Stand van zaken met betrekking tot het Strafhof
Brontekst
Versie af7aaf3e195279c1 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2014–2015 28 498Het Internationaal Strafhof Nr. 34 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 21 november 2014 De Vergadering van verdragspartijen (hierna: Vergadering) van het International Strafhof (hierna: Strafhof) heeft dit najaar zitting van 8 tot en met 17 december in New York. In aanloop hiernaar informeren wij u over de laatste stand van zaken met betrekking tot het Strafhof. Tevens doen wij u, ingevolge artikel 5 van de Goedkeuringswet voor het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, de voorlopige agenda toekomen1. 1. Inleiding Het tegengaan van straffeloosheid voor internationale misdrijven is een Nederlandse beleidsprioriteit en past in het bredere buitenlands beleid om de internationale rechtsorde te bevorderen. De verplichting om interna-tionale misdrijven te voorkomen en straffeloosheid te bestrijden is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van staten. Het Strafhof neemt een centrale rol in wanneer bereidheid of capaciteit om op nationaal niveau te onderzoeken en vervolgen, ontbreekt. Als verdragspartij en gastland van het Strafhof zet Nederland zich in voor verdere versterking van het Strafhof. 2. Versterking Strafhof 2.1 Universaliteit Om straffeloosheid voor internationale misdrijven een halt toe te roepen is het belangrijk dat alle landen toetreden tot het Statuut van Rome. Sinds de laatste toetreding van Ivoorkust in februari 2013, zijn geen nieuwe landen toegetreden. Het Strafhof telt derhalve momenteel 122 verdrags-partijen. Nederland spant zich actief in voor universaliteit van het Statuut van Rome. In januari van dit jaar ontving Nederland een delegatie van 1Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl. kst-28498-34ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2014Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 341 Jamaicaanse Ministers en parlementariërs om toetreding van Jamaica te stimuleren. Daarnaast steunt Nederland verschillende initiatieven van de EU en NGO’s op het terrein van universaliteit, en stelt het dit onderwerp aan de orde bij de Universal Periodic Review van de Mensenrechtenraad en in bilaterale contacten. 2.2 Kampala-amendementen Tijdens de herzieningsconferentie van Kampala in 2010 is overeen-stemming bereikt over de definitie van het misdrijf agressie en toekom-stige uitoefening van rechtsmacht van het Strafhof hierover. De wetsvoor-stellen ter goedkeuring en uitvoering van de amendementen zijn in februari van dit jaar bij uw Kamer ingediend (Kamerstukken 33 865 (R2024) en 33 866). Het kabinet hoopt de ratificatie zo snel mogelijk af te kunnen ronden om bij de eerste dertig landen te behoren die de amende-menten ratificeren. Zodra dertig landen geratificeerd hebben zal na 1 januari 2017 door de verdragspartijen een besluit worden genomen over inwerkingtreding van de amendementen. Op dit moment hebben 18 verdragspartijen de amendementen geratificeerd. Behalve Nederland is momenteel naar schatting nog een dertigtal landen actief bezig met het ratificatieproces. Het Koninkrijk zal deelnemen aan verkennend overleg over de procedure rond de inwerkingtreding van deze amendementen. 2.3 Complementariteit Het Strafhof is de sluitsteen van een systeem waarin nationale overheden in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de naleving van verdragen waarin internationale misdrijven strafbaar zijn gesteld. Nederland zet zich zeer actief in voor de vervolging en berechting van internationale misdrijven op nationaal niveau en spoort andere landen aan om hierin eveneens hun verantwoordelijkheid te nemen. Deze inzet is in lijn met het complementariteitsbeginsel van het Statuut van Rome; nationale en internationale rechtsordes dienen elkaar te versterken. Nederland streeft samen met Argentinië, België, Senegal en Slovenië naar een multilateraal instrument voor wederzijdse rechtshulp in strafzaken