KamerkringInloggen
← Verkenner

Kamerstuk · 20 jan 2026 · Tweede Kamer

Verzamelbrief Natuur

staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (naam nog niet beschikbaar)

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 576NatuurbeleidNr. 474 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ,VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 januari 2026Graag informeer ik de Tweede Kamer, voorafgaand aan het Commissie-debat Natuur van 22 januari, over een aantal onderwerpen binnen mijnportefeuilles natuur en grote wateren, onder meer over de stand vanzaken van de door Kamer aangenomen moties en aan de Kamer gedanetoezeggingen. De volgende onderwerpen komen aan bod in deze brief:•WolvenCStaat van InstandhoudingCLandelijk Informatiepunt WolvenCLandelijk Initiatief VeebeschermingCMotie over gedragsaanpassing wolf door mensen gehanteerdvalwild•SoortenbeleidCMotie onderzoeken inheemsverklaring moeflonCMotie bewustwordingscampagne gevaren van illegale handel inwilde dieren en plantenCTerugkoppeling twintigste Conference of the Parties CITESCInfractieprocedure bijvangst van bruinvissen•Jacht en faunabeheerCEvaluatie stelselherziening jacht en faunabeheerCMotie van het lid Kostic´ e.a. stilleggen jacht in verband metvogelgriep•StaatsbosbeheerCSuccesvolle samenwerking natuurinclusieve landbouw Staatbosbe-heer gaat verderCOndernemingsplan Staatsbosbeheer•Overige onderwerpenCLandelijke doelen Natura 2000CUpdate over middelen natuur en milieubeleidsplan CaribischNederlandCIntrekken BosmonitoringsverordeningCInzet landschapselementen en Groenblauwe DooraderingCAanbieding rapport vogelwaarden Hollandse Kust kst-33576-474ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4741 CRapport Evaluatie Natuursubsidie Kroondomein Het Loo 2018–2024CAanbieding rapport «Natuurherstelverordening en het Nederlandsemariene ecosysteem»CReactie op notitie «hoe is het werkelijk gesteld met onze natuurge-bieden» en open brief «Naar een evenwichtiger kijk op stikstof ennatuur»CEssay «Crisis om stikstof, een filosofisch en ook een democratischprobleem in Nederland»CUitwisselingsplatform duurzame pacht/Handreiking duurzamepachtCKennissessie bestuiversCMotie stimuleren agrarisch medegebruik van de gronden van TBO’sCMonitoringsprotocol en kennisprogramma biodiversiteit op en rondhet boerenerfCReactie op het rapport «Wetenschappelijke review beleidskaderOostvaardersplassen» van Wageningen Environmental ResearchWolvenIn december 2024 ben ik samen met provincies gestart met de LandelijkeAanpak Wolven (LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt metverschillende onderdelen van de LAW waar ik u graag over informeer. Ookkan ik resultaten met u delen van de uitvoering van twee moties overwolven. Aanvullend onderstreep ik het belang van een spoedige behan-deling door Eerste en Tweede Kamer van mijn AMvB, gezien demaatschappelijke urgentie voor meer handelingsperspectief omtrentwolven. Deze AMvB ziet toe op het verwerken van de wijziging van deEuropese beschermingsstatus in nationale regelgeving en biedt meerduidelijkheid voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.Staat van InstandhoudingDe staat van instandhouding van wolven in Nederland is nog niet bekend.In mijn brief over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven inNederland van 19 september 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ikaangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat vanInstandhouding van wolven in Nederland, door een internationaledeskundige onderzoekspartij. De opdracht hiertoe is verleend en deonderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding.Landelijk Informatiepunt WolvenOp 20 november is het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) geopend.Dit informatiepunt bevat publieksinformatie over wolven in Nederland enis een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven,via website, e-mail en telefoon. Het informatiepunt biedt feitelijke, actueleen toegankelijke informatie. Daarnaast zet het in op dialoog, vertrouwenen verbinding. Het informatiepunt is opgericht in opdracht van hetMinisterie van LVVN en de gezamenlijke provincies, verenigd in hetInterprovinciaal Overleg (IPO), en wordt uitgevoerd door BIJ12. Het LIWheeft de ambitie om de huidige informatie en functionaliteiten uit tebreiden, om zo te voorzien in de behoeftes die er leven bij het publiek,zoals bijvoorbeeld met de registratie van incidenten met wolven.Landelijk Initiatief VeebeschermingVanuit LVVN wordt financiering beschikbaar gesteld voor provincialeinitiatieven voor veebescherming. Deze financiering vindt plaats inafstemming met de provincies, BIJ12 en IPO. Hier worden goede stappengezet. De provincies hebben in september 2025 de eerste financiëleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4742 middelen ontvangen voor het uitvoeren van initiatieven die bijdragen aanhet verkleinen van de risico’s van aanvallen op gehouden dieren doorwolven. Het eerste initiatief van de provincie Drenthe, een praktijkproefwaarbij kennis wordt opgedaan en dierhouders worden ondersteund inhet plaatsen en verwijderen van mobiele wolfwerende rasters, is inoktober gestart. In november hebben ook Gelderland, Friesland enDrenthe gezamenlijk initiatieven ingediend. Ook in andere provincieswordt gewerkt aan het opzetten van initiatieven die gefinancierd kunnenworden onder het Landelijk Initiatief Veebescherming. Zoals gedeeld inmijn kamerbrief van 2 juli 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 453) is het voorprovincies ook mogelijk om gebruik te maken van Europese subsidies.Motie over gedragsaanpassing wolf door mensen gehanteerd valwildIn algemene zin maak ik me grote zorgen over gewenning van wolven aanmensen en vraag aan alle partijen die daar een rol in kunnen spelen omhet risico hierop zoveel mogelijk te voorkomen. Ik benadruk dat het heelbelangrijk is dat mensen weten dat wolven niet gevoerd mogen worden,omdat dit ook kan leiden tot gewenning van wolven aan mensen. Alswolven wennen aan mensen en daardoor minder schuw worden kan ditlevensgevaarlijke situaties opleveren.Wageningen University & Research (WUR) heeft desgevraagd en teruitvoering van de motie van de leden Van der Plas (BBB) en Graus (PVV)onderzoek gedaan naar gedragsaanpassingen van wolven aan mensenmet specifiek de vraag of wolven minder schuw worden als gevolg vandoor mensen gehanteerd valwild. Deze motie roept op tot onderzoek naarde impact van het neerleggen van valwild op het gedrag van wolven(Kamerstuk 33 576, nr. 423). Door de onderzoekers is breder gekeken, naaralle bronnen van door mensen gehanteerd aas waarbij een gedragsveran-dering van wolven zou kunnen optreden aangezien de geur van mensenop het aas aanwezig kan zijn. