KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

3 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5390de4fd917a919 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 3 september 2025 Inhoudsopgaveblz.I.Inleiding2II.Vragen en opmerkingen namens de commissie2III.Vragen en opmerkingen namens de fracties111.Algemeen112.Achtergrond143.De voorgestelde aanpassingen153.1.Hoofdlijnen van het voorstel153.2.Bepalen van het inkomen op basis van hetwerkelijke rendement223.3.Grondslag en waardering253.4.Vervangen van het heffingvrije vermogendoor een heffingsvrij resultaat293.5.Invoering van de mogelijkheid tot verliesver-rekening313.6.Aanpassing van de tariefstelling353.7.Onroerende zaken353.8.Startende ondernemingen473.9.Verzekeringsproducten493.10.Vorderingen en schulden544.Visie op belasten vermogen en samenhang tussenboxen574.1.Visie op het belasten van vermogen574.2.Samenhang tussen boxen595.Internationale aspecten605.1.Verhouding tot hoger recht645.2.Voorkoming van dubbele belasting665.3.Emigratie695.4.Caribisch Nederland (BES-eilanden)716.Overwogen alternatieven716.1.Vermogenswinstbelasting716.2.Belasting op basis van reële werkelijkerendement726.3.Vermogensbelasting737.Budgettaire effecten74 kst-36748-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 61 8.Gevolgen voor het bedrijfsleven en burger778.1.Inkomenseffecten778.2.Gedragseffecten808.3.Administratieve lasten en administratieplicht808.4.Beroep op het doenvermogen829.Uitvoeringsaspecten8410.Doelmatigheid en doeltreffendheid, monitoring enevaluatie88 I. Inleiding Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD,NSC, D66, BBB, het CDA, de SP, de SGP en de ChristenUnie.Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk devolgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijklui-dende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.II. Vragen en opmerkingen namens de commissie De leden van de commissie vragen of de uitvoeringstoets jaarlijks door deBelastingdienst wordt herijkt en zo ja, of deze nieuwe versies aan deTweede Kamer worden verzonden. Daarnaast vragen de leden van decommissie hoe het kabinet concreet de ervaringen van belastingplichtigenin de eerste jaren na inwerkingtreding van het nieuwe stelsel monitort enof dit wordt opgenomen in de herijkingen van de uitvoeringstoets.Na de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 vindt er naarverwachting geen herijking van de uitvoeringstoets plaats, maar wordt erop het vroegst mogelijke moment wel een invoeringstoets door deBelastingdienst uitgevoerd. Het doel van de invoeringstoets is omeventuele signalen en mogelijke knelpunten vanuit de doelgroep en deuitvoering in een vroeg stadium naar boven te krijgen om indien nodigtijdig te kunnen bijsturen of in te grijpen. De uitkomsten van de invoe-ringstoets zullen met uw Kamer worden gedeeld. Binnen welke termijn deBelastingdienst de invoeringstoets zal uitvoeren en of deze invoerings-toets regelmatig zal worden herzien, zal later – na invoering van de wet –worden bepaald.Daarnaast wordt voorgesteld – zoals in de memorie van toelichting isopgenomen in paragraaf 10 over doelmatigheid en doeltreffendheid,monitoring en evaluatie – om wettelijk te borgen dat het onderhavigewetsvoorstel binnen vijf jaar na inwerkingtreding wordt geëvalueerd.Daarbij zal in ieder geval aandacht moeten zijn voor de budgettaireopbrengst, de uitvoering door de Belastingdienst, de administratievelasten bij ketenpartners (waaronder financiële instellingen zoals bankenen verzekeraars) en de doenlijkheid voor en administratieve lasten bijburgers. Latere evaluaties van het stelsel zullen plaatsvinden alsonderdeel van de reguliere beleidsdoorlichtingen. Na de inwerkingtredingzal het meer dan een jaar duren voordat de eerste aangiftes van belasting-plichtigen binnenkomen en de eerste aanslagen definitief kunnen wordenopgelegd door de Belastingdienst. Omdat voor een goede evaluatie(aangifte)gegevens over meerdere jaren relevant zijn, is gekozen voor eentermijn van vijf jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 62 Bij de eerste evaluatie zullen de fiscale regelingen1 die met dit voorstelworden geïntroduceerd worden getoetst op doeltreffendheid en doelma-tigheid. Dit zal vervolgens iedere vijf jaar opnieuw gebeuren. In hetvoorstel zitten twee fiscale regelingen. Het gaat om het vermogenswinst-regime dat geldt voor onroerende zaken en voor aandelen in startendeondernemingen.De leden van de commissie vragen, gezien de grote verwevenheid van dewerkzaamheden in het kader van de uitfasering van Cool:Gen met deherstelwerkzaamheden voor box 3 en de werkzaamheden voor ditwetsvoorstel, of het kabinet een update kan geven over de actueleplanning voor de uitfasering van Cool:Gen en of het kabinet met zekerheidkan stellen dat deze werkzaamheden eind 2027 afgerond zijn. En zo niet,of het kabinet dan kan aangeven wat hiervan de consequenties zijn en ofhiervoor scenario’s zijn ontwikkeld. Daarnaast vragen de leden van decommissie of het kabinet uiteen kan zetten hoe gevolg wordt gegeven aande aangenomen motie van het lid Van Eijk2 om het IV-portfolio van deBelastingdienst zodanig te prioriteren dat invoering van het box 3-stelselop basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028 wordt gerealiseerd,alles op alles te zetten om de voortgang van IT-projecten bij de Belasting-dienst te versnellen, en de Kamer blijvend te informeren over devoortgang en eventuele knelpunten. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA vragen om een vooruitblik op de jaren na 2028 envragen of er dan wel weer wijzigingen aan het box 3-stelsel mogelijk zijn.Deze leden vragen of dit ook geldt voor andere wijzigingen aan deinkomstenbelasting. De leden van de fractie van NSC hechten grotewaarde aan een snelle en zorgvuldige invoering van de Wet werkelijkrendement box 3 waarbij de benodigde IV-capaciteit ten volste benutwordt. Deze leden vragen of het kabinet tijdig keuzes voorlegt wanneerblijkt dat andere projecten – met uitzondering van uitfaseren Cool:Gen –moeten worden vertraagd ten behoeve van de invoering van de Wetwerkelijk rendement box 3.Zoals aangegeven in de brief van 14 oktober 20243 heeft de uitfaseringvan Cool:Gen binnen de keten Inkomensheffingen (keten IH) prioriteit enzal de uitfasering binnen de huidige planning uiterlijk eind 2027 voltooidzijn. Uitfasering van Cool:Gen is noodzakelijk om de continuïteit van debelastingheffing te waarborgen en de implementatie van nieuwewetgeving in de toekomst mogelijk te maken. De uitfasering van Cool:Genmoet vergevorderd zijn vóór invoering van het nieuwe stelsel om tevoorkomen dat het nieuwe stelsel van box 3 (gedeeltelijk) dubbelgeïmplementeerd zal moeten worden, namelijk in eerste instantie in deoude software (Cool:Gen) en vervolgens in de nieuwe software. Dit zouextra capaciteit vragen die niet beschikbaar is.In de voornoemde brief is ook aangegeven dat na de herstelwerkzaam-heden voor box 3 en de modernisering van de ICT van de Belastingdienster in 2028 weer ruimte vrijkomt in de keten IH waarbij prioriteit wordtgegeven aan de implementatie van het nieuwe box 3-stelsel per 2028. Dehuidige planning van de keten IH laat zien dat overige beleidswensen vanuw Kamer of het kabinet – na afronding van de herstelwerkzaamhedenbox 3, de fiscale oplossing voor de alleenverdienersproblematiek, de1Fiscale regelingen zorgen ervoor dat bepaalde groepen belastingplichtigen minder belastinghoeven te betalen. Het gaat dan bijvoorbeeld om vrijstellingen, kortingen of een verlaagd tarief.In het geval van de vermogenswinstbelasting moet er net als over andere vermogensbestand-delen belasting worden betaald. Dit gebeurt echter in het algemeen op een later moment danbij de vermogensbestanddelen die onder de hoofdregel vermogensaanwasbelasting vallen.2Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 15.3Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1429.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 63 uitfasering van Cool:Gen en het nieuwe stelsel box 3 – op zijn vroegst inhet belastingjaar 2029 uitgevoerd kunnen worden in de keten IH.In de brief van 24 april 20254 is uw Kamer geïnformeerd over hetdefinitieve advies van het Adviescollege ICT-toetsing (hierna: hetAdviescollege) over het project rationalisatie Cool:Gen binnen de keten IH.Het onderzoek van het Adviescollege heeft zich specifiek gericht op deuitfasering van Cool:Gen binnen de keten IH. Over de uitfasering vanCool:Gen in andere ketens is uw Kamer geïnformeerd met de Kamerbriefvan 6 maart 20255. De Belastingdienst zal niettemin in deze anderetrajecten kijken naar mogelijkheden tot verbetering, naar aanleiding vanhet onderzoek dat is gedaan in de keten IH.De Belastingdienst neemt de conclusies van het Adviescollege serieus enheeft een aantal verbetermaatregelen geïmplementeerd om de project-matige beheersing en sturing te verbeteren. In de stand-van-zakenbriefBelastingdienst die uw Kamer dit najaar ontvangt, wordt u hier nader overgeïnformeerd.In de aangenomen motie van het lid Van Eijk wordt het kabinet verzochthet IV-portfolio van de Belastingdienst zodanig te prioriteren dat invoeringvan het box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028wordt gerealiseerd, alles op alles te zetten om de voortgang vanIT-projecten bij de Belastingdienst te versnellen, en de Kamer blijvend teinformeren over de voortgang en eventuele knelpunten.6 De huidigeprioritering van de Belastingdienst is in lijn met de motie van het lid VanEijk. In de hiervoor genoemde stand-van-zaken-brief zal ik uitvoerigeringaan op hoe gevolg wordt gegeven aan deze aangenomen motie.De leden van de commissie vragen het kabinet om te reageren op destelling van de Belastingdienst dat het werven van 877 fte in de transi-tiefase nagenoeg onhaalbaar is en welke maatregelen het kabinet neemt.Daarnaast vragen de leden van de commissie welke uitdagingen hetkabinet in het bijzonder ziet wat betreft de werving voor specifiekefunctiegroepen, in de zin dat bepaalde vacatures moeilijker te vervullenzijn dan andere, welke consequenties dit naar verwachting voor (hetniveau van) de dienstverlening en het toezicht zal hebben en op welketermijn de Belastingdienst er naar verwachting wel in zal slagen om depersoneelscapaciteit structureel op sterkte te hebben voor de uitvoeringvan dit wetsvoorstel. De leden van de fractie van NSC maken zich zorgenover de uitbreiding van capaciteit, waarbij niet alleen een groot aantal(900 fte) maar in het bijzonder ook bepaalde deskundigen nodig zijn,waaronder bijvoorbeeld de waarderingsdeskundigen. Deze leden vragenhoe het kabinet voornemens is om per verschillende «soort werkzaam-heden» de benodigde capaciteit te realiseren en hoe deze ambitie zichbijvoorbeeld verhoudt tot het totaal aan beschikbaar geschoold personeelop deze werkzaamheden. De leden van de fractie van D66 vragen wat hetverwachte ingroeipad is naar de 900 fte en hoeveel fte in jaar één in dienstgenomen zal zijn en wanneer het totaal van 900 extra fte zal zijn bereikt.Vanwege de complexiteit van een stelsel op basis van werkelijkrendement ten opzichte van het forfaitaire stelsel is voor de uitvoering vandit wetsvoorstel door de Belastingdienst structureel een aanzienlijk aantalnieuwe medewerkers nodig. Deze nieuwe medewerkers worden op basisvan een ingroeimodel geworven en ook ingezet. Hieronder is eenoverzicht opgenomen van de benodigde capaciteit in fte op basis van deuitvoeringstoets. In de uitvoeringstoets is vanwege de personele gevolgenuitgegaan van de volgende aantallen fte per kalenderjaar:4Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1500.5Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1463.6Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 64 JaarAantal fte20272032028599202984620301.0232031 en verder877 In aanloop naar en gedurende de eerste periode na de inwerkingtredingvan de Wet werkelijk rendement box 3 verwacht de Belastingdienst datveel werkzaamheden te maken gaan hebben met voorlichting van encommunicatie met belastingplichtigen, ondersteuning van belastingplich-tigen, en waarderingszaken. Deze waarderingszaken hebben met name temaken met waarderingen van vermogensbestanddelen (zoals onroerendezaken waarvoor geen WOZ-beschikking is afgegeven) bij inwerkingtredingvan het nieuwe stelsel. De verwachting is dat de Belastingdienst vooraf-gaand aan en bij aanvang van de inwerkingtreding hierover veelverzoeken tot vooroverleg zal gaan ontvangen van belastingplichtigen. Opbasis van het ingroeimodel is er vanaf het kalenderjaar 2029 een toenamein de werkzaamheden opgenomen in de aanslagregeling en de behan-deling van bezwaar- en verzoekschriften alsmede de behandeling vanberoepszaken.Op basis van de bovenstaande aantallen noodzakelijke fte verwacht deBelastingdienst op dit moment dat de tijdige werving van nieuwemedewerkers voor het nieuwe stelsel mogelijk is. Een uitzondering hieropbetreffen met name de waarderingsdeskundigen, waaronder businessvaluators en taxateurs. Het is de vraag of deze medewerkers in voldoendemate kunnen worden geworven. De Belastingdienst zal daarom nagaan ofer ook andere mogelijkheden zijn om te voorzien in de databehoefte eninformatievoorziening om de waarde van vermogensbestanddelen tekunnen bepalen.Daarnaast zal ook door de Belastingdienst worden nagegaan in hoeverremedewerkers die gedurende de komende jaren worden ingezet bij deaanvullende hersteloperatie van box 3 daaropvolgend kunnen wordeningezet op de reguliere werkzaamheden van box 3 op basis van hetnieuwe stelsel. Deze medewerkers hebben immers al veel werkervaringopgedaan binnen de hersteloperatie en zijn bekend met de systematiekvan de tegenbewijsregeling die veelal overeenkomt met de berekenings-wijze van het werkelijke rendement in het nieuwe stelsel. Daarnaast zal deBelastingdienst, zoals ook voor de werving van nieuwe medewerkers voorde uitvoering van de aanvullende hersteloperatie, ook gerichtmedewerkers van afdelingen binnen en buiten de Rijksoverheidbenaderen die gaan afschalen.De Belastingdienst verwacht wel dat vanwege de pensionering van eengroot aantal medewerkers in de komende jaren dit aspect van invloed kanzijn op de mogelijkheid om voldoende nieuwe medewerkers te kunnenwerven, maar kan hierover op dit moment nog onvoldoende uitsluitselgeven.De leden van de commissie vragen het kabinet om nader toe te lichtenwat het concreet betekent dat het niveau van toezicht in de drie tot vijftransitiejaren zal achterblijven en de dienstverlening niet tegemoetkomtaan de behoefte van de belastingplichtige, en welke prioriteiten hetkabinet in deze periode stelt. De leden van de fractie van de SGP hebbenmet zorg kennisgenomen van de uitvoeringstoets bij het voorliggendewetsvoorstel waarbij de uitvoeringsgevolgen ingrijpend zijn en grotenegatieve gevolgen voor de belastingplichtigen en BelastingdienstTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 65 hebben. Deze leden lezen in de uitvoeringstoets dat vooral in de transitie-periode het niveau van dienstverlening en toezicht onvoldoende zal zijnen vragen wat dit concreet betekent voor de praktijk en hoe belasting-plichtigen dit concreet gaan merken. De leden van de fractie van D66wijzen erop dat de Belastingdienst zelf uitvoeringsproblemen signaleert.De invoering van het nieuwe stelsel vraagt om een uitbreiding van circa900 fte, waarvan men erkent dat deze in de eerste jaren waarschijnlijk niethaalbaar is. Dit zal leiden tot een lager serviceniveau en minder controle-capaciteit. Het risico bestaat dat de fiscale naleving hierdoor verslechtert.Deze leden vragen het kabinet om te reflecteren op de uitvoerbaarheidvan dit stelsel en vragen of het kabinet ervan overtuigd is dat dit stelselecht uitvoerbaar is en dat het niveau van service en kwaliteit voldoendezal zijn, ook in de eerste jaren. Daarnaast vragen deze leden welkemaatregelen het kabinet heeft genomen om de uitvoerbaarheid tebevorderen, welke maatregelen nog zouden kunnen worden genomen omdie te verbeteren en welke zorg of aandachtspunten het kabinet zelf ziet.De leden van de fractie van de BBB wijzen erop dat in het advies van deRaad van State wordt aangegeven dat de Belastingdienst moeite zouondervinden met de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Deze ledenvragen of het kabinet deze mening deelt, en zo niet, hoe het kabinet ditverschil in inzicht verklaart. Daarnaast stellen deze leden dat het kabinettijdens het plenaire debat over de Wet tegenbewijsregeling box 3betoogde dat de Belastingdienst in staat was de Wet tegenbewijsregelingbox 3 ordentelijk uit te voeren en vragen of dat ook voor de Wet werkelijkrendement box 3 geldt. De leden van de fractie van het CDA maken zichgrote zorgen over de uitvoering van een complex hybride stelsel, waarenorm veel fte voor nodig zijn. Deze leden vragen dan ook hoe devoorbereiding van de uitvoering eruitziet. Deze leden lezen bijvoorbeelddat geïnvesteerd zal worden in de Belastingtelefoon, maar deze ledenmaken zich meer zorgen om hoe de hele aangifte goed zal wordenondersteund. Deze leden vragen of het kabinet kan aangeven hoeveelaangiftes in het nieuwe box 3-stelsel worden verwacht en hoe deBelastingdienst dit richting mensen wil gaan communiceren.Op basis van de huidige inschatting is de verwachting dat in het belas-tingjaar 2028 in het nieuwe stelsel circa 3,9 miljoen belastingplichtigeninkomen in box 3 aangeven. Ter vergelijking, in het belastingjaar 2022waren er 3,8 miljoen belastingplichtigen met een belang in box 3. Van de3,9 miljoen belastingplichtigen in 2028 hebben ongeveer 2,5 miljoenbelastingplichtigen naar verwachting alleen bank- en spaartegoeden enbeleggingsrekeningen bij Nederlandse financiële instellingen die voorafingevuld kunnen worden in de aangifte inkomstenbelasting.De overgang naar een nieuw stelsel in box 3 heeft naar verwachting grotegevolgen voor zowel de belastingplichtigen als de Belastingdienst. Bij deinwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 zal voor deBelastingdienst de nadruk liggen op een goede voorlichting aan encommunicatie met belastingplichtigen zodat zij zich kunnen voorbereidenop het nieuwe stelsel door bijvoorbeeld al vroegtijdig gegevens teverzamelen voor het doen van aangifte inkomstenbelasting. In aanloopnaar de invoering van het nieuwe stelsel zal een deel van de belasting-plichtigen al te maken krijgen met de Wet tegenbewijsregeling box 3 dievanaf het belastingjaar 2025 in het aangifteformulier is opgenomen. Omonder toepassing van de tegenbewijsregeling in de aangifte inkomstenbe-lasting (en met betrekking tot de belastingjaren 2017–2024: door middelvan het formulier Opgaaf werkelijk rendement) het werkelijke rendementaan te geven, hebben belastingplichtigen vergelijkbare gegevens moetenverzamelen. Zij zijn daarmee al in enige mate bekend met de gegevens dienodig zijn voor het doen van aangifte inkomstenbelasting in het nieuwestelsel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 66 Voor de uitvoering van de Wet werkelijk rendement box 3 wordt door deBelastingdienst gebruikgemaakt van een zogenaamd ingroeimodelwaarbij rekening wordt gehouden met de soort en mate van werkzaam-heden die zijn te verwachten na inwerkingtreding van de Wet werkelijkrendement box 3. In de uitvoeringstoets is hiermee rekening gehouden ennemen de personele gevolgen gedurende de eerste jaren na inwerking-treding van de wet toe, waarna na enkele jaren na inwerkingtreding vande Wet werkelijk rendement box 3 naar verwachting een afvlakkingplaatsvindt, omdat belastingplichtigen bekend raken met het nieuwestelsel en de gevolgen hiervan voor hun persoonlijke situatie. Hierdoorheeft de Belastingdienst minder medewerkers nodig voor bijvoorbeelddienstverlening.Zoals in de uitvoeringstoets is opgenomen, bestaat er gedurende detransitieperiode van drie tot vijf jaren na de inwerkingtreding van hetnieuwe stelsel het risico dat de Belastingdienst niet in alle gevallenvolledig aan de vraag van belastingplichtigen zal kunnen voldoen.Hiermee wordt door de Belastingdienst al wel rekening gehouden. DeBelastingdienst zal in voorbereiding op de inwerkingtreding van de wetscenario’s opstellen op basis waarvan gehandeld kan worden, mocht eendergelijke situatie zich onverhoopt voordoen. De Belastingdienst ziet metname met betrekking tot waarderingszaken een risico. Omdat in hetnieuwe stelsel wordt uitgegaan van het werkelijke rendement zullen zichna invoering ervan waarderingskwesties van onderliggende vermogens-bestanddelen voordoen, die tot discussies tussen de Belastingdienst enbelastingplichtigen kunnen leiden. Om deze werkzaamheden te verrichten,heeft de Belastingdienst voldoende capaciteit nodig. In de voorbereidingop de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 overlegt deBelastingdienst over deze onderwerpen met de ketenpartners. Het risicobestaat dat in de transitieperiode het niveau van dienstverlening entoezicht onvoldoende zal zijn.De leden van de commissie vragen of het kabinet kan concretiseren watwordt verstaan onder «ingrijpende veranderingen» van het wetsvoorsteltijdens de parlementaire behandeling, als gevolg waarvan invoering per1 januari 2028 niet mogelijk zou zijn, en welk type wijzigingen van hetwetsvoorstel het kabinet als «ingrijpend» beschouwt. In de uitvoerings-toets is als één van de randvoorwaarden voor invoering van de Wetwerkelijk rendement box 3 vanaf 1 januari 2028 opgenomen dat tijdens deparlementaire behandeling van het wetsvoorstel niet tot ingrijpendeveranderingen wordt besloten. Onder ingrijpende veranderingen wordtonder meer verstaan: aanpassingen in het wetsvoorstel op basis waarvande benodigde ICT-aanpassingen voor de Belastingdienst zodanig gaantoenemen dat deze werkzaamheden niet meer in het portfolio van deketen IH kunnen worden ingepast. Daarnaast is er ook sprake van eeningrijpende verandering als een voorgestelde aanpassing van hetwetsvoorstel zodanige personele gevolgen heeft voor de Belastingdienstdat de aanvullende wervingsopgave niet tijdig door de Belastingdienstkan worden ingevuld. Ook is er sprake van een ingrijpende veranderingals deze zoveel aanpassingen vergt voor andere organisaties en instantiesdat zij hieraan geen tijdige invulling kunnen geven om de inwerking-treding van de wet vanaf 1 januari 2028 mogelijk te maken. Als de TweedeKamer of het kabinet voor ingrijpende veranderingen van hetwetsvoorstel kiest dan zal dit tot gevolg hebben dat door de Belasting-dienst de uitvoeringsgevolgen als gevolg van de aanpassingen van hetwetsvoorstel opnieuw moeten worden bezien. Hetzelfde geldt voor andereorganisaties en instanties die de uitvoeringsgevolgen voor hun organi-satie mogelijk opnieuw moeten beoordelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 67 De leden van de commissie vragen om, zoals ook is gedaan bij de Fiscaleverzamelwet 2026, per maatregel een oordeel te geven over dedoenlijkheid. Bij de Fiscale verzamelwet 2026 is sprake van verschillendemaatregelen in verschillende belastingmiddelen zonder onderlingesamenhang. Daarom zijn daar de verschillende maatregelen afzonderlijkgetoetst op de impact op het doenvermogen. Bij dit wetsvoorstel is sprakevan een samenhangend geheel, waardoor ook de impact van hetwetsvoorstel op het doenvermogen in zijn geheel is beoordeeld. Het isniet mogelijk om het oordeel over het doenvermogen nader op te splitsen.De leden van de commissie vragen om een nadere toelichting op hetdoenvermogen van de extra groep van 400.000 belastingplichtigen in hetnieuwe stelsel. Deze groep, die in het huidige stelsel niet aangifteplichtigis voor box 3, bestaat onder andere uit (i) mensen met relatief weinigvermogen en een hoog rendement en (ii) mensen met weinig vermogendie verlies maken. Het beperkte vermogen van deze groep maakt dat zijvaak geen toegang tot professionele ondersteuning zullen hebben,waardoor doenvermogen eerder een aandachtspunt is. Daarnaast zal dezegroep beperkte ervaring hebben met box 3, waardoor het aangifteprocesaanvankelijk nieuwer is en hierdoor meer doenvermogen vergt. Voor eendeel van deze groepen zal de benodigde informatie vooringevuld zijn enzal het nieuwe stelsel een beperkt beroep doen op het doenvermogen. DeBelastingdienst zal een belastingplichtige zoveel als mogelijk proberen teondersteunen bij het doen van een aangifte inkomstenbelasting. Ditgebeurt door middel van het verstrekken van informatie op de websitevan de Belastingdienst of op sociale media of via de BelastingTelefoon ende Belastingdienstbus. Ook kunnen belastingplichtigen voor hulp bij hetdoen van een aangifte een afspraak maken bij een Belastingdienstkantoorof een steunpunt van de Belastingdienst.De leden van de commissie merken op dat voor financiële instrumentenen verzekeringsproducten die bij buitenlandse instellingen wordenaangehouden, en voor cryptovaluta geen administratieplicht wordtingevoerd. Deze leden vragen of het kabinet nader kan ingaan op welkebetekenis dit heeft voor het doenvermogen van belastingplichtigen die ditbetreft. De administratieplicht gaat inderdaad niet gelden voor bezittingenen schulden waarvan de gegevens door financiële instellingen wordenaangeleverd bij de Belastingdienst op basis van nationale of interna-tionale verplichtingen. Dit houdt in dat belastingplichtigen voor dezebezittingen en schulden niet verplicht zijn om een administratie te voerenen daartoe boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te bewarenwaaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen en de voor belasting-heffing van belang zijnde gegevens blijken. Dit betekent dat minderberoep wordt gedaan op het doenvermogen. Het is echter nog steeds hetgeval dat de belastingplichtige de relevante gegevens zal moetenverzamelen voor het doen van aangifte. Ook kan de inspecteur vragen omgegevens en inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing vanbelang kunnen zijn. Als een belastingplichtige deze gegevens en inlich-tingen niet kan verstrekken, kan de inspecteur bijvoorbeeld aftrekpostencorrigeren.De leden van de commissie vragen of er zicht is op nieuwe datakoppe-lingen, gegevensuitwisselingen of andere ontwikkelingen die perspectiefbieden op het afschalen van de reikwijdte van de voorgestelde administra-tieplicht. De leden van de fractie van de VVD constateren dat er eenbredere administratieplicht gaat gelden voor beleggers. Deze ledenkunnen instemmen met het uitzonderen van spaar- en bankrekeningen,maar vragen voor hoeveel mensen de administratieplicht alsnog zalgelden, en welke problemen het kabinet hiermee verwacht. Daarnaastvragen deze leden wat de consequenties zijn voor beleggers die, mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 68 onbewust, niet voldoende hun administratie op orde hebben en op welkemanier de Belastingdienst hierop handhaaft. De leden van de fractie vanNSC erkennen dat een administratieplicht essentieel is bij het uitvoerenvan het controlerende werk van de Belastingdienst. Daarbij gaat bij deinvoering van deze wet voor een grote groep een administratieplichtgelden. Deze leden vragen hoe de Belastingdienst mensen die hiermeeworden geconfronteerd zoveel mogelijk kan helpen deze plicht uit tevoeren. Bijvoorbeeld door het aanreiken van digitale tools of onder-steuning. Daarnaast constateren deze leden dat bij life events zoals hetoverlijden van ouders mensen met een laag doenvermogen geconfron-teerd kunnen worden met vermogen in box 3. Zij vragen of het kabinetvoldoende rekening houdt met mensen die onervaren zijn met dergelijkebelastingen.De administratieplicht zal van toepassing zijn op de minderheid van debelastingplichtigen met box 3-vermogen (1,4 miljoen van de 3,9 miljoenbelastingplichtigen met een inkomen in box 3), namelijk de belastingplich-tigen met box 3-vermogen waarvoor de Belastingdienst niet automatischgegevens ontvangt van derden.In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodigdan in het huidige forfaitaire stelsel. Dat is inherent aan een heffing overhet werkelijke rendement. Dit leidt tot nieuwe administratieve lasten. Deadministratieplicht betekent dat een deel van de belastingplichtigen degegevens die nodig zijn voor het doen van aangifte enkele jaren moetbewaren. De omvang van de administratie van een particulier metbox 3-vermogen is doorgaans minder complex en omvangrijk dan deadministratieplicht van bedrijven. De aard en omvang van de administra-tieplicht is afhankelijk van het type vermogen. Als ouders bijvoorbeeldgeld hebben geleend aan hun kind voor de aankoop van de woning, danhebben zij een vordering in box 3. De administratie voor deze vorderingbestaat dan uit het bewaren van de geldleningsovereenkomst, deperiodieke aflossingen en de betaling van de rente. Hetzelfde geldt voorschulden die zijn aangegaan bij particulieren en buitenlandse financiëleinstellingen. Voor onroerende zaken zijn onder andere gegevens vanaftrekbare kosten, huurinkomsten en aan- en verkoop relevant. Dezegegevens heeft de burger nodig voor het doen van een juiste aangifte. Deadministratieplicht verplicht tot het bewaren van deze gegevens.Als belastingplichtigen in staat zijn om bijvoorbeeld een onroerende zaakte kopen, te financieren, onderhoud te plegen, en zich te verhouden tot dehuurders (huurovereenkomsten opstellen, huur innen, klachten afhan-delen et cetera) dan beschikken zij doorgaans over voldoende doenver-mogen om aan de administratieplicht te voldoen.7 Voor het doen vanaangifte inkomstenbelasting is het noodzakelijk dat belastingplichtigedeze gegevens bewaart en bepaalt welke gegevens hiervoor nodig zijn, aldan niet ondersteund door een administratiekantoor of belastingcon-sulent.Het kabinet is van mening dat de voorgestelde administratie- en bewaar-plicht, die voor een deel van de belastingplichtigen geldt, evenwichtig endoenlijk is. De administratie- en bewaarplicht is evenwichtig omdat zijbeperkt is tot vermogen waarover de Belastingdienst niet automatischinformatie ontvangt van binnenlandse en buitenlandse financiëleinstellingen. De gegevens die geadministreerd en bewaard moetenworden, zijn ook nodig voor het doen van een juiste aangifte.7Uit het onderzoek «de rol van grenzen aan doenvermogen bij rondkomen, financiële zorgen enproblemen» van Wil Tiemeijer blijkt dat mensen met een hoger huishoudinkomen gemiddeldgenomen over meer doenvermogen beschikken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 69 In aanloop naar de invoering van het voorgestelde stelsel per 1 januari2028 zal gecommuniceerd worden over de wijze waarop de administratievoor box 3 ingericht kan worden. Momenteel staat op de website van deBelastingdienst8 een uitvoerige uitleg over de administratieplicht voorondernemers met informatie over welke gegevens bewaard moetenworden, hoe de gegevens bewaard moeten worden en hoelang. Eenvergelijkbare pagina zal worden ingericht voor de administratie- enbewaarplicht voor box 3-belastingplichtigen.De leden van de commissie vragen waarom de groep jongeren metcryptovaluta als aandachtspunt wordt benoemd. Deze leden vragen inhoeverre gegevens voor deze groep vooraf worden ingevuld als gevolgvan de DAC8-richtlijn. Deze groep heeft minder vaak ervaring met debox 3-aangifte en vaak een kleiner vermogen en mogelijk volatielereresultaten dan de gemiddelde box 3-belastingplichtige. Op grond van dezogenoemde DAC8-richtlijn worden met ingang van 2027 automatischgegevens uitgewisseld over crypto-activa. Het is de insteek om toe tegroeien naar een situatie waarin de gegevens kunnen worden voorin-gevuld.De leden van de commissie vragen het kabinet om bij de voorgenomenherijkingen van de uitvoeringstoets over de Wet tegenbewijsregelingbox 3, ook steeds aan te geven of en zo ja in hoeverre de nieuwe inzichtengevolgen hebben voor de werking van het nieuwe stelstel per 1 januari2028 en of dit noodzaakt tot mitigerende maatregelen. In de uitvoerings-toets is opgenomen dat de toets in ieder geval twee keer zal wordenherijkt; een eerste herijking van de toets zal dit najaar gaan plaatsvinden.In deze herijkingen wordt ook nagegaan of er mogelijkheden zijn om dewerkzaamheden of het werkproces van de aanvullende hersteloperatiebinnen de Belastingdienst te vereenvoudigen of verdergaand te automati-seren. Voor zover deze aanpassingen gevolgen kunnen hebben of totnieuwe inzichten leiden voor de invoering van het nieuwe stelsel danworden deze in de herijking van de toets of in een afzonderlijk schrijvenmet uw Kamer gedeeld.De leden van de commissie vragen om concreet aan te geven wat dedoelen en beoogde effecten zijn van het wetsvoorstel die zullen wordengeëvalueerd en welke indicatoren bij de evaluatie zullen worden gebruikt.Het doel van dit wetsvoorstel is door middel van een robuust stelsel hetwerkelijke rendement uit sparen en beleggen te belasten en stabielebelastingopbrengsten te genereren. Bij de evaluatie zal aandacht zijn voorde budgettaire opbrengst, de uitvoering door de Belastingdienst, deadministratieve lasten bij ketenpartners en de doenlijkheid voor enadministratieve lasten bij burgers. Hiervoor kan worden gekeken naarkwantitatieve indicatoren zoals realisaties van de belastingopbrengsten,het aantal belastingplichtigen en capaciteitsinzet bij de Belastingdienst.Daarnaast kan op basis van enquêtes en interviews een kwalitatieveanalyse gedaan worden van aspecten zoals de doenlijkheid en uitvoeringdoor de Belastingdienst.De leden van de commissie vragen of het kabinet voornemens is om deRaad voor de Rechtspraak nogmaals om advies te vragen om eendefinitieve werklastberekening te maken en hoe budgettair wordt voorzienin de gevolgen voor de rechtspraak. De Ministeries van Justitie enVeiligheid en Financiën monitoren gezamenlijk de capaciteit en dewerklast van de Raad voor de Rechtspraak en kijken doorlopend naarwerklast verlichtende maatregelen. Op basis hiervan wordt de raming8https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/ondernemen/administratie/een_administratie_opzettenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 610 gemaakt waarbij het de voorkeur heeft dat de werklast onder de streepniet stijgt. Het Ministerie van Financiën draagt zorg voor dekking mochtblijken dat er toch additionele financiering nodig is.De leden van de commissie vragen of de conclusie op basis van dememorie van toelichting juist is dat het kabinet de zorgen van de Raadvoor de Rechtspraak dat sprake zal zijn van een substantiële verzwaringvan de werklast niet of in mindere mate deelt. Het kabinet is het ermeeeens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijkerendement ingewikkelder wordt. Dit kan tot procedures leiden over hetbepalen van het werkelijke rendement. In het advies van de Raad voor deRechtspraak is sprake van een zelfstandige inschatting van het aantalberoepsprocedures, er is geen sprake van een vergelijking met de huidigesituatie. Het huidige box 3-stelsel heeft de afgelopen jaren echter ook totveel procedures geleid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt datdoor belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement alsrechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. Deverwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaar-digheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken.III. Vragen en opmerkingen namens de fracties 1. Algemeen De leden van de fractie van het CDA vragen naar een uitwerking van hetrisico op lock-in bij een vermogenswinstbelasting en welke mitigerendemaatregelen hiertegen genomen zouden kunnen worden.Het lock-in effect treedt op doordat belastingheffing over waardestij-gingen bij een vermogenswinstbelasting pas verschuldigd is op hetmoment van realisatie van de winst. Dit creëert een prikkel voor belasting-plichtigen om het moment van belastingheffing uit te stellen door dezewinst niet te realiseren, bijvoorbeeld door de vermogenstitel langer aan tehouden. Dat dit een reëel risico is, blijkt uit zowel ervaring in Nederlandals in ieder internationaal stelsel met een vermogenswinstbelasting. Zo isin Nederland box 2 vormgegeven als een vermogenswinstbelasting.Diverse rapporten, in het bijzonder Bouwstenen voor een beter belasting-stelsel uit 2020, het IBO Vermogensverdeling uit 2022 en meest recent hetCPB-rapport Inkomens en belastingen aan de top uit 2024 laten op basisvan data-analyse zien dat een groot deel van de jaarlijkse winsten vanvennootschappen niet wordt uitgekeerd aan de achterliggende aanmerke-lijkbelanghouders. Door winsten niet uit te keren wordt box 2-belastinguitgesteld. Er zijn uiteraard bedrijfseconomische redenen om hetkapitaal/vermogen in vennootschappen te laten toenemen, maar er zijnook duidelijke aanwijzingen dat in sommige vennootschappen veelvermogen aanwezig is dat kan worden beschouwd als puur beleggings-vermogen en niet voor investeringen of de liquiditeitspositie van eenvennootschap is. Dit blijkt onder andere uit de mate waarin dooraanmerkelijkbelanghouders wordt geleend van de eigen vennootschap ende mate waarin in het recente verleden tariefsmutaties in box 2 hebbengeleid tot grote incidentele pieken in dividenduitkeringen. Dergelijkepieken zouden zich niet hebben voorgedaan als deze ingehouden winstennodig waren voor de bedrijfsvoering van de vennootschap. Het lock-ineffect als gevolg van vermogenswinstbelasting wordt waargenomen inalle buitenlandse stelsels die inkomen uit vermogen belasten. Een recentrapport van de OESO noemt voorbeelden uit Zweden, Australië, Duitslanden de Verenigde Staten.9 In de Bouwstenen voor een beter Belasting-9OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences andchallenges, 26 February 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 611 stelsel uit 2020 wordt een grafiek getoond over de toename vaningehouden winsten door aanmerkelijkbelanghouders in Noorwegen naeen stelselwijziging in 2006. Het lock-in effect als gevolg van eenvermogenswinstbelasting is dus een internationaal erkend fenomeen.De nadelen van dit lock-in effect zijn deels budgettair: als gevolg vanuitstel van belastingheffing zijn de opbrengsten van een vermogenswinst-belasting lager dan bij een vermogensaanwasbelasting bij gelijketarieven, met name op de korte en middellange termijn. Daarnaast zijn erook belangrijke economische nadelen. Zo creëert een vermogenswinstbe-lasting een fiscaal voordeel voor vermogenstitels waarvan het rendementmet name bestaat uit waardestijging in plaats van rente of dividend, enverstoort daarmee de portfoliokeuzes ten opzichte van een vermogens-aanwasbelasting.Er zijn mogelijkheden beschreven om het lock-in effect tegen te gaan.Bovengenoemd rapport van de OESO gaat hier ook op in. Eén van debeschreven opties is het hanteren van een lager belastingtarief voorwaardestijgingen ten opzichte van andere vormen van kapitaalinkomen.Het spreekt voor zich dat dit een grote inbreuk op het draagkrachtbeginselbetekent en dit acht ik daardoor geen optie. Naar aanleiding van deervaring in Nederland is in box 2 per 2024 een tweeschijvenstelselgeïntroduceerd. Het idee hierachter is dat dit een prikkel creëert om inieder geval een deel van de jaarlijkse winst uit te keren. Deze maatregelneemt het lock-in effect dus niet weg, maar beoogt dit te mitigeren. Dit integenstelling tot een systeem dat waardestijging belast op het momentdat dit zich voordoet, dat het lock-in probleem volledig afvangt. Tot slothebben diverse rapporten, waaronder bovengenoemd IBO vermogensver-deling, uitgewerkt hoe een forfaitaire voorheffing op een vermogens-winstbelasting (concreet in de context van box 2) zou uitwerken. Debetaalde voorheffing wordt op het moment van realisatie van vermogens-winst verrekend met de te betalen belasting. Voor zover de zorgen over devermogensaanwasbelasting zien op vermeende liquiditeitsproblematiekbiedt een forfaitaire voorheffing bovendien beperkt uitkomst. Bij eenforfaitaire voorheffing geldt immers dat jaarlijks belasting moet wordenbetaald, zelfs als er geheel geen sprake is van rendement, liquide ofanderzijds. Uit de uitwerking volgt bovendien dat uitvoering van ditsysteem een complexe systeemwijziging vraagt, waarvan de vraag is ofdit uitvoerbaar is. Dit zal in ieder geval niet het geval zijn zonder verderuitstel van de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel.Tot slot wijs ik erop dat het kabinet bij de uitwerking van het voorstel oogheeft voor de scherpe randjes van een vermogensaanwasbelasting.Daarom is een uitzondering op deze hoofdregel gemaakt voor vermogens-titels waar het jaarlijks belasten van waardestijging de meeste bezwarenoproept, namelijk bij onroerende zaken en bij aandelen in startendeondernemingen. Op deze wijze pakt het stelsel als geheel voor iederevermogenstitel proportioneel uit.De leden van de fractie van de SP wijzen op bevindingen uit ambtelijkerapporten, zoals het IBO Vermogensverdeling, dat de verhouding tussende belastingen op