KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21501-32-1812)

3 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 50d6a2ccff746004 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1824 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 3 juli 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 8 juni2026 over LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812).De vragen en opmerkingen zijn op 10 juni 2026 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van3 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,SteenAdjunct-griffier van de commissie,Bosman kst-21501-32-1824ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18241 Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieVraagDe leden van de D66-fractie zijn van mening dat kracht en weerbaarheidontstaan bij diversiteit: in de natuur, in de economie en in ons voedsel-systeem. Hoe afhankelijker Europa is van slechts enkele landen voorgrondstoffen als kunstmest en krachtvoer, hoe kwetsbaarder het continentis voor externe schokken. De geopolitieke ontwikkelingen van deafgelopen jaren maken deze kwetsbaarheid pijnlijk zichtbaar. Deze ledenzijn dan ook van mening dat het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouw-beleid (GLB) een cruciale kans biedt om Europese voedselzekerheidstructureel weerbaarder te maken door te investeren in grondgebon-denheid, diversificatie van voedselproductie en verduurzaming.De leden van de D66-fractie hechten specifiek aan grondgebondenheid alsmiddel om zowel de voedselzekerheid als de natuur- en milieudoelen teversterken. Grondgebonden landbouw vermindert de afhankelijkheid vanexterne inputs van buiten Europa zoals kunstmest en krachtvoer en draagtbij aan een schokbestendiger voedselsysteem. Deze leden constaterenechter dat grondgebondenheid op dit moment geen centrale plek lijkt tehebben in de Europese GLB-discussie. Is de Minister bereid om grondge-bondenheid als beleidsprioriteit actief te agenderen in de EuropeseGLB-onderhandelingen? Zo ja, op welke wijze geeft hij daar concreetinvulling aan?AntwoordGrondgebondenheid is een breed thema dat zowel in het Gemeenschap-pelijk Landbouwbeleid (GLB) als in andere Europese regelgeving, zoals deNitraatrichtlijn en de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), relevant is.Daarnaast is het voornemen voor een norm van grondgebondenheid ookopgenomen in het addendum van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn.Ook wordt binnen de onderhandelingen over het toekomstige GLB reedsgesproken over het stimuleren van extensivering als middel omGLB-doelen voor bijvoorbeeld waterkwaliteit te realiseren. Grondgebon-denheid is in de gesprekken daarbij geen doel op zich, maar een middelom overkoepelende doelen te realiseren.VraagDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrieven van de Minister over de eco-regeling (Kamerstukken 28 625,nrs. 383 en 384). Deze leden onderschrijven het belang van deeco-regeling als instrument voor de verduurzaming van de landbouw ensteunen de inzet van de Minister om de regeling voorspelbaarder enrechtvaardiger te maken voor deelnemende boeren. De Minister schrijftdat hij de eco-regeling per 2027 wil aanpassen via een flexibelerepunten-instapeis, het afschaffen van de medaillesystematiek en deuitbetaling van de werkelijk behaalde waarde. Deze leden juichen dezeaanpassingen toe, maar vragen of dit voldoende is om de regeling ookinhoudelijk scherper te richten op duurzaamheidsdoelen. Overweegt deMinister naast de aangekondigde aanpassingen ook een inhoudelijkeherijking van de set aan eco-activiteiten en de bijbehorende puntentoe-kenning, zodat de regeling beter aansluit op de meest impactvolleverduurzamingsdoelen? Hoe wordt Wageningen University & Research(WUR) daarin betrokken?De leden van de D66-fractie constateren dat de eco-activiteit «voedselbos»momenteel niet voldoende punten oplevert om de eco-premie teontvangen. Aan voedselbossen is een biodiversiteitsscore van 1toegekend door de WUR, waarbij gewezen is op de risico’s van uitheemsesoorten. Deze leden wijzen er echter op dat