KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31497-510)

20 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie df20eae144bc9209 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 497Passend onderwijs34 104Langdurige zorgNr. 512 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 20 mei 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 5 februari 2026 inzakeverbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31 497, nr. 510).De vragen en opmerkingen zijn op 26 februari 2026 aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-31497-512ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5121 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower9II.Reactie van de Minister10 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakeVerbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de voortgang van demaatregelen om onderwijs, jeugdhulp en langdurige zorg beter teintegreren op cluster 3 en 4 scholen.De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinetom versnippering van zorg en ondersteuning in scholen te verminderenen het proces voor ouders en leerlingen te vereenvoudigen. Zij vragenhoe de Minister waarborgt dat het collectieve aanbod van zorg enondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komenaan de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit decollectieve voordelen ondermijnt.De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de Minister bereid iste borgen dat afspraken over samenwerking en contractering vanjeugdhulp en Wlz-zorg binnen cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveauen bindend worden vormgegeven, gelet op de regionale functie van dezescholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de Minister voornemensis heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschik-baarheid en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat adminis-tratieve lasten verminderen en zorg beter kan worden geïntegreerd in hetonderwijs.De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de Minister toeziet op deeffectieve samenwerking tussen basis, gemeenten en zorgkantoren, enwelke maatregelen genomen worden om te voorkomen dat regionaleverschillen leiden tot ongelijke toegang tot zorg en ondersteuning voorleerlingen in verschillende delen van het land.De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig MeervoudigBeperkte (EMB) leerlingen afhankelijk zijn van structurele en goedgeorganiseerde ondersteuning in de klas. Continuïteit van zorg isessentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te waarborgen. Deleden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de zorg voor ErnstigMeervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien detijdelijke looptijd van de huidige regeling.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zichverhoudt tot de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijzewordt ZiO niet alleen binnen het gespecialiseerd onderwijs, maar ook inhet regulier onderwijs structureel en collectief verankerd, zodat onder-steuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk blijftvan lokale convenanten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5122 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde ledenstellen de volgende vragen aan de Minister.De leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeursoverwegend positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodigzijn. Kan de Minister aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeurbreder in de zorg van toegevoegde waarde acht? Zo ja, waar denkt zij datde zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking van het zorgstelsel? Zonee, waarom niet?Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met teleurstelling debrief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd gelezen. Genoemdeleden hadden gehoopt dat er meer verregaande en concretere stappengenomen zouden worden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambitiesvan het kabinet als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat dedoelstelling nog dat in 2035 verreweg de meeste scholen de overstap naarinclusief onderwijs hebben gemaakt? Gebeurt er voldoende om dit doel tehalen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij aan het terugdringen vanhet aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling heeft onder 5b?Kan de Minister reflecteren op de tien maatregelen die in november 2018door de toenmalige bewindspersonen van VWS en OCW samen zijnopgesteld en als doel hadden om kinderen die zorg nodig hebben meeronderwijskansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de Minister dit voorde tien maatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de Minister dat deafgelopen jaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijnuitgesproken te halen? Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat deMinister extra doen, gezien het feit dat het aantal kinderen dat thuiszitzonder passend onderwijs is gestegen, net als het aantal vrijstellingen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de Jeugdwetals in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten,samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overlegvoeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijs-ondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen(cluster 3 en 4). Genoemde leden zijn positief dat wettelijk geregeld wordtdat er overleg gevoerd moet worden. Zij vragen zich wel af of enkel ditgenoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in de onderwijstijd verbeterdwordt. Kan de Minister hierop reflecteren en aangeven hoe zij denkt datdit alle knelpunten zal oplossen? Kan de Minister ook aangeven wat degevolgen zijn voor de administratieve lasten en de tijd die gaat zitten in decoördinatie en daarmee ook de kosten? Zijn er kwalitatieve of kwantita-tieve gegevens over de tijd die professionals kwijt zijn aan overleg,administratie en coördinatie in verhouding tot de tijd die zij hebben omleerlingen te ondersteunen? Ook zijn deze leden benieuwd hoe ouders ofeen vertegenwoordiging van ouders betrokken worden bij het maken vanbestuurlijke afspraken over zorg in onderwijstijd? Op welke manierworden schoolbesturen, schoolteams en zorgaanbieders betrokken bijdeze afspraken? Zijn zij rechtstreeks partner bij de afspraken? Aangezienzij het beste in staat zijn te bepalen wat nodig is, in samenspraak metouders en leerlingen? Worden afspraken die worden gemaakt tussengemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5123 toren openbaar gemaakt? Hoe bindend zijn de afspraken die wordengemaakt? Deze leden lezen ook dat wordt aangemoedigd dat afspraken zoveel mogelijk op regionaal niveau worden gemaakt, waarom is er nietvoor gekozen voor enkel regionale afspraken? Op welke manier wordtgeborgd dat de wensen van leerlingen zelf kunnen worden meegenomen?Kan de Minister ingaan op de afzonderlijke taken en verantwoordelijk-heden van scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden passendonderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de uiteindelijke verantwoorde-lijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg? Hoevoorkomt de Minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat ereen oplossing komt?Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft omonderwijs te krijgen, zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen ofaudiovisuele hulpmiddelen? Is dat de school, het samenwerkingsverband,de gemeente of het zorgkantoor? Kan de Minister dit aan de hand van eenvoorbeeld toelichten? Waar ligt de eindverantwoordelijkheid voorvoldoende aangepast lesmateriaal voor kinderen met een beperking ofspecifieke ondersteuningsbehoefte?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voormaatwerk blijft met een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoewordt deze ruimte voor maatwerk geborgd binnen deze aanpak alscollectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve zorg «nietpassend» geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken temaken over de «passendheid» van collectieve zorg op scholen, bijvoor-beeld in het handelingsdeel van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)?Hebben ouders daar instemmingsrecht op? Genoemde leden krijgensignalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar maken vanjeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de Ministeruitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrijtoegankelijke voorziening? Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voorzorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op school, ook als een kindom bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal geborgd worden dateen ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van hetbudget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteedwordt aan de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op schoolaanwezig kan zijn of omdat er van meer weken zorg tijdens onderwijstijdwordt uitgegaan dan het aantal lesweken per jaar? Deze leden stellen dezevragen naar aanleiding van zorgen van ouders.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidigeEMB-bekostiging wordt verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt eenacuut probleem opgelost, maar is er nog steeds onzekerheid en onduide-lijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren? Waarom wordt ergeen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld1aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging vanEMB-leerlingen via het Rijk. Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordtde route van landelijke aanmelding en bekostiging niet ingezet, aangeziendit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en scholen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister met dezebrief de aangenomen motie2 van de leden Kwint en Westerveld alsafgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal in de brief de relatiemet toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet in de motie omgevraagd werd. Kan de Minister dit nog nader verduidelijken? De leden1Kamerstuk 31 497, nr. 5072Kamerstuk 31 497, nr. 409Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5124 vragen dit omdat zij nog steeds signalen krijgen van ouders dat erproblemen zijn met TLV’s.Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussenregulier en gespecialiseerd onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk vooreen groei van plekken waar beide gecombineerd worden, zoals bijvoor-beeld bij Samen naar Schoolklassen. Kan de Minister uitleggen waaromer niet gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken temaken over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er totduurzame (financiële) borging gekomen kan worden van initiatieven alsSamen naar Schoolklassen en andere innovatieve oplossingen voor zorgin regulier onderwijs?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie danken de voormalige StaatssecretarissenVWS en OCW voor het verstrekken van het evaluatieonderzoek naar dezorgarrangeurs, de eindevaluatie van het experiment Wlz-zorg inonderwijstijd en de brief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd(ZiO).Deze leden constateren dat zowel uit de evaluatie van de zorgarrangeursals uit de eindevaluatie van het Wlz-experiment blijkt dat knelpunten rondorganisatie en financiering van zorg in onderwijstijd hardnekkig zijn.Tegelijkertijd worden verschillende instrumenten voortgezet of beëindigd.Daarover hebben de leden van de PVV-fractie enkele vragen.In de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg ensamenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden enzorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling. De leden vande PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening eninwerkingtreding is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoewordt gemonitord of de verplichte overlegstructuur daadwerkelijk leidt totconcrete regionale afspraken. De leden van de PVV-fractie vragen deMinister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan indienpartijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ookvragen genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerking-treding wordt vormgegeven.Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearran-gement (LTA). De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat delooptijd is van deze tijdelijke werkwijze. Ook vragen deze leden op welkewijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk leidt tot verbeterdetoegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen. Deleden van de PVV-fractie vragen de Minister of parallel wordt onderzochtof op langere termijn een structurele integrale financieringsoplossingmogelijk is.De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van dePVV-fractie vragen wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via deEMB-regeling beschikbaar worden gesteld. Deze leden vragen tevens ofvoorafgaand aan het aflopen van de regeling een evaluatie wordtuitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naastelkaar lopen: zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling enbeëindiging van het Wlz-experiment. Deze leden vragen de Minister in éénoverzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich tot elkaar verhouden intermen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad. De leden vande PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5125 draagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz inonderwijstijd.De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de reactie van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg inOnderwijstijd. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgendeaanvullende vragen. De reactie stelt dat de voorgestelde verbeteraanpakonvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende rechtsonge-lijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoezij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijkebereidheid in plaats van landelijke borging van rechten.De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties enpraktijk, niet wordt gekozen voor een structurele, collectieve financierings-oplossing voor zorg in onderwijstijd over domeinen heen. Welkeinhoudelijke of financiële belemmeringen staan een dergelijke oplossingvolgens de Minister in de weg?De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbe-sturen en zorgaanbieders binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardigen rechtstreeks betrokken worden bij regionale afspraken, zoals in dereactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet wettelijk wordtvastgelegd.Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractiewaarom opnieuw is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling,terwijl de Kamer eerder heeft uitgesproken te willen komen tot landelijke,structurele bekostiging. Wanneer kunnen scholen en ouders duidelijkheidverwachten over een definitieve oplossing?Genoemde leden vragen hoe de Minister reflecteert op het beëindigenvan het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juistwerd gezien als een noodzakelijke stap richting collectieve financiering.Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd om deze bewegingvoort te zetten?Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg inOnderwijstijd zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusiefonderwijs. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen datZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd onderwijs en niet structureelwordt geborgd in het regulier onderwijs.De leden van de PVV-fractie zien uit naar de beantwoording van degestelde vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheidaanvullende vragen te stellen over de brief inzake Verbeteraanpak Zorg inOnderwijstijd. Genoemde leden willen specifiek ingaan op de voorstellendie in de brief worden genoemd om de samenwerking te verbeterentussen verschillende organisaties die betrokken zijn bij zorg in onder-wijstijd.De Minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiserenvan een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens isde gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en hetzorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een Wlz-indicatie.Kan de Minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteu-ningsvoorzieningen vanuit het samenwerkingsverband en vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5126 gemeente? Is hier een duidelijke afbakening tussen? Of verschilt dit perschool en per samenwerkingsverband?Zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregelddat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs enzorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhangaanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp opgespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). De leden van de CDA-fractievinden dit een goed voornemen en begrijpen dat hiermee de onrust in deklas (door verschillende zorg en hulpverleners) kan worden tegengaan.In de brief stelt de Minister dat de langdurige zorg een verzekering is metindividuele aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen wordeningezet. Daarom willen deze leden graag meer uitleg over hoe deze tweeuitersten, zoveel als mogelijk in samenhang aanbieden van onder-steuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in praktijk uit als oudersstaan op dit individuele recht of inzet via een pgb? Gezien het feit dat hetNZa experiment Wlz zorg in onderwijstijd niet geslaagd is vragen dezeleden zich of hieruit lessen te trekken zijn om meer «collectieve zorg» opcluster 3 en 4 scholen te organiseren.De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijkop regionaal niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren enfinancieren. Dit vinden deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoewil de Minister vervolgens regelen dat er duidelijkheid is tussen deafbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt er aangesloten? DeMinister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstelReikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kortmogelijke termijn. In welke onderwijswetgeving wil de Minister boven-staande opnemen? Hoe verhoudt het convenant «Stevige lokale teams»zich tot de Reikwijdtewet?In de brief lezen de leden van de CDA-fractie dat in het convenant isopgenomen dat schoolbesturen en gemeenten afspraken maken over deinzet en de aanwezigheid van het lokale team op school voor onder-steuning in de context van de school. Het doel hiervan is zoveel mogelijkkinderen in de reguliere omgeving onderwijs te laten volgen. Wat is dehuidige stand van zaken van dit convenant? Worden er concrete afsprakengemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen.Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomteen acuut probleem maar schuift de structurele oplossing opnieuwvooruit. De leden van de CDA-fractie zijn geïnteresseerd welke structureleoplossing(en) de Minister voor zich ziet. Ziet de Minister hierbij een rolvoor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met ernstigmeervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakendedoelgroep?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakede Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Deze leden hebben geen vragenaan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief van de Minister. Deze leden zijn blij dat na vele jaren vanmoeitevolle afstemming en onduidelijkheid eindelijk stapjes gezet kunnenworden om de afstemming tussen zorg en onderwijs te verbeteren. ZijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5127 hopen op een voortvarende uitvoering van de voornemens, die totduidelijke kaders en aanspraken moeten leiden.De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie vanschoolbesturen in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectievefinanciering. Deze leden lezen in de brief dat vooral gemeenten, zorgkan-toren en samenwerkingsverbanden in overleg moeten treden, terwijl deverantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren van zorg voor deleerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen devoorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband enten opzichte van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en deafspraken die gemaakt worden?De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingenvan de wetgeving in de brief specifiek betrekking hebben op gespeciali-seerde scholen. Deze leden vragen een toelichting op deze beperking.Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht van de inzet opinclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als hetgaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen vande inhoud van de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren datenkel een algemene overlegplicht voor de betrokken partijen wordtgeregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds onvoldoendeduidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basaleaanspraken in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Dezeleden vragen een nadere toelichting.Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen debeoogde collectieve financiering de verhouding is tussen de zorg die nubijvoorbeeld op basis van de Wlz op school wordt verleend en in dethuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de afgelopen jaren vaak eenspanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie zoveelmogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholenaanspraak wilden maken op (een deel van) het budget om de onder-steuning in de klas te financieren. In hoeverre gaat de wetswijzigingenhierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder geval de noodzaak ende mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op desamenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg inonderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders en de uitvoering van deLeerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat om demogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnenrealiseren. Kan de Minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet opdit snijvlak en welke oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welkewijze en wanneer wordt voorzien in een duidelijker regeling om opbetrouwbare en professionele wijze vast te stellen in hoeverre een kind instaat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen tot hetminimale te beperken?Naar aanleiding van «Positie clusters 1 en 2». De leden van de SGP-fractiedelen de constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen nietpassend zijn voor de clusters 1 en 2. Deze leden vragen of de Minister kanbevestigen dat er geen voornemens zijn om de status van deze clustersaan te passen, gezien de bijzondere, specialistische aard van de onder-steuning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5128 De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de brief tenaanzien van de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen definanciering op basis van de Jeugdwet en het onderwijs en dat deafstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten beschouwing blijft. Zijvragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het onderwijsvoor de clusters 1 en 2. Ziet de Minister ook de wenselijkheid om voordeze clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van deWlz?Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom enkele vragen te stellen over de brief van de voormalige Staatssecre-tarissen van VWS en OCW over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd(ZiO).Kan worden aangegeven hoe de in deze brief geschetste verbeteraanpakovereenkomt met de aanpak die in de Kamerbrief van juli 2023 isgeschetst (Kamerstuk 31 497, nr. 466)? Wat zijn de resultaten geweest vande acties uit deze eerdere brief?Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien deleden van de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting isom meer samenwerking en afstemming af te dwingen. Tegelijk makendeze leden zich zorgen over de slagkracht en effectiviteit van een lokaaloverleg met lokale scholen. Ziet de Minister ook dat schoolbesturen metmandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel dienente zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kanafgedwongen worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en4 onderwijs de lokale setting meestal overstijgt? Heeft de Minister ditoverwogen? Zo nee, waarom niet?Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal oflokaal niveau voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om het maken van afspraken te verplichten. Zo ja,waarom is hier niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstigemeervoudige beperking vinden de leden van de ChristenUnie-fractie hetteleurstellend dat er nog steeds geen structurele oplossing is. Is deMinister voornemens om daar wel aan te werken?De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorgin Onderwijstijd ook in het regulier onderwijs te introduceren en teborgen. Heeft de Minister deze ambitie ook, zo vragen deze leden.Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordtverwacht van deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zijmet de voorgestelde aanpak uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijsgeleid?Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de briefinzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden hebben opdit moment geen nadere vragen of opmerkingen aan de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5129 II. Reactie van de Minister D66-fractieDe leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinetom versnippering van zorg en ondersteuning in scholen te verminderenen het proces voor ouders en leerlingen te vereenvoudigen. Zij vragenhoe de Minister waarborgt dat het collectieve aanbod van zorg enondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komenaan de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit decollectieve voordelen ondermijnt.De betrokken partijen binnen cluster 33 en 44 onderwijs, gemeenten,scholen samenwerkingsverbanden passend onderwijs en mogelijkzorgkantoren en ouders, worden aangemoedigd om onderwijsonder-steuning, zorg en jeugdhulp in onderwijstijd zo veel mogelijk insamenhang in te zetten. Daartoe moeten in ieder geval afspraken wordengemaakt over de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die wordeningezet door respectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraardvoor zover daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering ofsubsidiëring ervan. In dat kader kunnen bijvoorbeeld afspraken wordengemaakt over de inkoop, financiering en organisatie. Voor wat betreftjeugdhulp is het streven is dat op deze scholen basisjeugdhulpbeschikbaar is. Er hoeft voor leerlingen dan in principe geen afzonderlijkeaanvraag meer ingediend te worden voor jeugdhulp en scholen krijgen temaken met minder verschillende zorgverleners in de klas. Dit vermindertde administratieve lasten voor ouders en scholen en draagt bij aan meerrust in de klas. Tegelijk blijft er ruimte voor maatwerk wanneer basis-jeugdhulp niet passend is. Zoals in de Kamerbrief5 is toegelicht, blijft hetmogelijk om via een maatwerkvoorziening of individueel persoonsge-bonden budget (pgb) jeugdhulp te organiseren wanneer de inzet vanbasisjeugdhulp onvoldoende toereikend of passend is voor een jeugdige.Wanneer op een cluster 3- of 4-school basisjeugdhulp wordt aangeboden,kan een leerling die deze hulp nodig heeft hiervan gebruikmaken zondereen afzonderlijke aanvraag in te dienen. Wanneer deze hulp passend isvoor de hulpvraag van de jeugdige, ligt een pgb voor diezelfde hulpvraagop school niet meer voor de hand, omdat er dan een vrij toegankelijkevoorziening beschikbaar is. Dit staat los van de jeugdhulp of zorg die thuisnodig is. Als de collectieve inzet van jeugdhulp of langdurige zorgonvoldoende toereikend of passend is, blijft het mogelijk om aanvullendeondersteuning individueel te organiseren, bijvoorbeeld via een pgb ofzorg in natura.De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de Minister bereid iste borgen dat afspraken over samenwerking en contractering vanjeugdhulp en Wlz-zorg binnen cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveauen bindend worden vormgegeven, gelet op de regionale functie van dezescholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de Minister voornemensis heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschik-baarheid en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat adminis-tratieve lasten verminderen en zorg beter kan worden geïntegreerd in hetonderwijs.3Op een cluster 3-school wordt onderwijs gegeven aan leerlingen met een lichamelijke handicapen/of verstandelijke handicap en langdurig zieke leerlingen (somatisch).4Op een cluster 4-school wordt onderwijs gegeven aan kinderen met psychische stoornissen engedragsproblemen.5Kamerstuk 31 497, nr. 510Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51210 Scholen in het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4) hebben vaak eenbovenregionale functie en werken daarom met meerdere gemeenten,samenwerkingsverbanden passend onderwijs en soms ook zorgkantorensamen.Om te bevorderen dat beter in samenhang wordt voorzien in onderwijson-dersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg wordt in het conceptwets-voorstel Reikwijdte Jeugdwet, dat op 16 februari 2026 in internetconsul-tatie is gegaan, geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoren verplicht met elkaar overleggen overde inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg opdeze scholen. Om te borgen dat er in de praktijk afspraken wordengemaakt, voorziet het conceptwetsvoorstel in een geschillenregeling.Het staat partijen vrij dit overleg regionaal te voeren. Er is echter bewustvoor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijen in de praktijkde mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te geven dat voor henhet meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat Jeugdregio’s, onderwijs-regio’s van samenwerkingsverbanden en zorgkantoorregio’s geografischniet altijd samenvallen. Bovendien is de inkoop basisjeugdhulp niet opregionaal niveau georganiseerd. Naast bovengenoemde meer praktischeredenen geldt verder dat gemeenten hiermee zoveel mogelijk beleids-vrijheid wordt gelaten.Om de administratieve lasten te verminderen en te bevorderen dat zoveelmogelijk in samenhang wordt voorzien in onderwijsondersteuning,jeugdhulp en langdurige zorg zet ik ook in op praktische ondersteuningaanvullend op het conceptwetsvoorstel. Zo is er door het NederlandsJeugdinstituut (NJi) een Leidraad Zorg in Onderwijstijd (ZiO)6 opgestelden zijn er zorgarrangeurs die praktische ondersteuning kunnen bieden aanscholen in het gespecialiseerd onderwijs. Tevens wordt met o.a. deVereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), onderwijskoepels enZorgverzekeraars Nederland verkend of er modelafspraken ontwikkeldkunnen worden om de veldpartijen te ondersteunen. Dergelijke modelaf-spraken ondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in hetoverleg verder uit te werken of aan te passen aan de context van deschool.De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de Minister toeziet op deeffectieve samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, gemeentenen zorgkantoren, en welke maatregelen genomen worden om tevoorkomen dat regionale verschillen leiden tot ongelijke toegang tot zorgen ondersteuning voor leerlingen in verschillende delen van het land.Ik vind het belangrijk dat kinderen naar school kunnen gaan, ook als zijonderwijsondersteuning, jeugdhulp of langdurige zorg nodig hebben.Voor scholen en ouders is het lang niet altijd makkelijk de juiste hulp ofzorg te regelen, doordat voor de organisatie en financiering van dezeondersteuning meerdere instanties nodig zijn.Effectieve samenwerking beoog ik te realiseren door in het conceptwets-voorstel Reikwijdte Jeugdwet gemeenten, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs, en zorgkantoren te verplichten om met elkaar teoverleggen over het in samenhang inzetten van onderwijsondersteuning,jeugdhulp en langdurige zorg. Daartoe worden in ieder geval afsprakengemaakt over de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die wordeningezet door respectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraardvoor zover daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering ofsubsidiëring daarvan. In dat kader kunnen bijvoorbeeld afspraken worden6Leidraad Zorg in Onderwijstijd | Nederlands JeugdinstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51211 gemaakt over de inkoop, financiering, verantwoording en organisatie vanZiO. Dit is van belang gezien de geldstromen uit verschillende wettelijkekaders (onderwijs, Jeugdwet en Wet langdurige zorg). Vanzelfsprekend isdit niet enkel de taak van de gemeente waar de betreffende school staat,maar ook van de gemeente wiens inwoners onderwijs volgen bij descholen van het samenwerkingsverband en daar jeugdhulp krijgen en vanhet zorgkantoor dat verantwoordelijk is voor de langdurige zorg aanleerlingen op de betreffende school. Partijen worden gestimuleerd om,waar dat passend is, afspraken op regionaal niveau te maken. Om teborgen dat er in de praktijk afspraken worden gemaakt, voorziet hetconceptwetsvoorstel in een geschillenregeling.Het conceptwetsvoorstel staat niet op zichzelf maar moet in samenhangworden bezien met andere maatregelen. Ik zet daarnaast bijvoorbeeld inop praktische ondersteuning voor scholen, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs, gemeenten en zorgpartijen om het organiseren vanzorg op school te vereenvoudigen. Zo is er door het NJi in 2025 een eersteversie van de Leidraad ZiO7 gepubliceerd. De Leidraad helpt partijen bijhet maken van goede bestuurlijke (regionale) afspraken. Ook biedenzorgarrangeurs praktische ondersteuning met subsidie vanuit OCW enVWS. Tevens wordt met o.