KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda bijeenkomst van EU- transportministers 8 juni 2026 te Luxemburg (Kamerstuk 21501-33-1201)

4 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 1079ca57b80433a2 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-33Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en EnergieNr. 1212 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 juni 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 20 mei 2026 over degeannoteerde agenda bijeenkomst van EU-transportministers 8 juni 2026te Luxemburg (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1201).De vragen en opmerkingen zijn op 26 mei 2026 aan de Minister enStaatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van4 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,HuizengaAdjunct-griffier van de commissie,Van der Graaf kst-21501-33-1212ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12121 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon I. Wijzigingen in de agenda van de Transportraad Er zijn nieuwe diversenpunten bijgekomen op de agenda van de Trans-portraad. Nederland zal twee diversenpunten inbrengen op de Trans-portraad over (1) International Railpassenger Platform en over (2) lucht-vaartveiligheid – ordeverstorende passagiers. Militaire mobiliteit stond inde geannoteerde agenda aangegeven als een beleidsdiscussie; dit is eendiversenpunt geworden.Diversenpunt van Nederland: International Railpassenger Platform (IRP)Zoals aangekondigd in het schriftelijk overleg1 naar aanleiding van degeannoteerde agenda van de informele bijeenkomst van EU-transport-ministers in Cyprus wordt het zesde voortgangsbericht van het platforminternationaal personenvervoer voorbereid. Nederland is samen metOostenrijk co-voorzitter van dit platform en verwacht dit zesde voort-gangsbericht te presenteren tijdens de transportraad van 8 juni. Hetrapport kan inzicht geven in de ontwikkeling van de markt voor internati-onaal personenvervoer in Europa en zal de voortgang van de samenwer-kingsagenda tussen lidstaten en sector weergeven.Diversenpunt van Nederland: luchtvaartveiligheid – ordeverstorendepassagiersHet aantal ordeverstorende passagiers neemt wereldwijd toe en vormteen groeiend risico voor de luchtvaartveiligheid. Deze ontwikkeling vraagtom een daadkrachtige en gezamenlijke aanpak. Nationale samenwerkingalleen is daarbij onvoldoende; effectieve maatregelen vereisen juist ookEuropese samenwerking en breed draagvlak onder de lidstaten. Eenbelangrijke stap in dit kader is het onderling delen van zwarte lijstentussen luchtvaartmaatschappijen. Deze preventieve maatregel draagt bijaan het versterken van de veiligheid binnen de luchtvaartsector en geefteen duidelijk signaal af aan de samenleving dat ordeverstorend gedragniet wordt getolereerd. Daarom heb ik dit onderwerp geagendeerd op deTransportraad. Ik zou graag samen met de lidstaten, de EuropeseCommissie en de luchtvaartsector onderzoeken hoe Europese luchtvaart-maatschappijen zwarte lijsten kunnen delen en hier draagvlak voorcreëren tijdens de Transportraad.Diversenpunten van lidstaten•Oostenrijk vraagt aandacht voor de Europese spoorwegen industrie.•Spanje vraagt aandacht voor het concurrentievermogen van spoorwe-gen industrie.•Tsjechië vraagt aandacht voor het concurrentievermogen van hetconcurrentievermogen van goederenvervoer via spoor.•Griekenland vraagt aandacht voor het «European Rail Traffic Manage-ment System (ERTMS)».•België vraagt ook aandacht voor het ERTMS.1Kamerstukken II, 2026–2027, nr. 21 501-33-1198 (23 april 2026)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12122 II. Beantwoording Schriftelijk Overleg t.b.v. de Transportraad op 8 juni inLuxemburg Vragen D66-fractieVraag 1De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet de Europese Havenstra-tegie grotendeels steunt, maar delen tevens de constatering van hetkabinet dat de circulaire transitie en groene scheepvaartcorridorsonderbelicht zijn in de Europese plannen. Deze leden vragen op welkeconcrete manieren de Minister de Europese Commissie gaat aansporenom havens niet alleen als energiehubs, maar nadrukkelijk ook alscirculaire hubs te positioneren.AntwoordIn de Raadsconclusies over de Europese Havenstrategie is opgenomendat de havens een belangrijke rol vervullen in de samenwerking opgroene scheepvaartcorridors. Daarnaast wordt opgeroepen tot eenversterkte samenwerking tussen havens, industriële clusters en hubs inhet achterland om de circulaire economie te ondersteunen. Het kabinet zaldeze belangen blijven benadrukken in de relevante Europese gremia zoalshet European Ports Forum en in haar contacten met de EuropeseCommissie en andere Lidstaten van de EU.Vraag 2De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet de herziening van deTaxonomy Climate Delegated Act steunt, omdat de huidige criteria voorscheepvaart niet altijd goed toepasbaar zijn. Genoemde leden vragen deMinister toe te lichten welke specifieke knelpunten de Nederlandse haven-en scheepvaartsector momenteel ervaart met deze taxonomie, en welkeaanpassingen Nederland in Europa zal voorstellen.AntwoordDe huidige technical screening criteria voor klimaatmitigatie zeevaart(hoofdstukken 6.10, 6.11 en 6.12 van de Taxonomy Climate Delegated Act)stammen uit 2021 en houden geen rekening met recentere wet- enregelgeving, zoals FuelEU Maritime en EU ETS. Ze zien bijvoorbeeldalleen op CO2 en niet op andere broeikasgassen, staan niet toe omemissiereducties in de productie mee te wegen in de milieuprestaties vanhet schip, en zijn niet expliciet van toepassing op een aantal scheepstypendie voor Nederland van belang zijn, zoals bagger- en andere werkschepen.Vraag 3De leden van de D66-fractie merken op dat de Commissie oproept omETS-inkomsten deels in te zetten voor verduurzaming van de maritiemesector. Zij vragen of de Minister kan garanderen dat de middelen uit hetKlimaatfonds en Nationaal Groeifonds die hiervoor nationaal wordeningezet, structureel geborgd blijven, ook op de lange termijn.AntwoordOp grond van de ETS-richtlijn moeten lidstaten de ETS-veiling-opbrengsten, of een financieel equivalent daarvan, inzetten voor klimaat-en energiedoelen. Voor de maritieme sector gaat het daarbij om ETS1voor de zeevaart en, vanaf 2028, ETS2 voor de binnenvaart.Voor de periode tot en met 2031 heeft het kabinet hieraan onder meerinvulling gegeven met subsidies voor maritieme verduurzaming vanuithet Nationaal Groeifonds en het Klimaatfonds.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12123 Het belang van steun voor de verduurzaming van de maritieme sectorwordt onderschreven. De scheepvaart is een hard-to-abate sector, waarinnaast internationale beprijzing via ETS en normering via FuelEU Maritimeen RED III, gerichte en tijdige ondersteuning nodig blijft om de transitierichting klimaatneutraliteit in 2050 mogelijk te maken en tegelijkertijd deconcurrentiekracht en strategische positie van de Nederlandse maritiemesector te ondersteunen.Voor de periode na 2031 kunnen de effecten van ETS, waarondereventuele lastenstijgingen voor de sector, opnieuw worden gewogen.Daarbij kan worden bezien of aanvullende maatregelen wenselijk zijn.Vraag 4De leden van de D66-fractie lezen met instemming dat het kabinet pleitvoor een EU-brede werkgroep en een nationaal aanspreekpunt voorbuitenlandse investeringen (FDI) in havens, om de strategische autonomiete waarborgen. Deze leden vragen hoe andere lidstaten reageren op ditvoorstel en hoe de Minister voorkomt dat er in de tussentijd een race tothe bottom ontstaat waarbij buitenlandse investeerders Europese havenstegen elkaar uitspelen. Daarnaast lezen genoemde leden dat het kabinetde Europese Commissie wil aansporen haar inzet te vergroten tegenbuitenlandse invloed op kritieke infrastructuur. Zij vragen de Ministerwelke juridische of beleidsmatige instrumenten er momenteel specifieknog ontbreken in de Europese gereedschapskist om havens hiertegen tebeschermen.AntwoordHavens zijn essentieel voor onze economie, veiligheid en strategischeautonomie. Het kabinet spant zich daarom, zeker in tijden van geopolitiekespanningen, zowel nationaal als Europees nadrukkelijk in voor hetverhogen van de weerbaarheid van havens.De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren het beleidsinstrumen-tarium ter bescherming van kritieke infrastructuur aanzienlijk versterkt.Onder meer via de Critical Entities Resilience Directive, Network andInformation Systems Directive 2, European Economic Security Strategy ende herziening van de Foreign Direct Investment (FDI)-screenings-verordening. De Commissie zet via de Europese Havenstrategie eenvervolgstap om risico’s die samenhangen met de economische aanwe-zigheid van derde landen in Europese havens verder te beperken. Viaonder meer het verduidelijken van het bestaande EU-instrumentariummet sectorspecifieke richtsnoeren voor de havensector en het ontwikkelenvan een EU-breed raamwerk om buitenlandse investeringen in havensbeter in kaart te brengen en te monitoren. Daarmee zijn reeds diverseEuropese initiatieven aanwezig die de weerbaarheid van de EU tegen dittype dreiging te verhogen, maar ook een gelijker speelveld creëren endaarmee een «race to the bottom» voorkomen, waarbij individuelelidstaten tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld door buitenlandseinvesteerders.Het huidig Europees instrumentarium vormt naar het oordeel van hetkabinet een solide basis voor de bescherming van havens tegenongewenste buitenlandse invloeden. Nederland zal blijven oproepen toteen versterkte Europese inzet op de bescherming van kritieke infra-structuur en het tegengaan van ongewenste buitenlandse invloeden.Indien geopolitieke, technologische of andere ontwikkelingen daartoeaanleiding geven, dient aanvullend instrumentarium te wordenontwikkeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12124 Het kabinet ziet, gelet op de omvang van het huidige instrumentarium ende nog lopende implementatie van de bovengenoemde maatregelen innationale wetgeving, op dit moment geen specifieke juridische enbeleidsmatige voorstellen die de Commissie op dit moment dient teontwikkelen. Daarnaast beschouwen diverse Europese Lidstaten hetonderwerp voornamelijk als een nationale competentie, wat de mogelijk-heden om in de nabije toekomst de nieuwe bindende beleidsinstrumentente ontwikkelen beperkt.IenW spant zich op nationaal niveau, samen met andere departementen,in om kritieke haveninfrastructuur onder het bestaand instrumentarium teplaatsen. Zo wordt de implementatie Wet kritieke Entiteiten (Wkke) enCyberbeveiligingswet (Cbw) geïmplementeerd ten aanzien van kritiekehaveninfrastructuur. Daarnaast onderzoeken de Ministeries van Econo-mische Zaken en Infrastructuur en Waterstaat momenteel of het toepas-singsbereik van de Wet Vifo kan worden uitgebreid met (aanvullende)cruciale infrastructuur, zoals belangrijkste containerterminals. Hierbijwordt, op verzoek van de Kamer, nadrukkelijk rekening gehouden met deadministratieve lasten en regeldruk voor bedrijven.Het kabinet beziet of, en zo ja waar, op nationaal niveau, aanvullendemaatregelen nodig zijn om ongewenste buitenlandse invloed in vitalehaveninfrastructuur verder te beperken. Uw Kamer wordt hierover,conform de motie-Boelsma/Hoekstra c.s., na de zomer nader geïnfor-meerd. Bij de ontwikkeling van nieuw instrumentarium dient, naast deversterking van de nationale en Europese veiligheid, ook de doelma-tigheid en effectiviteit, gevolgen voor regeldruk, concurrentievermogen enrechtszekerheid, landenneutraliteit te worden meegewogen.Nederland heeft tot besluit nog geen kans gezien om het voorstel vooreen EU-brede werkgroep en nationaal aanspreekpunt op het gebied vaneconomische veiligheid plenair met andere Lidstaten te bespreken.Nederland zal dit aan de orde stellen op de eerstvolgende vergaderingvan het European Ports forum.Vraag 5De leden van de D66-fractie zien dat de veiligheidsmaatregelen mogelijkworden uitgebreid naar binnenhavens. Deze leden vragen aandacht voorhet voorkomen van een waterbedeffect. Zij vragen hoe de Minister borgtdat de beoogde maatregelen proportioneel zijn en niet leiden totonwerkbare administratieve lasten voor kleinere