KamerkringInloggen
Kamerbrief

Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het opnemen van een horizonbepaling met betrekking tot de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken

10 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b1a3881ad8d05235 · officiële bron

36 979 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het opnemen van een horizonbepaling met betrekking tot de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken Nr. 5 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING Aan de Leden Den Haag, 10 september 2026 Op 29 juni 2026 is het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het opnemen van een horizonbepaling met betrekking tot de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (36979) ingediend bij de Kamer. In deze brief attendeert de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing (de tijdelijke commissie) de leden erop dat de tijdelijke commissie eerder een advies[voetnoot 1] heeft uitgebracht over de verwerking van biometrische gegevens waarop dit wetsvoorstel ziet. De tijdelijke commissie geeft de leden in overweging om dit eerdere advies te betrekken bij de behandeling van het huidige wetsvoorstel. De achtergrond van het voorliggende wetsvoorstel Het voorliggende wetsvoorstel introduceert een horizonbepaling op grond waarvan de nationale bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken, na vijf jaar komt te vervallen. Deze nationale bevoegdheid geldt in aanvulling op verschillende Europese regelingen, die ook de verwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen mogelijk maken. Vanwege de (politieke) discussie over de noodzaak van een aanvullende nationale bevoegdheid naast Europese regelgeving, bestond deze nationale bevoegdheid door middel van een horizonbepaling eerder tijdelijk. In februari 2026 is de tijdelijke bevoegdheid via een wetsvoorstel permanent gemaakt.[voetnoot 2] De reden voor dit eerdere wetsvoorstel was dat de nationale bevoegdheid tot het verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingen vanwege het aflopen van de horizonbepaling geheel zou komen te vervallen. Hierdoor zouden ook alle verzamelde gegevens moeten worden vernietigd.[voetnoot 3] Vanwege het aflopen van de horizonbepaling, vond de parlementaire behandeling van het eerdere wetsvoorstel onder grote tijdsdruk plaats. Hierdoor was er, zo stelt ook de regering, onvoldoende gelegenheid voor een zorgvuldige inhoudelijke behandeling van het wetsvoorstel.[voetnoot 4] Daarom deed de minister van Asiel en Migratie tijdens de behandeling in de Eerste Kamer de toezegging om - na de parlementaire goedkeuring van het wetsvoorstel tot permanentmaking van de nationale bevoegdheid - een nieuw wetsvoorstel in te dienen met daarin opnieuw een horizonbepaling.[voetnoot 5] Op die manier zou de verwerking van biometrische gegevens doorgang kunnen vinden, zouden al verzamelde gegevens niet vernietigd hoeven te worden en zou er op termijn alsnog een zorgvuldige parlementaire weging kunnen plaatsvinden van de noodzaak en wenselijkheid van een – tijdelijke of permanente – aanvullende nationale bevoegdheid voor het verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingen. Met het huidige wetsvoorstel voert de regering deze toezegging nu uit. Advies Raad van State bij het huidige wetsvoorstel De Raad van State wijst op het risico dat het huidige wetstraject onzorgvuldig zal verlopen, zoals dit volgens de Raad van State bij het voorgaande wetstraject het geval was. Om dit te voorkomen, adviseert de Raad van State de regering om het wetsvoorstel van een duidelijke motivering te voorzien, zodat het parlement daarop kan reageren. In dit verband wijst de Raad van State erop dat de toelichting bij het huidige wetsvoorstel geheel is gericht op het behoud van de bevoegdheid om biometrische gegevens af te nemen en te verwerken, en geen onderbouwing geeft van wat er in het wetsvoorstel wordt voorgesteld: de herinvoering van een horizonbepaling waarmee deze bevoegdheid juist (weer) tijdelijk wordt. In reactie op het advies van de Raad van State heeft de regering de memorie van toelichting bij het huidige wetsvoorstel aangevuld met een beknopte uitleg van de voordelen van het opnieuw tijdelijk maken van de bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken. Zo wordt het hierdoor mogelijk om een zorgvuldig parlementair debat te voeren over de noodzaak en wenselijkheid van deze bevoegdheid. Ook kan de horizonbepaling gelden als waarborg voor het zorgvuldig wegen van de uitkomsten van de wettelijk verplichte evaluatie, die uiterlijk binnen drie jaar moet worden uitgevoerd.