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om doormensen verplaatste verkeerslachtoffers of delen van geschoten dieren diezijn achtergelaten in de natuur. Voor deze aanpak is gekozen omdatwolven in Nederland op heel veel plekken in aanraking komen met degeur van mensen.Het onderzoek concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat menselijke geurop valwild ervoor zorgt dat wolven mensen minder gaan vermijden ofactiever gaan benaderen. Hieruit concludeert de WUR dat door mensengehanteerd valwild waarschijnlijk niet resulteert in een verhoogd risico ophet minder schuw maken van wolven.Bij gebrek aan Nederlandse case-studies heeft de WUR voor dit onderzoekgekeken naar buitenlandse ervaringen. Op basis hiervan, samen metkennis over de gedragsbiologie van wolven en een analyse van deomgang met valwild in Nederland, trekken de onderzoekers enkeleconclusies over wolven in Nederland. Mijns inziens bestaat de kans echterdat de Nederlandse wolven zich anders gedragen dan in het buitenland. Inhet onderzoek wordt bijvoorbeeld beschreven dat wolven in Spanjeterughoudend zijn met het eten van aas als daar de geur van mensenaanzit. In Spanje worden wolven door stropers vergiftigd, waardoor zeveel banger zijn voor mensen dan in Nederland.Omdat het onderzoek deels is gebaseerd op buitenlandse ervaringen zounader wetenschappelijk praktijkonderzoek in Nederland aanvullendeinzichten kunnen opleveren. In het kader van de LAW ben ik metprovincies in overleg over nader onderzoek naar het gedrag van wolven inNederland. Als we daar meer kennis over hebben, weten we ook hoe deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4743 Nederlandse situatie overeenkomt of juist verschilt van ervaringen metwolven in het buitenland, ook op het thema van valwild.Ik ondersteun de aanbevelingen in het rapport om gewenning doorwolven aan mensen te voorkomen, zoals bijvoorbeeld door het andersaanbieden van valwild. Dit is belangrijke informatie voor organisaties diein aanraking komen met dit thema. Daarom heb ik de resultaten en enkeleaanbevelingen omtrent het hanteren van valwild gedeeld met deprovincies en BIJ12. Daarmee beschouw ik de motie van de leden Van derPlas en Graus afgedaan.SoortenbeleidMotie onderzoeken inheemsverklaring moeflonUw Kamer heeft mij in een motie verzocht advies te vragen over deindeling van diersoorten in het wild als inheemse diersoort, exoot ofinvasieve exoot, en in aansluiting daarop advies te vragen over demogelijke status van de moeflon als inheemse diersoort in plaats vanexoot (Kamerstuk 35 334, nr. 374). Als bijlage bij deze brief vindt u hetrapport dat op mijn verzoek is opgesteld om tegemoet te komen aan dezemotie. In het rapport wordt aangegeven dat gewervelde dieren kunnenworden ingedeeld in gehouden en wilde dieren. Wilde dieren kunnen ookingedeeld worden op basis van de juridische beschermingsstatus die ophen van toepassing is. Bij dit laatste wordt een onderscheid gemaakttussen inheemse en uitheemse soorten (exoten). Zowel nationale alsinternationale instanties hanteren verschillende definities voor «exoot». InNederland definiëren we inheemse soorten als soorten die al voor het jaar1500 in Nederland aanwezig waren of daarna op eigen kracht Nederlandbereikt hebben en zich hier duurzaam hebben gevestigd. Uitheemsesoorten worden gedefinieerd als soorten die niet op eigen krachtNederland bereikten maar door de mens werden binnengebracht,opzettelijk of niet opzettelijk. Deze in Nederland gehanteerde systematiekkomt overeen met de gebruikelijke internationaal gehanteerde syste-matiek, en van die in ons omringende landen (België en Duitsland).Gelet op de hierboven genoemde criteria is het niet eenvoudig om demoeflon aan te merken als inheemse diersoort. De moeflon bevindt zich inNederland namelijk niet in zijn natuurlijke verspreidingsgebied en is doormenselijk handelen in de Nederlandse natuur terecht gekomen. Moeflonszijn tussen de jaren 1850 en 1950 vanuit Corsica en Sardinië over vrijwelgeheel Europa uitgeplaatst. Alleen in het natuurlijke verspreidingsgebiedin Italië (Sardinië) en Frankrijk (Corsica) heeft de soort de status vanbeschermde inheemse diersoort. In de praktijk wordt de soort in de restvan Europa geduld en valt hij veelal onder de jachtwet- en regelgeving.Ook in Nederland kan de moeflon een vorm van bescherming krijgen. Hetrapport concludeert dat aanwijzing van de moeflon als beschermde soort1zou betekenen dat het opzettelijk doden of vangen vergunningplichtig zouworden op grond van de Omgevingswet. Daarnaast zouden de provinciesactief beleid voor behoud en herstel van de moeflon moeten gaan voeren.Dat zou van de provincies een inspanning vergen voor deze soort, die zichin Nederland buiten haar natuurlijke verspreidingsgebied bevindt en diealleen kan worden gehouden binnen afgerasterde kleine leefgebieden.Omdat de moeflon een mooie aanvulling is op de Nederlandse biodiver-siteit en omdat het niet goed gaat met deze soort in ons land, onderzoek ikmomenteel wat de mogelijkheden en de voor- en nadelen zijn om de1Door aanpassing van de lijst van beschermde soorten in bijlage IX, onder A bij het Besluitactiviteiten leefomgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4744 moeflon te beschermen. Ik zal uw Kamer hier voor de zomer 2026 verderover informeren. Met dit rapport beschouw ik de motie als afgedaan.Motie bewustwordingscampagne gevaren van illegale handel in wildedieren en plantenIk informeer uw Kamer over de uitvoering van de motie van de ledenVestering en Akerboom (PvdD) (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1491) die deregering verzoekt om een bewustwordingscampagne te voeren metbetrekking tot de gevaren van (illegale) handel in wilde dieren en plantenvoor biodiversiteitsverlies en volksgezondheid. Er is eerder aan uw Kamergemeld dat de uitvoering plaatsvindt op verschillende sporen (internati-onaal, Europees en nationaal) en dat de activiteiten zich richten tot diversedoelgroepen. In Kamerstuk 33 576, nr. 403, heb ik uw Kamer verdergeïnformeerd over de bewustwordingsactiviteiten in het kader van dezemotie en dat, tot slot, in 2025 ingezet wordt op het vergroten van debewustwording van de impact van illegale handel in beschermde soortenop de internationale biodiversiteit. Dat doet het ministerie in afstemmingmet uitvoeringspartners in de CITES-keten, waaronder de NVWA en RVO.Om dit te bereiken worden er informatiemiddelen ontwikkeld om inzicht tegeven in de omvang en impact op de biodiversiteit van de illegale handelin dieren en planten. De (ver)koop van een illegaal verhandeld product ofexemplaar/specimen staat niet op zichzelf en de impact vindt plaats in hetland van herkomst. Bovendien is dierenwelzijn (vaak) in het geding als hetgaat om smokkel van bedreigde dieren. Inzicht in het grotere plaatje isbelangrijk voor het kunnen plaatsen van een handeling of overtreding inde context van de achteruitgang van de internationale biodiversiteit.In dit kader is er extra aandacht besteed aan de handel in hout, omhandelaren te informeren over de legale en duurzame invoer vanhoutproducten. De RVO heeft hiervoor een nieuwsbrief gemaakt eninformatie beschikbaar gesteld op de RVO site.2 Om de illegale handel inbedreigde dier- en plantsoorten online terug te dringen heeft de NVWAafspraken gemaakt met online platforms over het identificeren enverwijderen van advertenties waarin mogelijk illegaal verkregen wildlife(producten) worden aangeboden. Daarnaast, op het gebied van(voedings)supplementen, communiceert de NVWA met de branche in hetkader van het verbeteren van de informatievoorziening over CITES-soorten. De NVWA ontwikkelt communicatieproducten