voor genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Tijdens de vorige Vergadering van verdragspartijen is door middel van een gezamenlijke verklaring steun gevraagd voor dit initiatief. Tijdens de komende Vergadering zal opnieuw worden gelobbyd, onder meer met een side event waarin de noodzaak van een dergelijk verdrag wordt toegelicht. Hier zal onder meer dhr. Adama Dieng, de Speciaal Adviseur van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties inzake genocidepreventie, spreken over het belang van deze strafrechtelijke samenwerking. Ook zal landen worden verzocht formeel steun uit te spreken voor het initiatief door het ondertekenen van een verklaring die oproept tot het starten van verdragsonderhandelingen. 2.4 Samenwerking met het Strafhof Het Strafhof is afhankelijk van de samenwerking met verdragspartijen en andere landen om zijn werk uit te voeren. Deze samenwerking wordt vormgegeven door onder meer overeenkomsten op het gebied van het ten uitvoer leggen van straffen en getuigenbescherming. Doordat het Strafhof geen grondgebied heeft of autoriteit om opvolging te geven aan de beslissingen van de rechters, is vrijwillige samenwerking met staten van groot belang. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 342 In 2014 heeft Nederland met Noorwegen en het Strafhof net als in 2013 seminars georganiseerd gericht op de bevordering van samenwerking van verdragspartijen met het Strafhof. De drie seminars met deelnemers op ministerieel en hoog ambtelijk niveau waren gericht op Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen. Tijdens de seminars kwamen onder meer thema’s als getuigenbescherming, hervestiging van getuigen en de tenuitvoerlegging van straffen aan de orde. Deelnemende landen hebben aangegeven te zullen overwegen op deze onderwerpen vrijwillige overeenkomsten met het Strafhof aan te gaan. Een ander belangrijk punt van samenwerking met het Strafhof betreft de uitvoering van aanhoudingsbevelen. Het Strafhof kan slechts effectief zijn als de verdachten ook daadwerkelijk voor het Strafhof verschijnen. Nederland streeft daarom in EU-verband naar uitvoering van de openstaande aanhoudingsbevelen. Op dit moment staan er 12 aanhou-dingsbevelen open. In september dit jaar werd het meest recente arrestatiebevel uitgevaardigd voor de Soedanees Abdallah Banda Abakaer Nourain. Een ander openstaand aanhoudingsbevel sinds 2009 betreft de Soedanese President Omar Hassan Ahmad Al-Bashir. Ook in 2014 hebben enkele landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd hem weer ontvangen. Zo maakte hij onder meer een reis naar de Democratische Republiek Congo in februari 2014. Nederland onderneemt in die gevallen actie in EU-verband en waar nodig bilateraal om de betreffende landen te stimuleren het aanhoudingsbevel uit te voeren. Ook is in EU-verband afgesproken alleen essentiële contacten te onderhouden met verdachten voor wie het Strafhof een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. 2.5 Multilaterale context Nederland trekt ten aanzien van het Strafhof waar mogelijk samen op met andere landen, met name in EU-verband. Binnen de EU wordt onder meer naar overeenstemming gezocht over genoemde essentiële contacten met verdachten waar een aanhoudingsbevel tegen is uitgevaardigd, EU-demarches die de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) uitvoert en de inzet tijdens de Vergadering van Statenpartijen. Ook in de VN zet Nederland zich in voor vergroting van de coalitie ter ondersteuning van het Strafhof. Nederland leidde dit jaar wederom de onderhandelingen over de jaarlijkse resolutie over het Strafhof die in de Algemene Vergadering werd aangenomen (AVVN resolutie 68/305). Binnen de VN zet Nederland zich in voor effectieve en verantwoordelijke opvolging door de VN-Veiligheidsraad na doorverwijzingen naar het Strafhof. Het bezoek van de VN-Veiligheidsraad aan Nederland in augustus van dit jaar bood een goede gelegenheid voor het Strafhof om in gesprek te gaan met de Veiligheidsraad. Nederland is lid van het Informal Ministerial Network on the International Criminal Court. Dit netwerk bestaat uit ongeveer dertig landen en beoogt politieke steun voor het Strafhof te versterken. 