binnenhavens, terwijltegelijkertijd de verplaatsing van georganiseerde criminaliteit vanuit degrote zeehavens naar het achterland effectief wordt tegengegaan. Watbetreft de antecedentenonderzoeken voor havenarbeiders, vragen dezeleden voorts hoe het kabinet ervoor zorgt dat een EU-kader hiervoorwerkbaar is, de privacy van werknemers respecteert en of de Minister kanschetsen of er voldoende Europees draagvlak voor is.AntwoordHet uitbreiden van veiligheidsmaatregelen in binnenhavens is juistbedoeld om een waterbedeffect te voorkomen. Om de belangen vankleine (zee)havens in de strijd tegen ondermijning te behartigen is hetPlatform Ondermijning Kleine Zeehavens opgericht. Hierin werken JenV,IenW, gemeentes en kleinere havens samen om een waterbedeffect tevoorkomen en kleinere havens proportionele middelen te geven in destrijd tegen ondermijning. Het Platform Ondermijning Kleine Zeehavens iseen initiatief van de sector waarin «kleine» zeehavens verenigd zijn in eenplatform om ondermijning tegen te gaan.Wat het antecedentenonderzoeken voor havenarbeiders betreft bestaat inNL sinds maart 2025 de mogelijkheid om bij een VOG-aanvraag te kiezenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12125 voor «havengebied» als risicogebied. Hiermee kunnen werkgevers in dehavensector hun medewerkers gerichter laten screenen op relevantestrafbare feiten die specifiek voor een havengebied relevant zijn. Ditdraagt bij aan een betere controle op de toegang tot kwetsbare havenge-bieden en helpt ondermijnende (drugs)criminaliteit in de havens tegen tegaan.Een EU-kader kan hierbij ondersteunend werken, bijvoorbeeld om tevoorkomen dat havenarbeiders die in een andere lidstaat niet door descreening komen hier ook niet zomaar aan de slag kunnen.Vraag 6De leden van de D66-fractie verwelkomen de aandacht voor het Pact forSkills en bijscholing in de havensector. Zij vragen of de Minister inzich-telijk heeft hoe groot het huidige en toekomstige tekort aan technischgeschoold personeel voor de energie- en digitale transitie in de Neder-landse havens is. Ook vragen deze leden hoe het kabinet nationaleonderwijsprogramma’s gaat laten aansluiten op dit Europese Pact. Tevensvragen genoemde leden hoe de Minister wil bevorderen dat de in destrategie genoemde focus op hoogwaardige banen en sociale cohesie zichin Nederland vertaalt naar concrete kansen voor praktisch opgeleiden enzij-instromers binnen de havenlogistiek.AntwoordEr is al langere tijd sprake van een krappe arbeidsmarkt en moeilijkvervulbare vacatures in logistieke en technische beroepen in zeehavens,zoals voor functies die belangrijk zijn voor de energietransitie. Deltalinqs(de ondernemersvereniging van de haven- en industriële bedrijven inRotterdam) geeft aan dat er in 2025 circa 6.000 vacatures in de Rotter-damse haven openstonden. Daarnaast gaat de komende tien totvijftien jaar ongeveer 30% van de mensen met pensioen, terwijl functiesveranderen door energietransitie, digitalisering en automatisering. Omhet tij te keren bestaan er in Nederlandse havenregio’s al verschillendesamenwerkingen tussen havenbedrijven, onderwijsinstellingen,gemeenten en werkgeversorganisaties, zoals Deltalinqs en ORAM. Dezerichten zich op leerwerktrajecten, Beroepsbegeleidende Leerwegplekken(BBL), stages, omscholing en zij-instroom. Het kabinet wil de bestaanderegionale havenafspraken verbinden met de inzet uit de Europesehavenstrategie en het Pact for Skills en de Union of Skills, die eenbelangrijk onderdeel vormt van de Europese inzet op concurrentiever-mogen. Door deze regionale aanpak te koppelen aan de Europese inzet opvaardigheden, hoogwaardige banen en sociale cohesie kan de Europesehavenstrategie concreet bijdragen aan kansen voor praktisch opgeleidenen zij-instromers in de havenlogistiek, techniek en energietransitie. Daarbijzal het kabinet in het kader van de herziening van de Havennota2020–2030 bezien hoe de nationale onderwijsprogramma’s, vanuit hetActieplan Groene en Digitale Banen, zoals Sterk Techniekonderwijs,Techkwadraat, het Stagepact MBO en Leven Lang Ontwikkelen, beterkunnen worden verbonden met de regionale arbeidsmarktaanpakken inde Nederlandse zeehavens.Vraag 7De leden van de D66-fractie hebben tot slot kennisgenomen van devoorliggende Raadsconclusies over de Europese Havenstrategie. Zij lezendat het kabinet de strategie op bepaalde onderdelen onvoldoendeconcreet vindt, onder meer waar het gaat om buitenlandse investeringenin havens. Genoemde leden merken op dat in het rapport Port Politics vanClingendael bindende maatregelen worden aanbevolen, waaronderEuropees vastgestelde rode lijnen over buitenlandse betrokkenheid,terwijl de Commissie inzet op niet-bindende richtsnoeren. Zij vragen deMinister of hij het noodzakelijk acht dat er nieuwe, bindende maatregelenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12126 komen om de strategische autonomie van onze havens écht tebeschermen, en op welke punten hij de strategie via de Raadsconclusiesexact wil aanscherpen.AntwoordNederland is voorstander van een sterk en doelmatig Europees instru-mentarium voor de bescherming van vitale (haven)infrastructuur, waarbijwaar nodig gelijk gebruik wordt gemaakt van bindende regelgeving. Ditdraagt bij aan het waarborgen van een gelijk speelveld binnen deEuropese Unie en aan het versterken van de weerbaarheid van de Unie alsgeheel.De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren het beleidsinstrumen-tarium ter bescherming van kritieke infrastructuur aanzienlijk versterkt –zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4. Deze beleidsinstrumentenvormen in de ogen van het kabinet een solide basis voor de beschermingvan havens tegen ongewenste buitenlandse invloeden en wordenmomenteel nationaal geïmplementeerd.Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om actief te pleiten voornieuwe concrete bindende maatregelen op Europees niveau. Wel zalNederland blijven oproepen tot een versterkte Europese inzet op debescherming van kritieke infrastructuur en het tegengaan van ongewenstebuitenlandse invloeden. Indien geopolitieke, technologische of andereontwikkelingen daartoe aanleiding geven, kan verdere uitbreiding van hetinstrumentarium aan de orde zijn. Het kabinet ziet hiervoor voldoendeaanknopingspunten in de huidige Raadsconclusies.Het kabinet beziet tevens of, en zo ja waar, op nationaal niveau, aanvul-lende maatregelen nodig zijn om ongewenste buitenlandse invloed invitale haveninfrastructuur verder te beperken. Uw Kamer wordt hierover,conform de motie-Boelsma/Hoekstra c.s., na de zomer nader geïnfor-meerd.Vraag 8De leden van de D66-fractie hebben tevens kennisgenomen van hetBNC-fiche inzake het Actieplan beveiliging van en tegen drones. Dezeleden lezen dat het kabinet het van belang acht dat bij de integratie vanU-Space en Europese detectie-initiatieven, zoals de inzet van telecommu-nicatienetwerken (5G) en open databronnen, de privacy en gegevensbe-scherming strikt worden geborgd. Genoemde leden vragen de Minister opwelke concrete wijze hij in de Raad en bij de Europese Commissiewaarborgt dat de massale datafusie en monitoring proportioneel blijvenen te allen tijde voldoen aan de strenge Europese privacyrichtlijnen.AntwoordHet kabinet onderschrijft het belang van veilige integratie van drones inhet luchtruim. Daarbij is het van belang dat eventuele detectie- encounterdrone maatregelen proportioneel zijn en plaatsvinden binnen degeldende nationale en Europese kaders voor privacy en gegevensbe-scherming. Ook in de verdere uitwerking van het Actieplan zal dit kritischbeoordeeld worden. Voor de uitwisseling van data en de proportionaliteitzijn de aanbieders en overheden gehouden en gebonden aan de strenge(inter)nationale regelgeving en privacyrichtlijnen.Vraag 9De leden van de D66-fractie merken voorts op dat de Commissie inzet opde ontwikkeling van dual-use technologie en het stimuleren van Europeseproductiecapaciteit om de strategische autonomie te vergroten. Zij lezenover de inzet op onder meer vrijwillige gezamenlijke inkoopinitiatieven.Genoemde leden vragen de Minister of hij deze voorgestelde, veelalvrijwillige en ondersteunende, Europese maatregelen robuust genoegTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12127 acht om op korte termijn de ongewenste afhankelijkheid van derde landenvoor kritieke (counter-)dronetechnologie daadwerkelijk af te bouwen.AntwoordHet kabinet verwelkomt initiatieven van de Europese Commissie om deEuropese drone-industrie te versterken, waaronder gezamenlijkeinkoopinitiatieven en Drone Technology Hubs. Deze maatregelen kunneneen belangrijke bijdrage leveren aan het versterken van innovatie,samenwerking en productiecapaciteit binnen Europa. Tegelijkertijd is hetkabinet van mening dat deze maatregelen op zichzelf onvoldoende zijnom op korte termijn deze afhankelijkheid substantieel af te bouwen. Wezullen dit nauwgezet monitoren en aanvullende acties ondernemen daarwaar nodig.Ik ondersteun het initiatief om de krachten te bundelen, ook op nationaalniveau. Zo ondersteun ik de nationale civiel-militaire samenwerking(dual-use) om de productiecapaciteit te verhogen. Op Europees niveau zalik steun vragen om hogere prioriteit te geven aan het Europese drones-dossier. Dit om onafhankelijker te worden van de productie in derdelanden.Vragen VVD-fractieMilitaire mobiliteitVraag 10De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van versterktemilitaire mobiliteit in Europa, mede gelet op de verslechterde geopolitiekeveiligheidssituatie. De leden lezen dat veel lidstaten kritisch zijn op hetverplichtende karakter van militaire vereisten voor infrastructuur. Kan hetkabinet nader duiden waar voor Nederland de belangrijkste aandachts-punten liggen in de onderhandelingen? Deze leden vragen daarbijspecifiek hoe wordt voorkomen dat Europese verplichtingen leiden totdisproportionele kosten of vertraging in nationale infrastructureleprojecten.AntwoordNederland ziet de urgentie van het verbeteren van de militaire mobiliteits-corridors, en tegelijkertijd het risico van een verplichting gezien op deRijksbegroting nauwelijks middelen zijn voorzien. Bij de onderhande-lingen zoekt Nederland hier een balans tussen. Tevens vindt Nederlandhet van belang dat lidstaten voldoende ruimte behouden om te bepalen inwelke gevallen transportinfrastructuur daadwerkelijk geheel aangepastmoet worden aan de technische militaire vereisten, of wanneer anderenoodzakelijke infrastructuuropgaven prioriteit moeten krijgen, die wellichtook benut kunnen worden voor militaire transporten. Daarnaast geldt datniet alle afwijkingen van de militaire technische vereisten in de praktijkleiden tot grote knelpunten en soms zijn er andere geschikte oplossingenmogelijk die minder kostbaar zijn. Het kabinet acht het wenselijk om hierop nationaal niveau verstandige keuzes in te kunnen blijven maken.Vraag 11De leden van de VVD-fractie onderschrijven daarnaast het belang vanmilitaire mobiliteit, maar benadrukken dat civiele logistieke processen enstrategische goederenstromen ook in crisissituaties geborgd moetenblijven. Hoe zet het kabinet erop in dat de verdere Europese uitwerkingvan militaire mobiliteit niet leidt tot verstoringen in reguliere logistiekeketens of knelpunten in Nederlandse havens en infrastructuur?