[voetnoot 6] De tijdelijke commissie merkt op dat er, binnen de context van het huidige wetsvoorstel, opnieuw een parlementair debat kan ontstaan over de (onderbouwing van de) noodzaak van een – tijdelijke of permanente - nationale bevoegdheid tot het verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingen, in aanvulling op Europese regelgeving. De tijdelijke commissie wijst erop dat haar eerdere advies over deze materie in dat geval van toegevoegde waarde kan zijn. Hieronder staat de tijdelijke commissie kort stil bij de twee hoofdpunten uit haar eerdere advies. De noodzaak van een nationale bevoegdheid in aanvulling op Europese bevoegdheden In haar vorige advies wees de tijdelijke commissie erop dat de bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken, raakt aan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Deze rechten zijn vastgelegd in onder meer de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).[voetnoot 7] Ook bevat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) een nadere uitwerking van de voorwaarden voor het verwerken van persoonsgegevens. Voor bijzondere persoonsgegevens – waaronder biometrische gegevens – gelden volgens de AVG strikte voorwaarden.[voetnoot 8] De tijdelijke commissie wees er in haar eerdere advies op dat uit het grondrechtelijk kader volgt dat, wanneer er biometrische gegevens worden verwerkt, overtuigend moet worden gemotiveerd waarom dit noodzakelijk en proportioneel is.[voetnoot 9] In dit verband adviseerde de tijdelijke commissie de leden om de regering te verzoeken om de onderbouwing van de noodzaak van een nationale bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken, aan te vullen met een nadere reflectie op de verhouding met het Europees recht waarin vergelijkbare bevoegdheden zijn opgenomen. Daarbij adviseerde de tijdelijke commissie “om onderscheid te maken tussen situaties waarvoor de Europese wetgever al uitputtende regels heeft vastgelegd, situaties waarvoor de Europese wetgever (nog) geen regels heeft gesteld en situaties waarvoor de Europese wetgever heeft voorzien in beperkte(re) mogelijkheden voor het verwerken van biometrische gegevens”. Ook gaf tijdelijke commissie de leden in overweging om de ketenpartners uit het vreemdelingendomein hierover te bevragen, bijvoorbeeld in de vorm van een technische briefing. In de memorie van toelichting bij het huidige wetsvoorstel staat de regering stil bij het eerdere advies van de tijdelijke commissie. Daarbij reflecteert de regering in algemene zin op de verhouding tot het Europees recht en worden de Eurodac-verordening en de VIS-verordening als voorbeelden genoemd. Daarbij zet de regering uiteen dat de aanvullende nationale bevoegdheid nodig is, omdat de desbetreffende verordeningen alleen een grondslag bieden voor het verwerken van biometrische gegevens binnen de kaders en voor de doeleinden zoals in die verordeningen is vastgelegd. Hiermee geeft de regering gedeeltelijk opvolging aan het advies van de tijdelijke commissie. Mocht er tijdens de parlementaire behandeling van het huidige wetsvoorstel wederom een politiek debat worden gevoerd over de onderbouwing van de noodzaak van een – tijdelijke of permanente - nationale bevoegdheid in aanvulling op Europese regelgeving, dan geeft de tijdelijke commissie de leden in overweging om hierbij haar eerdere advies te betrekken. De grondslag voor het verwerken van gegevens in CATCH-vreemdelingen De biometrische gegevens die op basis van de nationale bevoegdheid worden verzameld, worden in de eerste plaats gebruikt voor het identificeren van vreemdelingen. Daarnaast worden de gegevens ook beschikbaar gesteld voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dit gebeurt in de praktijk door gegevens van alle vreemdelingen op te nemen in de CATCH-vreemdelingen database.[voetnoot 10] In het advies over het voorgaande wetsvoorstel adviseerde de Raad van State om te verduidelijken op basis van welke grondslag deze tweede verwerking van biometrische gegevens binnen de CATCH-vreemdelingen database plaatsvindt, en om de noodzaak van deze verwerking dragend te motiveren. Wanneer dit niet mogelijk zou zijn, adviseerde de Raad van State de verwerking in deze vorm aan te passen of stop te zetten. Tijdens de parlementaire behandeling concludeerde de regering in een brief aan de Kamer van 7 december 2025 dat een grondslag ontbrak voor de huidige werkwijze, waarbij de gegevens van alle vreemdelingen worden gekopieerd naar de CATCH-vreemdelingen database.