met als doel detraceerbaarheid en kennis over de CITES-regelgeving met betrekking totvoedingssupplementen te verbeteren voor bedrijven die deze productenproduceren, importeren of verhandelen. Met deze inzet beschouw ik demotie (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1491) als afgedaan. Daarbij wil ikopmerken, dat bewustwordingsactiviteiten een blijvend onderdeel zijn vande implementatie van CITES in Nederland.Terugkoppeling twintigste Conference of the Parties CITESVan 24 november tot en met 5 december 2025 vond de 20ste CITESConferentie van de Partijen (CoP20) plaats in Samarkand, Oezbekistan. HetKoninkrijk der Nederlanden nam samen met meer dan 160 landen(CITES-partijen) deel. Zowel in de periode toewerkend naar de CoP20 alstijdens de onderhandelingen van CoP20 was de Nederlandse delegatieactief in EU-verband en CITES-werkgroepen. De inzet richtte zich hierbijop voorstellen van haaien en houtsoorten en op resoluties en besluitenvoor onder meer paling, zeeschildpadden, grote katachtigen en diepzee-2https://www.rvo.nl/onderwerpen/cites/cites-soort/hout.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4745 haaien. Ik heb uw Kamer over mijn inzet geïnformeerd op 30 september2025 met Kamerstuk 31 379, nr. 26.Van de 51 voorstellen over aanpassingen van de beschermingsstatus vansoorten zijn er 39 aangenomen. Hiervan is een aantal aangepast inwerkgroepen tijdens de CoP20, om de verschillende inzichten van partijengoed te kunnen meenemen. Onder meer zijn de ruwe haai en een familievan diepzeehaaien (de Centrophoridae) onder CITES Appendix, deinternationale handel in Appendix II soorten wordt gereguleerd metvergunningen. De oceanische witpunthaai, de walvishaai en allemantaroggen (Mobulidae) zijn van Appendix II naar Appendix I verplaatst.Voor soorten op Appendix I is commerciële internationale handel niettoegestaan. Ook zijn er besluiten aangenomen om voor alle diepzeehaai-soorten beheer en bescherming te verbeteren en te komen tot eenduurzame handel. Vier groene kikkersoorten zijn opgenomen opAppendix II van CITES. Voor internationale handel in voedselproductenzoals kikkerbillen zijn nu vergunningen nodig.Ook is er een akkoord bereikt over de bescherming voor de houtsoortPernambuco (Paubrasilia echinata). Deze soort is endemisch voor Braziliëen voldoet wetenschappelijk gezien aan de criteria van Appendix I. Vanhet hout van deze soort worden onder andere strijkstokken gemaakt. Eenverbod op commerciële handel zou gepaard gaan met grote uitdagingenvoor de uitvoering. Nederland heeft tijdens de CoP20 deelgenomen aaneen werkgroep om samen met EU-lidstaten, Brazilië en andere partijeneen alternatief uit te werken. Dit alternatief is uiteindelijk aangenomen.Pernambuco blijft op appendix II, maar de annotatie is aangescherpt. Dezeannotatie zorgt ervoor dat musici met reeds in het bezit zijnde strijk-stokken vrij kunnen reizen, ten behoeve van optredens. Wel zullen er voorcommerciële handel van bepaalde producten CITES-documenten nodigzijn.Niet alle voorstellen zijn aangenomen. Eén van de afgewezen voorstellenbetreft een EU-voorstel om alle palingsoorten op Appendix II te zetten(Anguilla spp.). Er werd getwijfeld aan de wetenschappelijke onder-bouwing. Voor de paling is er wel een stevige CITES-Resolutie aange-nomen waar Nederland, namens de EU, zich voor heeft ingezet. DeResolutie richt zich op een betere bescherming, gegevensuitwisseling enhandhaving van alle palingsoorten, ook de soorten die niet op CITESstaan. Dit is uniek. Hieruit blijkt dat internationale samenwerkingbelangrijk wordt gevonden. De bescherming van de Europese paling(Anguilla anguilla) onder CITES verandert niet, deze soort staat al jaren opAppendix II. Nederland ziet de resolutie als een belangrijke eerste stap omgezamenlijk de bescherming van alle palingsoorten te verbeteren enmogelijk in de toekomst te komen tot een gezamenlijk voorstel voor debescherming van alle palingsoorten onder CITES.De uitkomsten van CoP20, waar meer dan 300 besluiten zijn genomen,worden goed bestudeerd om te kijken wat deze voor verschillendedoelgroepen betekenen. De besluiten treden na 90 dagen in werking(5 maart 2026). In een aantal gevallen is de inwerkingtreding uitgesteld.Deze treden na een overgangstermijn in werking. De wijzigingen wordenverwerkt in de Europese verordeningen. Dit zal uiterlijk in april 2026worden gerealiseerd. Tot die tijd gelden de internationale regels en nogniet de EU-regels. Goede en heldere communicatie is belangrijk. HetCITES-bureau van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4746 draagt zorg voor de implementatie en communicatie naar de branches enparticulieren.3Terugkijkend zijn er veel resultaten geboekt voor de instandhouding vanbedreigde dier- en plantsoorten tijdens CITES CoP20. Tegelijkertijdconstateer ik dat de uitvoering en handhaving wereldwijd de komendejaren een enorme opgave zijn, wat extra capaciteit vergt. Ook voorNederland is dat een aandachtspunt om in EU- en CITES-verband zich inte kunnen blijven zetten voor een adequate implementatie van degenomen besluiten.Infractieprocedure bijvangst van bruinvissenOp 21 november jl. heeft de Europese Commissie een met redenenomkleed advies (MROA) gestuurd ten aanzien van de infractieprocedurebijvangst van bruinvissen. Ik zal binnen de gestelde termijn vantwee maanden een reactiebrief sturen.Jacht en faunabeheerEvaluatie stelselherziening jacht en faunabeheerOp 3 juli 2025 heeft uw Kamer een motie van de leden Kostic´ en Graus(Kamerstuk 33 576, nr. 455) aangenomen waarin wordt opgeroepen eenuitgebreide, externe en onafhankelijke evaluatie te laten uitvoeren van hethuidige stelsel van jacht en faunabeheer. Deze evaluatie moet onder meeringaan op de effecten op dierenwelzijn, de financiële aspecten en deuitvoerbaarheid, en worden uitgevoerd door een deskundig bureau, aldusde motie. De evaluatie vindt plaats binnen het kader van de stelselwij-ziging jacht en faunabeheer, die in april 2023 door de toenmalige Ministervoor Natuur en Stikstof is aangekondigd en sindsdien in samenwerkingmet provincies en in afstemming met diverse stakeholders wordtvoorbereid. In een brief aan de Kamer (Kamerstuk 33 576, nr. 459, 3 juli2025) heb ik aangegeven de stelselwijziging voort te zetten. Totdatuitvoering is gegeven aan de motie, worden geen onomkeerbare stappenbinnen dit traject gezet.Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de oproep tot een beleidse-valuatie. LVVN treedt op als opdrachtgever van de beleidsevaluatie.Omdat de evaluatie het gehele stelsel omvat, waaronder ook de rollen enbevoegdheden van de provincies is nauwe betrokkenheid van deprovincies essentieel. Een offerte-uitvraag voor de evaluatie is deafgelopen periode in meerdere afstemmingsronden ambtelijk besprokenmet alle provincies, BIJ12 en het IPO. Vervolgens zijn de hoofdlijnen en descope van de beleidsevaluatie bestuurlijk aan de provincies voorgelegd.Ook faunabeheereenheden en belangengroepen vanuit landbouw, jacht,terreinbeheer en dierenbescherming hebben aandachtspunten kunnenaandragen.Centraal in de evaluatie staan de wettelijke bepalingen op dit terrein en demanier waarop verschillende partijen hier uitvoering aan geven. Conformde motie wordt specifiek aandacht besteed aan dierenwelzijn, financiën enuitvoerbaarheid.3https://nieuws.rvo.nl/ct/m11/k1/R1qgpE1fAd6ZcqjYNilx2FHKK1teunHpBgX4tnu1Qyn3iY1bwqZ3pTp8grPwhFRhoe8jmi6uliO57O_QqnWTh5NVM1NbxgfMSqmPuT7xlww1wHJtNyR1RkZON9cCUbcB/hGNaYjS9RwVChJK.