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12128 Het zoveel als mogelijk door laten draaien van de economie enmaatschappij is nadrukkelijk onderdeel van de opgave van maatschappe-lijke weerbaarheid en militaire gereedheid. Dat wordt door Nederland ookconcreet ingebracht bij de onderhandelingen. Bijvoorbeeld bij het EUvoorstel om een solidarity pool in te stellen: Nederland acht het vanbelang dat bij afwegingen rond de inzet van civiele voertuigen enmaterieel ook de impact op het economische goederenvervoer in achtwordt meegenomen. Op nationaal niveau zijn Defensie en IenW ingesprek over de impact van militaire mobiliteit op het civiele goederen-vervoer, waarbij het gaat om de beschikbaarheid van infrastructuur,materieel en personeel. Op dit moment wordt een analyse voorbereid, diede impact van militaire wegtransporten op de beschikbaarheid vaninfrastructuur voor civiele mobiliteit in kaart brengt. Streven is om dieanalyse eind 2026/begin 2027 afgerond te hebben. Na de zomer zal deWeerbaarheidstafel van het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving ookmet dit onderwerp aan de slag gaan. Tevens zal een VersnellingsnetwerkCiviel-Militaire samenwerking (CMS) starten waarbij verschillendestakeholders gezamenlijk een extra impuls geven aan de verhoging vande weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen binnen de vitaleIenW processen.Het geheel uitsluiten dat er verstoringen of knelpunten plaatsvinden, kanhelaas niet. Grootschalige militaire doorvoeroperaties die door Nederlandzullen plaatsvinden en het belang hiervan voor de bescherming van hetbondgenootschappelijk grondgebied kunnen namelijk leiden totverdringing. De NCTV werkt samen met IenW en andere ministeries aande ontwikkeling van een schaarstemethodiek die ingezet kan wordenbinnen de nationale crisisbeheersingsstructuur om eventuele schaarselogistieke capaciteit als gevolg van militaire mobiliteit te verdelen. Ditvergroot het belang van adequate dual-use infrastructuur en versterkingvan multimodaal gebruik van het transportsysteem, zoals beschreven inde Beleidsagenda Goederenvervoer: hoe robuuster de infrastructuur isingericht, hoe beter militaire doorvoeroperaties en de continuïteit vanciviele vervoersstromen in tijden van militaire crisis gewaarborgd kunnenworden.Situatie in het Midden-Oosten en impact op de transportsectorVraag 12De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de ontwikkelingen in hetMidden-Oosten en de daaruit voortvloeiende energiecrisis directe impactkunnen hebben op de Europese transportsector. Deze leden onder-schrijven dat in crisissituaties pragmatisch moet worden gehandeld, maarvragen hoe het kabinet de proportionaliteit bewaakt bij eventuele tijdelijkeuitzonderingsmaatregelen, met name in de luchtvaartsector. Welke criteriahanteert het kabinet bij steun voor bijvoorbeeld slotwaivers of tijdelijkeversoepeling van regelgeving?AntwoordAls het gaat om slots wordt vaak de 80/20 regel aangehaald. Deze regelstelt dat luchtvaartmaatschappijen ten minste 80% van hun slotseriesmoeten vliegen om het jaar daarna de slots opnieuw te krijgen. Versoe-peling van deze slotregels door een slotwaiver is een breed begrip. Datkan bijvoorbeeld betekenen dat luchtvaartmaatschappijen al hun slotsmogen inleveren zonder het jaar daarna slots kwijt te zijn, maar het kanook zien op een beperkte en tijdelijke flexibilisering van de 80/20 regel, omte zorgen dat luchtvaartmaatschappijen hun vluchten efficiënter kunnenindelen om brandstof te besparen. Proportionaliteit is daarin inderdaadbelangrijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 12129 Door de huidige situatie omtrent kerosinevoorraden en beschikbaarheid,is het niet noodzakelijk om op grote schaal vluchten te annuleren. Zolanger minder brandstof binnenkomt of geproduceerd wordt dan dat ergebruikt wordt, is het wel belangrijk om zuinig te zijn. Versoepeling van deslotregels stelt luchtvaartmaatschappijen in staat om zuiniger te zijn. Numaken luchtvaartmaatschappijen keuzes om op bepaalde vluchten door teblijven vliegen om historische slots voor het volgende jaar veilig testellen. Historische slots zijn van groot belang voor luchtvaartmaatschap-pijen. Door deze regels te versoepelen kan gegarandeerd worden datpassagiers vervoerd kunnen blijven worden, terwijl er minder noodzake-lijke vluchten geannuleerd kunnen worden, of bijvoorbeeld vluchtengecombineerd kunnen worden. Belangrijke criteria daarbij zijn: Borgenvan belangen passagiers, besparen schaarse brandstof en borgen datbesparingen ten gunste komen van Europese voorraden.Verduurzamen zakelijke voertuigenVraag 13De leden van de VVD-fractie steunen de verduurzaming van mobiliteit,maar hechten eraan dat Europese regelgeving uitvoerbaar blijft enonnodige lasten voorkomt. Deze leden lezen dat Nederland inzet opbehoud van ambitie, terwijl een groot aantal lidstaten kritisch is op hetvoorstel. Hoe schat het kabinet de kans in dat het uiteindelijke voorsteldaadwerkelijk werkbaar en handhaafbaar zal zijn? Acht het kabinet hetrisico aanwezig dat lasten indirect alsnog bij kleinere ondernemers in deketen terechtkomen, ondanks dat het voorstel formeel niet op het midden-en kleinbedrijf (mkb) ziet?AntwoordHet kabinet hecht net als de VVD-fractie grote waarde aan de uitvoer-baarheid van EU-regelgeving en het voorkomen van onnodige lasten.Daarom zet het kabinet ook in op behoud van ambitie bij de behandelingvan het Clean Corporate Vehicles-voorstel. Het kabinet is immers vanmening dat bindende doelstellingen nodig zijn voor een werkbaar enhandhaafbaar voorstel. Bindende doelstellingen zijn nodig om te zorgendat het wetgevingsvoorstel en de bijgaande rapportageverplichting voorlidstaten niet enkel een wassen neus worden, maar daadwerkelijk deingroei van emissievrije zakelijke voertuigen bij grote ondernemingenstimuleren. Deze ingroei vormt een wezenlijke bijdrage aan het gelijkspeelveld in de EU en de beschikbaarheid van tweedehands elektrischevoertuigen voor burgers en bedrijven. Ondanks dat de reikwijdte van deverordening onderhevig is aan de onderhandelingen in de Raad,inventariseert het kabinet op dit moment welke ondernemingen inNederland binnen de verordening vallen, hoe de implementatie inNederland georganiseerd kan worden en wat daarmee de indirectegevolgen zouden kunnen zijn voor kleinere ondernemers.Decarbonisatie transportsector na 2030Vraag 14De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van verduur-zaming van de transportsector, mits dit gepaard gaat met behoud vanconcurrentievermogen en investeringszekerheid. Deze leden vragen welkeconcrete prioriteiten het kabinet in Europees verband ziet voor de periodena 2030. Hoe wordt voorkomen dat Europese bedrijven in de transport-sector op achterstand worden gezet ten opzichte van concurrenten buitende Europese Unie?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121210 Het kabinet geeft prioriteit aan het zorgen voor sterke en weerbarevervoers- en mobiliteitssector waarbij we de afhankelijkheid van fossielebrandstoffen stap voor stap verkleinen. Meer autonomie vraagt omenergie en brandstoffen die we ook in Europa of dichter bij huis kunnenopwekken, produceren en beschikbaar maken. Dat betekent dat demobiliteitssector zich verder moet aanpassen en meer gebruik moetmaken van elektriciteit, biobrandstoffen en synthetische brandstoffen. Metname elektrificatie draag bovendien voor burgers en ondernemers bij aanlagere operationele kosten door verminderde uitgaves aan fossielebrandstoffen. Door op die manier in te zetten op de verduurzaming vanhet de transportsector dragen we niet alleen bij aan de noodzakelijkeemissiereductie op weg naar klimaatneutraliteit in 2050, maar vergrotenwe op de korte en lange termijn ook het concurrentievermogen eninvesteringszekerheid van bedrijven die bijdragen aan een schoner enveiliger Europa.Maritieme maakindustrieVraag 15De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een sterkemaritieme industrie in Europa. Deze leden lezen dat discussie bestaat overhet criterium «Made in EU». Kan het kabinet nader toelichten waar voorNederland de principiële en praktische bezwaren liggen? Hoe wordtvoorkomen dat het streven naar strategische autonomie onbedoeld leidttot protectionisme of verstoring van internationale waardeketens waarinNederlandse bedrijven actief zijn?AntwoordHet kabinet is positief over de European Industry Maritime Strategy, die inhet algemeen goed aansluit bij de kabinetsinzet. De borging van strate-gische onderdelen van de maritieme waardeketen is essentieel voor deEuropese strategische autonomie, (economische) veiligheid en geopoli-tieke slagkracht zoals ook wordt bepleit in de nationale maritiemesectoragenda: No guts, no Hollands glorie!2 Dit streven wordt goedverwoord en deze belangen zijn goed verwoord in het voorstel.In het voorstel van de Commissie wordt gesteld dat een strategischgebruik van publieke aanbestedingen de vraag kan stimuleren voorstrategische schepen die in de EU gebouwd worden en die belangrijk zijnvoor de weerbaarheid en economische veiligheid van de EU. In dehierboven genoemde sectoragenda en in het non-paper voor dezestrategie3 heeft het kabinet aangegeven het belangrijk te vinden bijaanbestedingen voor schepen verder te kijken dan alleen prijs. Daarbijkunnen ook publieke belangen worden meegewogen, zoals nationalevitale belangen (bijv. militaire veiligheid), strategische autonomie,kennisbehoud, innovatie en maatschappelijke waarde.Tegelijkertijd is het kabinet terughoudend ten aanzien van een breedtoegepast EU-voorkeursprincipe of een generiek Made in EU-criterium.Een dergelijk criterium kan leiden tot hogere kosten, minder innovatie ennegatieve effecten op handelsrelaties, aangezien landen buiten de EU danminder toegang hebben tot de Europese markt en mogelijk tegenmaatre-gelen nemen. Dat raakt in het bijzonder een open handelsland alsNederland. Daarnaast bouwen Nederlandse scheepswerven in sommigegevallen ook delen van schepen op locaties buiten de EU. Een Made in2No guts, no Hollands Glorie! – sectoragenda maritieme maakindustrie | Rapport | Rijksover-heid.nl3Non-paper Towards a Resilient and Competitive European Maritime Industry | Rapport |Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121211 EU-criterium kan bovendien leiden tot extra regeldruk en administratievelasten voor bedrijven.Het kabinet is daarom van mening dat een eventueel voorkeursprincipealleen onder strikte voorwaarden kan worden overwogen. Het moetnauwkeurig worden afgebakend en onderbouwd, in beginsel tijdelijk vanaard zijn, uitsluitend als laatste redmiddel worden ingezet en de markt-toegang voor (handels)partners van de EU moeten zo min mogelijkworden belemmerd. Daarbij moet het steeds verenigbaar blijven metWTO-regels en met een open handelsagenda.EU HavenstrategieVraag 16De leden van de VVD-fractie verwelkomen de aandacht voor de strate-gische positie van Europese havens. Voor Nederland als handelsland zijnsterke havens, efficiënte achterlandverbindingen en goed functionerendelogistieke ketens van groot economisch belang.Deze leden lezen in de havenstrategie veel aandacht voor fysiekeinfrastructuur en veiligheid, maar vragen of in de verdere uitwerkingvoldoende oog blijft voor de bredere logistieke systeemfunctie vanhavens binnen Europese en mondiale ketens. Hoe zet het kabinet erop indat de Europese Havenstrategie daadwerkelijk bijdraagt aan sterkerelogistieke ketens en een beter functionerende interne markt?AntwoordZoals ook in het BNC-fiche werd aangegeven, onderschrijft het kabinet hetstandpunt van de Commissie dat een goed functionerende interne marktde havens ten goede komt. Het kabinet zet in op het wegnemen envoorkomen van ongerechtvaardigde interne-marktbelemmeringen envoor betere toepassing van huidige interne-marktregels. Dit doet hetkabinet onder meer met de kabinetsbrede interne-markt actieagenda.Op veel plaatsen in de strategie roept de Commissie de lidstaten op omop nationaal niveau actie te ondernemen. Momenteel werkt het Ministerievan IenW aan een actualisering van de Havennota die begin volgend jaarnaar de Tweede Kamer zal worden gestuurd. Dit is nog werk in uitvoering,maar in de Havennota zal zeker aandacht zijn voor de rol van havens alsknooppunt in logistieke ketens, mede in relatie tot de BeleidsagendaGoederenvervoer4. Daarbij zal ook de verbinding met de EuropeseHavenstrategie worden gelegd.Vraag 17De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor markt-werking in de logistieke keten. In hoeverre deelt het kabinet de zorg datverdere marktconcentratie en verticale integratie in de maritiemelogistieke sector de concurrentiepositie van verladers en Nederlandsebedrijven onder druk kunnen zetten? Deze leden onderschrijven hetbelang van economische veiligheid en het tegengaan van ongewenstestrategische afhankelijkheden. Kan het kabinet toelichten hoe de inzet opscreening van buitenlandse investeringen in haveninfrastructuur verdervorm krijgt, zonder dat dit leidt tot onnodige vertraging of extra adminis-tratieve lasten?AntwoordHet kabinet is het met de VVD-fractie eens dat een te grote marktconcen-traties en verticale integratie in de maritiem