3. Inzet Nederland tijdens de 13e Vergadering van verdragspar-tijen (8–17 december 2014) Tijdens de Vergadering zal een nieuwe voorzitter van het Bureau van de Vergadering worden verkozen. Namens de groep van Afrikaanse verdragspartijen is Sidiki Kaba, Minister van Justitie van Senegal, voorgedragen voor deze functie voor de komende drie jaar. Nederland steunt zijn kandidatuur. Met hem zal een nieuw Bureau, het «dagelijkse bestuur» van de Vergadering van verdragspartijen, aantreden. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 343 De Kamer zal zoals toegezegd (Kamerstuk 28 498, nr. 33) na afloop van de Vergadering een verslag ontvangen. 3.1 Rechtersverkiezingen Er zijn 17 kandidaten voor de functie van rechter voor het Strafhof genomineerd. Het verkiezen van gekwalificeerde rechters is cruciaal voor het goede functioneren van het Strafhof. Om die reden zal Nederland zorgvuldig en nauwkeurig afwegen op welke kandidaten voor de functie van rechter gestemd zal worden. Om tot die beoordeling te komen worden onder meer gesprekken gevoerd met de kandidaten en het advies van het Adviescomité voor Nominaties van het Strafhof meegewogen. 3.2 Study group on governance en amendementswerkgroep Om de effectiviteit van het Strafhof te vergroten, doet de zogeheten study group on governance aanbevelingen aan de Vergadering en voorstellen voor amendementen op de verschillende procedureregels. In 2012 heeft het Strafhof een «lessons learned» document opgesteld waarin opties worden gepresenteerd die de rechtszaken kunnen versnellen. In 2013 zijn al enkele wijzigingen in het proces- en bewijsreglement doorgevoerd en dit jaar is de discussie voortgezet. De aandacht gaat uit naar de voort-zetting van de procedure bij onverwachte en tijdelijke afwezigheid van een van de drie rechters van een kamer en de mogelijkheid van gedeeltelijke vertalingen van bepaalde procesdocumenten. Nederland steunt voorstellen die de rechtszaken versnellen, mits de voorstellen niet in strijd zijn met het Statuut van Rome en de rechten van de verdachte niet in het geding komen. In maart 2014 berichtte de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in zijn rol als depositaris van het Statuut van Rome dat Kenia gedurende de Vergadering in 2013 een aantal voorstellen voor amendering van het Statuut heeft ingediend. Deze amenderingsvoorstellen betreffen onder meer immuniteit van strafrechtelijke vervolging voor zittende staats-hoofden en uitzondering van fysieke aanwezigheid van verdachten bij het Strafhof tijdens het proces. Kenia heeft ongenoegen geuit over het feit dat deze voorstellen nog niet inhoudelijk besproken zijn en aangegeven dat deze voorstellen met voorrang dienen te worden geadresseerd. Inhou-delijk zijn de voorstellen voor Nederland onacceptabel omdat ze tornen aan fundamentele beginselen van het Statuut van Rome. Ook zijn enkele van de voorstellen niet noodzakelijk omdat het onderwerp op een andere wijze is voorzien of geregeld, zoals in het proces- en bewijsreglement. Nederland steunt de voorstellen dan ook niet. 3.3 Begroting De begroting van het Strafhof voor 2015 dient te worden goedgekeurd. Het Strafhof heeft een voorstel gedaan waarin wordt uitgegaan van een stijging van de begroting met 17,1 miljoen Euro tot ongeveer 139 miljoen Euro (stijging van 14,3 procent). De stijging van de begroting wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van het aantal situaties en zaken waarnaar de Aanklager onderzoek verricht en zaken onder de rechter. Dit is deels het gevolg van de nieuwe strategie van de Aanklager (die onder andere de inzet van meer onderzoeksteams omvat) waarmee de verdragspartijen tijdens de vergadering in 2013 hebben ingestemd. Het begrotingscomité van de Vergadering van verdragspartijen heeft de Vergadering geadviseerd om akkoord te gaan met een stijging van de begroting van ongeveer 11,4 miljoen Euro. Nederland ziet het voorstel van het begrotingscomité als een goed vertrekpunt voor de besluitvorming over de begroting. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 344 4. Rol van Nederland als gastland Nederland hecht eraan haar rol als gastland van het Strafhof zo goed mogelijk vorm te geven. Als gastland heeft Nederland, op basis van het zetelverdrag, de verantwoordelijkheid de werking van het Strafhof zo goed mogelijk te faciliteren. In het kader van deze verantwoordelijkheid vindt op diverse niveaus regulier contact met verschillende organen van het Strafhof plaats. 4.1 Voortgang nieuwbouw Strafhof De bouw van het nieuwe pand van het Strafhof op het terrein van de voormalige Alexanderkazerne in Den Haag verloopt voorspoedig en binnen het beoogde tijdsschema. Het Strafhof is voornemens eind 2015 naar de nieuwbouw te verhuizen. Het gebouw zal naar verwachting in het voorjaar van 2016 officieel worden geopend. 4.2 Overige zaken Verschillende overheidsonderdelen, evenals de betrokken Nederlandse ambassades in het buitenland, bieden in lijn met de bepalingen uit het zetelverdrag actief operationele ondersteuning aan het Strafhof. Zo wordt er ondersteuning geboden bij binnenkomst, transport en vertrek van verdachten en getuigen bij het Strafhof. Nederland ondersteunt het Strafhof om deze processen zo goed mogelijk te laten verlopen. Overwe-gingen van openbare orde en veiligheid spelen bij de facilitatie en operationele ondersteuning voor Nederland altijd een belangrijke rol. 5. Regionale thema’s en situatielanden 5.1 Positie van het Strafhof in Afrika Het blijft van belang aandacht te houden voor de negatieve sentimenten die in sommige Afrikaanse landen leven ten aanzien van het Strafhof. Nederland blijft zich actief inzetten om het draagvlak voor het Strafhof, en vervolging van verdachten van internationale misdrijven in het algemeen, in de Afrikaanse regio te behouden en te vergroten. In juni 2014 heeft de AU een wijziging in het Statuut van de nieuwe African Court of Justice and Human Rights aangenomen2. Dit regionale hof vormt een samenvoeging van de African Court of Justice en de African Court on Human and Peoples’ Rights en krijgt rechtsmacht over geschillen tussen staten, mensenrechtenschendingen en internationale misdrijven. Het statuut van dit gerechtshof is zodanig opgesteld dat zittende staatshoofden en hoge ambtenaren immuun zijn voor strafver-volging. Dit besluit doet echter niets af aan de rechtsmacht van het Strafhof over internationale misdrijven. Nederland houdt de ontwikke-lingen rondom het African Court of Justice and Human Rights nauwgezet in de gaten. 5.2 Situatielanden en voorbereidende onderzoeken Er liggen op dit moment 21 zaken voor bij het Strafhof in 9 situaties. Daarnaast zijn 8 voorbereidende onderzoeken gaande. Hieronder een overzicht van ontwikkelingen het afgelopen jaar. Om de integriteit en onafhankelijkheid van het Strafhof te waarborgen is het van belang dat verdragspartijen zich niet mengen in zaken onder de rechter. Het is, ook 2Dit besluit is te vinden op de website van de Afrikaanse Unie: www.au.int/en/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 345 vanuit de rol van Nederland als gastland, niet passend de zaken uitgebreid te becommentariëren. 5.2.1. Kenia In de Keniaanse processen worden drie verdachten vervolgd voor betrokkenheid bij het verkiezingsgeweld in Kenia in 2007 en 2008. De start van het eerste proces tegen een zittend staatshoofd, President Uhuru Kenyatta van Kenia, is al diverse malen uitgesteld. Sinds het voorjaar van 2014 stond de start voor 7 oktober 2014 gepland. Recent is de aanvangsdatum opnieuw uitgesteld, ditmaal naar aanleiding van de mededeling van de Aanklager dat zij onvoldoende bewijs heeft kunnen verzamelen. Volgens de Aanklager is het gebrek aan medewerking van de Keniaanse regering daar de oorzaak van. Op 7 en 8 oktober hebben twee pro forma zittingen plaatsgevonden