inkomen uit werk (te hoog) en vermogen (te laag)scheef verdeeld is. Deze leden vragen waarom de bevindingen van dezerapporten niet consequenter worden toegepast. Het IBO-rapport maakthelder dat bestaande fiscale onevenwichtigheden in het belasten vaninkomen uit arbeid en vermogen de verschillen tussen huishoudens in debestaande vermogensverdeling vergroot. Daarop is in de afgelopen jareneen pakket aan maatregelen getroffen die de lasten op vermogenverzwaren met een opbrengst van € 5 miljard. Met deze maatregelen zijnforse stappen gezet in het herstel van het belasten van verschillendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 612 vormen van vermogen en het globale evenwicht in de belastingdruk opverschillende vormen van arbeid. Het belasten van het werkelijkerendement in box 3 sluit bovendien aan bij het gelijker belasten vanvermogen, omdat burgers met hogere rendementen meer belasting gaanbetalen.De leden van de fractie van de SP vragen naar het effect van hetwetsvoorstel op de verdeling van de lasten op arbeid en kapitaal. Met hetwetsvoorstel beoogt het kabinet een budgetneutrale hervorming vanbox 3 te bereiken zodat dit stelsel eerlijker wordt en bovendien juridischhoudbaar. Het kabinet beoogt met dit wetsvoorstel geen herverdeling vanlasten over verschillende grondslagen.De leden van de fractie van de SP vragen verder naar het effect van hetwetsvoorstel op de belastingverdeling tussen verschillende inkomens- envermogensgroepen. Voor belastingplichtigen met alleen spaargeld wijzigtde belastingdruk niet of nauwelijks. Hun inkomen wordt in het huidigestelsel immers forfaitair bepaald op basis van de gemiddelde rente opbank- en spaartegoeden in het belastingjaar, wat doorgaans goed aansluitop het werkelijk behaalde rendement.10 Voor belastingplichtigen metoverige bezittingen is het verschil tussen het werkelijke en het forfaitairerendement gemiddeld groter. Belastingplichtigen met een hoger werkelijkrendement dan het forfaitaire rendement gaan meer belasting betalen.Daartegenover staat dat belastingplichtigen met een lager rendement danhet forfaitaire rendement minder belasting gaan betalen, zonder de zehiervoor tegenbewijs moeten indienen. Op macroniveau en naarverschillende inkomens- en vermogensgroepen kijkend zal dit tegenelkaar wegvallen. Onderstaande tabel toont de verwachte gemiddeldebelasting voor verschillende vermogensgroepen in de structurele situatiein prijzen 2025. Ook mensen met een vermogen dat onder de huurtoeslag-grens valt (€ 40.340 in prijzen 2028), zijn belastingplichtig in het toekom-stige stelsel voor box 3 als hun rendement boven het heffingsvrijeresultaat uitkomt. Deze mensen beleggen doorgaans een klein deel vanhun vermogen in (zeer) hoogrenderende beleggingen, zoals crypto’s,waardoor ze een relatief hoog rendement behalen met een beperkte inlegvan vermogen.VermogensgroepAantal belastingplichtigenGemiddelde belasting (in €)< huurtoeslaggrens (€ 40.340)24.800€ 2.700€ 40.340 – € 100.000757.800€ 400€ 100.000 – € 500.0001.324.900€ 2.300€ 500.000 – € 1.000.000157.600€ 1 0.600€ 1.000.000 – € 2.500.00067.000€ 2 5.400€ 2.500.000 – € 5.000.00013.000€ 61.900> € 5.000.0005.700€ 227.500 De leden van de fractie van de SP vragen of, en zo ja, welke belastingont-wijkingsmogelijkheden zijn gedicht en of voorzien is dat belastingontwij-kingsmogelijkheden ontstaan als gevolg van de invoering van hetvoorliggende wetsvoorstel. Met het wetsvoorstel wordt afgestapt van hethuidige stelsel met forfaits en een tegenbewijsregeling. In plaats daarvanwordt altijd belasting geheven op basis van het werkelijke rendement. Ditzorgt ervoor dat de belastingheffing in box 3 beter aansluit op hetdraagkrachtbeginsel. Bij de regels voor het bepalen van het werkelijkerendement is de insteek dat geen mogelijkheden moeten ontstaan om hetwerkelijke rendement kunstmatig te verlagen. Er zijn geen belastingont-wijkingsmogelijkheden voorzien bij de vormgeving van het wetsvoorstel.10Zie ook HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 613 De leden van de fractie van de SP vragen wat de geschatte omvang is vanhet vermogen dat niet in zicht is bij de Belastingdienst en deze ledenontvangen hiervan graag een overzicht met totaalbedrag en uitgesplitstnaar verschillende bronnen van vermogen. Daarnaast vragen deze ledenof het kabinet uiteen kan zetten wat hierdoor de geschatte gemistebelastingopbrengsten zijn, zo mogelijk ook uitgesplitst, en welke plannener zijn om dit aan te pakken, en welke specifiek in relatie met het invoerenvan het nieuwe stelsel in box 3. Over de specifieke omvang van hetvermogen dat niet in zicht is bij de Belastingdienst maar wel onder box 3zou vallen zijn geen gegevens bekend.De leden van de fractie van de SP vragen wat er wordt gedaan om dealgemene informatiepositie van de Belastingdienst te vergroten. Binnende Belastingdienst bestaat sinds 2011 het programma Verhuld Vermogen(VhV). Het programma VhV richt zich op het detecteren en belasten vanverhuld vermogen en/of de inkomensbron waardoor dat vermogen isontstaan en op het voorkomen van nieuwe gevallen. De uitvoerings- enhandhavingsstrategie van de Belastingdienst is erop gericht om decompliance van burgers en bedrijven te borgen en bevorderen ennon-compliance te bestrijden. De Belastingdienst doet dit door hetverhuld vermogen alsnog te detecteren en te belasten, en waar nodigopsporing in te zetten. Om dit te bereiken hanteert het programma VhV destrategie: diversiteit in aanpak en detectie (23 projecten en inzet van eenmix aan handhavingsinstrumenten) en inzet van handhavingscommuni-catie («verhullen van vermogen loont niet en is niet acceptabel»).Het programma VhV heeft tot op heden omstreeks € 5 miljard aanbelastingopbrengsten opgeleverd met het opsporen van verhuld inkomenen vermogen. Jaarlijks besteedt de Belastingdienst tussen de 150.000 en160.000 uren aan het programma VhV. Daarnaast vindt internationalesamenwerking plaats door onderzoeken met buitenlandse partners endeelname aan internationale overlegstructuren. Deze onderzoeken richtenzich op operationele zaken en op de aanpak en kennisdeling metbetrekking tot (nieuwe) fenomenen en trends. Om de effectieve aanpak inde komende jaren te kunnen continueren en te verbeteren is binnen debestaande kaders verdere intensivering van (internationale) samen-werking, meer geavanceerde detectie- en analysetools en duurzame inzetvan capaciteit essentieel.De leden van de fractie van de SP vragen op welke manier er specifiekgewerkt wordt om verhulde vermogens van de top tien procent van demeest vermogenden in kaart te brengen. Er is geen specifieke werkme-thode om de verhulde vermogens van de top tien procent van de meestvermogenden in kaart te brengen. Ook deze groep valt onder de bredeaanpak van het programma VhV.2. Achtergrond De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat voor schulden inbox 3 vallen, die zorgen voor een negatief box 3-vermogen. Alle privateschulden vallen in principe in box 3, met uitzondering van de hypotheek-schuld die kwalificeert voor de eigenwoningregeling en enkele inhoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 uitgezonderde schulden.Deze schulden die in box 3 vallen kunnen bijvoorbeeld kortlopendekredietleningen, achterstallige betalingen of schulden behorende bijonroerende zaken in box 3 zijn. Gegevens over dit type schulden zijn nietbekend. Op basis van gegevens uit 2022 blijkt dat 14% van dehuishoudens met een negatief box-3 vermogen ook vermogen in box 2heeft. In de meeste van die gevallen (82%) is het box-2-vermogen inabsolute zin groter dan het negatieve box-3-vermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 614 3. De voorgestelde aanpassingen 3.1. Hoofdlijnen van het voorstel De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom deaanpassingswetgeving wordt opgenomen in een separaat wetsvoorstel.De streefdatum voor de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendementbox 3 is 1 januari 2028. Aangezien wetgeving regelmatig wijzigt, isaanpassingswetgeving die nu wordt opgesteld tegen die tijd niet meeractueel.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom is gekozen voor eenvermogensaanwasbelasting. Deze leden vragen of het kabinet hetverdedigbaar vindt dat een afwijkend pad wordt gekozen ten opzichte vanandere Europese landen met mogelijk nadelige gevolgen voor hetvestigingsklimaat. De voor- en nadelen van een vermogensaanwasbe-lasting en vermogenswinstbelasting zijn door dit kabinet en voorgaandekabinetten uitgebreid onderzocht. In het wetsvoorstel is gekozen voor eenhybride variant, waarbij voor onroerende zaken en aandelen in startendeondernemingen sprake is van een vermogenswinstbelasting. Eenvolledige vermogenswinstbelasting kent diverse nadelen, zoals de prikkeltot fiscale planning om belastingheffing uit te stellen, economischeverstoringen, forse negatieve budgettaire gevolgen in de eerste jaren,complexiteit voor burgers en ingrijpende gevolgen voor de uitvoeringdoor de Belastingdienst. Het kabinet verwacht geen nadelige gevolgenvoor het vestigingsklimaat van de gedeeltelijke vermogensaanwasbe-lasting. Onder het huidige forfaitaire stelsel wordt immers ook al devermogensaanwas van vermogensbestanddelen belast en de overgangnaar het nieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom vermogensaanwas alsdraagkrachtvermeerderende factor wordt gezien en vragen om tereflecteren op het oordeel van de NOB dat de vermogensaanwasbelastingmogelijk strijdig kan zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten vande Mens (EVRM). Op basis van het draagkrachtbeginsel moet belasting-heffing plaatsvinden overeenkomstig de financiële draagkracht vanbelastingplichtigen. Door ongerealiseerde waardestijgingen van vermo-gensbestanddelen neemt de economische beschikkingsmacht vanbelastingplichtigen toe. Dit uitgangspunt is ook weergegeven in dewetenschappelijke factsheets van Kavelaars en Gerritsen voor eentechnische briefing over box 3 in uw Kamer op 22 januari 2025.11 Devermogensaanwasbelasting is naar het oordeel van het kabinet dan ookniet in strijd met het EVRM. Door de inkomstenbelasting vorm te gevenals draagkrachtheffing wordt van elke belastingplichtige – rekeninghoudend met de aard en de omvang van zijn inkomen – een bijdragegevraagd aan de algemene middelen die is afgestemd op zijn feitelijkedraagkracht. De voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendementsluit beter aan bij de werkelijke draagkracht van belastingplichtigen danhet huidige forfaitaire stelsel. Het huidige stelsel beoogt ook ongereali-seerde waardemutaties te belasten. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukkingin het feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerdop de (al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbe-standdelen. De Hoge Raad heeft dit aspect niet als strijdig met het EVRMbeoordeeld, maar juist het feit dat het huidige stelsel forfaitair is vormge-geven en daardoor voor een ongerechtvaardigde ongelijke behandelingzorgt tussen belastingplichtigen met goede en slechte rendementen. DeHoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de11https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2024A07974Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 615 wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kadervan de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.12 DeHoge Raad gaat hierbij uit van een vermogensaanwasbelasting voor allebezittingen, zonder kostenaftrek (met uitzondering van rente op schuldenin box 3) en zonder verliesverrekening. Dit steunt het kabinet in zijnafweging dat de vermogensaanwasbelasting in het wetsvoorstel de toetsvan artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRMdoorstaat.De leden van de fracties van de VVD en de SGP vragen waarom vooraandelen in familiebedrijven niet is gekozen voor een vermogenswinstbe-lasting zoals bij aandelen in startende ondernemingen het geval is. In deKamerbrief van 15 april 2024 is aangegeven dat een uitzondering op devermogensaanwasbelasting voor aandelen in familiebedrijven zou leidentot onrechtmatige staatsteun.13 Hierover is extern juridisch adviesingewonnen bij NautaDutlih. Uit de analyse van NautaDutilh blijkt dat eenuitzondering voor aandelen in familiebedrijven niet gerechtvaardigd kanworden. De brede definitie van familiebedrijven leidt tot een diversedoelgroep met grote onderlinge verschillen, waardoor een consistente enobjectieve onderbouwing ontbreekt die past bij de doelstellingen van hetbelastingstelsel (draagkrachtbeginsel, beperking belastingontwijking enadministratieve beheersbaarheid). Zelfs bij een nauwere definitie is hetmoeilijk te rechtvaardigen waarom aandeelhouders van familiebedrijvenanders behandeld zouden moeten worden dan aandeelhouders inniet-familiebedrijven.Dit geldt niet voor aandelen in startende ondernemingen. Daar kan welgekozen worden voor een uitzondering op de vermogensaanwasbe-lasting. De voornaamste reden hiervoor is dat de definitie van eenstartende onderneming beter af te bakenen is en dat te rechtvaardigen isdat de aandeelhouder van elke startende onderneming in aanmerkingkomt voor een uitzondering op de algemene behandeling. Dit is wel in lijnmet de staatssteunregels, omdat deze maatregelen passen binnen hetdraagkrachtbeginsel. Hierdoor is het mogelijk om een uitzondering temaken op de vermogensaanwasbelasting door aandelen in startendeondernemingen te belasten onder een regime van vermogenswinstbe-lasting.De leden van de fractie van de VVD geven aan dat aandeelhouders vanfamiliebedrijven jaarlijks complexe en kostbare waarderingen moetenlaten uitvoeren en vragen of het kabinet de mening deelt dat dit zoukunnen leiden tot een disproportionele administratieve last en rechtson-gelijkheid ten opzichte van liquide beleggingen. Deze leden geven aangrote waarde aan de stabiliserende rol van familiebedrijven in deeconomie te hechten en vragen of de jaarlijkse verschuldigdheid vanvermogensaanwasbelasting in box 3 de investeringsruimte en continuïteitvan familiebedrijven schaadt.Er wordt geen additionele administratieve last verwacht, omdat er geenwijziging optreedt ten opzichte van de huidige waarderingsvoorschriften.Onder het systeem van vermogensaanwasbelasting, wordt het te belasteninkomen uit vermogen voor belastingplichtigen alleen hoger als deaandelen bijvoorbeeld in dat jaar sterk in waarde zijn gestegen. Wanneersprake is van een verlies kan dit onbeperkt voorwaarts verrekend worden.Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat hetovergrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbe-standdelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1412HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:70513Kamerstukken I 2023/24, 36 203, G.14Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 616 Deze uitkomst is op basis van een onderzoek van gegevens over debelastingjaren 2017 en 2018. Zoals aangegeven in de nota naar aanleidingvan het verslag bij de Wet tegenbewijsregeling box 315 is dit onderzoekrecent geactualiseerd met gegevens van belastingjaren 2019 tot en met2022. Die jaren lieten vergelijkbare resultaten zien.Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel als naar verwachting voorde vermogensaanwasbelasting. Bij een vermogensaanwasbelasting lijkengemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als inhet huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voorde meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst enkunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen. Het kabinetverwacht dus niet dat de investeringsruimte en de continuïteit vanfamiliebedrijven wordt geschaad. Overigens gaat het bij belastingplich-tigen in box 3 om belastingplichtigen die geen aanmerkelijk belanghebben. Belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang worden belastin box 2.De leden van de fractie van NSC constateren dat als hoofdregel eenvermogensaanwasbelasting wordt voorgesteld, maar dat hiervan wordtafgeweken bij onroerende zaken en aandelen in startende onderne-mingen, waarvoor een vermogenswinstbelasting geldt. Deze leden vragenwaarom het kabinet heeft gekozen voor deze systematiek. Een vermo-gensaanwasbelasting heeft veel voordelen op het gebied van voorkomingvan belastinguitstel en belastingontwijking, uitvoerbaarheid en doenver-mogen. Doordat de waardeontwikkeling van jaar tot jaar in de heffingwordt betrokken en niet pas in het jaar waarin het vermogensbestanddeelwordt verkocht, wordt langdurig uitstel van belastingheffing voorkomen.Belastingplichtigen betalen belasting overeenkomstig het jaarlijkserendement in plaats van een (grote) aanslag ineens over de waardeont-wikkelingen tussen de aankoop, die mogelijk in een ver verledenplaatsvond, en de verkoop. Doordat bij een vermogensaanwasbelastingzowel de waardeontwikkeling als de reguliere voordelen van jaar tot jaarin de heffing worden betrokken, wordt voorkomen dat er een prikkelontstaat om reguliere voordelen (zoals rente en dividend) om te zetten inwaardeontwikkelingen. Gedacht kan worden aan beleggingsfondsen diegeen dividend uitkeren en aan spaarproducten die geen rente uitkeren,maar wel in waarde stijgen. De ervaring met de Wet inkomstenbelasting1964, evenals in het huidige boxenstelsel bij box 2 en ervaringen in hetbuitenland leren dat dit risico zeer reëel is. Ook neemt het risico opbelastingontduiking toe wanneer er over de jaren een steeds groterebelastingclaim ligt op een vermogensbestanddeel. Een ander voordeelvan een vermogensaanwasbelasting is dat belastingplichtigen enketenpartners niet langdurig gegevens hoeven bij te houden over dekostprijs van alle vermogensbestanddelen. Voor een vermogensaanwas-belasting zijn namelijk alleen gegevens nodig over het jaar waaroverbelasting wordt betaald. Doordat gegevens uit het verleden niet altijdmeer beschikbaar zijn, kunnen bij een vermogenswinstbelasting mindergegevens vooraf worden ingevuld voor de aangifte in box 3. Zowel debanken als de Belastingdienst hebben vanuit uitvoeringsperspectief eenvoorkeur voor een vermogensaanwasbelasting. In het voorstel wordtgekozen voor een vermogenswinstbelasting bij bepaalde vermogensbe-standdelen waarbij liquiditeitsproblemen naar het oordeel van het kabinetpotentieel een belangrijke rol kunnen spelen, namelijk onroerende zakenen aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen. Tenaanzien van onroerende zaken worden de gegevens niet aangeleverd doorketenpartners waardoor bezwaren vanuit ketenpartners ten aanzien vaneen vermogenswinstbelasting hier een minder grote rol spelen.15Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 617 De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet verwacht datbelastingplichtigen hun beleggingsstrategie zullen aanpassen aan hetnieuwe stelsel en of dit eventueel is meegenomen in de raming. Verdervragen leden van GroenLinks-PvdA en de VVD of het kabinet verwacht datbelastingplichtigen hun vermogen zullen verplaatsen naar de vennoot-schap. In de raming is uitgegaan van twee soorten gedragseffecten. Teneerste is een beperkt gedragseffect van 20% van het budgettaire effectverondersteld bij personen die structureel meer belasting gaan betalenonder het nieuwe box 3-stelsel. De verwachting is dat een deel van debelastingplichtigen die structureel meer box 3-belasting gaan betalen hetgedrag zal aanpassen door bijvoorbeeld meer consumptie, schenkingenof giften, het verschuiven van hoogrenderende naar laagrenderendebeleggingen of het verplaatsen van vermogen naar de vennootschap. Tentweede is ook gerekend met een lock-ineffect voor onroerende zaken. Uitde WOZ-gegevens van de Waarderingskamer blijkt dat in de afgelopenjaren gemiddeld genomen ieder jaar één op de dertien onroerende zakenin box 3 is verkocht. Aangenomen is dat de vermogenswinstbelastingzorgt voor een toename in de gemiddelde bezitsduur van 50%, zodatjaarlijks gemiddeld één op de 19,5 van de onroerende zaken zal wordenverkocht. Deze gedragseffecten zijn meegenomen in de raming, die isgecertificeerd door het CPB.De leden van de fractie van NSC vragen of het voorgestelde systeemvoldoende flexibel is om in de toekomst aangepast te worden, indienEuropese jurisprudentie of technologische ontwikkelingen (zoals verderedigitalisering van vermogensregistraties) daartoe aanleiding geven. Hetkabinet heeft het voorgestelde systeem getoetst aan de eisen van hetEuropese recht. Het inkomensbegrip in het voorgestelde stelsel voorbox 3 komt bovendien in de basis overeen met het kader van de HogeRaad voor de tegenbewijsregeling.16 De aangebrachte toevoegingen zijnin het voordeel van de belastingplichtige, zoals de mogelijkheid totkostenaftrek en verliesverrekening. Het kabinet verwacht dan ook niet datwijzigingen nodig zullen zijn naar aanleiding van Europese jurisprudentie.Verdere digitalisering van vermogensregistraties kan ertoe leiden dat ermeer gegevens beschikbaar zijn dan nu. Dit hoeft niet te leiden totaanpassingen van het stelsel. Wel kunnen gegevens in voorkomend gevalbruikbaar zijn voor de uitvoering of handhaving. Uiteraard is het mogelijkom het voorgestelde stelsel voor box 3 te wijzigen (ook in de toekomst nade inwerkingtreding), bijvoorbeeld vanwege beleidsmatige of politiekewensen. In hoeverre een aanpassing mogelijk zal zijn, is vooral afhankelijkvan de inhoud van de gewenste aanpassing in het licht van juridischehoudbaarheid, maatschappelijk draagvlak, budgettaire gevolgen,uitvoeringsgevolgen en doenvermogen.De leden van de fracties van D66 en de VVD vragen naar de juridischerisico’s van het onderscheid tussen beleggers die investeren in woningenen te maken krijgen met de vermogenswinstbelasting en beleggers inaandelen die te maken krijgen met de vermogensaanwasbelasting. Ook deleden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben vragen gesteld over devermogenswinstbelasting. Naar de mening van het kabinet is hier geensprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Als onroe-rende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, danzou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten totuitdrukking komende) waardestijging bij belastingplichtigen kunnenleiden tot liquiditeitsproblemen. Daarbij komt dat onroerende zaken nietaltijd eenvoudig zijn te verkopen. In tegenstelling tot een aandelenporte-feuille kan bij onroerende zaken niet een deel worden verkocht om de16HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:813 enECLI:NL:HR:2024:771.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 618 belasting over de ongerealiseerde waardestijging te voldoen. Daarom isgekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting vooronroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen en eenvermogensaanwasbelasting voor andere vermogensbestanddelen,waaronder aandelen en andere beleggingen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet hetniet problematisch vindt als belastingplichtigen inderdaad vermogenson-derdelen moeten verkopen om de heffing te voldoen, zolang het om minof meer liquide beleggingen gaat. Het kan zich voordoen dat de belasting-plichtige vermogensbestanddelen te gelde moet maken om de belastingte kunnen betalen. Bij liquide beleggingen, zoals een aandelenportefeuille,hoeft dit niet tot problemen te leiden. Wanneer deze belastingplichtigealleen onroerende zaken heeft die niet eenvoudig zijn te verkopen, danleidt dat wel tot een lastige situatie. Deze leden vragen daarnaast of hetkabinet verwacht dat belastingplichtigen hun vermogen zullenverschuiven naar vastgoed vanwege de nieuwe box 3-heffing en demogelijkheid tot uitstel van belastingbetaling bij onroerende zaken. Dezeleden vragen ook of er extra risico’s op een opwaartse druk op dehuizenprijzen zijn vanwege een dergelijke verschuiving doordat relatiefmeer in huizen wordt belegd ten opzichte van liquide activa. Deze ledenvragen vervolgens welke analyses en onderzoeken het kabinet heeftgeraadpleegd over dit onderwerp. Uiteraard staat het belastingplichtigenvrij om hun vermogen in andere vermogensbestanddelen te gaanbeleggen dan effecten, zoals onroerende zaken. Het kabinet heeft geenaanwijzingen dat vermogenden effecten gaan verkopen om onroerendezaken aan te kopen vanwege de fiscale behandeling van onroerende zakenten opzichte van veel andere beleggingen. Voor onroerende zaken wordtvanwege de illiquiditeit daarvan een vermogenswinstbelasting voorge-steld, maar daar staat tegenover dat deze illiquiditeit ook nadelen heeftvoor belastingplichtigen. Daarnaast kan ook de overdrachtsbelasting eenrol spelen bij een beslissing om al dan niet in onroerende zaken teinvesteren. Het kabinet heeft diverse rapporten geraadpleegd die relevantzijn voor het belasten van vermogen door middel van een vermogens-winstbelasting, zoals de voortgangsrapportage «Heffing box 3 op basisvan werkelijk rendement» uit 2016,17 het «Keuzedocument box 3» uit2017,18 Bouwstenen voor een beter belastingstelsel uit 2020, het IBOVermogensverdeling uit 2022, het CPB-rapport Inkomens en belastingenaan de top uit 2024 en een recent rapport van de OESO.19De leden van de fractie van het CDA hebben een voorbeeld gegeven envragen of daarbij sprake is van een constructie die kan leiden tot hogeonbelaste voordelen. Het betreft het volgende voorbeeld: A verhuurtpanden voor € 100.000 per jaar. Deze opbrengst is onder de Wet werkelijkrendement box 3 inkomen dat wordt verminderd met kosten en rente. Nudraagt A in 2027 het recht op tien jaar huurpenningen over aan zijn bvtegen € 750.000; de bv betaalt dit bedrag in één keer aan A. Omdat hetnieuwe box 3-stelsel van het kasstelsel uitgaat, vragen deze leden of hetklopt dat A niets hoeft op te geven in zijn belastingaangiften vanaf 2028,terwijl A wel gebruik kan maken van de kostenaftrek. Deze leden vragen ofhet kabinet de nadelen van een kasstelsel onderkent omdat A bij eenbalansstelsel de vooruit ontvangen huur als «schuld» op zijn privébalansmoet opvoeren en dan ieder jaar € 75.000 moeten laten vrijvallen en alshuur moet opgeven. Het klopt niet dat A in deze situatie niets hoeft op tegeven in zijn belastingaangiften vanaf 2028, omdat er bij A sprake zal zijn17Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6.18Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 83.19OECD Taxation Working Papers No. 72, Taxing capital gains: Country experiences andchallenges, 26 February 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 619 van een jaarlijkse vermogensaanwas. In de hiervóór beschreven cessievan toekomstige huurtermijnen ontstaat bij A op het tijdstip van de cessieeen verplichting met waarde in het economische verkeer. Dezeverplichting wordt in box 3 als een schuld gekwalificeerd van € 750.000,ervan uitgaand dat dit de contante waarde van de tien huurtermijnen is.Gedurende de tien jaar waarvoor de huurpenningen zijn gecedeerd, wordtde waarde in het economische verkeer van deze schuld jaarlijks lager. Destijging van het vermogen die het gevolg is van de waardedaling van deschuld wordt jaarlijks in aanmerking genomen als vermogensaanwas. Vaneen (niet beoogde) constructie die kan leiden tot hoge onbelastevoordelen is naar de mening van het kabinet dan ook geen sprake. Voorde volledigheid wordt opgemerkt dat het kasstelsel alleen geldt voor dereguliere voordelen, niet voor het bepalen van de vermogensaanwas ofde vermogenswinst.De leden van de fractie van D66 vragen of het voor de uitvoerbaarheidniet veel beter zou zijn om alleen een vermogenswinstbelasting tehanteren, omdat een hybride stelsel waarin een vermogensaanwas- envermogenswinstbelasting worden gecombineerd, volgens de Raad vanState complex is.De afgelopen jaren zijn in vele Kamerbrieven en debatten de voor- ennadelen van verschillende opties voor de vormgeving van een stelsel opbasis van werkelijk rendement uiteengezet. Daarbij is telkens aangetekenddat het ideale box 3-stelsel feitelijk niet bestaat. Alle denkbare optieshebben naast voordelen ook nadelen, op het vlak van juridischehoudbaarheid, maatschappelijk draagvlak, budgettaire gevolgen, effectenop de economie, uitvoeringsgevolgen en doenvermogen. Bij de keuzevoor het nieuwe stelsel is steeds sprake van een uitruil tussen dezeverschillende invalshoeken.In de brief van 24 januari 202520 is uw Kamer geïnformeerd over denoodzaak om te komen tot een nieuw stelsel in box 3. In deze brief is ookuiteengezet dat een toename van complexiteit inherent is aan hetintroduceren van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Er wordtimmers afgestapt van een zeer eenvoudig forfaitair stelsel en een stelselop basis van de complexe werkelijkheid komt daarvoor in de plaats. In devormgeving van het wetsvoorstel is steeds geprobeerd een balans tevinden tussen de verschillende invalshoeken waarbij uitvoerbaarheid endoenvermogen voor burgers grote aandacht hebben. Een belangrijkonderdeel daarvan is een vormgeving waarbij zoveel mogelijk gegevensvooraf ingevuld kunnen worden in de aangifte voor box 3.Bij een vermogensaanwasbelasting zijn alleen gegevens nodig over hetjaar waarover belasting wordt betaald. Denk hierbij aan rente opbankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogensaanwasvan publiek verhandelbare aandelen en obligaties bij in Nederlandgevestigde financiële instellingen. Dit betekent dat voor de meerderheidvan de belastingplichtigen die alleen bezittingen in deze categorieënhebben, de aangifte volledig vooraf wordt ingevuld. Hierdoor blijft hunaangifte relatief eenvoudig. Een vermogensaanwasbelasting wordteconomisch als een relatief weinig verstorende vorm van belastingheffingop inkomsten uit vermogen gezien. Dit wil zeggen dat het weinig invloedheeft op het gedrag van belastingplichtigen.In voornoemde brief wordt ook ingegaan op suggesties voor alternatievedenkrichtingen voor het box 3-stelsel die de Raad van State in zijn adviesheeft opgenomen. Deze genoemde alternatieven zijn ook in het langetraject dat heeft geleid tot het nu voorliggende wetsvoorstel aan de ordegeweest en gewogen.20Kamerstukken II 2024/25, 31 140, nr. 222.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 620 De Raad van State adviseert een volledige vermogenswinstbelasting alsdenkrichting, omdat ook in box 1 en box 2 een vermogenswinstbelastingwordt toegepast en het internationaal bezien een herkenbaar systeem is.Een vermogenswinstbelasting voor box 3 is door het kabinet onder-zocht.21 Ook een vermogenswinstbelasting is een vorm van een belastingop werkelijk rendement. In het onderhavige wetsvoorstel is gekozen vooreen hybride variant, waarbij voor onroerende zaken en aandelen instartende ondernemingen sprake is van een vermogenswinstbelasting.Een volledige vermogenswinstbelasting kent diverse nadelen, zoals deprikkel tot fiscale planning om belastingheffing uit te stellen, economischeverstoringen, forse negatieve budgettaire gevolgen in de eerste jaren,complexiteit voor burgers en ingrijpende gevolgen voor de uitvoeringdoor de Belastingdienst.Bij een vermogenswinstbelasting hoeft pas over de waardeontwikkelingbelasting te worden betaald bij (veelal) de verkoop van een vermogensbe-standdeel. Omdat belastingplichtigen in de regel zelf bepalen wanneer zeeen vermogensbestanddeel verkopen, kan dit in belangrijke mateeconomisch verstorend werken. Een vermogenswinstbelasting geeft eenprikkel om winsten uit te stellen. Daarbij zal de belastingplichtige bij deverkoop van bezittingen de historische aankoopwaarde moeten weten omde verkoopwinst te kunnen berekenen. Ook moeten over een langereperiode investeringen bijgehouden worden die hebben geleid tot eenwaardestijging van de bezitting. Dit geldt dan ook bij de verkoop vanandere vermogensbestanddelen, zoals aandelen en obligaties. Dat zal veelvan het doenvermogen van belastingplichtigen vragen. Alleen voorbelastingplichtigen met uitsluitend spaargeld en eventueel schulden zoude aangifte jaarlijks volledig vooraf ingevuld kunnen worden. Als deBelastingdienst de historische aankoopwaarde van belastingplichtigenvoor alle vermogensbestanddelen in box 3 vooraf moet kunnen invullen,dan heeft dat grote gevolgen voor de ICT-systemen van de Belasting-dienst. Daarnaast geeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aandat banken nu niet beschikken over de benodigde gegevens om eenvermogenswinstbelasting vooraf in te vullen en dat banken de invoeringvan een belasting over werkelijk rendement op basis van een vermogens-aanwasbelasting sneller kunnen realiseren dan een vermogenswinstbe-lasting.Op de lange termijn zullen een vermogensaanwasbelasting en eenvermogenswinstbelasting – los van gedragseffecten – budgettair gezientot dezelfde opbrengst leiden. Op korte termijn kan het verschil echtergroot zijn. Dit komt doordat de waardestijging van vermogensbestand-delen in box 3 vanaf invoering van het nieuwe stelsel pas na realisatie kanworden belast. Bij een vermogenswinstbelasting wordt de structureleopbrengst pas bereikt als alle bezittingen na invoering van het stelsel eenkeer zijn verkocht. De derving die wordt veroorzaakt door eenmogelijkheid tot het uitstellen van belastingheffing tot het moment vanrealisatie van de verkoopopbrengst van de vermogensbestanddelen inbox 3 is afhankelijk van de gekozen parameters, zoals het tarief, hetheffingsvrije resultaat, etc. Deze budgettaire derving zal, conform debegrotingsregels, gedekt moeten worden en komt dan bij een brederegroep belastingplichtigen terecht.De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de betalingsregeling erprecies uit ziet bij het heffen van de vermogensaanwasbelasting over dewaardeontwikkeling van illiquide vermogensbestanddelen. Deze ledenvragen of het klopt dat er geen ruimere betalingsregeling wordt voorge-steld en vragen of het kabinet bereid is om te bezien of de betalingsre-21Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 621 geling ruimer vormgegeven kan worden. Er bestaan verschillende vormenvan uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen. In de eersteplaats bestaat het zogenoemde korte uitstel van betaling. In dat gevalwordt voor maximaal vier maanden uitstel van betaling verleend. Voor dituitstel van betaling moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan.Wanneer het korte uitstel van betaling geen soelaas biedt of wanneer debelastingschuldige niet voldoet aan de voorwaarden kan de ontvanger debelastingschuldige uitstel van betaling verlenen voor een periode van tenhoogste twaalf maanden. Tot slot kan – wanneer er volgens de ontvangerbijzondere omstandigheden zijn – een langere uitsteltermijn wordentoegestaan. Deze uitstelmogelijkheid geeft de ontvanger ruimte om insituaties waarin sprake is van bijzondere omstandigheden maatwerk tekunnen bieden. Eerder zijn cijfers over liquiditeit en het gebruik vanbetalingsregelingen in box 3 onderzocht en is uw Kamer hierovergeïnformeerd.22Deze uitkomst is op basis van een onderzoek van gegevens over debelastingjaren 2017 en 2018. Zoals aangegeven in de nota naar aanleidingvan het verslag bij de Wet tegenbewijsregeling box 323 is dit onderzoekrecent geactualiseerd met gegevens van belastingjaren 2019 tot en met2022. Die jaren lieten vergelijkbare resultaten zien. Verder blijkt uit ditonderzoek dat verwacht wordt dat bij een vermogensaanwasbelastingongeveer net zo weinig mensen in betalingsproblemen komen als in hethuidige stelsel. Het invoeren van een vermogensaanwasbelasting zal dusnaar verwachting niet tot extra liquiditeitsproblemen leiden. Daarbij kanworden bedacht dat in het huidige forfaitaire stelsel ook belasting wordtgeheven als geen sprake is van een gerealiseerde vermogenswinst. In hetwetsvoorstel is geen sprake van een volledige vermogensaanwasbe-lasting, maar vallen onroerende zaken en aandelen in startende onderne-mingen onder de systematiek van de vermogenswinstbelasting. Deverwachting is dat daardoor de betalingsproblemen eerder afnemen dantoenemen. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding om de huidigebetalingsregelingen ruimer vorm te geven.3.2. Bepalen van het inkomen op basis van het werkelijke rendement De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA geven aan dat zij twijfelshebben bij het voorgestelde hybride stelsel en vragen het kabinet om toete lichten hoeveel hoger de uitvoeringskosten zijn en hoeveel meer fte ernodig zijn voor de uitvoering ten opzichte van een pure vermogensaan-wasbelasting zonder de voorgestelde vermogenswinstcomponent. In hetwetsvoorstel wordt als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting voorhet berekenen van het werkelijke rendement gehanteerd. Hierop zijn tweecategorieën vermogensbestanddelen uitgezonderd, te weten de onroe-rende zaken en aandelen in startende ondernemingen. Voor deze tweecategorieën vermogensbestanddelen geldt een vermogenswinstbelasting.Op basis van de uitkomsten van de uitvoeringstoets kan geenbetrouwbare inschatting worden gegeven hoeveel hoger of lager deuitvoeringskosten zijn en hoeveel meer of minder fte er nodig zijn voor deuitvoering van een pure vermogensaanwasbelasting zonder de voorge-stelde vermogenswinstcomponent. In de uitvoeringstoets is hetwetsvoorstel zoals door het kabinet is voorgesteld getoetst en zijn er geenalternatieve scenario’s ten opzichte van het voorliggende wetsvoorstel inde uitvoeringstoets beoordeeld.Begin 2025 zijn met de betrokken experts van het Ministerie vanFinanciën, inclusief de Belastingdienst, interne «deep dive» sessiesgeorganiseerd om de uitgangspunten van het wetsvoorstel zorgvuldig22Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.23Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 622 door te nemen. Daarbij is de mogelijkheid om in het nieuwe systeem (ineerste instantie) over te gaan naar een volledige vermogensaanwasbe-lasting ook besproken. De uitkomst van deze mondelinge sessies was dathet voor de benodigde capaciteit van de Belastingdienst naar verwachtingweinig tot geen verschil zou uitmaken ten opzichte van een vermogens-winstbelasting die zal gaan gelden voor onroerende zaken en aandelen instartende ondernemingen.Bij een volledige vermogensaanwasbelasting zal ten opzichte van hetvoorliggende wetsvoorstel het toezicht van en de handhaving door deBelastingdienst meer naar een jaarlijkse toetsing (van bijvoorbeeld debeoordeling van een vermogenstoename of -afname van onroerendezaken waarvoor geen WOZ-waardering beschikbaar is) verschuiven. Bij detoepassing van een vermogenswinstbelasting die in het hybride stelselvoor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordttoegepast, zal het toezicht en handhaving door de Belastingdienst meerspecifiek worden ingericht op transacties, zoals verkoop van onroerendezaken. De verwachting is daarmee dat een volledige vermogensaanwas-belasting ten opzichte van het wetsvoorstel op basis van een hybridestelsel in de praktijk weinig verschil zou uitmaken voor het toezicht enhandhaving door de Belastingdienst en daarmee niet tot minder uitvoe-ringskosten of minder benodigde fte zou leiden.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de budgettairegevolgen als gekozen zou worden voor een vermogensaanwasbelasting inplaats van het hybride stelsel. Onderstaande tabel toont de budgettaireopbrengst in miljoenen euro’s van het hybride stelsel en een vermogens-aanwasbelasting (in de hierna opgenomen tabel: VAB), waarbij alleparameters constant zijn gehouden. De raming in 2060 is aangenomen alsde structurele raming. In principe zou de structurele opbrengst van hethybride stelsel gelijk moeten zijn aan dat van de vermogensaanwasbe-lasting. Echter is in 2060 de vermogenswinstbelasting op onroerendezaken en aandelen in startende ondernemingen nog niet volledigingegroeid. Vandaar dat er nog een verschil zit tussen de structureleopbrengst van het hybride stelsel en dat van de vermogensaanwasbe-lasting.Jaar202820292030203120322033203420352036strucHy-bride1.00670– 122– 167– 96– 13821692791.897VAB4.4903.2342.7422.4942.3522.2652.2052.1842.1572.417 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben de gegevenrekenvoorbeelden bestudeerd. Deze leden vragen of het kabinet ook eenvoorbeeld kan geven waarin een belastingplichtige een portefeuille metbuitenlandse valuta aanhoudt.Bij het bepalen van de vermogensaanwas van een portefeuille metbuitenlandse valuta moet de belastingplichtige aan het begin en aan heteinde van het kalenderjaar de buitenlandse valuta omrekenen naar euro’s.Vervolgens kan de belastingplichtige de eindwaarde en de beginwaardemet elkaar vergelijken om de vermogensmutatie te berekenen. Dezevermogensmutatie moet worden gecorrigeerd voor stortingen enonttrekkingen om de vermogensaanwas te bepalen. Indien vreemdevaluta worden gekocht, is dit een storting. Bij verkoop van de vreemdevaluta is sprake van een onttrekking. Dit wordt hieronder toegelicht aan dehand van een voorbeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 623 VoorbeeldEen belastingplichtige heeft aan het begin van het kalenderjaar$ 1.000, op dat moment $ 1 gelijk aan € 0,90. De waarde in euro’s isdus € 900. Aan het einde van het kalenderjaar heeft deze belasting-plichtige $ 2.000, op dat moment is $ 1 gelijk aan € 0,80. De waardein euro’s is dus € 1.600. Op 1 maart koopt deze belastingplichtige$ 1.500 voor € 1.275. Op 1 december verkoopt de belastingplichtige$ 500 voor € 450.Berekening vermogensaanwasWaarde 31 december€ 1.600Waarde 1 januari–/– € 900Storting–/– € 1.275Onttrekking+ € 450Vermogensaanwas–/– € 125 Als gevolg van koerswisselingen heeft de belastingplichtige eenverlies van € 125.