de WUR in het rapportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18242 «Richtlijnen voor risicobeperking invasieve exoten in agroforestry»,opgesteld in opdracht van het ministerie, heeft geconcludeerd dat hetbeperkte risico van invasieve exoten niet opweegt tegen de voordelen vanagroforestry voor biodiversiteit en de Nederlandse natuur, mits deaanbevolen negatieve soortenlijsten worden gehanteerd1.AntwoordDe aangekondigde wijzigingen voor 2027 zijn primair gericht op hetrobuuster, voorspelbaarder en beter uitvoerbaar maken van deeco-regeling. Wageningen University & Research (WUR) speelt hierbij eenbelangrijke rol, onder meer bij het beoordelen van de bijdragen vaneco-activiteiten aan de eco-doelen. Zo worden ook de inzichten van hetWUR-rapport over de risico’s van invasieve exoten binnen agroforestry-systemen betrokken bij de beoordeling van de eco-activiteit voedselbos.Daarbij wordt ook gekeken naar de puntentoekenning van dezeeco-activiteit. De Minister zal de Kamer binnenkort informeren over hetadvies van de WUR over de eco-activiteit voedselbos. Een bredereherijking van alle eco-activiteiten maakt op dit moment geen deel uit vande systeemwijzigingen voor 2027. De resultaten van monitoring,evaluaties en onderzoeken van onder meer WUR blijven echter eenbelangrijke basis voor de doorontwikkeling van de eco-regeling in het GLBvanaf 2028.VraagDe leden van de D66-fractie hechten aan een zorgvuldige, onafhankelijkeonderbouwing van de puntentoekenning voor eco-activiteiten, maarvragen of de meerwaarde van voedselbossen voor biodiversiteit bij dehuidige score voldoende is gewogen. Is de Minister bereid om voor hetaanvraagjaar 2027 een second opinion van de WUR te vragen over depuntentoekenning voor de eco-activiteit voedselbos, waarbij expliciet devoordelen voor biodiversiteit worden afgezet tegen de risico’s vanuitheemse soorten, uitgaande van de aanbevelingen uit het eerderge-noemde agroforestry-rapport?AntwoordEr is reeds aan WUR gevraagd om een nieuw advies voor de puntentoe-kenning van de activiteit voedselbos. Daarover zal de Minister de Kamerbinnenkort informeren.VraagTot slot vragen deze leden hoe de Minister de relatie ziet tussen dehuidige nationale eco-regeling en de toekomstige GLB-systematiek, die inhet voorstel van de Europese Commissie (EC) voor 2028–2034 deeco-regelingen en het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb)samenvoegt in één systeem van vrijwillige agromilieu- en klimaatacties.Deze leden zijn van mening dat het behoud, de verbreding en deversterking van een ambitieuze eco-regeling cruciaal zijn voor eenduurzame, weerbaardere landbouw.AntwoordHet Europese voorstel verplicht lidstaten niet om regelingen samen tevoegen. Het samenvoegen gaat slechts over de onderliggende juridischefinanciële voorwaarden voor uitbetaling van Europese gelden voor dezeregelingen. In de voorstellen van de Europese Commissie (hierna: deCommissie) voor de vrijwillige agromilieu- en klimaatacties blijft een1WUR, september 2022, «Richtlijnen voor risicobeperking invasieve exoten in agroforestry:Advies voor het hanteren van een negatieflijst bij aanplant van agroforestry»,https://research.wur.nl/en/publications/richtlijnen-voor-risicobeperking-invasieve-exoten-in-agroforestry/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18243 individuele en breed toegankelijke regeling gericht op duurzamemaatregelen op bedrijfsniveau rondom water, klimaat, landschap, bodem,lucht en biodiversiteit, zoals de eco-regeling, mogelijk. De Ministeronderzoekt momenteel hoe een dergelijke regeling in samenhang met hetagrarisch natuurbeheer kan worden doorontwikkeld in het toekomstigeGLB, waarbij hij rekening houdt met het doelbereik van de regeling en decomplexiteit voor de uitvoerende instanties en agrariërs.