KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 29 mei 2026 · Tweede Kamer

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 25 maart 2026, over Regio's en grensoverschrijdende samenwerking

Arend Kisteman · VVD griffier (naam nog niet beschikbaar)

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 851Grensoverschrijdende samenwerking (GROS)Nr. 80 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 29 mei 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 25 maart 2026overleg gevoerd met de heer Heerma, Minister van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties, over:–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 30 januari 2026 inzake voortgang NationaalProgramma Vitale Regio’s (Kamerstuk 29 697, nr. 179);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 19 december 2025 inzake toezegging gedaantijdens het commissiedebat over regio’s en grensoverschrij-dende samenwerking van 2 oktober 2025 inzake uitvoeringvan de motie van het lid Flach c.s. (Kamerstuk 29 697, nr. 169)(Kamerstuk 29 697, nr. 178);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 12 december 2025 inzake werkprogrammaDINGtiid 2026–2027 (Kamerstuk 33 335, nr. 26);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 11 december 2025 inzake elfde voortgangs-rapportage Wind in de zeilen (Kamerstuk 29 697, nr. 177);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 22 september 2025 inzake reactie op hetadvies van DINGtiid ten aanzien van een Landelijke KennistafelFries (Kamerstuk 33 335, nr. 24).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,KistemanDe griffier van de commissie,Honsbeek kst-32851-80ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 801 Voorzitter: MeulenkampGriffier: Van der HaasAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Boelsma-Hoekstra,Clemminck, Huizenga, Keijzer, Meulenkamp, Tseggai en Vermeer,en de heer Heerma, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties.Aanvang 14.00 uur.De voorzitter:Goedemiddag allemaal. Welkom aan de leden van de vaste commissievoor Binnenlandse Zaken en aan de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties. Welkom bij het commissiedebat Regio’s en grensover-schrijdende samenwerking. Ik stel voor om vanmiddag met vier inter-rupties te werken. Laten we elkaar op een nette manier benaderen enelkaar laten uitspreken. Dan heeft de voorzitter een goede middag enhebben de leden dat ook, denk ik.Ik zou willen beginnen met het woord te geven aan mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dank, voorzitter. Dan hebben degenen die op de tribune zitten of via delivestream meeluisteren in ieder geval een goede middag.Ik moet als eenpitter zo naar een plenair debat, maar ik vind dit eendermate belangrijk onderwerp dat ik heb besloten het te combineren. Afen toe luistert iemand die mij ondersteunt mee en zelf luister ik ook meteen half oor naar wat hier verder gebeurt en naar wat de nieuwe Ministerin reactie op dit onderwerp te melden heeft.Voorzitter. Als je de verkiezingsuitslag bekijkt van wat ik maar de«Republiek Amsterdam» ben gaan noemen, en je vervolgens ziet hoe demeeste grote kranten en tv-programma’s verslag doen van de debattendie wij hier voeren, denk je dat dit voor heel Nederland geldt, maar dat isniet zo. De meeste Nederlanders weten dat, want zij wonen op andereplekken: in dorpen, grote en kleine steden, buitengebieden, grensregio’sen, zoals dat heet, op het platteland. Door die berichtgeving krijgen aldeze mensen het idee dat ze niet gezien en niet gehoord worden. Als er aliets naar buiten komt over de regio, het platteland of de kleine steden,betreft dat bijvoorbeeld het WODC-rapport, het onderzoek van Rutgersover de schandalige homofobie onder jongeren op het platteland, of hetidee dat iedereen daar anti-institutioneel denkt. Het tegenovergestelde ishet geval, kan ik u melden.Ik ben zelf geboren en getogen op Volendam, zoals wij dat noemen. Opbasis van de afstand in kilometers valt dat officieel onder de Randstad,maar het voelt echt compleet anders. Ook bij mij op het dorp zitten ze metstijgende verbazing naar discussies in de Haagse debatten te kijken.Voorzitter. Je bent zo’n 3 à 3,5 uur onderweg van noord naar zuid of vanoost naar west. Toch zijn we niet in staat de juiste besluiten te nemen overaccijnzen en belastingen. Ik weet hoe het werkt: er moet ergens nog eenmiljardje gevonden worden, dus wordt er in de financiële tabel weer ietsboven op de accijnzen gegooid. Maar dat heeft wel een weglekeffect: dekoopkracht vloeit structureel weg naar het buitenland. Mensen gaan hunboodschappen gewoon over de grens doen. Hierdoor verdwijnt desupermarkt en daardoor verdwijnt de pinautomaat. Als de winkelstraatleegloopt, verdwijnt ook de buslijn. Als voorzieningen verdwijnen, trekkenjongeren weg. Als jongeren wegtrekken, komt de school onder druk testaan. Als dan ook de bakker en de slager omvallen, valt de sponsoringvan de lokale voetbalclub weg. Zo zie je hoe één beleidskeuze in DenHaag, bijvoorbeeld een accijnsverhoging in de grensregio, kan uitmondenin totale ontwrichting van leefbaarheid en sociale cohesie. Waar we hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 802 nooit over hebben, is dat de geprognosticeerde opbrengst van dieaccijnzen uiteindelijk niet wordt gerealiseerd, dus waarom doen we hetdan?Voorzitter. Dan het investeringsklimaat in de regio. We hebben hetNationaal Programma Vitale Regio’s. Dat is op zich goed. Er zitten eenaantal goede zaken in, maar één ding moet mij toch van het hart. Datbetreft het versterken van het vertrouwen in de overheid. Hoe zorg jeervoor dat het vertrouwen in de overheid terugkomt? Daarover moetenwe het hebben. Daarvoor is het nodig – daarom ga ik zo direct naar hetplenaire debat over de economische effecten van de oorlog in hetMidden-Oosten – dat wij stoppen met de Nederlander, en de portemonneevan de Nederlander, de dekking te laten zijn voor allerlei zaken die deHaagse bovenlaag belangrijk vindt. Dat is echt de enige manier om hetvertrouwen in de overheid te versterken; dat is echt de enige manier. Zorgdat die ondernemer in die dorpen en in die steden weer kan ondernemen,dat die vrijheid weer terugkomt, dat het weer rond te rekenen is en dat dekosten voor energie gaan dalen. Als je dat niet doet, versterken die tweezaken elkaar. Daarom stel ik tot slot mijn laatste vraag aan deze Minister,hoewel ik weet dat die niet aan hem gesteld moet worden, maar neem ’mmee in de onderhandelingen voor de Voorjaarsnota: wanneer gaat u ietsdoen aan de accijnzen en de btw, die uiteindelijk dit land – daar zijn deregio’s, en de steden en de dorpen onderdeel van – stukmaken?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Keijzer. Ik wil het woord geven aan de heer Vermeervan de BBB.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel, voorzitter. Ik moet zo ook naar het plenaire debat over deeconomische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, die ook zekerde grensregio’s extra hard raakt. Daarom is het wel ongelukkig dat dezetwee debatten samenvallen. We hebben een heel fijn rondetafelgesprekgehad met allerlei clubs die de regio vertegenwoordigen. Ik denk dat ditniet vaak genoeg kan gebeuren hier.Voorzitter. De regio is niet de rand van Nederland, maar juist de basiservan. Daar wordt ons voedsel geproduceerd, kijken de mensen nog naarelkaar om en worden onze tradities doorgegeven. Ik kom zelf uit de regio.Sommige mensen kunnen dat ook horen; ik denk de meeste. Als je daarrondloopt, zie je het meteen. Je ziet de kracht van dorpen waar mensennog naar elkaar omkijken, waar de lokale voetbalvereniging, de school ende dorpswinkel het hart van de gemeenschap vormen. Maar als je daarrondloopt, zie je helaas ook de andere kant: voorzieningen die verdwijnen,jongeren die wegtrekken en het gevoel dat Den Haag heel ver weg is.Daarom is het goed dat we het vandaag opnieuw hebben over de regio’svan ons land, want voor de mensen in de regio gaat dit niet over beleid,maar over hun dagelijks leven en over de vraag of hun dorp blijft bestaanzoals zij het kennen.Voorzitter. Het Nationaal Programma Vitale Regio’s was bedoeld om intotaal elf regio’s in ons land een impuls te geven. De plannen zijn volop inde maak. BBB kijkt uit naar de plannen die hier uiteindelijk uit voort-komen. BBB hoort trouwens over het algemeen veel positieve verhalen uitdie regio’s. Misschien schrok ik juist daarom toch best wel een beetje bijhet lezen van de laatste Kamerbrief over de voortgang van ditprogramma. Laat namelijk één ding helder zijn: dit programma is wat BBBbetreft niet bedoeld om regio’s opnieuw te gebruiken als oplossing voorde problemen uit de Randstad. Toch lezen we in de Kamerbrief datvolgens het Rijk deze elf regio’s «een belangrijke bijdrage leveren aangrote maatschappelijke opgaves met ruimte om te versnellen opbijvoorbeeld de energietransitie». Dat is precies de reflex waar mensen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 803 de regio allergisch voor zijn, niet omdat ze tegen ontwikkeling zijn, maaromdat het te vaak voelt alsof de regio wordt gezien als de plek waar hetnog kan, dus waar het dan maar moet gebeuren. Dat is Randstedelijkwensdenken over de rug van de regio. Mijn vraag aan de Minister is danook heel duidelijk. Kan hij expliciet bevestigen dat het NationaalProgramma Vitale Regio’s niet bedoeld is om nationale opgavensimpelweg in de regio te parkeren, maar juist om de regio zelf sterker temaken? Hoe borgt hij dat?Voorzitter. Dan de middelen. De Kamer heeft een motie van BBB aange-nomen om structureel middelen te reserveren voor deze regio’s, want opdit moment zijn er nog geen middelen gereserveerd voor de uitvoeringsa-genda. Er is een eerste inschatting gemaakt en we lezen dat de opgaverichting de 1 miljard euro per jaar gaat. Als je goed kijkt naar wat deverschillende mensen in het rondetafelgesprek inbrachten, dan zie je:verbreding A2 en A67. Dan is een miljard nog helemaal niets. Gaat deMinister richting Prinsjesdag daadwerkelijk inzetten op structurelefinanciering? Over welke bedragen spreken we dan concreet? Komt erecht geld of blijft het bij ambities zonder dekking en dus bij loze beloftesrichting de regio?Dan nog iets wat opvalt in de Kamerbrief. Ineens wordt er gesproken overeen «Rural Policy Review» en «rural proofing». Mijn vraag aan de Ministeris simpel. Wat bedoelt hij daar nou precies mee? De Kamer heeft eenBBB-motie voor een plattelandstoets aangenomen. Dat is gewoon helder:beleid toetsen op de gevolgen voor het platteland. Wat voegt deze nieuweterm daar dan aan toe? Krijgt de Kamer hiermee straks een concreetinstrument in handen om wetgeving en beleid te beoordelen op effectenvoor de regio of blijft dit hangen in abstracte woorden en rapportenzonder echte impact? BBB heeft geen behoefte aan nieuwe Engelsetermen. We hebben behoefte aan een werkend instrument dat voorkomtdat beleid opnieuw ten koste gaat van de regio. Dus graag helderheid: watgaat de Minister concreet doen en wanneer kan de Kamer dit ook echtgebruiken in haar controlerende rol?Voorzitter. Tot slot nog twee concrete punten. Allereerst het openbaarvervoer in de regio, specifiek voor studenten. We willen juist datstudenten en jongeren zo lang mogelijk in de regio kunnen blijven wonen,maar in grote delen van Nederland is het klassieke ov simpelwegverdwenen. Tegelijkertijd zijn er wel oplossingen die werken, zoalsbuurtbussen, taxibusjes en ander kleinschalig vervoer, maar met jestudenten-ov heb je daar niets aan. Studenten in die regio’s hebben duseen studenten-ov waar ze niets aan hebben. Is de Minister bereid om ingesprek te gaan met zijn collega, de Minister van OCW, zodat deov-studentenkaart ook gebruikt kan worden voor dit soort regionalevervoersoplossingen?Dan mijn laatste punt, het onderwijs. In krimpregio’s staan scholen onderdruk. Zij hebben moeite om financieel rond te komen. Daardoorverdwijnen scholen uit dorpen. Is de Minister bereid om, in overleg metzijn collega-minister van OCW, in krimpregio’s ruimte te bieden voorkleinere scholen, zodat deze scholen open kunnen blijven? Wil hij daarbijdan niet alleen kijken naar economisch rendement, maar juist ook naarmaatschappelijk rendement?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Vermeer. Dan wil ik nu het woord geven aanmevrouw Boelsma-Hoekstra, van het CDA.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Dank, voorzitter. Ik snap dat mijn voorgangers het jammer vinden dat zestraks niet bij het debat kunnen zijn. Wij ook! Maar je kunt geen ijzer methanden breken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 804 Voorzitter. Als ik op maandag of dinsdag met de trein naar Den Haag rijd,dan heb ik er zin in. Tweede Kamerwerk is prachtig werk. Maar ik heb aanhet eind van diezelfde week nog meer zin om weer naar Fryslân te gaan.Een niet nader te noemen fractievoorzitter zei laatst, tijdens een rondritdoor onze mooie provincie, tegen mij: ik snap dat jij, als Fries, zo kalmbent, want alles hier straalt rust uit. Dat klopt. Tenminste, dat stuk over derust van het Friese platteland klopt. Mijn eigen kalmte kan ik nietgaranderen; ik denk dat ze daar thuis toch een beetje anders over denken.Maar het stuk over het platteland klopt wel!Vandaag staat dat platteland, de regio, op de agenda. Er liggen hele goederapporten – daar werd net ook al even aan gerefereerd – en goedeaangenomen Kamermoties, en er is ook wel goede wil, maar toch blijkt derealiteit weerbarstig. Hoe krijgen we het in het hectische Den Haag met z’nallen voor elkaar dat we als Tweede Kamer oog hebben voor elke regio, ofhet nou Zwartsluis, Papendrecht, Sluis of Idskenhuizen is? Haags beleid isnamelijk niet altijd passend in dunbevolkte gebieden.Een voorbeeld hiervan is de eilandtoets, die niet alleen naar deleefbaarheid op de Wadden kijkt, maar ook naar die op de BES-eilanden.Deze is alleen nog steeds niet geborgd op het ministerie. Hoe staat hethiermee, vraag ik de Minister. Het is namelijk belangrijk dat landelijkebeslissingen werkbaar zijn voor niet-stedelijke gemeenten. Kan deMinister toezeggen dat geborgd wordt dat er een goede uitvoeringstoetskomt voor de regio’s? Mevrouw Van der Plas heeft bijvoorbeeld al eenseen motie over de plattelandstoets – ik denk dat dat het Nederlandsewoord ervoor is – ingediend.Vanuit de regio’s kwam ook de oproep om uitvoering te geven aan hetrapport Elke regio telt! Dat is deels gedaan, met het Nationaal ProgrammaVitale Regio’s, maar dat is nog maar een begin. In het coalitieakkoordwordt aangekondigd dat er samen met de regio’s strategischeprogramma’s opgesteld gaan worden. Hoe gaat de Minister dit oppakken?Gaat hij dat dan ook in gezamenlijkheid met andere ministeries doen?Voorzitter. Het CDA is zoekende naar een afwegingskader voor beleid eninvesteringen dat niet alleen gebaseerd is op aannamen, modellen enalgoritmes, maar dat breder kijkt. Hoe gaat de Minister deze handschoenoppakken? Wat is de Minister van plan te doen om ervoor te zorgen datwe bij investeringen breder kijken dan alleen naar een MKBA, maar ookécht kijken naar maatschappelijk nut?Een tweede punt dat ik in deze commissievergadering wil aankaarten, isdat van vrijwilligers. Die vormen namelijk de sociale smeerolie in deregio’s waar ik het net over had. Hier moeten we ruimte voor geven. Tochlezen we steeds vaker dat precies het tegenovergestelde gebeurt, namelijkdat vrijwilligers niet meer kunnen opboksen tegen de toegenomenregeldruk. Ik kan recente voorbeelden noemen, zoals de Enterse Zomp.Dat is een boot die aan Europese opleidingseisen moet voldoen. Dat kostheel veel geld per vrijwilliger. Vorige week was er ook nog het nieuwsover de paasvuren. Men moet dus voldoen aan een stapeling vanregelgeving, verplichtingen en vergunningseisen. Dat is funest voor deregio.Voorzitter. Het CDA is blij dat de regering een ambitieuze doelstelling heeftom de regeldruk te verminderen. Wat het CDA betreft, gaan we daarbijook specifiek werk maken van het schrappen van regelgeving dieinitiatieven uit de samenleving onevenredig hard raakt.De voorzitter:Er is een interruptie van de heer Vermeer.