[voetnoot 11] Daarbij informeerde de regering de Kamer dat er een verkenning zou worden gestart naar een mogelijke technische oplossing. Het doel hiervan was om te onderzoeken of de huidige werkwijze aan de hand van een dergelijke technische aanpassing alsnog binnen het huidige wettelijke kader zou kunnen worden ingepast. De regering verwachtte de Kamer in het vierde kwartaal van 2026 te kunnen informeren over de definitieve uitkomst van deze verkenning. In haar advies aan de vaste commissie signaleerde de tijdelijke commissie indertijd dat de regering de opname van gegevens in de CATCH-vreemdelingendatabase in de tussenliggende periode - van eind 2025 tot aan het vierde kwartaal van 2026 - beoogde voort te zetten, zonder dat hiervoor een wettelijke grondslag bestond. De tijdelijke commissie wees er daarbij op dat er op basis van het Handvest, de Grondwet en de AVG strikte voorwaarden gelden voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals biometrische gegevens. De tijdelijke commissie merkte daarbij op dat een dergelijke verwerking alleen rechtmatig kan plaatsvinden wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is, en hiervoor een voldoende specifieke grondslag bestaat. In dit licht adviseerde de tijdelijke commissie de leden om de regering te vragen om binnen een kortere termijn dan het vierde kwartaal van 2026 een oplossing te vinden voor de, op dat moment onrechtmatige, verwerking van persoonsgegevens in de CATCH-vreemdelingendatabase. In dit verband gaf de minister tijdens de behandeling van het toenmalige wetsvoorstel in de Eerste Kamer aan dat de voorziene technische oplossing waarschijnlijk in het tweede kwartaal van 2026 in gebruik zou kunnen worden genomen.[voetnoot 12] De tijdelijke commissie attendeert de leden erop – gelet op het belang van bescherming van persoonsgegevens - dat er nog geen technische oplossing lijkt te zijn gevonden. Ook het huidige wetsvoorstel voorziet niet in een grondslag ter codificatie van de huidige werkwijze in de CATCH-vreemdelingendatabase. In dit verband signaleert de tijdelijke commissie dat de minister voor Asiel en Migratie tijdens een commissiedebat van 13 mei 2026 aangaf dat er sprake was van nieuwe juridische vragen en dat hij de Kamer daarover binnenkort zou informeren.[voetnoot 13] De tijdelijke commissie geeft de leden in overweging om haar eerdere advies - waaruit volgt dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens moet worden gebaseerd op een duidelijke grondslag - te betrekken bij de behandeling van het huidige wetsvoorstel en de regering te verzoeken om op korte termijn een passende oplossing te vinden. De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel. De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling Kamerstukken II, 2025/2026, 36859, nr. 9. Kamerstukken II, 2025/2026, 36859, nr. 2. Kamerstukken II, 36859, nr. 7. Kamerstukken II, 2025/2026, 36979, nr. 3, par. 1. Kamerstukken II 2025/26, 36859, nr. D en Handelingen I 2025/26, nr. 18, item 9, p. 12. Idem, par. 2. De desbetreffende evaluatiebepaling was opgenomen in artikel II van het voorgaande wetsvoorstel, dat permanentmaking van de aanvullende nationale bevoegdheid regelde. Het gaat dan om artikel 10 van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 7 en 8 van het Handvest. Artikel 9 van de AVG regelt dat de verwerking van bijzondere persoonsgegevens niet is toegestaan, tenzij een geslaagd beroep kan worden gedaan op een van de in dit artikel opgenomen uitzonderingen. De Raad van State wierp in dit verband de vraag op in hoeverre het noodzakelijk was om de tijdelijke nationale bevoegdheid permanent te maken, aangezien er sinds de invoering van deze bevoegdheid in 2014 nieuwe Europese regelgeving was bijgekomen die ook de verwerking van biometrische gegevens mogelijk maakte. De Raad van State adviseerde daarom de noodzaak van een permanente (aanvullende) nationale bevoegdheid nader te motiveren in het licht van de al bestaande Europese verordeningen en het wetsvoorstel zo nodig aan te passen. Zie: Kamerstukken II 2025/2026, 36859, nr. 4. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens wees hierop en stelde dat er sprake was van een gebrek aan noodzaak, nu Europese wetgeving in veel gevallen al in geharmoniseerde regels voorzag of zou gaan voorzien. Zie: Autoriteit Persoonsgegevens, Wetgevingstoets voor de bestendiging van het gebruik van biometrische gegevens in de vreemdelingenketen, 26 juni 2025, p. 2. Het gaat dan bijvoorbeeld om de afstand tussen en de afmetingen van de ogen, mond, neus en oren. Zie in dit kader Kamerstukken II, 2022/23 nr. 1943. CATCH staat voor Centrale Automatische TeChnologie voor Herkenning. De regering gaf hierover het volgende aan: “Artikel 107, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 biedt weliswaar een grondslag voor de verstrekking van biometrische gegevens voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten (vijfde en zesde lid), maar deze bepaling is onvoldoende duidelijk om het systematisch verwerken en opslaan van gezichtsopnames van alle vreemdelingen in een afzonderlijke database te rechtvaardigen.” Kamerstukken II, 36859, nr. 7. Kamerstukken II, 2025/2026, 36979, nr. 3, par. 2.3. Kamerstukken II 2025/2026, 19637, nr. 3619.

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8e6076cf0e73c092

14 okt 2026 · 02b820c4e11d1641

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.