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overde Nederlandse inzet in de Europese Unie (EU) op het terrein vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), de reactie op hetDeense EU-voorzitterschap, de stand van zaken van het LB en deeco-regeling. Deze leden onderschrijven het belang van een sterkelandbouw- en visserijsector die kan rekenen op een gelijk speelveld,ruimte voor innovatie en een toekomstbestendig verdienvermogen. Zijhebben naar aanleiding van de stukken nog enkele vragen.VraagDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de aangekondigde Europese stresstest van de Vogel- en Habitat-richtlijn. Deze leden zien hierin een belangrijke kans om de uitvoer-baarheid van de Europese natuurwetgeving en de gevolgen daarvan voorvergunningverlening kritisch te evalueren. Zij constateren dat de C hierbijexpliciet kijkt naar de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn en degevolgen daarvan voor Natura 2000-gebieden, passende beoordelingenen vergunningverlening. Deze leden vragen hoe de Minister dezestresstest beoordeelt. Welke concrete Nederlandse inzet kiest het kabinetin dit traject?AntwoordHet kabinet verwelkomt de stresstest van de VHR. De stresstest bouwtvoort op de in 2016 uitgevoerde VHR Fitness-check. Hierin is de VHR«fit-for-purpose» bevonden. De stresstest focust op hoe de bestaandeVHR-doelstellingen op een kostenefficiëntere manier behaald kunnenworden, inclusief door mogelijkheden te verkennen voor het verminderenvan onnodige administratieve lasten in de uitvoering. De stresstest is eentechnisch onderzoek en heeft niet als doel om de inhoudelijke doelstel-lingen of het bestaande beschermingsniveau aan te passen. De resultatenvan de stresstest zullen daarmee aantonen of wijzigingen in de VHR nodigzijn om administratieve lasten te verlagen of de richtlijnen kosteneffici-ënter uit te voeren. De Commissie vraagt lidstaten inbreng te leveren,onder andere via een technisch-inhoudelijke consultatie. De voorberei-dingen daarop zijn momenteel nog in volle gang.De VHR-stresstest is een belangrijk traject om ervaringen met deuitvoering van de VHR onder de aandacht van de Commissie te brengen.De stresstest biedt de mogelijkheid om de Commissie inzage te bieden inde specifieke uitdagingen waar Nederland mee te maken heeft, aan dehand van data, feiten en concrete casuïstiek. Daarnaast biedt de stresstestde kans om de verbeteringen, goede praktijken en oplossingsrichtingendie Nederland de afgelopen jaren heeft ontwikkeld, onder de aandacht tebrengen.VraagIs de Minister voornemens de Nederlandse knelpunten rond vergunning-verlening, die mede zijn ontstaan door de opeenstapeling van jurispru-dentie rondom artikel 6 van de Habitatrichtlijn, nadrukkelijk onder deaandacht van de EC te brengen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18244 AntwoordDe Minister is voornemens om de Nederlandse knelpunten rond vergun-ningverlening onder de aandacht te brengen. Deze knelpunten kennenoverigens een veelheid aan oorzaken, waaronder de slechte staat vannatuur en het achterblijven van natuurherstelmaatregelen. De goedewerking van de Habitatrichtlijn zou kunnen verbeteren indien bepaaldebegrippen verhelderd en eenduidig uitgelegd worden.VraagDeze leden vragen voorts of de Minister bereid is zich ervoor in te zettendat projecten die aantoonbaar leiden tot emissiereductie eenvoudigervergund kunnen worden.AntwoordHet kabinet zet zich in om vergunningverlening mogelijk te maken. Waaractiviteiten aantoonbaar niet leiden tot significante negatieve effecten opde natuur is vergunningverlening reeds mogelijk. Met het maatregel-pakket van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof zal ditop meer plekken het geval worden. Bovendien zet het kabinet zich opEuropees niveau ervoor in om verduurzamingsprojecten die aantoonbaarbijdragen aan emissiereductie te vergemakkelijken, wanneer dergelijkeinzet niet leidt tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.VraagOok vragen zij of de Minister mogelijkheden ziet om meer duidelijkheid teverkrijgen over de beoordeling van significante effecten en meerrechtszekerheid te creëren voor maatregelen die op gebieds- of systeem-niveau leiden tot stikstofreductie.AntwoordIn het kader van de stresstest heeft de Minister bij de Commissie onder deaandacht gebracht dat het voor initiatiefnemers soms een zware last is omaan te