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen om een toelichting aande hand van een voorbeeld over de zinsnede «door voor langere periodeshet vorderingenstelsel te hanteren, wordt voorkomen dat belastingplich-tigen aftrekbare kosten naar voren kunnen halen». Voor belastingplich-tigen kan het voordelig zijn om aftrekposten naar voren te halen eninkomsten naar achteren te brengen. Als hier geen grenzen aan wordengesteld, kan dit leiden tot belastingontwijking. Dit kan bijvoorbeeld spelenals een belastingplichtige nu vooruitbetaalt voor onderhoud dat pas jarenlater wordt verricht.De leden van de fracties van de VVD en van NSC vragen of inkomsten diereeds in de belastingheffing zijn betrokken als storting moeten wordenaangemerkt. Hierbij noemen de leden van de fractie van NSC alsvoorbeelden: rente of dividend dat als regulier voordeel is belast in box 3en inkomsten uit box 1 of 2 die na belastingheffing in box 3 wordenbelegd. Reguliere voordelen zullen vaak onderdeel gaan uitmaken van hetbox 3-vermogen, bijvoorbeeld omdat rente of dividend wordt gestort opeen bankrekening in box 3. Deze rente en dividend worden inderdaadaangemerkt als een storting. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de betalingvan salaris op de bankrekening of een schenking die naar een bankre-kening wordt overgemaakt. Dit zijn allemaal nieuwe vermogensbestand-delen in box 3 die leiden tot een stijging van de waarde van het box 3-vermogen, maar ze maken geen onderdeel uit van de vermogensaanwas.In de memorie van toelichting wordt bij de toelichting over stortingen ookuitdrukkelijk de overgang van een bezitting van box 1 of box 2 naar box 3genoemd.24 Door deze bezittingen op het tijdstip van overgang naar box 3aan te merken als storting, wordt uitsluitend de waardemutatie die zich nadat tijdstip voordoet gerekend tot de vermogensaanwas in box 3.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom goed koopmansge-bruik en de totaalwinstgedachte niet meer van overeenkomstigetoepassing worden verklaard, met uitzondering van het zakelijkheidsbe-ginsel. Deze leden vragen of voor dit laatste beginsel ook de in het kadervan box 1 daarover gewezen jurisprudentie geldt.Het hebben van box 3-vermogen verschilt wezenlijk van het drijven vaneen onderneming. Het van overeenkomstige toepassing verklaren vancomplexe open normen die zijn toegesneden op ondernemingen zal naarverwachting tot onduidelijkheid leiden over de manier waarop deze24Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3, p. 91.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 624 zouden moeten worden toegepast in het kader van beleggingsvermogen.Om die reden zijn goedkoopmansgebruik en de totaalwinstgedachte nietmeer van overeenkomstige toepassing verklaard en is in plaats daarvangekozen voor het opstellen van duidelijke gesloten normen die voor box 3zijn geschreven. Het zakelijkheidsbeginsel is een zelfstandig beginsel datzowel in box 1 als in box 2 wordt toegepast. Ook het zakelijkheidsbeginselwordt niet meer van overeenkomstige toepassing verklaard. Het zakelijk-heidsbeginsel is met het oog op duidelijkheid in het wetsvoorstel indiverse concrete artikelen uitgeschreven. Met het oog op consistentiebinnen de Wet IB 2001 is het wenselijk om het zakelijkheidsbeginsel in alledrie de boxen te hanteren. Wanneer inkomen in box 1 en box 2 zakelijkwordt bepaald en in box 3 niet, kan dit leiden tot mismatches enconstructies. Aangezien hetzelfde beginsel in alle drie de boxen wordttoegepast, zal jurisprudentie over het zakelijkheidsbeginsel in box 1 enbox 2 ook relevant zijn voor box 3.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kasstelsel werkt ingeval van een depositorekening, waar rente wordt bijgeschreven, maarhet geld vaststaat. Reguliere voordelen worden in principe genoten op hettijdstip dat ze ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rente-dragend of vorderbaar en inbaar worden. Bij een bankrekening wordt hetbedrag aan rente op de rentedatum rentedragend en daarmee wordt hetbedrag op dat tijdstip genoten.3.3. Grondslag en waardering De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke vrijstellingenzijn gewijzigd als gevolg van de overgang naar een stelsel op basis vanwerkelijk rendement. In het voorstel komt de vrijstelling voor kortlopendetermijnen van inkomsten en verplichtingen te vervallen. De huidigevrijstelling voor kortlopende termijnen van inkomsten en verplichtingenziet op bezittingen en schulden in de vorm van lopende termijnen diebetrekking hebben op een tijdvak van een jaar of korter. Deze vrijstellingpast niet in een systeem waarin werkelijk rendement wordt belast. Eenvoorbeeld van een kortlopende termijn is de aangegroeide rente die wordtmeegekocht bij de aankoop van een obligatie. Voor het bepalen van hetwerkelijke rendement van obligaties is het wenselijk om hier rekeningmee te houden. Daarnaast vervalt de vrijstelling voor groene beleggingen.Aanleiding hiervoor is het bij de behandeling van het Belastingplan 2025aangenomen amendement Van Eijk/Vermeer25 waarin sprake is van hetafschaffen van de fiscale faciliteiten voor groen beleggen per 1 januari2027. Daarom is geen vrijstelling voor groene belegging opgenomen in ditwetsvoorstel. Bij de vrijstelling voor nettolijfrenten en nettopensioenen isde wijze waarop het box 3-voordeel bij onregelmatige handelingen wordtteruggenomen aangepast, zodat deze aansluit bij het stelsel van eenheffing naar werkelijk rendement. In het huidige stelsel zijn zuivereoverlijdensrisicoverzekeringen vrijgesteld tot een maximumbedrag.Voorgesteld wordt om zuivere overlijdensrisicoverzekeringen in hetnieuwe stelsel volledig vrij te stellen van box 3-heffing. Het gaat hier omtijdelijke of levenslange verzekeringen die uitsluitend voorzien in eenuitkering bij overlijden. Deze aanpassing heeft verwaarloosbare budget-taire effecten ten aanzien van de huidige vrijstelling. Tot slot wordt omredenen van eenvoud voorgesteld om het overgangsrecht voor kapitaal-verzekeringen die zijn afgesloten vóór 2001 af te schaffen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar een lijst van allevrijstellingen die in het nieuwe stelsel gaan gelden, met een toelichtingvan de reden voor de vrijstelling. Hieronder zijn de vrijstellingen25Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 625 genummerd en voorzien van een korte toelichting van de doelstelling. Hetgaat steeds om vrijstellingen die ook in het huidige box 3-stelsel gelden.1.Vrijstelling voor bos- en natuurterreinen en landgoederen. Dedoelstelling is het natuurschoon en cultureel erfgoed behouden doorlandgoederen als geheel te bewaren en versnippering tegen te gaan enhet stimuleren van ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.2.Vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap. De doelstellingis het particuliere kunstbezit en de kunstuitleen van particulieren aanmusea in Nederland te stimuleren.3.Vrijstelling voor bepaalde verkrijgingen krachtens erfrecht. Bedoelingvan deze bepaling is om alleen belasting te heffen bij degene die overhet vermogen en de inkomsten daaruit kan beschikken. Dit is inbeginsel de langstlevende ouder. Het gaat dan bijvoorbeeld omsituaties waarin de langstlevende ouder het recht van vruchtgebruikheeft over goederen uit de nalatenschap en de kinderen de bloteeigendom.4.Vrijstelling voor rechten op roerende zaken die krachtens erfrecht bijde belastingplichtige zijn opgekomen. Reden voor de vrijstelling is hetfeit dat de belastingplichtige deze rechten verkrijgt door omstandighe-den die buiten zijn invloedssfeer liggen en zonder de eigendom tebezitten.5.Vrijstelling voor rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitendplaatsvinden bij overlijden. De vrijstelling is uit sociale overwegingenopgenomen, omdat deze uitkeringen veelal worden gebruikt om dekosten van de uitvaart te dekken.6.Vrijstelling voor rechten op kapitaalsuitkeringen bij invaliditeit, ziekteof ongeval. Doelstelling is het net als nu buiten de heffing laten vandeze rechten.7.Vrijstelling voor rechten op termijnen ter zake van overdracht van eenaanmerkelijk belang. Doelstelling is het voorkomen van dubbeleheffing.8.Vrijstelling voor contant geld. De vrijstelling geldt tot een bedrag van€ 661 (bedrag 2025). Deze vrijstelling is om doelmatigheidsredeneningevoerd.9.Vrijstelling voor bepaalde vermogensrechten in verband met herstelvan aardbevingsschade in Groningen. De doelstelling is om tevoorkomen dat burgers deze vermogensrechten moeten opgeventerwijl het werkelijke rendement daarvan nihil is en daarmee deschadeafhandeling voor bewoners makkelijker en menselijker temaken.10.Vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente. De doelstelling is hetfaciliteren van de opbouw van een oudedagsvoorziening voor hetinkomen boven de aftoppingsgrens.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet bij devoorgestelde vrijstellingen een risico op belastingontwijking ziet,bijvoorbeeld door in dure kunst te beleggen. Deze leden vragen of hetmogelijk zou zijn om ook belasting te heffen over de waardestijging vandure kunstobjecten. De vrijstelling voor kunst geldt ook in het huidigebox 3-stelsel. Het kabinet ziet daarin geen mogelijkheden voor belasting-ontwijking. De vrijstelling voor kunst geldt niet voor bezittingen diehoofdzakelijk als belegging dienen. Als sprake is van het beleggen inkunst, dan wordt het rendement van die bezittingen volledig in de heffingbetrokken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA merken op dat de afbraakvan het vruchtgebruik zowel positief (bij de blote eigenaar) als negatief(bij de vruchtgebruiker) meegenomen wordt, en dat beide aan elkaargelijk moeten zijn. Deze leden vragen daarom of het niet eenvoudiger zouzijn om dit überhaupt niet mee te nemen bij het bepalen van het resultaatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 626 in box 3. Dit zou inderdaad eenvoudiger zijn. Het zou echter onrecht-vaardig uitpakken voor de vruchtgebruiker. In de memorie van toelichtingstaat op pagina 15 in voorbeeld 6 een situatieschets waarin Joep voor€ 10.000 een vruchtgebruik koopt en vervolgens totaal € 14.000 aandividend ontvangt vanwege dit vruchtgebruik. Bij Joep wordt totaal€ 4.000 aan box 3-inkomen in aanmerking genomen. Als het bedrag datJoep betaalt voor het vruchtgebruik buiten beschouwing zou blijven, danzou dat leiden tot een box 3-inkomen bij Joep van € 14.000. AangezienJoep € 10.000 heeft betaald en € 14.000 heeft ontvangen, is het inaanmerking nemen van een inkomen van € 14.000 bij Joep onrecht-vaardig. Hier zou dan weliswaar tegenover staan dat de blote eigenaar Eefuit voorbeeld 6 de € 10.000 die zij ontvangt van Joep niet tot haarbox 3-inkomen hoeft te rekenen, maar dat zal voor Joep toch een schraletroost zijn.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom certificaten vanvastgoed fiscaal anders worden behandeld dan het onderliggendevermogen. Indien onroerende zaken worden ondergebracht in eenstichting die certificaten uitreikt, dan zijn deze certificaten het vermogens-bestanddeel dat wordt belast in box 3. Dat komt doordat een stichting inbeginsel niet transparant is. In deze situatie worden de certificaten belastvolgens de hoofdregel (de vermogensaanwasbelasting). Indien onroe-rende zaken zijn ondergebracht in een stichting die uitsluitend beleggings-vermogen bezit, dan kan die stichting onroerende zaken kopen enverkopen zonder belasting te hoeven betalen over de verkoopwinsten. Hetbestuur van de stichting kan bepalen of en wanneer uitkeringen wordengedaan aan de certificaathouders. Indien een vermogenswinstregime zougelden voor certificaten van onroerende zaken, zou een vrijwel oneindigbelastinguitstel mogelijk zijn door vermogen in de stichting te houden enniet uit te keren aan de certificaathouders. Dit wordt voorkomen doorcertificaten van onroerende zaken in het vermogensaanwasregime onderte brengen. Indien het vermogen van de stichting toeneemt, zal ook dewaarde van de certificaten stijgen. Deze waardestijging wordt belast viade vermogensaanwasbelasting.De leden van de fractie van de VVD vragen of vroegtijdige beëindigingvan een genotsrecht kan leiden tot een hoge cumulatieve belastingdrukvan inkomstenbelasting en erfbelasting, bijvoorbeeld bij overlijden vaneen vruchtgebruiker, en of dit kan worden toegelicht aan de hand van eenvoorbeeld.In het jaar waarin een belastingplichtige overlijdt is die belastingplichtigeinkomstenbelasting verschuldigd over het in dat jaar genoten inkomen,waaronder het inkomen in box 3. Tegelijkertijd kunnen de erfgenamenbelastingplichtig zijn voor de erfbelasting. Alhoewel in hetzelfde jaarzowel inkomstenbelasting als erfbelasting wordt geheven, is hier geensprake van cumulatie. De inkomstenbelasting wordt geheven bij deoverleden belastingplichtige en de erfbelasting bij zijn erfgenamen. Ditvloeit voort uit bestaande wetgeving; het onderhavige wetsvoorstelbrengt hier geen verandering in. De behandeling van genotsrechten inbox 3 zal wel veranderen. Hieronder is een voorbeeld opgenomen van eenvruchtgebruiker die overlijdt. In dit voorbeeld is te zien dat het overlijdenvan de vruchtgebruiker leidt tot negatief inkomen bij de vruchtgebruiker inbox 3 in het jaar van overlijden. Dit negatieve inkomen kan wordenverrekend met ander box 3-inkomen van de overleden belastingplichtigeof van zijn fiscale partner. Door bij de verdeling het negatieve inkomenaan de fiscale partner toe te rekenen, kan de fiscale partner het negatieveinkomen via de voorwaartse verliesverrekening verrekenen met toekom-stige inkomsten uit box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 627 VoorbeeldEef koopt een aandeel voor € 100.000 en vestigt daarop voor eenperiode van vijf jaren een vruchtgebruik ten behoeve van Joep tegeneen (zakelijke koopsom) van € 10.000. In de jaren 2028 t/m 2032 heefthet aandeel in totaal € 14.000 dividend uitgekeerd en is de intrin-sieke waarde per saldo met € 9.000 gestegen. De waarde van hetvruchtgebruik wordt in vijf jaar lineair afgebouwd. Joep overlijdtechter op 31 december 2031.Verloop blote eigendom en vruchtgebruikDatum1-1-202831-12-202831-12-202931-12-203031-12-203131-12-2032Waarde volle eigendom100.000105.000108.000109.000104.000109.000Waarde blooteigendom90.00097.000102.000105.000104.000109.000Waarde vruchtgebruik10.0008.0006.0004.00000Afbraak vruchtgebruik100%80%60%40%0%0% Het jaarresultaat voor blooteigenaar EefJaar20282029203020312032TotaalWaardemutatie aandeel5.0003.0001.000-5.0005.0009.000Afbraak vruchtgebruik2.0002.0002.0004.000010.000Dividend4.0004.000Totaal jaarinkomen7.0005.0003.000-1.0009.00023.000 Het jaarresultaat voor vruchtgebruiker JoepJaar20282029203020312032TotaalDividend2.0002.0003.0003.000010.000Afbraak vruchtgebruik– 2.000– 2.000– 2.000– 4.0000– 10.000Totaal jaarinkomen001.000– 1.00000 Joep heeft in het jaar waarin hij overlijdt (2031) een negatiefinkomen van € 4.000 als gevolg van het voortijdig eindigen van hetvruchtgebruik. Tegelijkertijd heeft hij in dat jaar € 3.000 aan dividendontvangen, waardoor een negatief inkomen van € 1.000 resteert.De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt datNSW-landgoederen zijn vrijgesteld, met uitzondering van op het landgoedvoorkomende gebouwde eigendommen, en waarom niet ook dezegebouwde eigendommen zijn vrijgesteld. In het wetsvoorstel zijn inbeginsel dezelfde vrijstellingen als in het huidige box 3-stelsel overge-nomen. Landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet 1928(NSW-landgoederen) zijn inderdaad vrijgesteld in box 3, met uitzonderingvan gebouwde eigendommen op het NSW-landgoed. Het rendement vangebouwde eigendommen dat niet in box 1 of box 2 worden belast, wordtdus in box 3 belast. Bij de gebouwde eigendommen waarvan hetrendement in box 3 valt zal doorgaans sprake zijn van eigendommen diebedrijfsmatig verhuurd (kunnen) worden en daardoor rendementopleveren.De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat eigenaren vanNSW-landgoederen moeten voldoen aan diverse wettelijke eisen om dezelandgoederen in stand te houden. Deze leden vragen of dat geen redenzou moeten zijn om ook de waardevermeerdering van gebouwdeeigendommen vrij te stellen en vragen hoe het kabinet het risico taxeertvan liquiditeitsproblemen. De leden van de fracties van de VVD en deChristenUnie vragen naar de heffing bij schenking of overlijden. Deelt hetkabinet de mening dat dit kan leiden tot liquiditeitsproblemen bijschenking of overlijden en is het kabinet bereid om onder bepaaldeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 628 voorwaarden een vrijstelling van box 3-heffing bij generatiewisseling teintroduceren, zo vragen zij.Het kabinet deelt met deze leden het belang van het in stand houden vanNSW-landgoederen. Daarom wordt de huidige vrijstelling voorNSW-landgoederen in het wetsvoorstel gecontinueerd. De overstap naareen vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken – waaronder degebouwde eigendommen op een NSW-landgoed – levert bovendien eenliquiditeitsvoordeel op ten opzichte van het huidige forfaitaire stelsel mettegenbewijsregeling. In het huidige stelsel wordt jaarlijks de vermogens-aanwas in de heffing betrokken, terwijl in het voorgestelde stelsel eeneventuele vermogenswinst pas bij vervreemding, zoals verkoop,schenking of overlijden, wordt belast. Tegenover een mogelijk hogereverschuldigde belasting in box 3 bij vervreemding staat dus dat in allevoorafgaande jaren geen belasting meer wordt geheven over devermogensaanwas. Bovendien worden in het nieuwe stelsel de daadwer-kelijke onderhouds- en verbeteringskosten in de heffing betrokken. Persaldo ziet het kabinet daarom geen aanleiding om de vrijstelling voorNSW-landgoederen te verruimen.3.4. Vervangen van het heffingvrije vermogen door een heffingsvrijresultaat De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA willen weten waarom hetkabinet voor een heffingsvrij resultaat van € 1.800 heeft gekozen enwaarom er is afgeweken van het heffingsvrije resultaat van € 1.000 dateerder in een conceptvoorstel heeft gestaan. Het kabinet heeft beoogd hetnieuwe stelsel budgetneutraal in te voeren. De raming is voor hetindienen van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer nog een keer herijkt.Op basis van deze nieuwe raming zijn de parameters zo gekozen dat hetstelsel budgetneutraal is. Met de gekozen parameters van een heffingsvrijresultaat van € 1.800, een tarief van 36% en een verliesdrempel van € 500is dit stelsel budgetneutraal.Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hoeveelhet oplevert als het heffingsvrije inkomen wordt verlaagd naar € 1.000 enof dit impact heeft op de administratieve lasten. Het verlagen van hetheffingsvrije resultaat naar € 1.000 levert ongeveer € 500 miljoen op. Dehoogte van het heffingsvrije resultaat heeft daarnaast impact op deadministratieve lasten. Er zijn namelijk belastingplichtigen die onder dehuurtoeslaggrens vallen, maar wel een box 3-inkomen boven hetheffingsvrije inkomen hebben. Als het heffingsvrije resultaat wordtverlaagd zal dit aantal belastingplichtigen toenemen.Verder vragen deze leden hoeveel mensen een vermogen onder dehuurtoeslaggrens hebben, maar meer dan € 1.000 rendement. Er zijnongeveer 200.000 mensen met een vermogen onder de huurtoeslaggrensen een rendement van meer dan € 1.000. Hierbij is geen rekeninggehouden met verliezen uit eerdere jaren die verrekend kunnen worden.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen ook naar het bestaanvan een belastingvrije som in box 1 en box 2 vergelijkbaar met hetheffingvrije vermogen in box 3. Voor zowel box 1 als box 2 geldt dat inprincipe elk bedrag aan inkomen uit werk en woning in box 1 en elkbedrag aan resultaat uit aanmerkelijk belang in box 2 wordt belast. Er isgeen vrijstelling of heffingsvrije voet in box 1 en box 2. Als gevolg vanheffingskortingen worden de eerste euro’s in box 1 feitelijk niet belast.Voor box 1 geldt dat een werkende alleenstaande met enkel inkomen inbox 1 in 2025 belasting gaat betalen vanaf een belastbaar inkomen van€ 11.050. Voor een werkende alleenstaande met recht op de inkomensaf-hankelijke combinatiekorting geldt dat er pas belasting verschuldigd isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 629 vanaf een belastbaar inkomen in box 1 van ongeveer € 30.900. Voor box 2geldt dat als er geen ander inkomen is, door de algemene heffingskortingde eerste € 12.523 (= € 3.068/24,5%) vrijgesteld zou zijn van belasting(uitgaande van iemand beneden de AOW-gerechtigde leeftijd). Dit komtechter zelden voor, meestal worden de van toepassing zijnde heffingskor-tingen al verzilverd tegen de verschuldigde belasting in box 1.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het bedrag vanhet heffingsvrije resultaat jaarlijks wordt geïndexeerd en zo ja, met welkeindexatiefactor. De leden van de fractie van de VVD vragen waarom hetheffingsvrije resultaat niet wordt geïndexeerd. Het bedrag van hetheffingsvrije resultaat wordt jaarlijks geïndexeerd met de tabelcorrectie-factor. Mogelijk doelen de leden van de fractie van de VVD op de bepalingvoor het kalenderjaar 2028. Het heffingsvrije resultaat wordt bij het beginvan het kalenderjaar 2028 nog niet geïndexeerd. In het wetsvoorstel zijnreeds de voor het kalenderjaar 2028 (inclusief) beoogde bedragenopgenomen. Indexatie van het bedrag van het heffingsvrije resultaat metde tabelcorrectiefactor zal plaatsvinden vanaf 2029.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de aangifteplichtjaarlijks omhooggaat als de huurtoeslaggrens wordt geïndexeerd. Hetkabinet begrijpt deze vraag zo dat wordt gevraagd of het bedrag van de«beschikking bedrag vermogen sparen en beleggen» jaarlijks wordtgeïndexeerd. Met deze beschikking wordt het box 3-vermogen vastgesteldmet het oog op de vermogenstoets van inkomens- en vermogensafhanke-lijke regelingen zoals de huurtoeslag. De beschikking wordt afgegeven bijeen vermogen vanaf € 37.395 (grens voor de huurtoeslag, bedrag 2025).Dit bedrag wordt inderdaad jaarlijks geïndexeerd. Die indexatie vindt ooknu jaarlijks plaats.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de aangifteplichtook geldt als het vermogen boven de huurtoeslaggrens uitkomt, maarvolledig onder de vermogenswinstbelasting valt, bijvoorbeeld bijbelastingplichtigen van wie het volledige vermogen uit vastgoed bestaat.Moet dan jaarlijks aangifte worden gedaan, ook al is er geen belastbaarresultaat, zo vragen deze leden. Voor de «beschikking bedrag vermogensparen en beleggen» is de hoogte van het gehele box 3-vermogen vanbelang. Het is niet van belang of dat vermogen onder de vermogensaan-wasbelasting of onder de vermogenswinstbelasting valt. Als hetvermogen boven de grens komt dan moet aangifte worden gedaan.Overigens zullen ook belastingplichtigen met enkel of voornamelijkvermogen in de vermogenswinstbelasting doorgaans jaarlijkse inkomstenhebben in de vorm van reguliere voordelen zoals huurinkomsten.De leden van de fractie van de VVD vragen naar een uitwerking van detoedeling van het heffingsvrije resultaat bij buitenlandse inkomsten. Bij devoorkoming van dubbele belasting zal het heffingsvrije resultaat wordentoebedeeld aan binnenlands en buitenlands inkomen uit sparen enbeleggen. Het ligt voor de hand om daarbij een methode te kiezen dieaansluit op de methode die in het Besluit voorkoming dubbele belasting2001 voor de toedeling van het heffingvrije vermogen is gevolgd. Dat wilzeggen dat het vrij te stellen inkomen wordt vastgesteld door daar naarrato van het inkomen een deel van het heffingsvrije resultaat aan toe terekenen. Onderzocht wordt nog op welke wijze dit voor de uitvoering ende automatiseringssystemen rekenkundig het best vormgegeven kanworden.De leden van de fractie van NSC vragen of het introduceren van eenheffingsvrij resultaat leidt tot grotere inkomensschommelingen bijbelastingplichtigen met wisselende rendementen dan het geval zou zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 630 bij een heffingvrij vermogen. Belastingplichtigen met een wisselendrendement hebben per definitie te maken met inkomensschommelingen.Het kan zo zijn dat een belastingplichtige het ene jaar een inkomen bovenhet heffingsvrije resultaat heeft en het andere jaar een inkomendaaronder. Deze belastingplichtige zal het ene jaar wel belasting betalenen het andere jaar niet.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of voor fiscalepartners gerekend wordt met een dubbel heffingsvrij resultaat, zoals nuook het geval is bij het heffingvrije vermogen. Het heffingsvrije resultaatgeldt inderdaad per belastingplichtige, waardoor bij fiscale partners hetheffingsvrije resultaat tweemaal wordt toegepast.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de situatie dateen burger jarenlang een verhuurde woning met een volledige hypotheeken een rendement onder het heffingsvrije resultaat van € 1.800 en eenvermogen onder de vermogensgrenzen voor de toeslagen heeft. Is er daneen risico dat er onvoldoende gegevens zijn vastgelegd om het benodigderesultaat vast te stellen voor de vermogenswinstbelasting en welkeweging is ten aanzien van deze vraag gemaakt, zo vragen deze leden. Degeschetste situatie zal naar verwachting zeldzaam zijn. Belastingplichtigenmet een verhuurde woning in box 3 zullen doorgaans een hoger jaarlijksresultaat hebben dan het heffingsvrije resultaat van € 1.800, ofwel ookandere bezittingen zoals (enig) spaargeld hebben waardoor het vermogenboven de grens voor de «beschikking bedrag vermogen sparen enbeleggen» van € 37.395 komt. Ook als dit niet het geval is, zal men vaakaangifteplichtig zijn voor de inkomstenbelasting, omdat een uitnodigingtot het doen van aangifte wordt gedaan vanwege bijvoorbeeld teverwachten inkomen in box 1 of box 2. Ook als de belastingplichtige enigejaren niet aangifteplichtig is geweest in box 3, is de belastingplichtige zelfverantwoordelijk voor het juist opgeven van de verkrijgingsprijs van dewoning als bijvoorbeeld bij verkoop een vermogenswinst optreedt.3.5. Invoering van de mogelijkheid tot verliesverrekening De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom hetwetsvoorstel geen beperking voor de verliesverrekening kent. Deze ledeninformeren tevens naar de mogelijke gevolgen voor de uitvoering en debegroting van een begrenzing van de verliesverrekening op pakweg tienjaar.In het wetsvoorstel is onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningopgenomen. Deze ruime verliesverrekening wordt voorgesteld, omdat inhet nieuwe stelsel als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting geldt.Daarbij is belasting verschuldigd over waardestijgingen, die mogelijk inlatere belastingjaren worden tenietgedaan door waardedalingen. Dooreen ruime verliesverrekening toe te staan wordt zoveel mogelijkvoorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen wordenbelast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden. Bij eenbegrenzing van de verliesverrekening op tien jaar is de kans dat verliezenniet meer verrekend kunnen worden groter dan bij onbeperktevoorwaartse verliesverrekening. De inschatting is echter dat de meesteverliezen binnen de periode van tien jaar kunnen worden verrekend. Omdie reden zal een beperking van de verliesverrekening tot tien jaar weiniggevolgen hebben voor de uitvoering of de begroting.Daarnaast vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA naar derationale achter het gekozen drempelbedrag van € 500 voor verliesverre-kening. Deze leden vragen ook of het drempelbedrag jaarlijks zal wordengeïndexeerd en zo ja, met welke indexatiefactor. De leden van de fractievan NSC vragen naar de gevolgen van de verrekeningsdrempel voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 631 kleinere beleggers die wel degelijk feitelijke verliezen lijden, maar geentoegang krijgen tot verliesverrekening.Het drempelbedrag voor de verliesverrekening moet worden bezien insamenhang met het heffingsvrije resultaat: dit zijn regelingen om ervoorte zorgen dat het aantal burgers dat belasting moet betalen in box 3beperkt wordt. Zonder deze drempels zou elke burger in Nederlandbox 3-aangifte moeten doen of daar baat bij hebben en dat is vanuit hetoogpunt van doelmatigheid niet wenselijk. Het nadeel van een verliesver-rekeningsdrempel is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomenmeer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabielinkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers nadeel vaneen verliesverrekeningsdrempel. Daarom is gekozen voor een relatief lageverliesverrekeningsdrempel van € 500. Door het heffingsvrije resultaatvast te stellen op een hoger bedrag, namelijk € 1.800, is bewust gekozenom in het voordeel van belastingplichtigen voor de positieve inkomensdie buiten beschouwing blijven een hoger grensbedrag te hanteren danvoor de verliezen. Het drempelbedrag van € 500 voor verliesverrekeningzal jaarlijks worden geïndexeerd op basis van de tabelcorrectiefactor voorde inkomstenbelasting. Dit geldt overigens ook voor het bedrag van hetheffingsvrije resultaat. Kleinere beleggers met verliezen van minder dan€ 500 zullen deze niet kunnen verrekenen, daar staat echter tegenover datdeze kleinere beleggers over winsten van minder dan € 1.800 geenbox 3-heffing hoeven te betalen.Leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar het verschil in hetaantal gevallen met verrekenbare verliezen als de verliesverrekenings-drempel wordt verlaagd naar € 250 en wordt verhoogd naar € 1.000.Daarnaast vragen zij ook naar de budgettaire gevolgen van zo’n verhogingen verlaging. De verliesverrekeningsdrempel verlagen naar € 250 kostgemiddeld ongeveer € 18 miljoen per jaar. Er zijn in deze situatiegemiddeld ongeveer 450.000 extra mensen met verrekenbare verliezenper jaar. De verliesverrekeningsdrempel verhogen naar € 1.000 levertgemiddeld ongeveer € 35 miljoen per jaar op. Er zijn in deze situatiegemiddeld ongeveer 550.000 minder mensen met verrekenbare verliezenper jaar.De leden van de fracties van de VVD en NSC vragen waarom gekozen isvoor enkel verliesverrekening naar de toekomst (carry-forward) en of ditniet in strijd is met het uitgangspunt van werkelijke rendementsheffing.Ook vragen deze leden naar de gevolgen hiervan bij sterk fluctuerendevermogensposities en of het ontbreken van achterwaartse verliesverre-kening bij waarde-volatiliteit leidt tot intering op vermogen. Het toestaanvan carry-back zorgt voor een derving in de eerste jaren van honderdenmiljoenen die door aanpassing van andere parameters, zoals het tarief ofhet heffingsvrije resultaat, gedekt moet worden. Daarnaast is het toestaanvan carry-back complex voor de Belastingdienst, omdat aanslagen vanoude jaren moeten worden aangepast. Ook in box 1 en in box 2 wordt eenheffing op basis van het werkelijke inkomen gecombineerd met beper-kingen voor de verliesverrekening; dit is niet met elkaar in strijd. Bijwaarde-volatiliteit zijn er relatief veel waardemutaties en dus ook veelwaardestijgingen waardoor de geleden verliezen in de regel verrekendzullen kunnen worden. In jaren waarin sprake is van een verlies, is geenbelasting verschuldigd en zal dus ook geen sprake zijn van intering opvermogen als gevolg van belastingheffing.De leden van de fractie van de VVD vragen of stockdividend onder devermogensaanwasbelasting valt en of dit leidt tot dubbele heffingvanwege de dividendbelasting. Dividend, waaronder ook stockdividend,wordt volgens het wetsvoorstel in aanmerking genomen als reguliervoordeel. In de regel zullen de ontvangen aandelen onderdeel gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 632 uitmaken van het box 3-vermogen en in dat geval worden die aandelentevens aangemerkt als storting. Vanaf het moment dat de aandelenonderdeel zijn van het box 3-vermogen zullen de waardemutaties inaanmerking worden genomen als vermogensaanwas. Aangeziendividendbelasting een voorheffing is voor de inkomstenbelasting, kan ernooit sprake zijn van dubbele heffing als gevolg van een samenlooptussen de dividendbelasting en de inkomstenbelasting. De gehevendividendbelasting wordt immers met de inkomstenbelasting verrekend.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de uitwerking van hetwetsvoorstel eruitziet bij niet-beursgenoteerde aandelen. Er wordt in hetwetsvoorstel geen onderscheid gemaakt tussen beursgenoteerdeaandelen en niet-beursgenoteerde aandelen. De belastingplichtige zal, netzoals nu, elk jaar de waarde in het economische verkeer van zijnniet-beursgenoteerde aandelen opgeven. Volgens het wetsvoorstel wordthet dividend aangemerkt als regulier voordeel. De waardeontwikkelingwordt volgens de voorgestelde vermogensaanwasbelasting in de heffingbetrokken.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe in de vermogensaanwas-belasting wordt omgegaan met het belasten van winsten die in laterejaren weer verdampen en of er sprake kan zijn van ongelijkheid tussenjaren en tussen belastingplichtigen. Het komt voor dat een vermogenstitelin waarde stijgt en in een later jaar weer in waarde daalt. Per saldo is erdan mogelijk helemaal geen sprake van winst. In het genoemde scenariowaarin sprake is van lange termijnverliezen, is conform de vermogensaan-wasbelasting in het eerstgenoemde jaar sprake van belastbaar inkomen(aangenomen dat de vermogensaanwas het heffingsvrij resultaatoverstijgt). In het latere jaar, wanneer sprake is van verlies op devermogenstitel, kan dit verlies in dat jaar weggestreept worden tegeninkomsten uit andere vermogensbestanddelen in box 3. Indien er sprakeis van een nettoverlies over het totale vermogen in box 3, kan dit verlies(boven het drempelbedrag van € 500) weggestreept worden tegeninkomsten in de toekomst wanneer die zich voordoen (voorwaartseverliesverrekening). Deze verliesverrekening is onbeperkt in de tijdmogelijk. Verliesverrekening zorgt voor een neutrale uitwerking van debelastingheffing op bijvoorbeeld risicovolle en veilige beleggingen, enkortdurende of langer durende investeringen. Dit leidt dus tot meergelijkheid. Aan de verliesverrekening zit wel een praktische grens: als inde toekomst helemaal geen winst meer wordt gemaakt, kunnen eerdereverliezen ook niet verrekend worden.De leden van de fractie van de VVD maken zich zorgen om aandeel-houders die hun aandelen met verlies moeten verkopen omdat zeonvoldoende liquide zijn om de box 3 belasting te betalen. Aandelenworden belast middels een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent datals een aandeel minder waard wordt, dit leidt tot een negatief inkomen ener dat jaar geen belasting verschuldigd is over de verlieslatende aandelen.Bovendien kent het nieuwe stelsel voorwaartse verliesverrekening, watbetekent dat verliezen uit eerdere jaren in latere jaren verrekend kunnenworden.Vervolgens willen deze leden weten op basis van welk onderzoek hetkabinet veronderstelt dat de liquiditeitsproblemen in box 3 zeer beperktzijn. Uit een onderzoek26 uit 2022 blijkt dat in 2017 en 2018 slechts 0,4%van de box 3-belastingplichtigen een betalingsregeling heeft aange-vraagd. Voor ruim 90% van deze groep was deze betalingsregelingvoldoende. Uit recente gegevens van de Belastingdienst blijkt dat dezelfde26Bijlage bij Kamerbrief van 29 september 2022, Vergelijking vermogenswinst- en vermogens-aanwasbelasting en andere toezeggingen toekomstig stelsel box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 633 percentages gelden voor de jaren 2019 tot en met 2022. De optie van eenbetalingsregeling blijft onverkort beschikbaar voor belastingplichtigen inhet nieuwe box 3-stelsel. Bovendien zal voor onroerende zaken enaandelen in startende ondernemingen een vermogenswinstbelastinggelden, terwijl voor die vermogensbestanddelen de ongerealiseerdevermogensaanwas nu nog jaarlijks forfaitair wordt belast.De leden van de fractie van de VVD vragen of er juridische risico’s zijn,bijvoorbeeld rond onteigening. Naar het oordeel van het kabinet voldoethet voorstel om in box 3 belasting te heffen op basis van het werkelijkbehaalde rendement aan de eisen van het EVRM, waardoor er geensprake is van een schending van het eigendomsrecht. Het wetsvoorstelleidt tot een gerechtvaardigde regulering van het eigendomsrecht. Ditwordt nader toegelicht in paragraaf 5.1 van het algemeen deel van dememorie van toelichting.De leden van de fractie van NSC vragen waarom niet is gekozen voorharmonisatie op het gebied van verliesverrekening, bijvoorbeeld metbox 1 of de vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt regels voor deverliesverrekening voor die zijn toegesneden op box 3. Het drempel-bedrag voor de verliesverrekening en het heffingsvrije resultaat zorgenervoor dat het aantal burgers dat belasting moet betalen in box 3 wordtbeperkt. Zonder deze drempels zou elke burger in Nederland box 3-aangifte moeten doen of daar baat bij hebben en dat is vanuit het oogpuntvan doelmatigheid niet wenselijk. Op dit punt is box 3 niet vergelijkbaarmet bijvoorbeeld box 1 of de vennootschapsbelasting. Daarnaast wordtvoor box 3 als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting voorgesteld.Bij een vermogensaanwasbelasting is een ruime verliesverrekeningwenselijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat waardestijgingen wordenbelast die later teniet worden gedaan door waardedalingen. Om die redenwordt voor box 3 een onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningvoorgesteld.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er belangrijkeinformatie verloren gaat over te verrekenen verliezen van langer dan vijfjaar geleden, aangezien er voor belastingplichtigen een administratie-plicht geldt voor vijf jaar terwijl verliezen onbeperkt voorwaarts kunnenworden verrekend.Belastingplichtigen worden op basis van het wetsvoorstel verplichtgedurende de termijn, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Algemenewet inzake rijksbelastingen, bepaalde gegevens te bewaren. Deze periodekomt veelal overeen met de reguliere aanslagtermijn van drie jaren naafloop van het belastingjaar (als er geen sprake is van de toepassing vaneen uitstelregeling). Als belastingplichtigen in hun aangifte verliezen inbox 3 aangeven dan ontvangen zij van de inspecteur een beschikking opbasis waarvan verliezen worden vastgesteld. Bij de vaststelling van deverliezen kan de inspecteur belastingplichtigen verzoeken om de verliezenaannemelijk te maken en hierover gegevens aan de inspecteur teverstrekken. Nadat de verrekenbare verliezen door de inspecteur zijnvastgesteld, worden deze door de Belastingdienst bijgehouden en kunnende verliezen worden verrekend met toekomstige positieve inkomsten inbox 3.De leden van de fractie van de SGP vragen naar voorbeelden van deverliesverrekening. De voorbeelden in paragraaf 8.1 van de memorie vantoelichting bij het onderhavige wetsvoorstel bevatten enkele microvoor-beelden waarin ook verliesverrekening is verwerkt. Verder vragen dezeleden naar de budgettaire consequenties als de verliesverrekenings-drempel vervalt. Om doelmatigheidsredenen is het onwenselijk om geendrempel voor verliesverrekening op te nemen. Als de verliesverrekenings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 634 drempel verlaagd wordt naar € 250 kost dit gemiddeld ongeveer€ 18 miljoen per jaar. Hierdoor kan het aantal mensen dat aangifte doettoenemen met gemiddeld 450.000 mensen per jaar.De leden van de fractie van de SGP vragen of sprake is van een schendingvan het gelijkheidsbeginsel bij belastingplichtigen met schommelendeinkomsten, inclusief verliezen onder de € 500, omdat zij een nadeelkunnen hebben in vergelijking met belastingplichtigen met een stabielinkomen. Het stellen van beperkingen aan de verliesverrekening isalgemeen aanvaard en leidt niet tot strijdigheid met het gelijkheidsbe-ginsel. Voor het toekomstige box 3-stelsel wordt een onbeperktevoorwaartse verliesverrekening voorgesteld met een drempel van € 500.Het nadeel van een verliesverrekeningsdrempel en van een beperking inde tijd is dat sommige belastingplichtigen met een fluctuerend inkomenmeer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabielinkomen. Dit is een nadeel dat ook geldt bij de huidige verliesverreke-ningsmogelijkheden in box 1 en box 2.3.6. Aanpassing van de tariefstelling De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom hetvoorgestelde tarief in box 3 36% bedraagt. Het kabinet hecht waarde aanstabiel fiscaal beleid. Per 2024 is het tarief in box 3 verhoogd naar 36%.Het kabinet heeft besloten in het stelsel werkelijk rendement bij ditpercentage aan te sluiten.