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ja.De heer Vermeer (BBB):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 805 Mevrouw Boelsma gaf al aan dat dit over meer ministeries gaat. Ook inhet rondetafelgesprek kwam de verkokering tussen ministeries naarvoren. Wat moeten we hieraan doen volgens het CDA? We hebben eenMinister van Binnenlandse Zaken met budgetten, maar het grootstegedeelte heeft te maken met IenW, met fiscale regelgeving. Hoe kunnenwe dit het beste aanpakken wat het CDA betreft?Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Dank u wel voor de vraag. Ik denk dat het heel belangrijk is, want ik zit inmeerdere commissies waar dit aan de orde komt en dat is ook een vanmijn vragen, dat er een methodiek ontwikkeld wordt en dat het in hetafwegingskader meegenomen wordt. Daarom stel ik de vraag ook in dezecommissie, want ik denk dat de Minister van BZK een regierol zou kunnenoppakken om te kijken hoe je dat ergens zou kunnen vastleggen. Iknoemde net de eilandtoets. Mijn voor-, voor-, voor-, voorgangster van eenandere partij, Lutz Jacobi, heeft die ooit eens ingevoerd. Dat is jarengeleden. Toch is het ergens gestrand hier in dit huis, zodat we hem nu nietoperationeel hebben. Daarom wil ik ook vragen hoe deze Minister, vanuitzijn rol als Minister van BZK, naar die borging kijkt en of hij misschien eenrol daarin zou kunnen spelen, want het gaat er mij echt om dat hetafwegingskader geborgd wordt.De voorzitter:Een vervolginterruptie van de heer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel voor het antwoord en steun om dit zo aan te pakken. Hoemoeten we dat volgens het CDA doen qua budget? Er kan namelijk eencoördinerend Minister wezen, maar dat is een coördinerend Minister meteen lege portemonnee op al die gebieden waar veel in geïnvesteerd gaatmoeten worden, met name in infrastructuur. Hoe kunnen wij dat alsKamer met z’n allen nou eens gaan aanpakken? Moet er een speciaalregiobudget komen, waar ik ook al naar vroeg? Hoe ziet het CDA dat?Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Het is heel jammer dat u straks weg moet, want we zouden natuurlijk eenprachtig gesprek kunnen voeren om eruit te komen. Ik heb al eerderverteld dat ik in de kerstvakantie alle debatten heb beluisterd die mijnvoorgangers hier gevoerd hebben waarin deze vraagstelling naar vorenkwam. Het ging niet zozeer over een budget, maar over de vraag: waarregel je dat in het afwegingskader oog is voor de regio? Ik ben zoekendehoe we dat kunnen borgen. Dat is dus stap één.Als je het dan over budgetten hebt: bij infrastructuur zijn we nu bezig metde staat van de infrastructuur. Daar komt de Minister straks ook met eenafwegingskader waarin hij laat zien hoe er volgens hem afwegingenbinnen het beperkte budget gemaakt moeten worden. Je kunt het ookdaar inbrengen, maar er moet wel ergens een regie zijn, want deze motieszijn volgens mij door meerdere Kamerleden ingediend en aangenomen. Ikweet ook dat ze er op het ministerie druk mee bezig zijn, maar ik wachtnog steeds op iets wat we kunnen formaliseren.De heer Vermeer (BBB):Ik denk dat we zo echt wel ergens gaan komen. Ik zou de collega’s en uwillen vragen hoe we dan borgen dat die infrastructuurgelden inderdaadniet steeds naar de gebieden gaan die al sterk groeien, want dat is dehuidige systematiek. Daarom werd er bijvoorbeeld ook gezegd: de A67staat vast, maar het geld gaat naar de regio Eindhoven en niet naar dewijdere cirkel daaromheen. Hoe gaan wij dat voor elkaar krijgen? Degroeiregio groeit eigenlijk steeds harder en de regio’s die achterblijven,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 806 kunnen op deze manier te maken krijgen met krimp, letterlijk maar ookqua voorzieningenniveau.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Een prima vraag. U kunt... Nee, ik denk dat u daar geen tijd voor heeft,maar in het debat over de staat van de infrastructuur heb ik juist datgeneingebracht wat u benoemt. Ik denk dat het een onderdeel van hetafwegingskader moet zijn. Ik zeg ook altijd: we moeten staan voor elkeregio. We zitten hier voor de wat dunner bevolkte regio’s, maar je hebtook regio’s die wat dikker bevolkt zijn; zo noem ik het maar even. Volgensmij moeten we het afwegingskader ... «Dikker bevolkt» is geen goedwoord.De voorzitter:Dichtbevolkt, zegt de heer Vermeer. Heel veel mensen.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Dichtbevolkt! Ik zocht ernaar, maar ik kon het woord «dichtbevolkt» nietvinden. Het is van belang dat we een goede afweging maken. Als er danbijvoorbeeld meer geld terecht zou komen in een dichter bevolkt gebied,dan moet je dus wel op basis van al die afwegingscriteria kunnen zeggen:we snappen dat het nu even daar terecht moet komen om die en diereden. Daarom is mijn zoektocht ook dat je de brede welvaart, zoals ik ’meven noem, wel meeneemt in het totale afwegingskader. Nu heb ik hetidee dat die gewoon niet wordt meegenomen. Als we daarin een stapkunnen zetten, hebben we voor heel Nederland, dus eigenlijk voor elkeregio, het juiste afwegingskader.De voorzitter:Uw laatste interruptie, meneer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Dank u, met alle plezier. Is mevrouw Boelsma het er dan ook mee eens datwe niet alleen inwoneraantal en dichtbevolktheid als criteria moetennemen, maar dat we ook een oppervlaktenorm in de formules zullenmoeten meenemen? We hebben bij de bezetting qua politieagentenbijvoorbeeld gezien dat het er automatisch toe leidt dat er in de grotesteden de hoogste beschikbaarheid is, en dat er geen rekening mee wordtgehouden dat op het platteland de nettotijd per inwoner veel lager is,omdat je daar gewoon een halfuur of een uur moet rijden van plaats Anaar plaats B. Wil het CDA de opvatting steunen dat we in al dieafwegingscriteria ook de afstanden en de oppervlaktes mee moetennemen en niet alleen inwonersaantallen? Anders creëren we namelijkonze eigen dichtbevolkte kernen.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik heb zelf in eerdere debatten weleens het maatschappelijke effectbenoemd. Ik wil me dus niet echt vastpinnen op een specifiek criteriumdat dit borgt. Eigenlijk moet je bij besluiten elke keer ook kijken wat vooreffect zo’n besluit heeft in de Randstad, bij ons in Fryslân of in het oostenvan het land. Dat is één.Het tweede punt is het investeringscriterium. En dan moeten we ookkijken naar het maatschappelijke effect. Het kan zo zijn dat je op eenbepaald moment moet kiezen voor een investering in een wat dichterbevolkt gebied, omdat het maatschappelijke effect anders heel groot zoukunnen zijn. Maar als je bijvoorbeeld niet investeert in een dunner bevolktgebied, kan het maatschappelijke effect ook gigantisch groot zijn. Daar isop dit moment geen oog voor. Daarom wil ik in deze periode ook heelgraag met z’n allen kijken hoe we dat beter kunnen borgen, zodat het altijdmeegenomen wordt. Of het daarbij om oppervlakte gaat of om ietsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 807 anders, laat ik even aan de mensen die daar goed kijk op hebben. Ik denkdat de bedoeling ervan wel helder is en dat we in deze commissie redelijkop een lijn zitten wat dit betreft.De voorzitter:U mag uw betoog vervolgen of afronden.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik had nog een minuutje, denk ik.De voorzitter:Anderhalve minuut!Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):O, geweldig. Dan gaan we nog even verder.Voorzitter. Het CDA is blij dat de regering een ambitieuze doelstelling heeftom de regeldruk te verminderen. Wat het CDA betreft, gaan we daarbijook specifiek werk maken van het schrappen van regelgeving dieinitiatieven uit de samenleving onevenredig hard raakt. Hoe kijkt deMinister naar deze insteek van regeldrukvermindering? Vorig jaar is erunaniem een amendement van mijn collega Inge van Dijk aangenomenwaarmee het ATR wordt opgedragen om regeldrukeffecten van nieuwbeleid op instellingen zonder winstoogmerk en op vrijwilligers in kaart tebrengen. Hoe is dat geregeld en wat heeft het tot nu toe opgeleverd?Afrondend, voorzitter. We moeten ervoor zorgen dat beleid uit Den Haagwerkt voor elke regio, dat investeringen in elke regio terechtkomen en datde regeldruk voor vrijwilligers en verenigingen, die onze dorpen levendhouden, serieus verminderd wordt. Nu heb ik toch nog een afrondendvraagje, want er stond iets geks op de agenda wat je als Fries niet kuntnegeren, namelijk «werkprogramma DINGtiid» en «reactie op het adviesDINGtiid voor de Kennistafel Fries». Wij hebben daar een tweeminuten-debat over gehad, waarin mijn collega Vellinga-Beemsterboer een motieheeft ingediend. Mijn vraag is eigenlijk wat stand van zaken van die motieis.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. O, ik zie nog een interruptie, van mevrouw Tseggai vanPvdA-GroenLinks.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Sorry dat ik wat later binnenkwam. Ik had een iets te strakke planningtussen twee debatten in. Ik heb gelukkig wel de hele inbreng van het CDAkunnen horen. Daarin miste ik eigenlijk het financiële plaatje een beetje.Het ging er zonet al over in het interruptiedebatje met de heer Vermeer,maar het CDA eindigde haar inbreng ook met: investeringen in elke regio.We hebben natuurlijk dat nationale programma voor vitale en leefbareregio’s, maar dat heeft geen structurele financiering. Over twee jaar dreigter een ravijnjaar. Ook daarover heb ik niks voorbij zien komen in hetregeerakkoord. Gemeenten en regio’s zeggen zelf: geen taken zonderknaken. Hoe kijkt het CDA dus naar de financiële uitdagingen, die ook metdit onderwerp meekomen?Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Dank voor deze vraag. Ik denk dat verschillende componenten annex zijnals je het over investeringen hebt. Ik denk dat het debat over de gemeen-tefinanciën nog volgt. Dan ga ik daar verder op in. Volgens mij is er eenmotie aangenomen over het Nationaal Programma Vitale Regio’s, maarwat veel belangrijker is – dat probeer ik ook te vertellen – is dat je wel kuntzeggen dat je losse budgetten gaat inzetten voor verschillende regio’s,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 808 maar dat je het budget dat je hebt moet verdelen over elke regio en datdie methodiek ontbreekt. Het CDA steekt dus in op dat meenemen in hetafwegingskader. Alle andere losse voorstellen, beoordelen we op hetvoorstel zelf en op de dekking. Dat is eigenlijk de rode draad van mijninbreng.De voorzitter:Mevrouw Tseggai en daarna de heer Clemminck.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik zou toch wel graag een antwoord willen op mijn vraag over hetravijnjaar, want ik snap ook wel dat dat nog gaat spelen, maar voor mijstrookt het gewoon niet met de inbreng die het CDA hier heeft. Ik begrijphet verdelingsvraagstuk, maar als we geen geld meer hebben voor hetNationaal Programma Vitale Regio’s is het verdelingsvraagstuk ook nietmeer relevant. Ik zou dus toch wel graag een iets diepgaander antwoordwillen van het CDA.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik ben voor diepgaandere antwoorden, dus dat gaat waarschijnlijk lukken.Ik zou het zonde vinden als we dat debat nu doen zonder de informatieover de gemeentefinanciën; die komt namelijk nog. Ik wil dat daar laten. Ikwil het debat daarover dan voeren, want er zitten zo veel verschillendeaspecten aan. Dat wil ik dus dan doen.Met betrekking tot het geld: als je het over losse investeringen hebt, is hetzo dat als we investeringen willen, dus als we ergens extra geld willenopplussen, er ook goede dekking bij moet zitten. Dat is gewoon heel ergbelangrijk voor het CDA. Volgens mij is er een motie aangenomen. Ik weetniet of de dekking goed is, maar dat is wel van belang in de situatiewaarin we nu zitten. Soms is dat nodig. U zegt: het Nationaal ProgrammaVitale Regio’s is een heel belangrijk programma. Maar ik denk dat als jehet erover hebt dat elke regio telt, je het breder moet zien en je het dusniet alleen moet projecteren op dat programma. Ik probeer vanmiddag aleen paar keer te zeggen dat het erom gaat dat je de middelen die je hebtdus ook verdeelt over de verschillende regio’s.Als je extra geld wilt voor iets, bijvoorbeeld voor een nationaalprogramma of voor iets anders, dan zou je dat kunnen doen met eengoede dekking, een voorstel voor we waar we het vandaan kunnen halen.Daar kunnen we met z’n allen over nadenken, maar het is wel van belangdat we dat met z’n allen goed doen. Volgens mij komt de Minister met eenreactie op die motie, dus ik ben benieuwd of die überhaupt uitvoerbaar is.Als dat niet zo is en we zien dat daardoor dingen niet kunnen, moeten wemet z’n allen nadenken over hoe het dan wel kan en wat voor dekking wewillen gebruiken om dat rond te zetten. Ik wil echt het volgende debatgebruiken voor de gemeentefinanciën, want ...De voorzitter:Dat heeft u net aangegeven. Wellicht is er een vervolgvraag van mevrouwTseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik denk niet dat het zin heeft om hierop door te vragen, maar ik vind hetwel teleurstellend. Het CDA heeft namelijk zijn handtekening gezet ondereen regeerakkoord met een financiële plaat waarin geen oplossing isgevonden voor het ravijnjaar. Dan vind ik «elke regio telt» ontzettendmooie woorden en daar ben ik het honderd procent mee eens, en ik benhet ook honderd procent eens met dat het Nationaal Programma VitaleRegio’s belangrijk is, maar zonder structurele investeringen en structureelgeld, kunnen gemeenten en regio’s die investeringen en taken niet goeddoen. Daarmee krijg je dus juist geen leefbare en vitale regio’s. Ik hebTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 809 geprobeerd die vraag te stellen aan het CDA, maar ik krijg daar geenantwoord op. Ik vind het fijn dat het CDA nu voorstelt om na te denkenover allerlei dingen, maar ik had graag gewild dat het CDA dat hadgedaan voordat de handtekening werd gezet onder het regeerakkoord metdat ravijnjaar erin.De voorzitter:Helder. Dit was geen vraag, dus dan geef ik nu het woord aan de heerClemminck.De heer Clemminck (JA21):Ik ga toch een beetje door op dit punt, want wat een gemiste kans. Wateen gemiste kans van het CDA om bij de coalitieonderhandelingen teregelen dat regio’s en gemeentes structureel over voldoende middelenbeschikken. Ik hoor op zichzelf een intrinsieke motivatie bij de collega vanhet CDA om wat te doen aan de regio, te investeren in de regio en ook omde investeringslogica te veranderen. Daar ben ik het helemaal mee eensen daar ga ik straks ook nog iets over zeggen. Maar de koek moet ookgewoon groter worden. Er moeten structureel meer middelen naar deregio en de gemeente. Het CDA zat toch echt aan die onderhandelingstafelen mijn collega Tseggai niet, en ik ook niet. Dus waarom heeft het CDA datniet geregeld en houdt u nu dit betoog? Wat gaat u dan in ieder geval dekomende tijd doen?Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik blijf bij het verhaal omtrent de investeringslogica en het afwegings-kader. Ik blijf me er de komende vier jaar ook voor inzetten. Wat betreft degemeentefinanciën denk ik dat Onze Minister straks komt met eenuitgebreid verhaal richting de komende tijd, «27 en verder. Ik benbenieuwd waarmee hij komt. Ik wil heel graag de discussie met u aangaanover wat dat betekent en wat voor consequenties dat heeft. Ik vind ook dathet recht doet aan het onderwerp als we het in dat debat doen. Danhebben we voldoende tijd en kunt u me bevragen. Dan kunt u ook zeggenwat u ervan vindt. Als u zegt dat het anders moet, verwacht ik ook van u,omdat u mij erop aanspreekt, dat u binnen de beschikbare middelen toteen oplossing komt. Als die oplossing nodig is en u een goede oplossingheeft, denken we graag mee. Dus ik... Wat zei u, mevrouw Tseggai?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nee, niks.