tonen dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebiedenzijn uitgesloten. De bijbehorende onderzoekslasten worden door kleineinitiatiefnemers regelmatig als disproportioneel zwaar ervaren. Daardoorkan het ook voorkomen dat kleinere of minder draagkrachtige initiatief-nemers zich geen vergunningaanvraag kunnen veroorloven en meerdraagkrachtigen wel. Een meer expliciete koppeling met de gebiedsge-richte ecologische randvoorwaarden in de VHR, in plaats van een sterkefocus op afzonderlijke soorten en habitattypen, kan bijdragen aan eeneerlijker en effectiever natuurbeleid. Dit heeft de Minister tevens meege-nomen in de Nederlandse inbreng voor de stresstest.VraagDaarnaast vragen zij of de Kamer periodiek geïnformeerd kan wordenover de voortgang van de stresstest en de Nederlandse inzet daarbij.AntwoordDe Minister zal de Kamer periodiek informeren over de voortgang van destresstest en de Nederlandse inzet.VraagDe leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet om inEuropees verband te werken aan toelating van Renure, aanpassing van deNitraatrichtlijn en het verkrijgen van een nieuwe derogatie. Deze ledenconstateren tegelijkertijd dat het kabinet zelf aangeeft dat gesprekken metde EC tot op heden niet hebben geleid tot een wijziging van de Europesepositie. Kan de Minister aangeven welke concrete signalen hij momenteelontvangt vanuit de EC en andere lidstaten over de kansen voor Renure eneen nieuwe derogatie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18245 AntwoordOp 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werkinggetreden en op 12 juni jl. is de nationale regeling voor het gebruik vanRenure-meststoffen in werking getreden. Hiermee wordt het mogelijkvoor agrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof per hectareboven de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan te wenden metgoedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaal stikstofgebruiks-norm). De productietechnieken voor Renure die met de recenteaanpassing van de Nitraatrichtlijn zijn toegestaan, zijn op dit moment metname geschikt voor productie en gebruik op de lokale markt.Het kabinet zet zich in om de reikwijdte van de circulaire productie en hetgebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In hetActieplan Meststoffen van de Commissie is een mogelijke verbreding vande reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaat aange-kondigd. De Kamer is op 26 juni jl. geïnformeerd over de kabinetsappre-ciatie van dit Actieplan via een BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4394).In de Kamerbrief van 8 april 2026 (Kamerstuk 33 037, nr. 643) heeft deMinister aangegeven momenteel geen ruimte te zien voor een nieuwemestderogatie. Naar aanleiding van een verzoek voor een nieuwederogatie van zijn ambtsvoorganger, heeft de Commissie gereageerd datNederland momenteel niet voldoet aan de voorwaarden voor een nieuwederogatie en de Commissie benoemt daarbij de relatie met destikstofopgave.VraagVoorts vragen deze leden welke alternatieve scenario’s het kabinetvoorbereidt indien een nieuwe derogatie uitblijft. Wat zijn in dat geval degevolgen voor grondgebonden melkveebedrijven en de mestmarkt?AntwoordIn reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie van de ambtsvoor-ganger van de Minister, heeft de Commissie aangegeven dat Nederlandniet voldoet aan de voorwaarden voor een nieuwe derogatie. Volgens deCommissie heeft Nederland nog een grote opgave ten aanzien van degrond- en oppervlaktewaterkwaliteit en zij benoemt ook de stikstofopgavein Nederland. Gelet hierop ziet de Minister geen ruimte voor een nieuwemestderogatie voor Nederland en is het dus niet mogelijk om boven destikstofgebruiksruimte van 170 kilogram stikstof per hectare meer dierlijkemest te plaatsen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 8 april 2026(Kamerstuk 33 037, nr. 643), heeft het aflopen van de derogatie een groteinvloed op de Nederlandse landbouw, in het bijzonder de melkveehou-derij. Om perspectief te bieden aan deze groep agrariërs ziet de Ministermogelijkheden voor de