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4747 De planning is dat de evaluatie in febuari van start kan gaan en dat heteindrapport in de zomer van 2026 wordt opgeleverd. Ik zal de uitkomstenvan de evaluatie met uw Kamer delen.Motie van het lid Kostic´ e.a. stilleggen jacht in verband met vogelgriepUw Kamer heeft op 18 december 2025 een motie van het lid Kostic´ c.s.(Kamerstuk 28 807, nr. 314) aangenomen die de regering verzoekt om «dehobbyjacht op wilde vogels stil te leggen».De Omgevingswet kent de term hobbyjacht niet. Deze term doet wat mijbetreft ook geen recht aan de rol die jagers, veelal op vrijwillige basis,vervullen bij het beheer van populaties wilde dieren. Jagers kunnen omuiteenlopende redenen beheermaatregelen nemen, waaronder hetbeperken van schade aan landbouwgewassen, verkeersveiligheid enbehoud van de biodiversiteit. Ik beperk mij hier daarom tot het gebruikvan de term jacht, zoals die in de Omgevingswet wordt omschreven. Opbasis van het jachtrecht mogen dieren van de vijf wildlijstsoorten (haas,konijn, wilde eend, fazant en houtduif), binnen het jachtseizoen en metinachtneming van geldende wet- en regelgeving, worden gedood.De Minister van LVVN heeft tijdens het plenaire debat over de vogelgriepvan 18 december jl. benadrukt dat de risico’s op verspreiding vanvogelgriep en de invloed van vogelgriep op de betreffende populatie opzichzelf onvoldoende reden zijn om een jachtverbod in te stellen alspreventiemaatregel tegen vogelgriep op grond van de Wet dieren.Vogelgriep is al breed aanwezig bij wilde vogels in het land. Jacht (of deafwezigheid daarvan) heeft daarmee geen substantiële invloed op deverspreiding van vogelgriep. Er zijn derhalve geen veterinaire argumentenom vanwege vogelgriep een jachtverbod in te stellen. Met het oog op demotie van uw Kamer zullen wij de in die motie opgenomen vraag tertoetsing nog voorleggen aan experts op het gebied van veterinaire risico’svan dierziekten. Ik zal uw Kamer hierover voor het zomerreces 2026informeren.StaatsbosbeheerSuccesvolle samenwerking natuurinclusieve landbouw Staatbosbeheergaat verderIk stuur u hierbij de rapportage van de resultaten van het programmaSamenwerking Natuurinclusieve landbouw Staatsbosbeheer (bijlage).Sinds 2019 voert Staatsbosbeheer dit programma in opdracht van hetMinisterie van LVVN uit. In dit programma sluit Staatsbosbeheer 12-jarigesamenwerkingsovereenkomsten af met agrarisch ondernemers die hungehele bedrijf stapsgewijs natuurinclusiever maken, waarbij natuurgrond– veelal graslanden – 12-jarig in pacht wordt gegeven. Dit geeft boeren deruimte om hun bedrijfsvoering te extensiveren; de langjarige zekerheid isdaarbij belangrijk. Tegelijkertijd vermindert door de natuurinclusievebedrijfsvoering de milieudruk op de natuurgebieden. Staatsbosbeheerbeheert 110 van de 130 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uit derapportage blijkt dat er de afgelopen jaren heel veel is geleerd over hoe desamenwerking vorm te geven en wat de potenties ervan zijn. Het aantalsamenwerkingsovereenkomsten groeit, net als het aantal boeren datbelangstelling heeft voor de samenwerking. Kennis en ervaringen wordengedeeld met andere natuurorganisaties en breder. Het programma levertkennis op die voor meerdere beleidsopgaven van belang is, in hetbijzonder de combinatie van een natuurinclusieve bedrijfsvoering metagrarisch natuurbeheer. Ook worden steeds meer goede voorbeelden enresultaten opgeleverd. De aanpak is echter nog geen gangbare praktijk enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4748 er is ook nog niet genoeg ervaring opgedaan met een gebiedsgerichteaanpak. Dat is ook reden om de opdracht met twee jaar – tot en met 2027– te verlengen en dat Staatsbosbeheer in een of enkele pilots ook demogelijkheden gaat onderzoeken om met de natuurinclusieve samen-werking bijdragen te leveren aan het realiseren van gebiedsdoelen inovergangsgebieden.Ondernemingsplan StaatsbosbeheerOvereenkomstig de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer stelt Staats-bosbeheer (SBB) eenmaal per vijf jaar een ondernemingsplan op. In datondernemingsplan liggen de visie en de doelen voor de komende vijf jaarvast. Het huidige ondernemingsplan 2020–2025 dateert van eind 2019 endaarvan is inmiddels het laatste uitvoeringsjaar ingegaan. Het nieuweondernemingsplan voor 2026 t/m 2030 is in concept aan mij aangebodenmet het verzoek om een formele reactie vanuit het Ministerie vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur te geven. Dit wordt opbasis gedaan van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer waarin staatdat de Raad van Toezicht (RvT) het ondernemingsplan vaststelt, gehoordhebbende de verantwoordelijk bewindspersoon.De afgelopen periode is een nieuw ondernemingsplan met nieuwe koersopgesteld door SBB waarbij uitgebreide consultaties met stakeholders,waaronder de aan SBB verbonden adviesraden, onderdeel waren van devoorbereiding. Ook is daarbij door SBB gebruikgemaakt van de meestrecent uitgevoerde wettelijke evaluatie, interne expertise en inzichtenvanuit maatschappelijke ontwikkelingen, met name in het ruimtelijkdomein. Dit heeft geleid tot een concept ondernemingsplan dat als titel«In dienst van de toekomst» heeft gekregen. Het document beschrijft dedoelen en visie van SBB voor de periode 2026–2030 waarin een belang-rijke wijziging de herziening van de inhoudelijke positionering van SBB is:SBB stelt de komende jaren natuurbeheer nadrukkelijk centraal in debedrijfsvoering. Daarnaast is SBB aan de slag gegaan met mijn wens voorcertificering van terreinbeherende organisaties op basis van doelsturing.SBB is bezig met het opzetten en uitvoeren van pilots betreffende hetverkennen van deze certificering en is daar voortvarend werk van aan hetmaken.Ook legt SBB extra focus op monitoring in het kader van de basislijn vande Natuurherstelverordening en de bijbehorende intensivering van demonitoringactiviteiten voor het verkrijgen van een beter beeld van destaat van de natuur. Ik onderstreep het belang hiervan en ook hier weetSBB een extra focus op te leggen.De RvT van SBB heeft vanaf het begin van de totstandkoming van ditondernemingsplan meegedacht en geadviseerd over de koers en deuitwerking ervan. De RvT heeft eind september ingestemd met hetconcept ondernemingsplan en heeft besloten om die versie aan mij voorte leggen.Gelet op het bovenstaande heb ik geen bezwaar gehad tegen devaststelling op 12 november door de RvT van het nieuwe onderne-mingsplan voor de periode van 2026 t/m 2030. Dit nieuwe onderne-mingsplan is gepubliceerd op de website van SBB.44https://www.staatsbosbeheer.nl/-/media/07-over-staatsbosbeheer/ondernemingsplan-staatsbosbeheer-2026-2030.