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG), onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland verkend ofmodelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Dergelijke modelafsprakenondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in het overlegverder uit te werken of aan te passen aan de context van de school.Het ontstaan van regionale verschillen zijn inherent aan een decentraalstelsel en kunnen met het oog op maatwerk en aansluiten bij de lokalecontext ook wenselijk zijn. Dat moet echter niet leiden tot ongelijketoegang tot zorg en ondersteuning voor leerlingen. Bij bovengenoemdepraktische ondersteuning is daar aandacht voor.De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig MeervoudigBeperkte (EMB) leerlingen afhankelijk zijn van structurele en goedgeorganiseerde ondersteuning in de klas. Continuïteit van zorg isessentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te waarborgen. Deleden van de D66-fractie vragen hoe de Minister de zorg voor ErnstigMeervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien detijdelijke looptijd van de huidige regeling.De huidige regeling voor leerlingen met een Ernstige MeervoudigeBeperking (EMB) bestaat sinds 2015 en is vanaf 2020 tijdelijk verhoogdmet € 5 miljoen per jaar vanuit het kader van de Wet langdurige zorg(Wlz), waardoor in totaal jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar is voor scholenom ondersteuning en zorg voor EMB-leerlingen in de klas te organiseren.Deze tijdelijke verhoging loopt tot en met 2026. Voorafgaand aanbesluitvorming over het toekomstig kader wordt de huidige regelinggeëvalueerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijze waaropscholen de middelen inzetten en in hoeverre de regeling bijdraagt aan hetdoel om zorg en ondersteuning voor EMB-leerlingen goed te organiseren.Op basis van deze evaluatie wordt bezien of en hoe de regeling moetworden aangepast.Daarnaast blijft gelden dat leerlingen met een Wlz-indicatie aanspraakhouden op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, ongeacht of dezezorg nodig is tijdens of buiten onderwijstijd.7Leidraad Zorg in Onderwijstijd | Nederlands JeugdinstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51212 Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zichverhoudt tot de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijzewordt ZiO niet alleen binnen het gespecialiseerd onderwijs, maar ook inhet regulier onderwijs structureel en collectief verankerd, zodat onder-steuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk blijftvan lokale convenanten.De verbeteraanpak ZiO zie ik als een stap richting de bredere ambitie vaninclusief onderwijs. Zowel binnen het gespecialiseerd onderwijs als hetregulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en gemeenten samenwerken en afspraken maken overonderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school.Ook in het regulier onderwijs is goede samenwerking tussen onderwijs,jeugdhulp en zorg van belang. Daarom zijn verschillende onderdelen vande verbeteraanpak breder toepasbaar dan alleen het gespecialiseerdonderwijs. De Jeugdwet voorziet hier deels al in. Zo is er een algemeneverplichting voor het college om met samenwerkingsverbanden teoverleggen over het gemeentelijk beleidsplan in verband met deafstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs.Daarnaast is het college bij het treffen van een individuele voorziening(aanvullende jeugdhulp) specifiek verplicht om zo nodig te overleggenmet het bevoegd gezag van de school waar de jeugdige schoolgaand is.Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet voorziet breder op hetversterken van de samenwerking tussen onderwijs, gemeenten waar hetlangdurige zorg betreft zorgkantoren. Het convenant «Stevige lokaleteams» bevordert dat gemeenten en schoolbesturen afspraken makenover de inzet en aanwezigheid van lokale teams op school. Daarmeewordt beoogd dat ondersteuning voor leerlingen, ook in het regulieronderwijs, beter beschikbaar komt in en rond de school.VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeursoverwegend positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodigzijn. Kan de Minister aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeurbreder in de zorg van toegevoegde waarde acht? Zo ja, waar denkt zij datde zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking van het zorgstelsel? Zonee, waarom niet?Zorgarrangeurs ondersteunen scholen en samenwerkingsverbandenpassend onderwijs bij het organiseren van onderwijsondersteuning,langdurige zorg en jeugdhulp op school. Zij brengen de behoeften vanscholen en samenwerkingsverbanden in kaart en verbinding op basisdaarvan benodigde partijen om onderwijsondersteuning, langdurige zorgen jeugdhulp op school te organiseren, realiseren en financieren.Uit het evaluatie-onderzoek van Kohnstamm8 blijkt dat de inzet vanzorgarrangeurs effectief is binnen hun afgebakende opdracht. Dezeprofessionals zijn specialist op het snijvlak onderwijs en zorg. Metondersteuningsvragen over (passende en complexe) jeugdhulp zijnandere professionals aan zet. Zo kan een beroep gedaan worden op delokale teams, Regionale Expertise Teams (RET) en BovenregionaleExpertisenetwerken (BEN).8Evaluatieonderzoek zorgarrangeurs | Kohnstamm InstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51213 GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambitiesvan het kabinet als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat dedoelstelling nog dat in 2035 verreweg de meeste scholen de overstap naarinclusief onderwijs hebben gemaakt? Gebeurt er voldoende om dit doel tehalen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij aan het terugdringen vanhet aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling heeft onder 5b?De doelstelling dat in 2035 verreweg de meeste scholen inclusiefonderwijs bieden, staat. De verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO)draagt bij aan deze ambitie. Zowel in het gespecialiseerd onderwijs als inhet regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen, samenwerkingsver-banden en gemeenten samenwerken en afspraken maken over onderwijs-ondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school.De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik werken samenmet onderwijs- en zorgpartijen aan goede scholen voor iedereen, zodatalle kinderen dichtbij huis naar school kunnen en daar de ondersteuningkrijgen die ze nodig hebben. Daarmee wordt ook gewerkt aan derandvoorwaarden om deze ambitie te realiseren.Er zijn al een aantal stappen gezet. Zo is vanuit OCW en VWS eenbeleidskader opgesteld waarin is uitgewerkt hoe een inclusieve school eruitziet en wat ervoor nodig is om dit te realiseren. Er wordt gewerkt aanhet in kaart brengen van de gevolgen voor wetgeving, bekostiging entoezicht. Ondertussen worden scholen die al aan de slag willen hierinextra ondersteund via de beleidsregel Inclusieve leeromgeving9. Hiermeekrijgen scholen voor regulier en gespecialiseerd onderwijs meer ruimteom intensief samen te werken. Zo kunnen leerlingen van het gespeciali-seerd onderwijs de overstap maken naar het regulier onderwijs waarbij zijondersteund worden door personeel uit het gespecialiseerd onderwijs.Verder verkennen OCW en VWS samen met de belangrijkste stakeholdershoe de ondersteuning in en om de school vormgegeven dient te wordenom een inclusieve leeromgeving te creëren.De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik informeren uwKamer nader (per Kamerbrief) over de beweging naar inclusief onderwijsin aanloop naar het commissiedebat Passend Onderwijs van 27 mei 2026.De vrijstelling vanwege richtingsbezwaren (5b.) ontstaat als ouderszwaarwegende bezwaren hebben tegen de richting van het scholen-aanbod in de omgeving. Het beroep op deze vrijstelling wordt gedaanvoordat het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt. Hierdoor komendeze kinderen dus niet in aanraking met het onderwijs(systeem). Deverbeteraanpak ZiO draagt niet bij aan het terugdringen van het aantalouders dat hier een beroep op doet, aangezien het om een andere groepkinderen gaat. Wel zou het kunnen bijdragen aan minder vrijstellingen opbasis van lichamelijke of psychische gronden (5a.).De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister kanreflecteren op de tien maatregelen die in november 2018 door detoenmalige bewindspersonen van VWS en OCW samen zijn opgesteld enals doel hadden om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijs-kansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de Minister dit voor de tienmaatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de Minister dat de afgelopenjaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijn uitgesprokente halen? Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat de Minister9Beleidsregel Inclusieve leeromgeving | Inclusief onderwijs | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51214 extra doen, gezien het feit dat het aantal kinderen dat thuiszit zonderpassend onderwijs is gestegen, net als het aantal vrijstellingen?De ambities uit 201810 om kinderen die zorg nodig hebben meer onder-wijskansen te bieden staan nog steeds. Sindsdien is met veel inzetgewerkt aan de tien maatregelen die destijds door de bewindspersonenvan VWS en OCW zijn aangekondigd om kinderen die zorg nodig hebbenmeer onderwijskansen te bieden. Daarbij zijn op verschillende onderdelenconcrete stappen gezet en is een belangrijk deel van de maatregelenuitgevoerd. Tegelijk is in de praktijk gebleken dat de knelpunten op hetsnijvlak van onderwijs en zorg complex zijn en niet met één maatregel oféén stelselwijziging kunnen worden opgelost. Dat heeft ertoe geleid datop een aantal onderdelen meer tijd nodig was voor onderzoek,afstemming met onderwijs- en zorgpartners en een zorgvuldige keuzevoor uitvoerbare vervolgstappen.De stand van zaken per maatregel is als volgt.1.Betere financiering van zorg in onderwijstijd voor kinderen metcomplexe casuïstiekVoor deze maatregel zijn verschillende oplossingsrichtingen onder-zocht, waarbij gebleken dat een integrale landelijke financieringsrege-ling voor ZiO over de verschillende domeinen heen op dit moment nieteenvoudig realiseerbaar is. Uit het onderzoek Naar collectievefinanciering van Zorg in Onderwijstijd11 door DSB/Oberon enpraktijkervaring12 bleek tevens dat er nu nog geen eenduidig en breedgedragen model bestaat voor een dergelijke financieringsconstructie.Om de betrokken partijen voldoende ruimte te bieden om te doen watnodig is en een disproportionele inbreuk op de beleidsvrijheid vangemeenten te voorkomen, is daarom gekozen in te zetten op hetversterken van de samenwerking tussen onderwijs en zorg en hetmaken van bestuurlijke afspraken tussen gemeenten, samenwerkings-verbanden passend onderwijs en zorgkantoren. Daarbij speelt ook meedat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijdsamenvallen en dat de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet opregionaal niveau is georganiseerd. Deze samenwerking beoog ik terealiseren door in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwetgemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, enzorgkantoren te verplichten om met elkaar te overleggen over het insamenhang inzetten van onderwijsondersteuning, jeugdhulp enlangdurige zorg. Aanvullend wordt praktische ondersteuning gebodendie beschikbaar is vanuit onder andere de zorgarrangeurs, de LeidraadZiO en de verkenning of er modelafspraken ontwikkeld kunnenworden.2.Koers uitzetten door een kwartiermakerNaar aanleiding van het advies van de kwartiermaker is het pro-gramma Met Andere Ogen opgezet en zijn verschillende onderzoekenuitgevoerd naar knelpunten op het snijvlak van onderwijs en zorg,onder andere door Berenschot en DSP/Oberon. De inzichten uit dezeonderzoeken hebben onder meer geleid tot de huidige verbeteraanpakZiO. Deze maatregel heeft daarmee bijgedragen aan de ontwikkelingvan concrete beleidsmaatregelen gericht op betere samenwerking enorganisatie van ZiO.3.Betere communicatie over maatwerk10Kamerstukken II 2018/19, 31 497, nr. 282.11Kamerstukken II 2022/23, 31 497, nr. 444.12Pilotscholen zoals Hart van Brabant en de zorgarrangeurs die ruim 120 scholen begeleidhebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51215 Om ouders en professionals beter te informeren over mogelijkhedenvoor maatwerk binnen de bestaande wet- en regelgeving is hetplatform Ruimte in Regels13 ontwikkeld. Op deze website wordenvoorbeelden en informatie gedeeld over hoe maatwerk in de praktijkkan worden toegepast. De informatie wordt onderhouden door hetSteunpunt Passend Onderwijs en wordt regelmatig geactualiseerd.4.Meer subsidie voor onderwijsconsulenten en betere samenwerkingmet cliëntondersteuningDe subsidie voor Stichting Onderwijsconsulenten is door OCW enVWS verhoogd en verlengd tot en met 2027. Stichting Onderwijscon-sulenten ondersteunen ouders, scholen en samenwerkingsverbandenpassend onderwijs bij complexe vraagstukken rond passend onder-wijs. Daarnaast wordt gewerkt aan een verdere versterking van desamenwerking met onder meer de Ouder- en Jeugdsteunpunten,clientondersteuning en de regionale expertteams.5.Subsidie voor GedragswerkGedragswerk ontvangt van OCW een structurele instellingssubsidie.Hiermee ondersteunt Gedragswerk scholen en regio’s bij het oplossenvan complexe vraagstukken rondom onderwijs en (zorg)ondersteu-ning.6.Aanjager voor betere aansluiting tussen actietafels voor thuiszitters enregionale expertteamsOm de samenwerking tussen verschillende partijen rond thuiszittendeleerlingen te versterken, is ingezet op het verbeteren van de aanslui-ting tussen actietafels voor thuiszitters, regionale expertteams enjeugdregio’s.Vanaf 2018 heeft voormalig aanjager van het Thuiszitterspact ingezetop het beter op elkaar laten aansluiten van de thuiszitterstafels en deexpertteams in de jeugdregio’s. In 2019 hebben voormalig Ministersvan OCW, VWS en J&V het rapport «De kracht om door te zetten» metde Kamer gedeeld.14 De aanbevelingen uit het rapport zijn verwerkt inhet wetsvoorstel doorbraakaanpak uit de verbeteraanpak passendonderwijs. Dit wetsvoorstel is in 2020 in internetconsultatie gebracht.In de consultatie zijn twijfels en kritiek naar voren gekomen over metname het gebrek aan maatwerkmogelijkheden waardoor er geen echtpassend aanbod kan worden gecreëerd, de focus op verzuim en nietop het probleem waar verzuim door wordt veroorzaakt, de positie vanouders en leerlingen en het gevaar op dwang en drang richting oudersen (het gebrek aan) onafhankelijkheid van het samenwerkingsverbanden de gemeente. Het gebrek aan maatwerkmogelijkheden wordt nugeadresseerd in het wetsvoorstel Maatwerk in funderend onderwijs. Inhet wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim worden ook concreteoplossingen aangedragen o.a. door het onderwijskundig perspectief tebetrekken bij de afweging of een vrijstelling van de leer- of kwalificatie-plicht passend is. Met de overige punten wordt rekening gehouden inhet voorstel voor een uitwerkingsvorm voor doorzettingsmacht inpassend onderwijs. Zo is de positie van ouders en leerlingen tenopzichte van het wetsvoorstel Doorbraakaanpak steviger neergezet, iser expliciet ruimte voor dialoog door eerst «doorzettingskracht»15verplicht in te zetten voordat doorzettingsmacht wordt overwogen.Door transparantie van het besluit bij doorzettingsmacht in passendonderwijs te garanderen en door met het veld nader uit te werken datbij het inzetten van doorzettingsmacht het samenwerkingsverband hiereen feedback-loop aan verbindt, zodat het niet alleen voor deindividuele casus tot een oplossing leidt, maar ook tot structureleaanpassingen van het aanbod.13Www.ruimteinregels.nl14Kamerstuk 2018/19 26 695, nr. 123.15Gezamenlijk met alle partijen tot een gedragen oplossing komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51216 Ook heeft Gedragswerk samen met de aanjager in 2021 werkateliersgeorganiseerd om te onderzoeken hoe de impasse van thuiszitten tedoorbreken. Op basis van deze ateliers hebben Gedragswerk en MarcDullaert het rapport De kracht om door te zetten in de praktijkuitgebracht, waarin zij de adviezen uit het eerste rapport aanvullen.Onder andere om aan individueel maatwerk te werken en dit wettelijkmogelijk te maken, om «casusregie» te regelen met ruimte en krachten om financiële speelruimte te scheppen voor passende ontwikkeltra-jecten met verantwoordingsafspraken.Op verschillende manieren zijn de Ministeries van OCW en VWS aande slag gegaan met deze aanvullende adviezen. Onder andere doordeze adviezen te werkwerken in het wetsvoorstel maatwerk infunderend onderwijs en het traject om doorzettingsmacht in hetonderwijs wettelijk te regelen.Verder is de voormalig Minister van OCW is in 2020 gestart met deverbeteraanpak passend onderwijs. Deze aanpak bevat onder anderemaatregelen om verzuim en schooluitval te voorkomen en deverbinding tussen onderwijs en zorg te verbeteren. Ook zijn er diverseorganisaties die ondersteunen om tot een oplossing te komenwanneer partijen er bij complexe situatie er onderling niet uitkomen.Zo kan een beroep gedaan worden op Stichting Onderwijsconsulentenen Gedragswerk, die daarvoor subsidie ontvangen. Ook wordt in dejeugdregio’s gewerkt met Regionale Expert Teams16 (RET’s). Met hetMinisterie van OCW wordt verkend op welke manier het onderwijssteviger verbonden kan worden met jeugdwelzijn en waar nodigjeugdhulp. Uw Kamer ontvangt voorafgaand aan het debat van 27 mei2026 een brief over de voortgang van de verbeteraanpak passendonderwijs.7.Doorzettingsmacht bij complexe casuïstiekIn de praktijk komen complexe situaties voor waarbij het lastig is omvoor leerlingen passende oplossingen te vinden. Diverse samenwer-kingsverbanden hebben zelf afspraken gemaakt over hoe zijn tot eenoplossing komen (bijv. een consensustafel) of op welke manier zijdoorzettingsmacht voor het onderwijs hebben belegd, om impasses tedoorbreken. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie is opdit moment bezig met een traject dat regelt dat samenwerkingsverban-den een verplichte doorzettingsmacht moeten organiseren voor hetonderwijs.Veel leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte hebben naastondersteuning vanuit het onderwijs ook jeugdhulp nodig. Omdat hetonderwijs- en jeugdhulpaanbod niet altijd integraal genoeg benaderdworden, zet ik samen met mijn collega van OCW in op het verderversterken van de samenwerking tussen onderwijs en zorg juist ook alshet aanbod moeilijk tot stand komt. In de Kamerbrief die u ontvangtvooruitlopend op het commissie debat passend onderwijs op 27 mei2026 wordt u hier nader over geïnformeerd.8.Arrangementen voor kinderen die niet volledig onderwijs kunnenvolgenOm meer ruimte te creëren voor maatwerk op het snijvlak vanonderwijs en zorg loopt sinds 2023 het experiment Onderwijszorgar-rangementen. Binnen dit experiment is ruimte voor flexibiliteit inonder meer onderwijstijd, onderwijslocatie en de combinatie vanonderwijs en zorg. Inmiddels hebben ruim 3.000 leerlingen hiergebruik van gemaakt of doen dat op dit moment. De ervaringen uit ditexperiment worden gemonitord en gebruikt bij het ontwikkelen van16Alle 42 jeugdhulpregio’s is door de VNG gevraagd een RET in te richten dat ongedacht decomplexiteit van de zorgvraag, en wanneer het komen tot passende hulp vastloopt, met allebetrokken partijen komt tot een doorbraak in het komen tot passende hulp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51217 wetgeving die meer ruimte voor maatwerk mogelijk maakt. Hetwetsvoorstel hiertoe is voor de zomer 2026 gereed voor internetconsu-latie.9.Aanpassen LeerplichtwetOm te voorkomen dat leerlingen onnodig volledig worden vrijgesteldvan onderwijs wordt gewerkt aan het verbeteren van de procedurerond vrijstellingen op medische of psychische gronden (Leerplichtwet,5 onder a). Daarbij wordt onder andere het onderwijskundig perspec-tief van het kind betrokken. Deze aanpassingen zijn meegenomen inhet wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim.Het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim regelt dat een arts,pedagoog of psycholoog het onderwijskundig perspectief – afgegevendoor het samenwerkingsverband – betrekt bij de verklaring die nodig isvoor een vrijstelling van de leer- of kwalificatieplicht op grond vanlichamelijke of psychische gronden.Het wetsvoorstel is op 7 april aangenomen door uw Kamer. Debehandeling door de Eerste Kamer wordt verwacht rond de zomer, meteen beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2027.10.Heldere informatie over medisch handelenOm duidelijkheid te bieden over de rol van onderwijspersoneel bijmedische handelingen is in samenwerking met betrokken partijen eenfactsheet ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor scholen en ouders17.Uit het voorgaande blijkt dat voor een groot deel van de tien maatregelenconcrete stappen zijn gezet en dat verschillende maatregelen inmiddelszijn uitgevoerd of structureel zijn ingebed. Een aantal trajecten loopt nog,met name waar wetgeving of stelselafstemming nodig is. De ambities uit2018 staan daarmee nog steeds, maar de invulling daarvan is in deafgelopen jaren deels veranderd op basis van onderzoek, praktijkerva-ringen en de bredere ontwikkelingen rond de Hervormingsagenda Jeugd,passend onderwijs en de beweging naar inclusiever onderwijs.Dat verdere inzet nodig blijft, blijkt uit het nog steeds zorgwekkende aantalthuiszitters en vrijstellingen. Daarom wordt langs verschillende sporenverder gewerkt aan betere samenwerking tussen onderwijs en zorg, aanmeer ruimte voor maatwerk en aan het terugdringen van schoolverzuimen onnodige vrijstellingen. Uw Kamer wordt hierover via de gebruikelijkevoortgangsrapportages geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de Jeugdwetals in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten,samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overlegvoeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijs-ondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen(cluster 3 en 4). Genoemde leden zijn positief dat wettelijk geregeld wordtdat er overleg gevoerd moet worden. Zij vragen zich wel af of enkel ditgenoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in de onderwijstijd verbeterdwordt. Kan de Minister hierop reflecteren en aangeven hoe zij denkt datdit alle knelpunten zal oplossen?De plicht voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeentenen zorgkantoren om te overleggen over het in samenhang voorzien inonderwijsondersteuning, langdurige zorg en basisjeugdhulp op cluster 3-en 4-scholen geeft een belangrijke impuls om de knelpunten die nu spelenbij ZiO weg te nemen. Daartoe worden in ieder geval afspraken gemaaktover de basisjeugdhulp en de langdurige zorg die worden ingezet doorrespectievelijk de gemeente(n) en het zorgkantoor (uiteraard voor zover17https://open.overheid.nl/documenten/ronl-c98af6c4-ddca-4825-89cb-a940846649a0/pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51218 daar aanleiding toe is) en over de wijze van contractering of subsidiëringdaarvan.Daarbij is ook de inzet van langdurige zorg op grond van de Wetlangdurige zorg (Wlz) onderdeel van de samenwerking. Voor leerlingenmet een Wlz-indicatie blijft het zorgkantoor verantwoordelijk voor de inzetvan deze zorg, waarbij in het overleg wordt afgestemd hoe deze zorg zogoed mogelijk kan aansluiten op het onderwijs en de overige onder-steuning op school.Voor de inzet van jeugdhulp is het streven dat op deze scholen basis-jeugdhulp beschikbaar is. Leerlingen hoeven dan in principe geenafzonderlijke aanvraag meer in te dienen voor jeugdhulp en scholenkrijgen te maken met minder verschillende zorgverleners in de klas. Ditvermindert de administratieve lasten voor ouders en scholen en draagt bijaan meer rust in de klas.Door de verplichting om te overleggen over het maken van afsprakenvoor ZiO, inclusief richtlijnen waarover afspraken gemaakt moetenworden en het concreet benoemen van de partijen (school, samenwer-kingsverband, gemeente en indien van toepassing zorgkantoor) die dezeafspraken moeten maken, wordt een belangrijke stap gezet in hetwegnemen van de vrijblijvendheid. Dit wordt in de praktijk als een van degrootste knelpunten ervaren. Alleen een wettelijke overlegplicht is nietvoldoende om de knelpunten op te lossen. Daarom staat het conceptwets-voorstel nadrukkelijk niet op zichzelf, maar moet het in samenhangworden bezien met de praktische ondersteuning die beschikbaar is vanuitonder andere de zorgarrangeurs, de Leidraad ZiO en de verkenning of ermodelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Deze ondersteuning maaktde opstart van ZiO eenvoudiger door de beschikbare handvatten enervaringen uit andere regio’s.Kan de Minister ook aangeven wat de gevolgen zijn voor de administra-tieve lasten en de tijd die gaat zitten in de coördinatie en daarmee ook dekosten? Zijn er kwalitatieve of kwantitatieve gegevens over de tijd dieprofessionals kwijt zijn aan overleg, administratie en coördinatie inverhouding tot de tijd die zij hebben om leerlingen te ondersteunen?De voorgestelde verbeteraanpak ZiO is erop gericht dat betrokken partijenvooraf afspraken maken over de inzet van onderwijsondersteuning,jeugdhulp en langdurige zorg op school. Er zijn op dit moment geenlandelijke kwantitatieve gegevens beschikbaar over de tijd die professi-onals besteden aan overleg, administratie en coördinatie in verhoudingtot de tijd die zij besteden aan het ondersteunen van leerlingen.Uit pilots en praktijkvoorbeelden uit regio’s waar dergelijke afsprakeninmiddels zijn gemaakt, blijkt wel dat de tijdsinvestering die nodig is omtot afspraken te komen uiteindelijk kan leiden tot een afname vanadministratieve lasten, tijdsinvestering en kosten. Hieruit blijkt dat allebetrokken partijen gebaat zijn bij een constructieve samenwerking waarinheldere afspraken gemaakt worden rondom ZiO. Op plekken waar ZiOwordt toegepast, kunnen lokaal wel kwalitatieve en soms kwantitatievegegevens beschikbaar zijn. Deze hebben echter betrekking op specifiekesituaties en zijn niet zonder meer representatief voor andere regio’s.Ook zijn deze leden benieuwd hoe ouders of een vertegenwoordiging vanouders betrokken worden bij het maken van bestuurlijke afspraken overzorg in onderwijstijd? Op welke manier worden schoolbesturen, school-teams en zorgaanbieders betrokken bij deze afspraken? Zijn zij recht-streeks partner bij de afspraken? Aangezien zij het beste in staat zijn tebepalen wat nodig is, in samenspraak met ouders en leerlingen? WordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51219 afspraken die worden gemaakt tussen gemeenten, samenwerkingsver-banden passend onderwijs en zorgkantoren openbaar gemaakt? Hoebindend zijn de afspraken die worden gemaakt? Deze leden lezen ook datwordt aangemoedigd dat afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveauworden gemaakt, waarom is er niet voor gekozen voor enkel regionaleafspraken? Op welke manier wordt geborgd dat de wensen van leerlingenzelf kunnen worden meegenomen?Het samenwerkingsverband passend onderwijs is voor ouders, leerlingenen scholen/schoolbesturen het aanspreekpunt bij het maken vanafspraken in het kader van ZiO. Ouders kunnen daarnaast via de regulieremedezeggenschap betrokken worden bij de vormgeving van dezeafspraken. Zo heeft de ondersteuningsplanraad instemmingsrecht voorzover de afspraken raken aan het ondersteuningsplan van het samenwer-kingsverband18.Schoolbesturen en scholen worden bij het maken van de afsprakenvertegenwoordigd door het samenwerkingsverband. Van het samenwer-kingsverband wordt verwacht dat het de te maken afspraken met henafstemt. Zorg- en jeugdhulpaanbieders worden niet direct bij de afsprakenbetrokken. Zorgkantoren en gemeenten zullen, wanneer duidelijk is welkezorg en jeugdhulp noodzakelijk is, respectievelijk zorg- en jeugdhulpaan-bieders contracteren die deze hulp kunnen bieden.De afspraken die in het overleg worden gemaakt, binden de deelnemendepartijen. Met o.a. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG),onderwijskoepels en Zorgverzekeraars Nederland zal worden verkend ofer modelafspraken ontwikkeld kunnen worden. Dergelijke modelafsprakenondersteunen de praktijk en bieden een stevige basis om in het overlegverder uit te werken of aan te passen aan de context van de school. Eenverplichting om de afspraken als zodanig openbaar te maken, is nietopgenomen in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet.Het staat partijen vrij dit overleg op regionaal niveau te voeren. Er isechter bewust voor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijenin de praktijk de mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te gevendat voor hen het meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat jeugdre-gio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijsen zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen. Bovendien is deinkoop van basisjeugdhulp niet op regionaal niveau georganiseerd. Naastbovengenoemde meer praktische redenen geldt voorts dat gemeentenhiermee zoveel mogelijk beleidsvrijheid wordt gelaten.Kan de Minister ingaan op de afzonderlijke taken en verantwoordelijk-heden van scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden passendonderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de uiteindelijke verantwoorde-lijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg? Hoevoorkomt de Minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat ereen oplossing komt?De verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigdeondersteuning ligt in eerste instantie bij de school (zorgplicht), waar nodigin samenwerking met het samenwerkingsverband. Wanneer de reguliereen extra onderwijsondersteuning ontoereikend zijn gebleken, kan inafstemming met de gemeente (in geval van jeugdhulp) of het zorgkantoor(in geval van langdurige zorg) en ouders bekeken worden welke aanvul-lende hulp of langdurige zorg nodig is, zodat het kind onderwijs kan(blijven) volgen.18Artikel 14a Wet medezeggenschap op scholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51220 Een samenwerkingsverband passend onderwijs zorgt er samen met deaangesloten schoolbesturen voor dat alle kinderen en jongeren zopassend mogelijk onderwijs en ondersteuning ontvangen. Een samenwer-kingsverband heeft de inspanningsverplichting voor het realiseren vaneen dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen en besluit onderandere over de toelaatbaarheid tot gespecialiseerd onderwijs. Degemeente is aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoorvoor langdurige zorg voor leerlingen met een indicatie op grond van deWet langdurige zorg (Wlz).Om te voorkomen dat partijen naar elkaar wijzen zonder dat er eenoplossing komt, wordt in het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwetvoorgesteld dat samenwerkingsverbanden passend onderwijs,gemeenten en zorgkantoren verplicht worden te overleggen over ZiO voorscholen in cluster 3 en 4 van het speciaal onderwijs. Om te bevorderen datpartijen in de praktijk tot afspraken komen, bevat het conceptwetsvoorsteldaarnaast een geschillenregeling voor het geval partijen er onderling nietuitkomen. Ook zijn er aanvullende instrumenten beschikbaar, zoals deLeidraad ZiO en de inzet van zorgarrangeurs, die partijen ondersteunen bijhet organiseren van passende zorg en ondersteuning voor leerlingen.Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft omonderwijs te krijgen, zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen ofaudiovisuele hulpmiddelen? Is dat de school, het samenwerkingsverband,de gemeente of het zorgkantoor? Kan de Minister dit aan de hand van eenvoorbeeld toelichten?Het kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen goed mee kunnen doenin het onderwijs. Voor leerlingen die daarvoor hulpmiddelen nodighebben, moeten deze beschikbaar zijn. Welke partij verantwoordelijk isvoor een hulpmiddel hangt af van het type hulpmiddel en het doelwaarvoor het wordt gebruikt.In de praktijk zijn er verschillende routes waarlangs hulpmiddelen kunnenworden verstrekt:1.Via het onderwijs: scholen kunnen hulpmiddelen aanschaffen vanuitde Rijksbekostiging, bijvoorbeeld onderwijshulpmiddelen zoalsvoorleessoftware of andere ondersteunende leermiddelen.2.Via de zorgverzekering (Zorgverzekeringswet): zorgverzekeraarsvergoeden hulpmiddelen die medisch noodzakelijk zijn, zoals eenhoortoestel.3.Via de gemeente: gemeenten kunnen in bepaalde gevallen via de Wetmaatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015)19 voorzieningenverstrekken die nodig zijn voor zelfredzaamheid en participatie, zoalseen rolstoel of aangepaste stoel.4.Via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen: Het UWVverstrekt – in opdracht van OCW – intermediaire voorzieningen (zoalseen gebaren- of schrijftolk), meeneembare voorzieningen (zoals eenbrailleleesregel) en vervoersvoorzieningen20 in het onderwijsdomein.Het UWV verstrekt deze voorzieningen gratis indien de kosten boveneen drempelbedrag uitkomen (voor 2026 ligt dit op € 195,94).In het gespecialiseerd onderwijs ontvangen scholen doorgaans zelfbekostiging om bepaalde voorzieningen te organiseren, waardoorleerlingen daar meestal geen beroep doen op de voorzieningen die UWVverstrekt in het onderwijs.19wetten.nl – Regeling – Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 – BWBR003536220Voor het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51221 Waar ligt de eindverantwoordelijkheid voor voldoende aangepastlesmateriaal voor kinderen met een beperking of specifieke ondersteu-ningsbehoefte?De verantwoordelijkheid voor het beschikbaar stellen van passendlesmateriaal ligt in eerste instantie bij het schoolbestuur. Schoolbesturenzijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en stellenmiddelen beschikbaar waarmee scholen en leraren in passend lesmate-riaal kunnen voorzien.Het samenspel tussen onderwijs, markt en overheid moet ervoor zorgendat leerlingen over geschikt lesmateriaal beschikken. Op grond vanartikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuzevan hun leermiddelen. Scholen en leraren kopen deze materialendoorgaans in op de markt (al dan niet via gezamenlijke aanbestedingen).Het is daarbij aan marktpartijen om te voorzien in aanbod dat aansluit bijde vraag vanuit het onderwijs.Daarnaast maken leraren ook gebruik van open en eigen lesmateriaal,bijvoorbeeld via de Impuls Open Leermateriaal en GOpen.Het Ministerie van OCW ondersteunt schoolbesturen via de lumpsumbe-kostiging en is stelselverantwoordelijk. Wanneer sprake is van marktfalenof knelpunten in toegankelijkheid of kwaliteit kan OCW aanvullendoptreden. Zo wordt Dedicon ondersteund, die schoolboeken voor blindeen slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voorleerlingen met dyslexie. Ook doet OCW via een nulmeting onderzoek naarde toegankelijkheid van leermiddelen en wat nodig is om leermiddelenvoor alle leerlingen beter toegankelijk te maken.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voormaatwerk blijft met een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoewordt deze ruimte voor maatwerk geborgd binnen deze aanpak alscollectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve zorg «nietpassend» geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken temaken over de «passendheid» van collectieve zorg op scholen, bijvoor-beeld in het handelingsdeel van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)?Hebben ouders daar instemmingsrecht op? Genoemde leden krijgensignalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar maken vanjeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de Ministeruitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrijtoegankelijke voorziening? Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voorzorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op school, ook als een kindom bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal geborgd worden dateen ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van hetbudget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteedwordt aan de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op schoolaanwezig kan zijn of omdat er van meer weken zorg tijdens onderwijstijdwordt uitgegaan dan het aantal lesweken per jaar?De gemeente heeft op grond van de Jeugdwet een jeugdhulpplicht. Dedoor de gemeente te treffen jeugdhulpvoorziening kan zowel eenalgemene, vrij toegankelijke voorziening (basisjeugdhulp) zijn als eenindividuele voorziening (aanvullende jeugdhulp). De gemeente bepaaltzelf welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke voorzieningen niet.Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerstbeoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze onder-steuning daadwerkelijk nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijkevoorzieningen veronderstellen altijd een verleningsbeslissing21 op basis21Een document dat de gemeenten of gecertificeerde instelling afgeeft om een individuelevoorziening van jeugdhulp te verlenen aan de jeugdige.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51222 van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie enbehoeften van de aanvrager. De gemeente geeft daartoe een beschikkingaf met de mogelijkheid van bezwaar en beroep. Daarmee is tevens derechtsbescherming van de jeugdige en diens ouders gewaarborgd.22 Alsbasisjeugdhulp geen uitkomst biedt, kan dus altijd een aanvraag wordengedaan voor een maatwerkvoorziening of een pgb. Op deze manier beoogik te waarborgen dat er ruimte blijft voor maatwerk wanneer de inzet vanbasisjeugdhulp in een individueel geval niet passend is.Wanneer op een cluster 3- of 4-school basisjeugdhulp wordt aangeboden,kan een leerling die deze hulp nodig heeft hiervan gebruikmaken zondereen afzonderlijke aanvraag in te dienen. Dit vermindert de administratievelasten en beperkt het aantal verschillende zorgverleners in de klas, zodatde rust in de klas behouden blijft voor leerlingen en leraren. Wanneer eengemeente basisjeugdhulp aanbiedt op school en deze hulp passend isvoor de hulpvraag van de jeugdige, ligt een pgb voor diezelfde hulpvraagniet voor de hand, omdat dan een vrij toegankelijke voorzieningbeschikbaar is.Wanneer een jeugdige daarnaast ook jeugdhulp thuis nodig heeft, zal degemeente in overleg met ouders bezien of en in welke mate basis-jeugdhulp of aanvullende jeugdhulp buiten onderwijstijd nodig is, dan welhoe hoog het pgb moet zijn om buiten onderwijstijd in de hulpvraag tevoorzien. Voor de bekostiging vanuit de Jeugdwet geldt geen aanwezig-heidsvereiste. Voor de bekostiging vanuit de Wlz geldt een aanwezig-heidsvereiste. Nu het experiment van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)is beëindigd, kan worden teruggevallen op de situatie zoals deze goldvóór het experiment. Zorgaanbieders kunnen met zorgkantoren prijsaf-spraken maken binnen het maximumtarief, zodat dit redelijkerwijs niet ofnauwelijks van invloed hoeft te zijn op het pgb dat voor zorg thuisbeschikbaar is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidigeEMB-bekostiging wordt verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt eenacuut probleem opgelost, maar is er nog steeds onzekerheid en onduide-lijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren? Waarom wordt ergeen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld23aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging vanEMB-leerlingen via het Rijk. Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordtde route van landelijke aanmelding en bekostiging niet ingezet, aangeziendit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en scholen?De huidige regeling voor leerlingen met een ernstige meervoudigebeperking (EMB) is ingevoerd in 2015. In 2019 is door de toenmaligebewindspersonen van VWS en OCW besloten het budget voor dezeregeling tijdelijk te verhogen met € 5 miljoen per jaar vanuit hetWlz-kader. Hierdoor is vanaf 2020 in totaal € 10 miljoen per jaarbeschikbaar voor scholen om ondersteuning en zorg voor EMB-leerlingenin de klas te organiseren. Deze tijdelijke verhoging loopt tot en met 2026.Alvorens een beslissing te nemen over het toekomstig kader voor deEMB-regeling zal deze eerst worden geëvalueerd. Op dit moment isonvoldoende duidelijk voor welk deel van de Wlz-leerlingen met een EMBmiddelen worden aangevraagd, hoe scholen deze middelen inzetten en inhoeverre de regeling bijdraagt aan het doel om ondersteuning voor22Zie ook de memorie van toelichting op de Jeugdwet, Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3,p. 8.23Kamerstuk 31 497, nr. 507.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51223 EMB-leerlingen goed te organiseren. Op basis van deze evaluatie wordtbezien of en hoe de regeling moet worden aangepast.De motie Westerveld verzoekt de regering om beleidsopties te verkennenvoor onder meer een systeem van landelijke aanmelding en rechtstreeksebekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB. Deze verkenningwordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar deeffecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor partijen in hetveld en DUO en de gevolgen voor de organisatie van ondersteuning. Overdeze beleidsopties gaat de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatiebinnenkort in gesprek met partijen uit het veld. Uw Kamer wordt vóór dezomer van 2026 geïnformeerd over de uitkomsten en eventuele vervolg-stappen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister met dezebrief de aangenomen motie24 van de leden Kwint en Westerveld alsafgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal in de brief de relatiemet toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet in de motie omgevraagd werd. Kan de Minister dit nog nader verduidelijken? De ledenvragen dit omdat zij nog steeds signalen krijgen van ouders dat erproblemen zijn met TLV’s.Het samenwerkingsverband is verantwoordelijk voor het afgeven van eentoelaatbaarheidsverklaring (TLV). De TLV bevat de formele beslissing, deduur en inhoudelijke onderbouwing waarom gespecialiseerd onderwijsnodig is en het niveau van onderwijsondersteuning. De TLV heeftdaarmee betrekking op de onderwijskundige ondersteuning van eenleerling en de bekostiging daarvan binnen het onderwijs.De TLV staat daarmee los van de inzet van zorg. De school heeft insamenwerking met het samenwerkingsverband de taak om te zorgen voorpassende onderwijsondersteuning. Scholen voor gespecialiseerdonderwijs ontvangen daarvoor ondersteuningsbudget van het samenwer-kingsverband op basis van de TLV van de leerling. Jeugdhulp (op grondvan de Jeugdwet) en langdurige zorg (op grond van de Wet langdurigezorg) worden echter via andere wettelijke kaders georganiseerd. Er isdaarom geen directe relatie tussen de verstrekking van een TLV en deinzet van jeugdhulp of langdurige zorg voor leerlingen in het onderwijs.De motie van de leden Kwint en Westerveld verzocht de regering om insamenspraak met onderwijs, ouders en deskundigen de knelpunten in definanciering van onderwijs voor zorgleerlingen in relatie tot de TLV’s inkaart te brengen en verbeteringen voor te stellen, met als uitgangspuntdat de schoolgang van een kind nooit mag betekenen dat het minder zorgkan krijgen.In de afgelopen jaren is hieraan uitvoering gegeven door verschillendeonderzoeken, pilots en praktijkinitiatieven rond ZiO. Zo is onder meer inpilots binnen de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het zo collectiefmogelijk organiseren van ZiO. Daarnaast ondersteunen zorgarrangeurs –met subsidie van de Ministeries van OCW en VWS – scholen, samenwer-kingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgpartijen bij hetorganiseren en financieren van ondersteuning en zorg op school. Dezetrajecten hebben inzicht gegeven in de knelpunten die in de praktijkworden ervaren bij de organisatie en financiering van zorg tijdensschooltijden.24Kamerstuk 31 497, nr. 409.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51224 Op basis van deze inzichten is onder meer een Leidraad ZiO opgesteld enwordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet op het maken van regionaleafspraken en bij voorkeur collectieve organisatie en financiering van zorgop school. Met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordtdaarnaast geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passendonderwijs en zorgkantoren verplicht met elkaar overleggen over hetzoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning,jeugdhulp en langdurige zorg op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4).Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussenregulier en gespecialiseerd onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk vooreen groei van plekken waar beide gecombineerd worden, zoals bijvoor-beeld bij Samen naar Schoolklassen. Kan de Minister uitleggen waaromer niet gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken temaken over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er totduurzame (financiële) borging gekomen kan worden van initiatieven alsSamen naar Schoolklassen en andere innovatieve oplossingen voor zorgin regulier onderwijs?Alle kinderen hebben, indien nodig, recht op passende ondersteuning omonderwijs te kunnen volgen, ongeacht of zij regulier of gespecialiseerdonderwijs volgen. De Jeugdwet voorziet hier deels al in. Zo is er eenalgemene verplichting voor het College om met samenwerkingsver-banden passend onderwijs te overleggen over het gemeentelijkbeleidsplan in verband met de afstemming van en effectieve samen-werking met het onderwijs. Daarnaast is het College bij het treffen vaneen individuele voorziening (aanvullende jeugdhulp) specifiek verplichtom zo nodig te overleggen met het bevoegd gezag van de school waar dejeugdige schoolgaand is. Met het conceptwetsvoorstel ReikwijdteJeugdwet wordt in aanvulling daarop ingezet op de samenwerking tussenlokale teams en scholen. Daartoe wordt zowel in de Jeugdwet als inonderwijswetgeving voorzien in een wederzijdse plicht voor gemeentenen schoolbesturen om respectievelijk in het beleids- en schoolplan beleidte maken over de samenwerking tussen scholen en de lokale teams.Daarmee wordt beoogd de samenwerking tussen het (regulier) onderwijsen de lokale teams te versterken, zodat scholen laagdrempelig het lokaleteam kunnen betrekken bij vragen en hulp. Daarnaast bevat het concept-wetsvoorstel een onderdeel dat specifiek is gericht het gespecialiseerdonderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzet van ZiO daar het meestvoorkomt en de knelpunten in de praktijk het meest zichtbaar zijn. Devoorgestelde maatregelen sluiten het regulier onderwijs niet uit enkunnen ook daar worden toegepast.Het wetsvoorstel geeft ruimte om op regionaal niveau afspraken temaken. Deze afspraken zien onder meer op collectieve inkoop en kunnenzowel betrekking hebben op het regulier als het gespecialiseerdonderwijs. Hetzelfde geldt voor de afspraken die zijn opgenomen in het op23 maart jl. ondertekend convenant «Stevige Lokale Teams». Daarnaastbiedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in het reguliere onderwijsgebruikt kunnen worden.PVV-fractieIn de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg ensamenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden enzorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling. De leden vande PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening eninwerkingtreding is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoewordt gemonitord of de verplichte overlegstructuur daadwerkelijk leidt totconcrete regionale afspraken. De leden van de PVV-fractie vragen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51225 Minister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan indienpartijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ookvragen genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerking-treding wordt vormgegeven.Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet is op 16 februari 2026 ininternetconsultatie gegaan. Beoogd wordt het wetsvoorstel eind dit jaaraan uw Kamer aan te bieden.Scholen in het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4) hebben vaak eenbovenregionale functie en werken daarom met meerdere gemeenten,samenwerkingsverbanden passend onderwijs en soms ook zorgkantorensamen. Om te bevorderen dat zorg en ondersteuning beter in samenhangworden georganiseerd, wordt in het conceptwetsvoorstel geregeld datgemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkan-toren verplicht met elkaar overleggen over de inzet van onderwijsonder-steuning, jeugdhulp en langdurige zorg op deze scholen. Voor dit overlegwordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande overlegstructuren, zoalshet op overeenstemming gericht overleg (OOGO). Met de voorgesteldewetswijziging worden partijen verplicht met elkaar in overleg te treden eneen geschillenregeling te treffen voor het geval zij er onderling nietuitkomen. Daarnaast zijn er ondersteunende instrumenten beschikbaar,zoals de Leidraad Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de inzet van zorgarran-geurs, die partijen helpen bij het organiseren van passende zorg enondersteuning. Partijen worden daarbij aangemoedigd om, waar datpassend is, afspraken op regionaal niveau te maken.De verwachting is dat deze combinatie van verplichte samenwerking,ondersteuning en een geschillenregeling partijen stimuleert om tot goedeafspraken te komen. De doeltreffendheid en effecten van de voorgesteldebepalingen worden binnen vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd,conform aanwijzing 5.58 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.Daarbij wordt onder meer bezien of de samenhangende inzet vanonderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg is verbeterd, of deadministratieve lasten zijn verminderd en of er meer rust in de klas isontstaan.Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearran-gement (LTA). De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat delooptijd is van deze tijdelijke werkwijze. Ook vragen deze leden op welkewijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk leidt tot verbeterdetoegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen. Deleden van de PVV-fractie vragen de Minister of parallel wordt onderzochtof op langere termijn een structurele integrale financieringsoplossingmogelijk is.Een deel van het jeugdhulpaanbod voor de leerlingen op cluster 1 en 2scholen viel reeds onder het Landelijk Transitiearrangement (LTA),waardoor toevoegen van jeugdhulp in onderwijstijd aan het LTA voor dezedoelgroep logisch en passend is. Hierdoor wordt ook voor deze leerlingenvereenvoudiging van financiering en organisatie van jeugdhulp gereali-seerd. De toetreding tot het Landelijk Transitiearrangement (LTA) isafgelopen zomer gerealiseerd. Uit de evaluatie25 afgelopen januari blijktdat dit, voor een relatief beperkte groep van gemiddeld circa 60 kinderenper jaar, heeft geleid tot betere toegankelijkheid en minder administra-tieve lasten. Dit komt doordat bestuurlijke afspraken zijn gemaakt overonder meer de inzet van zorgaanbieders, de intensiteit van de zorg, hettarief en de facturatie. In afstemming met de Vereniging van Nederlandse25Gesprekken met VNG en zorgadministrateur, zorgmanager en adviseur zorgcontracteringTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51226 Gemeenten (VNG) is geen looptijd gekoppeld aan deze tijdelijkeoplossing. Afgesproken is om binnen het traject Inclusief Onderwijs,gezamenlijk actief te kijken of er ruimte is voor verdere vereenvoudigingvan organisatie en financiering van zorg en ondersteuning op cluster 1 en2 scholen.De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van dePVV-fractie vragen wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via deEMB-regeling beschikbaar worden gesteld. Deze leden vragen tevens ofvoorafgaand aan het aflopen van de regeling een evaluatie wordtuitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het vanextra groot belang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten.Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is structureel€ 5 miljoen beschikbaar om scholen te ondersteunen bij het bieden vanonderwijs aan leerlingen met een EMB. Vanaf 2020 is dit bedrag tijdelijkverhoogd met € 5 miljoen vanuit het Wet langdurige zorg (Wlz)-kader,waardoor in totaal jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar was.Over het budgettaire kader voor de EMB-regeling na 2026 is nog geendefinitief besluit genomen. Voorafgaand daaraan wordt de huidigeregeling geëvalueerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de wijzewaarop scholen de middelen inzetten en in hoeverre de regeling bijdraagtaan het doel om leerlingen met een EMB passende ondersteuning tebieden in het onderwijs. Op basis van deze evaluatie wordt bezien ofaanpassingen in de regeling nodig zijn en hoe het toekomstige budget-taire kader eruit zal zien. Voor het eind van dit jaar wordt de Kamergeïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en de verderebesluitvorming.De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naastelkaar lopen: zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling enbeëindiging van het Wlz-experiment. Deze leden vragen de Minister in éénoverzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich tot elkaar verhouden intermen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad. De leden vande PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheiddraagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz inonderwijstijd.Zorg-arrangeursConceptwetsvoorstelReikwijdte JeugdwetLTAEMB-regelingWlz-experimentDoelPraktische ondersteu-ning bij organisatie enfinanciering van zorgin onderwijstijd (ZiO)Verankeren verplichtoverleg over afsprakensamenhangende inzetonderwijsondersteu-ning, langdurige zorgen jeugdhulp en dewijze van financieringcluster 3 en 4.Vereenvoudiging vanfinanciering enorganisatie vanjeugdhulp tijdensschooltijdenExtra middelen voorgespecialiseerdescholen om aanvul-lende ondersteuning tebieden aan leerlingenmet EMBHet verbeteren van debekostiging en organisa-tie van Wlz-zorg inonderwijstijd, ondermeer door inzicht teverkrijgen in de omgangmet afwezigheid vanleerlingenredelijkeDoel-groepScholen, samenwer-kingsverbandenpassend onderwijs,gemeenten enzorgkantorenScholen, gemeenten,samenwerkingsverban-den passend onderwijscluster 3 en 4 enzorgkantorenLeerlingen in cluster 1en 2 met auditieve/visuele beperking envaak ook EMB (±60leerlingen)Leerlingen meternstige meervoudigebeperking (IQ < 35) metintensieve zorgbe-hoefteZorgaanbieders enzorgkantoren betrokkenbij leerlingen metWlz-indicatieFinancierings-stroomSubsidie VWS en OCWn.v.t. (wettelijkeborging)Jeugdwet en onder-wijsfinanciering€ 5 mln onderwijsbe-kostiging (OCW),tijdelijk aangevuld met€ 5 mln vanuit VWSn.v.t. (aanpassing binnenbestaande bekostigings-regels)Tijdspad2020–2027, metmogelijkheid totverlengingIndiening wetsvoorstelTweede Kamer eind2026Reeds gerealiseerdStructurele regeling,tijdelijke VWS-middelen t/m 2026Tot september 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51227 Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet biedt geen oplossing voorde cluster 1 en 2 leerlingen, omdat zij geen onderdeel van een samenwer-kingsverband zijn. Een deel van het jeugdhulpaanbod voor deze leerlingenviel reeds onder het TLA, waarmee door ZiO toe te voegen aan het LTAook voor deze leerlingen een verbetering gerealiseerd kan worden. Met decombinatie van zorgarrangeurs, het conceptwetsvoorstel ReikwijdteJeugdwet en het toetreden van cluster 1- en 2-scholen tot het LandelijkTransitiearrangement (LTA) wordt beoogd dat zorg en ondersteuning voorleerlingen die dit nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen beterwordt georganiseerd.Het streven is dat op cluster 3 en 4 scholen in het gespecialiseerdonderwijs basisjeugdhulp beschikbaar is. Leerlingen hoeven dan inprincipe geen afzonderlijke aanvraag meer in te dienen voor jeugdhulp enscholen krijgen te maken met minder verschillende zorgverleners in deklas. Dit vermindert de administratieve lasten voor ouders en scholen endraagt bij aan meer rust in de klas.Door zorg en ondersteuning beter te organiseren en sneller beschikbaar temaken, wordt het voor kinderen die naast onderwijs ook jeugdhulp oflangdurige zorg nodig hebben makkelijker om onderwijs te volgen en naarschool te gaan.Het Wlz-experiment was gekoppeld aan het DSP/Oberon-onderzoek engericht op het verkrijgen van duidelijkheid over de redelijke afwezigheids-component voor Wlz-zorg geleverd tijdens schooltijden. Hieruit blijkt datbetrokken partijen vooral op zoek zijn naar een passend tarief, wat binnende bestaande wet- en regelgeving gerealiseerd kan worden als zorgaan-bieders en zorgkantoren onderling prijsafspraken maken binnen hetmaximumtarief.Doordat bij ZiO drie stelsels en daarmee wetten en bijbehorendefinancieringsstromen samenkomen, is er voor het geheel niet éénstelselverantwoordelijke aan te wijzen. Net zoals in de praktijk betreft heteen intensieve en constructieve samenwerking, met de intentie de stelselszo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten en elkaar te laten aanvullen.De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de reactie van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg inOnderwijstijd. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgendeaanvullende vragen. De reactie stelt dat de voorgestelde verbeteraanpakonvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende rechtsonge-lijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoezij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijkebereidheid in plaats van landelijke borging van rechten.Gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkan-toren hebben ieder een eigen wettelijke verantwoordelijkheid om de juisteondersteuning, hulp en/of zorg voor een jeugdige te organiseren. Scholenhebben, in samenwerking met het samenwerkingsverband, de taak ervoorte zorgen dat leerlingen de juiste onderwijsondersteuning krijgen in hetkader van passend onderwijs. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht enzorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van langdurigezorg. In elke regio moeten deze partijen, ieder vanuit hun eigen rol enverantwoordelijkheid, ervoor zorgen dat jeugdigen toegang hebben totpassende zorg, hulp en (onderwijs)ondersteuning. Om te voorkomen datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51228 het op overeenstemming gericht overleg (OOGO) niet tot afspraken leidt,wordt voorgeschreven dat betrokken partijen een geschillenregelingtreffen.De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties enpraktijk, niet wordt gekozen voor een structurele, collectieve financierings-oplossing voor zorg in onderwijstijd over domeinen heen. Welkeinhoudelijke of financiële belemmeringen staan een dergelijke oplossingvolgens de Minister in de weg?Uit het rapport van DSP/Oberon26 blijkt dat er geen eenduidig, eenvoudigen breed gedragen beeld bestaat over de inrichting van een collectievefinancieringsconstructie en over de vraag welke partij een dergelijkevoorziening zou moeten beheren. De belemmeringen blijken vooral teliggen in de financiering en organisatie van onderwijsondersteuning,jeugdhulp en langdurige zorg.Een financiële en stelselmatige belemmering ligt daarnaast in het feit dathet bundelen van middelen uit verschillende domeinen een complexe enomvangrijke stelselwijziging zou vereisen, die veel tijd en middelenvraagt. Tegelijkertijd vraagt de praktijk juist om snelheid, vereenvoudigingen vermindering van administratieve lasten. Met de voorgestelde aanpakbeoog ik aan deze behoefte van de praktijk tegemoet te komen.De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbe-sturen en zorgaanbieders binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardigen rechtstreeks betrokken worden bij regionale afspraken, zoals in dereactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet wettelijk wordtvastgelegd.Schoolbesturen en schoolteams worden bij het maken van afsprakenvertegenwoordigd door het samenwerkingsverband passend onderwijs.Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat deze afspraken metde schoolbesturen en schoolteams afstemt.Zorg- en jeugdhulpaanbieders worden niet rechtstreeks bij de afsprakenbetrokken. Zorgkantoren en gemeenten zullen, zodra duidelijk is welkelangdurige zorg en jeugdhulp noodzakelijk is, respectievelijk zorg- enjeugdhulpaanbieders contracteren die deze hulp kunnen bieden.Er is niet voor gekozen om de betrokkenheid van schoolbesturen enzorgaanbieders expliciet wettelijk vast te leggen, omdat het niet noodza-kelijk is dat deze partijen bij ieder overleg of beslismoment rechtstreeksaanwezig zijn. Schoolbesturen kunnen zich desgewenst laten vertegen-woordigen, waardoor de werkdruk beperkt blijft en besluitvormingefficiënt kan plaatsvinden.Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractiewaarom opnieuw is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling,terwijl de Kamer eerder heeft uitgesproken te willen komen tot landelijke,structurele bekostiging. Wanneer kunnen scholen en ouders duidelijkheidverwachten over een definitieve oplossing?Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het vanbelang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Vanuit hetonderwijs is structureel € 5 miljoen beschikbaar om scholen te onder-steunen bij het bieden van onderwijs aan deze leerlingen. De huidigeEMB-regeling bestaat sinds 2015 en is in 2020 tijdelijk aangevuld metmiddelen vanuit het Wlz-kader.26Naar collectieve financiering van Zorg in OnderwijstijdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51229 De Kamer heeft eerder aandacht gevraagd voor een structurele oplossing.In het kader van de verbeteraanpak ZiO zijn verschillende oplossingsrich-tingen verkend om de organisatie en financiering van ZiO te vereenvou-digen. Daarbij is gebleken dat een integrale landelijke financieringsre-geling voor ZiO over de verschillende domeinen heen op dit moment nieteenvoudig realiseerbaar is. Daarom is ervoor gekozen om in te zetten opversterkte samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren, zodat zij gezamenlijkafspraken kunnen maken over de beschikbaarheid van ZiO.De huidige EMB-regeling wordt geëvalueerd voordat een besluit wordtgenomen over het budgettaire kader voor de periode na 2026. Op basisvan deze evaluatie wordt bezien of aanpassingen in de regeling wenselijkzijn en hoe de ondersteuning voor EMB-leerlingen ook op langere termijnhet best kan worden vormgegeven. Zodra hierover besluitvorming heeftplaatsgevonden, worden scholen hierover geïnformeerd, zodat zij ookouders tijdig duidelijkheid kunnen geven.De motie Westerveld27 verzoekt de regering om beleidsopties teverkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding enrechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB.Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meergekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voorpartijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie vanondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris vanOnderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld.Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over deuitkomsten en eventuele vervolgstappen.Genoemde leden vragen hoe de Minister reflecteert op het beëindigenvan het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juistwerd gezien als een noodzakelijke stap richting collectieve financiering.Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd om deze bewegingvoort te zetten?Mijn ambtsvoorganger heeft besloten om het advies van de NederlandseZorgautoriteit (NZa) op te volgen om het experiment niet te verlengen.Volgens de NZa was niet te verwachten dat een eventuele verlenging vande looptijd van het experiment in de huidige vorm (tot nog maximaaltwee jaar) zou leiden tot nieuwe inzichten. De belangstelling voor hetexperiment was zeer beperkt en heeft helaas te weinig informatieopgeleverd om vast te stellen wat een redelijke vergoeding zou zijn voordoorlopende kosten tijdens de afwezigheid van leerlingen.Het experiment is geen noodzakelijke stap richting collectieve financieringvan ZiO. De mogelijkheid om vooraf zekerheid te geven over de bekos-tiging vanuit de Wlz, heeft weliswaar bijgedragen aan het proces om tekomen tot een collectieve inkoopafspraak, maar is hiervoor geenvoorwaarde. Zorgaanbieders en zorgkantoren kunnen immers bij hetmaken van een prijsafspraak rekening houden met verwachte afwezigheidvan Wlz-leerlingen, uiteraard binnen het maximumtarief dat de NZa heeftvastgesteld. Bij cliëntvolgende bekostiging van extramurale Wlz-zorghouden zorgkantoren en zorgaanbieders reeds rekening met afwezigheiden no-show. De afwezigheid van Wlz-leerlingen kan van jaar tot jaarenigszins verschillen, maar dit behoeft het maken van een collectieveafspraak niet in de weg te staan.27Kamerstuk II, 2025–2026, 31 497, nr. 507Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51230 Een overweging voor deelnemers om mee te doen aan het experimentwas de daaraan verbonden garantie dat de kosten van afgesproken zorgzou worden vergoed. Een alternatief instrument via de bekostiging acht ikniet noodzakelijk voor het maken van een passende collectieve afspraak.Partijen kunnen bij het maken van een prijsafspraak binnen het maximum-tarief voldoende rekening houden met de verwachte afwezigheid vanleerlingen en daarmee ook collectieve afspraken mogelijk maken. Dezemogelijkheid is kenbaar gemaakt aan de vertegenwoordigers van cluster 1en 2. Ook is dit opgenomen in de ZiO Leidraad.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg inOnderwijstijd zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusiefonderwijs. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen datZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd onderwijs en niet structureelwordt geborgd in het regulier onderwijs.De verbeteraanpak ZiO draagt bij aan de beweging naar inclusiefonderwijs. Zowel in het speciaal onderwijs als het regulier onderwijs ishet belangrijk dat scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijsen gemeenten samenwerken en afspraken maken over ondersteuning enzorg op school. Het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet bevatvoorstellen voor afspraken tussen gemeenten, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoren die ook betrekking kunnen hebben opcollectieve inzet van ondersteuning en zorg op school in het reguliereonderwijs.Ook andere onderdelen van de aanpak zijn breder toepasbaar. Hetconvenant «Stevige lokale teams» bevat afspraken met de belangrijkstepartijen over wat nodig is om lokale teams te laten slagen. Met hetconceptwetsvoorstel worden deze afspraken ondersteund. Zo wordtvoorgesteld om zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving eenwederzijdse plicht op te nemen voor gemeenten en scholen om respectie-velijk in het beleidsplan en het schoolplan beleid te maken over desamenwerking tussen scholen en lokale teams. Door deze samenwerkingte versterken, kunnen scholen laagdrempelig het lokale team betrekken bijvragen en ondersteuning. Dit draagt eraan bij dat kinderen zoveelmogelijk in hun eigen omgeving kunnen opgroeien en naar school kunnengaan. Veel jeugdigen en ouders hebben bij vragen over opvoeden enopgroeien namelijk niet direct een zorgantwoord of diagnose nodig, maaradvies, hulp en ondersteuning in hun directe omgeving, bijvoorbeeld opschool. Een sterke pedagogische basis op school kan er bovendien aanbijdragen dat een deel van de jeugdigen en gezinnen geen jeugdhulpnodig heeft. Daarnaast biedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in hetreguliere onderwijs gebruikt kunnen worden. Daarmee dragen dezemaatregelen eraan bij dat ondersteuning en zorg beter worden georgani-seerd in en rond scholen, zowel in het gespecialiseerd als in het reguliereonderwijs.CDA-fractieDe Minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiserenvan een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens isde gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en hetzorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een Wlz-indicatie.Kan de Minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteu-ningsvoorzieningen vanuit het samenwerkingsverband en vanuit degemeente? Is hier een duidelijke afbakening tussen? Of verschilt dit perschool en per samenwerkingsverband?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51231 Het kan per reguliere school, per school voor gespecialiseerd onderwijsen per samenwerkingsverband verschillen wat valt onder de extraondersteuning die vanuit het onderwijs geboden kan worden. Dit is niet indetail wettelijk vastgelegd. In de praktijk kan er daarom een grijs gebiedbestaan tussen ondersteuning vanuit het onderwijs en ondersteuning ofzorg vanuit andere domeinen, zoals de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg(Wlz) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit blijkt ook uit verschillendeonderzoeken naar zorg in onderwijstijd (ZiO)28.Wanneer een leerling meer nodig heeft dan het onderwijs kan biedenbinnen de basisondersteuning of aanvullende ondersteuning, wordt inoverleg met ouders bezien of aanvullende zorg vanuit een ander domeinnodig is. In sommige gevallen kan daarvoor een persoonsgebondenbudget (pgb) worden ingezet, mits het gaat om ondersteuning of zorg dieonder de verantwoordelijkheid valt van de Wlz, de Jeugdwet en/of de Zvwen die noodzakelijk is om onderwijs te kunnen volgen. In het geval van deJeugdwet moet de gemeente als verstrekker instemmen met de inzet vaneen pgb in het onderwijs.Omdat de afbakening tussen onderwijs en zorg in de praktijk niet altijdscherp is, wordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet op betere samen-werking en afstemming tussen gemeenten, samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoren. Door aan de voorkant gezamenlijkafspraken te maken kan op lokaal en regionaal niveau duidelijker wordenbepaald welke ondersteuning vanuit onderwijs wordt geboden enwanneer aanvullende zorg nodig is. De Leidraad ZiO biedt hiervoorpraktische handvatten en waar nodig kunnen partijen ondersteuningkrijgen van zorgarrangeurs.Voor een nadere toelichting verwijs ik uw Kamer tevens naar de beant-woording van 21 februari 2025 op de Kamervragen van de leden Stoffer(SGP) en Westerveld (GroenLinks-PvdA)29.In de brief stelt de Minister dat de langdurige zorg een verzekering is metindividuele aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen wordeningezet. Daarom willen deze leden graag meer uitleg over hoe deze tweeuitersten, zoveel als mogelijk in samenhang aanbieden van onder-steuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in praktijk uit als oudersstaan op dit individuele recht of inzet via een pgb?Het feit dat de Wlz uitgaat van individuele aanspraken staat niet in de wegom ZiO zoveel mogelijk in samenhang te organiseren. Partijen kunnenhierover collectieve afspraken maken voor leerlingen op een school,terwijl de individuele aanspraak van de leerling op Wlz-zorg in stand blijft.Een vergelijkbare werkwijze is zichtbaar bij dagbehandeling in groeps-verband, bijvoorbeeld bij een kinderdagcentrum (KDC). Ook daar wordenzorg en ondersteuning in samenhang aangeboden aan een groepkinderen, terwijl de bekostiging plaatsvindt binnen het stelsel vanindividuele aanspraken in de Wlz.Wanneer op een school collectieve zorg beschikbaar is, ligt het voor dehand dat deze zorg in onderwijstijd door de betrokken zorgaanbiederwordt geleverd. Dat kan voor ouders en scholen voordelen hebben, omdatminder