opschaling van de productie en aanwending vanRenure-meststoffen, waarvan de nationale regelgeving 11 juni jl. inwerking is getreden.VraagDaarnaast vragen deze leden welke coalities Nederland momenteel vormtmet andere lidstaten om te komen tot aanpassing van de Nitraatrichtlijnen een meer doelgerichte benadering van nutriëntenbeleid.AntwoordDe evaluatie van de Nitraatrichtlijn zal naar verwachting binnenkortworden afgerond. De Commissie zal een verslag over de resultaten van deevaluatie en een eventueel opvolgend traject publiceren. Momenteel ishet nog niet duidelijk of de evaluatie daadwerkelijk zal leiden tot eenherziening van de Nitraatrichtlijn. De Minister wil de resultaten van dezeevaluatie afwachten en zal de Kamer hierover informeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18246 VraagDe leden van de VVD-fractie constateren dat de eco-regeling eenbelangrijk instrument is binnen het GLB om boeren te belonen voorverduurzamingsinspanningen. Tegelijkertijd hebben veel boeren deafgelopen periode zorgen geuit over afkeuringen van eco-activiteiten ende werking van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Deze leden zijnpositief over de toezegging van de Minister om alle 1.345 dossiers waarinafwijzing van de eco-activiteit Groenbedekking heeft geleid tot een lagerepremie alsnog handmatig te beoordelen. Zij vragen of de Ministerinmiddels kan aangeven in hoeveel gevallen deze aanvullende beoor-deling heeft geleid tot aanpassing van de beschikking.AntwoordDe herbeoordeling van de 1.345 dossiers waarin de eco-activiteitGroenbedekking zonder menselijke tussenkomst is afgekeurd, is noggaande.Van de totale groep van 3.724 betrokken percelen is inmiddels circa 60%opnieuw beoordeeld. Op basis van de tot nu toe afgeronde herbeoorde-lingen is in ongeveer 2% van de gevallen de eco-activiteit alsnoggoedgekeurd. In de overige gevallen is de oorspronkelijke beoordelinggehandhaafd.Nadat de inhoudelijke beoordeling is afgerond, moeten de uitkomstennog administratief worden verwerkt in het bredere dossier van deaanvrager. Daardoor kan enige tijd zitten tussen het afronden van deherbeoordeling en het verzenden van een eventuele herbeschikking aande betreffende ondernemer. Hierover is de Kamer geïnformeerd op5 juni jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 384).VraagZij vragen daarnaast of de Minister bereid is ook andere eco-activiteitenwaarbij bodembedekking een belangrijke voorwaarde is, zoals Groenbe-mesting, in vergelijkbare situaties van een menselijke beoordeling tevoorzien. Uit voorlopige gegevens van de Rijksdienst voor OndernemendNederland (RVO) blijkt volgens de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) dathet aantal deelnemers aan de eco-regeling in 2026 met ruim 6 procentafneemt ten opzichte van het voorgaande jaar. Welke conclusies verbindtde Minister aan deze ontwikkeling?AntwoordVoor alle andere eco-activiteiten dan Groenbedekking geldt dat er geenpercelen zijn afgekeurd zonder beoordeling door een medewerker vanRijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Omdat de uitkomstenvan die beoordelingen ook niet afwijken van de controles ter plaatse doorde Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2025 envoorgaande jaren, ziet de Minister geen reden om de andere activiteitenopnieuw te laten beoordelen.Ten aanzien van de ontwikkeling in deelname aan de eco-regeling in 2026,heeft RVO een analyse uitgevoerd naar de afname van het aantaldeelnemers aan de eco-regeling in 2026. Hieruit blijkt dat er geeneenduidige verklaring is voor de daling. 