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet heeftoverwogen om box 3 samen te voegen met box 1 zodat het gezamenlijkeinkomen volgens één tariefschema wordt belast of het tarief te koppelenaan de progressieve tarieven in box 1. Deze leden vragen naar de voor- ennadelen van een dergelijke heffing waarbij ook het inkomen in box 3progressief belast zou worden volgens de tariefstelling van box 1. Hetnieuwe stelsel wordt budgettair neutraal vormgegeven ten opzichte vanhet huidige box 3-stelsel. Het kabinet kiest ervoor om een uniform, vlaktarief van 36% te houden in box 3. Redenen voor deze tariefstelling zijn deeenvoud en de internationale mobiliteit van de factor kapitaal. Als detariefstelling in box 1 zou worden overgenomen in box 3 dan zou dat toteen grote lastenverzwaring in box 3 leiden. Het tarief van de tweede schijfin box 1 is 37,48% (in 2025). Als het box 3-tarief naar dit percentage wordtverhoogd, levert dit ongeveer € 315 miljoen op. Het box 3-tarief verhogennaar het toptarief in box 1 (49,5%) brengt het globale evenwicht uitbalans. Het gecombineerde tarief in de vennootschapsbelasting en box 2is 38,85%. Een tarief in box 3 hoger dan dit gecombineerde tarief leidt totgrotere gedragseffecten en het verplaatsen van vermogen van box 3 naarde vennootschap.3.7. Onroerende zaken De leden van de fracties van de BBB, GroenLinks-PvdA, de VVD, NSC,CDA, D66 en de SGP hebben vragen gesteld over de vastgoedbijtelling.De leden van de fractie van BBB vragen om nadere uitleg over detoepassing van dit voorgestelde forfait voor eigen gebruik. Een bezittervan een onroerende zaak kan ervoor kiezen om een onroerende zaak inbox 3 te verhuren, of niet. Als hij ervoor kiest deze niet te verhuren maarde box 3-woning beschikbaar te houden voor (eigen) gebruik, dan maakthij (impliciet) de keuze om de huurinkomsten niet te ontvangen. Hetbeschikbaar zijn voor gebruik (eigen gebruik, verhuur of anderedoeleinden) van deze onroerende zaak heeft voor de bezitter daneconomisch gezien een waarde die gelijk is aan de huur die hij in eenopen markt zou kunnen ontvangen: de huurwaarde. Als een onroerendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 635 zaak in box 3 het gehele jaar niet wordt verhuurd, dan geldt de vastgoed-bijtelling voor deze woning gedurende het gehele kalenderjaar. Debelastingplichtige heeft er dan voor gekozen om de onroerende zaak opeen andere manier rendabel te maken dan door verhuur. Er vindt dan eenvastgoedbijtelling bij het inkomen plaats van 3,35% over de waarde vande onroerende zaak. Met de vastgoedbijtelling wordt dus op forfaitairewijze de economische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik (voorverhuur, eigen gebruik of andere doeleinden) van de betreffendeonroerende zaak belast. Onderhoudskosten en andere periodieke kostenzijn aftrekbaar in het jaar waarin de belastingplichtige deze kosten maakt.Kosten van verbetering zijn aftrekbaar wanneer de onroerende zaak devermogenswinstbelasting bij de belastingplichtige verlaat, meestal bijverkoop. De vastgoedbijtelling geldt overigens niet alleen voor woningenmaar ook voor andere onroerende zaken.Als de onroerende zaak minder dan 90% van het kalenderjaar wordtverhuurd, dan is de hoogste van de volgende voordelen belast: dehuuropbrengst in het kalenderjaar of de vastgoedbijtelling over hetkalenderjaar. De leden van de fractie van BBB hebben een voorbeeldgegeven van een woning die voor 60% van het jaar wordt verhuurd en40% van het jaar privé wordt gebruikt. Zoals uit het bovenstaande volgt,geldt in die situatie de hoogste van beide voordelen. Deze leden vragenvervolgens naar de juridische gevolgen wanneer sprake is van lagehuurinkomsten en hoge kosten. Als de onroerende zaak voor minder dan90% van het kalenderjaar wordt verhuurd moet eerst worden vastgesteldof de huurinkomsten hoger zijn dan de vastgoedbijtelling. In beidegevallen kunnen de (hoge) kosten in mindering worden gebracht op de inaanmerking te nemen inkomsten. Het kan zich voordoen dat de (huur)in-komsten (of de vastgoedbijtelling) in een jaar (of meerdere jaren) lagerzijn dan de kosten. Dan is deze belegging verliesgevend voor de belasting-plichtige. Het verlies wordt volgens de verliesverrekeningsregels eerstverrekend met eventuele andere voordelen in box 3 in hetzelfde belas-tingjaar en voor zover nog een verlies resteert met inkomsten in box 3 ineen volgend belastingjaar.De leden van de fractie van de VVD hebben gevraagd of eigenaren die dewoning in box 3 slechts incidenteel gebruiken of langdurige leegstandhebben, volledig onder de vastgoedbijtelling vallen. De vastgoedbijtellinggeldt voor het hele kalenderjaar zolang de onroerende zaak in het bezit isvan de belastingplichtige, ongeacht het daadwerkelijke gebruik daarvan.In dat kader vragen deze leden of het kabinet bereid is de vastgoedbij-telling te herzien op basis van daadwerkelijk gebruik, of althans eendagencriterium (zoals bij forensenbelasting) in te voeren en of deaansluiting bij de 90 dagenregel uit de forensenbelasting geen eerlijkerbenadering zou zijn. Ook de leden van de fractie van het CDA constaterendat iemand nooit het gehele jaar gebruikmaakt van een vakantiewoning.Deze leden vragen of het terecht is om de besparing van het gebruik opbasis van het volledige jaar te berekenen. Deze leden vinden dat de enkelemogelijkheid tot gebruik van een onroerende zaak geen belastbaarinkomen is en vragen of het kabinet deze mening deelt en hoe dit zichverhoudt tot het draagkrachtbeginsel. Het kabinet deelt deze opvattingniet. De doelstelling van de vastgoedbijtelling is om het voordeel in naturavan de beschikbaarheid voor gebruik (eigen gebruik, verhuur of anderedoeleinden) van de onroerende zaak te belasten. Zoals uit het voorgaandekan worden afgeleid, wordt bij ten minste 90% verhuur in een kalen-derjaar al aangenomen dat sprake is van verhuur gedurende het helekalenderjaar. Dan is de huuropbrengst belast. De periode van maximaal10% niet verhuur is niet belast. Zo wordt rekening gehouden met eenperiode waarin sprake is van korte leegstand tussen verhuurperiodes inen korte leegstand vanwege een (ingrijpende) verbouwing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 636 Verder vragen de leden van de fractie van de VVD hoe het verschilverklaard kan worden tussen de hoogte van de vastgoedbijtelling (3,35%)en het eigenwoningforfait (0,35%). Ook de leden van de fractie van hetCDA vragen daarnaar. Voor de heffing in box 3 is een woning in die boxuitsluitend een beleggingsobject. Er is dus geen sprake van een beste-dingsaspect zoals bij de eigen woning het geval is. Dat betekent dat desystematiek niet op voorhand aansluit bij de eigen woning in box 1. Dehoogte van het eigenwoningforfait werd bij invoering in 1993 bepaald aande hand van het brutohuurwaardeforfait gecorrigeerd voor een beste-dingsaspect en (forfaitair bepaalde) aftrekposten om tot een netto-huurwaardeforfait te komen. De onderbouwing van dit forfait is voor hetlaatst in 1997 geactualiseerd, zoals ook is aangegeven in het rapport vande Algemene Rekenkamer in 201927. Sindsdien is het forfait jaarlijksbijgesteld door middel van het bijstellingsmechanisme, waarbij deoorspronkelijke onderbouwing is losgelaten. Daarbij komt dat heteigenwoningforfait in de periode 2020 tot en met 2022 beleidsmatig isverlaagd. Inmiddels is gestart met een onderzoek naar de toekomstbe-stendigheid van de eigenwoningregeling. Naast de houdbaarheid van de30-jaarstermijn zal hierbij ook aandacht zijn voor de onderbouwing enhoogte van het eigenwoningforfait.Ook de leden van de fractie van de BBB hebben een vraag gesteld overhet percentage van de vastgoedbijtelling. Deze leden vragen of het nietlogischer en realistischer zou zijn om het percentage naar beneden bij testellen, gecorrigeerd voor de ontwikkelingen in huur en WOZ. Devoorgestelde vastgoedbijtelling voor woningen is 3,35% van deWOZ-waarde. Aangezien het bedrag voor de vastgoedbijtelling zal wordengesteld op een percentage van de WOZ-waarde, zal dit bedrag hoger oflager worden, als de WOZ-waarde hoger of lager wordt. Het percentagevoor de vastgoedbijtelling is vastgesteld op het 10e percentiel van degemiddelde economische huurwaarde. Dat betekent dat 90% van dewoningen in box 3 een hogere economische huurwaarde heeft. Opverzoek van het kabinet heeft Stichting Economisch Onderzoek (SEO)onderzoek28 gedaan naar de hoogte en de spreiding van de huurwaardevan niet verhuurde box 3-woningen. Uit dit onderzoek van SEO blijkt datde economische huurwaarde, uitgedrukt als percentage van deWOZ-waarde, over de tijd stabiel is. Het kabinet ziet dus geen aanleidingom het percentage nog lager vast te stellen dan nu is gedaan.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is ombelastingplichtigen de mogelijkheid te bieden om tegenbewijs te leverenom de werkelijke economische huurwaarde van de woning aan te tonen.De leden van de fractie van de SGP vragen eveneens naar de situatiewaarin vakantiewoningen een groot deel van het jaar leeg staan en nietworden verhuurd. In sommige gevallen is immers verhuur in een deel vaneen jaar zelfs niet toegestaan, zo stellen deze leden. Zij vragen of hetkabinet het met hen eens is dat de vastgoedbijtelling dan niet dewerkelijkheid benadert. Om redenen van uitvoerbaarheid en doenlijkheidis voorgesteld om de economische huurwaarde van een onroerende zaakforfaitair te bepalen via de vastgoedbijtelling. Hierbij is zo veel mogelijkaangesloten bij de werkelijkheid. In veel voorkomende situaties zal hetlastig zijn om te bepalen of de onroerende zaak een aanzienlijk lagere ofhogere werkelijke huurwaarde heeft dan de vastgoedbijtelling. Hetvoordeel van de beschikbaarheid voor gebruik is theoretisch gezien gelijkaan de bruto aanvangshuur die men in een vrije markt, zonder beper-kingen, zou kunnen ontvangen. Daarbij wordt uitgegaan van deaanvangshuur bij nieuw te sluiten huurcontracten en niet van het27Forfaits in het belastingstelsel | Rapport | Algemene Rekenkamer28Kamerstukken II 2023/24, 2024D25881.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 637 gemiddelde van alle lopende huurcontracten. Het gaat om het bedrag dateen derde nu bereid zou zijn te betalen om de onroerende zaakbeschikbaar te krijgen voor gebruik. Dit wordt ook wel de economischehuurwaarde genoemd. Het bepalen van de economische huurwaarde vaneen individuele niet verhuurde onroerende zaak is echter zowel voorbelastingplichtigen als voor de Belastingdienst heel ingewikkeld. Om dezeredenen van uitvoerbaarheid en doenlijkheid is voorgesteld om deeconomische huurwaarde van een onroerende zaak forfaitair te bepalen.In reactie op de vraag van de leden van de fractie van de SGP naar desituatie dat verhuur een deel van het jaar niet is toegestaan, wijst hetkabinet erop dat dergelijke beperkingen een waardedrukkend effectkunnen hebben op de woning. De waarde van recreatiewoningen enoverige woningen kan immers lager liggen dan de waarde van anderewoningen als het gebruik gedurende een deel van het jaar beperkt is. Bijeen lagere WOZ-waarde wordt ook het bedrag van de vastgoedbijtellinglager, aangezien dit een percentage van de WOZ-waarde is.De leden van de fracties van de VVD en D66 vragen naar de juridischehoudbaarheid van de vastgoedbijtelling. Uit het onderzoek van SEO naarde hoogte en de spreiding van de huurwaarde van niet verhuurdebox 3-woningen blijkt dat in de periode 2019–2021 de gemiddelde (bruto)economische huurwaarde gelijk was aan 5,06% van de WOZ-waarde. Deruwheid die inherent is aan een forfaitaire regeling geeft aanleiding om bijhet vaststellen van de bijtelling een aanzienlijke voorzichtigheidsmarge inte bouwen ten opzichte van deze gemiddelde huurwaarde. Daarom isgekozen voor een brutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel vande verdeling. De brutohuurwaarde van het 10e percentiel is 3,35%.Volgens het kabinet is de vastgoedbijtelling daarmee proportioneel en ookjuridisch houdbaar.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de juridische enbudgettaire gevolgen als de huurwaarde lager ligt dan de huurwaarde van80% van de woningen in plaats van 90%. De wijziging van het percentagevan 90% naar 80% heeft tot gevolg dat er meer belastingplichtigen zullenzijn waarvan de huurwaarde lager is dan de hoogte van de vastgoedbij-telling. Hierdoor zou een juridisch risico kunnen ontstaan. De vastgoedbij-telling neemt volgens het onderzoek van SEO uit 2024 in dat geval toe van3,35% tot 4,13%. Dit leidt tot een belastingopbrengst van ongeveer€ 230 miljoen (prijzen 2025).De leden van de fractie van de VVD constateren dat de vastgoedbijtellingvan 3,35% is gebaseerd op rendementen van reguliere huurwoningen,terwijl vakantiewoningen doorgaans een veel lager rendement opleveren.Deze leden vragen om uitleg waarom geen afzonderlijk onderzoek naarvakantiewoningen is gedaan en vragen of het kabinet bereid is dat alsnogte doen vóór de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3.Deze leden stellen dat de WOZ-waarde niet altijd representatief is voor dehuurwaarde van een vakantiewoning en vragen of onderzocht is of deWOZ-waarde als grondslag hier passend is. Volgens het kabinet is deWOZ-waarde als grondslag passend voor vakantiewoningen. Hiervoor isgekozen met het oog op eenvoud. Hiermee volgt het kabinet eenbestendige gedragslijn aangezien de WOZ-waarde hier nu ook al voorgeldt.De leden van de fractie van de VVD vragen verder of een opinie van deLandsadvocaat is gevraagd over de vastgoedbijtelling. En of is onderzochthoe belastingplichtigen de vastgoedbijtelling zullen ervaren en of devoorgestelde vastgoedbijtelling voldoende aansluit bij het rechtsgevoelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 638 van burgers. Op verzoek van het kabinet heeft de Landsadvocaat29 in 2024geadviseerd over de vraag of het opnemen van een forfait voor onder-houdskosten in de vastgoedbijtelling juridisch houdbaar is. Of eenforfaitaire vastgoedbijtelling als zodanig toelaatbaar is, is – gezien deadviesaanvraag – in dit advies buiten beschouwing gebleven. Zoalshierboven al is opgemerkt, betreft de vastgoedbijtelling een voordeel innatura waarbij het volgens het kabinet voor de hand ligt om de omvangvan dat voordeel met een forfait, de vastgoedbijtelling, vast te stellen. Ditforfait moet wel zo veel mogelijk de werkelijkheid benaderen. Het kabinetziet dan ook geen redenen om hierover advies te vragen.Bureau Blauw30heeft op verzoek van het kabinet in 2024 onderzoekgedaan naar de vastgoedbijtelling onder eigenaren met onroerende zakenin box 3. De voorgestelde fiscale regels voor het belasten van onroerendezaken in box 3 op werkelijke bedragen ervaren zij op hoofdlijnen als eerlijken begrijpelijk, hoewel een deel van de eigenaren dat niet verhuurt, er nietof nauwelijks bij stilstaat waarom er voor hun situatie een vastgoedbij-telling geldt. Voor het gevoel heeft men immers geen opbrengst van deonroerende zaak. Verder hebben verhuurders met relatief veel vastgoedtwijfels bij de doenlijkheid. Men ziet het enerzijds als groot voordeel datkosten voor onderhoud en verbetering aftrekbaar worden. Dat het omwerkelijke kosten gaat, heeft impact op de perceptie van eerlijkheid.Anderzijds geldt dat, afhankelijk van de hoeveelheid onroerende zaken ende staat ervan, onderhoudskosten aardig kunnen oplopen. Dat betekentdat er veel bonnetjes en rekeningen moeten worden bewaard. Dat kan alseen behoorlijke opgave worden ervaren.De leden van de fractie van NSC vragen in hoeverre is voorzien inindividuele rechtsbescherming bij een bijtelling die niet representatief isvoor het daadwerkelijk genoten voordeel. Het staat belastingplichtigenuiteraard vrij om een bezwaarschrift in te dienen tegen hun belasting-aanslag en eventueel hiertegen in beroep te gaan bij de rechter. Dat geldtook als zij vinden dat de vastgoedbijtelling niet representatief is voor hundaadwerkelijk genoten voordeel. Hierbij is dan wel van belang dat devastgoedbijtelling beoogt de economische huurwaarde van de betref-fende onroerende zaak te belasten. Niet het daadwerkelijke eigen gebruikof de daadwerkelijke huuropbrengsten als deze lager zijn dan devastgoedbijtelling en de onroerende zaak niet nagenoeg geheel wordtverhuurd. Ook is van belang dat volgens de Hoge Raad een forfaitjuridisch houdbaar is, als kan worden aangenomen dat het in de regel hetwerkelijke rendement benadert.31 Dat is het geval bij de vastgoedbij-telling.De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat het forfaitvoor vakantiewoningen is vastgesteld op basis van data over regulierehuurwoningen. In het onderzoek naar de huurwaarderatio door SEOhebben de onderzoekers op basis van wél verhuurde woningen eenverband geschat tussen woningkenmerken en huur. Kenmerken waarvangebruik is gemaakt, zijn onder andere gebruiksoppervlak, locatie,bouwjaar, woningtype en wel/niet nieuwbouw. Vervolgens is dit verbandtoegepast op niet verhuurde box 3-woningen om op basis van dekenmerken een inschatting te maken van de huurwaarde. De zogenoemde«hedonische» methode die SEO heeft gebruikt om het verband tussenwoningkenmerken en woninghuur in te schatten, is de voorkeursmethodevan het Europese statistiekbureau Eurostat. De vastgoedbijtelling zalperiodiek worden herijkt op basis van actuele gegevens over de29Kamerstukken II 2024/25, 2025D03010.30Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 223.31HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.3.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 639 huurwaarden en over de kosten, waarbij het eerste moment samenvaltmet de evaluatie van de wet, vijf jaar na inwerkingtreding van de nieuwewet. Deze leden vragen verder of ten aanzien van de vastgoedbijtellingbudgetneutraliteit een leidend argument is geweest. Bij het percentagevoor de vastgoedbijtelling heeft het kabinet met het oog op de juridischehoudbaarheid van dit forfait een voorzichtigheidsmarge ingebouwd tenopzichte van de gemiddelde huurwaarde. Daarom is gekozen voor eenbrutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel. Dat betekent dat 90%van de woningen een hogere huurwaarde heeft dan waar in het gekozenpercentage rekening mee is gehouden. De brutohuurwaarde van het 10epercentiel is 3,35%. Het uitgangspunt is om het nieuwe box 3- stelselbudgetneutraal in te voeren. Dit doel wordt bereikt met de volgendeparameters. De vastgoedbijtelling bedraagt 3,35%, het heffingsvrijeresultaat is € 1.800, de verliesverrekeningsdrempel € 500 en het belas-tingtarief 36%.De leden van de fractie van de VVD vragen naar een Beslisnota uit 2023,waarop volgens deze leden de vastgoedbijtelling lijkt te zijn gebaseerd.Deze leden constateren dat deze nota verwijst naar een voorbeeld van eenhoofdverblijf en niet van een recreatief gebruikte woning. Deze ledenvragen of het kabinet de geraadpleegde economen en hun onderbouwingopenbaar kan maken. De leden van de fractie van de VVD bedoelenvermoedelijk de nota van 13 november 2023 (notanummer2023-0000260227). Hierin wordt het volgende gesteld: «De exacte hoogtevan de forfaitaire huurwaarde van niet verhuurde woningen kan door hetnieuwe kabinet worden gekozen. Voorlopig gaan we uit van een forfaitvan 5% omdat dit ongeveer gelijk is aan het economisch gemiddelde vanalle onroerende zaken in Nederland. In de varianten voor de internetcon-sultatie is ook gerekend met een forfait van 5% voor eigen gebruik.»Uiteindelijk is een veel lagere vastgoedbijtelling voorgesteld, ook omjuridische risico’s zo veel mogelijk te beperken.Ten aanzien van de economen staat in die nota het volgende: «Het(beschikbaar zijn voor) eigen gebruik van deze onroerende zaak heeft voorde bezitter dan economisch gezien een waarde die gelijk is aan de huurdie hij in een open markt zou kunnen ontvangen: de huurwaarde. Omdeze reden vinden economen (inclusief De Nederlandsche Bank – DNB)dat een economisch neutraal belastingstelsel dat huurinkomsten belast,ook deze huurwaarde zou moeten belasten. De huurwaarde is ook (zij hetin beperkte mate) belast bij de eigen woning. Andere landen kennen ookbelasting op de huurwaarde.» Het is al langer duidelijk dat DNB pleit vooreen gelijkere fiscale behandeling van huur en koop.32 In gesprekken metDNB is destijds naar voren gekomen dat dit niet beperkt is tot box 1 en dehypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait, maar evenzeerbetrekking heeft op onroerende zaken in box 3. Door het voordeel uiteigen gebruik in box 3 vrij te stellen, zouden verhuurde en niet verhuurdewoningen ongelijk worden behandeld, met een fiscaal voordeel vooreigenaren van tweede woningen tot gevolg. De huurwaarde wordtdaarnaast door statistiekbureaus, zoals het Centraal Bureau voor deStatistiek (CBS) en Eurostat, gezien als een onderdeel van het inkomen,dat wordt meegenomen bij de berekening van onder andere inflatiecijfers.Dit is een gevolg van het algemeen gedeelde economische inzicht dat dehuurwaarde van niet verhuurde onroerende zaken onderdeel zou moetenzijn van het (belastbare) inkomen. Dit is bijvoorbeeld uiteengezet in eenartikel van Figari et al. uit 201633, waarin het niet of onvoldoende belasten32Zie bijvoorbeeld https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/nieuws-2020/verkleinen-kostenverschil-tussen-koop-en-huur-werkt-welvaartsverhogend/.33Figari et al. (2016). Removing Homeownership Bias in Taxation: The Distributional Effects ofIncluding Net Imputed Rent in Taxable Income.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 640 van het voordeel uit eigen gebruik de «homeownership bias» wordtgenoemd, omdat huiseigenaren erdoor worden bevoordeeld. In deintroductie van dat artikel wordt verwezen naar elf verschillende weten-schappelijke artikelen, teruggaand tot 1943, waarin deze homeownershipbias in belastingstelsels en de gevolgen ervan zijn bestudeerd.De leden van de fracties van de VVD, GroenLinks-PvdA, NSC en deChristenUnie hebben vragen gesteld over de inbrengwaarde vanonroerende zaken bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendementbox 3. De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre is onder-zocht om de beginwaarde voor onroerende zaken en aandelen in eenstartende onderneming te stellen op het minste van de daadwerkelijkeverkrijgingsprijs of de waarde in het economische verkeer die aan hetbegin van het kalenderjaar 2028 aan deze bezittingen kan wordentoegerekend. Deze leden vragen ook hoe het kabinet rechtvaardigt datpre-2028 vermogensgroei in de heffing wordt betrokken, terwijl in dememorie van toelichting juist het omgekeerde wordt betoogd. Deze ledenvragen daarnaast waarom voor niet-woningen wordt gekozen voor dewaarde in het economische verkeer per 1 januari 2028, maar voorwoningen niet. Deze leden vragen of het kabinet bereid is in lijn met hetuitgangspunt «slechts belasten wat ná inwerkingtreding ontstaat» – alleonroerende zaken (woningen én niet-woningen) te waarderen opwerkelijke waarde per 1 januari 2028, zonder WOZ-time-lag en zonderleegwaarderatiokorting. Deze leden vragen tevens of het kabinet kanbevestigen dat waardegroei vóór 1 januari 2028 via een overgangsartikelwordt vrijgesteld als bovengenoemde aanpassing niet wordt doorge-voerd. Deze leden vragen vervolgens of de step-up bij inwerkingtredingvan de nieuwe wet zal leiden tot strategisch bezwaar om een hogere (oflatere juist lagere) WOZ-waarde te verkrijgen, met budgettaire enjuridische gevolgen. Ook de leden van de fractie van GroenLinks-PvdAvragen of veel extra bezwaren tegen de WOZ-waarde worden verwacht enof een prikkel bestaat om de WOZ-waarde zo hoog mogelijk te latenvaststellen. De leden van de fractie van de VVD vragen ook waarom isgekozen voor verplichte toepassing van de WOZ-waarde bij woningen, inplaats van de werkelijke waarde zoals bij ander vastgoed en of het kabinetbereid is om tegenbewijs toe te staan wanneer de economische waardeaantoonbaar hoger is. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragenwaarom aankoopkosten, zoals overdrachtsbelasting en notariskosten nietin de beginwaarde worden meegenomen. Deze leden vragen of het kloptdat deze aankoopkosten wel meetellen bij een pand dat wordt gekocht na2028 en of het niet rechtvaardig is om onroerende zaken die op basis vande WOZ-waarde worden ingebracht hiervoor (deels) te compenseren. Deleden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het juist is dat debeginwaarde pas bekend is nadat de Wet werkelijk rendement box 3 inwerking is getreden. De leden van de fractie van NSC vragen hoe dewaarde van onroerende zaken wordt vastgesteld bij inbreng in box 3, alsgeen sprake is van een realisatie. Deze leden vragen of hierbij standaardwordt aangesloten bij de WOZ-waarde en of dit tot een consistente enuitlegbare waardering leidt voor alle typen vastgoed.Voor de waardering van onroerende zaken wordt voor het vaststellen vande beginwaarde op 1 januari 2028 in het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 onderscheid gemaakt tussen woningen enniet-woningen. Voor woningen geldt de WOZ-waarde, voor niet-woningende waarde in het economische verkeer. Dit zijn dezelfde waarderings-regels als in het huidige box 3-stelsel. Daarbij is gekozen voor eenvoud,zowel voor de belastingplichtigen met onroerende zaken als voor deBelastingdienst (uitvoering). Een keuzeregeling, bijvoorbeeld tussendaadwerkelijke verkrijgingsprijs of de waarde in het economische verkeerdie aan het begin van het kalenderjaar 2028 aan deze bezittingen kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 641 worden toegerekend, zoals de leden van de fractie van de VVD betogen, isvoor de uitvoering niet wenselijk. Belastingplichtigen met een woning zijnook gewend om de door de gemeente bepaalde WOZ-waarde tegebruiken. Aangezien de WOZ-waarde ervan uitgaat dat de woning,waarvoor de huurders huurbescherming genieten, niet wordt verhuurd enniet is bezwaard, zorgt de leegwaarderatio er juist voor om de waarde ineen woning in verhuurde staat zo goed mogelijk te bepalen. Belasting-plichtigen met een niet-woning, zoals een verhuurd kantoorpand in privé,zijn gewend om de waarde in het economische verkeer te (laten) bepalen.Bij niet-woningen sluit de WOZ-waarde ook minder goed aan bij dewerkelijke waarde dan bij woningen.Als inbrengwaarde geldt voor woningen en niet-woningen dezelfdepeildatum, te weten 1 januari 2028, de beoogde datum van invoering vande Wet werkelijk rendement box 3 (dus niet de waarde op 1 januari 2027).Voor de inbrengwaarde voor woningen is namelijk gekozen voor deWOZ-waarde met de peildatum 1 januari van het betreffende belastingjaar(t) en niet: 1 januari van het voorgaande belastingjaar (t-1). Hiermee wordtvoorkomen dat de waardeontwikkeling over de periode voorafgaande aanhet eerste jaar van de nieuwe wet in de nieuwe heffing zou wordenbetrokken. Hierin is in het wetsvoorstel voorzien. Het is mogelijk dat er in2029 meer bezwaarschriften worden ingediend tegen de waarde op dewaardepeildatum 1 januari 2028. Een plotselinge waardestijging is intheorie mogelijk maar dat zou ook kunnen betekenen dat de WOZ-waardein de vorige jaren te laag is vastgesteld.Bij het bepalen van de inbrengwaarde worden aankoopkosten niet inaanmerking genomen. Zowel inkomsten als kosten uit de jaren vooraf-gaand aan de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3blijven buiten beschouwing. Het is niet logisch en niet consistent omrekening te houden met kosten die in eerdere jaren zijn gemaakt, terwijlinkomsten uit eerdere jaren niet in aanmerking worden genomen. Dezeaankoopkosten tellen wel mee bij een onroerende zaak die wordt gekochtna de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3. Als deeconomische waarde aantoonbaar hoger is dan de WOZ-waarde, kunnende belastingplichtigen, zoals nu ook al het geval is, tijdig bezwaar makentegen de WOZ-waarde en verzoeken om deze op een hoger bedrag vast testellen. Het bieden van tegenbewijs of een keuzemogelijkheid vooronroerende zaken of aandelen in een startende onderneming is daardoorniet nodig en voor de uitvoering ook niet wenselijk. De WOZ-beschikking2029 waarin de waarde op 1 januari 2028 is vermeld, is in principe in heteerste kwartaal van 2029 beschikbaar, dus inderdaad na de inwerking-treding van de Wet werkelijk rendement box 3. Deze waarde is overigensvooral van belang op het moment dat de woning ook daadwerkelijk devermogenswinstbelasting bij de belastingplichtige verlaat, meestal bijverkoop.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de liquiditeits-problemen bij een vermogensaanwasbelasting. Als onroerende zaken enbeleggingen in startende ondernemingen volgens een vermogensaanwas-belasting worden belast zullen na ingroei van de verliesverrekening naarschatting ongeveer 160.000 belastingplichtigen meer belasting moetenbetalen dan hun directe rendement in de vorm van bijvoorbeeld huur enrente in dat jaar is. Gemiddeld is de belasting voor deze belastingplich-tigen ongeveer € 16.000 hoger dan het directe rendement. Dezeberekening is gebaseerd op een vermogensaanwasbelasting met dezelfdeparameters als het hybride wetsvoorstel (tarief van 36%, heffingsvrijresultaat van € 1.800 en verliesverrekeningsdrempel van € 500). Het tariefin een vermogensaanwasbelasting kan lager worden vastgesteld om hetstelsel budgetneutraal in te voeren. Hierdoor zullen minder belastingplich-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 642 tigen een belastingheffing hebben hoger dan hun directe rendement.Daarnaast zal een groot deel van deze belastingplichtigen aan debetalingsverplichting kunnen voldoen doordat het inkomen uit box 1 ofbox 2 toereikend is, of omdat zij spaargeld hebben of ander vermogen datzonder kosten liquide gemaakt kan worden.Belastingplichtigen met betalingsproblemen kunnen een verzoek indienenbij de ontvanger om een betalingsregeling te krijgen. Binnen hetbestaande beleid zijn er diverse mogelijkheden, afhankelijk van deomstandigheden van de belastingschuldige.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de systematiekvoor het indirecte rendement op onroerende zaken ook toegepast kanworden op de eigen woning, dat wil zeggen dat een vermogenswinstbe-lasting wordt geheven wanneer de eigen woning wordt verkocht ofovergedragen. De leden van de fractie van NSC vragen of het voor delangere termijn wenselijk wordt geacht de eigen woning alsnog onder tebrengen in box 3, met toepassing van passende faciliteiten die recht doenaan de specifieke aard van het eigenwoningbezit. De leden van de fractievan NSC vragen daarnaast of voor het vaststellen van de hoogte van devastgoedbijtelling ook alternatieven zijn onderzocht om de hoogte tebepalen van de bijtelling, zoals het aanhouden van de hoogte van heteigenwoningforfait of internationale voorbeelden van belasten vanvakantiewoningen. Voor de heffing in box 3 is een woning in die boxuitsluitend een beleggingsobject. Er is dus geen sprake van een beste-dingsaspect zoals bij de eigen woning het geval is. Dat betekent dat desystematiek niet op voorhand aansluit bij de eigenwoningregeling endaarmee de hoogte van het eigenwoningforfait in box 1. De leden van defractie van GroenLinks-PvdA vragen welk effect een dergelijke variantheeft op de woningmarkt. In de fichesbundel bij het ambtelijke rapportinzake vermogensverdeling (IBO vermogensverdeling) worden ophoofdlijnen de positieve en negatieve effecten geschetst van een variantwaarbij het verschil tussen de aan- en verkoopprijs van de eigen woning(gecorrigeerd voor de waardeontwikkeling als gevolg van woningverbete-ringen) wordt belast binnen de inkomstenbelasting (box 1 of een nieuwebox) of als nieuwe belasting.34 De fiscale behandeling van inkomsten uitvermogen in diverse landen is zeer divers en complete belastingsys-temen, rekening houdend met zowel nationale als lokale elementen, latenzich lastig vergelijken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat de budgettaireopbrengst zou zijn van een vermogenswinstbelasting op de eigen woning.De opbrengst van een eventuele vermogenswinstbelasting is circa€ 250 miljoen per procentpunt per jaar. Dit betreft een grove eersteinschatting die berust op aannames over bijvoorbeeld het wel of nietmeenemen van onderhoudskosten en/of verbeteringen aan de woning.Hierdoor kan de raming in realiteit hoger of lager uitvallen.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD en NSC hebbenvragen gesteld over het ontbreken van een uitstelregeling (doorschuifre-geling) voor onroerende zaken in box 3. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA vinden met het kabinet dat een doorschuifregeling voorvastgoed in box 3 niet nodig is. Deze leden vragen om een toelichtingwaarom het kabinet een doorschuifregeling in box 2 wel belangrijk vindt.Daar bestaat immers ook het risico van «zeer langdurig uitstel vanbelastingheffing». De leden van de fractie van de VVD vragen of hetkabinet bereid is te onderzoeken of het heffingsmoment over onroerendezaken in box 3 bij overlijden, echtscheiding en (gedeeltelijke) schenkingkan worden doorgeschoven totdat feitelijk wordt verkocht of geliquideerd.34Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 925 IX, nr. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 643 Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is te onderzoeken hoebelastingarbitrage tussen box 2 en box 3 kan worden beperkt nu devoorgestelde vastgoedbijtelling alleen particulieren in box 3 treft, terwijlvastgoed dat in een bv wordt ondergebracht, buiten schot blijft. De ledenvan de fractie van NSC vragen naar de zienswijze van het kabinet tenaanzien van de introductie van een herinvesteringsreserve voor onroe-rende zaken in box 3 die ook tot uitstel van belastingheffing leidt.Het kabinet heeft ervoor gekozen om geen doorschuifregeling op tenemen voor onroerende zaken in box 3 aangezien voor de heffing over dewaardeontwikkeling van onroerende zaken in box 3 al enig uitstel van deheffing wordt verleend. Bij onroerende zaken hoeft niet, zoals bij devermogensaanwasbelasting voor veel andere vermogensbestanddelenwel het geval is, jaarlijks te worden afgerekend over de (on)gerealiseerdewaardeontwikkeling. Het verder verlenen van uitstel van belastingheffingvindt het kabinet niet wenselijk. Onroerende zaken in box 3 zouden dan teveel worden bevoordeeld ten opzichte van veel andere vermogensbe-standdelen.Box 2 kent ruimere mogelijkheden om de heffing door te schuiven,bijvoorbeeld bij overgang van aanmerkelijkbelangaandelen krachtenshuwelijksvermogensrecht anders dan door overlijden of door eenovergang krachtens erfrecht dan wel schenking. Deze doorschuiffacili-teiten zijn met uitzondering van de faciliteit bij overgang krachtenshuwelijksvermogensrecht enkel van toepassing voor zover de vennoot-schap waarop het aanmerkelijk belang betrekking heeft, een ondernemingdrijft. Deze doorschuiffaciliteiten dienen de continuïteit van de onder-neming te waarborgen. Daarbij kan alleen worden doorgeschoven voorzover sprake is van ondernemingsvermogen. Als gevolg van de inwer-kingtreding van de Wet aanpassing bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024 isgeen sprake van ondernemingsvermogen voor onroerende zaken ofgedeelten daarvan voor zover die meer dan bijkomstig, rechtens dan welin feite, direct of indirect, ter beschikking zijn gesteld aan een ander, of diedaartoe bestemd zijn.35 Ingeval er dus onroerende zaken worden verhuurdvia bijvoorbeeld een vennootschap waarin de belastingplichtige eenaanmerkelijk belang heeft, kan de doorschuiffaciliteit niet wordentoegepast voor zover de waarde van het aanmerkelijk belang betrekkingheeft op de waarde van de onroerende zaken. In zoverre is er geenverschil met de afwezigheid van een doorschuiffaciliteit voor onroerendezaken in box 3. Voor zover de onroerende zaak van de vennootschapwordt gebruikt ten behoeve van de aanmerkelijkbelanghouder in privézonder of tegen een te lage huurbetaling, leidt dat tot een verkaptewinstuitdeling die belast is in box 2 bij de aanmerkelijkbelanghouder.Daarbij is de vennootschap verplicht een zakelijke huurbate te verant-woorden in de aangifte vennootschapsbelasting. Het kabinet is nietvoornemens om onderzoek te doen naar een verder uitstel van belasting-heffing voor onroerende zaken in box 3 of een beperking van de uitstel-mogelijkheden in box 2 en is gelet op zijn demissionaire status nietvoornemens de behandeling van onroerende zaken in box 2 te wijzigen.Verder uitstel van belastingheffing in box 3 zou ook tot nadelige budget-taire gevolgen leiden.De leden van de fractie van de VVD en het CDA vragen naar het aandeelvakantiewoningen ten opzichte van andere onroerende zaken enpermanent verhuurde woningen in box 3. Uit aangiftegegevens incombinatie met kadastergegevens blijkt dat ongeveer 19% van de35Zie artikel 4.17a, achtste lid en artikel 4.17c, derde lid, Wet inkomstenbelasting 2001. Eenvergelijkbare bepaling geldt ook voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de schenk- enerfbelasting, zie artikel 35c, zevende lid, Successiewet 1956.