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Volgens mij moet het via de voorzitter.Het lijkt mij de uitgelezen kans om dat te doen. Ik wil dat debat ook welvoeren op basis van de feitelijke informatie die ik van de Minister heb, endan bekijken wat dat betekent. Dan kunt u mij houden aan het verhaal datik hier heb uitgesproken, dan mag u me daarop bevragen en dan kunnenwe daar de discussie voeren.De voorzitter:Ik zie dat de heer Clemminck nog een vervolgvraag wil stellen.De heer Clemminck (JA21):Mag ik dan toch aannemen dat het CDA tijdens de onderhandelingen opz’n minst heeft geprobeerd om structurele middelen naar de regio en degemeenten te krijgen?Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik denk dat het onverstandig is dat ik hier de onderhandelingen op tafelgooi.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8010 De voorzitter:Mag ik dan het woord geven aan de volgende spreker van de TweedeKamer, mevrouw Huizenga?Mevrouw Huizenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Ergens tussen de weilanden bij een te stillebushalte raakte ik in gesprek met een man. We hebben hier ideeëngenoeg, zei hij, maar beleid voelt soms alsof het voor een andere plek isgemaakt. Hij haalde zijn schouders op. Gelukkig begint dat te kantelen.Voorzitter. Ik kom uit de regio, maar ik heb ook in grote steden gewoonden, ja, ook in Amsterdam. In de regio werken we samen, maar we voelendat het perspectief van de regio vaak niet meegenomen is bij hetvormgeven van beleid. Als we het over de regio hebben, wordt steedsduidelijker dat gelijke kansen niet draaien om gelijke regels, maar omrecht doen aan regionale verschillen. Daar hebben we vandaag een debatover. Ik denk dat dit op een goed moment komt. Na jaren van stilstandwillen we ook weer vooruit. Grote doorbraken hebben we pas bereikt alsieder deel van Nederland vooruit kan. Gelijke kansen, waar je ook woont.Hoe bereik je dat beter dan door de regio’s mee te laten bouwen aan detoekomst?Het nieuwe kabinet heeft flinke investeringen aangekondigd. Ik kan nu aleen vraag tegemoetzien, maar ik wacht daar nog even op. Er wordtgeïnvesteerd in innovatie en onderwijs, juist ook in de grensregio’s, waardat in grote mate bijdraagt aan de economie. Ik zie forse bedragen voorwoningbouw en infrastructuur, met 30 bereikbare nieuwbouwlocaties. Bijdie investeringen zullen de regio’s belangrijke partners zijn, maar er zittenwel kanttekeningen aan. Kan de Minister uiteenzetten hoe hij de samen-werking tussen het Rijk en de regio’s rond deze investeringen de komendejaren wil vormgeven? Hoe kijkt hij naar de regierol van het Rijk en demogelijkheid om deze te herijken, van eventueel sturen naar samen-werken? Want daar heb ik wel vragen over. Hoe geven we de samen-werking vorm tussen Rijk en regio? Het uitgangspunt van mijn fractie is inieder geval: als we slim investeren in de regio’s, investeren we in deeconomie en de samenleving van de toekomst.Voorzitter. Met investeren alleen zijn we er nog niet. Het gaat er dus vooralom hoe we samenwerken. Het is natuurlijk vrij bijzonder dat wij hier nudebatteren over alle regio’s bij elkaar. Er zijn namelijk nogal wat onder-linge verschillen. Goed beleid hoort daar rekening mee te houden. Weverzinnen soms generieke drempels, zoals minimumreisbewegingen,terwijl ook weinig bezochte routes regionaal juist heel belangrijk kunnenzijn. Dat vraagt wat ons betreft om afscheid nemen van generiekedrempels. Geen standaardlijstjes meer die bepalen of een regio meedoet,maar maatwerk en vertrouwen. Dat gaat vooral ook over infrastructureleprojecten. Deelt de Minister dan ook de mening dat we moeten investerenop een manier die ook voor de regio effectief is, en niet alleen makkelijkrekent in lijstjes? We zouden moeten kijken naar het maatschappelijkeeffect, waar mijn collega van het CDA het ook over had. Wij kregen eenconcrete suggestie mee van de NPVR-regio’s: zorg dat de beleidslogicavan het Rijk aansluit bij de regionale uitvoering, door een regio-uitvoeringstoets in te voeren. Onze vraag is: hoe beoordeelt de Ministerdit voorstel en ziet hij een uitvoeringstoets zitten?Voorzitter, tot slot. Tijdens het rondetafelgesprek kwam nog een heelconcreet onderwerp aan de orde: de spreiding van de rijkswerkgele-genheid over het land. We hebben het toen even gehad over eeneventuele plek buiten Den Haag. Het kabinet gaat een defensie-innovatieautoriteit oprichten; alleen over het woord struikel je al. Heeft deMinister toevallig met zijn collega-bewindspersoon gesproken over delocatie en huisvesting van zo’n autoriteit? Een plek buiten Den Haag dichtbij een van de technische universiteiten, bijvoorbeeld in Twente, lijkt mij,afkomstig uit Overijssel, het overwegen waard.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8011 Voorzitter. De financiën zullen we op 9 april bespreken. Bij ons gaat het opdit moment vooral over de vraag: hoe gaan we samenwerken zodat hetbeleid ook effectief is in de regio?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie een interruptie van het lid Tseggai. Dat zou uw laatstezijn.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Oké. Dan ga ik het heel kort doen.De voorzitter:Hij mag even lang zijn...Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):O, in dat geval...De voorzitter:Maar het is uw laatste!Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):... ga ik ’m niet kort houden!De voorzitter:Nou, niet overdrijven, maar...Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik heb eigenlijk exact dezelfde vraag voor D66 als voor het CDA. Ik hoordingen over investeringen die ik niet terugzie in het regeerakkoord. Iksprak net al over het ravijnjaar en het gebrek aan structurele financieringvan het Nationaal Programma Vitale Regio’s. Hoe kijkt D66 daarnaar?Mevrouw Huizenga (D66):Ik verwacht binnenkort een uitwerking van het coalitieakkoord. Zodra diebinnen is, kunnen we dat goed beoordelen.De voorzitter:Dan geef ik het woord aan de heer Clemminck van JA21.De heer Clemminck (JA21):Dank u wel, voorzitter. De kern van het debat is de vraag of het Rijkgemeenten nu eindelijk voldoende en structureel gaat financieren voor detaken en verantwoordelijkheden die ze hebben. Daar kan geen regiodeal,geen nationaal programma en geen gebiedsgerichte aanpak tegenop. Isde Minister het eens met deze stelling?Daarbij hoort ook een andere investeringslogica van het Rijk – we haddenhet daar al even over – conform het rapport Elke regio telt! Tot nu toe ishet «massa is kassa» in Den Haag. Die logica zien we bij regelingenrondom de MIRT-systematiek, maar bijvoorbeeld ook bij onderwijshuis-vesting. Laat ik meteen maar kleur bekennen: JA21 staat voor voldoendeen structurele financiering van gemeenten via het gemeentefonds. Wemoeten af van beautycontests zoals de Regio Deals, waarop consultants-bureaus vooral lekker binnenlopen. We moeten af van structurele takenmet tijdelijke financiering, zoals bij de RES’en. We moeten ook af vanbureaucratie via de SPUK-middelen zoals we die nu kennen. Veel loopt viaverschillende ministeries. Voelt de Minister zich coördinator voorgemeenten en de regio? Heeft de Minister voldoende overzicht om deopeenstapeling van beleid, programma’s en investeringsbudgetten tekunnen duiden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8012 Voorzitter. Investeren in gemeenten en regio’s vraagt om andere keuzes,want het geld is er. Misschien is er wat minder na het onzinnige klimaat-beleid – een suggestie. Er zou ook minder kunnen gaan naar ontwikke-lingshulp ergens ver weg en er zou meer aan hulp kunnen worden gedaanbij ontwikkeling in onze eigen regio. Het gevolg van dit alles is de erosievan de lokale democratie. Gemeenten moeten opschalen in anoniemeconstructen als Wijdemeren, Land van Cuijk of Súdwest-Fryslân en kiezensteeds vaker voor regionale samenwerking. Hoe kijkt de Minister aantegen regionale samenwerking in relatie tot de lokale democratie? Ziet deMinister een verband tussen het opschalen van gemeenten en regionali-sering, en het eroderen van wat het CDA zo mooi duidt als «het democra-tische ethos van burgers», oftewel het vertrouwen en het meedoen inonze democratie?Voorzitter. Dan het Nationaal Programma Vitale Regio’s. Is het verstandigom te starten met een dergelijk programma met een tijdelijk werkbudgeten de opdracht om een strategische uitvoeringsagenda op te stellenzonder dat er zicht is op structurele middelen? In Den Haag is dit natuurlijkeen manier van werken, een soort sluimertactiek: als je het eerste maardoet, volgt het andere. Ik ga de Minister nu natuurlijk niet vragen om datte regelen, want daar gaan we later wel over in debat. Maar kan deMinister op z’n minst een soort routeplan geven voor hoe hij wil omgaanmet deze eerste inzichten als het gaat om de rekening naar aanleiding vanhet Nationaal Programma Vitale Regio’s? Kunnen we dan wellicht ietsverwachten in de aankomende Voorjaarsnota? Ik geloof dat die aanko-mende vrijdag al verschijnt, dus dat lijkt mij kort dag, maar wie weet.Voorzitter. Dan de nieuwe voortgangsrapportage Wind in de zeilen. Ditcompensatiepakket heeft een duidelijke achtergrond. Zeeland werddestijds hard gepasseerd bij de marinierskazerne. Dat vertrouwen moetworden hersteld. Voor JA21 is het helder: afspraak is afspraak. Wat metZeeland is overeengekomen, moet onverkort worden nagekomen.Daarom zullen we scherp toezien op de voortgang, de uitvoering en derealisatie van alle fiches in het pakket.Voorzitter. Ten slotte nog de verdeling van de rijksdiensten in Nederland.Welke strategie zit hierachter in relatie tot dit onderwerp? In de Kamerbriefvan 19 december in reactie op de motie van het lid Wijen-Nass stelt deMinister dat het kabinet geen invloed heeft op de locatiekeuze van zbo’s.In dit geval ging het over het CBR. Moet ik dit lezen als een feitelijkeconstatering van het huidige beleid of ziet de Minister nog mogelijkhedenom in de toekomst wel te kunnen sturen op de locatiekeuze van het zbo?Wat JA21 betreft is dat een gewenste situatie.Voorzitter, tot zover. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan het lid Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Misschien moet ik even uit de kast komen voordatik aan mijn inbreng begin. Ik kom niet uit de regio. Ik ben erg Randste-delijk opgegroeid en getogen.De voorzitter:De Randstad is ook een regio.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):De Randstad is ook een regio. Dat kunnen we niet ontkennen, want dat isook waar. De afgelopen tweeënhalf jaar heb ik als Kamerlid natuurlijk juistin de gebieden waar ik niet elke dag kom, extra mijn oor te luisterengelegd. Het viel mij op dat bij al die bezoeken aan mbo-scholen, die ikaflegde vanwege mijn onderwijsportefeuille, dezelfde zorgen vanjongeren terugkwamen. Ik vind het daarom mooi dat we dit debatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8013 vandaag voeren. Ik ben ook erg blij met alle input die we hebbengekregen bij het rondetafelgesprek en van alle regio’s, per mail of perbrief. Ik ga proberen er een aantal punten uit te lichten. Ik denk dat derode draad is dat in veel regio’s buiten de Randstad, zeg ik er maar evenbij, onder druk staat.Wat ik het belangrijkste vind is dat we een aantal cruciale voorzieningenniet goed genoeg geregeld hebben, dus dat we de basis eigenlijk niet oporde hebben. Een voorbeeld is het openbaar vervoer. De financieringhiervan staat al ruime tijd onder druk. Ook dit nieuwe kabinet draait debezuinigingen niet terug. Dan heb ik het nog niet gehad over de aanlegvan nieuwe verbindingen, zoals de Lelylijn. We kunnen met een nationaalprogramma pleisters plakken, maar als de basis niet op orde is, dan is hetuiteindelijk helaas dweilen met de kraan open. Hoe kijkt de Ministerhiernaar?Ook zien we dat veel regio’s aan lopen tegen het feit dat zij vanwege hunkleinere schaal niet in aanmerking komen voor rijksmiddelen, bijvoor-beeld voor woningbouw. Door dat gebrek aan maatwerk komen bepaaldeontwikkelingen tot stilstand. Mijn fractie zou het goedvinden als ditkabinet hiermee aan de slag gaat. Ik zou daar graag een reactie van deMinister op willen. Trouwens, voor de goede orde: mijn fractie is niettegen het nationaal programma. Ik vind het namelijk heel goed dat hetRijk met een overkoepelend programma met de regio’s werkt aanstructurele verbeteringen en het versterken van de sociaaleconomischepositie van de regio’s. Alleen, ik wil graag dat de basis op orde is, dus datwe sowieso voldoende investeren in alle regio’s, ook in regio’s die buitendat nationaal programma vallen.Daarmee kom ik op hetgeen ik net al even probeerde aan te halen,namelijk de structurele financiering van dat programma. Om de aanpakvan dat nationaal programma te laten slagen, is structurele zekerheidnodig. Anders lopen we het risico dat we nu investeren en dat het overeen paar jaar weer teniet wordt gedaan. Ik zou graag de toezegging vande Minister willen dat er snel duidelijkheid komt over die eventuelestructurele financiering.Ik zei al dat het belangrijk is voor de leefbaarheid in de regio’s dat het ovgoed geregeld is, juist voor jongeren. Ik denk dus dat er een omgekeerdetrend zichtbaar is. Ik vraag me af of de Minister de zorgen daarover deelt.In het verlengde hiervan zou ik me aan willen sluiten bij de vraag van deBBB over de studentenkaart. In sommige regio’s wordt er namelijkgewerkt met een net iets andere vorm van openbaar vervoer ofdeelvervoer, waar je als student geen recht op hebt met je studentenkaart.Dit debat gaat overigens ook over grensoverschrijdende samenwerking.Veel regio’s in Nederland zijn nauw verbonden met regio’s net over degrens. Voor mensen die met het regionale ov net over die grens willenreizen, is die grens echter iets te hard. In een aantal regio’s, zoals Drenthe,is namelijk amper fatsoenlijk grensoverschrijdend ov. Welke mogelijkheidziet de Minister om hierin samen met de regio’s en ook onze buren voorverbeteringen te zorgen?Tot slot had ik twee vragen, maar die zijn al gesteld door JA21. Die gingennamelijk over de rijkswerkgelegenheid en de spreiding daarvan en over deproblemen met onderwijs en kinderopvang, die de collega van de BBBaanhaalde. Ik denk dat het belangrijk is dat we gemeenten de experimen-teerruimte geven om met kleine afwijkingen van de normen de scholen enkinderopvang toch open te houden.Daar hou ik het bij, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Tseggai, zou ik u mogen vragen om even hetvoorzitterschap over te nemen? U heeft geen interrupties meer. Dan kan ikzelf ook even het woord voeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8014 Voorzitter: TseggaiDe voorzitter:De voorzitter geeft het woord aan de heer Meulenkamp namens de VVD.De heer Meulenkamp (VVD):Dank u wel, voorzitter. Dat doet u goed.Voorzitter. De VVD vindt dat regionale opgaven – het is vandaag al eerdergezegd – vragen om een samenhangende, integrale aanpak. Tegelijkertijdzien we dat beleid nu vaak nog verticaal, per ministerie, wordt vormge-geven, terwijl een integrale aanpak cruciaal is om zaken in de buiten-wereld te veranderen. Dat zien we terug in de verschillende dossiers. Iknoem de Nota Ruimte; die zit nu bij VRO. Het stikstoffonds, waar heel veelgeld in zit, zit bij LVVN. Defensie heeft heel veel plannen. Ik noemInfrastructuur en Waterstaat.Al deze dossiers hebben directe invloed op heel Nederland, maar ook opde regio’s. Die grijpen eigenlijk allemaal in elkaar. Willen we hierdaadwerkelijk een succes van maken, dan is een horizontale samen-werking tussen de ministeries en de verschillende overheidslagengewoon absoluut noodzakelijk. Wat mij betreft en wat de VVD betreft magdie regie meer komen. De vraag is dan ook: hoe denkt de Minister over diehorizontale aanpak en ziet hij ook de noodzaak ervan? Welke rol zou hij alsMinister van BZK kunnen spelen? Eerder hadden we het Ministerie vanVROM. Dat ging bijna over alles, zou ik haast zeggen. Dat moeten wemisschien niet weer op willen tuigen, maar ik zou toch wat meer regievanuit de rijksoverheid op die integraliteit willen aanmoedigen. Ik hoordaarover dus graag uw mening.In december 2024 is naar aanleiding van