37% van de agrariërs die in 2026niet meer deelnemen aan de eco-regeling, hebben ook geen basisinko-menssteun meer aangevraagd. Daarnaast is er een groep van2.723 relaties die wel basisinkomenssteun heeft aangevraagd, maar nietmeer deelneemt aan de eco-regeling. Van deze groep hebben1.162 deelnemers een lagere uitbetaling ontvangen dan was aangevraagdin 2025.VraagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18247 Deelt de Minister de opvatting dat een brede deelname aan deeco-regeling essentieel is voor het realiseren van verduurzamingsdoelenbinnen de landbouw?AntwoordDe Minister deelt de opvatting dat een brede deelname aan deeco-regeling van belang is voor het realiseren van de verduurzamings-doelen binnen het GLB. De eco-regeling is een belangrijk instrument omboeren te helpen met verduurzamingsmaatregelen die bijdragen aanklimaat, milieu, bodem en biodiversiteit. Tegelijkertijd moet de regelinguitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig zijn ingericht om ook op langeretermijn voldoende deelname te borgen.VraagWelke aanvullende maatregelen overweegt hij om deelname aantrekkelijkte houden?AntwoordOm deelname en vertrouwen in de eco-regeling te borgen, werkt deMinister aan verschillende maatregelen die eerder met de Kamer zijngedeeld (Kamerstuk 28 625, nr. 383). Het gaat daarbij onder meer om eenflexibele punten-instapeis en het afschaffen van de medaillesystematiek,zodat de financiële gevolgen van het niet behalen van één individueleeco-activiteit worden beperkt. Daarnaast zet de Minister samen met RVOin op het verder verbeteren van de communicatie richting deelnemers,zodat vooraf meer duidelijkheid bestaat over de voorwaarden, demonitoring en de beoordeling van eco-activiteiten.VraagVoorts vragen deze leden of de Minister blijft vasthouden aan het gebruikvan het AMS-systeem?AntwoordDe inzet van het Areaal Monitoring Systeem (AMS) wordt voortgezet alsonderdeel van de uitvoering van de eco-regeling. Het AMS draagt op eenefficiënte en uniforme manier bij aan een doelmatige uitvoering van deregeling en een rechtmatige besteding van Europese middelen. Tegelij-kertijd is en blijft het systeem ondersteunend aan de uitvoering doormedewerkers van RVO, die ook andere gegevens ter beschikking hebbenom een beoordeling te maken.VraagWelke verbeteringen worden momenteel doorgevoerd om fouten in debeoordeling van dood of verdroogd gewas te voorkomen?AntwoordRVO onderzoekt momenteel hoe de beoordeling van (mogelijk) doodge-vroren gewas binnen de eco-activiteit Groenbedekking kan wordengeborgd. De uitkomsten worden betrokken bij de verdere doorontwik-keling van de eco-activiteit binnen deze programmaperiode en het gebruikvan AMS bij de uitvoeringspraktijk.VraagDe leden van de VVD-fractie vragen tevens wat de wetenschappelijkebasis is voor de eis dat groenbedekking op minimaal 80 procent van eenperceel aanwezig moet zijn. In hoeverre wordt daarbij rekening gehoudenmet verschillen in bodemtype, droogte, wateroverlast en andereweersomstandigheden?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18248 De norm van 80% heeft geen wetenschappelijke onderbouwing. Bij deontwikkeling van deze eco-activiteit is bewust gekozen voor een bedek-kingsgraad van 80%, zodat het ontbreken van groenbedekking opbijvoorbeeld kopakkers of rijpaden niet leidt tot afkeuring. Daarnaast isrekening gehouden met regionale verschillen. Het is aan de ondernemerom een passend mengsel te kiezen dat aansluit bij de betreffendegrondsoort. De eco-activiteit is voorafgaand aan de start van de program-maperiode getoetst via een praktijktoets. Indien een agrariër door extremeweersomstandigheden niet aan de vereiste 80% kan voldoen, kan eenberoep op overmacht worden gedaan.VraagDe leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is bijde beoordeling van aanvragen in 2026 rekening te houden met uitzonder-lijke weersomstandigheden en ervoor te zorgen dat boeren zo vroegmogelijk worden geïnformeerd wanneer een perceel mogelijk niet aan devoorwaarden voldoet, zodat zij tijdig hun aanvraag kunnen aanpassen ofeen beroep kunnen doen op overmacht.AntwoordVorig jaar is mede naar aanleiding van de droge omstandigheden in hetvoorjaar, de start van de beoordeling voor de bedekkingsgraad bij deeco-activiteit Groenbedekking opgeschoven van 31 mei naar 1 juli.Eveneens beziet de Minister voor dit jaar of de beoordelingsmomenten enuitvoeringspraktijk voldoende aansluiten bij de agronomische realiteit ende uitvoerbaarheid van de subsidievoorwaarden.Tegelijkertijd blijven deelnemers zelf verantwoordelijk voor het actueelhouden van hun aanvraag en voor