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 644 onroerende zaken in box 3 recreatiewoningen en overige woningen zijn.Daarnaast zijn ongeveer 26% van de onroerende zaken niet-verhuurdewoningen. Een deel van deze woningen zal ook als vakantiewoninggebruikt worden, een ander deel bijvoorbeeld als pied-à-terre. Ongeveer32% van de onroerende zaken in box 3 zijn verhuurde woningen. Bijbovenstaande cijfers is het belangrijk om op te merken dat de waarde vanrecreatiewoningen en overige woningen gemiddeld lager ligt dan dewaarde van woningen. Bij de categorie «recreatiewoningen en overigewoningen» gaat het om onroerende zaken die gedurende een deel van hetjaar worden gebruikt voor woondoeleinden en waarbij het gebruikgedurende een deel van het jaar beperkt is, maar deze categorie bevat ookniet-zelfstandige eenheden zoals studentenkamers of onroerende zakendie ter beschikking staan aan het wonen zoals een aparte garage of schuurbij een woning, voor zover deze niet zijn aan te merken als aanhorigheidbij een eigen woning.De leden van de fractie van de VVD vragen om een bevestiging datkostenaftrek ook mogelijk is ingeval de vastgoedbijtelling van toepassingis. Ook de leden van de fractie van NSC vragen naar de kostenaftrek. Alsde vastgoedbijtelling geldt, dan zijn de onderhoudskosten en soortgelijkekosten inderdaad aftrekbaar in het jaar waarin de eigenaar deze kostenheeft gemaakt. Kosten van verbetering zijn ook aftrekbaar, maar in hetbelastingjaar waarin de betreffende onroerende zaak de vermogenswinst-belasting bij de eigenaar verlaat, meestal bij verkoop. De eigenaar moetde gemaakte kosten kunnen aantonen. Rente- en financieringskosten zijnaftrekbaar omdat rente van schulden in box 3 altijd in aanmerking kanworden genomen ongeacht de vraag of er een verhouding is met eenbox 3 bezitting. Afschrijvingskosten zijn echter niet aftrekbaar. Overigensgeldt hetzelfde voor de kostenaftrek in het geval de huuropbrengst isbelast.De leden van de fractie van NSC vragen verder of de aftrek van kosten,waaronder de afschrijving op onroerende zaken, jaarlijks plaatsvindt en ofhierdoor de mogelijkheid ontstaat tot een structurele jaarlijkse aftrekpostdie kan worden gebruikt voor verrekening (met bijvoorbeeld inkomsten uitvermogensaanwas) en in hoeverre dit ertoe leidt dat de heffing volgensde vermogensaanwasbelasting in de praktijk wordt uitgesteld of zelfsvermeden en of dit wenselijk is in het licht van heffing naar werkelijkrendement. Het wetsvoorstel voorziet niet in de mogelijkheid vanafschrijving op onroerende zaken. Wel voorziet het wetsvoorstel in deaftrekbaarheid van onderhoudskosten en soortgelijke kosten in het jaarwaarin de eigenaar deze kosten heeft gemaakt. Dit is passend in eenstelsel op basis van werkelijk rendement omdat deze kosten ook daadwer-kelijk het rendement van de belastingplichtige in dat jaar verminderen.De leden van de fractie van NSC constateren dat andere kostbaregebruiksgoederen voor privédoeleinden dan onroerende zaken in box 3buiten de heffing blijven en vinden dit moeilijk uitlegbaar. Ook de ledenvan de fractie van het CDA vragen daarnaar. Deze leden geven devolgende voorbeelden waarvoor de vastgoedbijtelling niet zou gelden:schepen, campers of caravans. Deze leden vragen het kabinet eeninschatting te geven van de kans dat procedures op basis van ongelijkebehandeling van gelijke gevallen kans van slagen hebben en vragen ofdeze risico’s, gezien alle problemen in het huidige systeem, niet extrazwaar moeten worden meegewogen. Het uitgangspunt bij de overgangnaar een stelsel op basis van werkelijk rendement is dat de grondslagvoor wat betreft bezittingen en schulden niet wijzigt. De huidigeafbakening wanneer (de inkomsten van) een bezitting of een schuld wel ofniet in box 3 wordt belast, blijft bestaan en de huidige vrijstellingenworden gehandhaafd, tenzij de overgang naar een stelsel op basis vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 645 werkelijk rendement aanleiding geeft om een vrijstelling anders vorm tegeven of af te schaffen. Volgens het kabinet is hier geen sprake van eenongelijke behandeling van gelijke gevallen. Een onroerende zaak isimmers een bron van inkomen. Schepen, campers en caravans zijn dat inbeginsel niet. Aangezien dit een bestendiging van de bestaande situatiebetreft, acht het kabinet de juridische risico’s beperkt.De leden van de fractie van de VVD vragen of ook buitenlandse eigenarenvan Nederlandse onroerende zaken belast zijn in box 3. Evenals in hethuidige stelsel worden in Nederland gelegen onroerende zaken bijbuitenlandse eigenaren (buitenlands belastingplichtigen) in de belasting-heffing betrokken. Deze leden stellen vervolgens dat Nederlandsebelastingplichtigen met een vakantiewoning in het buitenland fiscaalanders worden behandeld dan zij die een vergelijkbare woning inNederland bezitten. Ook de leden van de fractie van het CDA vragendaarnaar. De leden van de fractie van de VVD vragen waarom dit verschilwordt gehandhaafd, naar de rechtvaardigheid hiervan en of het kabinetkan toezeggen of onderzoek naar harmonisatie mogelijk is. Volgens hetkabinet is geen sprake van een ongelijkheid; een ongelijkheid is ook nietbeoogd. Bij een vakantiewoning in Nederland wordt de waarde bepaaldop basis van de WOZ-waarde. Voor een vakantiewoning in het buitenlandwordt geen WOZ-waarde bepaald. De wetgeving voorziet hierin door tebepalen dat de waarde van een woning waarvoor geen WOZ-waardebeschikbaar is, moet worden bepaald met overeenkomstige toepassingvan bepaalde artikelen uit de Wet WOZ. In de meeste gevallen zijnonroerende zaken belast in het land waar de onroerende zaak is gelegen,en wijst een eventueel belastingverdrag het heffingsrecht over hetrelevante inkomen ook toe aan dat land.De leden van de fractie van de ChristenUnie geven aan zich zorgen temaken over de uitwerking van de doorwerking van box 3 inkomen op hetverzamelinkomen en daarmee de heffingskortingen en geven daarbij eenvoorbeeld. In het voorbeeld is sprake van drie huishoudens: een eenver-dienersgezin, tweeverdieners en een alleenstaande AOW’er. Er blijkt uithet voorbeeld dat de effecten voor elk van de situaties tot een andereuitkomst leidt qua afnemende heffingskortingen.36 Deze leden vragenhierop te reflecteren. Zij vragen daarnaast om te bevestigen dat zowelpositief als negatief box 3-inkomen doorwerkt in het verzamelinkomen endaarmee invloed heeft op de hoogte van heffingskortingen en toeslagen.Ook vragen deze leden of het kabinet het effect van het box 3-inkomen opde heffingskortingen en de verschillen in belastingdruk waartoe dit leidt terechtvaardigen vindt. Zij vragen hoe het kabinet dit heeft gewogen, ook inhet licht van de doorwerking op de hoogte van toeslagen en andereinkomensafhankelijke regelingen. Zij vragen daarnaast of is overwogenom met een hoger tarief te werken en het resultaat in box 3 niet mee telaten tellen voor de heffingskortingen en vragen of geconcludeerd moetworden dat het huidige stelsel met (niet-uitbetaalbare) heffingskortingenonuitlegbaar en onhoudbaar is. Ten slotte vragen zij of het terecht is datop deze wijze eenverdieners met een hoog vermogensinkomen worden36a.) een eenverdienersgezin, b) tweeverdieners met twee keer 40.000 euro inkomen, en c) eenalleenstaande AOW’er met een inkomen van 50.000 euro. Alle drie deze huishoudens hebbennegen jaar lang een box 3 inkomen van 10.000 euro per jaar (dus totaal 90.000 euro in negenjaar). Dat leidt uitgaande van een heffingsvrij resultaat van 1.800 euro tot een totale box 3belasting van in totaal circa 29.500 euro. Doordat dit box 3-inkomen het verzamelinkomenverhoogt, wijzigt ook de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.Bij het eenverdienersgezin kan de niet-werkende partner gebruik maken van dit hogereverzamelinkomen en daardoor de algemene heffingskorting verzilveren. Hierdoor is de factogeen box 3 belasting verschuldigd. Het tweeverdienersgezin en de alleenstaande AOW’erkrijgen echter te maken met afnemende heffingskortingen. Naast de box 3 belasting van29.500 euro kost het dit respectievelijk circa 4.400 en 13.200 euro extra.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 646 bevoordeeld ten opzichte van eenverdieners met lage of geen vermogens-inkomsten.Het kabinet sluit aan bij de bestaande regels over het inkomen uit box 1 ofbox 2 in relatie tot het verzamelinkomen. Er is daarom niet overwogen omhet resultaat uit box 3 niet te laten meetellen voor de heffingskortingen. Inde memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordtingegaan op de doorwerking van de maatregelen uit dit wetsvoorstel ophet verzamelinkomen. Daar wordt uitvoerig ingegaan op de doorwerkingnaar inkomensafhankelijke regelingen.37 Er wordt aangegeven dat dehoogte van het verzamelinkomen normaliter meer gaat verschillen tussende jaren en dat het toetsingsinkomen minder voorspelbaar wordt voorgerechtigden die box 3-inkomen boven het heffingsvrije resultaat hebben.Bij het bepalen van het verzamelinkomen wordt het negatieve box 3-inkomen uit het betreffende kalenderjaar meegerekend en in voorkomendgeval gesaldeerd met eventuele positieve inkomens uit box 1 of box 2.Verrekenbare verliezen uit andere kalenderjaren blijven buitenbeschouwing bij het bepalen van het verzamelinkomen. In zijnalgemeenheid vindt het kabinet dat het noodzakelijk is om het belasting-en toeslagenstelsel te vereenvoudigen. Dit is in het Hoofdlijnenakkoord38opgenomen en moet leiden tot minder complexiteit, meer werkgele-genheid en economische groei. In de fiscale beleidsagenda is aangegevendat wetgeving moet worden voorbereid voor een hervorming van hetbelasting- en toeslagenstelsel, zodat een eenvoudiger en betervoorspelbaar stelsel ontstaat.39De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat het zou kosten alshet box 3-inkomen niet langer wordt meegenomen in het verzamelin-komen en daarmee ook geen doorwerking meer heeft op heffingskor-tingen en toeslagen. Het verzamelinkomen wordt als maatstaf gebruiktvoor iemands draagkracht. Het box 3-inkomen telt ook in het huidigestelsel mee in het verzamelinkomen. Iemand met een hoger inkomen inbox 3 heeft (al het andere constant verondersteld) minder recht optoeslagen. Ook andere regelingen die afbouwen met het verzamelin-komen vallen lager uit voor zo’n persoon. Voor de heffingskortingen geldtdat de ouderenkorting en de algemene heffingskorting afbouwen met hetverzamelinkomen. Tot 2025 bouwde de algemene heffingskorting nog afmet alleen het box 1-inkomen. Het terugdraaien van deze wijzing en hetniet meenemen van het box 2- en box 3-inkomen in de afbouw van dealgemene heffingskorting leidt tot een budgettaire derving van€ 447 miljoen.3.8. Startende ondernemingen De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat er misgaat alsde uitzondering voor aandelen in startende ondernemingen zou komen tevervallen. Indien geen uitzondering voor aandelen in startende onderne-mingen wordt getroffen zouden de aandelen van startende onderne-mingen belast worden volgens de vermogensaanwasbelasting.40 Hetjaarlijks belasten van vermogensaanwas die nog niet door verkoop isverzilverd kan bij de belastingplichtige potentieel leiden tot liquiditeitspro-blemen als sprake is van niet-liquide vermogensbestanddelen, met namebij aandelen in (snelgroeiende) startende ondernemingen. Bij startendeondernemingen speelt als aanvullend argument dat deze bedrijven in destartfase, waarin de aandelen lastig te verhandelen zijn, juist wel eensterke waardestijging van de onderneming kan optreden.37Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3, p. 58.38Kamerstukken II 2023/24, 36 471, nr. 37, bijlage «Hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF EN TROTS».39Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. Y.40Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 647 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel fte erminder nodig zijn voor de uitvoering van het wetsvoorstel als de regelingvoor aandelen in startende ondernemingen komt te vervallen.Op basis van de uitkomsten van de op basis van dit wetsvoorstelvastgestelde uitvoeringstoets kan geen betrouwbare inschatting wordengegeven hoeveel fte er minder nodig zijn voor de uitvoering als deregeling voor aandelen in startende ondernemingen komt te vervallen. Inde uitvoeringstoets is het wetsvoorstel zoals door het kabinet is voorge-steld getoetst en zijn er geen alternatieve scenario’s ten opzichte van hetvoorgestelde wetsvoorstel in de uitvoeringstoets beoordeeld.In de brief van 2 juni 202541 is uw Kamer geïnformeerd over eenonderzoek naar het opnemen van een definitie van startups en scale-upsin de fiscaliteit. Het voornemen is om deze definitie te gebruiken in zowelhet voorliggende wetsvoorstel als in een nieuwe aandelenoptieregelingvoor werknemers in de loonheffingen. Beoogd wordt om de nieuwedefinitie te verwerken in het wetsvoorstel. Dit betreft een aanpassing vande nu voorgestelde regeling voor aandelen in startende ondernemingen.De nieuwe definitie wordt nader uitgewerkt en toegelicht. Voordat denieuwe definitie in het wetsvoorstel kan worden opgenomen moet nogeen aantal zaken nader onderzocht worden, zoals de uitvoeringsgevolgenvoor de Belastingdienst en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.Voor de Belastingdienst zal op basis van een uitvoeringstoets onderandere gekeken worden naar de ICT-aspecten en de effecten op hettoezicht en de handhaving, waarbij ook de personele gevolgen wordenopgenomen. De uitvoeringstoets van de Belastingdienst over de regelingvoor aandelen in startende ondernemingen zal samen met de wijzigingaan uw Kamer worden aangeboden. Op basis van de uitkomsten van dezeuitvoeringstoets zal ook duidelijk worden hoeveel fte de Belastingdienstnaar verwachting nodig zal gaan hebben voor de uitvoering van eenaangepaste regeling voor de startups en de scale-ups.De leden van de fractie van de VVD betwijfelen of de voorgesteldeuitzondering voor aandelen in startende ondernemingen breed genoeg isom risicodragend kapitaal aan te trekken. Zij vragen waarom is gekozenvoor vijf jaar en niet voor tien jaar of geen beperking. Deze leden vragenof Nederland hierdoor minder aantrekkelijk wordt voor startups. In debrief aan uw Kamer van 2 juni 2025 geef ik aan dat er onderzoek wordtgedaan naar een nieuwe definitie van startups.42 Het kabinet zal daarbijproberen bij de economische realiteit van startups aan te sluiten om zohet investeringsklimaat voor startups te verbeteren. Het kabinet wilborgen dat Nederland aantrekkelijk is voor startups en een push-out effectvoorkomen. Onder het huidige forfaitaire stelsel is er overigens geenspecifieke regeling voor aandelen in startende ondernemingen ofstartups. Het kabinet gaat er daarom vanuit dat Nederland met dezeregeling in ieder geval niet minder aantrekkelijk wordt voor startendeondernemingen.De leden van de fractie van D66 geven aan dat zij misbruik van deuitzondering voor aandelen in startende ondernemingen willenvoorkomen en vragen of het niet mogelijk is om een bestaande onder-neming te «maskeren» als startende onderneming. Een startendeonderneming mag niet langer dan vijf jaren geleden zijn opgericht en dejaaromzet mag niet meer bedragen dan € 30 miljoen. Ook moet destartende onderneming financieel onafhankelijk zijn: de aandelen mogenvoor niet meer dan 25% in handen zijn van een onderneming die zelf geenstarter is. Met deze laatste voorwaarde wil het kabinet voorkomen dat41Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 255.42Kamerstukken II 2024–25, 32 140, nr. 255.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 648 bestaande bedrijven een startende onderneming kunnen creëren doorbestaande of nieuwe activiteiten te gaan ontplooien in een nieuwopgericht vennootschap.3.9. Verzekeringsproducten De leden van de fractie van de VVD stellen een aantal vragen over devoorgestelde waarderingssystematiek voor levensverzekeringen. Door deactuariële reservewaarde als uitgangspunt te nemen wordt volgens dezeleden verwezen naar de waarderingssystematiek conform IFRS 17 enwordt rekening gehouden met onder andere de verwachte levensduur vande verzekerde. De leden stellen dat door onverkort te heffen over deactuariële reservewaarde ook elementen die géén rendement opvermogen zijn, maar demografische risico’s betreffen, in de belasting-heffing van box 3 worden betrokken en niet enkel het beleggingsren-dement wordt belast. Volgens deze leden vormt de waardering op basisvan de actuariële reservewaarde een inconsistentie ten opzichte van devrijstelling van overlijdensrisicoverzekeringen en ten opzichte van debehandeling van kapitaalverzekeringen van vóór 2001, waarvan enkel hetrentebestanddeel in de heffing wordt betrokken. De leden vragen of hetkabinet zich ervan bewust is dat de actuariële reservewaarde ook hetlanglevenrisico omvat en stellen dat dit risico daarmee in de belasting-heffing wordt betrokken.Ten eerste wil ik opmerken dat – anders dan de leden van de fractie van deVVD in hun vraag veronderstellen – niet over de actuariële reservewaardezelf wordt geheven. Deze waarde dient er alleen toe om de vermogens-aanwas conform het voorgestelde artikel 5.8 Wet IB 2001 te bepalen. Devermogensaanwas maakt onderdeel uit van de voordelen die wordenbehaald met bezittingen en schulden, zoals in het voorgestelde artikel 5.6Wet IB 2001 is bepaald. Begin- en eindwaarde van de levensverzekeringworden op dezelfde manier berekend, namelijk allebei door bepaling vande actuariële reservewaarde. Resultaat van de berekening van devermogensaanwas (eindwaarde –/– beginwaarde –/– stortingen +onttrekkingen) is dan het rendement.De actuariële reservewaarde is een commercieel gangbare berekenings-methode om de waarde van een langlopende verzekeringsverplichting tebepalen. Overigens is voor dit wetsvoorstel het begrip «actuariëlereservewaarde» in algemene zin bedoeld en niet – zoals de leden van defractie van de VVD lijken te veronderstellen – uitsluitend in de zin vanIFRS 17. De International Financial Reporting Standards (IFRS) en danspecifiek nummer 17 voor verzekeringsovereenkomsten, zijn niet verplichtvoor alle verzekeraars.43 Daarom wordt in dit wetsvoorstel ook nergensverwezen naar deze boekhoudkundige standaard.Voor het bepalen van de actuariële reservewaarde worden onder meer deelementen in aanmerking genomen die de leden van de fractie van deVVD in hun betoog noemen, namelijk het gegarandeerde uitkerings-bedrag, een disconteringsvoet en de verwachte levensduur van deverzekerde (waaronder het door de leden van de fractie van de VVDgenoemde langlevenrisico), maar daarnaast ook, bijvoorbeeld, eenmogelijke maatschappijwinstdeling. Een vermogensbestanddeel wordtgewaardeerd aan de hand van de voor dát vermogensbestanddeelonderscheidende criteria. Bij een levensverzekering zijn dat onder meer de43Verzekeraars zijn los van de IFRS verplicht tot prudentiële boekhouding. Daarop wordt door DeNederlandsche Bank toegezien. Bij het prudentieel boekhouden hoort dat elke verzekeraar deactuariële reservewaarde op basis van zijn individueel klantenbestand berekend, denk hierbijaan leeftijden en sterftekansen van de verzekerden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 649 hiervoor genoemde elementen. Juist het in aanmerking moeten nemenvan de verwachte levensduur van een verzekerde maakt het verschil meteen gewoon bankproduct. Bij de levensduur van de verzekerde wordtrekening gehouden met de sterftetafels44 en diens individuele leeftijd enverder wordt het verwachte sterfteverloop binnen de populatie vanverzekerden en binnen de verschillende productgroepen van de betref-fende verzekeraar in aanmerking genomen. De sterftekans is daarmeemaar één onderdeel van een samenstel van elementen die bij de bepalingvan de actuariële reservewaarde een rol spelen en is verdisconteerd in deberekeningsmethodiek. Alleen een hogere levensverwachting zal dan ookmaar tot een marginale verhoging van de actuariële reservewaardekunnen leiden. Het is niet mogelijk – zoals de genoemde leden in hunvraag lijken voor te willen stellen – om dat ene element uit het geheel vande berekeningsmethodiek af te zonderen. Daarmee zou precies hetcriterium dat van een financieel product een verzekering maakt geentoepassing meer vinden. Dat is qua systematiek niet mogelijk.Overigens wordt ook in het huidige box 3-stelsel bij de waardering vanlevensverzekeringen en periodieke uitkeringen rekening gehouden methet langlevenrisico dat gebaseerd is op sterftekansen. Artikel 19 UBIB2001 geeft waarderingsregels voor periodieke uitkeringen en houdtrekening met de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerdeperiodetafel GBM 1990–1995. In zoverre wijkt het rekening houden methet langlevenrisico en de sterftekansen bij het bepalen van het werkelijkerendement niet af van de waardering binnen het huidige stelsel.De door de leden van de fractie van de VVD geschetste inconsistentie metde vrijstelling voor zuivere overlijdensrisicoverzekeringen en met debehandeling van kapitaalverzekeringen van vóór 2001 ziet het kabinet niet.Het een betreft een vrijstelling en is daarmee iets heel anders dan eenwaarderingsbepaling. Het ander – kapitaalverzekeringen van vóór 2001 –betreft de fiscale behandeling onder het overgangsrecht van de Invoe-ringswet Wet IB 2001 waarvoor juist wordt voorgesteld om dat met deWet werkelijk rendement box 3 te beëindigen. Die systematiek conform deInvoeringswet Wet IB 2001 wordt voor zover noodzakelijk nog geëer-biedigd, maar het is juist niet de bedoeling om deze over te nemen naarhet nieuwe box 3-stelsel. Anders wordt een verdere opeenstapeling vanovergangsrecht noodzakelijk, wat tot meer complexiteit en uitvoeringspro-blemen zou leiden.Kortom, het hanteren van de actuariële reservewaarde is voor allebetrokkenen voordelig: voor verzekeraars betekent het een vereenvou-diging omdat de actuariële reservewaarde de grondslag vormt voor dejaarlijkse renseignering aan de Belastingdienst en voor de jaaroverzichtenvan de verzekeraar die de belastingplichtige in diens positie als verzeke-ringnemer ontvangt en daarmee aansluit op de gegevens in de voorafingevulde aangifte.Verder vragen de leden van de fractie van de VVD of het kabinet bereid isom een alternatief, zoals de systematiek van het belastbaar rentebe-standdeel bij kapitaalverzekeringen van vóór 2001, te kiezen.In het door deze leden voorgestelde alternatief werd het rentebestanddeelin een kapitaalverzekering van vóór 2001 bepaald door de waarde in heteconomische verkeer van de verzekering te verminderen met de44Sterftetafels zijn statistieke overzichten waarin de sterftekansen en de levensverwachting voorelke leeftijd zijn bepaald. Dit gebeurt op basis van de sterftecijfers van een bevolking. Ziebijvoorbeeld bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/37360ned/table?fromstatweb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 650 ingelegde premies. Het verschil is dan het rentebestanddeel. Dezeberekeningswijze wordt ook «saldomethode» genoemd. Deze is echtergeenszins eenvoudiger dan de voorgestelde systematiek. Voor deberekening van het rentebestanddeel op het moment van uitkering van dekapitaalverzekering moeten alle ingelegde premies over de hele looptijdheen bekend zijn om het saldo dat dan het rentebestanddeel vormt tekunnen berekenen. Dergelijke verzekeringen (levensverzekeringen waarineen kapitaal wordt opgebouwd) hebben een looptijd van meerderetientallen jaren. De benodigde informatie is noch voor de verzekeraar,noch voor de Belastingdienst beschikbaar en meestal ook niet door debelastingplichtige zelf bijgehouden. In de praktijk bleek daarom al eerderdat de saldomethode geen geschikt middel is om een belastbaar bedragte bepalen en werd die daarom in het verleden ook afgeschaft.45 Volledigetoepassing vindt alleen nog plaats onder het overgangsrecht zoals dat inde Invoeringswet Wet IB 2001 is vastgelegd. Het is juist de bedoeling omdit overgangsrecht voor kapitaalverzekeringen af te schaffen. Overigensmaakt het langlevenrisico, uitgedrukt in sterftekansen, ook onderdeel uitvan de waarde in het economische verkeer en zal dan ook zijn neerslagvinden in het belastbaar rentebestanddeel dat door toepassing van desaldomethode wordt berekend. De waardering op basis van de actuariëlereservewaarde is voor de praktijk juist een vereenvoudiging, zoals in dememorie van toelichting en in het antwoord op de vorige vraag al isbeschreven. Iets anders hanteren dan de actuariële reservewaarde zoumoeilijker uitvoerbaar zijn, waardoor naar mening van het kabinet elkeandere optie juist niet proportioneel zou zijn.Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD in het kader van devoorgestelde beëindiging van het overgangsrecht voor oude kapitaalver-zekeringen die momenteel nog in box 1 vallen of het kabinet bekend ismet de groep belastingplichtigen die in het kader van de overstap naar hetnieuwe box 3-stelsel met een eenmalige heffing over het historischerendement geconfronteerd worden. De leden veronderstellen dat dezegroep belastingplichtigen plotseling geconfronteerd wordt met eenaanslag waarbij zij geen of beperkt handelingsperspectief zouden hebbenen gedwongen zouden worden tot tussentijdse onttrekking uit hun polis.De leden van de fractie van D66 vragen in deze samenhang of het kloptdat bij oude kapitaalverzekeringen in één keer wordt afgerekend over alhet opgebouwde rendement vanaf het begin van die kapitaalverzekeringen uiten hun zorgen dat dit zou kunnen leiden tot ongewenste onttrek-kingen uit de verzekering met een nadelige impact op het toekomstigerendement.Allereerst dankt het kabinet de leden van de fractie van de VVD voor hunsteun voor het uitgangspunt dat het rendement uit de kapitaalverzeke-ringen van vóór 2001 met de overstap naar het nieuwe box 3-stelsel inbox 3 gaat behoren en deze verzekeringen niet meer in box 1 vallen.Anders dan deze leden stellen gebeurt dit echter niet per 1 november 2029– dat is het uiterste afrekenmoment – maar al per 1 januari 2028 met deoverstap naar het nieuwe stelsel.46 Uiteraard is het kabinet bekend metdeze groep belastingplichtigen. Het betoog van de leden van de fractievan de VVD alsmede de vraag van de leden van de fractie van D66 geeftaanleiding om de voorgestelde maatregelen nogmaals goed toe te lichten.45Met de invoering van de Wet IB 2001 werd de saldomethode afgeschaft. Met ingang van1 januari 2009 (terugwerkende kracht vanuit 1 januari 2010) is met artikelen 3.107a en 10a.6Wet IB 2001 in samenhang met hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zevende lid, InvoeringswetWet IB 2001 een beperkte saldomethode geïntroduceerd.46Bij de invoering van het nieuwe stelsel wordt een toetsmoment (1 januari 2028) gecreëerd. Deomvang van het te belasten rentebestanddeel wordt bepaald naar de stand op 1 januari 2028en op basis van de regelgeving van het huidige overgangsrecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 651 Het gaat om een zeer beperkte groep van kapitaalverzekeringen die opgrond van het overgangsrecht in 2001 volledig in box 1 in aanmerkingworden genomen en tot op heden nooit in box 3 zijn betrokken. Bijexpiratie wordt het rentebestanddeel in de uitkering belast in box 1. Opgrond van de rangorderegeling47 vallen deze kapitaalverzekeringen tot deexpiratiedatum niet in box 3. Op het moment van expiratie zou ook inbox 1 het historische rendement – in de zin van het totaalrendement overde gehele looptijd van de verzekering – in één keer aan belastingheffingworden onderworpen. Dat is niet anders dan nu ter gelegenheid van deovergang van deze verzekeringen naar box 3 gaat gebeuren. Zoalshiervoor al gezegd, gebeurt deze overgang al met ingang van 1 januari2028, alleen de afrekening over het rentebestanddeel dat tot en met31 december 2027 is opgebouwd, vindt op een later moment plaats. In desituatie dat een kapitaalverzekering ná 31 december 2027 en vóór1 november 2029 expireert zal de fiscale afrekening over het belastbaarrentebestanddeel in de uitkering plaatsvinden op het moment vanuitbetaling van het kapitaal. Om de fiscale heffing over het te belastenrentebestanddeel voor verzekeraars, belastingplichtigen en de Belasting-dienst zo soepel mogelijk te laten verlopen is voorgesteld om met eeninhoudingsverplichting voor de verzekeraars te werken. Afdracht van deverschuldigde heffing gaat dan via de loonbelasting (LB) en premieheffingvoor de volksverzekeringen (PH). Het grootste deel van de thans noglopende verzekeringen keert uit in de periode van 31 december 2027 toten met 31 oktober 2029. Die belastingplichtigen hebben geen liquiditeits-tekort en er is ook geen sprake van het opofferen van toekomstigrendement. Als de kapitaalverzekering niet uiterlijk op 1 november 2029(uiterste afrekenmoment) volledig tot expiratie is gekomen, wordt het per1 januari 2028 bepaalde rentebestanddeel op 1 november 2029 via deLB/PH in de heffing betrokken. Als de heffing op 1 november 2029 moetplaatsvinden omdat de verzekering na die datum nog doorloopt, zullenverzekeraars ruim voor 1 november 2029 verzekeringnemers informerendat op die datum een fiscaal heffingsmoment bestaat en dat in beginselde verschuldigde heffing over het rentebestanddeel via inhouding vanLB/PH moet plaatsvinden. Aangezien het wetsvoorstel sinds 19 mei 2025met het indienen bij uw Kamer gepubliceerd is, hebben belastingplich-tigen meer dan vier jaar de tijd om zich voor te bereiden op het afreken-moment op 1 november 2029. Van een plotselinge confrontatie met eenheffing kan daarom geen sprake zijn. Hierbij is ook in de overwegingenbetrokken dat de fiscale afrekening alleen op het belastbaar rentebe-standdeel ziet, niet op de gehele uitkering. Verder speelt hierbij datdergelijke kapitaalverzekeringen in de regel zijn aangegaan tervoorkoming van de destijds van toepassing zijnde vermogensbelasting ofvoor het vooruitschuiven van het heffingsmoment van de binnen deuitkering aanwezige rente. Heffing over het renteresultaat is immers pasaan de orde als de einddatum wordt bereikt of als de verzekeringnemerbesluit zijn verzekering af te kopen.In het kader van de vermogensplanning voor de vermogensbelastinghebben belastingplichtigen vóór 2001 meestal eenmalig een hoog bedragingelegd op een verzekering en vervolgens een korte premiebetalingsduurafgesproken met een lager bedrag binnen de vereiste toegestaneverhouding.48 Over de ingelegde bedragen (en het rendement) hebben zijdan vóór 2001 geen vermogensbelasting hoeven te betalen op basis vande toen geldende Wet op de vermogensbelasting 1964 en hebben zij sindsde inwerkingtreding van de Wet IB 2001 – uiteindelijk over in totaal bijna30 jaar – over de waarde van die kapitaalverzekering geen box 3-heffing47Artikel 2.14, tweede lid, Wet IB 2001.48Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, Wet op de vermogensbelasting 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 652 hoeven te betalen, omdat die kapitaalverzekering aan box 1 werdtoegewezen door het overgangsrecht van de Invoeringswet Wet IB 2001.Voor dergelijke kapitaalverzekeringen is het ook mogelijk om die over tedragen aan bijvoorbeeld erfgenamen, waardoor onder de huidigebepalingen de heffing van inkomstenbelasting over het rentebestanddeelsteeds verder naar de toekomst kan worden doorgeschoven. Het nadeelvan dit langdurige belastinguitstel weegt naar mening van het kabinetzwaarder dan eventuele nadelen – die het kabinet hier overigens niet ziet –door het naar voren halen van de eenmalige belastingheffing over hetbelastbaar rentebestanddeel.Anders dan de leden van de fracties van de VVD en D66 schetsen, zijn debetreffende belastingplichtigen niet gedwongen tot tussentijdseonttrekking uit de verzekering. Daarvoor wordt juist een oplossingvoorgesteld: verzekeraars zullen in het kader van de informatiever-strekking over de afrekening op 1 november 2029 de keuze aan deverzekeringnemer/belastingplichtige voorleggen of inderdaad inhoudingvan LB/PH moet plaatsvinden (door onttrekking uit de reservewaarde vande verzekering) of dat de heffing via de aanslag inkomstenbelasting 2029moet plaatsvinden en uit andere eigen liquide middelen betaald zalworden, zoals in het voorgestelde artikel V van het voorliggendewetsvoorstel is bepaald. Met een keuze voor laatstgenoemdemogelijkheid wordt voorkomen dat voor het deel dat aan de reserve-waarde is onttrokken geen rendement meer wordt behaald tijdens deresterende looptijd van de verzekering. Bijkomend voordeel voorbelastingplichtige is dat bij afrekening via de aanslag inkomstenbelasting2029 de verschuldigde belasting pas in het jaar 2030 of – ingeval eenbelastingconsulent erbij betrokken is en uitstel voor de aangifte heeftaangevraagd – op een nog later moment betaald moet worden. Debetreffende belastingplichtigen hebben daarmee naar de mening van hetkabinet voldoende mogelijkheden om zich voor te bereiden op de afdrachtvan de verschuldigde belasting over het belastbaar rentebestanddeel.De leden van de fractie van de VVD vragen in deze samenhang of eenalternatieve regeling kan worden overwogen waarbij het belastbaarrentebestanddeel wel wordt vastgesteld maar de feitelijke afdracht pasplaatsvindt bij uitkering. In het geval dat dit niet mogelijk blijkt, vragendeze leden of er maatwerkoplossingen of uitstelregelingen mogelijk zijn.Ook de leden van de fracties van het CDA, van de SGP en van D66 vragenof het niet beter zou zijn de daadwerkelijke heffing uit te stellen tot hetmoment dat het kapitaal beschikbaar komt voor de belastingplichtige. Indat kader vragen deze leden of het kabinet bereid is om voor eventueleliquiditeitsproblemen van belastingplichtigen een oplossing te zoeken enof er nog andere mogelijkheden zijn.De door deze leden voorgestelde alternatieven om de heffing over het per1 januari 2028 vastgestelde belastbare rentebestanddeel uit te stellen naarhet moment van uitkering, zijn onderzocht, maar bleken niet uitvoerbaar.Omdat dergelijke kapitaalverzekeringen nog tientallen jaren door zoudenkunnen lopen, zou het voor zowel de verzekeraars als de belastingplich-tigen een enorme administratieve last betekenen om de gegevens voor defeitelijke afdracht op een ver in de toekomst liggend moment bij tehouden. Ook voor de Belastingdienst zou een dergelijke aanpak eenenorme uitvoeringslast betekenen. Zoals in het antwoord op de vorigevraag al aangegeven, kunnen dergelijke kapitaalverzekeringen zelfs nognaar volgende generaties worden doorgegeven. Dat is voor geen van debetrokken partijen – belastingplichtige, verzekeraar en Belastingdienst –meer in de gaten te houden. In de enkele gevallen waar zich op hetafrekenmoment liquiditeitsproblemen voordoen, kan uiteraard een beroepTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 653 worden gedaan op de betalingsregelingen die bij de invordering wordengeboden. Het kabinet ziet hier dan ook geen problemen. Nogmaals: debetreffende belastingplichtigen hebben al tientallen jaren belastinguitstelmogen genieten. Dat er belasting over het rendement moet wordenafgedragen is vanaf het begin van de looptijd van deze kapitaalverzeke-ringen voor de verzekeringnemers/belastingplichtigen bekend. Alleen hettijdstip wordt nu (bij een deel van de thans nog lopende verzekeringen)naar voren gehaald. Overigens is het naar voren halen van het afreken-moment niet alleen het geval voor verzekeringen die op basis van hetovergangsrecht van de Invoeringswet Wet IB 2001 in box 1 vallen. Dit kanzich ook voordoen bij kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten voor 2001en tot box 3 behoren. Gedurende de looptijd is het onder het huidigeovergangsrecht mogelijk dat de vrijstelling in box 3 conform hoofdstuk 2,artikel 1, onderdeel AN, Invoeringswet Wet IB 2001 in stand is geblevenmaar dat er wel gevolgen zijn voor de heffing over de rente in box 1. Datis het geval wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voorde vrijstelling in box 1. Met de overstap naar het nieuwe stelsel voor box 3dient namelijk ook (nog steeds) naar deze voorwaarden te wordengekeken en wel per het toetsmoment van 1 januari 2028. Indien op datmoment blijkt dat niet meer is voldaan aan de bandbreedte (verhouding1:10) en de duur van de premiebetaling (ten minste 15 jaar) dient hetrentebestanddeel op de einddatum of bij het verplichte afrekenmoment inde belastingheffing betrokken te worden.49 Alles overwegende is hetkabinet ervan overtuigd dat de voorgestelde keuzemogelijkheid om via deaanslag inkomstenbelasting 2029 af te rekenen en de belasting uit andereeigen middelen dan de kapitaalverzekering te betalen de meest geschikteoplossing is.3.10. Vorderingen en schulden De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het klopt datalleen vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen op denominale waarde worden gewaardeerd en hoe de waardering van anderevorderingen en schulden op de waarde in het economisch verkeer zichverhoudt tot het doenvermogen van belastingplichtigen. Net zoals in hethuidige box 3-stelsel worden vorderingen en schulden in beginselgewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. De voort-zetting van dit waarderingsvoorschrift in het nieuwe stelsel zorgt voorconsistentie, herkenbaarheid en een zuivere behandeling van dewaardering van vorderingen en schulden. Alleen de vorderingen enschulden die voortvloeien uit een geldleningsovereenkomst tussennatuurlijke personen worden in afwijking van de hoofdregel gewaardeerdop de nominale waarde. Het doel van deze uitzondering is een vereenvou-diging van de waardering voor bijvoorbeeld geldleningen van ouders aanhun kind. Het nadeel van waardering op de nominale waarde is dat dezewaardering zich niet goed leent voor het belasten van het werkelijkerendement. Stel dat een vordering met een nominale waarde van € 100wordt doorverkocht voor de waarde in het economische verkeer van€ 120, dan is het wenselijk om in deze situatie een voordeel van € 20 terekenen tot het werkelijke rendement. Als dergelijke voordelen niet inaanmerking worden genomen, ontstaan belastingontwijkingsmogelijk-heden. Om deze reden zijn er voor de waardering op de nominale waardevan vorderingen en schulden tussen natuurlijke personen uitzonderingengemaakt voor vorderingen en schulden die worden doorverkocht ofovergenomen. Bij verkoop van een vordering of overname van een schuldgeldt volgens het wetsvoorstel de waarde in het economische verkeer;ook bij geldleningsovereenkomsten tussen natuurlijke personen. Doordatdeze uitzonderingen noodzakelijk zijn, indien de nominale waarde als49Er wordt nog steeds getoetst aan artikel 26a Wet IB 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 654 uitgangspunt wordt genomen voor de waardering, is een dergelijkwaarderingsvoorschrift niet in alle gevallen eenvoudiger voor debelastingplichtige. Een obligatie is bijvoorbeeld een vordering die vaak eneenvoudig wordt doorverkocht en waarvoor een waardering op basis vanwaarde in het economische verkeer eenvoudig is vast te stellen aan dehand van de beurskoers en de aangegroeide rente. Aangezien de huidigewaardering op basis van de waarde in het economische verkeer voorvorderingen en schulden in box 3 al jarenlang goed functioneert, stelt hetkabinet voor om als hoofdregel de waarde in het economische verkeer teblijven hanteren.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet eenrisico op misbruik ziet bij de kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling. Zij vragenverder of het klopt dat door deze vrijstelling een asymmetrie ontstaat,waarbij de kwijtschelding in mindering wordt gebracht van het inkomenbij de schuldeiser maar niet wordt opgeteld bij het inkomen van deschuldenaar. Zij vragen of het mogelijk is dat hierdoor op papier schuldenworden gemaakt en kwijtgescholden om het box 3-inkomen kunstmatig teverlagen en zo ja, hoe dit misbruik wordt voorkomen. Het is niet deverwachting dat specifiek de kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling zalworden gebruikt om de belastingheffing in box 3 te verminderen ofonmogelijk te maken. Het inkomen dat bij de schuldenaar ontstaat alsgevolg van kwijtschelding van een schuld wordt onder voorwaardenvrijgesteld van heffing in box 3. Er dient om gebruik te kunnen maken vande kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling een kwijt te schelden vordering tebestaan die niet voor verwezenlijking vatbaar is. Dit zal een schuldeiserwillen voorkomen. Rechten die wel voor verwezenlijking vatbaar zijn maardoor de schuldeiser om niet zakelijke redenen niet worden ingevorderdvallen niet onder de vrijstelling. Het kabinet vindt het onwenselijk dat eenschuldenaar inkomstenbelasting zou zijn verschuldigd als gevolg van eenkwijtschelding vanwege zeer slechte financiële omstandigheden. Dit zoueen belemmering kunnen vormen bij het saneren van schulden vanmensen die te maken hebben met schuldproblematiek. Overigens is inbox 1 een vergelijkbare regeling opgenomen voor winst uit onder-neming.50De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het nietdoorwerken van de kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling in het toetsingsin-komen aansluit bij het doenvermogen van toeslaggerechtigden. Dezeleden vragen wat het nadeel is van de kwijtscheldingsvoordeelvrijstellingdoor te laten werken in het toetsingsinkomen voor de toeslagen. Dekwijtscheldingsvoordeelvrijstelling werkt niet volledig door in hettoetsingsinkomen, bijvoorbeeld in het geval dat een schuld van eenbelastingplichtige is kwijtgescholden en openstaande te verrekenenverliezen in box 3 bestaan. Voor het toetsingsinkomen wordt doorgaansaangesloten bij het verzamelinkomen uit de Wet IB 2001 en daar maken teverrekenen verliezen geen deel van uit. Om deze reden wordt het mogelijkdat een belastingplichtige een verzoek bij de Dienst Toeslagen kan doenom uit te gaan van het verzamelinkomen zonder de kwijtscheldingswinst.Vanuit oogpunt van doenvermogen zou het wenselijker zijn geweest alsde Belastingdienst de Dienst Toeslagen zou informeren dat sprake is vaneen situatie waarin een belanghebbende mogelijk in aanmerking komtvoor het doen van een verzoek tot vaststelling van een lager toetsingsin-komen. Dit zou tevens een flinke verzwaring van de uitvoeringslast voorde Belastingdienst betekenen. Het kabinet kiest ervoor om in dit geval aante sluiten bij de systematiek waarin de belanghebbende zelf een verzoekom toepassing dient te doen bij de Dienst Toeslagen. De voornaamsteredenen zijn dat het al aan een belastingplichtige is om een beroep te50Zie artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 655 doen op de kwijtscheldingswinstvrijstelling en dat te bewijzen. Daarnaastgeldt in de winstsfeer al een proces waarin een dergelijk verzoek door eenbelanghebbende dient te worden gedaan waarbij wordt aangesloten.Tegen deze achtergrond vindt het kabinet het redelijk om het aan debelanghebbende te laten om een eventueel verzoek aan de DienstToeslagen te doen.