inaanmerking komt (doelgroep) en welk zorg vergoed wordt (de mondzorg-dekking)». Deze leden vrezen voor extra administratielasten en hogeadministratiekosten. Kan de Minister hierop reflecteren?De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister een afbakening voorstelvan tot 120 of 150 procent van het sociaal minimum. 310.000 à 405.000mensen van de 640.000 mensen zouden met deze afbakening inaanmerking komen om gebruik te maken van een mondzorgmaatregel.Tweederde tot driekwart van de mensen met een inkomen van 120 of150 procent van het sociaal minimum gaat al naar een mondzorgverlener.Deze cijfers roepen twijfels op over de noodzaak van het treffen vanfinanciële maatregelen om het gebruik van mondzorg te bevorderen. Deleden van de VVD-fractie zijn van mening dat er dus geen noodzaak is omeen dure en administratie-intensieve financiële maatregel te treffen vooreen zeer kleine groep, zeker aangezien via de gemeenten al ondersteuningbeschikbaar is. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van deMinister.De leden van de VVD-fractie lezen verder dat «voor elke maatregel geldtdaarnaast dat deze nog verder uitgewerkt moet worden. Daarbij dient inieder geval rekening gehouden te worden met het doenvermogen en degezondheidsvaardigheden van de doelgroep, de voorlichting die nodig isom de doelgroep te bereiken, de uitvoerbaarheid en de benodigdeimplementatietijd.» Genoemde leden constateren dat veel aanvullendemaatregelen nodig zijn om de doelgroep te bereiken. Kan de Ministerreflecteren of hij deze maatregel proportioneel vindt, met inachtnemingvan de vereiste extra maatregelen die nodig zijn om deze effectief te latenzijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3132 De leden van de VVD-fractie lezen dat, bij implementatie van een van devier voorgestelde maatregelen, de verwachte kosten uitvallen tussen de€ 131 tot € 276 miljoen euro structureel. Genoemde leden vinden ditdisproportioneel, zeker in vergelijking met een landelijk noodfondswaarbij de verwachte kosten uitvallen rond de € 6 miljoen euro. Hetnoodfonds is bedoeld voor acute situaties en niet voor preventievemondzorg, maar de leden van de VVD-fractie onderschrijven het principedat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigengezondheid. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over mondzorg en financiële toegankelijkheid en de bijgevoegdestukken.De leden van de PVV-fractie constateren dat een grote groep volwassenenmondzorg mijdt om financiële redenen. Terwijl een gezond gebit geenluxe is en het mijden van de tandarts gevolgen heeft voor de algehelegezondheid. Deelt de Minister deze mening? Zo ja, waarom blijft actie danuit?Welk effect verwacht de Minister op de grootte van de groep mondzorg-mijders als het eigen risico verder omhoog gaat? Hoe heeft de groep van,nu 640.000, zich door de jaren heen in aantal en leeftijdsamenstellingontwikkeld? De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat deze groepniet goed te identificeren is en dat daarom wordt aangesloten bijinkomensgrenzen van 120 procent en 150 procent van het sociaalminimum. Welke alternatieven zijn onderzocht om de feitelijkezorgmijders gerichter te bereiken, en waarom zijn die alternatieven nietuitgewerkt?Ook vragen deze leden om meer duidelijkheid over uitvoering. Kan deMinister per maatregel inzichtelijk maken wat de uitvoeringskosten zijn,wie de uitvoering op zich moet nemen (Rijk, gemeenten of verzekeraars)en welke implementatietermijnen realistisch zijn?Kan de Minister toelichten waarom hij de woorden «in principe niet en inprincipe wel» gebruikt als het gaat om op preventie gerichte mondzorg enmondzorg op medische indicatie en het voldoen aan het wettelijkeingangscriterium van de Zorgverzekeringswet?Kan de Minister de procedure en termijn toelichten waarop de tandartszou kunnen worden opgenomen in het basispakket?Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractieDe leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en hebben daarover de volgende twee vragen.Op welke termijn kunnen mensen die om financiële redenen mondzorgmijden een structurele oplossing verwachten waarmee mondzorg voorhen financieel toegankelijker wordt? En welke tijdelijke maatregelen gaatde Minister nemen om het aantal mensen dat mondzorg mijdt teverminderen tot moment dat er een structurele oplossing is waarmeevoor hen financieel toegankelijker wordt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3133 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken overmondzorg en financiële toegankelijkheid. Deze leden hebben geen vragenhierover