het melden van wijzigingen wanneerniet aan de subsidievoorwaarden kan worden voldaan. RVO ondersteuntlandbouwers daarbij met informatie over de voorwaarden, controles enbeoordeling. Waar mogelijk worden observaties door RVO gebruikt omboeren te informeren, maar dit kan niet in alle gevallen voorafgaand aande beoordeling plaatsvinden. Voor de eco-activiteit Groenbedekking geldtbijvoorbeeld dat de relevante beoordelingsperiode veelal ligt vóór hetmoment waarop de subsidieaanvraag wordt ingediend.VraagDe leden van de VVD-fractie constateren dat de voorbereidingen voor hetGLB na 2027 in volle gang zijn. Deze leden vinden het van belang dat hettoekomstige GLB eenvoudiger wordt, minder administratieve lastenoplevert en beter aansluit bij de praktijk op het boerenbedrijf. De Ministergeeft aan dat verschillende knelpunten rond samenwerking tussenmelkveehouders en akkerbouwers beter kunnen worden meegenomen bijde vormgeving van het GLB na 2027. Kan de Minister aangeven welkeconcrete wijzigingen Nederland hiervoor in Brussel wil bepleiten?AntwoordHet kabinet zet zich in voor vereenvoudiging en vermindering vanadministratieve lasten. Hoewel de GLB-verordening ruimte laat aan delidstaten, zijn de Europese definities in de verordening over de samen-werking tussen melkveehouders en akkerbouwers beperkend. De Ministerzet zich daarom in voor definities die de genoemde samenwerking betermogelijk maken.VraagDaarnaast vragen deze leden hoe het kabinet zich ervoor inzet datinnovatie, kennisontwikkeling en samenwerking ook in het toekomstigeGLB stevig verankerd blijven. Zij wijzen daarbij onder meer op het belangvan het Europees Innovatiepartnerschap en andere samenwerkingsinstru-menten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18249 AntwoordDe GLB-interventies voor kennisuitwisseling en innovatie betreffen o.a. devolgende regelingen: Samenwerken aan innovatie (Europese InnovatiePartnerschappen, EIP), SABE (Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvi-sering en Educatie) en het AKIS (Agrarisch kennis- en Innovatiesysteem).Deze regelingen moeten in de voorstellen voor het nieuwe GLB verplichtworden ondersteund. De budgetten hiervoor zitten niet in hetafgeschermde (geoormerkte) deel voor het GLB. De ondersteuning vanuithet GLB voor EIP bevordert nieuwe samenwerkingen en is essentieel voorde bottom-up innovatie in de praktijk. De SABE-regeling bevordert deadvisering aan de agrarische ondernemers en de kennisuitwisselingen in(leer-)netwerken. Daarnaast speelt AKIS een belangrijke rol omdat hetkennispartners uit de praktijk, van kennisinstellingen en van overheidsor-ganisaties, samenbrengt en onderzoeks- en projectresultaten verspreidtonder deze kennispartners. In Europees verband zet de Minister zich invoor het belang van innovatie en kennisontwikkeling om de samen-werking en het gezamenlijk gebruiken en benutten van innovaties enverdere kennisdeling te stimuleren. Zo worden de GLB-interventies voorkennisuitwisseling en innovatie nauw betrokken bij de invulling van hetNationale en Regionale Partnerschapsplan (NRPP).VraagDe leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich in deonderhandelingen over het toekomstige GLB zich inzet voor een gelijkEuropees speelveld op het gebied van verduurzamingsmaatregelen.Welke mogelijkheden ziet de Minister om ervoor te zorgen dat boeren diebijdragen aan natuur-, milieu- en klimaatdoelen hiervoor passend wordenbeloond, zonder dat dit leidt tot concurrentienadelen voor Nederlandseondernemers?AntwoordHet afspreken van (duurzame) doelen op Europees niveau is van belang,zodat hier een vergelijkbare inzet op kan plaatsvinden. Uiteraard kan hetper lidstaat verschillen welke inzet nodig is om de doelen te realiseren enhebben lidstaten verschillende uitdagingen hierbij. Hierbij zet de Ministerzich conform motie Podt/Bromet ook in voor geleidelijke verlaging van debandbreedte voor degressieve areaalgebonden inkomenssteun om meerfinanciële ruimte te maken voor regelingen zoals de eco-regeling enagrarisch-natuur en landschapsbeheer. Daarbij is het belangrijk datboeren beloond