het rapport Elke regio telt! hetNationaal Programma Vitale Regio’s gepresenteerd. Met elf regio’s wordter nu gewerkt aan de regionale agenda’s. Kabinet-Schoof heeft nog geenverdere besluiten genomen, ook niet over de invulling van het beleidrichting de regio’s en de inzet van middelen. Daarover ligt voor ons deduidelijke vraag voor: heeft de Minister al een beeld van hoe hij hierrichting aan wil geven? Het is misschien wat kort dag voor een pasbegonnen Minister, maar ik ben er toch wel benieuwd naar.Het lid Tseggai gaf al aan dat het ook over grensoverschrijdendesamenwerking gaat. Ik denk zeker dat het in tijden van geopolitieke onrustvan groot belang is dat de samenwerking met onze buurlanden goedfunctioneert. Het scheelt al een hele hoop als je het noaberschap, zoals webij ons in Twente zeggen, op orde hebt. Ik was blij dat onze Minister-President gelijk op bezoek ging in Berlijn, bij de president van Duitsland. Ikdenk dat het voor de regio’s belangrijk is dat die samenwerking goedblijft. Ik hoor graag hoe de Minister daarover denkt en hoe hij daar vormaan zou willen geven. Ik denk dat we daarvoor als Kamer ... Ik sta daartenminste zeker voor open.Voorzitter. Als ik eerlijk moet zijn, vond ik het rapport Elke regio telt! besteen lastig document toen het uitkwam. Ik was op dat moment wethouderin de gemeente Hof van Twente. Ik was betrokken bij veel bestuurlijkeoverleggen in Twente. In de regio zag ik eigenlijk wat anders dan wat ik lasin het rapport. De regio Twente groeide op dat moment en groeit nu nogsteeds. Economisch gaat het beter en de werkloosheid ging onderuit. Alsje het rapport las, dan dacht je van: jongens, er is hier de afgelopen jarenniks gebeurd. Dat stond met mij best wel op gespannen voet. Een rapportis een rapport, dus er zitten heel veel aanknopingspunten in, maar ik denkdat we heel goed moeten kijken naar wat er daadwerkelijk in die regio’sgebeurt en dat we ze ook niet te snel moeten wegzetten als «kansarmegebieden». Zo voelde het voor mij een beetje toen ik dat rapport las:Twente is een kansarme regio. Ik zag juist heel veel mooie dingenopbloeien en heel veel ondernemers aan de slag gaan met nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8015 initiatieven. Dus laten we uitkijken dat we niet te snel van kansarmeregio’s praten.De voorzitter:Meneer Meulenkamp, u heeft een interruptie van mevrouw Huizenga.Mevrouw Huizenga (D66):Ik heb een paar interrupties, dus ik dacht: die gebruik ik dan ook. Bent uhet met mij eens dat als wij spreken over krimp, we dan ook heel vaakkrimp realiseren? Bent u het met mij eens dat we het meer moetenhebben over investeren daar dat waar dat nodig is? Dat is dat maatwerk.De heer Meulenkamp (VVD):Ik ben heel erg voor krimp. O, nee. Ik bedoel: ik ben heel erg voormaatwerk. Ik ben er heel erg voor dat je juist uitgaat van de kansen. Watwij hier in Den Haag zeggen en wat vervolgens in de krant staat, heeft eensoort selffulfilling prophecy. Ik zou liever spreken over «kansrijke regio’s».Er liggen juist heel veel kansen in die regio’s, omdat, zoals mevrouwKeijzer en de heer Vermeer ook aangeven, daar misschien nog iets meergemeenschapszin is. Die gemeenschapszin zorgt er in bepaalde regio’sjuist voor dat er heel veel kansen liggen en dat die in de komende jarenook gerealiseerd kunnen worden. Ik zou dus juist van «kansrijke regio’s»willen spreken.De voorzitter:U heeft ook nog een interruptie van de heer Clemminck.De heer Clemminck (JA21):Ik hoor de collega van de VVD zeggen dat hij heel veel gemeenschapszinziet in de regio. Ik vraag mij toch af hoe hij kijkt naar de opschaling vangemeenten, met de fusies, herindelingen et cetera?De heer Meulenkamp (VVD):Dat is misschien een iets ander onderwerp. Ik woon zelf in een herinde-lingsgemeente. 25 jaar geleden is die opnieuw ingedeeld. Er waren heelveel angsten in verschillende dorpen dat het de gemeenschapszin niet tengoede zou komen als de gemeente groter zou worden. 25 jaar later zie ikin mijn gemeente dat de gemeenschapszin in de kernen gewoon hetzelfdeis gebleven, het voorzieningenniveau omhoog is gegaan en dat hetambtelijk apparaat van de gemeente de vraag van de inwoners beter kanbeantwoorden. Ik zeg daarmee niet dat kleine gemeenten dat niet kunnen,maar ik zeg ook niet op voorhand dat grotere gemeenten ervoor zorgendat de identiteitszin zal verdwijnen. Zo werkt het niet. Het gaat erom hoeje met je buren en je mededorpelingen omgaat. Dat kan ook in een grotegemeente op een goede manier zijn. Ik leg dus niet een-op-een deconnectie zoals u die misschien zou willen leggen.De voorzitter:Mevrouw Keijzer wil nog interrumperen. Ze doet dat aan het einde? Oké.De heer Meulenkamp vervolgt zijn betoog.De heer Meulenkamp (VVD):Het volgende is wellicht een vervolg op wat ik gezegd heb. Ik vind hetgewoon heel erg belangrijk dat die programma’s, die strategischeagenda’s, niet op zichzelf blijven staan, maar dat die daadwerkelijk gaanleiden tot zichtbare verbeteringen buiten in onze samenleving. Er zijn deafgelopen jaren best veel rapporten gemaakt, maar we moeten er buitenvoor zorgen dat zaken veranderen. In de regio ligt ruimte voorwoningbouw, Defensie, ondernemerszin en een sterke agrarische sector.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8016 Dat zijn kansen die niet alleen van belang zijn voor de regio zelf, maar inmijn ogen ook voor heel Nederland.Dank u wel, Minister. Nee, ik bedoel voorzitter.De voorzitter:Dat was een snelle promotie van voorzitter naar Minister!De heer Meulenkamp (VVD):Dat doe je goed.De voorzitter:Ik bedank voor de eer, als u het niet erg vindt.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Het is nog maar de vraag of dat een promotie is.De voorzitter:Ja, precies! Mevrouw Keijzer, u heeft ook nog een interruptie.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik heb toch een vraag. Het was mooi om van de heer Meulenkamp van deVVD-fractie te horen dat hij zich herkende in mijn verhaal over gemeen-schapszin. Ik zei eigenlijk dat er een groot risico is. Door de hoge accijnsen btw loont het namelijk om over de grens te winkelen. Daardoorverdwijnt zo langzamerhand het ondernemerschap en daarmee ook deinvesteerders en de subsidiëring van lokale verenigingen. Is de VVD nueindelijk eens bereid om de zweep van het CPB te laten voor wat die is enecht eens wat te gaan doen aan de veel te hoge accijnzen en btwwaardoor die gemeenschappen uiteindelijk kapotgaan?De heer Meulenkamp (VVD):Wij zien ook die verschillen. Ik woon in Twente. Ik zie dat mensen inDuitsland gaan tanken en daar boodschappen gaan doen. Ik zie dat in depraktijk ook gewoon voorbijkomen en ik zie dat die verschillen er zijn. Aande andere kant zie ik dat er winkels zijn waar veel Duitsers komen. Diehalen daar weer zaken die in Duitsland minder goedkoop of niet teverkrijgen zijn. Ik zie veel Duitse toeristen bij ons de grens over komen. Jemoet, denk ik, kijken hoe dat dan precies zit en hoe we ervoor zorgen dathet ondernemingsklimaat concurrerend blijft in de regio. Ik zou het dusvan belang vinden dat de Minister gaat kijken hoe het precies zit met hetondernemingsklimaat in die regio’s, zeker in de grensoverschrijdenderegio’s, maar er is niet een-op-een te zeggen: het gaat kapot in degrensregio’s. Nee, er zijn ondernemers die er ontzettend veel last vanhebben, maar er zijn ook ondernemers die zeggen: ik heb best veel belangbij de Duitsers die bij mij komen. Het is dus niet zo zwart-wit als mevrouwKeijzer het hier stelt, maar het is heel belangrijk om als ministerie en zekerook als Kamer goed te kijken hoe we dat op een goede manier kunnendoen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Je kunt alles uiteindelijk kapotnuanceren. Dat zie ik de heer Meulenkamphier een klein beetje doen. Hij zegt dat er ook ondernemers zijn die eropvooruitgaan, terwijl het algemene beeld gewoon is dat het uiteindelijk,onder aan de streep, stuk aan het gaan is vanwege onvoldoendemogelijkheden om als ondernemer overeind te blijven. De VVD staat nogte boek als de ondernemerspartij, maar er zal hier toch echt iets moetengebeuren. Je kunt weer een onderzoek doen en dan zijn we weer een oftwee jaar verder. Maar zou het niet veel interessanter zijn om met elkaar tekijken hoe je dit op een andere manier kunt organiseren, waardoor erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8017 eindelijk wat lucht komt, niet alleen voor de ondernemers in de regio,maar ook gewoon voor de Nederlandse burger?De heer Meulenkamp (VVD):Volgens mij is dit een onderwerp dat breder is dan alleen maar de regio;laat ik het zo zeggen. We hebben natuurlijk een heel debat over hoe weomgaan met de situatie in het Midden-Oosten en hoe we zaken betaalbaarhouden in Nederland. De ons omringende landen vinden daar ook vanalles van. Die gaan ook zaken regelen voor hun inwoners. Vanmiddag ishier plenair een gesprek over, dus ik denk dat het wat ver gaat om het hiernu over te hebben. Als mevrouw Keijzer oproept ervoor te zorgen dat weondernemend blijven en dat ondernemers kunnen blijven groeien inNederland, dan vindt ze zeker de VVD aan haar kant. Laten we kijken hoewe daar samen als Kamer goed richting aan kunnen geven in de komendetijd. We leven namelijk in een heel onzekere situatie en ondernemerszitten ook in een onzekere tijd. Dat ben ik dus met mevrouw Keijzer eens.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Tot slot, voorzitter. Dat is mooi. Ik kom uit een vissersdorp, dus dan mag jegraag overdrijven. Dat ga ik bij dezen ook doen. De vraag is trouwens ofhet een overdrijving is dat het zo langzamerhand loont om jeboodschappen in Duitsland te gaan doen vanuit Amersfoort. Het is dusfijn als de heer Meulenkamp samen met mij wil kijken hoe we hetaantrekkelijker kunnen maken voor ondernemers, maar dat hoor ik alontzettend lang. Ik ga nu richting de plenaire zaal, waar de discussie overde accijnzen naar aanleiding van de oorlog in het Midden-Oosten ten vollegevoerd wordt. Ik ga eens kijken wat de VVD daar te melden heeft.De voorzitter:Wij wensen mevrouw Keijzer veel succes in de plenaire zaal. MeneerMeulenkamp, vervolgt u uw betoog?De heer Meulenkamp (VVD):Nee, ik ben klaar, voorzitter.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Dat was een mooi verhaal, ook uit de regio, dus daar houd ik van. Ik hadeen heel mooi debatje met de heer Vermeer, van de BBB, over borgen datje in het afwegingskader het maatschappelijke effect of de brede welvaartmeeneemt. Kan ik de heer Meulenkamp van de VVD daarbij aan onze zijdekrijgen? Dat gaat om het beter borgen daarvan.De heer Meulenkamp (VVD):Laat ik het zo zeggen: het hoofdpunt van mijn inbreng is zorgen voor meersamenhang in wat de verschillende ministeries allemaal doen. Als u metuw debatje bedoelde «laten we ook kijken naar wat het doet op econo-misch of sociaal gebied», heeft u mij aan uw kant. Ik zeg namelijk juist datwe minder verticaal en meer horizontaal moeten kijken. Volgens mij gingdaar ook het debat over dat jullie met elkaar hadden, maar ik trek het duswel verder. Kijk naar de Nota Ruimte. Als wij zaken beslissen over Drentheen omstreken en over Assen en wat daar wel of niet gebouwd kanworden, dan moeten we dat meenemen in de integrale afweging voor deregio. Ik ben voor een horizontale kijk op zaken, op een integrale aanpakom dingen te wegen.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Ik vind het wel mooi. «Ik ben voor een horizontale aanpak om dingenintegraal te wegen.» Daar ga ik even over nadenken. Dat doe ik na hetdebat even. Het gaat mij om het volgende. U zegt eigenlijk ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8018 De heer Meulenkamp (VVD):Maar het antwoord was ja.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Het antwoord was ja?De heer Meulenkamp (VVD):Ja!Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Nou, dat is fijn. Dan ben ik klaar. Als u «ja» zegt, is mijn interruptie voorbij.De voorzitter:Dank. Met goedvinden van de commissie, geef ik het voorzitterschap weerterug aan de heer Meulenkamp.Voorzitter: MeulenkampDe voorzitter:Dank u wel. We ronden hiermee de eerste termijn van de Kamer af. Ik zouwillen voorstellen om tot 15.30 uur te schorsen. Ik kijk even naar deMinister om te zien of dat oké is.Minister Heerma:De Minister moest ook uit het andere debat komen rennen, maar hij gaatzijn best doen.De voorzitter:Zullen we dan 15.30 uur doen? Oké, we schorsen tot 15.30 uur.De vergadering wordt van 15.00 uur tot 15.30 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug mensen. Nu we de eerste termijn van de Tweede Kamerhebben gehad, wil ik het woord geven aan de Minister.Minister Heerma:Dank u wel, voorzitter. Nu ik een paar weken Minister ben, is vandaagvoor mij als Minister een bijzondere dag. Het is een marathondebat,verdeeld in twee aktes: het eerste wetsvoorstel dat ik als Minister doe enhet eerste commissiedebat. Overigens zitten de woordvoerders hier ookaan tafel, dus het is voor de woordvoerders ook een marathondebat.Omdat ik vandaag twee grote debatten had, werd ik vanochtend vroegwakker. Zo werk ik. Toen moest ik onwillekeurig terugdenken aan mijneigen allereerste commissiedebat met de toenmalig nieuwe Minister, toenik aan de andere kant van de zaal zat. Dat debat was met Minister Asscher.Vanochtend schoot door mijn hoofd dat hij in dat eerste commissiedebat,in 2012 of 2013, toen hij net Minister was, zei: ik ga u teleurstellen. Datwas zijn openingszin. Dat leidde tot best wat reactie onder de woord-voerders, maar hij probeerde daarmee te laten zien dat zijn stijl er een isvan: underpromise, overdeliver. Dat was wat hij in het debat probeerde teschetsen.Ik zou in mijn allereerste commissiedebat willen zeggen dat de zon nietineens gaat schijnen met de komst van een nieuwe Minister. Dat is deelsingegeven door datzelfde principe van «underpromise, overdeliver», maarook doordat er een kentering bezig is. Die is zichtbaar. Ik heb sommigendaar in het debat ook al aan horen refereren. Ik ga dus ook proberen aante geven wat er de afgelopen jaren al veranderd is omtrent het bewustzijndat regio’s belangrijk zijn. Ik ga aan het einde van mijn termijn proberenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8019 om samenvattend een aantal dingen uit te lichten, ook om het beeld tebestrijden dat er nog niks gebeurd is de afgelopen jaren.Ik heet ook alle aanwezigen van harte welkom die vanwege de diepebetrokkenheid met hun regio’s vanuit het hele land naar Den Haag zijngekomen. Vandaag staan er verschillende onderwerpen op de agenda. Ikga het hebben over de inzet voor vitale regio’s, van Zeeuws-Vlaanderentot Noord-Fryslân, in het Nationaal Programma Vitale Regio’s. Het gaatniet om het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid; dat is eenander programma. Ook ga ik het hebben over de samenwerking rondomsterke grensregio’s en de aandacht voor de Friese taal en cultuur. Datlaatste onderwerp haalde de woordvoerder van het CDA nog evennadrukkelijk aan.Bij mijn aantreden als Minister noemde ik drie grote opdrachten die ikvoor mezelf zie, los van de hele brede portefeuille die de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft. Die gaan over eenweerbare democratische rechtsstaat, het herstellen van de relatie met demedeoverheden en, als derde, sterke en vitale regio’s. Mijn overtuiging isnamelijk echt dat het pas goed gaat met Nederland als het overal in onsland goed gaat. Helaas is dat geen vanzelfsprekendheid.De analyse van Elke regio telt! gaat toch over hoe decennialang het beleideen te sterke focus heeft gehad op rendementsdenken, dat ertoe leiddedat regio’s waar het al druk was nog drukker werden en regio’s die al sterkwaren nog sterker werden. Daardoor was er soms te weinig aandachtvoor andersoortige regio’s en gebieden. Met de komst van Elke regio telt!is daar wel verandering in gekomen. Vandaar dat ik zeg dat de zon niet nupas begint met schijnen. Ministeries hebben meer aandacht voorregionale verschillen, brede welvaart – dat werd ook al genoemd in hetdebat – en de maatschappelijke