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 4749 Overige onderwerpenLandelijke doelen Natura 2000Tijdens het commissiedebat Natuur van 19 juni 2025 (Kamerstuk 33 576,nr. 462) heb ik toegezegd de Kamer te informeren over de reacties op deinternetconsultatie inzake de vernieuwde landelijke doelen voorNatura 2000-habitattypen en -soorten, de eventuele tegenstrijdigheden indeze doelen die daarin zijn aandragen en over de eventuele wijzigingendie hieruit volgen. Alle reacties op de internetconsultatie zijn nu gewogen,wat in enkele gevallen heeft geleid tot een verandering in het doelendo-cument. Ook is de meest recent gemeten staat van de natuur verwerktzoals die is gerapporteerd aan de Europese Commissie. Ik zal de vastge-stelde vernieuwde landelijke doelen publiceren in de Staatscourant enbeschikbaar stellen op www.natura2000.nl.Enkele reacties uit de internetconsultatie betroffen mogelijke tegenstrij-digheid van doelen, en ik heb de Kamer toegezegd hier specifiek naar tekijken. Deze reacties gaan niet over de landelijke doelen zelf, omdat derespondenten veelal aangeven dat volgens hen bepaalde natuurwaardenniet op hetzelfde moment in hetzelfde gebied realiseerbaar zijn. Voordeze situaties is in het Beleidskader Doelwijziging (BKDW) dat ik dit jaarheb gepubliceerd op www.natura2000.nl beschreven hoe hiermee om tegaan. In het consultatieverslag dat eveneens beschikbaar is opwww.natura2000.nl en op www.internetconsultatie.nl zijn de reacties overconflicterende doelen specifiek beantwoord, ook al gaan ze in principeniet over landelijke doelen. Op landelijk niveau zijn er geen conflicterendedoelen; ook bij nadere beschouwing van deze doelen blijken ze oplandelijk niveau onderling niet te conflicteren.Met de publicatie van het BKDW is ook de motie van het lid Bisschop overeen betere prioriteitstelling in het Natura 2000-beleid (Kamerstuk 32 670,nr. 188) uitgevoerd en met bovenstaande alinea’s ben ik toezeggingTZ202506-073 nagekomen.De vernieuwde landelijke doelen geven voor de soorten en habitattypenwaarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen aan «hoeveel genoegis» voor een gunstige staat in Nederland als geheel. De vernieuwdedoelen zijn, ten opzichte van de bestaande verouderde doelen uit 2006,scherper afgebakend en niet hoger dan Europees verplicht. Dezelandelijke doelen hebben geen directe rechtsgevolgen, maar hebben eenagenderend karakter. Er wordt bij toestemmingsverlening in het kader vangebiedsbescherming niet getoetst aan de landelijke doelen, maar aan deinstandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (oftewel degebiedsdoelen). De landelijke doelen zijn per soort en habitattype zodaniggekozen dat deze haalbaar zijn in 2050. Daarmee beschikt Nederland weerover actuele landelijke doelen, zonder «nationale koppen», op hetminimale niveau dat de Vogel- en Habitatrichtlijn vraagt. Dit steltNederland in staat om in het Natuurplan concrete doelen voor deinspanningsverplichting voor de verschillende doeljaren in het Natuurplanvan de NHV te formuleren, eveneens op niet meer dan het vereisteniveau. Rond 2032 wordt bezien of er aanleiding is om de landelijkedoelen opnieuw te actualiseren.Update over middelen natuur en milieubeleidsplan Caribisch NederlandHet Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) werd in2020 vastgesteld voor een periode van tien jaar. Voor de uitvoering van deeerste fase werd 42 miljoen euro beschikbaar gesteld. In de afgelopenjaren is dit volledige bedrag ingezet voor de uitvoering van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47410 beleidsplan om onder andere de druk op de koraalriffen te verminderen.Er zijn belangrijke stappen gezet om de natuur op Caribisch Nederland teherstellen, en de milieuproblematiek aan te pakken.Eind vorig jaar volgde een evaluatie van deze eerste fase. De bevindingenzijn deze zomer met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 33 576,nr. 461). Tegelijkertijd laten verschillende rapporten, waaronder de Staatvan de Natuur Caribisch Nederland, zien dat ondanks deze inspanningende natuur onder grote druk staat. Dit komt door lokale achterstanden,beperkte uitvoeringscapaciteit en kwetsbaarheid van de ecosystemen.Het is belangrijk het werk aan natuur en milieu niet alleen voort te zetten,maar ook te versterken. De doelen uit het NMBP dragen ook in belangrijkemate bij aan de klimaatadaptatie-aanpak voor Caribisch Nederland en zijnals zodanig ook benoemd in de Greenpeace Bonaire Klimaatzaak. Daaromis samen met de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de Openbare Lichamen verkendwat er nodig is om de doelen van het beleidsplan in 2030 daadwerkelijk tekunnen halen. Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen op welkambitieniveau wordt ingezet voor de tweede fase van het Natuur- enMilieubeleidsplan Caribisch Nederland.Intrekken BosmonitoringsverordeningOp 21 oktober jl. heeft een meerderheid in het Europees Parlement hetwetsvoorstel voor een verordening voor een monitoringskader voorveerkrachtige Europese bossen verworpen. Na deze verwerping door hetEuropees Parlement, heeft de Europese Commissie aangekondigd hetwetsvoorstel in te trekken. Daarmee worden de onderhandelingen overeen bosmonitoringsverordening beëindigd, omdat de standpunten van deEU-instellingen hierover te ver uit elkaar blijken te liggen om overeen-stemming te bereiken.De Europese Commissie heeft op 22 november 2023 een eerste voorstelvoor de bosmonitoringsverordening gedaan. De Raad bereikte op16 juni jl. een Algemene Oriëntatie. Nederland heeft zich in de onderhan-delingen in de Raad conform BNC-fiche opgesteld, zoals gedeeld met uwKamer op 19 januari 2024 (Kamerstuk 22 112, nr. 3867, Bijlage 1124476).Inzet landschapselementen en Groenblauwe DooraderingTen aanzien van mijn inzet op het vergroten en herstellen van het areaallandschapselementen heb ik samen met Stichting Deltaplan Biodiversi-teitsherstel (SDB) de afgelopen jaren uitvoering gegeven aan deincidentele middelen voor het opschalen van het Aanvalsplan Landschap(€ 14 miljoen). Via twee collectieve aanvragen van het AanvalsplanLandschap met SDB als penvoerder worden in totaal 27 projecten vanboeren- en landschapsorganisaties gerealiseerd. De projecten leggensamen 280 hectare vlakvormige landschapselementen (bosjes en poelen),280 kilometer aan lijnvormige elementen (houtwallen en hagen) en bijna6.000 solitaire bomen aan. Deze elementen verrijken het landschap endragen bij aan een aaneengesloten netwerk van groene en blauwelandschappelijke elementen onder de noemer Groenblauwe Dooradering(GBDA).De ervaringen bij het aanleggen van landschapselementen wordengedeeld in de Community of Practice van het Aanvalsplan Landschap. Metdeze aanpak is veel geleerd over de randvoorwaarden die nodig zijn om tekomen tot succesvolle aanplant. Het gaat hierbij om de opbouw vanvergoedingen, samenwerking tussen partijen en de logistiek die komtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47411 kijken bij de voorbereiding en aanplant zelf. Deze lessen neem ik mee inde verdere uitwerking van GBDA in het Natuurplan en het AgrarischNatuurbeheer (ANB) (Kamerstuk 33 576, nr. 460) waarover ik eerder hebgecommuniceerd. Op deze manier geef ik invulling aan de motieBromet-Thijssen (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 49) om te komen tot eeneffectief systeem van vergoedingen waarmee landschapselementenhersteld en onderhouden worden en