aan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief overmondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij constateren dat het kabinetzich met onderzoeken en drogredeneringen onder de enige redelijkeoplossing blijft proberen uit te praten, namelijk het volledig vergoedenvan mondzorg voor iedereen.De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister tegen het volledigopnemen van mondzorg in het basispakket inbrengt dat «in 2024 64% vande volwassen verzekerden een aanvullende zorgverzekering had metmondzorgdekking en daarmee dus toegang tot mondzorg». Zouden dieniet net zo goed profiteren van opname in het basispakket, omdat zij zichdan niet meer aanvullend hiervoor hoeven te verzekeren? Bovendien ishet niet regelen van verzekerde toegang tot essentiële zorg voor één opde drie Nederlanders nog altijd slecht uitlegbaar. Waarom blijft deMinister dan toch met dit soort argumenten komen?De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister het niet-uitvoeren van demotie Dijk1 deels uitlegt met het argument dat dit niet binnen deZorgverzekeringswet zou passen. Waarom past de Minister de Zorgverze-keringswet dan niet gewoon op dit punt?De leden van de SP-fractie lezen daarnaast het argument «dat circa 40%van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve)mondzorg nodig hebben» om controles niet te vergoeden. Is dat niet dewereld op zijn kop? Is dat niet eerder een argument om alle mondzorg dante vergoeden uit het basispakket?De leden van de SP-fractie vragen of de Minister in ieder geval bereid isom nu concrete stappen te zetten om het mijden van mondzorg omfinanciële redenen tegen te gaan. Is hij bijvoorbeeld bereid om een pilotop te zetten om mondzorg te vergoeden zoals dit momenteel in degemeente Groningen is geregeld?Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van de 50PLUS-fractie danken de Minister voor de toezendingvan de brief over mondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij willenhierbij nog wel een vraag stellen.De Minister geeft op pagina 5 en 6 van de brief aan dat op zijn verzoek hetZorginstituut heeft getoetst of mondzorg voor volwassenen aan detoegangscriteria voor de Zorgverzekeringswet valt. Volgens het Zorgin-stituut valt preventieve mondzorg voor volwassenen niet onder de criteriavan te verzekeren zorg; op behandeling gerichte mondzorg kán weldaaronder vallen. Er wordt echter niet aanbevolen door het Zorginstituutom op behandeling gerichte mondzorg al in het pakket op te nemen.De leden van de 50PLUS-fractie stellen zich op het standpunt dat dit geenrecht doet aan het belang van mondzorg. Preventieve controles kunnenvoorkomen dat zich ernstiger klachten ontwikkelen, klachten waarvoor1Kamerstuk 32 620, nr. 304Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3134 zorg nodig is die wel onder de Zorgverzekeringswet valt. Anders gezegd:preventieve controles kunnen de maatschappij heel veel zorgkostenbesparen. Mensen met weinig geld zullen eerder geneigd zijn deze zorg temijden, omdat het voor hen simpelweg niet op te brengen is. Met hetrisico dat bij hen zich ernstiger klachten ontwikkelen, met alle gevolgenvan dien. De kosten gaan voor de baten uit. In dat licht is het watgenoemde leden wel degelijk een goed idee om deze preventievecontroles te vergoeden. Niet via een noodfonds, maar standaard. De ledenvan de 50PLUS-fractie ontvangen graag een uitgebreide reflectie van deMinister hierop.II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over mondzorg en financiële toegankelijkheid en hebbendaarover op dit moment geen vragen aan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Minister. Zij hebben enkele aanvullende vragen of opmer-kingen.De leden van de VVD-fractie lezen dat «voor elke maatregel geldt datgekozen moet worden voor een duidelijke afbakening van wie ervoor inaanmerking komt (doelgroep) en welk zorg vergoed wordt (de mondzorg-dekking)». Deze leden vrezen voor extra administratielasten en hogeadministratiekosten. Kan de Minister hierop reflecteren?Het kabinet deelt uiteraard de wens om administratieve lasten tebeperken. Deze zin doelt echter op het uitwerken van de beleidsmaatregel.Daarvoor is het nodig om te bepalen wat de maatregel behelst en wie inaanmerking komt, ook om zo duidelijkheid te verschaffen aan de burger.Op het gebied van mondzorg zijn hier diverse keuzes in te maken, zoalswelke mondzorg vergoed wordt. Dat kan variëren van enkel acutemondzorg tot een uitgebreide vergoeding van mondzorg die overeenkomtmet de vergoeding die nu voor 18-minners geldt. Eveneens zal bepaaldmoeten worden wie in aanmerking komt. Het kabinet ziet dat niet directgepaard gaan met hogere administratieve lasten.De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister een afbakening voorstelvan tot 120 of 150 procent van het sociaal minimum. 