om de samenwerking van Kenia met het Strafhof te bespreken. De Aanklager heeft hierbij verzocht om uitstel van het proces voor onbepaalde termijn om het bewijs alsnog rond te krijgen. De verdediging heeft verzocht om beëindiging van de zaak. Het is niet bekend wanneer de rechters uitspraak zullen doen over de medewerking van Kenia met het Strafhof en het vervolg van deze zaak. Op 21 oktober jl. informeerde de voorzitter van de Vergadering de verdragspartijen dat Kenia heeft verzocht om toevoeging van een additioneel agendapunt aan de agenda van de Vergadering om het optreden van het Strafhof in de Keniaanse situatie te bespreken. Kenia heeft diverse kritiekpunten, waaronder het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid van de Aanklager en over de wijze waarop de rechters het proces- en bewijsreglement interpreteren. Er zou sprake zijn van grove schendingen van de letter en de geest van het Statuut van Rome. Het Kabinet maakt zich grote zorgen over deze beschuldigingen aan het adres van het Strafhof. Het betreft zaken die onder de rechter zijn. Het Kabinet vindt het om die reden niet wenselijk om dit onderwerp te agenderen voor de Vergadering. 5.2.2 Democratische Republiek van Congo Op 7 maart 2014 is Germain Katanga schuldig bevonden aan een aanklacht van een misdrijf tegen de menselijkheid en vier aanklachten van oorlogsmisdrijven gepleegd in februari 2003 in de provincie Ituri in de DRC. Op 23 mei 2014 legde het Strafhof een gevangenisstraf van 12 jaar op. Na aanvankelijk hoger beroep in te hebben gesteld, hebben zowel de verdediging als de Aanklager hun beroep op 25 juni 2014 ingetrokken. Deze uitspraak is daarmee onherroepelijk geworden, en is de eerste onherroepelijke veroordeling die het Strafhof tot stand heeft gebracht. Het Strafhof dient nu een locatie aan te wijzen voor de tenuitvoerlegging van de strafoplegging. Een besluit ten behoeve van genoegdoening voor de slachtoffers volgt later. Hiernaast heeft Nederland op 6 juli 2014 in samenwerking met het Strafhof de terugkeer van een drietal gedetineerde getuigen in de DRC processen tegen Katanga en Mathieu Ngudjolo Chui ter hand genomen. Dit vertrek vond plaats na afronding van de nationale asielprocedure van betrokkenen (zie verder beantwoording Kamervragen 25 juli 2014, Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 2623. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 346 5.2.3 Soedan De VN-Veiligheidsraad verwees in maart 2005 met resolutie 1593 de situatie in Soedan door naar het Strafhof. Het Strafhof heeft nog steeds aanhoudingsbevelen, daterend uit maart 2009 en juli 2010, open staan tegen de President van Soedan Omar Hassan Ahmad Al-Bashir, voormalig Minister voor Humanitaire Zaken Ahmad Muhammad Harun (thans gouverneur), Minister van Defensie Abdel-Rahim Mohamed Hussein, vermeend Janjaweed-leider Ali Muhamad Ali Abd-Al-Rhaman, en meer recent de leider van de Justice and Equality Mouvement (JEM) Abdallah Banda Abakaer Nourain. Het gebrek aan medewerking door de Soedanese regering is onver-anderd. Nederland blijft, ook in EU-verband, de Soedanese regering oproepen om volledig met het Strafhof mee te werken. 5.2.4 Ivoorkust De aanklager heeft op eigen initiatief onderzoek ingesteld naar aanleiding van vermeende internationale misdrijven die volgden op de verkiezings-overwinning van president Ouattara in november 2010. Het Strafhof vaardigde drie aanhoudingsbevelen uit tegen voormalig president Laurent Gbagbo, zijn vrouw Simone Gbagbo en voormalig Minister van Sport en Jeugd Charles Blé Goudé. Nadat in 2011 voormalig president Gbagbo door de autoriteiten van Ivoorkust werd overgedragen aan het Strafhof is op 22 maart 2014 ook Charles Blé Goudé overgedragen. Hij wordt verdacht van misdrijven tegen de menselijkheid waaronder aanklachten van moord en verkrachting. Ivoorkust heeft echter nog altijd Simone Gbagbo niet overgedragen aan het Strafhof. Inmiddels heeft Ivoorkust de rechtsmacht van het Strafhof betwist op basis van het complementari-teitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 17 van het Statuut, omdat op nationaal niveau vervolging zou zijn ingesteld. In afwachting van een uitspraak van het Strafhof hierover mag Ivoorkust de uitvoering van de overlevering aan het Strafhof tijdelijk uitstellen. Nederland roept Ivoorkust op om het oordeel van het Strafhof over de ontvankelijkheid van deze zaak te respecteren, en indien de zaak ontvankelijk wordt geoordeeld, uitvoering te geven aan het overleveringsverzoek en volledig mee te werken met het Strafhof. 