logistieke sector doorbedrijven uit derde landen dient te worden voorkomen. De Europese4Kamerstuk 34 244, nr. 13 Kamerbrief over Beleidsagenda Goederenvervoer | Kamerstuk |Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121212 Commissie beschikt reeds over mededingingsinstrumenten om fusies,overnames en mogelijke misbruikposities te toetsen aan de Europesemededingingsregels. Indien concentraties leiden tot een significantebeperking van de concurrentie, kan de Commissie voorwaarden stellen oftransacties blokkeren. Zie ten aanzien van screening van investeringen inkritieke haveninfrastructuur het antwoord op vraag 4.Vraag 18De leden van de VVD-fractie constateren dat de Havenstrategie vooralrichting geeft, maar dat de concrete uitwerking nog grotendeels moetvolgen. Kan het kabinet aangeven of en wanneer de Kamer een naderestrategieagenda of uitvoeringsagenda tegemoet kan zien waarin duidelijkwordt welke concrete Europese initiatieven, prioritering en tijdslijnenhieruit voortvloeien?AntwoordEr is geen concrete strategie- of uitvoeringsagenda aangekondigd vanuitde Europese Commissie. Bij de acties die de Commissie zelf op zich wenstte nemen zijn veelal indicatieve data aangekondigd waarop die acties hunbeslag moeten krijgen. Deze zijn samengebracht in bijlage 3 bij destrategie. Zo verwacht de Commissie in 2027 een nieuwe AlgemeneGroepsvrijstellingsverordening (staatssteun) te presenteren en in 2028een actieprogramma voor de binnenvaart en binnenhavens. Initiatievenkunnen worden gemonitord via documentenregister van de Commissie5en via de contacten tussen de Commissie en de betrokken departementenin Nederland. De Kamer zal op de gebruikelijke wijze worden geïnfor-meerd via het BNC-traject.Richtlijn gewichten en afmetingen zware wegvoertuigenVraag 19De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de herziening van deEuropese richtlijn gewichten en afmetingen. Nederland heeft alsexportland groot belang bij efficiënte grensoverschrijdende logistiek.Deze leden vragen hoe het kabinet zich in de verdere onderhandelingeninzet voor werkbare grensoverschrijdende afspraken, met name waarlidstaten nationaal reeds hogere voertuiggewichten toestaan. Acht hetkabinet ruimte voor een pragmatische oplossing waarbij grensover-schrijdend vervoer tussen lidstaten die dit nationaal reeds toestaan betermogelijk wordt, met behoud van verkeersveiligheid en infrastructuurwaar-borgen?AntwoordHet kabinet ondersteunt de doelen van de herziening van Richtlijn96/53/EG6, gericht op verduurzaming, harmonisatie en verbeterdehandhaving. In de onderhandelingen zet het kabinet zich dan ook –rekening houdend met de ontwerpkaders van de infrastructuur – in voorwerkbare grensoverschrijdende afspraken en het gebruik van hogeregewichten in het grensoverschrijdende vervoer. Wel is gebleken dat erandere lidstaten zijn die een lagere maximumstandaard in gewichthanteren dan Nederland en terughoudend of afwijzend reageren opvoorstellen voor verhoging van de maximumtonnage vanwege mogelijkezorgen over de weginfrastructuur. Het kabinet ziet echter ruimte voor eenpragmatische oplossing waarbij grensoverschrijdend vervoer tussenlidstaten die Langere en Zwaardere Voertuigen (LZV’s) nationaal reeds5Register van documenten van de Commissie6Richtlijn 96/53/EG – Maximaal toegestane afmetingen en gewichten voor vrachtwagens, bussenen touringcars die deelnemen aan het internationale verkeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121213 toestaan, beter mogelijk wordt en zet hier in de lopende onderhande-lingen op in.Clean Transport Corridor InitiativeVraag 20De leden van de VVD-fractie steunen initiatieven die bijdragen aan betereinfrastructuur voor schoon transport, mits deze praktisch uitvoerbaar zijnen voldoende aansluiten op marktvraag. Deze leden vragen welkeconcrete consequenties deelname aan deze roadmap voor Nederland metzich brengt en in hoeverre hieruit toekomstige verplichtingen of financiëleverwachtingen kunnen voortvloeien.AntwoordEen snelle opschaling van laadinfrastructuur op EU corridors is cruciaalvoor het slagen van de transitie naar emissievrij internationaal goederen-vervoer. De Verordening betreffende infrastructuur voor alternatievebrandstoffen (AFIR) stelt concrete en bindende doelstellingen aanlidstaten voor de uitrol van laad- en tankinfrastructuur in de EU-lidstaten.Het Clean Transport Corridor Initiative (CTCI) pakt de knelpunten aan dieeen obstakel vormen voor de uitrol van laadnetwerken voor logistiek overlange afstanden. Zodoende draagt CTCI bij aan de realisatie vanvoldoende logistieke laadinfrastructuur.Nederland wordt door andere landen gezien als gidsland in de transitienaar emissievrij vrachtvervoer. Binnen dit samenwerkingsverband heeftNederland de kans om andere EU landen die achter lopen in deze transitievan opgedane kennis te voorzien. Dit is in het directe belang vanNederlandse vervoerders die over lange afstanden transporteren en dusook zullen moeten laden in andere EU landen, en is ook in het belang vanhet Nederlandse bedrijfsleven dat nieuwe innovaties kan exporteren naarhet buitenland. Er is sector-brede steun voor dit initiatief en de roadmap.Vragen GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen om devoortgang van het Europese klimaatbeleid en de Europese afspraken overnationale doelen en maatregelen. We raken steeds verder achter en datmaakt de opgave alleen maar groter. Er is dus meer inzet nodig, nietminder. Voorstellen om de doelen en data voor de verordening voor deverduurzaming van zakelijke voertuigen af te zwakken, kunnen niet opsteun of begrip van deze leden rekenen. We moeten juist doorzetten,nationaal en Europees. Deze leden vragen daarom de Minister om niet inte stemmen met voorstellen die doelen afzwakken of vooruitschuiven.Deze leden hebben er wel begrip voor dat sommige Oost-Europeselanden nog achter lopen bij de uitrol van een voldoende dekkendelaadinfrastructuur. Deze landen extra ondersteuning bieden kan helpen enis wat deze leden betreft redelijk om verder te onderzoeken of uit tewerken. Een vertraging van de transitie is dat niet.Vraag 21De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de Minister erkentdat ETS-2 cruciaal is voor de decarbonisatie van transport en gebouwdeomgeving. We verwachten ook dat het kabinet die Europees en Nationaaluitdraagt en met concrete maatregelen handen en voeten geeft. Ook hierheeft vertraging een desastreus effect op de transitie. Deze leden zijn ookblij dat de noodzaak om alternatieve brandstoffen primair te reserverenvoor lucht- en scheepvaart is overgenomen. Land-based mobiliteit kanaan de stekker. Deze leden zijn benieuwd hoe dit verder wordt uitgewerktin de brandstoffenstrategie en Refuel-EU.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121214 AntwoordLater dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de mogelijkheden om debrandstoftransitieverplichting ook na 2030 voort te zetten. Daarmee wordthet gebruik van fossiele brandstoffen in wegverkeer en scheepvaartverder afgebouwd, terwijl voor personen- en het goederenvervoer over deweg de nadruk ligt op elektrificatie. In de huidige Brandstoftransitiever-plichting telt elektrificatie ook mee. Nederland trekt bij het doortrekkenvan de brandstoftransitieverplichting samen op met andere EU-lidstaten.Doel hiervan is meer toekomstperspectief en investeringszekerheid tebieden aan Nederlandse bedrijven, waarbij eveneens aandacht is voor eengelijk speelveld.Het door de Europese Commissie vorig jaar gepubliceerde SustainableTransport Investment Plan bevat een maatregelenpakket dat gericht is ophet aanbod en gebruik van hernieuwbare brandstoffen in lucht- enscheepvaart. Met ReFuelEU Aviation is er sinds 2025 Europese wetgevingdie stuurt op een toenemende bijmenging van hernieuwbare brandstoffen(SAF) in de luchtvaart (2% nu tot oplopend naar 70% in 2050). Denationale SAF-roadmap richt zich op het verbeteren van de (Europese)wettelijke kaders, het stimuleren van additionele volumes SAF en hetversterken van Nederland als productieland voor SAF. Voor de zeevaartstuurt FuelEU Maritime op een vermindering van de broeikasgasinten-siteit, o.a. door het gebruik van hernieuwbare brandstoffen. Op nationaalniveau wordt later dit jaar de Visie Verduurzaming Bunkerbrandstoffengepubliceerd en wordt met de Roadmap Brandstoftransitie in de Zeevaartde brandstoftransitie gefaciliteerd.Met het oog op 2040 wordt onderzocht of een deel van de productiecapa-citeit voor biobrandstoffen in het wegverkeer kan worden ingezet voor delucht- en scheepvaart en chemische industrie, welke – conform hetduurzaamheidskader biogrondstoffen – op de (middel)lange termijn noggebruik zullen maken van biogrondstoffen. Ondanks dat de nieuwverkoopvan wegvoertuigen vrijwel volledig zal elektrificeren, zullen er in hetwegverkeer ook nog biobrandstoffen nodig zijn – maar afnemend – omaan klimaatdoelstellingen te voldoen. Naast de (tijdelijke) inzet van rest-en afvalstromen verkent het kabinet ook de mogelijkheden van grond-stoffen afkomstig van de landbouwsector voor biobrandstofproductie,zoals tussengewassen. In de toekomst zullen meerdere sectoren,bijvoorbeeld ook de bouw en de chemische sector, gebruik maken vanbiogrondstoffen (afkomstig van de landbouwsector) om te verduurzamen.Om die reden stelt het kabinet een biogrondstoffenstrategie op, die eenvisie op de rol van biogrondstoffen in 2050 bevat en een aantal richting-wijzers om daar te komen. De Kamer wordt hier na de zomer overgeïnformeerd.Vraag 22De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie missen in de EU-havenstrategie,net als bij de discussie in Nederland, het besef, en de consequentieshiervan, dat er binnen enkele decennia een einde komt aan het transporten de verwerking van fossiele brandstoffen. Fossiele brandstoffen vormennu grofweg de helft van het maritieme transportvolume. Met hetverdwijnen hiervan verdwijnt enorm vele vraag naar maritiem transporten havencapaciteit. Slechts een klein deel zal worden vervangen dooralternatieve brandstoffen, als elektriciteit de dominante energiedragerwordt. De klassieke economische doelen, gericht op groei, kunnen we nietlanger leidend laten zijn. Afbouw en transitie, herinrichting en nieuwesectoren aantrekken, is wat nu nodig is. Hoe gaat de Minister dit in Europauitdragen?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121215 Voor het verduurzamen van mobiliteit vormt daar waar dat kan elektrifi-catie de hoofdroute. Voor zwaar wegtransport, scheepvaart en luchtvaartzal echter ook de inzet van biobrandstoffen en synthetische brandstoffenvoor een aanzienlijk deel nodig zijn.Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in haar OnderzoekToekomstverkenning WLO7 onder andere de gevolgen van de klimaattran-sitie onderzocht voor het goederenvervoer. Dit onderzoek toont aan datscenario’s die uitgaan van een snelle klimaattransitie (relatief snelleCO2 reductie door de internationale gemeenschap) meer overslagvolumesgenereren bij Nederlandse zeehavens. Een snelle klimaattransitie leidt toteen snelle afname van fossiele energiedragers, die vervangen wordendoor duurzame energiedragers en biogrondstoffen. De energiedichtheidvan biogrondstoffen is echter over het algemeen lager dan die vanfossiele grondstoffen. Daarom voorziet PBL dat er meer tonnen biogrond-stoffen moeten worden vervoerd dan van fossiele grondstoffen. Doordatin deze scenario’s de Nederlandse zeehavens ook deels de Duitseindustrie blijven voorzien van grondstoffen, zorgt dit voor een relatievetoename van het overslagvolume van duurzame grondstoffen.Het kabinet is van mening dat de Nederlandse zeehavens van grootbelang blijven voor de economie en voor een duurzame energievoor-ziening van Nederland en Europa. Dit is ook verwoord in de kabinetsre-actie8 op de Europese Havenstrategie. Bij de totstandkoming van nieuweEU-regelgeving of bij herziening van bestaande EU-regelgeving zalNederland ervoor pleiten dat rekening wordt gehouden met de transitiesin havenindustriële clusters en de gevolgen daarvan voor de concurrentie-positie, het vestigingsklimaat en de ruimtelijke ontwikkeling in zeehavenszelf.Vraag 23De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten zoals bekend veelwaarde aan het versterken van het grensoverschrijdend openbaar vervoerin de EU. Deze leden vinden het daarom belangrijk dat het pakket overmultimodale digitale mobiliteitsdiensten en spoorticketing (MDMS) snelconcreet wordt uitgewerkt. Kan het kabinet een inschatting gevenwanneer de onderhandeling hierover van start gaat? En wat is deinschatting van het kabinet van het krachtenveld? En is het kabinet bereideen stevige voortrekkersrol te gaan nemen eventueel samen met anderelidstaten? Zo nee, waarom niet?AntwoordHet kabinet onderschrijft het belang van goed grensoverschrijdendspoorvervoer en een geharmoniseerd kader voor het boeken van eenticket voor een reis over verschillende vervoersaanbieders, ook over degrens. De Europese Commissie heeft op 13 mei het passagierspakketgepubliceerd met wetsvoorstellen voor multimodale boekingsdiensten,spoor kaartverkoop en een beperkte herziening van de passagiersrechten-verordening spoor. Met de voorstellen beoogt de Commissie het aanbodvan internationale spoor tickets en de rechten van de internationaletreinreiziger te bevorderen, alsmede de transparantie en eerlijke weergavevan verschillende reisopties. Met dit alles probeert de Commissie hetinternationaal personenvervoer te stimuleren. Passagiers- en consumen-tenorganisaties zijn voorstanders van de voorstellen. De vervoerssector isverdeeld.Het kabinet werkt nu aan een BNC-fiche met het kabinetsstandpunt tenbehoeve van de onderhandelingen tussen Raad, Europees Parlement enCommissie. Dit fiche wordt naar verwachting in juni aan de Kamer7https://www.wlo2025.nl/system/files/document/2025-07/pbl-2025-toekomstverkenning-wlo-cahier-mobiliteit-5454.pdf8https://open.overheid.nl/documenten/16636e31-ee97-4b6d-9319-f61dd11b136a/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121216 toegestuurd. Het Europees onderhandelingstraject start in juni en duurtnormaliter 2 tot 2,5 jaar voordat de voorstellen in werking kunnen treden.Het kabinet zet in op actieve consultaties met andere lidstaten.Vragen CDA-fractieVraag 24De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van sterkeEuropese samenwerking op het terrein van transport, mobiliteit enstrategische infrastructuur. Ten aanzien van de Militaire Mobiliteitsveror-dening constateren deze leden dat tijdens de Transportraad voor het eersteen beleidsdebat zal plaatsvinden over deze verordening, met bijzondereaandacht voor weerbare infrastructuur en aanpassing van bestaandetransportwetgeving. Deze leden vragen op welke wijze het kabinetdual-use infrastructuur meeneemt in de Nederlandse inzet en hoeinvesteringen in infrastructuur beter worden gekoppeld aan Europeseveiligheids- en mobiliteitsdoelstellingen.AntwoordBij de Nederlandse inzet kijken we naar praktische uitvoerbaarheid van deverordening, het bundelen van mogelijkheden voor zowel militair alsciviel, en de impact van de verordening op de civiele maatschappij eneconomie. Bij het laten voldoen van de transportinfrastructuur aan demilitaire vereisten gaat het om infrastructuur voor dual-use gebruik.Specifiek voor spoor geldt bovendien dat een deel van de dual-usevereisten9 overlapt met de civiele TEN-T vereisten.Vraag 25De leden van de CDA-fractie hebben tevens kennisgenomen van deuitgangspunten van AccelerateEU. Zij vragen hoe het kabinet de kansenen risico’s beoordeelt van verdere flexibilisering van luchtvaartregels,waaronder anti-tankering en slotwaivers, mede in relatie totduurzaamheid, leveringszekerheid en eerlijke concurrentie binnen deEuropese luchtvaartsector.AntwoordHet kabinet ziet kansen in versoepeling van de slotregelgeving. In debeantwoording op vraag 12 is hierop ingegaan. Versoepeling van deslotregelgeving kan in relatie tot duurzaamheid en leveringszekerheid eenpositieve bijdrage leveren. Zo kan bijvoorbeeld brandstof bespaardworden als minder gevulde vluchten onder voorwaarden samengevoegdkunnen worden. Vanwege al genomen maatregelen in het VerenigdKoninkrijk en Turkije komt versoepeling van deze regels ook de eerlijkeconcurrentie in het brede speelveld ten goede.Ten aanzien van anti-tankering hecht het kabinet belang aan een geharmo-niseerde Europese aanpak. Deze aanpak moet rekening houden metenerzijds de risico’s ten aanzien van brandstofschaarste die zich op dekorte termijn zouden kunnen aandienen en anderzijds de noodzaak voorstabiel en consistent langetermijnbeleid ten behoeve van de energietran-sitie. Het kabinet blijft met lidstaten en de Europese Commissie in gespreken steunt de volgordelijkheid van (mogelijke) maatregelen zoals deze inAccelerateEU zijn opgenomen.Vraag 269Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1328 van de Commissie van 10 augustus 2021 tot naderebepaling van de infrastructuurvereisten die van toepassing zijn op bepaalde categorieëninfrastructuur voor tweeërlei gebruik overeenkomstig Verordening (EU) 2021/1153 van hetEuropees Parlement en de Raad (Uitvoeringsverordening – 2021/1328 – EN – EUR-Lex).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121217 Ten aanzien van de Clean Corporate Vehicles-verordening vragen dezeleden op welke wijze Nederland zich inzet voor behoud van ambitiebinnen de verordening, nu meerdere lidstaten zich kritisch opstellen.Daarnaast vragen zij welke aanvullende Europese maatregelen het kabinetnoodzakelijk acht om de elektrificatie van het zware wegvervoer richting2030 verder te versnellen.AntwoordHet kabinet moet zich pragmatisch verhouden ten opzichte het krach-tenveld rond het Clean Corporate Vehicles-voorstel. In het BNC-fiche10heeft het kabinet aangegeven in eerste instantie in te willen zetten op hetverhogen van de doelen, het schrappen van de doelen voor laag-emissievoertuigen en de uitbreiding van de reikwijdte naar zwarebedrijfsvoertuigen. Voor deze inzet bleek in de Raad onvoldoende steun.De inzet van het behouden van ambitie richt zich daarom in deze fase vande onderhandelingen op het behouden van bindende doelstellingen in deverordening, in samenspraak met gelijkgestemde lidstaten.De elektrificatie van het zware wegvervoer komt in Europa langzaam maarzeker op gang. Vorig jaar waren 5% van alle nieuw verkochte zwarevoertuigen emissievrij, in vergelijking met 2,5% in 2024. De verwachting isdat het aandeel emissievrije zware voertuigen in de nieuwverkopen dekomende jaren zal blijven toenemen, omdat het steeds voordeliger wordtom elektrisch te rijden in vergelijking met rijden op diesel. De versnellingvan de uitrol van laadinfrastructuur is het belangrijkste aandachtspunt inde EU om de elektrificatie van het zware wegvervoer richting 2030 verderte versnellen. Vooral voor het langeafstandsvervoer is de opschaling vanpublieke logistieke laadinfrastructuur cruciaal. Nederland is koploper inEuropa op dit gebied. Europese maatregelen zouden zich erop moetenrichten, dat andere lidstaten op hetzelfde tempo als Nederland laadinfra-structuur kan uitrollen. Met de ondertekening van de Clean TransportCorridor Initiative (CTCI) wordt hierop ingezet. Daarnaast is het belangrijk,dat de alle lidstaten de wettelijk bindende AFIR-doelen voor laadinfra-structuur in 2030 halen. Verder had Nederland graag gezien dat erbindende doelen komt voor zware voertuigen in het Commissievoorstelvoor Clean Corportate Vehicles-voorstel, maar hiervoor is momenteelgeen draagvlak binnen de Raad.Vraag 27De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van hetfiche inzake de European Industry Maritime Strategy (EIMS). Deze ledenvragen welke concrete initiatieven het kabinet bereid is te ondersteunenbij de verdere uitwerking van deze strategie. Tevens vragen zij waaromNederland kritisch is op het criterium «Made in EU» binnen de maritiememaakindustrie-strategie en hoe wordt voorkomen dat Nederlandsebedrijven hierdoor Europese investeringen of ondersteuning mislopen.AntwoordHet kabinet is zoals gezegd positief over de European Industry MaritimeStrategy, die aansluit bij onze nationale maritieme agenda, en isvoornemens een proactieve rol te spelen bij de verdere uitwerking van destrategie. De bredere inzet van het kabinet t.a.v. het voorstel staatbeschreven in het BNC-fiche dat reeds met uw Kamer is gedeeld. Daarinstaat onder andere dat het kabinet voornemens is een actieve rol te spelenbij de verdere uitwerking van de EU Industrial Maritime Value ChainsAlliance. Bovendien volgt het kabinet de uitwerking van de verschillendefinancieringsinstrumenten die de Commissie in de strategie heeftaangekondigd zoals rond het koploperproject Shipyard of the future dat10Kamerstukken II, 2025–26, 22 112, nr. 4271.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121218 ook was opgenomen in de Nederlandse sectoragenda. Ten aanzien van degovernance ziet het kabinet ook een rol voor Nederland in de nieuwopgerichte High-Level Maritime Industry & Ports Board. Het feit datNederland terughoudend is op het Made in EU criterium betekent niet datNederland hierdoor Europese investeringen of ondersteuning misloopt.Het kabinet neemt juist een proactieve rol in de verdere uitwerking van destrategie en de verschillende financieringsinstrumenten. Hiermee trachthet kabinet te voorkomen dat Nederlandse bedrijven Europese investe-ringen of ondersteuning mislopen. Voor de verdere beantwoording t.a.v.het Made in EU criterium verwijs ik u naar het antwoord op vraag 15.Vraag 28De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het fiche inzakede Europese havenstrategie. Deze leden onderschrijven het belang vansterke, veilige en weerbare Europese havens, mede gezien de geopolitiekeontwikkelingen en de strategische positie van Nederlandse zeehavens.Deze leden constateren dat de Europese Commissie met de havenstra-tegie een eerste stap zet, maar delen de analyse van de EVP-fractie datverdere concretisering noodzakelijk is om kritieke infrastructuur daadwer-kelijk te beschermen tegen ongewenste buitenlandse inmenging enstrategische afhankelijkheden. Deze leden hebben in dat kader enkelevragen en opmerkingen. Ten aanzien van economische veiligheid enbuitenlandse inmenging vragen deze leden op welke wijze Nederlandtijdens de Transportraad zal inzetten op verdere concretisering van deveiligheidsparagraaf binnen de Europese havenstrategie.AntwoordDe Europese Havenstrategie is een mededeling van de EuropeseCommissie. De Transportraad kan hier geen wijzigingen op aanbrengenaangezien het een voornemen van de Commissie betreft. Op basis vandeze mededeling van de Commissie worden Raadsconclusies vastgesteld.Hierin wordt vastgelegd hoe de Raad van EU Lidstaten aankijkt tegen dehavenstrategie van de Commissie. In de Raadsconclusies wordt uitgebreidingegaan op veiligheid binnen het hoofdstuk «protect and secure ports».Nederland heeft tijdens de discussies over de raadsconclusies onder meergewezen op het belang van een nationaal aanspreekpunt en een Europesewerkgroep op het gebied van economische veiligheid. Daarnaast achtNederland het van belang dat binnen de initiatieven die voortvloeien uitde Havenstrategie de komende jaren expliciet aandacht wordt besteedaan nieuwe technologieën in havens, waaronder AI en autonoom vervoer,evenals aan de veiligheid van havencommunicatie- en datasystemen. DeRaadsconclusies bieden naar het oordeel van het kabinet voldoendeaanknopingspunten voor verdere concretisering van het Europeseveiligheidsbeleid en het kabinet zal zich daarvoor verder inzetten binnende bestaande Europese gremia, zoals het European Ports Forum, deEuropean Ports Alliance en het EU maritime security comité.Vraag 29Tevens vragen zij welke concrete aanvullende maatregelen het kabinet opEuropees niveau noodzakelijk acht om risico’s van buitenlandse zeggen-schap in havens tegen te gaan. Voorts vragen deze leden of de Ministerbereid is in Europees verband actief te blijven pleiten voor een structureelEuropees samenwerkingsmechanisme gericht op risicovolle investe-ringen, buitenlandse staatsinvloed en strategische afhankelijkheden inhavens.AntwoordHet huidige Europese instrumentarium vormt naar het oordeel van hetkabinet een solide basis voor de bescherming van havens tegenongewenste buitenlandse invloeden – zie hiervoor ook het antwoord opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121219 vraag 4. Mede gezien de lopende implementatie van de