310.000 à 405.000mensen van de 640.000 mensen zouden met deze afbakening inaanmerking komen om gebruik te maken van een mondzorgmaatregel.Tweederde tot driekwart van de mensen met een inkomen van 120 of150 procent van het sociaal minimum gaat al naar een mondzorgverlener.Deze cijfers roepen twijfels op over de noodzaak van het treffen vanfinanciële maatregelen om het gebruik van mondzorg te bevorderen. Deleden van de VVD-fractie zijn van mening dat er dus geen noodzaak is omeen dure en administratie-intensieve financiële maatregel te treffen vooreen zeer kleine groep, zeker aangezien via de gemeenten al ondersteuningbeschikbaar is. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van deMinister.In het rapport zijn mogelijkheden voor aanvullende gerichte financiëlemaatregelen in kaart gebracht waarbij om praktische redenen gekozen isvoor de bovengenoemde afbakening De uitwerking bevat geenvoorstellen van het kabinet, maar een reeks van in kaart gebrachtemaatregelen die getroffen zouden kunnen worden om mondzorgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3135 toegankelijker te maken voor minima. Het kabinet herkent echter wel datde in het rapport beschreven maatregelen allen uitdagingen kennen waarhet gaat om het op een gerichte en doelmatige manier bereiken van debeoogde doelgroep. Dit komt omdat het identificeren van de doelgroepvan 640.000 volwassenen niet haalbaar is. Er wordt namelijk nietbijgehouden wie om financiële redenen mondzorg mijdt én het betreft eengroep mensen die te maken heeft met verschillende vormen vanproblematiek. De beoogde doelgroep valt dus niet onder één al bestaanderegeling. Uit de landelijke regelingen of systemen is niet op te maken wieafziet van mondzorg. Een lokale maatwerkbeoordeling wie in aanmerkingkomt zou tot administratieve lasten voor zowel burger als de gemeente enbovendien tot regionale verschillen kunnen leiden. Dat maakt dat eenmeer praktische benadering gezocht moet worden waarbij voor inkomenis gekozen. Een laag (besteedbaar) inkomen lijkt namelijk een overkoepe-lende reden waarom mensen afzien van mondzorg. Uit de doorrekeningvan de maatregelen is inderdaad gebleken dat ook van de mensen meteen laag inkomen een behoorlijk deel al naar de tandarts gaat. Dat maaktdat een maatregel die uitgaat van inkomensgrenzen inderdaad uitda-gingen kent qua doelmatigheid.Het is wel goed om op te merken dat hier géén vergelijking is gemaaktmet de doelmatigheid van andere alternatieven en dat eveneens niet inbeeld is gebracht wat de gevolgen zijn van geen aanvullend beleid(waarbij de doelgroep die nu mondzorg mijdt met hogere vervolgkostengeconfronteerd kan worden).De leden van de VVD-fractie lezen verder dat «voor elke maatregel geldtdaarnaast dat deze nog verder uitgewerkt moet worden. Daarbij dient inieder geval rekening gehouden te worden met het doenvermogen en degezondheidsvaardigheden van de doelgroep, de voorlichting die nodig isom de doelgroep te bereiken, de uitvoerbaarheid en de benodigdeimplementatietijd.» Genoemde leden constateren dat veel aanvullendemaatregelen nodig zijn om de doelgroep te bereiken. Kan de Ministerreflecteren of hij deze maatregel proportioneel vindt, met inachtnemingvan de vereiste extra maatregelen die nodig zijn om deze effectief te latenzijn?De maatregelen zijn niet in detail uitgewerkt en daarom kan niet in beeldgebracht worden wat de benodigde kosten zijn voor bijvoorbeeldvoorlichting. Ook is niet bekend in hoeverre voorlichting ook door anderepartijen gegeven kan worden. Het kabinet kan daarmee niet zeggen of hetproportioneel is. In algemene zin herkent het kabinet dat er méér nodig isdan het opstellen van een regeling. Het valt of staat immers met de vraagof mensen de regeling weten te vinden. En voor een deel van dedoelgroep zal hier gegeven hun doenvermogen of gezondheidsvaardig-heden hulp bij nodig zijn met bijvoorbeeld voorlichting of begeleiding.De leden van de VVD-fractie lezen dat, bij implementatie van een van devier voorgestelde maatregelen, de verwachte kosten uitvallen tussen de€ 131 tot € 276 miljoen euro structureel. Genoemde leden vinden ditdisproportioneel, zeker in vergelijking met een landelijk noodfondswaarbij de verwachte kosten uitvallen rond de € 6 miljoen euro. Hetnoodfonds is bedoeld voor acute situaties en niet voor preventievemondzorg, maar de leden van de VVD-fractie onderschrijven het principedat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigengezondheid. Zij