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom het wenselijk enproportioneel is om bij wijze van uitzondering in bepaalde situaties hetvorderingenstelsel te hanteren. Voor reguliere voordelen wordt alshoofdregel het kasstelsel voorgesteld, maar bij wijze van uitzonderinggeldt het vorderingenstelsel als sprake is van reguliere voordelen diebetrekking hebben op een tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvakdat meer dan zes maanden voor het begin van het kalenderjaar isaangevangen. Deze uitzondering heeft als doel om te voorkomen datbelastingplichtigen de heffing over reguliere voordelen langdurig naar detoekomst kunnen verschuiven. De verwachting is dat deze uitzonderingniet vaak van toepassing zal zijn. Het hanteren van het vorderingenstelselvoor deze situaties heeft een preventieve werking: hierdoor is er geenprikkel om het betalingstijdstip van reguliere voordelen langdurig uit testellen met het oog op uitstel van de belastingheffing.De leden van de fractie van NSC vragen waarom belastingplichtigen inbox 3 worden geacht uit te gaan van een zakelijke rente. Deze ledenvragen of dit uitlegbaar is aan particulieren en of dit in overeenstemmingis met het uitgangspunt van heffing naar werkelijk rendement. Hetzakelijkheidsbeginsel wordt in box 1 en box 2 al jarenlang gecombineerdmet een heffing over het werkelijke inkomen. Het doel van het zakelijk-heidsbeginsel is het voorkomen van belastingontwijking. In gelieerdeverhoudingen (bijvoorbeeld tussen ouder en kind of tussen de belasting-plichtige met de eigen vennootschap) kunnen transacties worden geslotenmet voorwaarden die afwijken van tussen derden gesloten vergelijkbaretransacties. Dit biedt de mogelijkheid om verliezen te creëren die bijzakelijke, vergelijkbare transacties niet zouden optreden. Zo zou de heffingin box 3 kunnen worden vermeden. Naar het oordeel van het kabinet ishet goed uitlegbaar dat bijvoorbeeld zeer hoge onzakelijke rentes fiscaalniet aftrekbaar zijn. Bovendien zullen sommige particulieren het zakelijk-heidsbeginsel al kennen, omdat het in box 1 en box 2 wordt toegepast.Verder vragen de leden van de fractie van NSC hoe wordt omgegaan metde fiscale behandeling van een lening van een ouder aan een kind,waarbij het kind de lening gebruikt voor de aankoop van een eigenwoning, indien een lagere rente wordt afgesproken dan zakelijk is. Dezeleden vragen of het klopt dat de rente dan fiscaal aftrekbaar is tot defeitelijk betaalde (lagere) rente, terwijl de ouder wordt belast naar eenhogere, zakelijke rente. Deze leden vragen of dit wenselijk is en of hetkabinet verwacht dat deze benadering aanleiding zal geven tot gerechte-lijke procedures. Rente van een eigenwoningschuld komt in box 1 slechtsvoor aftrek in aanmerking als deze betaald is en voor zover deze markt-conform is. Hier brengt het wetsvoorstel geen verandering in. In hettoekomstige stelsel voor box 3 zal inderdaad bij de kredietverstrekker (indit geval de ouder) die een onzakelijk lage rente ontvangt een hogerezakelijke rente worden belast. Dit is vergelijkbaar met een situatie waarinde lening voor de eigen woning niet door de ouders wordt gegeven, maardoor de eigen vennootschap in box 2. In dat geval wordt de onzakelijklage rente bij de bv gecorrigeerd naar een hogere zakelijke rente op grondvan het zakelijkheidsbeginsel. Het klopt dat het zakelijkheidsbeginselongunstige gevolgen kan hebben voor belastingplichtigen. Dit kunnenbelastingplichtigen voorkomen door zakelijk te handelen. Op de websitevan de Belastingdienst is informatie te vinden voor particulieren die voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 656 hun eigen woning geld lenen bij familie of bij een bv, zodat zij eenmarktconforme rente kunnen afspreken.51 Omdat het zakelijkheidsbe-ginsel in de andere twee boxen al wordt toegepast, is het geen nieuwprincipe in de fiscaliteit. Ook om deze reden verwacht het kabinet niet datdit aanleiding zal geven tot gerechtelijke procedures.4. Visie op belasten vermogen en samenhang tussen boxen 4.1. Visie op het belasten van vermogen De leden van de fractie van het CDA vragen om te reflecteren op deaantrekkelijkheid van boxenarbitrage. Deze leden vragen om eenvergelijking van de arbitragemogelijkheden onder een vermogensaanwas-belasting in box 3 ten opzichte van een vermogenswinstbelasting. Deleden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar het risico vanboxenarbitrage met box 2 en hoe dit wordt tegengegaan. Ook de ledenvan de fractie van D66 vragen naar de risico’s van boxenarbitrage. Deleden van de fractie van de VVD vragen of is overwogen om box 2 enbox 3 samen te voegen om arbitrage tegen te gaan. Het ontbreken vaneen grondslag op basis van werkelijk rendement is momenteel debelangrijkste onevenwichtigheid in box 3 ten opzichte van de rest van hetstelsel. Dit is ook geconstateerd in het IBO Vermogensverdeling52 en hetrapport Belastingen in maatschappelijk perspectief.53 De prikkel voorbox-arbitrage neemt met de voorliggende hervorming af omdat in hetvoorstel net als in box 2 belasting zal worden geheven over het werkelijkerendement en niet meer over een forfaitair rendement. Daarmee kunnenbestaande fiscale redenen om vermogen dat in box 3 forfaitair hoog werdbelast over te hevelen naar box 2 afnemen. Er blijven echter verschillentussen box 2 en box 3, bijvoorbeeld met betrekking tot het genietings-tijdstip en het tarief. Dit kan aanleiding geven om in bepaalde gevallenvermogen onder te brengen in ofwel box 2 ofwel box 3. Daarbij moetworden bedacht dat aan het aanhouden van vermogen in een vennoot-schap kosten en administratieve lasten zijn verbonden. Bij een volledigevermogenswinstbelasting zouden de verschillen tussen box 2 en box 3verder verkleinen. Het kabinet heeft echter gekozen voor een hybridestelsel met als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting vanwege devoordelen van een vermogensaanwasbelasting op het gebied vanvoorkoming van belastinguitstel, uitvoerbaarheid en doenvermogen.De leden van de fractie van het CDA vragen of de verwachte opbrengst inbox 3 gehaald zal worden gegeven dat de kans bestaat dat box 3-vermogen naar de bv zal worden overgeheveld. In de raming is rekeninggehouden met het gedragseffect dat box 3-vermogen overgeheveld kanworden naar de bv. De mate waarin hangt af van de mate waarin hettoekomstige box 3 stelsel nadeliger is dan het huidige box 3 stelsel. Dit zalvooral gelden voor hoogrenderend vermogen in box 3. Het laagstegecombineerde tarief in de vennootschapsbelasting/box 2 (38,85%) ishoger dan het tarief in box 3 (36%). Daarnaast wordt met het nieuwestelsel het voordeel om box 3-vermogen over te hevelen naar devennootschap beperkt doordat in het nieuwe stelsel, net als in devennootschapsbelasting/box 2, belasting wordt geheven op basis vanwerkelijk rendement. Daar staat tegenover dat in box 2 pas belastingwordt betaald als er dividend wordt uitgekeerd en dat er kan wordengeleend van de eigen bv. Deze mogelijkheden kunnen het aantrekkelijkmaken om vermogen in de bv aan te houden. Daar brengt het nieuwe51https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/koopwoning/content/renteaftrek-hypotheek-lening-eigen-woning-familie-bv-buitenlandse-bank52Kamerstukken II 2022/23, 36 200 IX, nr. 4.53Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 180.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 657 stelsel geen verandering in. Al met al verwacht het kabinet dat hetgedragseffect beperkt is en dat de verwachte opbrengsten gehaaldkunnen worden.De leden van de fractie van het CDA wijzen op het advies van de Raad vanState waarin is ingegaan op de verschillen in belastingheffing tussen deboxen en vragen om nogmaals in te gaan op de wenselijkheid van hethybride stelsel. De voor- en nadelen van verschillende varianten voor eennieuw stelsel zijn door dit kabinet en voorgaande kabinetten uitgebreidonderzocht. In het wetsvoorstel is gekozen voor een hybride variant,waarbij voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingensprake is van een vermogenswinstbelasting. Een volledige vermogens-winstbelasting kent diverse nadelen, zoals de prikkel tot fiscale planningom belastingheffing uit te stellen, economische verstoringen, forsenegatieve budgettaire gevolgen in de eerste jaren, complexiteit voorburgers en ingrijpende gevolgen voor de uitvoering door de Belasting-dienst. Bij de invoering van het huidige stelsel voor de inkomstenbe-lasting in 2001 is gekozen voor het boxenstelsel. De boxen onderlingverschillen van elkaar. Deze verschillen hebben als achtergrond dat hetwenselijk kan zijn om bijvoorbeeld de eigen woning anders te behandelendan een spaarrekening, of om ondernemingsvermogen anders tebehandelen dan een belegging in de vorm van een aandelenpakket ofonroerende zaken. Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomsten-belasting volgt dat het vermogen in box 3 wordt aangemerkt als beleg-gingen waardoor een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte vanondernemingsvermogen in de andere boxen te rechtvaardigen is. Doorhet heffen op basis van werkelijk rendement geldt echter hoe dan ook datde verschillen tussen de boxen verminderen.De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet nogmaals in tegaan op de keuze om het nieuwe stelsel budgetneutraal in te voeren. Eenbudgetneutrale inrichting van het nieuwe stelsel vindt het kabinet vangroot belang. Met het begrip budgetneutraal wordt bedoeld dat de tebehalen opbrengst niet leidt tot een derving in het inkomstenkader,waarmee het kabinet de belastinginkomsten beheerst. In het inkomsten-kader heeft het vorige kabinet de lijn gehanteerd dat de kosten in hetoverbruggingsstelsel vanwege het benodigde rechtsherstel tijdelijk zijn,en dat bij introductie van het nieuwe stelsel het been weer bijgetrokkendient te worden. Het huidige kabinet heeft bij het vaststellen van hetinkomstenkader in de Miljoenennota 202554 deze lijn overgenomen. Eenbudgetneutrale vormgeving betekent daarmee (feitelijk) dat wordtaangesloten bij de opbrengst die het «oude» box 3-stelsel, zonder kostenvoor rechtsherstel, zou opleveren in dat jaar (gecorrigeerd voor tussen-tijdse beleidswijzingen). Het is hierbij van belang te onthouden dat hetbegrip «budgetneutraal» in het inkomstenkader wordt toegepast alsvergelijking van een opbrengst in een specifiek jaar onder bestaandebeleidsveronderstellingen (in dit geval: box 3 zonder rechtsherstel) met deopbrengst in datzelfde jaar met andere beleidsveronderstellingen (in ditgeval: het nieuwe stelsel). Het basispad waartegen het stelsel werkelijkrendement is afgezet bestaat uit het oude stelsel tot 2022 (exclusiefrechtsherstel, inclusief structurele beleidswijzigingen zoals de structureelaangepaste leegwaarderatio, en het structureel verhoogde tarief uitBelastingplannen 2023 en 2024) opgehoogd naar wat dit stelsel vanaf2028 zou opleveren. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gekozen dehogere uitvoeringskosten van het nieuwe stelsel te dekken met debelastingopbrengsten uit het nieuwe box 3 stelsel. Het kabinet wijst eropdat een structureel lagere budgettaire opbrengst dan het oorspronkelijkestelsel ertoe leidt dat de overheidsfinanciën aanmerkelijk verslechteren en54Kamerstukken II 2024/25, 36 600, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 658 daarmee elders juist meer belastingopbrengsten behaald moeten worden.Het kabinet acht het zowel van belang om bij de belastingheffing opverschillende inkomstenbronnen een evenwicht te behouden als vanbelang om een gedegen financieel beleid te voeren.De leden van de fractie van het CDA willen verder ingaan op de brief 3 juli202555 in reactie op de motie Inge van Dijk56 over het eventueel eerder inkunnen voeren van een vermogenswinstbelasting bij het loslaten van devooraf ingevulde aangifte (VIA). Het kabinet heeft in de voornoemde briefaangegeven dat het eerder invoeren van een vermogenswinstbelastingniet mogelijk is omdat ketenpartijen zich moeten voorbereiden en omdatde ICT nog niet op orde is. Deze leden vragen of het kabinet nogmaals kanreflecteren op de mogelijkheden voor het verwerken van de vermogens-winstbelasting via de huidige aangifte met aanvullende toelichting envragen meer in detail in te gaan op de techniek hierbij. Zoals uiteengezetin de brief over de afdoening van de motie Inge van Dijk kan debenodigde voorbereidingstijd voor het nieuwe stelsel niet zodanig wordenverkort dat eerdere invoering mogelijk is, ook niet als de VIA wordtlosgelaten. Ook een vermogenswinstbelasting kan niet eerder ingevoerdworden dan per 1 januari 2028. Een vermogenswinstbelasting alshoofdregel voor box 3 zal juist voor vertraging van de invoering van eennieuw box 3-stelsel zorgen, aangezien nieuwe wetgeving moet wordenopgesteld, die opnieuw aan de Belastingdienst moet worden voorgelegdvoor een uitvoeringstoets en vervolgens opnieuw aan de Raad van Statemoet worden voorgelegd voor een advies. Daarnaast heeft de Belasting-dienst ook zelf voldoende tijd nodig om de invoering van de Wet werkelijkrendement box 3 te kunnen realiseren en in haar ICT-systemen teimplementeren, dit ook in verband met de noodzakelijke vergevorderdeuitfasering van Cool:Gen. Het loslaten van de VIA heeft daarmee geen(positieve) invloed op de ICT-planning van de Belastingdienst. Daarnaastkan deze voorgestelde aanpassing niet in het aangifteformulier inkom-stenbelasting worden verwerkt. Immers, tot aan de invoering van hetnieuwe stelsel wordt in het aangifteformulier inkomstenbelasting noguitgegaan van een heffing op basis van het forfaitaire stelsel waarbij debelastingplichtige (vanaf het belastingjaar 2025) in het aangifteformulierde mogelijkheid krijgt om op basis van de tegenbewijsregeling hetwerkelijke rendement aan te geven. In het nieuwe stelsel wordt in hetaangifteformulier inkomstenbelasting niet langer uitgegaan van hetforfaitaire systeem maar van een werkelijk rendement en daarmee zal ookhet aangifteformulier moeten worden aangepast.4.2. Samenhang tussen boxen De leden van de fractie van NSC vragen hoe wordt omgegaan metzogenoemde sfeerovergangen, bijvoorbeeld bij de overgang van eenvermogensbestanddeel van box 1 of box 2 naar box 3, of van de privé-sfeer naar de ondernemingssfeer (bijvoorbeeld een pand van box 3 naarbox 1). Deze leden vragen of dubbele of ongewenste heffing in dezegevallen wordt voorkomen. De huidige Wet inkomstenbelasting 2001bevat een algemene regel die voorkomt dat inkomsten die in box 1 ofbox 2 worden belast ook nog in box 3 worden belast. Dit is dezogenoemde rangorderegeling. Ook na de invoering van het toekomstigestelsel zal deze rangorderegeling voorkomen dat hetzelfde inkomen inmeerdere boxen wordt belast. Specifiek voor sfeerovergangen bevat hetwetsvoorstel voorzieningen om ervoor te zorgen dat in box 3 uitsluitendde waardeontwikkeling wordt belast die zich voordoet nadat eenvermogensbestanddeel onderdeel uitmaakt van het box 3-vermogen. Het55Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 17.56Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 246.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 659 is dus niet zo dat eerdere waardeontwikkelingen die zich hebbenvoorgedaan in box 1 of box 2 vervolgens ook in box 3 in aanmerkingkunnen worden genomen. Indien een belastingplichtige bijvoorbeeld naeen verhuizing zijn voormalige eigen woning gaat verhuren, dan is er eensfeerovergang voor de woning van box 1 naar box 3. In dat geval zal inbox 3 bij het bepalen van de toekomstige vermogenswinst niet deaankoopprijs worden gehanteerd als beginwaarde, maar in plaats daarvande waarde in het economische verkeer die de woning heeft op hetmoment dat die woning overgaat naar box 3. Dit wordt ook wel een stepup genoemd. Stel dat de woning op het moment van overgang naar box 3€ 300.000 waard is en na vijf jaar in box 3 wordt verkocht voor € 350.000,dan wordt in box 3 een vermogenswinst van € 50.000 belast. Deaankoopprijs uit de tijd dat de woning nog in box 1 zat, is voor box 3 dusniet relevant. Tegelijkertijd bevat het wetsvoorstel waarborgen die ervoorzorgen dat de volledige waardeontwikkeling wordt belast die zichvoordoet gedurende de periode dat een vermogensbestanddeel tot hetbox 3-vermogen behoort. Daarom is in het wetsvoorstel een zogenoemdefictieve vervreemding opgenomen die van toepassing is op het momentdat een onroerende zaak vanuit box 3 overgaat naar box 1 of box 2. In diesituatie wordt de vermogensstijging belast die zich heeft voorgedaan inde periode dat de onroerende zaak onderdeel was van het box 3-vermogen. Aangezien het in die situatie niet mogelijk is om een verkoop-prijs te gebruiken voor het bepalen van de vermogenswinst, wordt devermogenswinst op het moment dat het pand box 3 verlaat bepaald aande hand van de waarde in het economische verkeer die het pand op datmoment heeft. Stel dat een belastingplichtige in 2028 een onroerendezaak koopt voor € 500.000. Deze onroerende zaak zit als beleggingsver-mogen in box 3. Vervolgens stelt de belastingplichtige in 2030 dezeonroerende zaak ter beschikking aan zijn eigen onderneming. In dat gevalis er in 2030 een sfeerovergang van box 3 naar box 1. De waarde in heteconomische verkeer van de onroerende zaak is op het moment van dezesfeerovergang € 520.000. In box 3 wordt een vermogenswinst van€ 20.000 in aanmerking genomen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel belasting-plichtigen in box 3 ook inkomen in box 1 hebben en wat hun gemiddeldebox 1-inkomen is. In 2022, het meest recente complete datajaar, zijn er2,63 miljoen belastingplichtigen die in box 3 belasting hebben betaald.Daarvan hebben 2,57 miljoen belastingplichtigen ook box 1-inkomen. Hungemiddelde box 1-inkomen bedraagt € 48.401.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA geven aan dat het inbepaalde situaties aantrekkelijk kan zijn om de hypotheek bewust in box 3onder te brengen door bijvoorbeeld een looptijd van 31 jaar af te sprekenen vragen hoe het kabinet dit ziet. Om te kwalificeren als eigenwoning-schuld moet bij een hypotheek onder andere worden voldaan aan hetvereiste aflossingsschema. Als een hypotheek niet kwalificeert alseigenwoningschuld dan valt de hypotheek niet in box 1 maar in box 3. Ditis een bewust gevolg van de voorwaarden voor het kwalificeren alseigenwoningschuld en verandert niet door het wetsvoorstel.5. Internationale aspecten De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ten aanzien van hetvoorstel voor een wereldwijde minimumbelasting op vermogen van tweeprocent, voor vermogens boven 100 miljoen euro, zoals besproken bij deG20-top in Brazilië eind 2024, wat de positie van de EU is en welke rolNederland daarin gespeeld heeft. Verder vragen deze leden hoe hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 660 kabinet de moties van het lid Van der Lee57 en van de leden Idsinga enVan Eijk58 hierbij in de praktijk heeft gebracht.Het voorstel voor een wereldwijde minimumbelasting op vermogenbetreft een oplossing voor de mogelijkheden die zeer vermogendepersonen hebben – vergelijkbaar met multinationale ondernemingen –hun belastingdruk te verlagen. Vanwege de hoge mobiliteit van hunvermogen en woonplaats is het voor zeer vermogende personen vaakmogelijk om mismatches tussen belastingstelsels van landen te benuttenen kunnen zij ervoor kiezen om naar een land met een voor deze groepgunstig fiscaal regime te migreren. Internationale en Europese samen-werking waarbij wordt ingezet op een gelijk speelveld kan dit tegengaan.Nederland wil daaraan een actieve bijdrage leveren en trekt waar mogelijksamen op met gelijkgestemde landen. Het is hierbij van belang om stapvoor stap te werk te gaan, waarbij eerst de problematiek nader wordtonderzocht voordat direct voor een oplossingsrichting (zoals eenwereldwijde vermogensbelasting) wordt gepleit. Dat laatste is inhoudelijkminder effectief en leidt tot weerstand bij bepaalde landen, zoals de VS.Het Inclusive Framework (IF) van de OESO heeft in april van dit jaarbesloten dat het IF de interactie tussen belastingen, ongelijkheid en groeigaat verkennen aan de hand van een gefaseerde en empirisch onder-bouwde aanpak. Het doel van dit project is o.a. om oplossingen te vindendie ongelijkheid aanpakken via het belastingstelsel. Nederland zet zich eractief op in om aandacht te genereren voor dit onderwerp, zowel in deOESO als in de EU. Voor oplossingsrichtingen kan concreet wordengedacht aan uitwisseling tussen landen van best practices in deuitvoering, onderzoek en wetgeving, het bediscussiëren van passendebelastingbeginselen, het gezamenlijk ontwikkelen vananti-misbruikmaatregelen en het maken van internationale afspraken,bijvoorbeeld over informatie-uitwisseling of de aanpak van schadelijkeregimes. Uitbreiden van de huidige wereldwijde automatische uitwis-seling van financiële rekeninginformatie naar informatie over buiten-landse onroerende zaken is bijvoorbeeld een belangrijke stap. Nederlandis er verder voorstander van om zowel in IF als EU-verband te onder-zoeken of en op basis van welke criteria schadelijke regimes gericht opzeer vermogende personen en huishoudens beoordeeld zouden moetenworden. Ook heeft Nederland in dit kader opgeroepen om de discussie inde EU-gedragscodegroep uit te breiden van bedrijven naar personen voorhet aanpakken van schadelijke regimes. Nederland is op dit moment aanhet verkennen hoe deze discussie het beste gevoerd kan worden. Hierbij ishet goed te beseffen dat de situatie op dit moment is dat landen over eeninternationale aanpak van de belasting van zeer vermogende personenzeer uiteenlopende opvattingen hebben (zowel qua probleemanalyse,oplossingsrichtingen als scope) en het animo dus niet bij ieder land evengroot is. Qua verwachtingen is het daarom van belang dat het in iedergeval een lange termijn project is en het nog niet duidelijk is waarin hetuiteindelijk kan resulteren.Over het tweede deel van de motie van de leden Idsinga en Van Eijk (overde mogelijkheid tot Nederlandse belastingheffing direct na emigratie naareen land met geen of een laag tarief aan belasting of een anderszinsruimhartig regime) is in december 2024 een brief naar uw Kamerverzonden.59 In deze brief is allereerst ingegaan op welke exitheffingen entrailing taxes Nederland al heeft. Zo kent Nederland een exitheffing bijemigratie ten aanzien van winst uit onderneming, resultaat uit overigewerkzaamheden, aanmerkelijk belang en opgebouwde pensioenen en57Kamerstukken II, 2023–2024, 36 418, nr. 76.58Kamerstukken II, 2023–2024, 25 087, nr. 333.59Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 342.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 661 lijfrenten. Ook het voorliggende wetsvoorstel Wet werkelijk rendementbox 3 bevat een exitheffing voor box 3-vermogen. Exitheffingen kunnenniet voorkomen dat inkomen of vermogensaanwas dat na emigratie ineen ander land wordt opgebouwd niet of laag belast wordt. Een verlengdebelastingplicht, genaamd een trailing tax, kan dat wel. Nederland heeft aleen trailing tax in de schenk- en erfbelasting. Op dit moment wordtonderzocht of een trailing tax in de inkomstenbelasting wenselijk enuitvoerbaar is. Wat hierbij goed moet worden beseft is dat een trailing taxmet name in aanvulling op en/of op basis van internationale afsprakenkan fungeren en dat het effect ervan de komende jaren beperkt is. Gezienhet uitgebreide verdragennetwerk van Nederland kan een trailing taxslechts in een beperkt aantal gevallen geëffectueerd worden, namelijk inde landen waarmee geen verdrag bestaat. Daar zitten wel enkele landenmet geen of een lage belastingheffing tussen, zoals Monaco. Nederlandheeft echter met veel landen met een lage belastingdruk of een voordeligfiscaal regime voor zeer vermogende personen wel een belastingverdrag.Daarvoor geldt dat het belastingverdrag eerst aangepast moet wordenvoordat een trailing tax geëffectueerd kan worden. Dit is doorgaans eenlangdurig proces. Om de keuze te maken of het introduceren van eentrailing tax wenselijk is, moet worden afgewogen of het doel inverhouding staat tot de lasten voor de Belastingdienst en belastingplich-tigen. Daarom wordt ook onderzocht of er betrouwbare cijfers zijn tegeven over hoeveel personen en met welk fiscaal belang emigreren naareen land met geen of een lage belastingheffing waarmee Nederland geenbelastingverdrag heeft gesloten en om de uitvoeringsgevolgen nauwkeu-riger in kaart te brengen. Het is de verwachting dat de uitkomsten van ditonderzoek later dit jaar met de Tweede Kamer gedeeld kunnen worden.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen de regering naar deuitvoering van de motie van het lid Stultiens over onderzoek naarNederlands vermogen in offshore financial centers.60 De motie verzoektde regering allereerst om het Nederlands vermogen in offshore financialcenters nader te onderzoeken. In de motie wordt gerefereerd naaronderzoek van EU Tax Observatory. Het gaat hier om onderzoek waarinover de periode 2001–2022 schattingen zijn gemaakt van vermogen inoffshore financial centers en op basis daarvan een schatting gemaakt vanhet deel van dit offshore vermogen waarover geen aangifte is gedaan(«unreported offshore tax»). Het blijkt dat het totale offshore vermogen inde wereld als percentage van het BBP in de afgelopen twee decenniaredelijk stabiel is gebleken. Het gaat vervolgens om een schatting van hetdeel van dit vermogen dat niet wordt aangegeven door personen in debelastingaangifte of waarover Belastingdiensten wereldwijd geeninformatie hebben, oftewel het verhuld vermogen («unreported wealth»).De onderzoekers hebben aan de hand van een combinatie van veertiendatabronnen en diverse modelaannamen een inschatting gemaakt van hetwereldwijde vermogen in zogenoemde «offshore financial centers».Vervolgens hebben zij het geschatte wereldwijde offshore vermogen indeze financials centers toegewezen aan individuele landen met behulpvan statistieken over de eigenaren van deposito’s in offshore financialcenters. De onderzoekers schatten op deze manier dat in 2022 Neder-landse huishoudens een vermogen van ca. 12,8% van het bbp houden indeze offshore financial centers.61 Dit bedrag is echter niet per se gelijk aanhet totale verhulde vermogen van Nederlandse huishoudens. Sinds deinternationale automatische informatie-uitwisseling tussen landen opbasis van de Common Reporting Standard (CRS) is een groot deel van het60Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1470.61The Atlas of the Offshore World (atlas-offshore.world).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 662 offshore vermogen bekend bij de Belastingdienst en daarmee nietverhuld.De onderzoekers hebben vervolgens op basis van Deense banktransactie-gegevens van Deense banken geanalyseerd dat de CRS-uitwisseling overinternationale banktegoeden nog niet compleet is. Zij stellen dat in 30procent van de bankrekeningen er geen CRS-rapport wordt verzonden.Vervolgens schatten zij op basis van diverse andere aannamen dat 15 tot37 procent van het wereldwijde offshore vermogen verhuld is.62 Zijveronderstellen dezelfde percentages voor Nederland, wat erop neer komtdat tussen de € 18 en € 44 miljard van Nederlandse huishoudens in 2022verhuld zou zijn. Hierbij geldt de kanttekening dat vermogen dat niet viaCRS wordt doorgegeven niet per se betekent dat dit verhuld vermogen is.De belastingplichtige kan immers uit zichzelf aangifte doen in box 3 overhet buitenlands vermogen.Het kabinet ziet de studie als een gedegen studie waarin door deonderzoekers op basis van zo veel mogelijk beschikbare gegevens met zoveel mogelijk redelijke aannamen een zo goed mogelijke inschatting isgemaakt van het verhuld vermogen. Het kabinet is niet van mening dat zijmet andere bronnen of andere aannames een betere of nauwkeurigereinschatting kan maken van de omvang van het verhuld vermogen vanNederlandse huishoudens. Het kabinet zet zich met het programmaVerhuld Vermogen van de Belastingdienst uiteraard blijvend in op eeneffectieve aanpak van verhuld vermogen. Daarnaast stelt Nederland zichin internationale gremia actief om te komen tot een verdere uitbreidingvan de internationale automatische uitwisseling over vermogen.Uitbreiding naar informatie over buitenlandse onroerende zaken isbijvoorbeeld een belangrijke stap. Ten slotte blijft het kabinet werk makenvan het bestrijden van internationale belastingontduiking en -ontwijking.De Tweede Kamer wordt hier over geïnformeerd in de jaarlijkse monito-ringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking, zo ookdit jaar.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de informatie-uitwisseling onder de CRS. Hoeveel rapporten over hoeveel personen zijnontvangen en over hoeveel buitenlands vermogen wordt gerapporteerden welk deel aan Nederland kan worden gelinkt? Onder de CRS wordengegevens uitgewisseld van buitenlandse Belastingdiensten aan deNederlandse Belastingdienst over personen die een relatie hebben metNederland. Op dit moment ontvangt de Belastingdienst gegevens overmeer dan 5,5 miljoen buitenlandse rekeningen. Deze hebben betrekkingop ruim 1,5 miljoen personen die een relatie hebben met Nederland. Dezegegevens zijn afkomstig uit 107 verschillende landen wereldwijd.In principe gaat het bij de te ontvangen informatie onder CRS overpersonen die in de betreffende jurisdictie (in dit geval Nederland) fiscaalinwoner zijn. In de praktijk blijkt er ook informatie over personen teworden uitgewisseld die geen fiscaal inwoner van Nederland zijn maarwel nog een of andere relatie met Nederland hebben. Zo blijkt dat er ookinformatie wordt toegezonden over personen die bijvoorbeeld wel in hetbezit zijn van een Nederlands paspoort, maar niet meer in Nederlandbelastingplichtig zijn over hun vermogen doordat zij bijvoorbeeld in hetbuitenland wonen en geen Nederlands inkomen meer genieten. Daarnaastvindt ook gegevensuitwisseling plaats over personen die in het buitenlandwonen en een Nederlands inkomen genieten, maar hiervoor in hetbuitenland aangifte doen en niet belastingplichtig zijn over het inkomenuit hun vermogen in Nederland.Een groot deel van de informatie die wordt ontvangen betreft ook (relatiefjonge) inwoners in Nederland met een buitenlandse rekening waar relatieflage bedragen op staan en wiens totale vermogen niet boven het62Global Tax Evasion Report 2024 (taxobservatory.eu), p. 27–29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 663 heffingsvrij vermogen in box 3 uitkomt. Ook gaat het vaak om inwonersuit Nederland die een buitenlandse rekening courant aanhouden, maarslechts een beperkt bedrag op deze rekening storten. Een reden om eenbuitenlandse rekening te openen is bijvoorbeeld om daarmee internetaan-kopen in buitenlandse valuta te kunnen betalen op internationaleplatforms.Om te bepalen welk aandeel van het CRS-vermogen echt aan Nederlandsebelastingplichtigen kan worden gelinkt, moet uiteindelijk per individuworden bekeken of deze persoon over zijn vermogen belastingplichtig isin Nederland. Dat hangt af van de feiten en omstandigheden die wordenvastgesteld door de belastinginspecteur. Over de omvang van hetbuitenlandse vermogen waarover wordt gerapporteerd aan Nederland endat kan worden gelinkt aan Nederlands belastingplichtigen valt, kanhierdoor op dit moment geen eenduidige schatting worden geven.De leden van de fractie van het CDA geven aan dat bij ongerealiseerdrendement feitelijk geen sprake is van draagkrachtvermeerderendinkomen. Deze leden vragen of het kabinet kan ingaan op alle situatieswaarin belasting wordt geheven op zaken die niet tot draagkrachtvermeer-dering leiden en een beoordeling geven van de juridische houdbaarheiddaarvan. Met het wetsvoorstel wordt juist meer recht gedaan aan hetdraagkrachtbeginsel dan het huidige forfaitaire stelsel doordat belastingwordt geheven op basis van het werkelijke rendement. Ook doorongerealiseerde waardestijgingen van vermogensbestanddelen neemt deeconomische beschikkingsmacht van belastingplichtigen toe. Devermogensaanwasbelasting sluit daarmee goed aan op de doelstellingvan de inkomstenbelasting om belasting te heffen naar de draagkrachtvan belastingplichtigen.5.1. Verhouding tot hoger recht De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het onderscheidbinnen box 3, waarbij voor sommige vermogensbestanddelen eenvermogensaanwasbelasting geldt en voor andere een vermogenswinstbe-lasting, juridische kwetsbaarheden oplevert en of dit mogelijk is strijd ismet Europese of nationale non-discriminatiebepalingen of het gelijkheids-beginsel. Op basis van het wetsvoorstel wordt in box 3 voor alle vermo-gensbestanddelen het werkelijke rendement belast. Als hoofdregel geldteen vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen instartende ondernemingen geldt een vermogenswinstbelasting. In beidegevallen wordt hetzelfde rendement belast, alleen het heffingsmomentverschilt. Deze uitzondering komt voort uit het niet-liquide karakter vandeze vermogensbestanddelen. Dit onderscheid is daarmee te rechtvaar-digen op basis van de specifieke kenmerken van onroerende zaken enaandelen in startende ondernemingen.De leden van de fractie van de VVD vragen of de jurisprudentie van deHoge Raad van 6 juni 202463 wel steun geeft aan de structurele toepassingvan een vermogensaanwasbelasting. Hoe ziet het kabinet de lezing datdeze jurisprudentie slechts stelt dat een vermogensaanwasbelastingbinnen een tegenbewijsregeling acceptabel kan zijn, zo vragen deze leden.Voorts vragen deze leden of het kabinet bereid is een toets op artikel 1 EPvan het EVRM door een externe commissie of de Landsadvocaat te latenverrichten. De voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement sluitbeter aan bij de werkelijke draagkracht van belastingplichtigen dan hethuidige forfaitaire stelsel. Het huidige stelsel beoogt ook ongerealiseerdewaardemutaties te belasten. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het63HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 664 feit dat de forfaitaire rendementspercentages mede zijn gebaseerd op de(al dan niet gerealiseerde) waardeontwikkeling van vermogensbestand-delen. De Hoge Raad heeft dit aspect niet als strijdig met het EVRMbeoordeeld, maar juist het feit dat het huidige stelsel forfaitair is vormge-geven en daardoor voor een ongerechtvaardigde ongelijke behandelingzorgt tussen belastingplichtigen met goede en slechte rendementen. DeHoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over dewijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kadervan de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel. De HogeRaad gaat hierbij uit van een vermogensaanwasbelasting voor allebezittingen, zonder kostenaftrek (met uitzondering van rente op schuldenin box 3) en zonder verliesverrekening. Deze invulling van het begripwerkelijk rendement is voldoende om de schending van artikel 14 EVRMen artikel 1 EP EVRM op te heffen. Het inkomensbegrip in het voorge-stelde stelsel voor box 3 komt in de basis overeen met dit kader van deHoge Raad. De aangebrachte toevoegingen zijn in het voordeel van debelastingplichtige, zoals de mogelijkheid tot kostenaftrek en verliesverre-kening. Daarnaast geldt in het voorgestelde stelsel een vermogenswinst-belasting voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen vanstartende ondernemingen hetgeen een liquiditeitsvoordeel oplevert voorbelastingplichtigen. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelseljuridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordtvoortgebouwd op het kader van de Hoge Raad. Het wetsvoorstel is alsonderdeel van het gebruikelijke wetgevingsproces voorgelegd voor eenconstitutionele toets door het Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en de rijksbrede wetgevingstoets door het Ministerievan Justitie en Veiligheid, waarbij ook aandacht is voor de verenig-baarheid van het voorstel met grondrechten. In het advies van de Raadvan State zijn bovendien geen kanttekeningen geplaatst bij dehoudbaarheid van een vermogensaanwasbelasting in het licht van hetEVRM. Het kabinet ziet daarom geen aanleiding voor aanvullendeadviezen op dit punt.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de heffing over vermo-gensaanwas zich verhoudt tot het arrest van de Hoge Raad van 2 juli202164 waarin is geoordeeld dat belastingheffing niet tot interen opvermogen mag leiden. In dat arrest lag de vraag voor of de belasting-plichtige door de box 3-heffing werd geconfronteerd met een individueleen buitensporige last. De Hoge Raad oordeelde dat daarbij de heffing insamenhang met de gehele financiële situatie van de belastingplichtigemoet worden bezien. De omstandigheid dat de belastingplichtige door deheffing inteert op vermogen kan een aanwijzing zijn dat hij door dieheffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last. Deze uitspraakging over het forfaitaire box 3-stelsel voor de kalenderjaren 2016 en 2017,jaren waarin sprake was van lage gemiddelde spaarrentes. Bij belasting-plichtigen met bijvoorbeeld uitsluitend spaargeld en weinig anderinkomen kon het dan in theorie voorkomen dat een belastingplichtigedoor de forfaitaire heffing in box 3 per saldo moest interen op zijnvermogen. Bij een vermogensaanwasbelasting is een dergelijke situatieniet mogelijk omdat uitsluitend belasting wordt geheven over hetwerkelijke rendement. In het geval van waardestijgingen van hetvermogen is de vermogenspositie van een belastingplichtige daadwer-kelijk toegenomen, waardoor geen sprake is van interen op vermogendoor de belastingheffing.De leden van de fractie van de VVD wijzen erop dat in box 1 en box 2belastingheffing plaats vindt bij realisatie, terwijl in box 3 vermogens-aanwas belast wordt. Deze leden vragen hoe het kabinet deze ongelijke64HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 665 behandeling in de verschillende boxen rechtvaardigt. Bij de herzieningvan de inkomstenbelasting per 2001 heeft de wetgever het boxenstelselgecreëerd. Elke box kent zijn eigen regels en belastingtarief. Vermogens-bestanddelen worden afhankelijk van de fiscale kwalificatie belast in eenvan de drie boxen. Een verschillende fiscale kwalificatie van hetzelfde typevermogensbestanddeel leidt ertoe dat de belastingheffing ook verschilt.Aandelen bijvoorbeeld kunnen op de balans van een eenmanszaak staan(box 1), een aanmerkelijk belang vormen bij een belang van 5% of meer(box 2) of als bezitting in box 3 belast worden bij een belang van minderdan 5%. Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomstenbelastingvolgt dat het vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een beleggingwaardoor een afwijkende fiscale behandeling ten opzichte van onderne-mingsvermogen in de andere boxen is gerechtvaardigd. In het huidigebox 3-stelsel is sprake van een forfaitaire vermogensaanwassystematiek.Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in het feit dat de forfaitairerendementspercentages mede zijn gebaseerd op de (al dan niet gereali-seerde) waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen. Voorgesteldwordt om bij de invoering van een heffing over het werkelijke rendementin box 3 als hoofdregel de vermogensaanwassystematiek te behouden.5.2. Voorkoming van dubbele belasting De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de constateringdeelt dat – omdat Nederland op het moment van emigratie wil heffen overde aanwas van het vermogen gedurende het verblijf in Nederland – ervoor toptalent dat enige tijd in Nederland werkt, sprake kan zijn vandubbele belasting. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen naarhet risico op dubbele belastingheffing bij bijvoorbeeld expats.Nederland streeft er in algemene zin naar om de vermogensaanwas enhet inkomen dat een belastingplichtige opbouwt in de periode dat hij inNederland woont, in Nederland te belasten. Dit uitgangspunt is niet alleenvervat in de voorgestelde systematiek in box 3, maar ook in de verschil-lende bestaande exitheffingen in box 1 en box 2.65 Omdat de belasting-plichtige bij emigratie zal moeten afrekenen over waardeveranderingentoerekenbaar aan de Nederlandse periode, is het resultaat voor devermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting in dit gevalvergelijkbaar. In het wetsvoorstel is namelijk voor vermogensbestand-delen waarvoor een vermogenswinstbelasting geldt (aandelen in enwinstbewijzen van startende ondernemingen en in het buitenland gelegenonroerende zaken) bij emigratie een fictieve vervreemding opgenomen.Overigens zal de fictieve vervreemding van in het buitenland gelegenonroerende zaken in verdragsrelaties in de regel niet geëffectueerdkunnen worden, omdat het heffingsrecht is toegedeeld aan de andereverdragsstaat.In veel gevallen zal het land waarnaar geëmigreerd wordt een step-upgeven voor de relevante vermogensbestanddelen (zoals aandelen ofeffecten), evenals Nederland zou doen bij immigratie. Een step-upvoorkomt dat er dubbele belasting ontstaat over dezelfde vermogens-aanwas. Als het andere land geen step-up verleent, kan dubbele belastingontstaan. Door het niet verlenen van een step-up betrekt een land effectiefinkomen in zijn grondslag dat is opgebouwd in de periode dat eenbelastingplichtige in het andere land woonde. Vanuit Nederlandse optiekis dit ongewenst.65Bijvoorbeeld de fictieve eindafrekening over winst uit onderneming of resultaat uit overigewerkzaamheden of de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang bij emigratie. Ookhanteert Nederland een exitheffing over opgebouwde pensioenen en lijfrenten bij emigratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 666 Voor die gevallen van dubbele heffing bieden de belastingverdragen tervoorkoming van dubbele belasting in beginsel geen soelaas, omdat beidelanden in overeenstemming met het belastingverdrag hun heffingsrechteffectueren.66 Belastingverdragen nemen in beginsel geen dubbelebelasting weg die het gevolg is van opeenvolgend inwonerschap inverschillende landen. Het is aan het nationale recht van de staat vanimmigratie hoe om te gaan met de aanvang van de binnenlandsebelastingplicht. Om dezelfde reden kan ook onder het huidige forfaitairebox 3-stelsel dubbele belasting optreden bij emigratie, afhankelijk van hetnationale recht van de immigratiestaat.Nederland betrekt alleen de vermogensaanwas in de Nederlandse periodein de heffing en doet daarmee binnen zijn mogelijkheden datgene watnodig is om dubbele belastingheffing zoveel mogelijk te voorkomen.De leden van de fractie van de VVD vragen of de keuze voor een afwijkendsysteem van vermogensaanwasbelasting, dat niet aansluit bij interna-tionale standaarden, het Nederlandse vestigingsklimaat ondermijnt.Hoewel er weinig andere landen op dit moment een vermogensaanwas-belasting kennen, is een belastingheffing over ongerealiseerde vermo-genswinsten bij emigratie internationaal niet ongebruikelijk en wordt dezedoor meer (Europese) landen toegepast. Belastingheffing over ongereali-seerde vermogenswinsten bij emigratie is bovendien toegestaan onderhet EU-recht als wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden, zoalsautomatisch uitstel van betaling. Daarnaast is een dergelijke heffingmogelijk onder de heffingssystematiek onder belastingverdragen (mitsinkomen uit het relevante vermogensbestanddeel vóór emigratiebelastbaar was in het land waarvan deze inwoner was).De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is om– daar waar door kwalificatieverschillen dubbele belasting ontstaat –eenzijdig maatregelen te nemen om juridische of economische dubbeleheffing te voorkomen.Bij de belastingheffing van vermogensbestanddelen bij emigratie is nietsnel sprake van kwalificatieverschillen tussen landen, maar kan weldubbele belasting over dezelfde vermogensaanwas optreden als gevolgvan opeenvolgend inwonerschap in verschillende landen. Het ligt nietvoor de hand dat Nederland eenzijdige maatregelen neemt om indergelijke gevallen juridisch of economisch dubbele belastingheffing tevoorkomen, omdat het internationaal gebruikelijk is dat het land waar eenindividu woont (of gewoond heeft), belasting mag heffen over devermogensveranderingen die toerekenbaar zijn aan die periode en dievervolgens niet op grond van een belastingverdrag zijn toegewezen aaneen ander land. Vanuit Nederlandse optiek is het daarom passend voor destaat van immigratie om een step-up te verlenen voor de relevantevermogensbestanddelen bij aanvang van de binnenlandse belastingplicht.De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat de eerderevrees dat expats in Nederland te weinig belasting zouden betalen door departiële buitenlandse belastingplicht nu is omgeslagen in het omgekeerdeprobleem: dat zij Nederland links laten liggen vanwege de dreiging vandubbele heffing? Ook vragen deze leden of het kabinet bereid is om ingesprek te gaan met bedrijven als ASML, Unilever, Ahold Delhaize, ING enPhilips om na te gaan of zij daadwerkelijk signalen ontvangen dattoptalent Nederland mijdt vanwege deze fiscale risico’s.De partiële buitenlandse belastingplicht bood werknemers die gebruik-maakten van de expatregeling (voorheen: 30%-regeling) de mogelijkheid66Hetzelfde resultaat geldt voor landen waar Nederland geen verdrag mee heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 667 te kiezen om voor de belastingheffing van box 2 en box 3 te wordenaangemerkt als buitenlandse belastingplichtige.67Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2023 is door het lid Grinwiseen motie ingediend die het kabinet verzocht om de afschaffing van dekeuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht mee te nemen in deaanpak van belastingconstructies en fiscale regelingen.68 Het kabinet heeftervoor gekozen de regeling eerst te evalueren. De keuzeregeling partiëlebuitenlandse belastingplicht werd alsnog bij het Belastingplan 2024 peramendement van het lid Grinwis69 afgeschaft met 114 stemmen voor en34 tegen bij de toenmalige samenstelling van uw Kamer.De afschaffing is ingegaan per belastingjaar 2025 met een overgangsre-geling voor werknemers die eind 2023 al gebruik maakten van deregeling; zij kunnen in 2025 en 2026 nog gebruik blijven maken van deregeling. In een artikel in het Financieele Dagblad wordt door de indienervan het amendement, het lid Grinwis, aangegeven dat de achtergrond vanhet amendement is gelegen in het voorkomen van een dubbeleniet-heffing over het vermogen van vanuit het buitenland afkomstigewerknemers.70Het kabinet vindt een sterk vestigingsklimaat onmisbaar voor een stabieleNederlandse economie. Dit kabinet heeft de ambitie om weer tot detop-vijf van meest concurrerende landen wereldwijd te horen. Ook hetvorige kabinet had het vestigingsklimaat hoog in het vaandel staan. Datkabinet heeft daarom, ondanks de afschaffing, besloten om de regeling teevalueren om te bezien of daaruit redenen voortkomen die een andereaanpak rechtvaardigen. De evaluatie van de partiële buitenlandsebelastingplicht is uitgevoerd door SEO, tezamen met de evaluatie van de30%-regeling en de regeling voor extraterritoriale kosten (ETK-regeling).De resultaten van het onderzoek van SEO zijn opgenomen in het rapportKunde, Kosten en Keuzes uit juni 2024.71 Daarin concludeert SEO dat departiële buitenlandse belastingplicht niet doeltreffend en niet doelmatig is.SEO geeft in haar rapport aan dat het niet aannemelijk is dat de partiëlebuitenlandse belastingplicht voor de meeste 30%-gebruikers eendoorslaggevende factor zou zijn om niet naar Nederland te komen. SEOmaakt in haar rapport wel een uitzondering voor een zeer beperkte groephoog-vermogenden, die ook een gemiddeld hoger loon hebben. Hetkabinet heeft verder geen andere signalen ontvangen dat de afschaffingeen groot effect zou hebben op die bereidheid om in Nederland te gaanwerken. Zie bijvoorbeeld het verslag van de bedrijfsgesprekken naaraanleiding van de amendementen.72 Zoals uit dit verslag ook blijkt, is hetkabinet regelmatig in gesprek met het bedrijfsleven over verschillendefiscale regelingen, waaronder de expatregeling en de keuzeregelingpartiële buitenlandse belastingplicht. Hoewel het kabinet, rekeninghoudende met het vorengenoemde, momenteel geen aanleiding heeft omeen voorstel te doen om de keuzeregeling partiële buitenlandse belasting-plicht te herstellen blijft het graag over dit onderwerp in gesprek met hetNederlandse bedrijfsleven.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet aan kan gevenhoeveel expat-gerelateerde maatregelen zoals het afschaffen van hetkeuzerecht partiële buitenlandse belastingplicht, opleveren. Tijdens deplenaire behandeling van het Belastingplan 2024 is een amendement van67Artikel 2.6 Wet inkomstenbelasting 2001 (oud)68Kamerstukken II, 2022–2023, 36 202, nr. 11569Kamerstukken II, 2023–2024, 36 418, nr. 6970Belastingadviseurs: vermogenstaks expats slecht voor vestigingsklimaat, www.fd.nl,29 december 202471Kunde, Kosten en Keuzes, evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 2024.72Bijlage bij de Kamerbrief van 5 april 2024 (Kamerstukken I 2023/34, 36 418, AM).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 668 het lid Grinwis c.s. aangenomen waarmee het keuzerecht voor partiëlebuitenlandse belastingplicht afgeschaft is met ingang van 2025.73Overgangsrecht geldt voor degenen die vóór 2024 al gebruik maakten vande 30%-regeling, en wel tot uiterlijk 31 december 2026. Uitgaande van hetovergangsrecht leidt het afschaffen van het keuzerecht tot een opbrengstvan € 6 miljoen in 2025, € 10 miljoen in 2026 en € 20 miljoen vanaf 2027.De leden van de fractie van de VVD menen dat verslechtering van hetvestigingsklimaat als gevolg van dubbele belastingheffing en bijkomstigverlies van toptalent economische schade met zich brengt en vragen naarde omvang hiervan. De leden van de fractie van de VVD vragen hierbijnaar de positie van Nederland in de IMD-ranglijst voor concurrentiekrachten het beleid van het kabinet om deze positie te verbeteren.Voor een bredere toelichting op de ambities en actieplannen rondomeconomie en ondernemingsklimaat wordt verwezen naar het regeerpro-gramma.74Het versterken van de concurrentiekracht is een speerpunt van dit kabinet.Dit kabinet hecht daarom veel belang aan de evaluatie van expat-gerelateerde maatregelen zoals het afschaffen van de partiële buiten-landse belastingplicht, en blijft met het Nederlandse bedrijfsleven ingesprek over dit onderwerp. Voor de verdere beantwoording wordtverwezen naar het antwoord op de vraag over partiële buitenlandsebelastingplicht.De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het kabinet kijkt naar demogelijkheid dat verliezen niet helemaal verrekend kunnen worden doorbijvoorbeeld buitenlandse werknemers die maar tijdelijk in Nederlandverblijven. Acht het kabinet dit juridisch houdbaar?In het wetsvoorstel is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningopgenomen. Er is geen achterwaartse verliesverrekening opgenomenomdat dit voor een derving van honderden miljoenen in de eerste jarenzou leiden en achterwaartse verliesverrekening daarnaast voor deBelastingdienst complex is om uit te voeren. Er zijn geen indicaties datdeze regeling in strijd is met het EU-recht of andere internationaleafspraken. Bovendien zijn er ook andere (Europese) landen die achter-waartse verliesverrekening uitsluiten.5.3. Emigratie De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom bijemigratie een betalingsregeling volgens het kabinet voldoende is als hetgaat om het belasten van nog niet gerealiseerde vermogenswinst, maarbij binnenlandse belastingheffing niet. Deze leden vragen waarom desituatie bij belastingplichtigen die emigreren anders is dan bij belasting-plichtigen die in Nederland blijven. Voorts vragen deze leden of eenbetalingsregeling zonder beperking in de tijd niet te ruim is en of dezeregeling betekent dat uiteindelijk alleen belasting wordt betaald als sprakeis van daadwerkelijke vervreemding (zoals verkoop of overlijden). Indienvanwege emigratie een conserverende belastingaanslag wordt opgelegd,is er een Europeesrechtelijke verplichting om langdurig uitstel vanbetaling te geven. De regeling voor uitstel van betaling voorkomt dat deconserverende belastingaanslag bij emigratie in strijd is met het recht opvrij verkeer van personen. Zonder uitstel van betaling zou de conserve-rende belastingaanslag immers een belemmering vormen voor debelastingschuldige om zich in een ander land binnen de EU of EER tevestigen. Het uitstel van betaling wordt beëindigd, indien zich een situatie73Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 69.74Kamerstukken II 2024/25, 36 471, nr. 96.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 669 voordoet waarin in binnenlandse situaties belasting zou worden geheven(zoals verkoop of overlijden). Op die manier wordt de geëmigreerdebelastingplichtige op vergelijkbare wijze behandeld als de binnenlandsebelastingplichtige.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan verduide-lijken in welke situaties bij emigratie een conserverende belastingaanslagzal worden opgelegd. Deze leden vragen tevens of het kabinet kanbevestigen dat een heffingsmoment bij emigratie niet nodig is als het gaatom vastgoed in Nederland en dat alleen een conserverende aanslag wordtopgelegd indien sprake is van emigratie en de belastingplichtige vastgoedbezit in een niet-verdragsland. Bij emigratie wordt een conserverendeaanslag opgelegd om de waardeontwikkeling die gedurende de binnen-landse belastingplicht heeft plaatsgevonden maar nog niet in de heffing isbetrokken, alsnog in de heffing te betrekken. Het doel is om de belasting-claim over de waardeontwikkeling veilig te stellen voordat de belasting-plichtige is geëmigreerd. Een dergelijke conserverende aanslag is alleennodig voor aandelen in startende ondernemingen en voor onroerendezaken die gelegen zijn in een land waar Nederland geen verdrag meeheeft gesloten. Het gaat hier dus maar om een zeer beperkt deel van hetbox 3-vermogen. Bij al het box 3-vermogen waarvoor het vermogensaan-wasregime geldt, worden de waardeontwikkelingen jaarlijks belast en isdus geen sprake van een belastingclaim die vanwege emigratie moetworden veiliggesteld. Ten aanzien van in Nederland gelegen onroerendezaken blijft een belastingplichtige ook na emigratie (buitenlands)belastingplichtig. Voor die onroerende zaken wordt volgens hetwetsvoorstel geen conserverende aanslag opgelegd. Er zullen bovendiengeen conserverende aanslagen worden opgelegd ten aanzien vanonroerende zaken die zijn gelegen in een land waarmee Nederland eenverdrag heeft gesloten ter voorkoming van dubbele belasting. Debelastingverdragen die Nederland heeft gesloten plegen namelijk hetheffingsrecht over vermogenswinsten behaald met de vervreemding vanonroerende zaken exclusief toe te wijzen aan de staat waarin de onroe-rende zaak is gelegen.De leden van de fractie van de VVD vragen of directe afrekening van deconserverende belastingaanslag op verzoek van de belastingplichtigemogelijk is. Een conserverende belastingaanslag is een belastingaanslagdie de belastingplichtige mogelijk in de toekomst moet betalen. Indien debelastingplichtige direct afrekent over de conserverende aanslag, dan kande belastingplichtige te veel belasting betalen. In de toekomst kan deconserverende belastingaanslag, afhankelijk van de omstandigheden,namelijk nog worden verminderd. Het doel van deze verminderingen isom te voorkomen dat de belastingschuldige slechter af zou zijn tenopzichte van de situatie dat hij niet was geëmigreerd. Een verminderingvindt plaats, indien:1.de bezitting bij de vervreemding (als gevolg van waardedalingen nahet moment van emigratie) minder waard is geworden dan waarvan isuitgegaan bij het opleggen van de conserverende belastingaanslag;2.de belastingtarieven zijn gewijzigd en de verschuldigde inkomstenbe-lasting daardoor lager geweest zou zijn bij een heffing op het momentvan de vervreemding in vergelijking met de verschuldigde belastingdie uit de opgelegde conserverende belastingaanslag volgt;3.de belastingplichtige in een ander land belasting verschuldigd is alsgevolg van de vervreemding;4.de belastingschuldige (om een andere reden dan hiervoor genoemd)minder belasting verschuldigd was geweest als hij op het moment vande vervreemding nog in Nederland zou hebben gewoond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 670 De leden van de fractie van de SP vragen hoe datgene dat in de memorievan toelichting beschreven staat onder «5.3 Emigratie» zich verhoudt metde exitheffing die wordt beschreven in de Kamerbrief van 6 december2024.75 Deze leden vragen tevens in hoeverre er gesproken kan wordenvan een exitheffing in de nieuwe box 3 en welke mogelijkheden er zijn omdit uit te breiden. De in paragraaf 5.3 van de memorie van toelichtingbeschreven heffing bij emigratie is inderdaad een exitheffing zoals diewordt beschreven in de genoemde Kamerbrief, namelijk een heffing bijemigratie over de waardeontwikkeling van vermogen die in de periodevoor emigratie is opgebouwd in het land van waaruit geëmigreerdwordt.76 Het is niet mogelijk om deze exitheffing voor box 3 uit te breiden.Bij een vermogensaanwasbelasting wordt al jaarlijks over de waardeont-wikkeling geheven en is er dus geen sprake van een belastingclaim die bijemigratie moet worden veiliggesteld. Daarom voorziet het wetsvoorstelalleen in een exitheffing voor vermogensbestanddelen waarvoor eenvermogenswinstregime wordt voorgesteld. Hierbij is van belang dat bijonroerende zaken die in Nederland zijn gelegen ook na emigratie nog eenbelastingplicht blijft bestaan, waardoor een exitheffing niet noodzakelijkis. Bij onroerende zaken die zijn gelegen in landen waarmee Nederlandeen verdrag heeft gesloten, wordt geen exitheffing opgelegd omdat deheffing over de vermogensontwikkeling van die onroerende zaak in hetverdrag aan die landen pleegt te worden toegewezen. Om deze redenen iseen exitheffing alleen nodig bij onroerende zaken die zijn gelegen inniet-verdragslanden en bij aandelen in startende ondernemingen en daarvoorziet het wetsvoorstel reeds in.5.4. Caribisch Nederland (BES-eilanden) De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre wordtverwacht dat belastingontwijking via de BES-eilanden een risico vormt.Deze leden vragen hoe vermogen op dit moment in Caribisch Nederlandwordt belast en of het voor Nederlandse vermogenden aantrekkelijk is omzich een deel van de tijd in Caribisch Nederland te vestigen en zo hunbelastingafdracht te verlagen. De BES-eilanden kennen, anders dan hetEuropese deel van Nederland geen belastingheffing in box 3. Ook hetonderhavige wetsvoorstel voorziet daar niet in. Het is mogelijk dat eenNederlandse belastingplichtige daadwerkelijk meer dan de helft van hetjaar op de BES woont en daardoor binnenlands belastingplichtig is op deBES. Iemand is belastingplichtig op de BES indien diegene daadwerkelijkdaar woont. Dit betreft een feitelijke toets. Indien blijkt dat een persoonfeitelijk in het Europese deel van Nederland woont, dan vindt belasting-heffing niet op de BES plaats maar in het Europese deel van Nederland.6. Overwogen alternatieven 6.1. Vermogenswinstbelasting De leden van de fractie van D66 vragen om een inhoudelijke reactie op desuggestie van de afdeling advisering van de Raad van State om eenvolledige vermogenswinstbelasting te overwegen. Een vermogenswinst-belasting voor box 3 is door het kabinet onderzocht. In de Wet werkelijkrendement box 3 is gekozen voor een hybride variant, waarbij vooronroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen sprake is vaneen vermogenswinstbelasting. Een volledige vermogenswinstbelastingkent diverse nadelen, zoals de prikkel tot fiscale planning om belasting-heffing uit te stellen, economische verstoringen, forse negatieve budget-taire gevolgen in de eerste jaren, complexiteit voor burgers en ingrijpende75Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 342.76Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 342, p. 3 en 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 671 gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst. Daarom heeft hetkabinet gekozen voor het voorgestelde hybride stelsel.6.2. Belasting op basis van reële werkelijke rendement De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet de lezing deeltdat het gebruik van het reële werkelijke rendement meer recht doet aanhet draagkrachtbeginsel dan het nominale werkelijke rendement. Dezeleden en de leden van de fractie van D66 vragen waarom geen rekening isgehouden met de inflatie. Ook vragen deze leden of is overwogen omrekening te houden met schommelingen in wisselkoersen die gevolgenkunnen hebben op het reële werkelijke rendement. In de memorie vantoelichting bij het onderhavige wetsvoorstel wordt aangegeven dat hetbelasten van het reële werkelijke rendement het beste aansluit bij hetdraagkrachtbeginsel.77 Het voorstel is echter om het nominale werkelijkerendement uit sparen en beleggen te belasten. Dit betreft de toename vande waarde van het vermogen in euro’s. Redenen om geen rekening tehouden met inflatie in box 3 is dat het zich niet beperkt tot box 3, maargeldt voor alle onderdelen van het belastingstelsel waar kapitaalin-komsten worden belast. In die andere onderdelen van het belastingstelselis het belasten van het nominale werkelijke rendement de hoofdregel.Daarnaast zou het lastig uitlegbaar zijn om bij deflatie extra belasting teheffen en zou het rekening houden met inflatie naar verwachtingaanzienlijke budgettaire effecten hebben.De leden van de fractie van de SGP wijzen op de mogelijkheid tot eennoodrem bij hoge inflatie en vragen het kabinet naar de uitvoeringsge-volgen en budgettaire gevolgen hiervan. In de systemen van de Belasting-dienst wordt uitgegaan van berekeningen en heffingen op basis vannominale bedragen, en wordt er geen rekening gehouden met eeninflatiecorrectie.In de brief van 29 september 202278 is naar aanleiding van een toezegginguitgebreid ingegaan op de overwegingen om in een toekomstig stelsel opbasis van werkelijk rendement in box 3 wel of geen rekening te houdenmet inflatie. De vraag is of de belastinggrondslag het nominale werkelijkerendement zou moeten zijn of het reële werkelijke rendement. Hetnominale werkelijke rendement is de toename van de waarde van hetbox 3-vermogen in euro’s. Het reële werkelijke rendement is de toenamevan de hoeveelheid goederen en diensten die de belastingplichtige methet vermogen kan kopen. Het verschil tussen het nominale en het reëlewerkelijke rendement is de geldontwaarding (inflatie).De brief bevat als conclusie dat een belasting over het reële werkelijkerendement het beste aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Het deel van hetnominale inkomen dat nodig is om de koopkracht van het vermogen oppeil te houden, levert de spaarder immers per saldo geen extra draag-kracht op ten opzichte van iemand zonder spaargeld. Rekening houdenmet inflatie heeft echter een aantal belangrijke nadelen. Dit is ooktoegelicht in de brief aan de voorzitter van de Eerste Kamer van1 september 2023.79 In deze brief is een inventarisatie opgenomenrondom het begrip inflatieneutrale belastingheffing op basis van eentoezegging aan het Eerste Kamerlid Essers.Zo zou rekening houden met inflatie naar verwachting aanzienlijkebudgettaire gevolgen hebben. Het reële inkomen is in box 3 immersnormaal gesproken lager dan het nominale inkomen. Deze derving zou in77Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 3, p. 49.78Kamerstukken II, 2022/23, 32 140, nr. 139.79Kamerstukken Eerste Kamer, 2022/23, 36 202, AC.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 672 box 3 (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd kunnen worden met eenlager heffingsvrij resultaat en/of een hoger tarief. Gemiddeld schietenbelastingplichtigen er dan per saldo niets mee op. Het zou voor de tebetalen belasting immers niet uitmaken of bijvoorbeeld 30% belastingverschuldigd is over € 6.000 nominaal werkelijk rendement of bijvoor-beeld 45% over € 4.000 reëel werkelijk rendement.Aansluiten bij het nominale werkelijke rendement is bovendienherkenbaar en eenvoudig. Als alleen in box 3 het reële werkelijkerendement zou worden belast, zou dat tot verschillen tussen de boxen ininkomstenbelasting leiden. Rente-inkomsten zouden in box 2 bijvoorbeeldnominaal worden belast en in box 3 reëel. Dat kan tot gedragseffectenleiden. Rekening houden met inflatie zou het stelsel ook complexer makenvoor de burger en de uitvoering. Inflatie staat immers niet op de bankaf-schriften. Een ander punt is dat het lastig uitlegbaar zal zijn als spiegel-beeldig extra belasting wordt geheven in het geval van negatieve inflatie(deflatie).Op basis van de voornoemde brief van 1 september 2023 wordt geconclu-deerd dat een inflatieneutrale belastingheffing als theoretisch conceptweliswaar superieur is ten opzichte van het nominalistische stelsel, maardat een inflatieneutrale belastingheffing en uitvoeringstechnisch complexen beleidsmatig ingrijpend is. Het vorige kabinet zag op dat moment geenreden om verder onderzoek te doen naar inflatieneutrale belastingheffingen dat geldt ook voor het huidige kabinet.6.3. Vermogensbelasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn benieuwd naar demogelijkheden voor een vermogensbelasting en vragen of het kabinet hetermee eens is dat de draagkracht van mensen met vermogen – ongeachthet inkomen – vele malen groter kan zijn dan die van mensen zondervermogen. Omdat de werkelijke rendementen niet worden belast, wordenbij een vermogensbelasting belastingplichtigen met laag renderendvermogen, zoals bank- en spaartegoeden, absoluut gezien even zwaarbelast over hun vermogen als succesvolle beleggers, terwijl het inkomenuit vermogen bij laag renderend vermogen veel lager is. Dat sluit niet aanbij het draagkrachtbeginsel. Mede daarom heeft het kabinet niet gekozenvoor een vermogensbelasting.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een anticumulatie-regeling met een plafond van 99 procent juridisch houdbaar zou zijn.Verder vragen deze leden of het klopt dat het rendement op groterevermogens doorgaans groter is vanwege de grotere mogelijkheden voordiversifiëring wat het risico op het overschrijden van de anticumulatiere-geling bij een voldoende laag tarief beperkt. Het klopt dat belastingplich-tigen met relatief lagere vermogens in box 3 gemiddeld genomen meerspaargeld hebben, en belastingplichtigen met hogere vermogens in box 3gemiddeld genomen meer andere bezittingen die gemiddeld genomenhogere rendementen zullen opleveren. Hierbij moet echter wordenbenadrukt dat dit om gemiddelden gaat en dat de spreiding rond dezegemiddelden groot is. In een arrest van het EHRM is geoordeeld dat eenFranse vermogensbelasting, die gemaximeerd was op 85% van het nettobelastbaar inkomen, mede gezien deze begrenzing binnen de grenzen valtvan de aan de staat toekomende beleidsvrijheid op het gebied vanbelastingen.80 Een dergelijke anticumulatieregeling lijkt dus in ieder gevaljuridisch houdbaar. De Landsadvocaat heeft er verder op gewezen datnaarmate het tarief van een vermogensbelasting lager is en een eventuelevrijstelling van vermogensbelasting hoger, een dergelijke vermogensbe-80EHRM 4 januari 2008, nrs. 834/05 en 27815/05, ECLI:CE:ECHR:2008:0104DEC002583405.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 673 lasting minder snel zal leiden tot risico’s op schending van het eigen-domsrecht.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel eenvermogensbelasting boven op de voorgestelde Wet werkelijk rendementbox 3, met een tarief van 1% voor vermogen boven € 1 miljoen vermogenen 2% boven € 5 miljoen vermogen (exclusief de eigen woning) zouopleveren en hoeveel belastingplichtigen gebruik zouden maken van deanticumulatieregeling. Op dit moment is geen raming beschikbaar voorde gevraagde uitwerking van een vermogensbelasting. Meer in hetalgemeen kan wel gesteld worden dat een anticumulatiebepaling eendrukkend effect op de opbrengst van een vermogensbelasting zal hebben,met name juist ook bij de hoogste vermogens die immers hun inkomenuit dividend in belangrijke mate kunnen sturen.De leden van fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar juridischedrempels om een wereldwijde vermogensbelasting in te voeren, welkeuitvoeringsproblemen dat met zich mee brengt en of de regering bereid iseen wereldwijde vermogensbelasting in te voeren. Voorop moet wordengesteld dat bij een wereldwijde vermogensbelasting allereerst wereld-wijde overeenstemming nodig is om een dergelijk belasting in te voeren.Nederland kan uiteraard niet unilateraal een wereldwijde vermogensbe-lasting invoeren. Het voorstel van Parrinello, Varaschin en Zucman betrefteen oplossing voor de mogelijkheden die zeer vermogende personenhebben om vergelijkbaar met multinationals hun belastingdruk teverlagen. Over de gewenste internationale aanpak van de belastingdrukvan zeer vermogenden ben ik uitgebreid ingegaan in antwoord op eenvoorgaande vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA naareen wereldwijde minimumbelasting op vermogen van twee procent en depositie van de EU op dit punt en de rol van Nederland hierbij. Eenjuridische drempel die in het oog gehouden zou moeten worden, zowel bijde invoering van een nationale als internationale vermogensbelasting, isde werking van belastingverdragen. Een aantal (Nederlandse) belasting-verdragen bevatten namelijk bepalingen over de verdeling van heffings-rechten ten aanzien van belastingen over vermogen.7. Budgettaire effecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom het kabinetbudgetneutraliteit van groot belang acht en wat erop tegen zou zijn als deopbrengsten uit het nieuwe stelsel hoger uitvallen. Het doel van hetwetsvoorstel is het werkelijke rendement uit sparen en beleggen tebelasten. Dit leidt in vergelijking met de forfaitaire rendementsheffing toteen robuuste en rechtvaardige belastingheffing van inkomen uit box 3-vermogen. Het kabinet heeft zich daarbij net als het vorige kabinet tendoel gesteld dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Methet wetsvoorstel wordt dus een verbetering beoogd van de wijze waarophet inkomen uit vermogen in box 3 wordt belast en er is niet beoogd omde belastingdruk in box 3 te verhogen of te verlagen. Tegelijk staat devoorliggende hervorming een hogere of lagere belastingdruk niet in deweg: een eventuele wens hiertoe kan in de toekomst vormgegevenworden door bijvoorbeeld het tarief te wijzigen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het streven naareen budgettair neutrale hervorming van box 3 zich verhoudt tot devermogensongelijkheid in Nederland en het feit dat het belastingstelselongelijkheid tussen huishoudens vergroot omdat inkomen uit vermogenrelatief lager wordt belast dan inkomen uit arbeid. Zoals hiervoor gesteldheeft het kabinet net als het vorige kabinet ervoor gekozen om box 3budgettair neutraal te hervormen waarbij het tarief van 36% alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 674 uitgangspunt genomen. Het tarief van 36% geldt sinds 2024. In 2020bedroeg het box 3-tarief nog 30%, daarna is dit tarief in opeenvolgendestappen verhoogd naar 36%. Dit kabinet kiest er nu niet voor dit tarief nogverder te verhogen. Het kan in de ogen van het kabinet niet genoegworden benadrukt dat het belasten van het werkelijke rendement opvermogen in box 3 een belangrijke volgende stap is in het evenwichtigbelasten van arbeid en vermogen. Hierdoor wordt immers ook al hetrendement belast dat nu hoger uitkomt dan het forfaitaire rendement inhet huidige overgangsstelsel. De totale lastendruk op het box 3-vermogenblijft gelijk aan de huidige belastingdruk maar onderliggend juist eerlijkerverdeeld.De leden van de fractie van de VVD vragen naar de ontwikkeling van debox 3-opbrengst over de periode 2020 tot en met 2030. In het bijzonderwillen zij een uitsplitsing naar vermogenscategorieën. Onderstaande tabeltoont voor de jaren 2020 tot en met 2022 de daadwerkelijke belastingop-brengsten in box 3. Hierbij zijn de herstelbetalingen als gevolg van deHoge Raad uitspraken uit 2021 en 2024 niet meegenomen. Vanaf 2023betreffen de belastingopbrengsten een raming. Het basispad vanaf 2028bestaat uit het oude stelsel tot en met 2022 (exclusief rechtsherstel,inclusief structurele beleidswijzigingen zoals de structureel aangepasteleegwaarderatio, en het structureel verhoogde tarief uit de Belasting-plannen 2023 en 2024) opgehoogd naar wat dit stelsel vanaf 2028 zouopleveren. Het is niet mogelijk de belastingopbrengsten uit te splitsennaar vermogenscategorieën, omdat het heffingvrij vermogen en vanaf2028 het heffingsvrij resultaat op het gehele vermogen of resultaatbetrekking heeft.JaarOpbrengstGeraamde opbrengstBasispad2020€ 4,4 mld2021€ 5,0 mld2022€ 5,0 mld2023€ 5,9 mld2024€ 6,9 mld2025€ 8,6 mld2026€ 11,5 mld2027€ 11,6 mld2028€ 10,0 mld€ 9,0 mld2029€ 9,0 mld€ 8,9 mld2030€ 8,6 mld€ 8,7 mld De leden van de fractie van de VVD vragen of de opbrengst in box 3 onderhet stelsel op basis van werkelijk rendement meer conjunctuurgevoelig isdan onder het huidige stelsel (inclusief de tegenbewijsregeling) en hetstelsel van voor 2016. De belastingopbrengsten in box 3 onder het stelselop basis van werkelijk rendement zijn sterk afhankelijk van deconjunctuur. Als de waarde van aandelen- en huizenmarkten sterk stijgen,dan levert het stelsel op basis van werkelijk rendement meer op dan hetstelsel met tegenbewijsregeling en het stelsel van voor 2016. Als dewaarde aandelen- en huizenmarkten minder stijgen of dalen juist minder.Het stelsel van voor 2016 was relatief conjunctuuronafhankelijk. Hetforfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling is met name in een dalendemarkt gevoeliger voor conjunctuurschommelingen, omdat belastingplich-tigen door het indienen van tegenbewijs belast worden op basis van hunwerkelijk behaalde rendement.Verder vragen de leden van de fractie van de VVD of de onzekerheid vande opbrengsten gekwantificeerd kan worden en in welke situaties deuitschieters in de box 3-opbrengst kunnen oplopen tot meer dan€ 1 miljard euro. De raming voor het onderhavige wetsvoorstel kent eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 675 hoge mate van onzekerheid. In een jaar met stijgende aandelenmarktenen veel vastgoedtransacties zal de opbrengst in box 3 vermoedelijk hogerzijn dan geraamd, in een jaar met grote vermogensverliezen en weinigvastgoedtransacties juist lager. Uitschieters in de belastingopbrengstenkunnen oplopen tot meer dan € 1 miljard. Het Ministerie van Financiënmaakt puntschattingen en werkt niet met bandbreedtes. In de raming issteeds uitgegaan van een gemiddelde van goede en slechte jaren.Overigens faciliteren de begrotingsregels variatie in de opbrengst vanbelastingen als gevolg van conjunctuurschommelingen. Dit speeltbijvoorbeeld ook bij de btw en de vennootschapsbelasting. Doorbelastingopbrengsten mee te laten bewegen met de conjunctuur,functioneert de overheidsbegroting als schokdemper voor de economie.De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het kabinet reflecteert ophet feit dat in de berekening van de budgettaire effecten uitgegaan wordtvan een opbrengst uit het stelsel zoals dat gold in 2017 dat juist bezwarenkende ten aanzien van bijvoorbeeld rechtvaardigheid. Het kabinet herkentdat er naar aanleiding van de jurisprudentie, in het bijzonder sinds hetKerstarrest81, maatregelen zijn genomen om het box 3-stelsel in lijn tebrengen met het sindsdien geldende recht en dat deze stappen in de regelook hebben geleid tot een lagere opbrengst. Het kabinet wijst er echter opdat de strijdigheid van het oude box 3-stelsel met het EVRM ziet op dewijze waarop het belastbare inkomen voor belastingplichtigen werdbepaald. Het is daarmee niet zo dat het beoogde aandeel van box 3 in detotale belastinginkomsten op zichzelf onrechtmatig of onrechtvaardig is.Dat is ter beoordeling aan de wetgever. Met het huidige voorstel beoogthet kabinet beide zaken te herstellen zodat de door de wetgever beoogdeopbrengst weer tot stand komt op een wijze die rechtmatig en recht-vaardig is.De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de structurele budgettaireopbrengst van het voorstel op lange termijn zich verhoudt tot de beoogdebudgetneutraliteit en waarom in dit licht niet gekozen is voor een lagertarief. Het wetsvoorstel betreft een hervorming van box 3 waarbijovergestapt wordt van bepaling van het inkomen uit vermogen op basisvan een forfaitair rendement naar een systeem dat het werkelijkerendement op vermogen belast. Bij de bepaling van het werkelijkerendement wordt voor onroerende zaken en aandelen in startendeondernemingen een vermogenswinstbelasting vastgesteld en bovendienwordt voorzien in de mogelijkheid tot verliesverrekening. Daarnaast kiesthet kabinet ervoor de hogere uitvoeringskosten van het nieuwe stelsel ookte dekken met de belastingopbrengsten in relatie tot box 3. Dezeelementen leiden ertoe dat de geraamde meerjarige budgettaireopbrengst een sterk afwijkend patroon kent van het basispad. Dit wordtvoor een groot deel veroorzaakt door het deel van de box 3 grondslagwaarvoor de vermogenswinstbelasting zal gelden, omdat dit op kortetermijn ten opzichte van het basispad leidt tot uitstel van belastingheffingen daarmee dus lagere opbrengsten, die pas op langere termijn weerworden rechtgetrokken. De bepaling van wat «budgetneutraal» is, isdaarmee complexer dan bij bijvoorbeeld een simpele tariefwijziging. Hetkabinet hanteert bij de toepassing van dit begrip de lijn dat de opbrengstin zowel de eigen als volgende kabinetsperiode in ieder geval gelijk is aande opbrengsten in die periode volgens het basispad. Op die manier wordtvoorkomen dat een rekening wordt doorgeschoven. Onder dezevoorwaarden en bijbehorende tariefstelling groeien op de lange termijnnaar verwachting de ontvangsten door, zodat een structurele meerop-brengst ontstaat. Gezien de lange termijn waarop deze ontwikkeling zichnaar verwachting voordoet, vindt het kabinet het passend dat een81HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 676 toekomstig kabinet zich hier desgewenst over buigt wanneer dit zichmaterialiseert, ten opzichte van het alternatief waarbij de hervormingbeslag legt op de budgettaire ruimte van dit en het volgende kabinet.8. Gevolgen voor het bedrijfsleven en burger De leden van de fractie van de ChristenUnie zien een vergroting van decomplexiteit, bijvoorbeeld als het gaat om het bijhouden van verbeter-kosten, en vragen in hoeverre het kabinet belastingplichtigen in staat achtom dit zelf bij te houden en in hoeverre hiervoor professionele hulp nodigis. De mate van complexiteit hangt sterk af van de samenstelling van hetvermogen. Met name bij meer gevarieerd vermogen waarbij sprake is vanveel transacties gedurende het jaar kan de aangifte complex zijn.Dergelijke belastingplichtigen zullen vaak een adviseur hebben. Ook biedtde Belastingdienst desgewenst ondersteuning bij het doen van aangifte.Bij belastingplichtigen met bijvoorbeeld enkel een spaarrekening, eenbeleggingsrekening en/of een vakantiewoning zal de aangifte mindercomplex zijn. Door bezitters van onroerende zaken is ook juist sterkgewezen op de wenselijkheid van kostenaftrek, ook in het huidigeforfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling. Hoewel het bijhouden vankosten inderdaad ingewikkelder is dan een regeling zonder kostenaftrek,verwacht het kabinet dat belastingplichtigen het logisch zullen vinden datzij hun kosten kunnen aftrekken en dat zij gemiddeld genomen in staatzullen zijn deze kosten bij te houden.8.1. Inkomenseffecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de verliesverreke-ningsdrempel in de praktijk kan betekenen dat het heffingsvrije resultaatlager uitvalt, bijvoorbeeld wanneer iemand een winst van € 2.300 heeftgeboekt en een verlies van € 500 heeft geleden. Deze leden vragen of hetklopt dat het nettoresultaat dan gelijk is aan het heffingsvrije resultaat,maar toch over een resultaat van € 500 belasting dient te worden betaaldvanwege de verliesverrekeningsdrempel van € 500. Een belastingplichtigekan niet in hetzelfde jaar een winst en een verlies hebben. In eenkalenderjaar wordt eerst het resultaat uit sparen en beleggen bepaald. Ditis het resultaat uit alle vermogensbestanddelen. Vervolgens wordt ditresultaat, voor zover dit resultaat positief is, verminderd met het heffings-vrije resultaat en vervolgens verminderd met eventuele persoonsge-bonden aftrek. Vervolgens kunnen bij het bepalen van het belastbareinkomen uit sparen en beleggen eventuele verliezen uit eerdere jarenworden verrekend.