genoemdemaatregelen kan op dit moment nog niet definitief worden vastgesteld of,en zo ja, op welke onderdelen aanvullende Europese of nationaleinstrumenten noodzakelijk zijn om eventueel resterende veiligheidsrisico’seffectief te adresseren. Nederland zal blijven oproepen tot een versterkteEuropese inzet op de bescherming van kritieke infrastructuur en hettegengaan van ongewenste buitenlandse invloeden. Indien geopolitieke oftechnologische ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, dientaanvullend instrumentarium te worden ontwikkeld. Het kabinet onder-zoekt of, en zo ja waar, op nationaal niveau, aanvullende maatregelennodig zijn om ongewenste buitenlandse invloed in vitale haveninfra-structuur verder te beperken. Uw Kamer wordt hierover, conform demotie-Boelsma/Hoekstra c.s., na de zomer nader geïnformeerd.Vraag 30De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van kritieke infrastructuuren nationale weerbaarheid hoe de Europese havenstrategie zich verhoudttot de uitvoering van de aangenomen motie inzake het versterken van deweerbaarheid en economische veiligheid van Nederlandse havens doorkritieke entiteiten aan te wijzen (Kamerstuk 31 409, nr. 500).AntwoordHet kabinet zet in op een aanpak ter bescherming van kritieke haveninfra-structuur op Europees en nationaal niveau. De Europese Havenstrategiegeeft de inzet en richting van de Commissie over hoe het bestaandEuropees instrumentarium in de komende periode dient te wordendoorvertaald voor de havensector.IenW spant zich op nationaal niveau, samen met andere departementen,in om kritieke haveninfrastructuur onder het bestaand Europees instru-mentarium te plaatsen. Daarnaast wordt ingezet op het uitbreiden van hettoepassingsbereik van de wet Veiligheidstoets investeringen fusies enovernames (Vifo) met de belangrijkste containerterminals. Ook wordt detoepassing van de Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid (ADV) bezien,zodat rekening wordt gehouden met de risico’s binnen de maritiemetoeleveranciersketen.Het kabinet beziet, conform de motie-Boelsma/Hoekstra c.s., of, en zo jawaar, op nationaal niveau, aanvullende maatregelen nodig zijn omongewenste buitenlandse invloed in vitale haveninfrastructuur verder tebeperken. Bij de ontwikkeling van nieuw instrumentarium dient, naast deversterking van de nationale en Europese veiligheid, ook de doelma-tigheid en effectiviteit, gevolgen voor regeldruk, concurrentievermogen enrechtszekerheid, landenneutraliteit te worden meegewogen. Uw Kamerwordt hierover, conform de motie-Boelsma/Hoekstra c.s., na de zomernader geïnformeerd.Vraag 31De leden van de CDA-fractie benadrukken dat havens steeds meerfunctioneren als geïntegreerde knooppunten binnen logistieke ketens ende interne markt. Zij vragen hoe Nederland zich inzet voor een sterkerekoppeling tussen havenbeleid en de verdere integratie van logistiekeketens die daarmee verbonden zijn. Daarnaast vragen deze leden hoe hetkabinet wil voorkomen dat vrachtstromen verschuiven naar havens buitende EU en hoe nieuwe handelsroutes en internationale partnerschappenhierin worden meegenomen.AntwoordZoals in de beantwoording van de vragen van de fractie van de VVD alwerd aangegeven, roept de Commissie op veel plaatsen in de Havenstra-tegie de Lidstaten op om op nationaal niveau actie te ondernemen.Momenteel werkt het Ministerie van IenW aan een actualisering van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121220 Havennota die naar verwachting begin volgend jaar naar de TweedeKamer zal worden gestuurd. Dit is nog werk in uitvoering, maar in deHavennota zal zeker aandacht zijn voor de rol van havens als knooppunt inlogistieke ketens, mede in relatie tot de Beleidsagenda Goederenvervoer.Daarbij zal ook de verbinding met de Europese Havenstrategie wordengelegd. De Europese Commissie houdt in de gaten in hoeverre hetEuropese emissiehandelssysteem (ETS) resulteert in verandering vanroutes. Nederland let scherp op de uitkomsten van dat onderzoek en zal zonodig aandringen op aanpassingen, die natuurlijk niet ten koste mogengaan van emissiereducties. Bovendien spant Nederland zich samen metandere lidstaten in voor ambitieuze mondiale maatregelen, in IMOverband, waarmee een wereldwijd gelijk speelveld zou worden gecreëerd.Vraag 32De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van het Europese levelplaying field welke concrete verschillen tussen lidstaten het kabinetmomenteel ziet als risico voor de concurrentiepositie en veiligheid vanNederlandse havens. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet voorkomtdat lidstaten met minder strenge veiligheids- of investeringsregels eenachterdeur vormen voor ongewenste buitenlandse invloed binnen deEuropese haveninfrastructuur.AntwoordTijdens de discussie over de Raadsconclusies gaf een aantal lidstaten aanzich zorgen te maken over mogelijke weglekeffecten vanwege deEuropese regels rond het Emission Trading System (ETS) en wilde dezelidstaten reeds maatregelen aangekondigd zien. Nederland ziet dezeeffecten voor Nederlandse zeehavens nog niet en vindt het bovendien nogte vroeg om te concluderen dat maatregelen nodig zijn. Zoals in hetantwoord op de vorige vraag is aangegeven let Nederland scherp op deuitkomsten van het onderzoek van de Europese Commissie en zal zonodig aandringen op aanpassingen, die natuurlijk niet ten koste mogengaan van emissiereducties. Het is belangrijk voor Nederland dat deEuropese ambitie op het gebied van verduurzaming voor de scheepvaartonverminderd hoog blijft. Voor wat betreft de veiligheids- en investerings-regels zet Nederland in op een Europees breed eenduidige implementatievan de Critical Entities Resilience Directive (CER) en de Network andInformation Security Directive (NIS2). Daarmee wordt zoveel als mogelijkvoorkomen dat lidstaten binnen de EU er verschillende niveaus vanveiligheids- of investeringsregels op nahouden.11 Het ligt ook in de lijn derverwachting dat de Europese Commissie ter uitvoering van de havenstra-tegie nader zal inzetten op een gelijk veiligheidsniveau in alle EU-lidstaten,zoals via de richtsnoeren over foreign direct investments.Vraag 33Ten aanzien van de Raadsconclusies vragen deze leden op welke puntenhet kabinet de strategie verder wil aanscherpen en of aanvullendebindende maatregelen noodzakelijk worden geacht om de doelen van deEuropese havenstrategie te realiseren.AntwoordDe havenstrategie is een mededeling van de Commissie zelf en zal nietverder worden aangescherpt via de Raadsconclusies. De Raadsconclusiesbieden naar het oordeel van het kabinet momenteel voldoende aankno-pingspunten om het beleid dat in de strategie is aangekondigd dekomende tijd verder vorm te geven. Daarbij zijn verder bindendemaatregelen op Europees niveau naar het oordeel van het kabinetmomenteel niet noodzakelijk. Het kabinet is van mening dat eerst het11(EU) 2022/2557 en (EU) 2022/255Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121221 bestaande EU-instrumentarium in de EU Lidstaten moet worden geïmple-menteerd en ingezet. Daarna kan aan de hand van de havenstrategieverder worden gekeken. Het kabinet zal daarbij blijven pleiten voor eengecoördineerde aanpak tussen de lidstaten bij de implementatie vanEU-regelgeving, om zo veel mogelijk een gelijk speelveld te waarborgen.Vraag 34De leden van de CDA-fractie vragen tot slot hoe het kabinet aankijkt tegeneen gezamenlijke Europese aanpak van investeringen uit derde landen instrategische haveninfrastructuur, met het oog op economische veiligheiden een gelijk speelveld binnen Europa.AntwoordHet kabinet is voorstander van een gezamenlijke Europese aanpak en kijktmet belangstelling uit naar de richtsnoeren die de Europese Commissiedaarvoor heeft aangekondigd. De raad verwelkomt dit initiatief ook in deraadsconclusies. Dit mede met het oog op het borgen van een gelijkspeelveld en het versterken van de weerbaarheid van de Unie als geheel.Nederland zal daarom haar inzet blijven richten op een versterkteEuropese aanpak van investeringen uit derde landen in strategischehaveninfrastructuur. Zie ten aanzien van screening van investeringen inkritieke haveninfrastructuur het antwoord op vraag 4.Vragen BBB-fractieVraag 35De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad spreekt over de situatie inhet Midden-Oosten en de impact van de energiecrisis op de transport-sector. Zij vragen de Minister hoe het kabinet voorkomt dat hogerebrandstofprijzen, omvliegroutes, stijgende operationele kosten enonzekerheid in de internationale logistiek uiteindelijk vooral terechtkomenbij vervoerders, verladers, mkb’ers en consumenten. Kan de Ministeraangeven welke concrete signalen het kabinet op dit moment ontvangt uitde wegtransportsector, luchtvaart, binnenvaart, zeevaart en logistiekeketens?AntwoordIn Nederland zijn de gevolgen voor de nationaal en internationaalopererende transportsector duidelijk merkbaar. De impact verschilt persector en per bedrijf en de effecten zijn niet altijd weg te nemen door diete compenseren. Het doel van het op 20 april gepresenteerde pakket is weldat voorkomen wordt dat bedrijven onnodig omvallen en productiecapa-citeit van solvabele en levensvatbare bedrijven verdwijnt door eentijdelijke economische schok.12Het kabinet monitort de ontwikkelingen van de prijzen en de beschik-baarheid van brandstoffen, maar ook de gevolgen voor bedrijven. Hetkabinet haalt onder andere signalen op via overleggen met het bedrijfs-leven en via de maatregelgroepen die actief zijn naar aanleiding van hetLandelijk Crisisplan Olie. Uit de verschillende gesprekken blijkt dat veeltransportondernemers brandstofclausules hebben opgenomen in hunvervoerscontracten. Voor deze bedrijven is het mogelijk om prijsstijgingendoor te berekenen aan afnemers. Omdat de facturering en betaling laterplaatsvinden, legt dit wel een groter beslag op het werkkapitaal van dezeondernemingen, waardoor liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan. Er zijnnog geen signalen dat dit op dit moment in omvangrijke mate het gevalis. Vooralsnog ervaart de sector daarnaast geen problemen met delevering van brandstoffen.12Kamerbrief «Acties Weerbaarheid Energieschok»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121222 Vraag 36De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet de Europese Commissiezal vragen voorbereid te zijn op een slotwaiver en versoepeling vananti-tankeringregels om brandstof te besparen. Deze leden vragen of hetkabinet ook bereid is in Europees verband te pleiten voor tijdelijke,gerichte maatregelen voor transportondernemingen die direct wordengeraakt door uitzonderlijk hoge energie- en brandstofkosten, mits dezemaatregelen uitvoerbaar zijn en het gelijke speelveld niet verstoren.AntwoordHet kabinet overlegt in Europees verband om maatregelen van individuelelidstaten waar nodig op elkaar af te stemmen en om de inzet van deEuropese Commissie te bespreken. Dit is essentieel om binnen Europaeen gelijk speelveld te behouden, weglekeffecten te voorkomen en op hetwereldtoneel een sterke positie te hebben. Wanneer dit niet speelt,verwacht het kabinet dat eventuele maatregelen bij de lidstaten zelf liggen(subsidiariteit).13Dat de aandacht bij de Transportraad onder meer uitgaat naar deluchtvaartsector heeft twee redenen: de verstoring door de situatie in hetMidden-Oosten raakt de kerosinemarkt relatief hard en veel afsprakenover de luchtvaartsector zijn in Europees verband gemaakt of worden opEuropees niveau met wereldwijde spelers afgesproken. Zo is een slotwaiver alleen op Europees niveau mogelijk. Voor transport over land, wegen water zijn maatregelen op het niveau van Europese regelgeving op ditmoment niet of minder aan de orde. Het kabinet pleit bijvoorbeeld bij deCommissie voor enkele gerichte, duurzame aanpassingen van hetreguliere staatsteunkader.14 Dit bevordert een gelijk speelveld binnen deEU, versterkt de internationale concurrentiepositie en versnelt deelektrificatie in de logistiek.Vraag 37De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet positief staat tegenoverhet voorstel voor verduurzaming van zakelijke voertuigen en zelfs inzet opbehoud van ambitie, terwijl meerdere lidstaten juist grote zorgen hebbenover verplichtingen, rapportage en