ontvangen in dit kader graag een reflectie van de Minister.In het rapport is een aantal mogelijke gerichte maatregelen uitgewerkt,waarbij iedere maatregel voordelen en nadelen kent. Iedere maatregel losteen deel van de problematiek op. Een noodfonds brengt weliswaar relatiefbeperkte kosten met zich mee, maar biedt geen structurele oplossing. MetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3136 een noodfonds kunnen minder mensen worden bereikt en het isvoorstelbaar dat de vergoeding zich vooral richt op acute mondzorg. Ookwanneer je van mening bent dat preventieve mondzorg een volledig eigenverantwoordelijkheid is, zal een noodfonds naar verwachting niettoereikend zijn om alle overige zorg (voor minima) te vergoeden. Eennoodfonds is dus géén vergelijkbaar alternatief voor een gerichte regeling(via overheid, gemeenten of zorgverzekeraar) waarin mondzorg voorminima toegankelijk wordt gemaakt.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister over mondzorg en financiële toegankelijkheid en de bijgevoegdestukken.De leden van de PVV-fractie constateren dat een grote groep volwassenenmondzorg mijdt om financiële redenen. Terwijl een gezond gebit geenluxe is en het mijden van de tandarts gevolgen heeft voor de algehelegezondheid. Deelt de Minister deze mening? Zo ja, waarom blijft actie danuit?Het kabinet herkent dat een gezond gebit essentieel is. Over het algemeengaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en is de mondge-zondheid goed. Het kabinet ziet dat veel mensen mondzorg zelf kunnenfinancieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Er blijft inderdaad eenbehoorlijke groep over die mondzorg mijdt om financiële redenen. Dezegroep is helaas lastig te identificeren en lastig gericht te bereiken. Hetkabinet vindt dat net als de leden van de PVV-fractie kwetsbaar, omdat hetmijden van mondzorg tot verdere gezondheidsschade kan leiden. Hetkabinet ziet dat er vanuit gemeentelijke regelingen en lokale initiatievenook een forse bijdrage wordt geleverd om mondzorgmijding omfinanciële redenen terug te dringen en waardeert deze initiatieven. Erblijven inderdaad situaties waarin de mondzorg niet toegankelijk is.Helaas is er geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige proble-matiek. De gerichte regelingen voor minima kennen elk hun uitdagingenmet name op het gebied van doelmatigheid. En elke oplossing vraagt ombudget. Dit zijn belangrijke overwegingen in een tijd waarin het kabinetzich genoodzaakt ziet om maatregelen te nemen om de premiedrukbeheersbaar te houden en ook voor toekomstige generaties de beschik-baarheid van passende zorg te kunnen garanderen.Gezien deze opgave zijn er geen extra middelen vrijgemaakt voor detoegankelijkheid van mondzorg. Wel zijn eerder in het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt op het gebied vanmedische preventie. Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagendawaarbij in samenspraak met de relevante AZWA-partijen maatregelen inkaart worden gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan. Mondzorg voorminima is één van de onderwerpen op deze ontwikkelagenda. Deverschillende potentiële maatregelen worden nader onderbouwd, zodatdaarna besluitvorming kan plaatsvinden voor welke maatregelen budgetbeschikbaar komt. Voor de jaren 2027 en 2028 is € 45 miljoen gereser-veerd in zijn totaliteit. Dit voorjaar zal blijken of mondzorg wel of niet inaanmerking komt voor financiering uit deze ontwikkelagenda. Let wel, ditzou dan een eventuele pilot van een relatief beperkte omvang betreffen engeen structurele regeling.Welk effect verwacht de Minister op de grootte van de groep mondzorg-mijders als het eigen risico verder omhoog gaat? Hoe heeft de groep van,nu 640.000, zich door de jaren heen in aantal en leeftijdsamenstellingontwikkeld? De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat deze groepniet goed te identificeren is en dat daarom wordt aangesloten bijinkomensgrenzen van 120 procent en 150 procent van het sociaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3137 minimum. Welke alternatieven zijn onderzocht om de feitelijkezorgmijders gerichter te bereiken, en waarom zijn die alternatieven nietuitgewerkt?Welk effect een verhoging van het eigen risico heeft op zorgmijding enspecifiek mondzorgmijding is lastig te zeggen. Het aantal «mondzorg-mijders» (640.000) is een schatting gebaseerd op een onderzoek doorACTA2. In dit onderzoek wordt geen trend getoond, omdat longitudinaledata ontbreekt. Dat maakt ook dat niet bijgehouden wordt hoe dit aantalzich door de tijd ontwikkelt.Uit dit