bijdragen aan het verdienmodel vande boer. Hiermee beschouw ik de motie als afgedaan.Aanbieding rapport vogelwaarden Hollandse KustOp 1 september 2025 is met uw Kamer het vervolgonderzoek concentra-tiegebieden voor vogels van (inter)nationaal belang op zee gedeeld(Kamerstuk 33 450, nr. 134). Dat onderzoek ging over een vogelkerngebiedverder op zee. In dat onderzoek werd verwezen naar een rapport overHollandse Kust, een gebied in de kustzee. Dit rapport over Hollandse Kustwas nog niet openbaar gemaakt, omdat het nog geen definitieve versiewas. Het rapport is nu wel definitief en staat op de website vanWaardenburg Ecology.5Rapport Evaluatie Natuursubsidie Kroondomein Het Loo 2018–2024De evaluatie richtte zich op de doelmatigheid en doeltreffendheid van desubsidie van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid enNatuur (LVVN) aan Kroondomein Het Loo (KDHL) in de periode 2018–2024.Voor deze evaluatie (zie bijlage) is een bureaustudie gedaan en zijngesprekken gevoerd.Het adviesbureau dat het onderzoek uitvoerde, concludeert dat desubsidie aan KDHL zeer doelmatig is doordat het subsidie-instrumenteenvoudig en goed navolgbaar is. Ook leidt het subsidieproces totbeperkte bureaucratie voor zowel de subsidieontvanger als de subsidie-verlener. Daarnaast voert KDHL met de subsidie de beheermaatregelen opeen kundige en efficiënte wijze uit.Binnen de invloedssfeer is de subsidie in grote mate doeltreffend opeffectniveau, maar in beperkte mate op impactniveau. De subsidie draagtbij aan de instandhouding van de natuur binnen Het Kroondomein envoorkomt (grote) achteruitgang van de biodiversiteit. De subsidie is opzichzelf echter onvoldoende effectief om de natuur duurzaam teversterken of instandhouding van de biodiversiteit te borgen. Dit komtdoor de toenemende druk van externe factoren buiten de directeinvloedssfeer van zowel de subsidieverlener als subsidieontvanger, zoalsstikstofdepositie en effecten van klimaatveranderingen.Op basis van de bevindingen en conclusies zijn er een aantal aanbeve-lingen gedaan: 1) versterken van de randvoorwaarden voor effectiefnatuurbeheer, 2) waarborgen van een goede balans tussen de hoofddoel-stelling en de subdoelstellingen, waarbij biodiversiteit duidelijk hetzwaartepunt vormt en 3) verkennen van opties om de doeltreffendheidvan het subsidie-instrument te vergroten.5Van Bemmelen, R.S.A., R.C. Fijn, J. Gallego Zamorano, A. Goutbeek, J. de Jong & H. Schek-kerman, 2024. Vogelwaarden van de Hollandse Kust. Populatieschattingen van vogels tenbehoeve van de aanwijzing als Vogelrichtlijngebied. Rapport 23-087. Waardenburg Ecology,Culemborg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47412 Aanbieding rapport «Natuurherstelverordening en het Nederlandsemariene ecosysteem»Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «Natuurherstelverordening en hetNederlandse mariene ecosysteem» aan. Dit rapport is opgesteld doorWageningen Marine Research en zal ten grondslag liggen aan het op testellen Natuurplan in het kader van artikel 5 van de Natuurherstelveror-dening (ecosystemen).De Natuurherstelverordening (NHV) legt lidstaten een inspanningsver-plichting op om ecosystemen te beschermen en te herstellen. In 2026 zaliedere lidstaat een concept-Nationaal Herstelplan (in NederlandNatuurplan genoemd) moeten indienen bij de Europese Commissiewaarin maatregelen zijn opgenomen ten behoeve van natuurherstel. Voorhet Nederlandse mariene ecosysteem heb ik heb Wageningen MarineResearch gevraagd onderzoek te doen naar een aantal belangrijkeaspecten waarmee de opgave van de NHV verder uitgewerkt kan worden.In het rapport presenteert Wageningen Marine Research de bandbreedtevan de oppervlakten voor een zevental groepen habitats waarbinnen dekwantitatieve en kwalitatieve NHV-doelstellingen bepaald moeten worden.De in het rapport opgenomen bandbreedtes zijn erg ruim; deze wordennog nader gespecificeerd om tot een realistische implementatie van deNHV-opgave te komen. Ook is in kaart gebracht welke beschermdemariene soorten voor de uitwerking van de NHV relevant zijn, in welkestaat hun leefgebieden verkeren, en welke drukfactoren hier een rolspelen. Er wordt een aantal kennishiaten benoemd, die voor zovermogelijk nog voor 2027 worden ingevuld. Dit vervolgonderzoek zal zichmet name richten op het verkleinen van bandbreedtes, het ontwikkelenvan methodieken voor het bepalen van de toestand van habitattypes, hetin kaart brengen van geschikte herstellocaties en het opzetten van eenmonitoringsprogramma.Momenteel bestudeer ik het onderzoek om te zien in hoeverre we reedsvoldoen aan de doelstelling van de NHV en in hoeverre er mogelijkaanvullende maatregelen opgesteld moeten worden in het op te stellenNatuurplan. Hiertoe wordt een proces ingericht om stakeholders tebetrekken en ook zal internationale afstemming gezocht worden. Bij hetontwikkelen van eventuele maatregelen wordt nadrukkelijk gekeken naaralle drukfactoren zodat de maatregelen effectief en doeltreffend zijn.Op 1 september 2026 moet het concept Natuurplan ter beoordelingingediend worden bij de Europese Commissie. Uiterlijk op 1 september2027 wordt het definitieve Natuurplan vastgesteld. Gelet op het feit dat ernog kennishiaten worden ingevuld in de periode hiertussen kunnen er dusnog wijzingen plaatsvinden in het definitieve Natuurplan.Uw Kamer wordt op korte termijn in nader detail geïnformeerd over dewijze waarop de maatregelen voorgesteld in het Natuurplan tot standzullen komen en het proces rond de invulling van de doelstellingen in deNatuurherstelverordening.Reactie op notitie «hoe is het werkelijk gesteld met onze natuurgebieden»en open brief «Naar een evenwichtiger kijk op stikstof en natuur»Op 27 november jl. heeft de vaste commissie voor Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur mij verzocht (via brief met kenmerk:2025Z19394/2025D48553) om een reactie te geven op een notitie vanderden getiteld «Hoe is het werkelijk gesteld met onze natuurgebieden».Deze notitie refereert aan rapport «De Veluwe als toetssteen. EcologischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47413 monitoring als fundament voor natuurbeleid». Net als het essay «Crisisom stikstof» is het rapport gepubliceerd door de Stichting Samenleving,Landbouw en Natuur (SLN). Tevens heeft de vaste commissie voor LVVNmij verzocht (in brief met kenmerk: 2025Z18836/2025D48562) een reactiete geven op een open brief getiteld «Naar een evenwichtiger kijk opstikstof en natuur» geschreven door dezelfde stichting. Ook de open briefvan de stichting verwijst naar het rapport «De Veluwe als toetssteen». Hetleek mij derhalve passend om met name in te gaan op het SLN-rapportover de Veluwe.Laat ik ten eerste vaststellen dat ik de inspanningen van de StichtingSamenleving, Landbouw en Natuur (SLN) om mee te denken aanoplossingen voor de opgaven waar we voor staan, zeer waardeer.De hoofdboodschap van de stichting is dat er geen eenzijdige focus moetzijn op de drukfactor stikstof en dat monitoring een betrouwbaarder enjuridisch sterker fundament biedt dan stikstofmodellen. Het is inderdaadbelangrijk dat er geen eenzijdige focus ligt op de drukfactor stikstof en datalle drukfactoren die in een gebied relevant zijn, aangepakt