5.2.5 Libië Met resolutie 1970 van februari 2011 verwees de VN-Veiligheidsraad de situatie in Libië unaniem door naar het Strafhof. Het Strafhof heeft aanhoudingsbevelen uitgevaardigd tegen Saif Al-Islam Qadaffi en voormalig chef van de militaire inlichtingendiensten, Abdullah Al-Senussi. Saif Al-Islam werd op 19 november 2011 gevangen genomen in Libië door de Zintan militie. De Libische autoriteiten hebben het Strafhof laten weten hem zelf te willen berechten. In dit verband heeft Libië de ontvankelijkheid van de zaak bij het Strafhof betwist. Libië beriep zich daarbij op het complementariteitsbeginsel. In mei 2013 oordeelde de kamer van eerste instantie van het Strafhof dat de zaak ontvankelijk was. De beroepskamer bevestigde deze beslissing op 21 mei 2014. Belangrijkste overweging daarbij was dat Saif Al-Islam in Libië geen kans heeft op een eerlijk proces. Illegale detentie buiten staatstoezicht en het ontbreken van een advocaat vormden aanleiding voor de beslissing om de vervolging niet over te laten aan Libië. Nederland roept Libië op om zich neer te leggen bij dit oordeel van de rechters en op basis daarvan volledig mee te werken met het Strafhof en Saif Al-Islam over te dragen aan het Strafhof. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 347 Ook in de zaak van Al-Senussi speelde in 2014 het complementariteits-vraagstuk. Al-Senussi bevindt zich sinds september 2012 in gevangen-schap in Libië. In oktober 2013 besloot de kamer van vooronderzoek van het Strafhof dat de zaak tegen Al-Senussi niet ontvankelijk is op grond van het complementariteitsbeginsel aangezien Libië bereid en in staat is zelf deze vervolging voort te zetten. De beroepskamer bevestigde deze beslissing op 24 juli 2014 en derhalve mag Al-Senussi in Libië berecht worden. Nederland respecteert de uitspraak van het Strafhof, maar maakt zich tegelijkertijd zorgen over de geweldsescalatie in Libië en de gevolgen daarvan op het nationale rechtssysteem. Nederland roept de Libische autoriteiten op zich in te zetten voor garandering van een eerlijk proces. 5.2.6 De Centraal Afrikaanse Republiek Op 24 september jl. maakte de Aanklager bekend een tweede onderzoek te starten in de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR). Het nieuwe onderzoek staat los van de in 2005 door de CAR verwezen situatie en richt zich op vermeende misdrijven begaan door gewapende groepen, waaronder Séléka en Anti-Balaka, sinds 1 augustus 2012. Het onderzoek volgt wederom na een verwijzing van de situatie door de regering van de CAR zelf. 5.2.7 Oekraïne Oekraïne is geen partij bij het Statuut van Rome, maar de huidige regering van Oekraïne heeft op 17 april 2014 door middel van een verklaring op basis van artikel 12(3) van het Statuut van Rome de rechtsmacht van het Strafhof geaccepteerd met betrekking tot vermeende misdrijven begaan in Oekraïne tussen 21 november 2013 en 22 februari 2014 tijdens de (Majdan) protesten in Kiev. De Aanklager maakte in april 2014 bekend een voorbereidend onderzoek te zullen openen naar deze situatie. Onderzocht wordt of voldaan is aan de criteria voor het openen van een onderzoek. Zoals reeds aan uw Kamer gemeld, ligt betrokkenheid van het Strafhof in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar de ramp met vlucht MH17 niet voor de hand (zie onder meer beantwoording Kamervragen 576864, d.d. 27 oktober 2014). 