onderzoek blijkt een sterke oververtegenwoordiging in het laagsteinkomenskwintiel waar het aantal mondzorgmijders oploopt tot 12%. Uitdata over aanvragen van noodhulp is wel een stijgende trend zichtbaar.Verder wordt in dit onderzoek gesteld dat met name jongvolwassentussen 18 en 25 jaar, met name die in een wijk wonen met een lagesociaaleconomische status, een grotere kans hebben dat zij moeilijk hunweg kunnen vinden in het zorgstelsel en mondzorg mijden.De inkomensgrenzen van 120% of 150% van het sociaal minimum zijnpraktische afbakeningscriteria en zouden een groot deel van demondzorgmijders bereiken, maar bieden geen garantie dat allezorgmijders worden bereikt. Ook zou een deel van mensen deze onder-steuning ontvangen, terwijl ze dat niet nodig hebben. Het is zeer lastig ommet een landelijke maatregel gerichter mondzorgmijders te bereiken,omdat er geen betere criteria beschikbaar zijn in landelijke overheidssys-temen. Er wordt namelijk niet bijgehouden wie om financiële redenenmondzorg mijdt én het betreft een groep mensen die te maken heeft metverschillende vormen van problematiek. Het is ook niet zo dat de beoogdedoelgroep onder één al bestaande regeling valt. Het alternatief is danlokaal maatwerk waarbij afhankelijk van de beoordeling van de situatieondersteuning wordt gegeven bij mondzorgkosten. De nadelen hiervanzijn administratieve lasten voor burger en uitvoerder, en verschillentussen gemeenten. En ook maakt dit het op voorhand niet duidelijk voorwie een regeling beschikbaar is.Ook vragen deze leden om meer duidelijkheid over uitvoering. Kan deMinister per maatregel inzichtelijk maken wat de uitvoeringskosten zijn,wie de uitvoering op zich moet nemen (Rijk, gemeenten of verzekeraars)en welke implementatietermijnen realistisch zijn?Uitvoeringskosten kunnen pas gekwantificeerd worden als de maatre-gelen in detail uitgewerkt zouden zijn, omdat de precieze vormgevinghierop van invloed zal zijn. Voor alle maatregelen geldt in meer ofmindere mate dat er nog keuzes gemaakt moeten worden in de uitvoeringen rekening gehouden moet worden met de nodige implementatietijd. Inhet rapport zijn in globale zin wel al mogelijke uitvoeringsvarianten van demaatregelen in beeld gebracht. Voor de landelijke financiële regeling zijner twee opties: uitvoering door zorgverzekeraars voor de eigen verze-kerden of uitvoering door het Rijk. Voor een landelijke uniforme aanvul-lende zorgverzekering zal de uitvoering bij het Rijk liggen. En ten slotte,voor een nieuwe gemeentepolis zou de uitvoering komen te liggen bij dezorgverzekeraars die de gemeentepolis uitvoeren en bij de gemeentenzelf.Kan de Minister toelichten waarom hij de woorden «in principe niet en inprincipe wel» gebruikt als het gaat om op preventie gerichte mondzorg enmondzorg op medische indicatie en het voldoen aan het wettelijkeingangscriterium van de Zorgverzekeringswet?2Ongewenste mijding van mondzorg; financiële drempels in de toegankelijkheid van mondzorg,februari 2026, ACTA).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3138 Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) heeft getoetst ofmondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteriavan de Zorgverzekeringswet. Er is met name gekeken naar het ingangscri-terium «behoefte aan geneeskundige zorg» wat neerkomt op dat er sprakemoet zijn van een individuele medische indicatie. Uit deze toets isgekomen dat op behandeling gerichte mondzorg in beginsel voldoet aande wettelijke criteria. Hier staat «in beginsel» omdat verdere inhoudelijkebeoordeling nodig is of er daadwerkelijk sprake is van een medischeindicatie en of de zorg voldoet aan de inhoudelijke eisen die de wet stelt.Op de behandeling gerichte mondzorg kan daarom «in principe» onder dete verzekeren zorg vallen. Of het wenselijk is om het basispakket daarmeeuit te breiden is een vervolgvraag. Het Zorginstituut geeft met deze toetsnog geen advies over opname in het pakket.Daarnaast is uit de toets gebleken dat op de preventie gerichte mondzorgwaarbij geen medische indicatie bestaat in beginsel niet voldoet aan hetbovengenoemde wettelijk ingangscriterium, omdat er geen sprake is vaneen individuele zorgvraag als gevolg van ziekte of aandoening. Daaromvalt op preventie gerichte mondzorg «in principe» niet onder te verze-keren zorg.Kan de Minister de procedure en termijn toelichten waarop de tandartszou kunnen worden opgenomen in het basispakket?Het kabinet heeft het Zorginstituut gevraagd om te adviseren over eenpassende aanspraak op mondzorg. De fases en tijdlijnen van dit advies-traject zijn eerder met de Kamer gedeeld3, en zal het kabinet