worden. Dat ismomenteel ook het geval en zal nog verder verbeterd worden door in denatuurdoelanalyses – net als in de beheerplannen al vele jaren het geval is– aandacht te besteden aan alle drukfactoren.Ik vind monitoring van de daadwerkelijke gemeten staat van de natuurbelangrijk en monitoring hoort daarom ook centraal te staan. Daaromwerk ik in het Verbeterprogramma VHR monitoring samen met tal vanorganisaties aan de intensivering van de monitoring van maatregelen,omgevingscondities en alle drukfactoren (breder dan alleen stikstof), enVHR-doelbereik.Zowel beleidsvorming als vergunningverlening vereisen echter ookaandacht voor toekomstige effecten van drukfactoren zoals verstoring,versnippering en stikstof. Verslechtering moet immers niet slechtsbestreden worden als het reeds is opgetreden, maar moet juist wordenvoorkómen. Daarom is het gebruik van wetenschappelijke modelmatigeonderbouwing, naast monitoring, onontbeerlijk. Een toekomstige situatiekan immers niet gemeten worden. De tegenstelling die in het rapport«Veluwe als toetssteen» wordt gepresenteerd tussen modellen enmonitoring bestaat in de praktijk dus niet: beide zijn nodig en wordentoegepast.De Provincie Gelderland heeft laten weten dat het een review van deanalyses en conclusies uit het rapport laat uitvoeren zodat de provinciescherp heeft hoe de conclusies van SLN te moeten wegen. Bevindingenzullen uitwijzen óf en hoe beleid hierop zou moeten worden aangepast.Mijn ministerie is ook met de auteur van het rapport «Veluwe alstoetssteen» in contact. We hebben afgesproken contact met hem op tenemen zodra het «review» van de Provincie Gelderland beschikbaar is.Essay «Crisis om stikstof, een filosofisch en ook een democratischprobleem in Nederland»Op 27 november jl. heeft de vaste commissie voor Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur mij verzocht om een reactie te geven op hetessay «Crisis om stikstof, een filosofisch en ook een democratischprobleem in Nederland» dat is geschreven door de heer Warmerdam engepubliceerd is door de Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur(SLN). Ik waardeer de inspanningen van de heer Warmerdam om zijndenkkracht en kennis in te zetten voor oplossingen voor de opgaven waarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47414 we voor staan zeer. In zijn essay benoemt de heer Warmerdam terecht datplanten symbiotische relaties met micro-organismen aan kunnen gaanwaardoor voedingsstoffen voor de plant beschikbaar kunnen wordengemaakt. Tegelijkertijd constateer ik dat de heer Warmerdam aandergelijke feiten conclusies verbindt die in het essay niet voldoendeonderbouwd zijn om als wetenschappelijke basis te kunnen dienen voorbeleid. Zo stelt de heer Warmerdam dat overbelasting met stikstof geenprobleem is vanwege de genoemde samenwerking met micro-organismen, terwijl er een grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis isdie aantoont dat overbelasting met stikstof wel leidt tot een afname vannatuurkwaliteit en uiteindelijk verlies aan biodiversiteit6. Daarbij wordt alrekening gehouden met de hoeveelheid stikstofneerslag die de natuurlijkekringloop nog kan verwerken, de kritische depositiewaarde is immersvoor geen enkel habitat 0 mol/ha/jr.Uitwisselingsplatform duurzame pacht/Handreiking duurzame pachtIn het kader van de moties over duurzaam pachtbeleid is in 2025 gestartmet de voorbereiding van een handreiking voor medeoverheden. Tijdenseen inventarisatie die in de zomer 2025 is uitgevoerd, is verkend hoeprovincies, waterschappen, gemeenten, terreinbeherende organisaties(TBO’s) en het Rijksvastgoedbedrijf omgaan met pacht en verduurzaming.En wat hun behoeften en wensen zijn op het gebied van kennisuitwis-seling. Uit deze inventarisatie en bijeenkomst komt naar voren dat er alveel gebeurt op het gebied van duurzaam pachtbeleid. Tegelijkertijdvarieert de aanpak sterk tussen overheden, afhankelijk van hun grondpo-sitie, beleidsdoelen en lokale (bestuurlijke) context. Deelnemers gavenaan vooral behoefte te hebben aan kennisdeling, uitwisseling vanvoorbeelden en praktische, actuele informatie, meer dan aan eeneenmalige, statische handreiking.Op basis van voorgaande wordt de eerder beoogde handreikingontwikkeld tot een digitaal kennis- en uitwisselingsplatform. Het landelijkeplatform, gecombineerd met het landelijk kennisnetwerk NetwerkDuurzame Pacht, biedt de mogelijkheid om kennis (juridische kaders,voorbeeldcontracten, etc.), praktisch toepasbare instrumenten (puntensys-temen, selectiecriteria en monitoringsmethoden) en inspirerendepraktijkvoorbeelden uit verschillende regio’s te bundelen, delen en actueelte houden. Ook biedt het in een afgeschermd deel van het platform ruimtevoor thematische kennisuitwisseling met elkaar (bijvoorbeeld bodem,biodiversiteit, Didam-arrest, biologische pacht) of voor het stellen vaninhoudelijke vragen aan aangesloten specialisten. De inzet is om zogezamenlijk te komen tot een toegankelijke en duurzame kennisvoor-ziening die medeoverheden ondersteunt bij de verdere verduurzamingvan hun pachtbeleid. Hiervoor maken we gebruik van de al bestaandestructuren van het Netwerk Duurzame Pacht en de Werkplaats voorLandbouw en Natuur (in beheer bij LVVN). Het Kennisplatform wordtvanaf begin 2026 geleidelijk gevuld en steeds aangevuld naar gelang debehoeften (bijvoorbeeld naar aanleiding van het in werking treden van devernieuwde pachtregelgeving die langjarige pacht stimuleert). Hetkennisnetwerk Netwerk Duurzame Pacht zal worden gebruikt om hetkennisplatform vorm te geven en onder de aandacht te brengen.Met dit kennisnetwerk en kennisplatform geef ik invulling aan een aantalmoties die in uw kamer zijn aangenomen. Het betreft de moties Holmanen Vedder (Kamerstuk 27 924, nr. 90), Pierik en Grinwis (Kamerstuk 27 924,6Zie bijvoorbeeld Deel I, hoofdstuk 2 van de herstelstrategieën voor een uitgebreide samen-vatting van deze wetenschappelijke kennis: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/PAS/Herstelstrategieen/Deel_I_Hoofdstuk%202.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47415 nr. 92), Pierik en Grinwis (Kamerstuk 27 924, nr. 94), Van Campen enBromet (Kamerstuk 27 924, nr. 95), Kostic´ (Kamerstuk 27 924, nr. 97), DeHoop en Meulenkamp (Kamerstuk 36 687, nr. 10) en Podt (Kamerstuk36 687, nr. 14).Kennissessie bestuiversNaar aanleiding van mijn toezegging TZ202504-021 aan lid Kostic´ kan ikmelden dat het Ministerie van LVVN in de zomer van 2025 een kennis-sessie heeft georganiseerd waaraan experts van Naturalis, WENR, deVlinderstichting en EIS Kenniscentrum Insecten hebben deelgenomen. Dekennissessie ging over de benodigde maatregelen voor artikel 10 van deNatuurherstelverordening, met als doel de negatieve trend van bestuiversom te keren. Het behouden en bevorderen van bestuivers is niet alleencruciaal voor het behoud van biodiversiteit, maar speelt ook een belang-rijke rol bij het waarborgen van voedselzekerheid. De input van dekennisinstellingen wordt meegenomen in het proces met de medeover-heden voor het opstellen van het concept Natuurplan. Hiermee beschouwik deze toezegging als afgedaan.Motie stimuleren agrarisch medegebruik van de gronden van TBO’sOp natuurgronden staat het