5.2.8 De Comoren Op 5 november 2014 maakte de Aanklager de beëindiging bekend van het voorbereidend onderzoek inzake de Israëlische onderschepping van de flottielje met humanitaire hulp bestemd voor de Gazastrook in mei 2010. De Comoren, de vlaggenstaat van het schip de Mavi Marmara, verwezen deze situatie in mei 2013 naar het Strafhof. De Aanklager meent dat er een redelijke basis is om aan te nemen dat oorlogsmisdaden onder de rechtsmacht van het Strafhof zijn gepleegd op het schip de Mavi Marmara. Echter dat op basis van het Statuut prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar grootschaligere oorlogsmisdrijven. 5.3 Situaties waar rechtsmacht ontbreekt Nederland blijft aandringen op een verwijzing door de VN-Veiligheidsraad van de situatie in Syrië naar het Strafhof. Rusland en China verzetten zich tegen een verwijzing. In mei 2014 spraken deze landen hun veto uit over een door Frankrijk ingediende VN-Veiligheidsraadresolutie over verwijzing van de situatie naar het Strafhof. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 348 Zolang de situatie in Syrië door de VN-Veiligheidsraad niet is verwezen, kan de Aanklager geen voorbereidend onderzoek starten omdat Syrië geen partij bij het Statuut van Rome is en de vermoedelijke daders, in principe, geen onderdanen zijn van landen die partij bij het Statuut zijn. Het verzamelen en documenteren van bewijsmateriaal over vermeende misdrijven is in deze fase dan ook essentieel. Nederland ondersteunt organisaties zoals het Syria Justice and Accountability Centre, dat zich hiervoor inzet ten behoeve van toekomstige nationale en/of internationale vervolging. Nederland vindt het van groot belang dat initiatieven op dit terrein gecoördineerd zijn en voldoen aan de eisen van bewijsvergaring zodat dit materiaal gebruikt zal kunnen worden in eventuele toekomstige strafprocedures. Deze thema’s stonden centraal tijdens een door Nederland en Denemarken georganiseerd side event tijdens de Ministe-riële week van de Algemene Vergadering van de VN in september 2014. De wrede misdrijven begaan door Islamitische Staat (ISIS) in Irak en Syrië hebben ook voor Irak vragen over accountability en de rol van het Strafhof opgeworpen. Irak is echter geen partij bij het Statuut van Rome en er is geen verwijzing van de VN-Veiligheidsraad. Met uitzondering van gevallen wanneer de daders de nationaliteit van een verdragspartij hebben, kan de Aanklager geen onderzoek openen bij gebrek aan rechtsmacht van het Strafhof. Nederland moedigt Irak daarom aan om toe te treden tot het Statuut van Rome, de nationale wetgeving in lijn te brengen met het Statuut en op nationaal niveau internationale misdrijven te onderzoeken en vervolgen. Op 2 september 2014 legde de Aanklager een verklaring af waarin zij aangaf dat zij geen jurisdictie heeft om een onderzoek te starten naar de vermeende misdrijven begaan tijdens het gewapend conflict in Gaza van afgelopen zomer. Daarnaast vermeldde zij dat de opwaardering van de status van de Palestijnse Autoriteit in de Algemene Vergadering van de VN naar Non-Member Observer State het mogelijk maakt voor de Palestijnse Autoriteit om toe te treden tot het Statuut van Rome. Vooralsnog heeft de Palestijnse Autoriteit niet verzocht om toetreding. Het Strafhof is voor staten een onmisbaar instrument bij het operationali-seren van het beginsel van Responsibility to Protect (RtoP), gezien de vervolging van internationale misdrijven door het Strafhof, alsook de afschrikkende werking die hiervan uit gaat. Om deze belangrijke rol verder te versterken streeft het Kabinet naar een vruchtbare Vergadering met een constructieve dialoog met alle verdragspartijen. Tijdens de Vergadering kunnen belangrijke stappen worden gezet om de samenwerking tussen het Strafhof en de verdragspartijen verder te versterken en het Strafhof beter te laten functioneren. De Minister van Buitenlandse Zaken,A.G. Koenders De Minister van Veiligheid en Justitie,I.W. OpsteltenTweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 28 498, nr. 349
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.