nogmaalstoelichten: Het Zorginstituut is gestart met een kostenanalyse die in 2024is opgeleverd.4 Vervolgens heeft het Zorginstituut de bredere baten vande mondgezondheid in kaart gebracht in de vorm van een maatschappe-lijke impact analyse (MIA). Dit komt voort uit de motie van de ledenBushoff en Dijk waarin zij vragen een kosten- en batenanalyse te makenvan mogelijke varianten om mondzorg op te nemen in het basispakket5. Inde Kamerbrief is aangegeven dat deze begin 2026 opgeleverd zouworden. Ook is aangegeven dat het lastig bleek om de bredere baten vanmondzorg in te schatten en te koppelen aan specifieke beleidsmaatre-gelen. Dit heeft onder andere te maken met een gebrek aan structureledata. Een kosten- en baten analyse bleek om deze reden niet mogelijk endaarom is gekozen voor een MIA. Inmiddels heeft het kabinet deresultaten ontvangen. De resultaten zijn bijgevoegd bij deze beant-woording. Het Zorginstituut concludeert hierin dat mondgezondheidverband kan houden met gezondheidsverschillen, algehele gezondheid,(arbeids)participatie, maatschappelijke kosten, duurzaamheid en op deinzet van mondzorgverleners. Daarbij geeft het Zorginstituut ook aan dater op dit moment echter onvoldoende informatie beschikbaar is om vastte kunnen stellen wat de werkelijke directe en indirecte maatschappelijkeimpact is van goede of verbeterde mondgezondheid. Hierdoor is ook nietgoed vast te stellen hoe die het beste bereikt kan worden. Met hetuitvoeren van de MIA heeft het kabinet invulling gegeven aan de eerdergenoemde motie van de leden Bushoff en Dijk.Op basis van deze gegevens kan nog geen besluit worden genomen overopname van mondzorg in het basispakket. Eerst zal het nodig zijn om vastte stellen wat passende en noodzakelijke mondzorg is. Hiervoor is eenpakketadvies noodzakelijk. Daarbij toetst het Zorginstituut aan depakketcriteria, zoals noodzakelijkheid en uitvoerbaarheid. Eerder is deKamer geïnformeerd over de fasering van het pakketadvies6. Een3Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 32 620, nr. 2944Rapport – Kostenanalyse mondzorg volwassenen | Zorginstituut Nederland5Kamerstukken II, vergaderjaar 2022–2023, 29 689, nr. 12116Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 32 620, nr. 294Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 3139 pakketadvies zou uiterlijk in 2028 kunnen volgen. Bij een eventueelpositief advies zal voor het uitbreiden van het pakket met meer mondzorgde benodigde dekking gevonden moeten worden. Dit zal met de huidigefinanciële opgaves in de zorg een uitdaging zijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractieDe leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en hebben daarover de volgende twee vragen.Op welke termijn kunnen mensen die om financiële redenen mondzorgmijden een structurele oplossing verwachten waarmee mondzorg voorhen financieel toegankelijker wordt? En welke tijdelijke maatregelen gaatde Minister nemen om het aantal mensen dat mondzorg mijdt teverminderen tot moment dat er een structurele oplossing is waarmeevoor hen financieel toegankelijker wordt?Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts enveel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullendhiervoor verzekeren. Er is een groep voor wie dat niet geldt inderdaad. Hetkabinet ziet dat de huidige lokale initiatieven en gemeentelijke regelingeneen grote bijdrage leveren aan het terugdringen van mondzorgmijding bijdeze groep. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geenvolledige oplossing bieden. Daarom is verkend wat de mogelijkhedenvoor gerichte financiële regelingen zijn. Deze regelingen kennen, zoals inde brief van 10 december 20257 is beschreven, allen de nodige nadelen enuitdagingen om een effectief en doelmatig instrument te zijn. Onderandere omdat een groot gedeelte van de mensen met lage inkomens nu alwel naar de mondzorgverlener gaat, maar wel onder zo een regelingzouden vallen. Er is helaas dus geen eenvoudige oplossing.De gerichte regelingen voor minima kennen dus elk hun uitdagingen ophet gebied van doelmatigheid. En elke oplossing vraagt om budget. Ditzijn belangrijke overwegingen in een tijd waarin het kabinet zich genood-zaakt ziet om maatregelen te nemen om de premiedruk beheersbaar tehouden en ook voor toekomstige generaties de beschikbaarheid vanpassende zorg te kunnen garanderen. Gezien deze opgave zijn er geenextra middelen vrijgemaakt voor de toegankelijkheid van mondzorg. Welzijn in het AZWA afspraken gemaakt op het gebied van medischepreventie. Onderdeel hiervan vormt een ontwikkelagenda waarbij insamenspraak met de relevante AZWA-partijen maatregelen in kaartworden gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan. Mondzorg voorminima is één van de onderwerpen op deze ontwikkelagenda. Dezemaatregelen worden nader onderbouwd, zodat daarna besluitvormingkan plaatsvinden voor welke maatregelen budget beschikbaar komt. Voorde jaren 2027 en 2028 is € 45 miljoen gereserveerd in zijn totaliteit. Ditvoorjaar zal blijken of mondzorg wel of niet in aanmerking komt voor een(beperkt) deel van deze middelen. Let wel, dit zou dan een eventuele pilotbetreffen en geen structurele maatregel.