impact van beleidsontwikkeling. Veelwoordvoerders hadden hier aandacht voor. Volgens mij is dat heel goed,maar we zijn er nog niet. Het is een proces van de lange adem. Dat is derealiteit. Daarom is het belangrijk dat we dat niet loslaten met elkaar.Daarom onderschrijft dit kabinet ook nadrukkelijk het adagium van Elkeregio telt! Dit gedachtegoed moet structureel ingebed worden in hetrijksbeleid en rekening houden met regionale verschillen. Maatschappelijkeffect is geen keuze, maar moet het uitgangspunt zijn. Ik ga me hier alsMinister van Binnenlandse Zaken ook voor inzetten.Het gedachtegoed van Elke regio telt! is ook belangrijk bij de verdereuitwerking van een ander rapport, namelijk het rapport-Wennink. Het isnamelijk niet voldoende voor het verdienvermogen van Nederland envoor onze strategische positie om alleen maar te investeren in kansrijkeregio’s. Het is juist noodzakelijk om te investeren in alle delen vanNederland. We hebben heel Nederland nodig om de grote uitgaven waarwe gezamenlijk voor staan, op te kunnen pakken. Ik zie dit als eenfundament voor een sterk Nederland waarin elke regio telt. Ik ga me actiefinzetten om te bouwen aan de kwaliteit van leven, wonen en werken vaninwoners en om te zorgen dat elke regio telt.In het coalitieakkoord is afgesproken om de uitwerking van Elke regio telt!voort te zetten. Daarnaast worden er strategische agenda’s met regio’saangekondigd. Daar hebben verschillende woordvoerders ook naargevraagd. Ook wordt er ingezet op de oprichting van een gemeenschaps-fonds, in dit kader ook niet onbelangrijk. Mijn ambtsvoorgangers hebbeneerder al het Nationaal Programma Vitale Regio’s opgestart omuitwerking te geven aan het rapport Elke regio telt! Daarmee is de basisgelegd voor duurzame regionale ontwikkeling en het versterken vankwaliteit van leven, wonen en werken in deze regio’s. Dit blijft voor mijeen belangrijke prioriteit. Het is dan ook mijn ambitie om in de elf regio’sde komende periode een extra stap vooruit te zetten. Hoewel er veelvuldigsamenwerking is tussen Rijk en regio, bijvoorbeeld via Regio Deals of uithoofde van de portefeuille van collega’s, weet ik dat er ook andere regio’szijn met grote opgaves óf waar juist kansen liggen. Daar refereerde deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8020 heer Meulenkamp aan in zijn betoog; hij zei dat hij een dubbel gevoel hadbij Elke regio telt! Over die kansen wil ik het dus ook nadrukkelijk hebben.In dit kader zie ik ook de passage uit het coalitieakkoord over het makenvan die strategische agenda’s met regio’s. Ik wil tot deze zomer de tijdnemen om met een aantal provincies en regio’s in gesprek te gaan overde bestaande inzet van de regio’s en of er iets anders nodig is om degrote opgaven aan te pakken waar sommige regio’s mee te makenhebben. Daarbij vind ik het dus belangrijk om naast de uitdagingen ookoog te hebben voor strategische kansen. Het gaat immers niet alleen maarom krimp, waar net in een interruptie iets over werd gezegd. Het gaat ookover de vraag of we voldoende zien welke kansen er liggen en of er nogonontgonnen krachten zijn in de regio’s waar niet voldoende aandachtvoor is. In dat kader zie ik die extra stap van de strategische agenda’s ook;daar wil ik de komende maanden mee aan de slag gaan.Afgaande op de eerste signalen die ik ontvangen heb, zal ik een aantalvoorbeelden noemen. Het betreft deels regio’s en deels provincies, waarik in ieder geval wil langsgaan om dit beter in beeld te krijgen. Ik noem hetRivierenland, West-Brabant – Friesland is al aangehaald – Flevoland, maarook Zeeland. Daar is Zeeland 2050 ontwikkeld, juist gericht op die kansen.Daar wil ik de komende maanden langsgaan om verder te bouwen aan diestrategische agenda’s. Deels doe ik dat om te bezien wat er nog meermoet gebeuren, maar deels ook om te kijken welke onontgonnen krachtener zijn waar niet altijd voldoende aandacht voor is geweest. Dat komt dusniet in de plaats van wat er al gebeurt maar is bedoeld als aanvullingdaarop.Op basis van deze gesprekken zal ik uw Kamer rond het zomerreces naderinformeren over hoe ik invulling ga geven aan de strategische agenda’sen de passage uit het coalitieakkoord, waar diverse sprekers het in ditdebat ook al over hebben gehad. Dan zal ik ook ingaan op wat diestrategische agenda’s aan organisatie van rijkszijde vergen.Graag noem ik in dit verband toch ook de wens van de coalitie en ditkabinet om te komen tot een gemeenschapsfonds om zo voorzieningenvoor ontmoeting en gemeenschapskracht, zoals buurthuizen, verenigings-gebouwen en dorpswinkels, te realiseren en duurzaam in stand tehouden. Ik wil dit nadrukkelijk samen met de overheid, de samenleving enhet bedrijfsleven doen. Dat is namelijk essentieel voor het versterken vansamenredzaamheid, van gemeenschappen en de sociale structuren inregio’s. Want alleen met – ik weet niet of ik het zo goed kan uitspreken alsde heer Meulenkamp – «noaberschap» en «mienskip» redden we het niet.Ik houd daarbij ook oog voor de regio’s waar ontmoetingsplekken engemeenschapskracht juist onder druk staan.Dit laat onverlet dat er allerlei plekken in Nederland gebaat zijn bij deversterking van de inzet hierop. We gaan de komende maanden aan deslag met de verdere uitwerking van het gemeenschapsfonds. Ik zie hierinook een belangrijke link met de verschillende taskforces die ingesteld zijnen die ook weer relevant zijn voor de horizontale sturing, waar ik zo directnog iets over zal zeggen.Ik heb heel goed geluisterd naar de eerste termijn van de Kamer en zal zodirect overgaan tot de beantwoording in vier blokjes. Ik wil daarbijaangeven dat ik mezelf als coördinerend Minister ook als ambassadeurvoor de regio’s zie. Ik zie de kans om in de komende periode concretestappen te zetten die bijdragen aan sterkere en leefbare regio’s, maar ikkan dit niet alleen. Essentieel hiervoor is samenwerking met gemeenten,provincies en waterschappen, alsook met andere departementen binnenhet kabinet, evenals met maatschappelijke partijen. Maar het vraagt ookbreder om expliciete aandacht voor regio’s in Den Haag. Verschillendefracties – volgens mij was de woordvoerder van het CDA daar het meestexpliciet over – gaven aan dat er ook iets te doen is in de afweging binnende fractie. Ik zie niet alleen mijzelf als ambassadeur voor de regio, maarook jullie zijn in jullie eigen fractie individueel allemaal ambassadeursTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8021 voor de regio. Zoals gezegd is het een proces van de lange adem. Datproces loopt al en we gaan er vandaag ook weer een stap in zetten.Ik wil verder naar de beantwoording van alle vragen. Ik geef ook toe dat iker vanochtend in de wetsbehandeling een aantal miste. Ik ga mijn bestdoen om er minder te missen. Ik ga het doen in vier blokjes: regioalgemeen, nationaal programma, grensoverschrijdende samenwerking eneen vierde blokje overig.De voorzitter:Interruptie van het lid Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Meer een punt van orde, denk ik.De voorzitter:Dan doen we een punt van orde. We halen het streepje weg.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Mag ik ervan uitgaan dat de Minister in zijn beantwoording ook even raaktaan de regio’s die buiten het nationaal programma vallen?Minister Heerma:Dat is een vraag die ik gemakkelijk met ja kan beantwoorden, omdat ik datnet al gedaan heb. Ik heb net iets gezegd over de strategische agenda’s,waar ik de komende maanden mee aan de slag wil. Die gaan nadrukkelijkover meer dan alleen de elf regio’s in het nationaal programma. Hetantwoord op uw vraag is dus ja. Maar ik wil duidelijk zijn, want ook hieropis «het begint niet pas» weer van toepassing. Met dit nationaalprogramma ligt er een goede basis voor deze elf regio’s. Daar is niet voorniets voor gekozen. Daarnaast spreekt het coalitieakkoord over strate-gische agenda’s. Die stap wil ik erbovenop zetten.De voorzitter:Kunt u even de microfoon aanzetten, Minister?Minister Heerma:Dat is heel scherp van u, voorzitter, dank u wel.Er zijn zowel door de heer Meulenkamp als door mevrouw Huizengavragen gesteld over hoe ik de coördinerende rol zie in de samenwerkingtussen Rijk en regio’s. Het uitgangspunt van Elke regio telt! is gelijk-waardige samenwerking tussen Rijk en regio. We geven onder andere metde Regio Deals en het nationaal programma expliciet uitwerking hieraan.We investeren actief in verdere versterking van de relatie tussen Rijk enregio’s. Als Minister van Binnenlandse Zaken heb ik een coördinerendeverantwoordelijkheid om de regio’s en de departementen aan elkaar tekoppelen en gezamenlijk als Rijk op te trekken in het aanpakken vanregionale opgaven. Dit is ook de link met de horizontale sturing, waar deheer Meulenkamp het over had.Mevrouw Boelsma-Hoekstra vond het een interessante formulering, maarik ga er wel erg bij aansluiten. Ik zou die horizontale sturing dubbel willenzien. In de samenwerking tussen Rijk en regio werd in het verleden vaakgesproken over «lagere overheden». Ik heb het graag over «medeover-heden» of over «collega-overheden», want je zult de belangrijke uitda-gingen samen moeten oplossen. Je hebt elkaar nodig. Ik heb vanochtendook aangegeven dat het niet werkt om medeoverheden te beschouwen alsuitvoeringsloket van het Rijk. Je hebt elkaar echt nodig. Horizontaal metelkaar samenwerken is daarbij van groot belang.Ik ben het ook erg eens met wat de heer Meulenkamp zei over hettraditionele denken in verticale lijnen dat in departementen plaatsvindt.Het is heel logisch dat het zo werkt. Je kunt ook niet zeggen: we stoppenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8022 daar nu helemaal mee. Tegelijkertijd is voor grote uitdagingen dathorizontale denken, die horizontale sturing, een hele belangrijke. Degedachte van de nieuwe werkwijze, die is geïntroduceerd onderaanvoering van de Minister-President, om met taskforces te gaan werken,is juist dat je een paar grote vraagstukken met elkaar op deze manier gaatbenaderen. Dat komt dus in de plaats van puur kijken naar wat er in welkeverticale beleidstoren gebeurt. Het is daarin een belangrijke stap, waar ikmij zeer bij aansluit. Het vervangt nooit het verticale denken, maar wil jegrote vraagstukken oplossen, dan zul je aan meer horizontale sturingmoeten doen. Daar ben ik het zeer mee eens.De woordvoerder van JA21 had het over «massa is kassa». Dat is mijbijgebleven van zijn inbreng. Daarin werd ook de vraag gesteld over hetcoördineren en er kwamen vragen over de financiering van regionaleopgaven. Het kabinet werkt middels verschillende programma’s, zoals deNPVR voor vitale regio’s en de Regio Deals, nauw samen met de regio’s.Die programma’s vallen onder mijn verantwoordelijkheid, maar je hebtbijvoorbeeld ook de NOVEX, die onder de Minister van VRO valt. Viauitvoeringsagenda’s inventariseren we wat er loopt, welke middelenbeschikbaar zijn en welke keuzes er gemaakt worden. Dat is een kabinets-brede verantwoordelijkheid. In relatie tot het NPVR werken we komendjaar met de regio’s aan plannen voor de regio’s en komen we totuitvoeringsagenda’s waarin we tussen regio en Rijk afspreken wat deconcrete inzet is voor de komende jaren. Voor nieuw beleid is op ditmoment geen dekking voorzien. Uit financiële besluitvorming moetblijken of en hoeveel middelen er voor verschillende regio’s beschikbaarkomen, al dan niet via herprioritering van bestaande middelen. Ik zeg deKamer het volgende toe. Er werd met enige realiteitszin verwezen naar deVoorjaarnota, die vrijdag komt. Maar de realiteit is dat als ik realistisch kijknaar waar we nu staan met middelen, naar de staat van de wereld en naarhet feit dat er in een coalitieakkoord al keuzes gemaakt zijn, ik niet zie dathet reëel is dat er op korte termijn extra middelen voor beschikbaar zijn. Ikzeg wel toe dat ik hier in mijn volgende voortgangsbrief op terugkom.Dan de vraag of ik van plan ben om ervoor te zorgen dat we bij investe-ringen breder kijken dan alleen maatschappelijke kosten-batenanalyses,maar ook naar het maatschappelijk nut. Het CDA stelde deze vraag, maarD66 sloot zich hierbij aan. Maatschappelijke impact is belangrijk bij dekeuzes die gemaakt worden bij investeringen. Zo werken we in hetNationaal Programma Vitale Regio’s aan passende oplossingen voorspecifieke regionale opgaves. Hierbij is afgesproken om verder te kijkendan de kaders die er op dit moment zijn. Dit is weer zo’n voorbeeld vaniets dat niet pas nu begint. Vorig jaar is, onder aanvoering van de Ministervan IenW, bij het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte enTransport al een nieuwe werkwijze voor maatschappelijke kosten-batenanalyses gepubliceerd. In deze werkwijze is er meer aandachtgevestigd op brede welvaart en op het inzichtelijk maken van de verdelingvan kosten en baten, bijvoorbeeld over regio’s. Daarmee verandert dewereld niet in één keer, maar daarmee is er wel het besef dat de kosten-batenanalyses tot een bepaalde uitkomst kunnen leiden en dat dat nieteen vanzelfsprekendheid is. Je moet verder kijken dan «het meeste geldgaat naar de plekken met de hoogste congestie», wat toch vaak het gevalwas. Dit is dus onderdeel van hoe er na het rapport Elke regio telt! al eenaantal dingen veranderen.De heer Clemminck (JA21):Ik moest nog even kauwen op de snelle woorden van de Minister over definanciële kant van de zaak. Voordat ik het wist, was hij al bij het volgendepunt. Aan verschillende tafels wordt nu natuurlijk aan investeringsa-genda’s en uitvoeringsagenda’s gewerkt. Dat is bijvoorbeeld zo bij hetNationaal Programma Vitale Regio’s, maar ook bij NOVEX-gebieden. Datis vaak in opdracht van en in samenwerking met het Rijk, weliswaar metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8023 verschillende departementen. We gaan er allemaal van uit dat daar duseen investeringsbetoog uit gaat komen. Het Rijk vraagt aan regio’s ommet uitvoeringsagenda’s te komen. Dan kun je ervan uitgaan dat er eenprijskaartje gaat komen. Maar als ik de Minister nu hoor, denk ik: waaromhebben we die exercitie eigenlijk nog, als er eigenlijk geen middelen zijn?Moeten we niet gewoon eerlijk zijn? Waarom zetten we nog die stap naarde uitvoeringsagenda? Moet het verhaal dan niet zijn: jongens, het geld isop? Waarom doen we dit eigenlijk nog?Minister Heerma:De heer Clemminck heeft in zijn termijn gevraagd naar de Voorjaarsnota.Eerlijk zijn is onderdeel van geen valse verwachtingen wekken. Er is doorsprekers eerder al verwezen naar het rapport dat verschenen is op verzoekvan mevrouw Bikker. Daarin wordt ook geschetst hoeveel middelen er dekomende tien jaar nodig zijn. Dat betreft overigens publiek en privaat.De realiteit is dat er op tal van plekken geld wordt uitgetrokken. Maar devraag was of er nu extra geld is specifiek voor dit programma. Nou, er isin het coalitieakkoord geen extra geld uitgetrokken specifiek voor ditprogramma. Dat heb ik nu ook niet op de korte termijn beschikbaar. Maarer is op allerlei plekken geld. Er is bijvoorbeeld een gemeenschapsfonds.We moeten uitwerken hoe we daarmee omgaan. Ook daarvan kunnendelen landen in die gebieden. Daarom was ik het ook niet helemaal metde vraag van de heer Vermeer. Het is altijd lastig als mensen niet meer inde zaal zijn. Ik doel op de tekst over landelijke doelstellingen. Dat kannamelijk juist twee kanten op werken.Op het moment dat landelijke doelstellingen daar landen, gaat dat vaakook met middelen gepaard. Ik heb sterke twijfels over of het zo negatief isals hij het schetst. We zullen dus de komende tijd moeten gaan bekijkenhoe er op een slimme manier geld beschikbaar is. Het eerlijke antwoord isgewoon dat dat wel moet gebeuren in de realiteit dat er in het coalitieak-koord geen middelen beschikbaar voor zijn en ik ook niet zie gebeuren datik die op hele korte termijn heb. Daarmee is het niet zo dat het dan geenzin heeft. Dat suggereert de heer Clemminck namelijk, maar daar heb ikecht een hele andere mening over.