afzonderlijke organisatie nodig is en de administratieve lastenworden beperkt. Wanneer deze collectieve zorg passend is voor dehulpvraag van de leerling, ligt inzet via een persoonsgebonden budget(pgb) voor diezelfde hulpvraag in beginsel minder voor de hand. Tegelijk28Naar collectieve financiering van Zorg in Onderwijstijd29Kamerstukken II 2024/25, 31 839, nr. 1397Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51232 blijft maatwerk mogelijk wanneer de collectieve inzet van zorg nietpassend of onvoldoende toereikend is. In dat geval kan aanvullendeondersteuning individueel worden georganiseerd, bijvoorbeeld via eenpgb of zorg in natura.Gezien het feit dat het NZa-experiment Wlz zorg in onderwijstijd nietgeslaagd is vragen deze leden zich of hieruit lessen te trekken zijn ommeer «collectieve zorg» op cluster 3 en 4 scholen te organiseren.Uit het Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)-experiment met Wlz-zorg inonderwijstijd komt naar voren dat de afwezigheid van leerlingen in depraktijk geen onoverkomelijk knelpunt hoeft te zijn voor de bekostigingvan ZiO. Tegelijk is gebleken dat het vooral complex is om over deverschillende domeinen heen tot afspraken te komen en dat dit gepaardkan gaan met administratieve lasten. Deze bevindingen sluiten aan bijeerdere onderzoeken. Juist daarom zet de verbeteraanpak in op beteresamenwerking tussen betrokken partijen. Met de voorgestelde samenwer-kingsafspraken, ondersteund door onder meer de Leidraad ZiO en de inzetvan zorgarrangeurs, wordt het maken van collectieve afspraken over ZiOvergemakkelijkt.De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijkop regionaal niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren enfinancieren. Dit vinden deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoewil de Minister vervolgens regelen dat er duidelijkheid is tussen deafbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt er aangesloten? DeMinister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstelReikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kortmogelijke termijn. In welke onderwijswetgeving wil de Minister boven-staande opnemen?De bij het overleg betrokken partijen worden aangemoedigd om, waarnodig, afspraken op regionaal niveau te maken. Er is echter niet voorgekozen om overleg op een specifiek regionaal niveau voor te schrijven,omdat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet samenvallen.Ook is de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet op regionaal niveaugeorganiseerd. Gezien de diversiteit aan regio’s is ervoor gekozen datsamenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkan-toren gezamenlijk kunnen bepalen of en zo ja in welke regio zij samen-werken.De leden van de CDA-fractie vragen hoe het convenant «Stevige LokaleTeams» zich verhoudt tot de Reikwijdtewet. In de brief lezen de leden vande CDA-fractie dat in het convenant is opgenomen dat schoolbesturen engemeenten afspraken maken over de inzet en de aanwezigheid van hetlokale team op school voor ondersteuning in de context van de school.Het doel hiervan is zoveel mogelijk kinderen in de reguliere omgevingonderwijs te laten volgen. Wat is de huidige stand van zaken van ditconvenant? Worden er concrete afspraken gemaakt om zoveel mogelijkkinderen regulier onderwijs te laten volgen?De aangekondigde aanpassingen van wetgeving richten zich in eersteinstantie op het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzetvan ZiO daar het meest voorkomt en de knelpunten in de praktijk hetmeest zichtbaar zijn. Dit betekent echter niet dat het regulier onderwijswordt uitgesloten. De inzet van lokale teams sluit in de praktijk met namegoed aan bij het regulier onderwijs, omdat leerlingen daar veelal in huneigen wijk of dorp naar school gaan en ondersteuning dicht bij huisgeorganiseerd kan worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51233 Het convenant «Stevige Lokale Teams» en het conceptwetsvoorstelReikwijdte Jeugdwet vullen elkaar aan. In het convenant wordenbestuurlijke afspraken gemaakt tussen betrokken partijen over wat nodigis en wat zij van elkaar mogen verwachten om stevige lokale teams telaten slagen. Voor het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), dat vaakeen bovenregionale functie heeft, ligt aansluiting bij lokale teams mindervoor de hand. Daarom wordt in het conceptwetsvoorstel ReikwijdteJeugdwet juist ingezet op afspraken tussen gemeenten, samenwerkings-verbanden passend onderwijs en zorgkantoren om de samenwerking rondzorg in onderwijstijd goed te organiseren. In het conceptwetsvoorstelReikwijdte Jeugdwet wordt daarnaast de entiteit «lokaal team» wettelijkverankerd, waarbij wordt vastgelegd dat er een laagdrempelig entoegankelijk lokaal team is en een aantal basistaken voor lokale teamsworden beschreven.Er is gekozen voor een modulaire opzet van het convenant «Stevige lokaleteams»: een bestuurlijke hoofdtekst (lokale teams voor alle inwoners van0–100 jaar) en aparte modules met aanvullende afspraken per subdomein,waaronder Jeugd, Onderwijs en Kinderopvang en Volwassenen (Wmo enParticipatiewet/ schuldhulpverlening). Op 23 maart jl. is het convenantmet de jeugdmodule door betrokken partijen ondertekend.In deze jeugdmodule zijn afspraken opgenomen om de samenwerkingtussen het onderwijs en lokale teams te versterken. Hierdoor kunnenscholen het lokale team betrekken bij vragen en ondersteuning, zodatkinderen in hun eigen omgeving kunnen opgroeien en naar schoolkunnen gaan. De komende periode wordt verder gewerkt aan despecifieke module onderwijs en kinderopvang. Of in het convenantconcrete afspraken worden gemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulieronderwijs te laten volgen, is afhankelijk van de keuze die de samenwer-kende partijen hierover maken. Het convenant biedt hiervoor een kaderom afspraken te maken, waarbij de inhoud door de betrokken partijen zelfwordt bepaald.Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomteen acuut probleem maar schuift de structurele oplossing opnieuwvooruit. De leden van de CDA-fractie zijn geïnteresseerd welke structureleoplossing(en) de Minister voor zich ziet. Ziet de Minister hierbij een rolvoor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met ernstigmeervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakendedoelgroep?Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het vanbelang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Samenwerkings-verbanden passend onderwijs spelen hierbij een rol doordat zij, samenmet schoolbesturen, verantwoordelijk zijn voor een dekkend aanbod vanondersteuning in de regio en voor de toelaatbaarheid tot het gespeciali-seerd onderwijs.Met de evaluatie van de huidige EMB-regeling wordt bezien of en zo jawelke knelpunten zich in de praktijk voordoen en in hoeverre de regelingbijdraagt aan het doel om scholen te ondersteunen bij het bieden vanpassend onderwijs aan deze leerlingen. Op basis van deze evaluatie wordtbezien of aanpassingen in de regeling wenselijk zijn en hoe de onder-steuning voor EMB-leerlingen structureel kan worden vormgegeven.De bijzondere bekostiging via de EMB-regeling is bedoeld voor leerlingenmet een ernstige meervoudige beperking. Het gaat daarbij om leerlingenmet een combinatie van een ernstige of zeer ernstige verstandelijkebeperking, een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen, voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51234 wie naast extra ondersteuning in het onderwijs ook intensieve zorg nodigis. De regeling is gekoppeld aan leerlingen die zijn ingeschreven in het(voortgezet) speciaal onderwijs en voor wie bekostiging categorie 3(hoog) wordt ontvangen.Scholen beoordelen zelf of een leerling tot deze doelgroep behoort. Er isop dit moment geen landelijk volledig overzicht van het exacte aantalleerlingen met een EMB.De motie Westerveld30 verzoekt de regering om beleidsopties teverkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding enrechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB.Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meergekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voorpartijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie vanondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris vanOnderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld.Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over deuitkomsten en eventuele vervolgstappen.BBB-fractieLeden van de BBB-fractie hebben geen nadere vragen gesteld.SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie vanschoolbesturen in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectievefinanciering. Deze leden lezen in de brief dat vooral gemeenten, zorgkan-toren en samenwerkingsverbanden in overleg moeten treden, terwijl deverantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren van zorg voor deleerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen devoorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband enten opzichte van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en deafspraken die gemaakt worden?Er is een gedeelde verantwoordelijkheid bij het organiseren van(onderwijs) ondersteuning en zorg voor leerlingen op school. Wanneer hetondersteuningsaanbod vanuit het onderwijs ontoereikend is, zijn dezeleerlingen voor aanvullende hulp- of zorg aangewezen op hun eigengemeente of zorgkantoor vanuit de Jeugdwet of de Wet Langdurige zorg.In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld datsamenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkan-toren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbiedenvan onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school ende wijze van financiering daarvan. Samenwerkingsverbanden wordengevormd door samenwerkende schoolbesturen in het primair en/ofvoortgezet onderwijs en vertegenwoordigen daarmee de aangeslotenscholen in dit overleg.Schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor het organiseren van hetonderwijs en de ondersteuning voor leerlingen op hun scholen. Via hetsamenwerkingsverband zijn zij betrokken bij de afspraken die metgemeenten en zorgkantoren worden gemaakt over de inzet van zorg enondersteuning op school. De wet staat er daarnaast niet aan in de weg datschoolbesturen van cluster 3- en 4-scholen rechtstreeks bij het overlegworden betrokken wanneer dat wenselijk is.30Kamerstuk II, 2025–2026, 31 497, nr. 507Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51235 Binnen het stelsel van passend onderwijs dragen schoolbesturen ensamenwerkingsverbanden passend onderwijs gezamenlijk verantwoorde-lijkheid voor een dekkend aanbod van ondersteuning in de regio. Met hetwetsvoorstel wordt beoogd dat zij, samen met gemeenten en zorgkan-toren, betere afspraken maken over de afstemming tussen onderwijs,jeugdhulp en langdurige zorg voor leerlingen op cluster 3- en 4-scholen.De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingenvan de wetgeving in de brief specifiek betrekking hebben op gespeciali-seerde scholen. Deze leden vragen een toelichting op deze beperking.Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht van de inzet opinclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als hetgaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?De aangekondigde aanpassingen van wetgeving richten zich in eersteinstantie op het gespecialiseerd onderwijs (cluster 3 en 4), omdat de inzetvan zorg in onderwijstijd (ZiO) daar het meest voorkomt en de knelpuntenin de praktijk het meest zichtbaar zijn. Dit betekent echter niet dat hetregulier onderwijs wordt uitgesloten. De voorgestane acties die ik hebaangekondigd in de Kamerbrief31, sluiten het regulier onderwijs niet uit. Inhet conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet zijn bepalingen opgenomenover het maken van (bestuurlijke) afspraken tussen gemeenten, samen-werkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren over de inzet vanonderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op cluster 3 en 4scholen. Deze afspraken worden bij voorkeur op regionaal niveaugemaakt en kunnen ook betrekking hebben op de collectieve inzet vanondersteuning en zorg op scholen in het reguliere onderwijs.Ook andere onderdelen van de aanpak zijn breder toepasbaar. Zo wordenin het op 23 maart ondertekend convenant «Stevige lokale teams»afspraken gemaakt over samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulprond scholen. Daarnaast biedt de Leidraad ZiO handvatten die ook in hetreguliere onderwijs gebruikt kunnen worden. Daarmee dragen dezemaatregelen eraan bij dat ondersteuning en zorg beter worden georgani-seerd in en rond scholen, zowel in het gespecialiseerd als in het reguliereonderwijs.De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen vande inhoud van de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren datenkel een algemene overlegplicht voor de betrokken partijen wordtgeregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds onvoldoendeduidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basaleaanspraken in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Dezeleden vragen een nadere toelichting.In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt voorgesteldsamenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten en zorgkan-toren te verplichten om te overleggen over het in samenhang inzetten vanonderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg. Het voorstelschrijft voor dat dit overleg in ieder geval gericht moet zijn op het makenvan afspraken over het bieden van basisjeugdhulp en de wijze waarop debetrokken gemeenten deze hulp financieren. Voor het geval de partijen diedeelnemen aan het overleg er onderling niet uitkomen, dienen zij eengeschillenregeling te treffen.De overlegplicht en geschillenregeling staan daarbij niet op zichzelf. Omervoor te zorgen dat in de praktijk daadwerkelijk afspraken wordengemaakt en om administratieve lasten te verminderen, is er naast dewettelijke verplichtingen ook praktische ondersteuning beschikbaar. Zo is31Kamerstuk 31 497, nr. 510Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51236 er een Leidraad ZiO en kunnen zorgarrangeurs partijen ondersteunen bijhet maken van afspraken.De ontwikkelingen worden nauwgezet gevolgd. Vijf jaar na inwerking-treding van het wetsvoorstel vindt een evaluatie plaats. Indien blijkt dat depraktijk achterblijft, zullen aanvullende maatregelen worden overwogen.Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen debeoogde collectieve financiering de verhouding is tussen de zorg die nubijvoorbeeld op basis van de Wlz op school wordt verleend en in dethuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de afgelopen jaren vaak eenspanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie zoveelmogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholenaanspraak wilden maken op (een deel van) het budget om de onder-steuning in de klas te financieren. In hoeverre gaat de wetswijzigingenhierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder geval de noodzaak ende mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?Met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt beoogd desamenwerking tussen scholen, gemeenten, zorgaanbieders en zorgkan-toren te versterken, zodat zorg en jeugdhulp op school transparanter enbeter georganiseerd kan worden. In het verplichte overleg maken partijenafspraken over de inzet van onderwijsondersteuning, jeugdhulp enlangdurige zorg op school en de wijze waarop deze wordt georganiseerden gefinancierd.Daarbij blijft de individuele aanspraak van een leerling op zorg vanuit deWet langdurige zorg (Wlz) onverminderd bestaan. Door gezamenlijkinzicht te hebben in de zorgbehoefte van leerlingen op schoolniveau enhierover afspraken te maken, ontstaat meer duidelijkheid over welke zorgtijdens onderwijstijd collectief wordt georganiseerd en welke zorgdaarbuiten plaatsvindt. Ouders maken vervolgens met het zorgkantoorafspraken over de inzet van zorg buiten onderwijstijd. Op deze manierwordt beoogd meer transparantie te creëren en onduidelijkheid over deinzet van zorg te voorkomen.De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op desamenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg inonderwijs en verzoeken haar toe te lichten welke concrete knelpunten zijziet op dit snijvlak voor het realiseren van (collectieve) financiering vanzorg in onderwijs en welke oplossingen daarvoor worden voorgesteld.OCW en VWS werken gezamenlijk aan de verbeteraanpak ZiO, zodatleerlingen in het gespecialiseerd onderwijs de jeugdhulp en/of zorgkrijgen die nodig is om onderwijs te kunnen volgen en zich naar hunleerpotentieel kunnen ontwikkelen. Voor een deel van de leerlingen isdeze ondersteuning een voorwaarde om naar school te kunnen gaan endaarmee te kunnen voldoen aan de leerplicht.In de praktijk kunnen knelpunten ontstaan op het snijvlak van onderwijs,zorg en de Leerplichtwet, omdat de afbakening tussen deze domeinen inde wet niet in detail is vastgelegd. Dit blijkt ook uit verschillende onder-zoeken naar ZiO32. Daarom wordt met de verbeteraanpak ZiO ingezet opbetere samenwerking en afstemming tussen gemeenten, samenwerkings-verbanden passend onderwijs en zorgkantoren. Door aan de voorkantgezamenlijk afspraken te maken, kan op lokaal en regionaal niveauduidelijker worden bepaald welke ondersteuning vanuit het onderwijswordt geboden en wanneer aanvullende zorg nodig is.32Naar collectieve financiering van Zorg in OnderwijstijdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51237 In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld datgemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkan-toren overleg voeren over het in samenhang voorzien in van onderwijson-dersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg op school. Door dezesamenwerking en duidelijke afspraken te versterken, wordt beoogd datleerlingen sneller de ondersteuning krijgen die nodig is om onderwijs tekunnen volgen en daarmee te voldoen aan de leerplicht.Met de verbeteraanpak ZiO wordt daarom ingezet op betere samen-werking en afstemming tussen onderwijs en zorg. In het conceptwets-voorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt geregeld dat gemeenten, samenwer-kingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren overhet in samenhang organiseren van onderwijsondersteuning, jeugdhulp enlangdurige zorg op school. Door deze samenwerking en duidelijkeafspraken aan de voorkant te versterken, wordt beoogd dat leerlingensneller de ondersteuning krijgen die nodig is om onderwijs te kunnenvolgen en daarmee te voldoen aan de leerplicht.Daarnaast biedt de Leidraad ZiO praktische handvatten voor het makenvan afspraken en kunnen scholen en gemeenten ondersteuning krijgenvan zorgarrangeurs bij het organiseren van zorg en ondersteuning opschool.De leden van de SGP-fractie vragen de Minister in te gaan op desamenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg inonderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders en de uitvoering van deLeerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat om demogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnenrealiseren. Kan de Minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet opdit snijvlak en welke oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welkewijze en wanneer wordt voorzien in een duidelijker regeling om opbetrouwbare en professionele wijze vast te stellen in hoeverre een kind instaat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen tot hetminimale te beperken?Het is een zorgwekkende ontwikkeling dat meer kinderen en jongeren nietdeelnemen aan onderwijs. Voor een deel van deze leerlingen is onder-steuning of zorg tijdens schooltijd noodzakelijk om onderwijs te kunnenvolgen en daarmee te kunnen voldoen aan de leerplicht. In de praktijk kanhet organiseren en financieren van deze ondersteuning complex zijn,omdat onderwijsondersteuning, jeugdhulp en langdurige zorg vanuitverschillende wettelijke kaders en financieringsstromen worden georgani-seerd. Dit kan leiden tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden ofvertraging bij het organiseren van passende ondersteuning.Daarom werkt de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie (OCW)sinds 2022 actief aan de verzuimaanpak. Onderdeel daarvan is onderandere het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim. Dit wetsvoorstelverbetert het zicht op verzuim, verscherpt de preventieve verzuimaanpakvan scholen en versterkt de samenwerking met onder andere leerplicht-ambtenaren en samenwerkingsverbanden.Het wetsvoorstel bevat daarnaast een maatregel om de procedure bij hetvaststellen van een vrijstelling op basis van lichamelijke of psychischegronden te verbeteren. Het borgt in de eerste plaats dat het onderwijs-kundig perspectief van het kind wordt betrokken in de procedure van devrijstelling. Dit advies beschrijft de maatwerkmogelijkheden voor debetreffende jongere in de regio, zodat wordt voorkomen dat jongeren diegeschikt zijn om schoolonderwijs te volgen langdurig geen enkele vormvan onderwijs ontvangen. In de tweede plaats regelt het wetsvoorstel datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51238 er variatie mogelijk wordt in de duur van een vrijstelling. Door bij beidemaatregelen te kijken naar hoe jongeren wél onderwijs kunnen volgen enzich daarbinnen kunnen ontwikkelen, wordt beoogd dat in de toekomstminder vrijstellingen nodig zijn.Indien verzuim veroorzaakt wordt door bemoeilijkte aansluiting tussenonderwijs en zorg is meer ruimte nodig om deze samen te organiseren.Hiertoe is in 2023 het experiment onderwijszorgarrangementen gestartwaar momenteel ruim 3.000 leerlingen gebruik van maken of hebbengemaakt. De mogelijkheid tot het flexibeler inrichten van maatwerk op hetsnijvlak van onderwijs en zorg zal in de wet worden geborgd. Een voorsteldaartoe zal voor de zomer van 2026 in internetconsultatie staan. Dit isaanvullend op de maatregelen genomen in het kader van ZiO gericht ophet eenvoudiger inzetten van zorg op school in cluster 3 en 4.Naar aanleiding van «Positie clusters 1 en 2». De leden van de SGP-fractiedelen de constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen nietpassend zijn voor de clusters 1 en 2. Deze leden vragen of de Minister kanbevestigen dat er geen voornemens zijn om de status van deze clustersaan te passen, gezien de bijzondere, specialistische aard van de onder-steuning.Binnen de verbeteraanpak ZiO is het kabinet niet voornemens de statusvan cluster 1 en 2 aan te passen.De leden van de SGP-fractie constateren dat de Minister in de brief tenaanzien van de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen definanciering op basis van de Jeugdwet en het onderwijs en dat deafstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten beschouwing blijft. Zijvragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het onderwijsvoor de clusters 1 en 2. Ziet de Minister ook de wenselijkheid om voordeze clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van deWlz?De afstemming tussen Wlz-zorg en onderwijs verloopt in de kern opdezelfde manier voor alle onderwijsclusters. Wanneer aanvullende zorgnodig is om onderwijs te kunnen volgen, kan de betrokken zorgaanbiederhiervoor een aanvraag indienen bij het zorgkantoor. Het zorgkantoorbeoordeelt deze aanvraag en besluit over de inzet van Wlz-zorg.Voor cluster 1 en 2 geldt dat scholen en zorginstellingen vaak onderdeelzijn van dezelfde organisatie. Daardoor zijn de lijnen tussen onderwijs enzorg in de praktijk kort en is er binnen de organisatie veel kennis enexpertise aanwezig over de specifieke ondersteuningsbehoeften van dezeleerlingen. Dit kan de afstemming tussen onderwijs en zorg vergemakke-lijken. Tegelijk blijft ook hier gelden dat het zorgkantoor verantwoordelijkis voor de beoordeling en bekostiging van de benodigde Wlz-zorg.Collectieve afspraken over de beschikbaarheid van Wlz-zorg kunnenvoordelen hebben voor scholen, ouders en zorgaanbieders, onder meerdoordat administratieve lasten worden verminderd en zorg eenvoudigerkan worden georganiseerd. In de praktijk is daarom verkend of collectievefinanciering via de onderwijsbekostiging mogelijk zou zijn. Uit dezeverkenning is gebleken dat uitvoering via de reguliere onderwijsbekos-tiging op grond van de huidige onderwijswetgeving niet haalbaar is. Welblijft het mogelijk dat partijen in de praktijk collectieve afspraken makenover de organisatie en inzet van Wlz-zorg op school, bijvoorbeeld doorgezamenlijk afspraken te maken met zorgaanbieders en zorgkantoren overde beschikbaarheid van ZiO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51239 ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de huidige verbeter-aanpak zich verhoudt tot de aanpak uit de Kamerbrief van juli 2023(Kamerstuk 31 497, nr. 466) en welke resultaten inmiddels zijn bereikt.In de Kamerbrief uit 2023 is gekoerst op een vereenvoudiging van zorg inonderwijstijd (ZiO) middels collectieve inzet, binnen de huidige stelsels enmet behoud van de bestaande financiële kaders. Om tot het voorgesteldepakket aan maatregelen te komen, hebben verschillende afstemmingsmo-menten plaatsgevonden, zowel met het onderwijs- en zorgveld als viainterdepartementale afstemming en onderzoek.De verbeteraanpak ZiO staat niet op zichzelf, maar bouwt voort op deervaringen die sinds 2018 zijn opgedaan met onder andere de inzet vanzorgarrangeurs, onderzoeken, pilots en goede praktijkvoorbeelden. Ditheeft geleid tot de voorgenomen aanpassingen in wet- en regelgeving. Zobleek uit gesprekken dat een precieze definitie van ZiO niet wenselijk is endat een strikte afbakening tussen zorg/jeugdhulp en onderwijs zich nietgoed leent voor vastlegging in wet- en regelgeving. Een oplossing isgevonden in de Leidraad ZiO, die onlangs is gepubliceerd en partijenhelpt om goede bestuurlijke (regionale) afspraken te maken. Hiermee kan– vooruitlopend op de voorgenomen wetsaanpassingen – in de praktijk algewerkt worden aan het maken van collectieve afspraken. Tot slot is er,naast cluster 3 en 4, ook aandacht voor andere onderwijsvormen. Zo zijncluster 1 en 2 eveneens meegenomen in de verbeteraanpak van ZiO.Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien deleden van de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting isom meer samenwerking en afstemming af te dwingen. Tegelijk makendeze leden zich zorgen over de slagkracht en effectiviteit van een lokaaloverleg met lokale scholen. Ziet de Minister ook dat schoolbesturen metmandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel dienente zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kanafgedwongen worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en4 onderwijs de lokale setting meestal overstijgt? Heeft de Minister ditoverwogen? Zo nee, waarom niet?Voor scholen in het speciaal (basis)onderwijs is het vaak nodig om samente werken met meerdere gemeenten, samenwerkingsverbanden passendonderwijs en soms ook zorgkantoren. Het is daarom van belang datbetrokken partijen aan de voorkant goede afspraken maken over decoördinatie van zorg en jeugdhulp in onderwijstijd, zodat kinderen deondersteuning krijgen die zij nodig hebben, ouders weten bij wie zijterecht kunnen en het onderwijs ongestoord doorgang kan vinden.Het kabinet onderschrijft dat het daarbij van belang is dat partijen diedeelnemen aan het overleg voldoende mandaat hebben om afspraken temaken. Scholen voor speciaal onderwijs in cluster 3 of 4 en het speciaalbasisonderwijs zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband passendonderwijs. Het kan per regio verschillen wie het speciaal (basis)onderwijshet beste kan vertegenwoordigen in het op overeenstemming gerichtoverleg (OOGO), bijvoorbeeld het samenwerkingsverband, het schoolbe-stuur of een schooldirecteur. Het staat samenwerkingsverbanden passendonderwijs vrij om ook het schoolbestuur van de betreffende school ofscholen te laten deelnemen aan het OOGO. Daarmee kan worden geborgddat partijen die regionaal opereren en mandaat hebben om afspraken temaken, betrokken zijn bij het overleg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51240 Het staat partijen vrij dit overleg op regionaal te voeren. Er is echterbewust voor gekozen dit niet wettelijk voor te schrijven en partijen in depraktijk de mogelijkheid te geven het overleg zodanig vorm te geven datvoor hen het meest passend is. Daarbij speelt ook mee dat Jeugdregio’s,onderwijsregio’s van samenwerkingsverbanden passend onderwijs enzorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samenvallen. Bovendien is deinkoop basisjeugdhulp niet op regionaal niveau is georganiseerd. Naastbovengenoemde meer praktische redenen geldt voorts dat gemeentenhiermee zoveel mogelijk beleidsvrijheid wordt gelaten.Om te bevorderen dat partijen in de praktijk tot afspraken komen, bevathet conceptwetsvoorstel daarnaast een geschillenregeling voor het gevalpartijen er onderling niet uitkomen. Ook zijn er aanvullende instrumentenbeschikbaar, zoals de Leidraad ZiO en de inzet van zorgarrangeurs, diepartijen ondersteunen bij het organiseren van passende zorg en onder-steuning voor leerlingen.Partijen worden nadrukkelijk aangemoedigd om waar dat passend isafspraken op regionaal niveau te maken, juist vanwege de bovenregionalefunctie van scholen in het gespecialiseerd onderwijs.Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal oflokaal niveau voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om het maken van afspraken te verplichten. Zo ja,waarom is hier niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?Het kabinet heeft overwogen om afspraken verplicht op regionaal niveaute organiseren of deze bindend voor te schrijven. Om de betrokkenpartijen voldoende ruimte te bieden om te doen wat nodig is en eendisproportionele inbreuk op de beleidsvrijheid van gemeenten tevoorkomen, is ervoor gekozen om het regionaal organiseren vanafspraken aan te moedigen, maar niet verplicht te stellen. Daarbij speeltook mee dat jeugdregio’s, onderwijsregio’s van samenwerkingsverbandenpassend onderwijs en zorgkantoorregio’s geografisch niet altijd samen-vallen en dat de inkoop en inzet van basisjeugdhulp niet op regionaalniveau is georganiseerd. Daarom is ervoor gekozen om geen specifiekeregio-indeling voor te schrijven en in plaats daarvan in te zetten op eencombinatie van verplichte samenwerking, ondersteuning en stimuleringvan regionale afspraken.Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstigemeervoudige beperking vinden de leden van de ChristenUnie-fractie hetteleurstellend dat er nog steeds geen structurele oplossing is. Is deMinister voornemens om daar wel aan te werken?Voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking (EMB) is het vanbelang dat onderwijs en zorg goed op elkaar aansluiten. Vanuit hetonderwijs is structureel € 5 miljoen beschikbaar om scholen te onder-steunen bij het bieden van onderwijs aan deze leerlingen. De huidigeEMB-regeling wordt geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordtbezien of aanpassingen in de regeling wenselijk zijn en hoe de onder-steuning voor EMB-leerlingen op langere termijn het best kan wordenvormgegeven.De motie Westerveld33 verzoekt de regering om beleidsopties teverkennen voor onder meer een systeem van landelijke aanmelding enrechtstreekse bekostiging door het Rijk voor leerlingen met een EMB.Deze verkenning wordt momenteel uitgevoerd. Daarbij wordt onder meergekeken naar de effecten voor ouders en scholen, de uitvoerbaarheid voor33Kamerstuk II, 2025–2026, 31 497, nr. 507Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51241 partijen in het veld en DUO en de gevolgen voor de organisatie vanondersteuning. Over deze beleidsopties gaat de Staatssecretaris vanOnderwijs en Emancipatie binnenkort in gesprek met partijen uit het veld.Uw Kamer wordt vóór de zomer van 2026 geïnformeerd over deuitkomsten en eventuele vervolgstappen.Daarnaast wordt met het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwetingezet op betere samenwerking tussen scholen, samenwerkingsver-banden passend onderwijs, gemeenten en zorgkantoren. Doorgezamenlijk afspraken te maken over de organisatie en inzet van ZiO kanzorg en ondersteuning op scholen beter worden georganiseerd.De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorgin Onderwijstijd ook in het regulier onderwijs te introduceren en teborgen. Heeft de Minister deze ambitie ook?Alle kinderen hebben, indien nodig, recht op passende ondersteuning omonderwijs te kunnen volgen, of zij nu gebruikmaken van regulier ofgespecialiseerd onderwijs. De verbeteraanpak ZiO zie ik daarbij als eenstap richting de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Zowel in hetspeciaal als in het regulier onderwijs is het belangrijk dat scholen,samenwerkingsverbanden en gemeenten samenwerken en afsprakenmaken over ondersteuning en zorg op school.Het samenwerkingsverband en het gespecialiseerd onderwijs beschikkenover zowel experts als expertise om kinderen met een extra ondersteu-ningsbehoefte te ondersteunen. Hetzelfde geldt voor de Jeugdgezond-heidszorg die aanwezig is op school. Indien deze ondersteuning enexpertise ontoereikend zijn voor kinderen in het regulier onderwijs, deel ikde ambitie dat er ZiO beschikbaar is, zodat leerlingen onderwijs kunnenblijven volgen.Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordtverwacht van deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zijmet de voorgestelde aanpak uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijsgeleid?OCW en VWS werken aan de verbeteraanpak ZiO zodat leerlingen in hetgespecialiseerd onderwijs de passende jeugdhulp en/of zorg krijgen dienodig is om onderwijs te kunnen volgen en zich naar hun leerpotentieelkunnen ontwikkelen. Voor sommige leerlingen is deze ondersteuning eenvoorwaarde om naar school te kunnen gaan en daarmee te kunnenvoldoen aan de leerplicht. Door zorg en ondersteuning beter te organi-seren tijdens onderwijstijd kan worden voorkomen dat leerlingen uitvallenen thuis komen te zitten.Daarnaast draagt de verbeteraanpak ZiO ook bij aan de onderwijskwaliteit.Wanneer zorgprofessionals en onderwijspersoneel beter samenwerken enminder verschillende zorgverleners in de klas aanwezig zijn, ontstaat meerrust in de klas en kunnen leerlingen beter worden ondersteund. DeLeidraad ZiO bundelt hiervoor praktijken, inzichten en handvatten uit depraktijk.Daarnaast zet het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim een belang-rijke stap om het aantal thuiszittende jongeren terug te dringen. Ditwetsvoorstel versterkt de preventieve aanpak van schoolverzuim, onderandere door het verzuimbeleid van scholen aan te scherpen, de samen-werking tussen scholen en ketenpartners te versterken en het zicht opverzuim te verbeteren. Hierdoor kunnen jongeren eerder worden gezienen geholpen, zodat zij onderwijs kunnen blijven volgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51242 De Groep MarkuszowerLeden van de Groep Markuszower hebben geen nadere vragen gesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 51243

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 94c3171fe397ad26

14 okt 2026 · 0c20b41df0aed13d

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.