uitvoerbaarheid. Deze leden vragen deMinister hoe wordt voorkomen dat dit voorstel leidt tot nieuwe adminis-tratieve lasten, hogere kosten of indirecte druk op het mkb, ook al richt hetvoorstel zich formeel op grote ondernemingen. Kan de Minister daarbijspecifiek ingaan op de gevolgen voor familiebedrijven, leasebedrijven,transporteurs, bouwbedrijven en ondernemers in regio’s waar laadinfra-structuur en netcapaciteit nog onvoldoende beschikbaar zijn?AntwoordHet wetgevingsvoorstel legt doelstellingen op aan EU-lidstaten. Hetvoorstel richt zich daarmee niet op mkb noch direct op grote onderne-mingen. Lidstaten moeten zorgen voor een minimaal aandeel laag- ennul-emissie voertuigen in de nieuwe registraties door grote onderne-mingen. Grote ondernemingen zijn ondernemingen die ten minstevoldoen aan drie criteria: een balanstotaal van meer dan € 20 mln, eennetto-omzet van € 40 mln en minimaal 250 werknemers. Mkb valt nietbinnen deze definitie. Op dit moment heeft het kabinet nog niet kunnenvaststellen of het wetgevingsvoorstel gevolgen heeft of zou kunnenhebben (en in welke mate of waarom) op familiebedrijven, leasebedrijven,transporteurs, bouwbedrijven of ondernemers in regio’s waar laadinfra-structuur nog onvoldoende beschikbaar is.13Kamerbrief AccelerateEU14Recent heeft de EC het METSAF-kader gepubliceerd, bedoeld om de gevolgen te kunnenbeperken voor onder andere transportbedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121223 Ondanks dat de reikwijdte van de verordening onderhevig is aan deonderhandelingen in de Raad, inventariseert het kabinet op dit momentwelke ondernemingen in Nederland binnen de verordening zouden vallen,hoe de implementatie in Nederland georganiseerd kan worden en watdaarmee de indirecte gevolgen zouden kunnen zijn voor mkb. Dekabinetsinzet blijft, zoals geformuleerd in het BNC-fiche over dit wetge-vingsvoorstel, om eventuele negatieve gevolgen voor het mkb zoveelmogelijk te beperken. Het minimaliseren van negatieve gevolgen van hetwetgevingsvoorstel voor mkb is ook expliciet onderdeel van de Neder-landse inbreng in de Transportraad.Het kabinet vindt het belangrijk om te benadrukken dat, op basis vanhuidig nationaal beleid en marktontwikkeling rondom de elektrificatie vande totale zakelijke vloot, de Europese doelstellingen in 2030 en 2035 doorNederland naar verwachting ruimschoots gehaald worden. De Europesedoelen blijven voor het kabinet ook wenselijk in andere lidstaten, omdatdeze bijdragen aan een gelijk speelveld, emissiereductie in hetwegvervoer, het vergroten van het concurrentievermogen van deautomobiel sector en bovenal de voordelen van elektrificatie voor burgersen bedrijven. Het kabinet inventariseert eventuele indirecte gevolgen voormkb. Daarbij benadrukt het kabinet dat dit ook positieve gevolgen kunnenzijn als gevolg van een groter aanbod van tweedehands elektrischevoertuigen en de lagere operationele kosten die gepaard gaan met hetgebruik van een elektrisch voertuig als gevolg van lagere brandstofuit-gaven en onderhoudskosten.Vraag 38De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet aankijkttegen het non-paper van negen lidstaten die pleiten voor eenniet-bindende aanpak van schone zakelijke voertuigen. Is de Ministerbereid zich in de onderhandelingen terughoudender op te stellen bijbindende normen zolang de randvoorwaarden, zoals netcapaciteit,laadpunten, betaalbare voertuigen en uitvoerbare rapportage, nogonvoldoende zijn geregeld?AntwoordHet kabinet heeft kennisgenomen van dit non-paper van deze negenlidstaten. Ondanks dat het kabinet het niet op alle punten eens is met dezelidstaten, blijkt uit het non-paper wel dat er binnen de Raad een bredeconsensus is over de belangrijke rol die zakelijke vloten spelen in deingroei van emissievrije zakelijke voertuigen in de EU. Het kabinet vindtbovendien ook dat het Clean Corporate Vehicles-voorstel niet enkel eenopzichzelfstaand initiatief moet zijn, maar onderdeel van een brederraamwerk aan EU- en nationale maatregelen die de ingroei van emissie-vrije voertuigen stimuleert. Het kabinet ziet het Clean Corporate Vehicles-voorstel als een belangrijk onderdeel binnen dat bredere raamwerk enbepleit daarom nog steeds voor het behoud van ambitie en bindendedoelstellingen. Het kabinet is niet bereid zich op dit onderwerp terughou-dender op te stellen.Het kabinet verduidelijkt graag waarop het van mening verschilt met denegen lidstaten die het non-paper hebben ondertekend. Ten eerste willende lidstaten geen bindende doelstellingen omdat er wordt gesteld dat derandvoorwaarden (zoals voldoende laadinfrastructuur) niet op orde zouzijn. De verplichte doelstellingen voor de uitrol van publieke laadinfra-structuur in de EU borgen dat in alle lidstaten een basisnetwerk wordtaangelegd waarmee de ingroei van elektrische personen- en bestelauto’swordt gefaciliteerd. Dit netwerk kan vervolgens marktgedrevenmeegroeien met de vraag. Werkgevers of ondernemers die in Nederlandals gevolg van netcongestie niet (meteen) de mogelijkheid hebben om opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121224 eigen terrein (tijdig) private laadvoorzieningen te kunnen realiserenhebben een goed alternatief. Nederland heeft namelijk een bestaand engroeiend netwerk met voldoende publieke (snel)laders. Er zijn daarmeevoldoende alternatieven voorhanden om medewerkers elektrisch tekunnen laten rijden. Daarnaast is het ondanks de netcongestie metmitigerende maatregelen vaak mogelijk om private laadvoorzieningenbinnen de bestaande netaansluiting te realiseren zoals bijvoorbeeld metloadbalancing en/of batterijoplossingen. Ten tweede stellen de lidstatendat het gebruik van nul- of laag-emissievoertuigen leidt tot meerkosten.Echter kan het gebruik van zero-emissie voertuigen juist leiden tot lagereoperationele kosten voor ondernemers vanwege verminderde brandsto-fuitgaven en onderhoudskosten. Tot slot bepleiten de lidstaten eenvoud,juridische duidelijkheid en administratieve uitvoerbaarheid. Onnodigeaanvullende verantwoordingsverplichtingen aan lidstaten en groteondernemingen moeten voorkomen worden. Het kabinet is het op datlaatste punt volledig eens en vindt het daarom van belang dat deverordening effectief is. Deze effectiviteit vereist bindende doelstellingen.Vraag 39De leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland voornemens is deroadmap voor het Clean Transport Corridor Initiative te ondertekenen.Deze leden steunen het belang van goede laadinfrastructuur langsEuropese corridors voor Nederlandse vervoerders, maar vragen hoewordt geborgd dat dit niet alleen papieren ambitie wordt. Welkeknelpunten rond netcapaciteit, ruimte, vergunningverlening en aansluitingvan truckparkings worden met deze roadmap concreet opgelost?AntwoordDe Clean Transport Corridor Initiative (CTCI) roadmap bevat concreteafspraken voor ondertekenende lidstaten die aansluiten bij de onder-werpen die de BBB-fractie noemt. Het betreft actiepunten over onderandere: het vergroten van transparantie over netcapaciteit, het stimulerenvan anticiperende netinvesteringen, het versnellen en harmoniseren vanvergunningprocedures, het versterken van netcapaciteiten en flexibiliteiten tot slot structurele data-uitwisseling en monitoring. Dit versnelt derealisatie van logistieke laadinfrastructuur in de EU. De CTCI roadmapadresseert daarmee concreet de knelpunten die ook in Nederland spelen,zoals beperkte netcapaciteit en lange wachttijden voor aansluitingen,trage en versnipperde vergunningverlening en onzekerheid bij inves-teerders door gebrek aan transparantie.Vraag 40De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de Raad wordt gesprokenover decarbonisatie van de transportsector na 2030. Deze leden vragen deMinister te bevestigen dat Nederland in Brussel blijft inzetten op eenrealistische en betaalbare transitie, waarbij elektrificatie wordt gestimu-leerd waar dat kan, maar hernieuwbare brandstoffen beschikbaar blijvenvoor sectoren waar elektrificatie moeilijk of voorlopig niet haalbaar is,zoals luchtvaart, zeevaart, binnenvaart en zwaar transport.AntwoordHet kabinet spant zich in voor een ambitieus Europees pakket om invullingte geven aan het doel van 90% emissiereductie in 2040 op weg naarklimaatneutraliteit in 2050. Het kabinet vindt het ook belangrijk datduurzame mobiliteit betaalbaar en toegankelijk is en blijft voor burgers.De prikkel tot elektrificatie binnen de vervoers- en mobiliteitssector moetdaarom behouden blijven, gezien het potentieel hiervan in zowel hetbereiken van emissiereductie als het vergroten van betaalbaarheid voorburgers. Het kabinet is van mening dat hernieuwbare brandstoffen voorhet wegvervoer een transitiemiddel moet zijn richting elektrificatie. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121225 wegverkeer zal wel nog geruime tijd sprake zijn van een significantaandeel verbrandingsmotoren, waardoor hernieuwbare brandstoffennodig zijn als sluitstuk om aan de tussentijdse klimaatdoelstellingen tevoldoen. Het kabinet wil echter waarborgen dat het gebruik van degrondstoffen voor de productie van hernieuwbare brandstoffen voor hetwegvervoer niet ten koste gaat van de noodzakelijke verduurzaming vanhard to abate sectoren zoals lucht- en scheepvaart waarvoor elektrificatienog niet altijd een optie is.Vraag 41De leden van de BBB-fractie lezen dat de Militaire Mobiliteitsverordeningvoor het eerst in een beleidsdebat wordt besproken en dat veel lidstatenkritisch zijn op het verplichtende karakter van militaire vereisten. Dezeleden onderschrijven het belang van militaire mobiliteit, maar vragen hoewordt voorkomen dat kosten voor het geschikt maken van bruggen,wegen, spoor, havens en vaarwegen terechtkomen op nationale ofregionale infrabudgetten die nu al onder druk staan. Kan de Ministeraangeven of Nederland inzet op voldoende Europese financiering en eenduidelijk financieel voorbehoud?AntwoordGezien de grootte van de opgave zal Europese financiering niet voldoendezijn om de transportinfrastructuur te laten voldoen aan de militairevereisten, mede gezien Nederlandse cofinanciering benodigd is.Nederland ziet de urgentie van het verbeteren van de militaire mobiliteits-corridors, en tegelijkertijd het risico van een verplichting gezien op deRijksbegroting nauwelijks middelen zijn voorzien. Bij de onderhande-lingen zoekt Nederland hier een balans tussen, een financieel voorbehoudis daarbij een optie. Tevens vindt Nederland het van belang dat lidstatenvoldoende ruimte behouden om te bepalen in welke gevallen transportin-frastructuur daadwerkelijk geheel aangepast moet worden aan detechnische militaire vereisten, of wanneer andere noodzakelijke infrastruc-tuuropgaven prioriteit moeten krijgen, die wellicht ook benut kunnenworden voor militaire transporten. Daarnaast geldt dat niet alle afwij-kingen van de militaire technische vereisten in de praktijk leiden tot groteknelpunten en soms zijn er andere geschikte oplossingen mogelijk dieminder kostbaar zijn. Het kabinet acht het wenselijk om hier op nationaalniveau verstandige keuzes in te kunnen blijven maken.Vraag 42De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad naar verwachting raads-conclusies vaststelt over de Europese Havenstrategie. Deze leden vindenhet positief dat ook binnenhavens en achterlandverbindingen nadrukkelijkworden meegenomen. Kan de Minister aangeven hoe Nederland ervoorzorgt dat de strategie niet alleen draait om grote zeehavens, maar ookconcreet bijdraagt aan sterke binnenhavens, goede vaarwegen, spoorver-bindingen en regionale logistieke knooppunten?AntwoordIn de Europese havenstrategie wordt ook aan de binnenhavens eenbelangrijke rol toebedeeld. Niet alleen Nederland, maar verscheideneandere Europese lidstaten hebben in de discussie over de raadsconclusiesspecifiek aandacht gevraagd voor binnenhavens, vaarwegen, spoorwegenen achterlandverbindingen. Op meerdere plaatsen in de raadsconclusieswordt hier naar het oordeel van het kabinet ook goed op gereflecteerd.Concreet zal de ontwikkeling van de binnenhavens en de achterlandver-bindingen de komende jaren vorm krijgen in de uitvoering van deverplichtingen uit de TEN-T Verordening, mede in het kader van militairemobiliteit en dual-use van infrastructuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121226 Vraag 43De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister in de Havenstrategieinzet op bescherming tegen ongewenste buitenlandse invloed, cyberdrei-gingen, georganiseerde criminaliteit en drone-dreigingen, zonder dat ditleidt tot een stapeling van nieuwe administratieve lasten voor havenbe-drijven, binnenhavens en logistieke ondernemers. Kan de Ministeraangeven of Nederland blijft pleiten voor een nationale contactstructuurof EU-werkgroep voor buitenlandse investeringen in havens?AntwoordHet kabinet onderkent dat een versterkte aanpak op het gebied vanweerbaarheid ook aanvullende inspanning vraagt van (haven)bedrijven.Het kabinet acht deze maatregelen echter noodzakelijk met het oog op denationale veiligheid, economische weerbaarheid en de bescherming vanvitale infrastructuur.Het kabinet zet erop in dat nieuwe maatregelen zoveel mogelijkuitvoerbaar, proportioneel en praktisch toepasbaar zijn. Nederland blijftzich daarom zowel nationaal als Europees inzetten om onnodigeadministratieve lasten te voorkomen, onder meer door informatiever-zoeken beter te bundelen, bestaande rapportageverplichtingen zoveelmogelijk op elkaar aan te laten sluiten, dubbeling te voorkomen en tezorgen voor duidelijke en goed vindbare overheidsinformatie.Het kabinet vindt actieve en structurele informatie-uitwisseling overbuitenlandse investeringen van groot belang. Op nationaal niveau vindtdeze dialoog reeds interdepartementaal plaats in diverse gremia.Daarnaast is als onderdeel van de implementatie van de Wet kritiekeentiteiten (Wkke) een platform ingericht waar sector en overheid sprekenover (economische) weerbaarheid en de bescherming van vitale infra-structuur.Op Europees niveau blijft Nederland pleiten voor een structureel Europeessamenwerkingsmechanisme gericht op risicovolle investeringen,buitenlandse staatsinvloed en strategische afhankelijkheden in havens.Vraag 44De leden van de BBB-fractie lezen dat het Actieplan inzake beveiliging vanen tegen drones inzet op registratie, identificatie, geofencing, een EUTrusted Drone Label en mogelijk registratie vanaf 100 honderd gram. Dezeleden vragen hoe wordt voorkomen dat goedwillende gebruikers, zoalsboeren, inspectiebedrijven, hulpdiensten, infrastructuurbeheerders eninnovatieve mkb’ers, onnodig worden geraakt door extra registratielastenen procedures.AntwoordHet kabinet ondersteunt het gebruik van drones voor maatschappelijke eneconomische toepassingen, waaronder in de landbouw en hulpdiensten.In de kabinetsreactie op het Actieplan is daarom benadrukt dat eventueleverplichtingen, zoals registratie-, identificatie- of certificeringseisen,proportioneel moeten zijn ten opzichte van het beoogde doel. Daarbijmoet zorgvuldig worden afgewogen of de administratieve lasten enuitvoeringskosten opwegen tegen de verwachte meerwaarde van demaatregel.Het kabinet zal in Europees verband aandacht vragen voor eenvoudige enuitvoerbare procedures, zodat de administratieve lasten voor gebruikerszoveel mogelijk worden beperkt. Tegelijkertijd dwingt de huidigegeopolitieke situatie tot aanvullende maatregelen. Dat vraagt dus omgoede balansvoering. Bij de verdere uitwerking van voorstellen zal hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121227 kabinet daarom steeds toetsen of de maatregelen noodzakelijk, proporti-oneel en uitvoerbaar zijn.Vraag 45De leden van de BBB-fractie onderschrijven dat kwaadwillend dronege-bruik bij havens, luchthavens, energie-infrastructuur, evenementen envitale objecten serieus moet worden aangepakt. Tegelijk vragen zij deMinister te bevestigen dat operationele counter-dronebevoegdheden,inzet rond nationale veiligheid en besluitvorming over bescherming vanvitale infrastructuur primair nationale bevoegdheden blijven. Kan deMinister aangeven welke ruimte Nederland in Europees verband wel zietvoor samenwerking, bijvoorbeeld rond standaarden, dreigingsinformatie,oefeningen en gezamenlijke kennisontwikkeling?AntwoordHet kabinet ziet belangrijke meerwaarde in Europese samenwerking opterreinen waar gezamenlijke kennisopbouw, interoperabiliteit eninformatie-uitwisseling kunnen bijdragen aan een effectievere aanpak vankwaadwillend dronegebruik. De voorstellen in het Actieplan richten zichdaarom met name op kennisuitwisseling en het leren van elkaarservaringen, zodat wordt voorkomen dat lidstaten afzonderlijk tegendezelfde belemmeringen aanlopen. Nederland ondersteunt in dat kaderinitiatieven op het gebied van gezamenlijke oefeningen, uitwisseling vandreigingsinformatie, interoperabiliteit van counterdrone systemen engezamenlijke ontwikkeling van technologische oplossingen. Zo steunt hetkabinet de doorontwikkeling van het bestaande «counter-drone LivingLab» van het «Joint Research Centre» tot een «EU counter-drone Centre ofExcellence».Het Nederlandse beleid bevordert Europese samenwerking bij grensover-schrijdende dreigingen en systeeminteroperabiliteit, terwijl nationalebevoegdheden behouden blijven. Centraal staat een geïntegreerde aanpakwaarin civiel-militaire samenwerking, nationale weerbaarheid, publiek-private partnerschappen en operationele uitvoering samenkomen. Ditbeleid maakt ook verantwoord gebruik van de maatschappelijk eneconomische kansen van drones mogelijk, met waarborging vanveiligheid en publieke belangen, waardoor innovatie en duurzameeconomische ontwikkeling worden gestimuleerd.Vragen Groep MarkuszowerVraag 46De leden van de Groep Markuszower maken zich zorgen als het gaat omde budgetoverschrijding van de implementatie van European Rail TrafficManagement System (ERTMS). Hoewel de leden het nut en de noodzaakvan het systeem erkennen, vinden zij dat de kosten de spuigaten uitlopen.Deze leden vragen zich af of het kabinet in Brussel kan inzetten op hetverkrijgen van subsidie ten aanzien van de implementatie van ERTMS,teneinde de Nederlandse schatkist – en daarmee de Nederlander – teontzien.AntwoordIenW zet in op het verkrijgen van subsidie voor de implementatie voorERTMS, zowel bij de ombouw van infrastructuur als materieel. Hiervoorzijn al een aantal projecten geïdentificeerd die mogelijk in aanmerkingkunnen komen voor Europese subsidie onder het (komende) ConnectingEurope Facility (CEF) van de Europese Unie. Tegelijk blijken de mogelijk-heden hiertoe helaas in de praktijk beperkt. Onder andere vanwege demiddelen die ook in Europa beperkt zijn en de strenge voorwaardenwaaronder een Europees subsidieproject uitgevoerd moet worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121228 Vraag 47De leden van de Groep Markuszower erkennen dat ERTMS in de toekomstkan bijdragen aan een betere spoorinfrastructuur in Nederland. Wel ziende leden enkele beren op de weg. Deze leden vragen zich af hoe het zitmet de toekomstige eisen van het systeem en of er nog nieuwe specifi-caties in de pijpleiding zitten.AntwoordLeveranciers ontwikkelen hard- en software op basis van verschillendespecificaties (baselines/systeemversies). Aangezien ERTMS een digitaalsysteem is, zullen er wijzigingen blijven komen, net als bij een mobieletelefoon. Nieuwe specificaties bevatten correcties en/of extra functiona-liteit, maar sluiten niet altijd naadloos aan op oudere versies. In iedergeval wordt in of na 2028 nieuwe functionaliteit omtrent het communica-tiesysteem voorzien, genaamd Future Railway Mobile CommunicationSystem (FRMCS).Vraag 48De leden van Groep Markuszower zien moeilijkheden ten aanzien vanERTMS en de landsgrenzen ontstaan. De leden willen graag een updateten aanzien van de comptabiliteit op het TEN-T netwerk in relatie metERTMS. Deze leden vragen zich specifiek af of de treinen nog wel delandsgrens over kunnen, gelet op het feit dat lidstaten verschillendeversies implementeren, en welke maatregelen ten einde dat te regelen algenomen zijn.AntwoordInternationaal kunnen landen verschillende toegestane versies invoeren,waardoor bij grensovergangen en internationaal rijdende treinen extraaanpassingen nodig kunnen zijn. Daarom is strak versiebeheer en goedeafstemming met buurlanden noodzakelijk. Met België en Duitsland zijnhiervoor de gesprekken gaande.Vraag 49De leden van de Groep Markuszower constateren dat het kabinet in hetregeerakkoord heeft opgeschreven dat zij de vliegbelasting in Europa wilharmoniseren. Deze leden constateren dat de wijze waarop het kabinet ditdenkt te bereiken onduidelijk is. Deze leden constateren verder datNederland de hoogste vliegbelasting van Europa heeft. Deze leden vragenaan het kabinet op welke wijze zij denkt de vliegbelasting te kunnenharmoniseren en de inzet hieromtrent uit te werken en aan de Kamer tedoen toekomen.AntwoordDe luchtvaart is een mondiale sector met een mondiale impact. Beprij-zingsmaatregelen hebben daarom de meeste impact wanneer deze op eenmondiaal, dan wel Europees, niveau worden geïmplementeerd. Hetkabinet onderschrijft het belang van een gelijk speelveld voor deluchtvaartsector binnen Europa. Om die reden zal Nederland zich inEuropees verband inzetten op een geharmoniseerde EU-vliegbelasting.Nederland zal actief de samenwerking zoeken met Europese lidstaten ende Europese Commissie. In het commissiedebat luchtvaart van 21 april jl.heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd daartoe tebeginnen via gesprekken met Duitsland en België. De kamer zal voor heteinde van het jaar over deze gesprekken worden geïnformeerd.Vraag 50De leden van de Groep Markuszower vinden het niet uit te leggen datNederland voornemens is de hoogste vliegbelasting van Europa in tevoeren. Vooral omdat deze coalitie in het regeerakkoord heeft opgenomenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121229 dat een dergelijke vliegtaks in Europees verband geharmoniseerd dient teworden. Deze leden willen weten of het kabinet overweegt de voorge-nomen verhoging van 2027 te schrappen, dan wel de vliegbelasting in zijngeheel te verlagen, nu buurland Duitsland heeft aangekondigd devliegbelasting aanzienlijk te gaan verlagen.AntwoordDe differentiatie naar afstand van het tarief van de vliegbelasting isafgelopen december aangenomen door het parlement. Vluchten overlangere afstanden, die meer uitstoten, worden zwaarder belast. Hetkabinet is nu niet voornemens de voorgenomen aanpassing van devliegbelasting van 2027 te heroverwegen. Het kabinet volgt de ontwikke-lingen in omringende landen, waaronder Duitsland en België, nauwgezet.Het onderzoek naar de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand wordt,conform motie Hoogeveen (JA21) (Kamerstuk 36 812, nr. 88), op ditmoment geactualiseerd en voor Prinsjesdag met de kamer gedeeld. Ookzullen de effecten van de vliegbelasting gedifferentieerd naar afstandvanaf 2028 periodiek gemonitord worden.Vraag 51De leden van de Groep Markuszower zien met pijn in de ogen toe hoeNederlandse grensluchthavens de slag met hun Duitse concurrentenverliezen, aangezien de Duitse regering de vliegtaks van plan is teverlagen. Deze leden vragen zich derhalve af welke maatregelen, innationaal en Europees verband, het kabinet voornemens is om te nemenom deze Nederlandse luchthavens de hand te reiken, dan wel te redden.AntwoordHet kabinet houdt rekening met de ontwikkelingen op de regionalegrensluchthavens. Zo is de aanvraag voor de verruiming van de openings-tijden door Groningen Airport Eelde overgenomen in het luchthavenbe-sluit dat vorig jaar is ingegaan. Daarnaast investeert het Rijk€ 16,5 miljoen in het verbeteren van de landzijdige bereikbaarheid vanGroningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport. Tegelijkertijd heefthet kabinet begrip voor de uitdagingen van de grensluchthavens. Hetkabinet werkt aan de motie De Groot (VVD) en Goudzwaard (JA21)(Kamerstuk 31 936, nr. 1277), die het kabinet verzoekt om een analyse bijGroningen Airport Eelde en Maastricht Aachen Airport uit te vragen naarhun concurrentiepositie in relatie tot luchthavens over de grens en hierinde hoogte van de huidige vliegbelasting te betrekken. Dit zal voor debegrotingsbehandeling met de kamer worden gedeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-33, nr. 121230

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a6316be75ebb29c6

14 okt 2026 · 8bcd8749bd75b0d1

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.