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Clemminck.De heer Clemminck (JA21):Een verduidelijkende vraag. Als de Minister namelijk zegt «in dit coalitie-akkoord», dan heeft hij het dus niet alleen over de volgende jaarschijf ende Voorjaarsnota; dan heeft hij het dus over een langjarige financiëleplaat. Op het moment dat de Minister zegt dat er geen geld en middelenin het coalitieakkoord zitten, betekent dat dan dat er in de vier jaar vandeze Kamer dus geen middelen zijn voor dit soort programma’s?Minister Heerma:Nee, wat ik aangaf is dat we op zoek moeten naar hoe we, onder anderedoor de mogelijkheid van herprioritering, middelen beschikbaar kunnenkrijgen. Ik wil alleen eerlijk zijn over de suggestie dat dit op hele kortetermijn zou kunnen gebeuren.De voorzitter:Er is een vervolgvraag. Wie was er eerst? Dat was mevrouw Boelsma. Onee, sorry, mevrouw Boelsma heeft een nieuwe vraag. Het lid Tseggaiheeft wel een vervolgvraag.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Het was een wat verwarrend debatje buiten demicrofoon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8024 De voorzitter:Maar we zijn eruit.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nu ben ik even van mijn à propos. Mijn vervolgvraag is de volgende. DeMinister zegt dat er op korte termijn geen middelen zijn. Betekent dat dandat er dus geen structurele financiering komt voor bijvoorbeeld datNationaal Programma Vitale Regio’s?Minister Heerma:Dat is niet wat ik zei. Ik zei dat dat er op dit moment niet is en dat ik ookniet zie hoe ik die middelen nu op korte termijn wel kan hebben. Tegelij-kertijd zijn we bezig met die uitvoeringsagenda. Dat nationaal programmais niet voor niets gekozen. Ik refereerde aan extra geld dat er wel is. Iknoemde daarbij het voorbeeld van het gemeenschapsfonds. Zo zijn erallerlei plekken. We kunnen bekijken hoe je dat, juist specifiek in datnationaal programma, kunt laten landen, bijvoorbeeld door te kijken naarherprioritering.De voorzitter:Er is ook nog een vervolgvraag van de heer Clemminck.De heer Clemminck (JA21):Dat is de laatste op dit punt, hoor, voorzitter. Dank. Ik denk dat het goed isdat de Minister eerlijk is en gewoon eerlijk vertelt dat dit er niet op kortetermijn aan zit te komen. Ik denk dat we ook nog wel begrijpen hoe datdan werkt. De vraag is dan natuurlijk wel of dat er op een ander momentnog gaat komen. Wil de Minister dan ook eerlijk zijn over het feit dat hetuiteindelijk ook op de wat langere termijn politieke keuzes zijn? Het is nietzozeer dat de middelen er niet zijn op de rijksbegroting op de langeretermijn. Ik ga even verder dan één jaarschijf. Die middelen zijn er wel. Devraag is even of we de politieke keus willen maken om het daaraan uit tegeven.Minister Heerma:Nu geeft u mij echt een schot voor open doel, dus die ga ik even pakken.Dank u wel daarvoor. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het eerste deelvan de vraag al beantwoord heb, namelijk: ik kom er in mijn volgendevoortgangsbrief op terug. Dus ja, in de volgende voortgangsbrief wordthierop ingegaan en ook dan krijgt u weer een eerlijk antwoord. Maar deheer Clemminck deed in zijn eigen termijn iets wat heel vaak gebeurt alshet over geld gaat, namelijk benoemen waar het geld wel even gevondenkan worden. Hij benoemde een aantal zaken waarvan hij ook weet dat hijer geen Kamermeerderheid voor gaat krijgen. Dus het maken van politiekekeuzes ligt niet alleen aan de kant van het kabinet, maar ook aan de kantvan de Kamer.In mijn jarenlange ervaring als Kamerlid heb ik ook altijd gezien dat hetmakkelijker is om met elkaar overeenstemming te vinden over waar je hetgeld aan uit gaat geven dan om consensus te krijgen over het antwoordop de vraag waar je het geld vandaan haalt. Ik ben een calvinist. Ik heb deneiging om de last van de hele wereld op mijn schouders te nemen. Daarwerk ik aan. Tegelijkertijd ben ik als coördinerend bewindspersoondaarmee bezig met de collega’s in het kabinet. Daarom noemde ik dewoordvoerders van de fracties ook «ambassadeurs binnen hun eigenfractie». Het zoeken naar herprioritering is niet makkelijk. «Mijn fractievindt dat het hier wel gevonden kan worden», kunnen alle fracties zeggenzonder dat er ergens een meerderheid voor ontstaat.De voorzitter:Dit zou uw laatste interruptie zijn, meneer Clemminck.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8025 Minister Heerma:Het was wel een beetje uitlokking, voorzitter.De heer Clemminck (JA21):Dat was een beetje gemeen, voorzitter. Ik ben overigens katholiek, dus ikdenk dat ik iets optimistischer naar de wereld kijk dan deze Minister.Uiteraard zijn het politieke keuzes. Ik ga er niet van uit dat de politiekekeuzes die JA21 wil maken, altijd de politieke keuzes zijn die deze Ministermaakt. Dat is helemaal niet erg, maar dan ga ik er wel van uit dat deMinister zelf met een voorstel komt. Hij wil voorstellen om tot diestructurele middelen te komen. Dan kan ik reageren.Minister Heerma:Optimisme is altijd goed. Daar wil ik niks aan afdoen. Dit was ook wel... Ikben iemand die jarenlang in de Kamer gezeten heeft. We hebbenondervonden dat het makkelijker is om met elkaar te bedenken waar jeallemaal geld aan wil uitgeven dan gezamenlijk kijken waar je het danweer gaat weghalen. Politiek is namelijk ook keuzes maken in schaarste. Ikga nogmaals zeggen dat ik hier expliciet op terugkom in de volgendevoortgangsbrief.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Het is al even geleden, maar het ging over de MKBA en het voorbeeld vande commissie voor I&W. Daar zit ik toevallig ook in. Mijn vraag is eigenlijkals volgt. Dat is een voorbeeld waarbij de uitvoering nog wel wataandacht nodig heeft; laat ik het maar even netjes zeggen. Maar hoe zietde Minister zijn rol bij al die departementen waar het moet beklijven? Datis even mijn vraag. Dit is dan een voorbeeld, maar het zou zo mooi zijn alshet overal geborgd werd.Minister Heerma:Mevrouw Boelsma-Hoekstra heeft in haar eigen termijn ook al aange-geven dat het een proces van de lange adem is. Ze heeft overigens – daarkom ik later op terug – ook een vraag gesteld naar aanleiding van demotie die mevrouw Van Dijk heeft ingediend. Ook dat is een onderwerpwaarbij het zich nog moet gaan uitwijzen wat het in de praktijk gaatbetekenen. De uitwerking van die motie is namelijk afgelopen januaribegonnen. Ook hiervoor geldt dat ik helemaal niet probeer te zeggen dathet feit dat de MKBA is aangepast, in een keer alles gaat veranderen. Maarhet is een voorbeeld van hoe sinds Elke regio telt! breder, ook op andereterreinen... De Minister van Binnenlandse Zaken is niet de Minister vanalle zaken, maar heeft wel een coördinerende rol. Ik zie het als mijn rol alsambassadeur van de regio’s om mijn collega’s op die momenten hierop teblijven wijzen. Bij Binnenlandse Zaken moeten we meedenken. Ik zal inhet kader van optimisme zo nog een paar plekken noemen waar al eenkentering bezig is. Ik zie het als mijn rol om daarop te blijven wijzen endus de ambassadeur voor de regio te zijn.Dit is lastig, want de heer Vermeer is er niet. De irritatie van de BBB-fractieover de term die gebruikt werd, rural proofing. Deze term komt voort uiteen antwoord op een motie-Van der Plas. Maar je zou het ook een«plattelandstoets» kunnen noemen. Dit is een stukje reflectie naar demensen toe! We hebben al een aantal instrumenten waarmee we beleidtoetsen aan de praktijk, zoals de Uitvoerbaarheidstoets DecentraleOverheden. Die is voor de decentrale overheden het belangrijkste, denk ik.Daarom kwam hij ook heel nadrukkelijk terug in het eerste overleg dat wein het Catshuis met de medeoverheden gehad hebben. Ik noem ook degrenseffectentoets. Het is niet per se de bedoeling om een nieuwinstrument te ontwikkelen. We willen de bestaande processen zo benuttendat beleid en programma’s worden geëvalueerd op hun impact opplattelandsgebieden. Hierbij werkt BZK samen met LVVN. Ik begrijp datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8026 LVVN daarbij de term «plattelandstoets» al gebruikt. Dat zullen wijvoortaan ook doen. Wellicht kunnen we dat ook nog doorgeven aan deheer Vermeer.De voorzitter:Er worden overigens gewoon opnames gemaakt. Die kunnen terugge-keken worden.Minister Heerma:Ja, hij kan het terugkijken. De irritatie kwam dus wel voort uit goeieintenties volgend op de motie-Van der Plas.«Kan de Minister toezeggen dat er geborgd wordt dat er een goedeuitvoeringstoets komt voor de regio?» Dit volgt op de rondetafel diegeweest is, denk ik. Diverse leden vroegen hiernaar. Ik ga toch nogmaalszeggen dat het echte belangrijke instrument voor het maken van nieuwbeleid en nieuwe regelgeving, ook voor de lokale overheid, de Uitvoer-baarheidstoets Decentrale Overheden is. Die ligt ook centraal in hetrapport-Polman en in de afspraken zoals we die maken. Deze toets helptde ministeries bij het vormgeven van uitvoerbaar beleid voor decentraleoverheden. Daarnaast is er dus een grenseffectentoets, specifiek voor hetin kaart brengen van gevolgen van beleid en regelgeving in grensge-bieden. Deze instrumenten verplichten tot het betrekken van regionale enlokale partijen bij het in kaart brengen van de mogelijke negatieve effectenvan beoogd beleid. Dit draagt bij aan het passend maken van beleid voorheel Nederland.Na contact met een aantal regio’s van het Nationaal Programma VitaleRegio’s, die opgeroepen hebben tot deze uitvoeringstoets, heb ik hetbeeld overgehouden dat het niet per se gaat om het ontwikkelen van weereen nieuwe toets. Het gaat erom dat door de specifieke kenmerken,contexten en opgaven van deze regio’s, zij vaker dan gemiddeld negatieveeffecten van nieuw beleid ervaren. Daarom is er een verzoek voor eennieuwe rol bij de toetsing van beleid in de eerste fase van beleidsontwik-keling, daar waar de verwachting is dat dit effecten heeft op de regio. Ikondersteun deze oproep. Ik zeg toe dat ik de elf regio’s zal betrekken als ersprake is van nieuw beleid waarvan de verwachting is dat er effecten voorde regio’s zijn. Ik zal dit ook koppelen aan het departement waar hetspeelt. In dit kader wil ik – ik zal het nog één keer zeggen – toch ook nogde rural proofing, de plattelandstoets, benoemen. Daar heb ik zojuist ookal iets over gezegd.De woordvoerder van het CDA vroeg ook nog hoe we in Den Haag voorelkaar krijgen dat we oog hebben voor elke regio: Haags beleid is nietaltijd passend. Er gebeurt al heel veel in de regio, maar niet in elke regiozijn dezelfde programma’s actief. Het kabinet werkt, zoals ik in het begin alzei, vanuit het principe dat elke regio telt. Op meerdere beleidsterreinenheeft het kabinet in het coalitieakkoord ambities geformuleerd omtrent hetrecht doen aan regionale verschillen. Het Rijk werkt in de regio actiefsamen met medeoverheden en maatschappelijke partners. Regionalevraagstukken vragen om regionale oplossingen. De signalen uit depraktijk neemt het kabinet serieus bij het doorontwikkelen van beleid. Opverschillende terreinen is dat al zichtbaar, zoals bij het traject Bereik-baarheid op peil van IenW en de voornemens over de bekostiging van hetmbo. Daar werd in het debat volgens mij ook al aan gerefereerd.De regierol van het Rijk ten aanzien van het investeren van innovatie,onderwijs en wonen. «Kan de Minister uiteenzetten hoe hij de samen-werking tussen Rijk en regio rond deze investeringen de komende jarenwil vormgeven? Hoe kijkt hij naar de regierol van het Rijk?» Dat was eenvraag van D66. In het coalitieakkoord staan inderdaad mooie investe-ringen in onder andere wonen en regionale campussen. De betrokkendepartementen van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Econo-mische Zaken en Klimaat en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staan aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8027 het begin van het nader uitwerken van deze plannen. Daarbij is samen-werking met de regio’s, en dus ook met de regio’s aan de randen van hetland, het uitgangspunt. Het Rijk heeft hierbij de regie op nationaleopgaven, maar dat zal altijd een proces zijn in samenwerking metmedeoverheden en andere partners. Dat geeft Polman ook aan in hetrapport dat ik net ook al aanhaalde. Nationale opgaven hebben daarmeehun uitwerking lokaal en regionaal.De heer Clemminck vroeg iets over de gebrekkige democratische controleop regionale samenwerkingsverbanden. De toenemende regionaliseringbiedt kansen. Tegelijkertijd is het van belang om oog te hebben voor dekeerzijde en de risico’s van deze trend, bijvoorbeeld als het gaat overdemocratische legitimiteit. De Wet gemeenschappelijke regelingen is, methet oog op een sterke betrokkenheid van gemeenteraadsleden, een aantaljaar geleden gewijzigd. Die wetswijziging wordt binnenkort geëvalueerd.Ik vind het zelf ook een blijvend punt van aandacht. Ik ben ook van meningdat de regio een duidelijkere positie moet krijgen in het openbaar bestuur.Als onderdeel van de Actieagenda goed bestuur is daarom een visie op deregio en regionale samenwerking in ontwikkeling.Dan ga ik naar het blokje nationaal programma. Daar had ik net al ietsover gezegd, maar ik zal de specifieke vragen nog beantwoorden.Mevrouw Keijzer had het specifiek over mienskip en noaberschap. Ze zeidat dat synoniem geworden is met het oppakken van maatschappelijkeproblemen en er voor elkaar zijn als het nodig is. Dit vraagt om eenoverheid die weet dat de Achterhoek iets anders is dan de Liemers, diebeseft dat Goeree-Overflakkee niet Zeeuws is, maar Zuid-Hollands en dieweet dat kleine gemeenten ook grote uitdagingen hebben.Met het Nationaal Programma Vitale Regio’s is er een langjarigcommitment van twintig jaar tussen het Rijk en elf regio’s. We zettendaarbij de regionale context centraal. De leefwereld van inwoners isleidend. Regionale partijen weten het beste wat er nodig is om hun eigenregio vitaal en leefbaar te houden, nu en in de toekomst. Ik heb hetgemeenschapsfonds al genoemd. Dat is in dit kader dus ook belangrijk.We gaan daarnaast dus aan de slag met de strategische agenda waaroverik u rond de zomer zal informeren.Ik heb al iets gezegd over hoe ik aankijk tegen de opmerking van het lidvan de BBB dat het Nationaal Programma Vitale Regio’s niet bedoeld isom nationale opgaven simpelweg in de regio te «parkeren» – dat was zijnwoord – maar juist om de regio zelf sterker te maken. Ik zal daar nu nogiets meer over zeggen. Het uitgangspunt van het Nationaal ProgrammaVitale Regio’s is dat we de regionale context als vertrekpunt nemen. Deregionale opgaven en het beoogde toekomstperspectief van de regiostaan centraal. Gezamenlijk, tussen Rijk en regio, zoeken we naarpassende oplossingen en maatregelen om de regio in staat te stellenvorm te geven aan regionale ontwikkeling. Daarbij maken we waarmogelijk natuurlijk ook de verbinding met nationale opgaven. Dat zei ikzojuist ook. Daar ligt namelijk juist ook een kans. Nationale opgavenkunnen namelijk weer bijdragen aan de ontwikkeling van de regio. Maar ikkan dus expliciet bevestigen dat het programma tot doel heeft om deregio sterker te maken. Dat was de vraag die de heer Vermeer stelde.Dan gaan we naar grensoverschrijdende samenwerking. De heerMeulenkamp gaf aan dat grensoverschrijdende samenwerking belangrijkis. Hij vroeg of ik daar mijn coördinerende rol in zie. Het antwoord daaropis ja. Los van het feit dat ik het zie, ben ik hier coördinerend verantwoor-delijk voor. Maar ik zie het ook! Dat komt goed uit, hè? Ik werk verder opde tweeledige aanpak die de afgelopen jaren vanuit BZK is ontwikkeld ombelemmeringen rondom wet- en regelgeving te verminderen en tevoorkomen. Hierbij werken we intensief samen met de grensregio enbuurlanden.Grensregio’s functioneren als verweven gemeenschappen. Inwonersmaken dagelijks gebruik van voorzieningen en diensten over de grens. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8028 wegnemen van grensbelemmeringen levert dan ook aantoonbaareconomische en maatschappelijke winst op. Onderzoeken laten bijvoor-beeld zien dat wanneer obstakels verdwijnen, dit een positieve invloedheeft op de regionale economie en de leefbaarheid in de grensregio. Ookverschillende commissarissen van de Koning in verschillende gebiedenzijn hier actief mee bezig en bij betrokken, of het nou over Nedersaksen,Noordrijn-Westfalen of Vlaanderen gaat.Mevrouw Tseggai vroeg naar de mogelijkheden die ik zie om grensover-schrijdend ov uit te breiden. Ik moet beginnen door te zeggen dat ditprimair de verantwoordelijkheid van de Minister van IenW is. Er is eeninternationale samenwerkingsagenda met onze buurlanden Duitsland enBelgië. Mobiliteit en grensoverschrijdend ov zijn altijd een vast onderdeelvan de afspraken daarin. Een voorbeeld hiervan is de samenwerkingsa-genda met Nedersaksen. Daarin staat dat we ons samen met de regio enhet buurland inzetten voor de verbetering van uitwisseling met betrekkingtot de ontwikkeling van grensoverschrijdende spoor- en waterwegverbin-dingen, e-ticketing en informatievoorziening. Vanuit mijn coördinerenderol sta ik dus in verbinding met de collega van IenW.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank aan de Minister voor het antwoord. Ik ben op de hoogte van dieafspraken. Mijn vraag ging specifiek over Drenthe. Daar loopt hetgrensoverschrijdende ov namelijk nog een beetje achter. Zou de Ministerdaar in die afspraken en overleggen wat meer aandacht voor kunnenhebben?Minister Heerma:Ik ga toch bekennen dat ik geen specialist ben op de IenW-kant hiervan. Ikzal dit punt bespreken met de collega van IenW, zoals ik net in algemenezin al aangaf.Mevrouw Tseggai had een vraag over de kinderopvang bij de grens metVlaanderen. De behoefte vanuit de regio is natuurlijk bekend. In dehuidige Regio Deal is ook afgesproken dat OCW en SZW actiefmeedenken over de mogelijkheden om middelen en verantwoordelijk-heden binnen de bestaande kaders zo veel mogelijk integraal aan tekunnen wenden. Het kabinet werkt daarnaast aan herziening van hetfinancieringsstelsel kinderopvang. Daarbij gaat het toewerken naar eengrotendeels gratis kinderopvang het probleem door de jaren heen kleinermaken. In de tussentijd staat het dus op de agenda en wordt er vanuitOCW en SZW actief meegedacht.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik heb een punt van orde. Ik heb geen vraag gesteld over Zeeuws-Vlaanderen. Ik denk dat dat de heer Vermeer was. Ik had in het algemeeneen vraag gesteld over onderwijs en kinderopvang in de regio’s. Ik vroegof scholen daar iets meer ruimte kunnen krijgen om af te wijken van deregels. Ik denk dus dat dit de vraag van de heer Vermeer was overhetzelfde onderwerp.Minister Heerma:We hebben het geïnterpreteerd als een vraag die specifiek ging over degrensregio met Vlaanderen.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nee, dat was ik niet.Minister Heerma:O, excuus. Mevrouw Keijzer stelde heel nadrukkelijk een vraag overaccijnzen en belastingen, waarschijnlijk om het vervolgens live in hetplenaire debat te benoemen. Daar ga ik toch van zeggen dat ik niet tweeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8029 keer hetzelfde debat ga voeren. Ik laat de beantwoording van deze vraagdus echt over aan de bewindspersonen die daar nu het plenaire debatover voeren. Door mevrouw Keijzer werd ook al aangekondigd dat ze devraag daar ging stellen aan de woordvoerder van de VVD.Dan heb ik een blokje overig, met best wel veel onderwerpen die er nogliggen. Ik wil dan toch even afsluiten met een overzicht van de verschil-lende onderwerpen waar ik al aan raakte, over wat er allemaal gebeurt inhet kader van «de zon begint niet nu pas met schijnen».Mevrouw Boelsma-Hoekstra vroeg hoe: hoe kijkt de Minister naar deinsteek om de regeldruk te verminderen die initiatieven in de samenlevingonevenredig hard treft? Ze verwees daarbij naar het amendement vanhaar collega Inge van Dijk, over het ATR of, om zo min mogelijk afkor-tingen te gebruiken, het Adviescollege toetsing regeldruk. Met datamendement is het adviescollege opgedragen om regeldrukeffecten vannieuw beleid op instellingen zonder winstoogmerk en vrijwilligers in kaartte brengen. Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft deze nieuwe taakpas sinds 1 januari. Hierbij bekijkt het adviescollege per geval of deregeldruk voor instellingen zonder winstoogmerk en voor vrijwilligersbijzondere aandacht vraagt, met name ten aanzien van ervaren regeldruk.Op dit moment is echt nog niet te zeggen en nog niet bekend hoe dituitwerkt, maar het is in ieder geval de bedoeling dat het wetsvoorstelduidelijk maakt of de verplichtingen in de dagelijkse praktijk wel goed tedoen zijn voor instellingen zonder winstoogmerk en voor vrijwilligers,zoals sportbonden en sportverenigingen.De heer Clemminck verwees naar een programma dat mij ook wel bekendis, namelijk Wind in de zeilen, gestart in 2020. Dit is weer een voorbeeld –dit programma is overigens van voor Elke regio telt! – van hoe er al goededingen zijn voor de regio, al was de aanleiding niet per se vrolijk. Vanafhet begin staat er een goede, solide organisatiestructuur, met eenstuurgroep die afwisselend wordt voorgezeten door de Minister van BZKen de commissaris van de Koning in Zeeland. Ook zijn bij de start scherpeafspraken gemaakt en projecten geselecteerd die zijn gericht op hetversterken van de sociaaleconomische structuur in Vlissingen en inZeeland. Bij de uitvoering van Wind in de zeilen is er grote betrokkenheidvan het Rijk en de regio.Wind in de zeilen wordt veelvuldig genoemd als een goed voorbeeld vaninterbestuurlijke samenwerking. De uitvoering van het programma is overde helft. Meerdere projecten zijn reeds afgerond, waaronder de start vanhet Delta Climate Center in 2024, wat een uniek samenwerkingsverbandvan Zeeuwse kennisinstellingen en universiteiten is, met een verbindingmet het bedrijfsleven. Er zijn twintig huisartsen opgeleid en afgestudeerdin Zeeland, van wie er inmiddels tien ook actief werkzaam als huisarts zijnin Zeeland. Er lopen ook nog verschillende projecten waar we op vollekracht mee bezig zijn, waaronder het Justitieel Complex Vlissingen, eencombinatie van gevangenis en rechtbank, dat in 2025 is gegund aan eenbouwconsortium en waarschijnlijk in 2030 in gebruik zal wordengenomen. Ook de gebiedsontwikkeling van het stationsgebied Vlissingenen de kenniswerf Vlissingen hoort bij dit programma.Er was een vraag vanuit het CDA over de Landelijke Kennistafel Fries. Erwerd ook verwezen naar een motie. Ik draag de Friese taal en cultuur eenwarm hart toe. Als nieuwe Minister van BZK zal ik me daarvoor inzetten.In reactie op de vraag: in het najaar zal ik de Tweede Kamer informerenover de inrichting van de Landelijke Kennistafel Fries. Binnenkort gaan wein overleg met de provincie Friesland en andere partners in het Frieseveld, om de inhoudelijke contouren van de Landelijke Kennistafel Friesverder te bespreken.De heer Clemminck vroeg het volgende. Deze vraag gaat weer deels overfinanciën, maar is iets breder, namelijk of het Rijk gemeenten voldoendeen structureel financiert voor taken die ze hebben. Deels valt die vraag netin een ander debat, maar hij gaf ook aan dat geen regiodeal, nationaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8030 programma vitale regio of regioaanpak daartegenop kan. Het antwoorddaarop is: ja, het is van belang dat er een balans is tussen taken,middelen, ambities en uitvoerbaarheid voor medeoverheden. Om dat terealiseren is er die Uitvoeringstoets Decentrale Overheden, die ik al tweekeer aangehaald heb. Het is in eerste instantie aan vakdepartementen omvoldoende middelen te organiseren in hun begroting en tijdig metmedeoverheden hierover in overleg te gaan, maar ook met mij, want daarkomt de coördinerende verantwoordelijkheid richting medeoverhedenweer om de hoek kijken.De heer Clemminck (JA21):Is de Minister het met mij eens dat er op dit moment een disbalans istussen de structurele taken van gemeenten en hetgeen waarin hetgemeentefonds voorziet?Minister Heerma:Mevrouw Tseggai vroeg in de eerste termijn ook al een aantal keren naarhet ravijnjaar. Diverse woordvoerders hebben verwezen naar het debatvan 9 april. Ik vind: dit debat gaat over de regio’s; dit debat gaat niet overgemeentefinanciën. Wij hebben daar als coalitie aandacht voor. Hetcoalitieakkoord maakt dat ook heel expliciet. Ik refereerde al aan dieuitvoeringstoets. Het is van groot belang dat die zaken – taken, middelen,ambities en uitvoering – met elkaar in balans zijn. Daar zal ook richting detoekomst uitgebreid over gesproken gaan worden. We hebben het eerstemedeoverhedenoverleg ook al staan, maar ik vind dit toch niet hetmoment om het debat daarover te voeren. We hebben dat debat op 9 aprilmet elkaar. Ik vertrouw erop dat de heer Clemminck me die vraag danopnieuw zal stellenVoorzitter. Er was weer een voorbeeld van zaken die niet vanaf nul hoevente beginnen. Er werd door de woordvoerder van de BBB een vraag gesteldover kleinere scholen en kleinere klassen, zodat scholen open kunnenblijven in krimpregio’s, waarbij niet alleen naar economisch, maar juistnaar maatschappelijk rendement gekeken moest worden. We kennen eenkleinescholentoeslag in het primair onderwijs en de geïsoleerdescholen-toeslag in het voortgezet onderwijs. Scholen ontvangen extra financiëlemiddelen hiervoor, zodat kleine scholen leefbaar zijn. Daarbij stuurt hetMinisterie van OCW niet op klassengrootte. Het uitgangspunt is kwalitatiefgoed, gevarieerd en bereikbaar onderwijs in krimpregio’s. Er zijn diversebeleidsmaatregelen, zoals aanvullende bekostiging voor geïsoleerdevestigingen in het voortgezet onderwijs. Maar daarnaast – dat is weer zo’nstap die al gezet is – werkt mijn collega van Onderwijs, Cultuur enWetenschap op dit moment aan de herziening van het stelsel vaninstandhouding en opheffing van basisscholen, waarbij onder andere dekleinescholentoeslag wordt omgevormd, zodat deze meer gericht is opregio’s met een lagere leerlingdichtheid. De beweging waar de heerVermeer naar vraagt, is onderdeel van waar de Minister van OCW op ditmoment naar kijkt.De vraag – ik durf het bijna niet te zeggen, want straks gaat ze weerzeggen dat het niet zo is – van mevrouw Tseggai die ik hier heb staan, is:deelt de Minister het belang van goede beschikbaarheid en bereik-baarheid van voorzieningen in de regio, inclusief regionaal openbaarvervoer?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ja, klopt!Minister Heerma:Kijk! Ik dacht: ik check het even. Ja, de beschikbaarheid en bereikbaarheidvan voorzieningen zoals scholen, zorginstellingen, arbeidsplaatsen enbuurthuizen zijn belangrijk voor de leefbaarheid in regio’s. Binnen hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8031 Nationaal Programma Vitale Regio’s hebben we daarover goed contactmet het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Een voorbeeldwaaraan gewerkt wordt, zijn de regionale bereikbaarheidsanalyses in hetkader van het programma Bereikbaarheid op peil, waar ik het zojuist ookal over had. Daarin wordt per regio gekeken naar de bereikbaarheid vandeze voorzieningen, met onderscheid tussen verschillende reisvormen. Deinzichten uit deze analyses kunnen gebruikt worden voor regioplannen enuitvoeringsagenda’s in het kader van het nationaal programma.De heer Vermeer vroeg nog hoe je voorkomt dat het infrastructuurgeldallemaal terechtkomt in regio’s die al groeien. Dat is het congestie-vraagstuk waar ik het in het begin ook al over had. Daarbij heb ik net ookal aangegeven dat de werkwijze van de MKBA’s is aangepast, zodat bredewelvaart en maatschappelijke impact daarin worden meegenomen.Dan de vraag of de studentenkaart ook gebruikt kan worden voorregionale vervoersoplossingen. Ook hier moet ik in eerste instantie tochverwijzen naar de Minister die hierover gaat, de Minister van OCW, wantik ben wel coördinerend, maar ik ga niet over alles. Het Ministerie vanOCW heeft een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven om hente vergoeden voor reizen die studenten maken met het studentenreis-product. Over de vraag of en welk publiek gefinancierd vraagafhankelijkbus- en autovervoer onderdeel is van de huidige overeenkomst, is hetMinisterie van OCW op dit moment in gesprek met ov-bedrijven. DeMinister van OCW informeert de Tweede Kamer na de zomer over devoortgang van deze gesprekken in de reeds toegezegde Kamerbrief overde resultaten van het komende contractuele herijkingsonderzoek van hetstudentenreisproduct. Zo leer ik in dit debat ook weer heel veel over heelveel onderwerpen.Over de spreiding van rijkswerkgelegenheid is door verschillendewoordvoerders iets gezegd. Iedere Minister is in eerste instantie zelfverantwoordelijk voor de spreiding van zijn of haar organisatie, maar alsMinister van BZK geef ik wel advies over locaties van nieuwe rijksdienstenbij forse uitbreiding van werkgelegenheid of hervestiging. In dat adviesbreng ik de mogelijkheden in kaart voor samenwerking tussen ministeriesen regio’s. Als het specifiek over zbo’s gaat – daar ging de vraag over –dan zijn de sturingsmogelijkheden voor Ministers gewoon minder grootdan bij diensten of onderdelen van het eigen ministerie. Dat constateerdede heer Clemminck en dat is een feit. De sturingsmogelijkheden daarvoorzijn gemiddeld, maar ik ga uiteraard wel in gesprek met mijn collega’s alskansen voor spreiding zich voordoen. Met alle ministeries met zbo’s wordtgesproken over de mogelijkheid van spreiding zodra nieuwe huisvestings-opties worden onderzocht. Zo kan er vanuit zbo’s worden bijgedragen aande beoogde verbetering van spreiding van de rijksoverheid over het heleland.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik had deze vraag ook gesteld.Minister Heerma:Ja, klopt!Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik snap natuurlijk dat elk ministerie zelf kan kiezen waar het bijvoorbeeldnieuwe locaties vestigt et cetera, maar is er niet een manier waarop BZKtoch een beetje dat overzicht kan bewaren, dat ook kan aanmoedigen endat misschien kan terugkoppelen aan de Tweede Kamer?Minister Heerma:Misschien praatte ik te snel. Mijn eerste zin was inderdaad dat iedereMinister zelf verantwoordelijk is voor de spreiding van zijn of haarorganisatie, maar als Minister van BZK – ik geloof dat het woord «coördi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8032 neren» al op vele fronten is gevallen; dat is het lot van de Minister vanBZK – geef ik ook advies over locaties van nieuwe rijksdiensten bij forseuitbreiding van rijkswerkgelegenheid of bij hervestiging. Dus ja, daar had,heeft en houdt de Minister van BZK ook een rol in.Specifiek op dit punt vroeg Kamerlid Huizenga van D66 of er al metDefensie is gesproken over de defensie-innovatieautoriteit. «Dat is driekeer woordwaarde», gaf zij volgens mij zelf al aan. In het kabinet, in desamenleving en in de Kamer is een sterke wens om ontwikkelingen buitende Randstad te stimuleren en te komen tot een betere spreiding vanrijkswerkgelegenheid. Om hiertoe stappen te zetten is in 2024 deadviserende rol van de Minister van Binnenlandse Zaken bij de locatie-keuze versterkt, zeg ik in aanvulling op het antwoord van net, op de vraagvan mevrouw Tseggai. Een brede afweging wordt mogelijk vanuit zowelde portefeuille van rijkshuisvesting en -bedrijfsvoering als de regio. Ikadviseer mijn collega’s in het kabinet over locaties voor op te richtendiensten. Daarbij kijk ik waar de vestiging van zo’n dienst meerwaarde kanhebben, zowel voor de dienst zelf als voor een regio.Defensie draagt in grote mate bij aan de spreiding van rijkswerkgele-genheid, doordat Defensie al in het hele land aanwezig is. Regionaleecosystemen voor kennis, industrie en innovatie zijn cruciaal voor deversterking van de krijgsmacht en de Nederlandse veiligheid. De plannenvoor een defensie-innovatieautoriteit worden momenteel uitgewerkt. Hetis nog niet bekend of er nieuwe locaties komen of dat bestaande locatiesworden uitgebreid. Zodra het duidelijker is, zal ik hierover ook het gesprekmet mijn collega’s aangaan.Voorzitter. Ik wil afsluiten. Ik heb er al verschillende keren aan geraakt. Ikwil toch langslopen wat er al in gang is gezet, om te laten zien en metelkaar te blijven delen: we zijn bezig met