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken overmondzorg en financiële toegankelijkheid. Deze leden hebben geen vragenhierover aan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief overmondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij constateren dat het kabinet7Kamerstukken II, vergaderjaar 2025 – 2026, 32 620, nr. 312Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 31310 zich met onderzoeken en drogredeneringen onder de enige redelijkeoplossing blijft proberen uit te praten, namelijk het volledig vergoedenvan mondzorg voor iedereen.De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister tegen het volledigopnemen van mondzorg in het basispakket inbrengt dat «in 2024 64% vande volwassen verzekerden een aanvullende zorgverzekering had metmondzorgdekking en daarmee dus toegang tot mondzorg». Zouden dieniet net zo goed profiteren van opname in het basispakket, omdat zij zichdan niet meer aanvullend hiervoor hoeven te verzekeren? Bovendien ishet niet regelen van verzekerde toegang tot essentiële zorg voor één opde drie Nederlanders nog altijd slecht uitlegbaar. Waarom blijft deMinister dan toch met dit soort argumenten komen?Het kabinet herkent zich niet in de uitspraak dat mondzorg voor 1 op de3 Nederlanders niet toegankelijk is. Ook voor mensen die niet verzekerdzijn voor mondzorg kan mondzorg nog steeds financieel toegankelijk zijn.Deze mensen betalen de tandartsrekening dan uit hun eigen middelen.Kortom, dat in 2024 64% van de volwassenen aanvullend verzekerd wasvoor mondzorg, betekent niet dat de overige 36% de tandarts niet bezocht.Het klopt dat mensen mogelijk niet meer aanvullend verzekerd hoeven tezijn voor de mondzorg als het pakket uitgebreid zou worden. Of iedereenmet een aanvullende verzekering ervan zou profiteren is nog onzeker envan verschillende factoren afhankelijk. De premies zouden bij eenpakketuitbreiding namelijk voor iedereen stijgen. Het is daarnaastmogelijk dat gezonde volwassenen dan meer via de premies én het eigenrisico zouden betalen dan wat zij nu betalen aan een aanvullendeverzekering. Dit hangt ook af van de vraag in hoeverre het eigen risico volwordt gemaakt aan andere zorg. Ook zou de dekking van mondzorg in hetbasispakket minder uitgebreid kunnen zijn vergeleken met de huidigeaanvullende verzekeringen. Bovendien ligt er nog geen advies overuitbreiding van mondzorg in het pakket. De gevolgen daarvan kunnen dusnu niet voldoende inzichtelijk gemaakt worden.De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister het niet-uitvoeren van demotie Dijk8 deels uitlegt met het argument dat dit niet binnen deZorgverzekeringswet zou passen. Waarom past de Minister de Zorgverze-keringswet dan niet gewoon op dit punt?Het is een fundamenteel uitgangspunt van de Zorgverzekeringswet dat ereen medische indicatie moet zijn om in aanmerking te komen vooraanspraak vanuit het basispakket. Dit aanpassen zou grote gevolgenhebben voor ons zorgstelsel en de financiële houdbaarheid daarvan. Dit isom deze reden niet haalbaar en is bovendien ook geen beleidsinzet vanhet kabinet. Graag verwijst het kabinet ook naar wat een eerder kabinetover dit onderwerp heeft gedeeld.9De leden van de SP-fractie lezen daarnaast het argument «dat circa 40%van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve)mondzorg nodig hebben» om controles niet te vergoeden. Is dat niet dewereld op zijn kop? Is dat niet eerder een argument om alle mondzorg dante vergoeden uit het basispakket?Dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole aanvullendemondzorg nodig hebben, is geen argument om mondzorg niet tevergoeden, maar om te benadrukken dat het alleen vergoeden van eenjaarlijkse controle geen efficiënte maatregel is. Dit omdat tandartscon-troles relatief betaalbaar zijn voor de meeste volwassenen en er uitein-8Kamerstuk 32 620, nr. 3049Kamerstukken II 2018–2019, 29 689, nr. 998.