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinet gaatwaarborgen dat bepaalde uitwerkingen van het nieuwe stelsel goedworden uitgelegd aan belastingplichtigen, zodat zij niet verrast wordendoor hun belastingaanslag. In de voorbereidingen op de inwerkingtredingvan het nieuwe stelsel en de daaropvolgende aangifteperiode zal er doorde Belastingdienst veel aandacht worden besteed aan informatiever-strekking aan burgers. Dit gebeurt door middel van het verstrekken vaninformatie op de website van de Belastingdienst of op sociale media, deBelastingTelefoon (en gedurende de aangifteperiode, ook met behulp vande Belastingdienstbus). Ook kunnen belastingplichtigen voor hulp bij hetdoen van een aangifte een afspraak maken bij een Belastingdienstkantoorof een steunpunt van de Belastingdienst. Daarnaast zal door de Belasting-dienst na de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 ophet vroegst mogelijke moment een invoeringstoets worden uitgevoerdwaarbij eventuele signalen en mogelijke knelpunten vanuit de doelgroepen de uitvoering worden onderzocht om indien nodig tijdig te kunnenbijsturen of in te grijpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 677 De leden van de fractie van de VVD merken op dat variatie in het werkelijkbehaalde rendement ertoe kan leiden dat er ook variaties optreden in teontvangen inkomensafhankelijke regelingen en vragen naar de simulatiein MIMOSI.82 Het is niet mogelijk het simulatiemodel MIMOSI met uwKamer te delen omdat de uitkomsten van individuele huishoudens nietkunnen worden verstrekt vanwege de vertrouwelijkheid van gegevens. Deuitkomsten van deze simulatie staan uitgebreid beschreven in de memorievan toelichting.Eerder is met uw Kamer gedeeld dat ongeveer drie procent van deontvangers van toeslagen tegelijkertijd belasting betaalt in box 3, en erdus beperkte samenloop is tussen een stelsel op basis van werkelijkrendement en inkomensafhankelijke regelingen, zoals de toeslagen.83 Devermogensgrenzen binnen de toeslagen zorgen voor een beperkte matevan doorwerking op het verzamelinkomen, aangezien grote vermogensniet in aanmerking komen voor toeslagen. Voor de huishoudens waar welsamenloop ontstaat sluit het nieuwe stelsel – en daarmee het eventuelelagere of hogere recht op inkomensafhankelijke regelingen – beter aan bijhun werkelijke inkomen uit vermogen.De leden van de fractie van de VVD vragen of breder uiteengezet kanworden wat de gevolgen zijn van dit wetsvoorstel voor een breed scalaaan regelingen, waaronder ook gemeentelijke regelingen en bijvoorbeeldzorgbetalingen. Het box 3-inkomen is onderdeel van het verzamelin-komen. Daarmee werkt de hoogte van het box 3-inkomen door op veelinkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen, de eigen bijdrage voorde Wet langdurige zorg en eventueel gemeentelijke regelingen. Overigensgelden bij een aantal van deze regelingen ook vermogenstoetsen,waardoor mensen die belasting betalen in box 3 mogelijk geen rechthebben op deze regelingen omdat ze een te hoog vermogen hebben. Datwijzigt niet door de overstap naar werkelijk rendement. Door de overstapnaar werkelijk rendement zal wel meer variatie optreden in de hoogte vanhet box 3-inkomen. Binnen een jaar zullen bepaalde huishoudens eenhoger box 3-inkomen hebben, terwijl andere huishoudens juist een lagerbox 3-inkomen hebben dan in het huidige stelsel met forfaits. Ook over dejaren wisselt het box 3-inkomen mogelijk meer, zelfs als de hoogte van hetvermogen gelijk blijft. De reden is dat het werkelijke rendement het enejaar hoger zal zijn dan het andere jaar. Het huidige forfait voor overigebezittingen is bijvoorbeeld gebaseerd op een langjarig gemiddelde envarieert daardoor niet veel over de jaren heen. Doordat de variatie in hetbox 3-inkomen toeneemt, zal ook het recht op inkomensafhankelijkeregelingen meer gaan variëren, zowel tussen huishoudens als over de tijd.Op de lange termijn zullen effecten zich naar verwachting uitmiddelenvoor de meeste huishoudens. Er zullen echter wel huishoudens zijn diestelselmatig een rendement hebben dat lager ligt dan de huidige forfaits,deze huishoudens kunnen zich nu al melden via de tegenbewijsregeling.Bij een lager rendement kan een hoger recht op inkomensafhankelijkeregelingen ontstaan. Daar staat tegenover dat er ook huishoudens zijn diestelselmatig een rendement weten te halen dat hoger ligt dan de huidigeforfaits. Voor huishoudens sluit het nieuwe stelsel – en daarmee heteventuele lagere of hogere recht op inkomensafhankelijke regelingen –beter aan bij hun werkelijke inkomen uit vermogen.De leden van de fractie van NSC constateren dat in de voorjaarsbesluit-vorming is besloten tot een verlengd groeipad richting de inkomensonaf-hankelijkheid van de kinderopvangtoeslag (KOT). Deze leden vragen zich82Mimosi is een microsimulatiemodel ontwikkeld door het Centraal Planbureau (CPB). MetMimosi wordt het brutonetto traject van een grote groep individuele huishoudens gesimu-leerd op basis van hun kenmerken, het beleid en de economische omstandigheden.83Kamerstukken II, 2022/2023, 32 140, nr. 139.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 678 af wat de effecten zijn wanneer er gekozen wordt voor verdere vertragingvan het inkomensonafhankelijk maken van de KOT. Een verdere vertragingvan het inkomensonafhankelijk maken van de KOT is op dit moment nietvoorzien. Het kabinet gaat uit van het tijdspad waartoe is besloten tijdensde voorjaarsbesluitvorming. In algemene zin geldt dat de hoogte van hetbox 3-inkomen doorwerkt op de hoogte van de KOT zolang de KOT nogafbouwt met het verzamelinkomen van huishoudens.De leden van de fractie van NSC vragen in hoeverre het voor hetvoorliggende wetsvoorstel noodzakelijk is dat de KOT inkomensonafhan-kelijk is. Dit is niet noodzakelijk voor het voorliggende wetsvoorstel.De leden van de fractie van D66 vragen in verband met de beëindigingvan het huidige overgangsrecht en de afschaffing van de imputatiere-geling hoe het kabinet recht wil doen aan langetermijnproducten diedestijds onder andere fiscale aannames zijn afgesloten en hoe hetvertrouwen in fiscale stabiliteit wordt gewaarborgd.Het huidige overgangsrecht voorziet voor kapitaalverzekeringen van vóór2001 die met de overstap naar de Wet IB 2001 in box 3 zijn ondergebrachtin een op € 123.428 gemaximeerde bezittingsvrijstelling voor een periodevan 30 jaar. Deze periode zou met ingang van 14 september 2029eindigen.84 In het kader van de beëindiging van het overgangsrecht wordtvoorgesteld om in het nieuwe box 3-stelsel deze bezittingsvrijstelling nietalleen te eerbiedigen maar ook tijdelijk te verlengen tot en met31 december 2029. Dit betreft een groot deel van de kapitaalverzekeringendie zijn afgesloten vóór 2001. Het kabinet is van mening daarmeevoldoende rekening te hebben gehouden met de lange termijn waaroverdeze producten in het verleden zijn afgesloten en aan het vertrouwen infiscale stabiliteit tegemoet te zijn gekomen. Voor zover de vraag van dezeleden ziet op de kapitaalverzekeringen die op basis van het overgangs-recht met ingang van de Wet IB 2001 aan box 1 zijn toegewezen, zijn ookdeze producten langdurig niet in de box 3-heffing betrokken. Dat overdeze kapitaalverzekeringen ooit afgerekend zou moeten worden, was voorde betreffende belastingplichtigen bij het afsluiten van de verzekering alduidelijk. Dat afrekenmoment wordt door onderhavig wetsvoorstel nu inde tijd naar voren gehaald, maar het laat onverlet dat deze verzekeringenbijna 30 jaar niet in box 3 in de belastingheffing zijn betrokken, terwijldeze wel een vermogensbestanddeel zijn en met de overstap naar de WetIB 2001 qua systematiek in box 3 hadden behoord. Ook hier ziet hetkabinet dat de wetgever bij de introductie van de Wet IB 2001 rekeninghad gehouden met de langdurigheid van deze producten en daarmee hetvertrouwen in de fiscale stabiliteit voldoende is gewaarborgd.De zorgen van de leden van de fractie van D66 over het afschaffen van deimputatieregeling zijn ongegrond. De imputatieregeling houdt in dat hetvrijstellingsbedrag van € 123.428 voor bepaalde verzekeringsproductenmaar een keer per leven mag worden toegepast op het totaal aanuitkeringen (»lifetime-vrijstelling»). Bij een uitkering zou daarom altijdmoeten worden gecheckt of er in het verleden ook al een uitkering ondertoepassing van (een deel van) de lifetime-vrijstelling is genoten. Wanneerdat het geval is, kan op een latere uitkering alleen nog het resterende deelvan het oorspronkelijke maximumbedrag van € 123.428 als vrijstellingworden benut. Als de uitkering hoger is dan het restant van het vrijstel-lingsbedrag dient het rentebestanddeel in het overstijgende bedrag wel inde belastingheffing te worden betrokken. Door het laten vervallen van deimputatieregeling hoeft deze complexe berekening niet te worden gedaanen mag de belastingplichtige bij elke uitkering uit een kapitaalverzekering84Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, vierde lid, Invoeringswet Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 679 die onder het overgangsrecht van de Invoeringswet Wet IB 2001 valt, mitsis voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden85, gebruikmaken van hetvolledige vrijstellingsbedrag. Dit is in het voordeel van belastingplich-tigen.8.2. Gedragseffecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinet kijktnaar een verplichting in de vennootschapsbelasting om liquide effectenjaarlijks te waarderen, om uitstel van belastingheffing te voorkomen.Het uitgangspunt in de vennootschapsbelasting is dat belastingplichtigende in een kalenderjaar genoten winst bepalen met inachtneming van deregels van goed koopmansgebruik. In lijn met het aan goed koopmansge-bruik ten grondslag liggende voorzichtigheidsbeginsel geldt er op ditmoment geen verplichting om liquide effecten jaarlijks te waarderen opde waarde in het economische verkeer. Winsten hoeven fiscaal pas inaanmerking te worden genomen wanneer deze definitief zijn. In depraktijk zullen liquide effecten veelal op kostprijs of lagere beurswaardeworden gewaardeerd. Uit jurisprudentie86 volgt dat een jaarlijksewaardering op de waarde in het economische verkeer wel in lijn kan zijnmet goed koopmansgebruik en dit komt in bepaalde situaties dus al voor.Belastingplichtigen sluiten in dat geval aan bij de actuele beurswaarde,waardoor een onderbouwing van de historische kostprijs aan de hand vanoude informatie niet meer nodig is. Dit kan administratieve lastenbeperken in gevallen waarin de actuele beurswaarde voorhanden is(echter, niet alle effecten zijn beursgenoteerd).Deze waarderingsmethode vormt echter een inbreuk op het eerderge-noemde voorzichtigheidsbeginsel wanneer deze methode verplicht wordtvoorgeschreven. Ook kan de afbakening tussen liquide en niet-liquideeffecten tot discussie leiden. Een eenduidige definitie van het begripliquide beleggingen ontbreekt nu namelijk, waardoor een onderscheidtussen liquide en niet-liquide effecten complexe afbakeningsproblematiekmet zich brengt. Ook kan een dergelijk onderscheid belastingplichtigenertoe brengen om effecten zodanig vorm te geven dat deze als niet-liquideeffecten kwalificeren. Daarbij komt dat een verplichte jaarlijkse waarderingop de waarde in het economische verkeer in de vennootschapsbelastingin beginsel komt te gelden voor alle vennootschapsbelastingplichtigen enniet alleen voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen waarinnatuurlijke personen hun liquide effecten hebben ondergebracht ombelastingheffing uit te stellen. Het zou daarmee een maatregel zijn metbreder effect dan alleen dit type lichamen. Tenslotte wordt nog opgemerktdat het verschil in de wijze en het tijdstip van belastingheffing tussenbox 2 en box 3 niet wordt gecreëerd door de voorgestelde vermogensaan-wassystematiek, maar reeds bestond ten tijde van de forfaitaire syste-matiek.Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding tot het voorstellen vaneen verplichting in de vennootschapsbelasting om liquide effectenjaarlijks te waarderen op de waarde in het economische verkeer.8.3. Administratieve lasten en administratieplicht De leden van de fractie van de VVD vragen ten aanzien van de administra-tieplicht of het kabinet in de wet kan opnemen dat bijniet-beursgenoteerde aandelen mag worden uitgegaan van een gedepo-85Artikel 26a Wet IB 1964.86Zie Hoge Raad 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2980, r.o. 2.4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 680 neerde jaarrekening van de entiteit waarvan de aandelen wordengehouden. De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinetkijkt naar het voorstel van de NOB om bij niet-beursgenoteerde aandelenuit te gaan de gedeponeerde jaarrekening van de entiteit waarin deaandelen worden gehouden. Voor vermogensbestanddelen die onder devermogensaanwasbelasting vallen, waaronder niet-beursgenoteerdeaandelen, geldt in beginsel dat deze – net zoals in het huidige stelsel –worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Devoorgestelde administratie- en bewaarplicht regelt niet expliciet welkegegevens in de administratie opgenomen moeten worden en bewaardmoeten blijven. Hierbij geldt dus enige (vorm)vrijheid voor belastingplich-tigen. Wel is het nodig dat uit de geadministreerde en bewaarde gegevensduidelijk blijkt wat de rechten, verplichtingen en andere voor de heffingvan belang zijnde gegevens zijn. Ook dient de administratie zodanig te zijningericht en te worden gevoerd, waardoor controle daarvan door deinspecteur binnen een redelijke termijn kan plaatsvinden. Het kabinet kanzich voorstellen dat voor het berekenen van de waarde in het econo-mische verkeer van in box 3 vallende niet-beursgenoteerde aandelengebruik wordt gemaakt van de commerciële jaarrekening. Dit is overigensniet anders bij het huidige box 3-stelsel. Een opname in de wet dat dit isgeoorloofd is niet nodig. Wel kunnen via een ministeriële regeling regelsworden gesteld met betrekking tot het nakomen van de voorgesteldeadministratie- en bewaarplicht. Met een dergelijke regeling kan beterinvulling worden gegeven aan de verplichtingen waaraan een belasting-plichtige dient te voldoen. Hierdoor zal de belastingplichtige meerrechtszekerheid ervaren door de aangereikte handvatten. Deze regelingwordt nog nader onderzocht en uitgewerkt.De leden van de fractie van NSC vragen welke tijdslijn het kabinet ziet inde beschreven kansen op het afschalen van de administratieplicht.Afschalen van de administratieplicht is alleen mogelijk als de gegevenspo-sitie van de Belastingdienst in de toekomst verder wordt versterkt,bijvoorbeeld als gevolg van aanvullende nationale of internationalegegevensuitwisselingen of nieuwe koppelingen van databronnen. Hetversterken van de gegevenspositie van de Belastingdienst is medeafhankelijk van (nationale en internationale) politieke keuzes, aanwezigejuridische grondslagen, uitvoeringsmogelijkheden en de kwaliteit van deverkregen gegevens. Gezien deze afhankelijkheid van (onduidelijke)toekomstige ontwikkelingen, is het nu niet mogelijk om een tastbaretijdslijn te geven over het afschalen van de administratieplicht.De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt dat particulierenmet enkel spaargeld niet onder de administratieplicht vallen. Voortsvragen deze leden waarom er niet voor gekozen is om ook particulierenmet een laag box 3-vermogen (ongeacht samenstelling) niet onder deadministratieplicht te laten vallen en of het kabinet meer mogelijkhedenziet om de regeldruk als gevolg van de administratieplicht te verminderen.Via een nog op te stellen algemene maatregel van bestuur zullenbezittingen en schulden worden aangewezen die niet onder de adminis-tratieplicht vallen omdat de relevante gegevens door (financiële)instellingen worden aangeleverd bij de Belastingdienst. Onder anderebinnenlandse en buitenlandse bank- en spaarrekeningen voor zover dezegegevens automatisch worden aangeleverd aan de Belastingdienst zullenworden aangewezen. Belastingplichtigen met bijvoorbeeld enkelspaargeld bij Nederlandse banken zullen hierdoor geen administratie- enbewaarplicht hebben. Er is niet gekozen om particulieren met een laagbox 3-vermogen (ongeacht de samenstelling) direct uit te sluiten vanadministratie- en bewaarplicht. Een dergelijke keuze sluit niet aan bij hetheffen over werkelijk rendement. Bij het nieuwe box 3-stelsel is namelijkniet langer de omvang van het vermogen een leidend gegeven voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 681 vaststellen van de belastingschuld, maar het resultaat uit sparen enbeleggen. Het kabinet onderzoekt op welke wijze aan belastingplichtigenhandvatten kunnen worden aangereikt om te voldoen aan deadministratie- en bezwaarplicht. Dit kan leiden tot het opstellen van eenministeriële regeling waarin deze handvatten worden opgenomen.8.4. Beroep op het doenvermogen De leden van de fractie van D66 constateren dat het voorgestelde stelselop basis van werkelijk rendement complexer is dan het huidige forfaitairesysteem. Waar voorheen belasting werd geheven op basis van eeneenvoudig, vooraf vastgesteld rendement over het vermogen op 1 januari,vereist het nieuwe stelsel een veel fijnmazigere gegevensverzamelingover het gehele kalenderjaar. Zo moeten onder andere inkomsten,waardemutaties, stortingen, onttrekkingen, verliezen, kosten en life events(zoals emigratie of overlijden) worden vastgelegd en verantwoord voorbepaalde categorieën – zoals buitenlandse schulden, cryptovaluta enniet-verhuurde onroerende zaken – zal de belastingplichtige dezegegevens zelf moeten aanleveren. Dit zet in de ogen van deze leden grotedruk op het doenvermogen van de 1,6 miljoen mensen die hiermee temaken krijgen. De leden van de fractie van het CDA vinden dat hetvoorgenomen hybride stelsel een grote druk legt op het doenvermogenvan de 1,4 miljoen belastingplichtigen die jaarlijks de economischewaarde van hun vermogensbestanddelen moeten achterhalen, omdatdeze niet objectief beschikbaar is en van alle belastingplichtigen die iederjaar een vermogensvergelijking moeten opstellen van alle mutaties in hunvermogen. Deze leden vragen waarom het kabinet dit meer doenlijk vindtdan het bijhouden van de historische kostprijs van vermogen of deeenmalige waardebepaling bij ingang van een nieuw stelsel van vermo-genswinstbelasting.In principe vragen alle vermogensonderdelen waarvoor de Belasting-dienst geen gegevens vooraf kan invullen in het aangifteformulier meervan het doenvermogen van belastingplichtigen. Dit geldt ook al voor hethuidige forfaitaire stelsel. In dit opzicht vindt er geen verandering plaatsmet het voorliggende wetsvoorstel.Veel van de belastingplichtigen in box 3 hebben al eens aangifte box 3gedaan onder het huidige systeem. Hierdoor weten ze in principe hoe hetproces loopt en welke stappen ze moeten nemen. Dit maakt het eenvou-diger voor belastingplichtigen om de aangifte te doen. De overgang naarhet nieuwe systeem vraagt echter aanpassing van de belastingplichtigeaan het nieuwe systeem. De belastingplichtige zal opnieuw moetenontdekken welk proces hij precies moet doorlopen. Naarmate belasting-plichtigen in de jaren na invoering meer ervaring opbouwen met ditnieuwe systeem zal het geleidelijk minder vergen van het doenvermogen.Een deel van de belastingplichtigen zal voorafgaand aan de invoering vanhet nieuwe box 3-stelsel ervaring opdoen met het berekenen en invullenvan het werkelijke rendement in het kader van de tegenbewijsregelingbox 3.In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodigdan in het huidige forfaitaire stelsel. Er zal gebruik worden gemaakt vangegevens van Nederlandse financiële instellingen, zoals banken,beleggingsinstellingen en verzekeraars. Hierbij kan gedacht worden aanrente op bankrekeningen en schulden, ontvangen dividend en vermogens-aanwas van publiek verhandelbare aandelen en obligaties. Van deongeveer 3,9 miljoen belastingplichtigen met een inkomen in box 3hebben ongeveer 2,5 miljoen alleen bank- en spaartegoeden of eenbeleggingsrekening. Voor hen blijft de aangifte inkomstenbelasting voorafingevuld en daarmee relatief eenvoudig. Dat lukt echter niet voor allegegevens, bijvoorbeeld bij de inkomsten en kostenaftrek van onroerendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 682 zaken, waardering en rendement van niet-beursgenoteerde aandelen eninkomsten van buitenlands vermogen. Voor het doen van aangifteinkomstenbelasting is het noodzakelijk dat belastingplichtige dezegegevens bewaart en bepaalt welke gegevens hiervoor nodig zijn, al danniet ondersteund door een administratiekantoor of belastingconsulent.Zoals door de leden van de fractie van het CDA wordt voorgesteld, zou opbasis van een praktische oplossing volstaan kunnen worden door bij deinwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 in de aangifteinkomstenbelasting eenmalig de aankoopwaarde of kostprijs van hetvermogen op te nemen, of in het jaar van aankoop in de aangifteinkomstenbelasting te laten vermelden. In de aangifte inkomstenbelastingvan daaropvolgende jaren wordt dan de kostprijs van het vermogen ofvervreemdingswaarde opgenomen, waardoor voor de Belastingdienstkenbaar is dat een verkoopopbrengst is gerealiseerd. Deze leden vragenhet kabinet of dit voor belastingplichtigen niet veel eenvoudiger is dan hetbijhouden van een jaarlijkse actuele waarde en waardemutatie, met namebij niet-beursgenoteerde aandelen of ander bezit dat niet standaardjaarlijks gewaardeerd wordt. Hierbij wijzen deze leden ook op desuggestie van de NOB om de bewaarplicht op te lossen door belasting-plichtigen bij de aankoop van effecten, de aankoopwaarde in de aangifteinkomstenbelasting die betrekking heeft op het jaar van aankoop te latenvermelden.Zoals hierboven is uiteengezet, worden niet alle gegevens die benodigdzijn voor het doen van aangifte door belastingplichtigen, door keten-partners aan de Belastingdienst aangeleverd. Hierdoor heeft de Belasting-dienst niet de mogelijkheid om deze gegevens voorafgaand te toetsen enis zij afhankelijk van belastingplichtige om deze gegevens of inlichtingenop verzoek van de Belastingdienst aannemelijk te maken. Bij eenvermogenswinstbelasting moet de belastingplichtige namelijk deverkrijgingsprijs (dit is meestal het aankoopbedrag) bijhouden tot hetvermogensbestanddeel wordt verkocht. De hoogte van de historischeverkrijgingsprijs is bij (veel) latere vervreemding lastig vast te stellen en tetoetsen.Hierdoor bestaat ook in de door de leden van de fractie van het CDAvoorgestelde praktische oplossing nog steeds de mogelijkheid dat deBelastingdienst aan de belastingplichtige zal kunnen verzoeken om dewaardering of aan- en verkoopwaarde van de onderliggende vermogens-bestanddelen aannemelijk te maken en blijft hierdoor een noodzaak voorbelastingplichtige om deze gegevens te bewaren, aanwezig.Daarnaast heeft het opnemen van de historische kostprijs of waarde vanhet vermogen in de aangifte inkomstenbelasting tot gevolg dat dezegegevens door de belastingplichtige en de Belastingdienst mogelijk vooreen lange periode zullen moeten worden bewaard, en waar mogelijk, ookmoeten worden aangevuld op basis van aanpassingen aan het vermogen(bijvoorbeeld vanwege investeringen in een vakantiewoning). Dit betekentdat een groter beroep wordt gedaan op het doenvermogen. In de situatievan een vermogensaanwasbelasting hoeven belastingplichtigen enketenpartners niet langdurig gegevens bij te houden over de kostprijs vanalle vermogensbestanddelen. Voor een vermogensaanwasbelasting zijnnamelijk alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordtbetaald.Indien bijvoorbeeld aandelen in een beleggingsportefeuille in tranchesworden gekocht tegen verschillende prijzen, moeten deze prijzen separaatworden bijgehouden. Bij een vermogenswinstbelasting zou bij deberekening van de vermogenswinst – mogelijk jaren later – achterhaaldmoeten worden wat de verkrijgingsprijs is geweest van de individueleaandelen die worden verkocht. Dit kan ingewikkeld zijn en gegevens uithet verleden over de kostprijs zullen niet altijd meer beschikbaar zijn.Hierdoor kunnen bij een vermogenswinstbelasting minder gegevensvooraf worden ingevuld bij de aangifte inkomstenbelasting in box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 683 Zoals opgenomen in de Kamerbrief van 24 januari 202587 meent de NVBdat de kosten en complexiteit om over te stappen op een nieuw teontwikkelen uniform systeem voor een vermogenswinstbelasting, metuitgewerkte toerekening- en rekenregels, inclusief een uniform ingevoerdesystematiek voor klanten die overstappen van de ene financiële instellingnaar de andere en voor corporate actions, dermate hoog zijn dat dit ingeen verhouding staat tot het doel om klanten en Belastingdienst zoveelmogelijk te ontzorgen bij het doen van aangifte. Daardoor zouden bij eenvolledige vermogenswinstbelasting minder gegevens vooraf ingevuldkunnen worden waardoor een groter beroep op het doenvermogen vanbelastingplichtigen wordt gedaan. In een dergelijk systeem moetenfinanciële instellingen immers ook langdurig gegevens bewaren op basisvan een historische kostprijs om op deze manier een toekomstigeverkoopopbrengst voor de rekeninghouder van een vermogensbe-standdeel in box 3 te kunnen bepalen.9. Uitvoeringsaspecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet eenuitsplitsing kan geven van waar de genoemde 900 extra fte voor nodigzijn, en of het daarbij vooral gaat om toezichthouders, systeembe-heerders, juristen, of nog andere functies. In de uitvoeringstoets is eenonderverdeling gemaakt van de werkzaamheden waarop de nieuwemedewerkers zullen worden ingezet. Dit betreft de volgende onderver-deling:a.120 fte – verzoeken op dossiergebonden informatie. Dit betreft ondermeer verzoeken van burgers die in een belastingjaar te maken gaankrijgen met life events (zoals een scheiding, boedelverdeling, immigra-tie en emigratie etc.) waarbij zij een berekening moeten maken om hunvermogensaanwas of -winst te bepalen. De medewerkers van deBelastingdienst die op deze werkzaamheden worden ingezet zijnheffingsmedewerkers en medewerkers met vergelijkbare functies.b.120 fte – verzoeken om vooroverleg tussen belastingplichtige en deBelastingdienst. In een verzoek om vooroverleg wordt door debelastingplichtige of financieel dienstverlener aan de Belastingdienstverzocht om een standpunt met betrekking tot een specifieke persoon-lijke fiscale situatie van de belastingplichtige. De verzoeken totvooroverleg kunnen onder meer betrekking hebben op waarderings-vraagstukken van vermogensbestanddelen in box 3 (zoals niet-beursgenoteerde aandelen of niet-woningen). De medewerkers van deBelastingdienst die op deze werkzaamheden worden ingezet zijnheffingsmedewerkers en medewerkers met vergelijkbare functies.c.200 fte – voor het houden van toezicht door de Belastingdienst opbasis van een stelsel van werkelijk rendement. Hierbij is van belang datde Belastingdienst in veel gevallen niet over contra-informatiebeschikt, of over gegevens beschikt waarmee aangiften vooraf kunnenworden ingevuld en eenvoudig gecontroleerd, en is daarom in eengroter aantal gevallen handmatig toezicht nodig. De medewerkers vande Belastingdienst die op deze werkzaamheden worden ingezet zijnheffings- en controlemedewerkers.d.80 fte – voor het behandelen van bezwaarschriften en beroepszaken.De Belastingdienst zal op grond van uitgevoerde controles op basisvan ingediende aangiften correcties doorvoeren die kunnen leiden totbezwaar- en beroepsprocedures. Naar verwachting zal in de aanvangs-jaren na invoering van het nieuwe stelsel vanwege het ontbreken vanjurisprudentie het aantal belastingplichtigen dat in bezwaar of beroepgaat, hoger zijn. De medewerkers van de Belastingdienst die op dezewerkzaamheden worden ingezet zijn heffingsmedewerkers.87Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 222.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 684 e.205 fte – in het nieuwe stelsel is de waardeontwikkeling van vermo-gensbestanddelen van belang voor het bepalen van het werkelijkrendement. Hierdoor worden door de Belastingdienst meer vraagstuk-ken over de waardering van vermogensbestanddelen verwacht. Demedewerkers van de Belastingdienst die op deze werkzaamhedenworden ingezet zijn waarderingsdeskundigen, waaronder businessvaluators en taxateurs.f.152 fte – voor dienstverlening aan belastingplichtigen (waaronder deBelastingTelefoon) en het verlenen van ondersteunende taken ofdiensten binnen de Belastingdienst.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het om meer ofminder mensen gaat dan nodig zijn voor de uitvoering van de tegenbe-wijsregeling in het rechtsherstel en het overbruggingsstelsel, en inhoeverre er sprake is van een overlap in het aantal benodigdemedewerkers. De leden van de fractie van de SGP vragen hoe dewervingsopgave voor de Wet tegenbewijsregeling box 3 zich verhoudt tothet voorliggende wetsvoorstel.Er is geen onderling verband tussen de wervingsopgave voor de Wettegenbewijsregeling box 3 en het onderhavige wetsvoorstel. Deverwachte werkzaamheden voor de aanvullende hersteloperatie hangenin sterke mate af van de aantallen belastingplichtigen die gebruik gaanmaken van de mogelijkheden van de tegenbewijsregeling waarbij eenbelastingplichtige over meerdere belastingjaren tegelijkertijd tegenbewijskan gaan aanleveren. Op basis van het voorliggende wetsvoorstel zal eenbelastingplichtige jaarlijks het werkelijke rendement in box 3 in deaangifte inkomstenbelasting aangeven.Er wordt door de Belastingdienst op dit moment geen overlap in hetaantal benodigde medewerkers tussen de aanvullende hersteloperatie ende werkzaamheden op basis van het voorliggende wetsvoorstel verwacht.Voor zover mogelijk kunnen medewerkers die hebben meegewerkt aan deaanvullende hersteloperatie in box 3 worden ingezet op de werkzaam-heden die de uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel tot gevolghebben. In hoeverre deze mogelijkheden zich kunnen gaan voordoen, kande Belastingdienst op dit moment nog niet inschatten.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het komt dat ervolgens het kabinet wel genoeg mensen zijn voor de uitvoering van detegenbewijsregeling, maar niet voor het voorliggende wetsvoorstel. Dehuidige verwachting is dat er voor de uitvoering van de aanvullendehersteloperatie voldoende nieuwe medewerkers kunnen wordengeworven. Dit komt voort uit de huidige wervingsopgave en in hoeverrehieraan door de Belastingdienst invulling kan worden gegeven. Metbetrekking tot het onderhavige wetsvoorstel is de werving door deBelastingdienst nog niet van start gegaan en kan daarmee op dit momentnog niet worden ingeschat of voor de uitvoering van dit wetsvoorstelvoldoende nieuwe medewerkers kunnen worden geworven. Hierbij moetworden opgemerkt dat de werkzaamheden voor de aanvullende herstel-operatie incidenteel van aard zijn, en de werkzaamheden op basis van hetvoorliggende wetsvoorstel, structureel (voortdurend). Daarnaast wordenvoor het voorgestelde wetsvoorstel ook nieuwe medewerkers voorspecifieke soorten werkzaamheden, zoals waarderingsdeskundigen(business valuators en taxateurs), geworven.De leden van de fractie van de VVD constateren dat het voorliggendewetsvoorstel impliciet differentieert tussen beursgenoteerde enniet-beursgenoteerde aandelen. In de praktijk zal volgens de leden eenvermogensaanwasbelasting uitvoerbaar zijn bij beursgenoteerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 685 aandelen, waarbij informatie automatisch door ketenpartners, zoalsbanken of financiële instellingen, kan worden aangeleverd, en hebbendeze leden zorgen over de uitvoerbaarheid bij niet-beursgenoteerdeaandelen. Zij vragen of het kabinet erkent dat een vermogensaanwasbe-lasting alleen handhaafbaar is voor beursgenoteerde aandelen.De constatering van de leden van de fractie van de VVD is juist dat eenvermogensaanwasbelasting eenvoudiger toepasbaar is voor beursgeno-teerde (of verhandelbare) aandelen waarbij zo mogelijk ketenpartners(zoals banken en financiële instellingen) automatisch gegevens aan deBelastingdienst aanleveren die vooraf ingevuld kunnen worden in deaangifte inkomstenbelasting van de belastingplichtige. Omdat het nietmogelijk is om de gegevens over niet-beursgenoteerde aandelenautomatisch aan te leveren, moeten belastingplichtigen deze gegevenszelf in de aangifte inkomstenbelasting opnemen en bewaren zodat dezegegevens beschikbaar kunnen worden gesteld aan de Belastingdienst.Deze werkwijze verschilt niet van het de huidige (forfaitaire) box 3systematiek waarbij belastingplichtigen vermogensbestanddelen,waaronder ook niet-beursgenoteerde aandelen, jaarlijks moetenwaarderen en de waarde hiervan opnemen in de aangifte inkomstenbe-lasting. De toepassing van een vermogensaanwasbelasting voorniet-beursgenoteerde aandelen leidt daarmee niet tot een verzwaring ofbemoeilijking van het toezicht en handhaving door de Belastingdienst inhet nieuwe stelsel.De leden van de fractie van de VVD vragen of een ongelijke behandelingontstaat tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelendoordat de waarde voor niet-beursgenoteerde aandelen lastiger tewaarderen zal zijn. Hoewel het doorgaans eenvoudiger zal zijn om dewaarde van beursgenoteerde aandelen te bepalen, blijven de huidigewaarderingsregels in box 3 in stand. Voor niet-beursgenoteerde aandelengeldt in beginsel dat deze – net zoals in het huidige stelsel – wordengewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Deze waarde-ringsregel geldt al sinds de invoering van box 3 en is dus bekend voorbelastingplichtigen en wordt al jarenlang toegepast in box 3. Hieraanverandert in het nieuwe stelsel niets en hiermee ontstaat geen strijdigheidmet het gelijkheidsbeginsel.De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet een overzicht kanverschaffen van de geleerde lessen uit de Wet tegenbewijsregeling box 3.Vanaf 10 juli 2025 is de aanvullende hersteloperatie van start gegaan.Naar verwachting zullen 2,6 miljoen aanslagen van burgers in aanmerkingkomen voor rechtsherstel. Belastingplichtigen en de Belastingdienst zullenop grote schaal ervaring gaan opdoen met het invullen en verwerken vanhet werkelijke rendement. Deze ervaringen kunnen nuttig zijn voor deuitvoering van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Op basisvan deze ervaringen kunnen voorafgaand aan de inwerkingtreding van hetonderhavige wetsvoorstel vanaf 1 januari 2028 mitigerende maatregelengenomen worden.Mitigerende maatregelen kunnen, afhankelijk van de signalen uit depraktijk, bestaan uit het verder ondersteunen van de belastingplichtige bijhet berekenen en invullen van het werkelijke rendement. Hierbij kanbijvoorbeeld gedacht worden aan het intensiveren van voorlichting encommunicatie rondom het doen van aangifte. Monitoring van signalen uitde praktijk vindt in eerste instantie plaats via contactmomenten met deburgers, bijvoorbeeld via de BelastingTelefoon en via vooroverleg met deinspecteur. Ook vindt periodiek overleg plaats met ketenpartners zoalsbanken, verzekeraars en belangenorganisaties waarin signalen uit dedienstverlening aan hun cliënten met betrekking tot het nieuwe box 3-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 686 stelsel worden gedeeld. Verder worden berichten in de media en defiscale vakliteratuur gelezen waarbij wordt gereflecteerd op het voorge-stelde nieuwe box 3-stelsel. Tot slot kunnen signalen over de uitvoeringworden ontvangen door de inspectie belastingen, toeslagen en douane(IBTD) en door de onafhankelijke belangenbehartiger voor belastingplich-tigen en toeslaggerechtigden bij het Ministerie van Financiën.Daarnaast zal het kabinet naar aanleiding van de aangenomen motie vande leden Kouwenhoven en Grinwis88 tijdens de behandeling van hetwetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3, jaarlijks een integraleimpactanalyse opstellen waarin: a. het gebruik van de regeling, b. effectenvoor burgers en uitvoering en c. de realisatie van de regeling, wordenmeegenomen en waaruit zo mogelijk ook lessen kunnen wordengetrokken.De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd of het kabinet eenstapsgewijze invoering heeft overwogen, waarbij voor eenvoudigervermogenscomponenten, zoals bank- en spaarrekeningen, eerder wordtovergegaan op werkelijk rendement, en complexere, zoals onroerendgoed, pas later. Deze leden vragen het kabinet welke voor- en nadelen eendergelijke variant heeft.In de brief van 13 december 202489 is een uiteenzetting opgenomen vaneen onderzoek naar een aantal alternatieve invoeringsopties voor deinvoering van het nieuwe stelsel. In het onderzoek zijn een viertalalternatieve invoeringsopties verkend waarvan een tweetal alternatievende invoering van het nieuwe stelsel in twee stappen betrof. Beidealternatieven werden door het kabinet om verschillende redenen niethaalbaar geacht, mede vanwege het krappe tijdpad om deze variantentijdig in te kunnen voeren maar ook omdat deze alternatieven uitermatecomplex zijn voor de uitvoering en de burger. In een dergelijke stapsge-wijze invoering blijven namelijk meerdere heffingssystemen in box 3(werkelijk rendement en forfait met verwerking van mogelijke input vanuitde tegenbewijsregeling) naast elkaar bestaan. Dit zou leiden tot eenverzwaring voor de uitvoering door de Belastingdienst maar ook tot eengroter beroep op het doenvermogen van de burger. Ook kan eenstapsgewijze invoering tot een verdere vertraging leiden in de uitfaseringvan Cool:Gen (modernisatie).De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat de uitvoe-ringskosten worden betaald door belastingplichtigen. De overstap vanbelastingheffing op basis van forfaitaire naar werkelijke rendementen,leidt onvermijdelijk tot hogere uitvoeringskosten. De uitvoeringskostenbedragen in totaal ruim 20 miljoen euro aan incidentele kosten en112 miljoen euro per jaar. De uitvoeringskosten zijn een direct gevolg vande voorgestelde fiscale hervorming en zijn bovendien dusdanig groot datdit niet redelijkerwijs binnen het bestaande apparaatsbudget gecompen-seerd kan worden. Het klopt dat deze kosten in het voorstel aan delastenkant worden gedekt.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoeveel fte nodig isvoor de uitvoering van het nieuwe stelsel, welke kosten hieraanverbonden zijn en hoe deze kosten en fte zich verhouden tot eeneenvoudige vermogensbelasting met een vergelijkbare box 3 opbrengst.Op basis van de uitkomsten van de uitvoeringstoets van het voorliggendewetsvoorstel zijn de personele gevolgen ingeschat op 44 fte incidenteel enop 877 fte structureel. De geprognotiseerde kosten bedragen€ 20,33 miljoen incidenteel en € 112,14 miljoen structureel. Dit is88Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 16.89Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 216.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 687 gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbareprocessen. Afhankelijk van nog te maken keuzes of aanpassingen in hetwetsvoorstel kunnen deze bedragen veranderen. Met betrekking tot deuitvoeringskosten en personele gevolgen voor de Belastingdienst alsgevolg van de invoering van een eenvoudige vermogensbelasting meteen vergelijkbare box 3 opbrengst zijn op dit moment geen gegevensbeschikbaar. De uitvoeringskosten en personele gevolgen van eendergelijke vermogensbelasting zullen onder meer afhangen van degekozen grondslag (breed of alleen box 3-vermogen) en de preciezevormgeving van een anticumulatieregeling.De leden van de fractie van de SGP merken op dat het wetsvoorstel ookgrote gevolgen heeft voor de financiële instellingen, die gegevens moetenaanleveren, en vragen hoe zij hierin worden ondersteund en hoe ditproces steeds wordt verbeterd. De leden van deze fractie vragen ook ofhiervoor extra budget beschikbaar is. Daarnaast vragen de leden van defractie van NSC of uit de bestaande afspraken met de ketenpartners volgt,dat indien het wetsvoorstel niet vóór maart 2026 is aangenomen door deTweede Kamer, opnieuw uitstel noodzakelijk is en of er ruimte is om metde ketenpartners reeds op voorhand afspraken te maken over het nemenvan voorbereidende stappen zodat verdere vertraging in de uitvoering kanworden voorkomen.Met de ketenpartners, waaronder de banken en verzekeraars, vindt ingoede samenwerking regulier overleg plaats in het kader van de Wettegenbewijsregeling box 3 en het wetsvoorstel Wet werkelijk rendementbox 3. Tijdens deze overleggen worden door de ketenpartners en deBelastingdienst ook signalen uitgewisseld over box 3-aangelegenheden.Daarnaast worden door de Belastingdienst momenteel voorbereidingengetroffen om te komen tot het vaststellen van de benodigde gegevensaan-levering door ketenpartners op basis van het voorliggende wetsvoorstel.De banken en verzekeraars die in dit verband aan het reguliere overlegmet de Belastingdienst deelnemen hebben al aangegeven dat zij zeerbereidwillig zijn hieraan hun medewerking te verlenen, ook om ervoor tekunnen zorgen dat de handleidingen (op basis van artikel 22 van hetUitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001) voor deze gegevensaanle-vering tijdig kunnen worden vastgesteld. De software van de keten-partners en de Belastingdienst wordt op basis van deze handleidingenopgesteld. Er is geen extra budget beschikbaar gesteld voor aanleverenvan gegevens door ketenpartners.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of uitvoeringskostenop termijn kunnen worden verminderd door verdere automatisering. Inhet kader van het aanvullend herstel in verband met box 3 wordtmomenteel onderzoek gedaan naar mogelijkheden tot vereenvoudigingvan het verwerkingsproces en verdergaande automatisering van dewerkzaamheden. Als uit dit onderzoek potentiële mogelijkheden naarvoren komen dan kunnen deze mogelijk ook van invloed zijn op deuitvoeringskosten van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.Daarnaast zullen ook na de invoering van het voornoemde wetsvoorstelmogelijkheden worden onderzocht om werkzaamheden te vereenvou-digen of verdergaand te automatiseren en daarmee uitvoeringskosten teverminderen.10. Doelmatigheid en doeltreffendheid, monitoring en evaluatie De leden van de fractie van NSC vragen naar de mogelijkheden entoegevoegde waarde van kleinere, kort cyclische evaluaties gericht opkleine verbeteringen na invoering van de Wet werkelijk rendement box 3.In het wetsvoorstel is voorzien in een evaluatie binnen vijf jaar naTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 688 inwerkingtreding. Na de inwerkingtreding zal het meer dan een jaar durenvoordat de eerste aangiftes van belastingplichtigen binnenkomen en deeerste aanslagen definitief kunnen worden opgelegd door de Belasting-dienst. Omdat voor een goede evaluatie (aangifte)gegevens overmeerdere jaren relevant zijn, is gekozen voor een termijn van vijf jaar. Datneemt niet weg dat indien na inwerkingtreding knelpunten optreden in depraktijk uiteraard de mogelijkheid openblijft dat nog voor de evaluatiekleine verbeteringen worden aangebracht.De Minister van Financiën,E. HeinenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 689

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e3e3ba70f163de2c

14 okt 2026 · ea0cb977900069c2

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.