een beweging waar een langeadem voor nodig is, maar die beweging is wel ingezet.Ik loop er even een aantal langs. Ik heb de meeste in het debat algenoemd. Samen met LVVN wordt er dus gewerkt aan de plattelandstoets– ik zal vanaf nu alleen dit woord nog maar gebruiken – om ervoor tezorgen dat het rijksbeleid aansluit bij de context van het landelijke gebied.Dat is de uitwerking van de motie-Van der Plas. In de afgelopen periodezijn er afspraken gemaakt en stappen gezet om de rijkswerkgelegenheidbeter over Nederland te spreiden. Dat is in het kader van de laatstevragen.Ik noem een paar voorbeelden van acties die reeds zijn ingezet en waarbijik tot concrete resultaten wil komen. In Leeuwarden wordt gewerkt aan deuitbreiding van de Belastingdienst en het CJIB. Nog voor de zomer wordter een rijksontmoetingsplek geopend waar Rijk, provincie en gemeentenkunnen samenwerken. In Assen werken de Ministeries van Defensie enBZK samen met provincie en gemeenten aan de invulling van een deelvan het terrein van de Johan Willem Frisokazerne dat vrijvalt. In Heerlenvindt de komende jaren een forse investering in rijksvastgoed plaats voorhuisvesting van de Belastingdienst, het CIBG – dat is het CentraalInformatiepunt Beroepen Gezondheidszorg – en het nieuwe Instituut voorMilieu, Mens en Mijnbouw Limburg.Dan het programma Wind in de zeilen, dat net ook al werd aangehaald.Daarin wordt goede vooruitgang geboekt. Zoals u in de inmiddels elfdevoortgangsreportage Wind in de zeilen kunt lezen, staan die resultatendaar ook in, bijvoorbeeld het al genoemde kennisinstituut Delta ClimateCenter. Een ander voorbeeld zijn de afspraken met medeoverheden in hetkader van regionale bereikbaarheidsanalyses. Op basis hiervan zalkomend jaar door Rijk en regio samen een voorstel worden uitgewerktvoor de invulling van de vervolgstappen, waarbij analyses wordenomgezet in handelingsperspectief.Ik noemde ook al de nieuwe werkwijze voor de MKBA, waarbij onderaanvoering van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat meeraandacht is voor brede welvaart en het inzichtelijker maken van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8033 verdeling van kosten en baten voor bijvoorbeeld regio’s. Ik kijk met mijncollega van Infrastructuur en Waterstaat ook naar mogelijkheden ompilots rondom publieke middelen in de NPVR-regio’s te organiseren. Diezijn erop gericht om vervoer op afroep mogelijk te maken.In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet, en specifiek OCW,kijkt naar de financieringsstructuur in de culturele sector, met het oog opregionale spreiding. Bij cultuurbeleid is er extra aandacht voor delandelijke dekking van cultuurvoorzieningen. Op het terrein van onderwijsgaat het kabinet zorgen voor een stabiele en voorspelbare financieringvoor het mbo en het hbo, zodat instellingen minder kwetsbaar worden enminder afhankelijk worden van fluctuaties in internationale studenten-stromen.Daarnaast gaan we, zoals ik net ook al aangaf, aan de slag met hetuitwerken van het gemeenschapsfonds. Ik zal voor de zomer bij de Kamerterugkomen op hoe we die strategische agenda’s gaan gebruiken voorregio’s waar nog extra aandacht naar uitgaat, maar vooral ook voor deregio’s waar strategische kansen te verwezenlijken zijn die nu nogonontgonnen zijn.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dat was het. Helder.Minister Heerma:Een spraakwaterval.De voorzitter:Ik zie nog één interruptie, van het lid Huizenga.Mevrouw Huizenga (D66):Ik heb geprobeerd goed te luisteren naar deze spraakwaterval. Toch heb iknog één vraag, de vraag die ik gesteld had over het afscheid nemen vangenerieke drempels bij toekenningen in de regio, vervoersbewegingen enaantallen. Kunnen wij daarmee aan de slag gaan? Want als wij vanuit hiergenerieke drempels opleggen voor toekenningen op basis van de vraag ofdaar aandacht voor is in de regio ... Dat heeft met dat maatschappelijkeeffect te maken: toetsing aan generieke drempels past niet bij maatwerkbij het aan de slag gaan in een gebied. Dat is één; misschien kunt u daarnog wat over zeggen.U had het ook over krimpregio’s. Daarover stelde ik ook al een vraag aanmijn collega van de VVD. Als wij een gebied een «krimpregio» noemen,kan ik me voorstellen dat iemand zich afvraagt of hij daar moet gaanwonen, of de waarde van zijn huis daalt en of er misschien straks geenschool is. Dat is namelijk het imago van een krimpregio. Ik denk dat iedereregio zijn unieke dingen heeft, misschien juist wel rust, reinheid enregelmaat; dat moet u aanspreken. Ik zou het niet willen hebben over«krimpregio», want we zeggen juist met elkaar dat iedere regio zo zijnunieke dingen heeft. Daar zou ik dus ook nog wel graag een reflectie opwillen.Kan op een ander moment het Fries aan bod komen? Daar ben ik alsFriezin helemaal voorstander van, maar we hebben nog meer talen inNederland, bijvoorbeeld het Nedersaksisch en dat soort dingen. Dat kanop een ander moment, wanneer het niet over de regio’s gaat, maar latenwe daarmee ook aandacht houden voor die regionale cultuur.Minister Heerma:Er zijn verschillende onderdelen. Op de drempels kom ik in tweede termijnterug, al dan niet verwijzend naar de collega van IenW. Dat kan ik nu nietuit de losse pols.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8034 Dan de taal. Er werd net al aangegeven dat Fries een rijkstaal is, maar dater tegelijkertijd ook een debat te voeren is over andere talen. Het is echterwel degelijk een feit dat Fries een officiële rijkstaal is en dat daar dingenachter weg komen. Daar werd naar gevraagd en daar heb ik antwoord opgegeven.Het gesprek over krimp is bijna net zo als het gesprek over rural proofing:hoe praten we met elkaar? Ik ben daar ambigue in en ik begrijp tegelij-kertijd wat u zegt. De term «krimp» heeft gewoon te maken met eenafname van de bevolking. Het krimpt er. Tegelijkertijd moet dat niet eensticker zijn die een «staat van zijn» blijft. Wellicht kan ik hier de toezeggingdoen dat we juist bij de uitwerking van de strategische agenda’s, waarbijik veel meer wil gaan inzetten op kansen, vermijden dat we het veel overkrimp hebben. We moeten het veel hebben over onontgonnen potentieeldat daar te vinden is, want dat is de extra stap die we kunnen maken naaraanleiding van het coalitieakkoord.De voorzitter:Ik zou zelf ook nog graag één vraag willen stellen aan de Minister. Ik bener heel erg blij mee dat de Minister zegt dat hij groot voorstander is vande horizontale blik op de zaak en van de horizontale aansturing. Hij geeftook aan dat hij weliswaar coördinerend is, maar niet over alles gaat. Datsnap ik heel goed van de Minister van BZK. Als de Minister ’s ochtendsopstaat, denkt hij dan «ik wil de aansturing op een andere manier gaanvormgeven»? Hij heeft hier wel wat over gezegd. De Minister-President iser ook een voorstander van. Hoe ziet hij zijn eigen rol en hoe denkt hijdaar vorm aan te geven? Misschien kan hij daar nog even op ingaan.Minister Heerma:Ik denk dat een groot deel van mijn bijdrage in dit debat hier deels al overging. Ik zal dus niet alles herhalen, ook omwille van de tijd. Ik refereerde alaan de taskforces. Die taskforces hebben echt als doel om het horizontaledenken op gang te brengen. Het moet niet zijn «dit is een vraag voordepartement X of Y en dat moet er maar mee aan de slag gaan». Nee, erliggen grote vraagstukken waar we gezamenlijk voor aan de lat staan.Misschien wordt dit deels onderstreept doordat er één Minister in demeeste taskforces zit en dat is de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties. Die zit in vijf van de zes taskforces, juist omdat breedin het coalitieakkoord en in de werkwijze gezien wordt, of het nou gaatover de relatie met medeoverheden die van belang is of het nou gaat overde regio’s of over grensregio’s, dat de Minister van Binnenlandse Zakendie coördinerende rol in te vullen heeft. In al die taskforces en overleggenzal ik het belang van een goede verhouding met de medeoverheden, hetbelang van de balans van de taken en het belang van oog hebben voor dekansen in de regio’s dus steeds blijven inbrengen. Daar waar het bilateraalkan, zal ik dat ook niet nalaten. Daar hebben we al verschillendevoorbeelden van gezien in het debat.De voorzitter:Helder. Dank u wel, Minister, voor de beantwoording. Dan gaan we naarde tweede termijn van de Kamer. Mag ik mevrouw Boelsma-Hoekstra hetwoord geven? Het is goed dat de griffier me er even op attendeert dat wedaar om precies te zijn 1 minuut 40 tijd voor hebben.Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):Voorzitter, dat gaat lukken. Een Minister die zich ambassadeur van deregio noemt! Dat is mooi. Ik denk dat we daarmee naar huis kunnenvandaag. Wij zijn hier allemaal ambassadeurs van regio’s, dus ik denk datwe hier gezamenlijk mooie dingen kunnen doen. Wat ik meeneem, gaatmet name over de toetsen. In mijn maidenspeech zei ik: «sizzen is neat,mar dwaan is in ding». Dat komt erop neer dat je moet doen wat je zegt. IkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8035 heb vier toetsen gehoord: de UDO, de plattelandstoets en de grenseffec-tentoets en ik mist nog even de eilandentoets, maar natuurlijk wordt ookdie gedaan, want daarover is een toezegging meegegeven. Het is heelbelangrijk dat we vanuit de regio’s ophalen hoe het nou werkt en of hetpassend is. Ik vind het heel mooi dat die toetsen er zijn.Daarnaast is het mooi dat de Minister aangeeft dat hij aan de slag gaatmet die strategische agenda. Het zou heel mooi zijn dat de verschillendedepartementen daarbij aansluiten, want het gaat juist over de verschil-lende departementen. Indirect heeft hij ook al aangegeven dat dat gaatgebeuren. Wat dat betreft dus, heel mooi!Er is heel ruim antwoord gegeven met heel veel informatie, waarvoorhartelijk dank, maar het moet ook even bezinken. Ik moet even kijken hoewe daarmee verdergaan, dus ik wilde toch een tweeminutendebataanvragen. Dank voor de uitgebreide beantwoording. Ik dank ook mijncollega’s voor het goede gesprek dat we vandaag gehad hebben. Ik dankbovendien alle mensen die hier vanuit de regio naartoe zijn gekomen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Clemmink voor zijn tweede termijn.De heer Clemminck (JA21):Dank u wel, voorzitter. We hebben weer een voorzitter, nadat we hem neteven kwijt waren. Dat maakt niet zo veel uit.Dank aan de Minister. Ik heb het idee dat ik de Minister al heel goed kenna vandaag. Gaat hij straks ook naar de borrel? Ja, heel fijn! Nou, dandoen we dat ook maar! De snelheid en de manier van antwoordenbevallen me wel, dus dank aan de Minister. Ik kijk heel erg uit naar de briefdie onder andere gaat over de investeringen en de middelen. Ik wil deMinister nogmaals op het hart drukken om heel concreet met voorstellente komen en met ons deelt waar hij de middelen vandaan haalt en dedekking zoekt. Op die manier kunnen we zorgen voor structurele middelenvoor de programma’s en het gemeentefonds. Ik kijk daarnaar uit. Het kloptinderdaad dat er veel vragen zijn gesteld en dat er veel antwoorden zijngegeven, maar er zijn nog veel meer vragen dan antwoorden. Volgens mijhebben we daarvoor de komende tijd nog genoeg debatten op de agendastaan.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Huizenga.Mevrouw Huizenga (D66):Voorzitter, dank u wel. Ik sluit mij aan bij mijn voorgangers: we hebbenmooie gesprekken gehad vandaag. Voor het vervolg ben ik vooral heel erggeïnteresseerd in de samenwerking met de regio. Hoe gaan we dat goedorganiseren, zodat we werkelijk naast de regio gaan staan in plaats vandat we kijken vanuit het perspectief van Den Haag. Het geeft mij goedemoed dat we die kant opgaan. Dat past ook heel duidelijk bij allerapporten die er liggen over de interbestuurlijke verhoudingen. Dat dus.Ik wacht nog een beetje op brieven over drempels en dat soort zaken. Ikben blij met de toezeggingen. Volgens mij hadden we vandaag een mooigesprek en dat is een opmaat voor een volgend gesprek.De voorzitter:Het lid Tseggai voor de tweede termijn.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik heb eigenlijk geen tweede termijn, maar ik zou deMinister willen aanmoedigen om niet te veel aan zelfevaluatie te doen. Ikwil hem bedanken voor dit eerste commissiedebat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8036 De voorzitter:Het woord is aan de Minister voor zijn tweede termijn.Minister Heerma:Dank. Volgens mij gaat de Minister zijn best doen om gelijk teantwoorden. Ik ben er in algemene zin een voorstander van dat iedereenveel aan kritische zelfevaluatie doet, dus ik zal daar zelf ook niet meestoppen. Daar wordt niemand minder van.Ik ga een poging wagen om iets te zeggen ten aanzien van de drempels.Als dat tot vervolgvragen leidt, dan zal ik toch moeten doorverwijzen naarde Minister van Infrastructuur en Waterstaat. In de brief over het Meerja-renprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, waar ik het daarstraksal over had, is te lezen dat Rijk en regio gezamenlijk onderzoeken wat heteffect is van de toepassing van generieke rendementseisen voor onderandere woningbouw en welke effecten de regeling heeft in provincies alsGroningen, Friesland, Drenthe en Zeeland. Onderdeel van dit onderzoek isde vraag of de landelijke regelingen met generieke criteria recht doen aande verschillen in bijvoorbeeld woningbouwopgaves in de regio. Ik hoopdat dit voldoende is. Zo niet, dan moet ik u helaas verwijzen naar deMinister van IenW. Ik zie u zuinigjes kijken.Dan kom ik op een vraag die werd gesteld in het Fries. Met enigepermissie ga ik dan toch iets in het Engels zeggen, want de vertalingdaarvan is «the proof of the pudding is in the eating». Uiteindelijk gaat hetdaarom. Er zijn afspraken gemaakt volgend op het rapport-Polman. Het iseen feit dat het voor lokale en regionale overheden belangrijk is dat deuitvoeringstoets, de UDO, goed gevolgd wordt. Uiteindelijk hebben wemet elkaar, de bewindslieden individueel, de departementen individueelen ik als coördinerend Minister, de taak om erop toe te zien dat dat serieusgebeurt. Overigens, we kunnen elke keer een nieuwe toets bedenken,maar dat is niet altijd het antwoord. Het gaat uiteindelijk om het serieusnemen van de middelen die er zijn. Lokale en regionale overhedenhebben de UDO als allerbelangrijkste middel. We hebben de grenseffec-tentoets en de plattelandstoets al genoemd, maar we hoeven niet elkekeer een nieuwe toets te bedenken. We moeten gewoon uitvoeren watbelangrijk is.Er werd gezegd dat ik impliciet heb gesteld dat departementen moetenaansluiten bij het uitwerken van de strategische agenda’s, en er werdgerefereerd aan het belang hiervan. Dat is vanzelfsprekend zo. Als er ineen bepaalde regio een economische of strategische kans voor detoekomst ligt, is de kans minder groot dat deze landt bij het departementvan Binnenlandse Zaken dan dat het een strategische agenda betreftwaarin een ander departement of andere departementen een centrale rolspelen; die kans is heel groot. Het is dus expliciet van belang dat zedaarbij aanhaken.Ik kijk uit naar het tweeminutendebat.De voorzitter:Ik heb als voorzitter nog één vraag. De Minister zegt toe in zijn volgendevoortgangsbrief over het Nationaal Programma Vitale Regio’s terug tekomen op de dekking hiervan. Kan de Minister aangeven wanneer hijdaarop terug zal komen? Dan kan ik dat als een toezegging opschrijven.Minister Heerma:Er komen twee brieven. Ik zal het nog even expliciet maken. De eerstebrief gaat over de strategische agenda’s en die komt rond de zomer. Ikmeen dat de echte voortgangsbrief over de uitwerking van de agenda’s inQ4 van dit jaar komt.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8037 Helder. Dan hebben we dat op papier staan. Dan wil ik alle aanwezigenbedanken voor hun aanwezigheid. Een fijne avond nog allemaal. Tot ziens.Sluiting 16.40 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 851, nr. 8038

Versie 7b97d411555c5ccd397564364e80108fe50ed3885c8e69b4378d7087231e389c · Officiële bron.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.