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 31311 delijk financiële dekking gevonden moet worden voor eventuele pakket-maatregelen.De leden van de SP-fractie vragen of de Minister in ieder geval bereid isom nu concrete stappen te zetten om het mijden van mondzorg omfinanciële redenen tegen te gaan. Is hij bijvoorbeeld bereid om een pilotop te zetten om mondzorg te vergoeden zoals dit momenteel in degemeente Groningen is geregeld?Het kabinet ziet dat er vanuit gemeentelijke regelingen en lokale initia-tieven ook een forse bijdrage wordt geleverd om mondzorgmijding omfinanciële redenen terug te dringen en waardeer al deze initiatieven. Doorhet vorige kabinet is de Kamer geïnformeerd over de mogelijkheden die eral zijn vanuit lokaal beleid en leerpunten hierin. Het kabinet vindt hetontzettend waardevol dat de inzichten die in de «gemeentepilots» zijnopgedaan zijn vertaald in een leidraad voor alle gemeenten. Gemeentendie hiermee aan de slag willen, worden zo op weg geholpen. Het kabinetkan gemeenten niet voorschrijven hoe zij hun beleid inrichten, maar kanwel haar waardering uitspreken voor initiatieven zoals deze. De mogelijk-heden om mondzorg te vergoeden voor minima zijn eind 2025 gedeeld.Hieruit is gebleken dat deze regelingen de nodige uitdagingen kennen quabudget en doelmatigheid. Dit zijn belangrijke overwegingen in een tijdwaarin het kabinet zich genoodzaakt ziet om maatregelen te nemen ompremiedruk beheersbaar te houden en ook voor toekomstige generatiesde beschikbaarheid van passende zorg te kunnen garanderen.Gezien deze opgave zijn er geen extra middelen vrijgemaakt voor detoegankelijkheid van mondzorg. Wel zijn in het AZWA afspraken gemaaktop het gebied van medische preventie. Onderdeel hiervan vormt eenontwikkelagenda waarbij in samenspraak met de relevante AZWA-partijenmaatregelen in kaart worden gebracht die zorgvraag kunnen tegengaan.Mondzorg voor minima is één van de onderwerpen op deze ontwikkel-agenda. Deze maatregelen worden nader onderbouwd, zodat daarnabesluitvorming kan plaatsvinden voor welke maatregelen budgetbeschikbaar komt. Voor de jaren 2027 en 2028 is € 45 miljoen gereser-veerd in zijn totaliteit. Dit voorjaar zal blijken of mondzorg wel of niet inaanmerking komt voor een (beperkt) deel van deze middelen. Let wel, ditzou dan een eventuele pilot betreffen en geen structurele maatregel.Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van de 50PLUS-fractie danken de Minister voor de toezendingvan de brief over mondzorg en financiële toegankelijkheid. Zij willenhierbij nog wel een vraag stellen.De Minister geeft op pagina 5 en 6 van de brief aan dat op zijn verzoek hetZorginstituut heeft getoetst of mondzorg voor volwassenen aan detoegangscriteria voor de Zorgverzekeringswet valt. Volgens het Zorgin-stituut valt preventieve mondzorg voor volwassenen niet onder de criteriavan te verzekeren zorg; op behandeling gerichte mondzorg kán weldaaronder vallen. Er wordt echter niet aanbevolen door het Zorginstituutom op behandeling gerichte mondzorg al in het pakket op te nemen.De leden van de 50PLUS-fractie stellen zich op het standpunt dat dit geenrecht doet aan het belang van mondzorg. Preventieve controles kunnenvoorkomen dat zich ernstiger klachten ontwikkelen, klachten waarvoorzorg nodig is die wel onder de Zorgverzekeringswet valt. Anders gezegd:preventieve controles kunnen de maatschappij heel veel zorgkostenbesparen. Mensen met weinig geld zullen eerder geneigd zijn deze zorg temijden, omdat het voor hen simpelweg niet op te brengen is. Met hetrisico dat bij hen zich ernstiger klachten ontwikkelen, met alle gevolgenvan dien. De kosten gaan voor de baten uit. In dat licht is het watgenoemde leden wel degelijk een goed idee om deze preventieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 31312 controles te vergoeden. Niet via een noodfonds, maar standaard. De ledenvan de 50PLUS-fractie ontvangen graag een uitgebreide reflectie van deMinister hierop.Het kabinet onderschrijft het belang van goede preventieve mondzorg.Preventieve mondzorg is belangrijk voor het behoud van een goedemondgezondheid en kan voorkomen dat er klachten ontstaan. Dezorgverzekering is echter niet gericht op het vergoeden van preventievezorg zonder medische indicatie. Ook kunnen niet altijd alle oplossingengevonden worden in het basispakket, waarvan wij de kosten met zijn allendragen. De grenzen van het basispakket zijn er ook om de totale kostenbeheersbaar te houden. Waar het gaat om specifieke regelingen voorminima, is gebleken dat deze maatregelen allen de nodige uitdagingenkennen, waaronder het op een doelmatige manier bereiken van dedoelgroep die nu mondzorg mijdt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 620, nr. 31313
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.