behalen van natuurdoelen voorop. TBO’s zijnhier verantwoordelijk voor. De specifieke natuurdoelen voor natuur-gronden zijn uitgewerkt aan de hand van te realiseren natuurtypes. Voorsommige natuurtypes geldt dat het behalen van natuurdoelen goedmogelijk is met extensief agrarisch medegebruik. TBO’s verpachten dezegronden zo veel als mogelijk is al aan agrariërs die aan agrarischnatuurbeheer doen. Ze worden daartoe onder andere gestimuleerd omdatze in de SNL-vergoedingen al bij voorbaat worden gekort voor potentieelte verpachten natuurgronden. Aanvullend zijn er afspraken gemaakttussen SBB en LVVN waarbij SBB met 70 boeren een overeenkomstaangaat voor agrarisch natuurbeheer op SBB gronden. Het vraagt ominzet van zowel SBB als van agrariërs om deze doelstelling ook daadwer-kelijk te behalen. Gesprekken met de TBO’s over uitbreiding vanverpachting voor agrarisch medegebruik zijn onderdeel van onzewerkwijze en deze zullen we voortzetten. Daarmee is de motie van lidPierik (Kamerstuk 27 924, nr. 93) afgedaan.Monitoringsprotocol en kennisprogramma biodiversiteit op en rond hetboerenerfOp 8 december 2022 is de regering middels motie Tjeerd de Groot c.s.(Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 35) verzocht om samen met BoerenNatuur,SoortenNL, LandschappenNL en andere belanghebbende partijen eenmonitoringsprotocol en een kennisprogramma te ontwikkelen, zodatboeren zelf de biodiversiteit op en rond het boerenerf kunnen monitoren.Dit verzoek kwam voort uit de constatering van uw Kamer dat voor hetvergroten van de biodiversiteit de hulp van boeren nodig is, bewust-wording en kennis van belang zijn, maar dat in relatie tot het ANLb noggeen onderbouwde uitspraken gedaan konden worden over de effectenvan het uitgevoerde beheer.De afgelopen periode zijn grote stappen gezet op de in de motiegenoemde onderwerpen. Zo heeft de Minister de ecologische evaluatievan het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer middels brief (Kamerstuk33 576, nr. 420) aan uw Kamer aangeboden. Middels deze evaluatie heeftWENR onderbouwde uitspraken kunnen doen over de effecten van hetANLb, en de kansrijkheid die dit instrument biedt om natuurdoelen t.a.v.het agrarisch gebied te bereiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47416 Daarnaast steun ik diverse initiatieven die stappen zetten om de kennisover biodiversiteit op en rond het boerenerf te verbeteren. Zo monitorenindividuele boeren, ondersteund door LTO Noord, BoerenNatuur en deVlinderstichting, middels het BiMAG-project nachtvlinders op en rond hetboerenerf. Binnen het PPS-project «Boeren met Biodiversiteit» ontwikkeltWageningen University een tool waarmee telers zelf verschillendegroepen biodiversiteit kunnen herkennen en monitoren, bijvoorbeeldverschillende soorten insecten, planten en vogels. Wageningen Universitywerkt aan de doorontwikkeling van de KPI’s «Gewasdiversiteit enkruidenrijk grasland» alsmede de KPI «natuur en landschap» waarmeeboeren inzicht krijgen in wat ze kunnen doen op hun bedrijf en dat kunnenaantonen richting ketenpartijen en overheid. Binnen het Kennispro-gramma Basiskwaliteit Natuur werken verschillende partners aanhandreikingen voor het monitoren van soorten. Die zullen rond de zomer2026 verschijnen. Tenslotte werkt mijn ministerie uit welke additionelemonitoringsinitiatieven er op en rond boerenerven nodig zijn om aan onzeverplichtingen uit de Natuurherstelverordening te voldoen.Met bovenstaande tools en instrumenten is in mijn ogen geborgd dat erruim voldoende kennis en tools beschikbaar zijn om de biodiversiteit open rond het erf van boeren in beeld te brengen. Middels het Agrarischnatuurbeheer, de Programmatische Aanpak Basiskwaliteit Natuur, dedoorontwikkeling van de KPI-systematiek en de inspanningen op het vlakvan de Natuurherstelverordening is een verdere doorontwikkeling inkennis en protocollen van biodiversiteitsmonitoring op en rond hetboerenerf, i.s.m. de door u genoemde stakeholders, geborgd. Ik beschouwuw motie hiermee als afgedaan.Reactie op het rapport «Wetenschappelijke review beleidskader Oostvaar-dersplassen» van Wageningen Environmental ResearchVoortkomend uit het vastgestelde «Beleidskader Beheer Oostvaarders-plassen», opgesteld door de commissie Van Geel in 2018, staat deaanbeveling om een onafhankelijke, complete, wetenschappelijkonderbouwde review van de ontwikkeling van de OVP uit te voeren. Ditnadat de maatregelen uit het Natura 2000-beheerplan in een verdergevorderd stadium van uitvoering zijn en de voorstellen uit dit advies hunbeslag hebben gekregen in het provinciale beleid en beheer.De betekenis van een wetenschappelijke review is dat er een kritischewetenschappelijke beoordeling plaatsvindt op het gevoerde beleid. Hetgaat hier dus niet om het ter discussie stellen van doelen en opgavenzoals die zijn vastgesteld voor het gebied in het kader van Natura-2000.In het vastgestelde beleidskader heeft de commissie van Geel opgenomendat zij daarbij van mening is dat in de review niet alleen moet wordeningegaan op het vraagstuk van de grote grazers. Maar ook op de realisatievan de Natura 2000-doelstellingen, ontwikkeling van vegetaties en van debiodiversiteit in het gebied in het algemeen. Met deze review wordt zodicht mogelijk bij het vastgestelde beleidskader gebleven en wordtaangesloten bij de aanbevelingen die daarin over de review zijn gedaan.Ik dank Wageningen Environmental Research (WENR) voor het uitvoerenvan de onafhankelijke, wetenschappelijke review van het beleidskaderOostvaardersplassen. Het rapport biedt een grondige en kritischebeoordeling van het gevoerde beleid en de uitvoering van de maatregelenin het kader van Natura 2000, dierenwelzijn, landschap, recreatie entoerisme.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47417 De wetenschappelijke review geeft mij het vertrouwen dat de provincieFlevoland met de uitvoering van het beleidskader op de goede weg is endat er al veel stappen gezet zijn in de uitvoering. Er is op basis van dezewetenschappelijke review geen aanleiding om bij te sturen op hetbeleidskader.Ik onderschrijf de aanbevelingen van WENR, waaronder:1.Het voortzetten en uitbreiden van ecologische monitoring, inclusiefoverige soorten, de meerjarige dataverzameling om adaptief beheerbeter te onderbouwen en de evaluatie van de graasdruk om waarnodig bijstelling van het begrazingsbeheer toe te kunnen passen.2.Het stimuleren van natuurlijke verjonging en het versterken van zachteovergangen in het landschap.3.Het formuleren van concrete doelstellingen voor recreatie en toerismeen het investeren in structurele monitoring van bezoekersaantallen.Hiermee heb ik invulling gegeven aan het verzoek van de vaste commissievoor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (kenmerk:2026Z00221/2026D00895, 13 januari 2026) om een reactie te geven op hetrapport «Wetenschappelijke review beleidskader Oostvaardersplassen»van Wageningen Environmental Research.De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,J.F. RummenieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 47418

Versie 50e3bb49d7871b4346e7438138edd24170a57d55eb77bdae7b740d12af9e6142 · Officiële bron.

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.