worden voor de publieke diensten die zij leveren voornatuur, milieu en klimaat, in het geval deze diensten vanuit de marktonvoldoende beloning opleveren.VraagDe leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomst-bestendige visserijsector met ruimte voor innovatie. Deze leden steunende inzet van het kabinet om in Europees verband aandacht te blijvenvragen voor pulsvisserij en andere innovatieve technieken. Kan deMinister aangeven welke concrete stappen sinds het verschijnen van deEU-inzetbrief zijn gezet om draagvlak te verwerven voor hernieuwdediscussie over pulsvisserij? Welke lidstaten tonen zich hierbij ontvankelijk?AntwoordDe Kamerbrief over de LVVN EU-inzet van 8 juni jl. (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1812) is zeer recent met de Kamer gedeeld. Sindsdien zijn er geenconcrete stappen te vermelden. De afgelopen periode is er echter welveelvuldig inzet gepleegd voor de pulskorvisserij. De Kamer is hierovergeïnformeerd in de diversenbrief van 12 juni jl. (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1815). Gesprekken met andere lidstaten worden vertrouwelijk gevoerd.Het delen van de ontvankelijkheid van andere lidstaten zou niet bijdragenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182410 aan het verwerven van draagvlak. Wanneer concrete afspraken gemaaktzijn, zal de Kamer daarover geïnformeerd worden.VraagDaarnaast vragen zij welke kansen de lopende evaluatie van het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid (GVB) biedt om innovatie, verduurzaming envermindering van administratieve lasten beter te faciliteren.AntwoordDe evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) is afgerond.De Staatssecretaris heeft de Kamer recent geïnformeerd over zijn verdereinzet voor het GVB in de brief van 11 juni jl. (Kamerstuk 26 737, nr. 13).VraagDe leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet omEuropese regelgeving eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken voorboeren, tuinders en vissers. Deze leden constateren dat dit een belangrijkeprioriteit vormt binnen de Nederlandse EU-inzet. Zij vragen welkeconcrete resultaten inmiddels zijn geboekt op het gebied van vermin-dering van administratieve lasten en vereenvoudiging van regelgeving.AntwoordDe Commissie beoogt vermindering van administratieve lasten envereenvoudiging van regelgeving via onder andere de zogenaamdeOmnibuspakketten. Voorbeelden die reeds in werking zijn getreden, zijnde Europese vereenvoudigingsvoorstellen voor het GLB. Met dezewijzigingen in het GLB is bijvoorbeeld het aantal controles verminderdvoor de biologische sector als het gaat om de Goede Landbouw- enMilieucondities (GLMC’s), zijn agrarische bedrijven met een maximaleomvang van dertig hectaren landbouwareaal vrijgesteld van controles ensancties op de verplichte gewasrotatie, en kunnen tijdelijke afwijkingenvan de GLMC-normen worden toegestaan wanneer plantenziekten ofplagen het onmogelijk maken om voor agrarische ondernemers aan devereisten te voldoen. Het beperken van administratieve lasten is tevensonderdeel van de inzet voor het toekomstige GLB. Daarnaast lopen deonderhandelingen op de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder.De Nederlandse inzet op dit voorstel ziet o.a. op het wegnemen vanonnodige regeldruk en het versnellen van het op de markt brengen vanbiocontrol gewasbeschermingsmiddelen. Tevens wordt binnenkort eenRaadspositie verwacht op het Commissievoorstel tot wijziging van debiologische verordening. Het kabinet steunt alle voorstellen tot vereen-voudiging van biologische productieregels die hierin zijn opgenomen.VraagWelke Nederlandse voorstellen zijn inmiddels overgenomen in Europesewetgeving of voorstellen, waaronder de recente vereenvoudigingenbinnen het GLB?AntwoordHet uiteindelijke resultaat van de vereenvoudiging van het GLB sloot aanbij de inzet van Nederland. Deze inzet was namelijk gericht op vereenvou-diging van de GLMC’s zonder afbreuk te doen aan de natuur-, milieu- enklimaatdoelen, een grotere verantwoordelijkheid voor lidstaten voorsteunverlening in geval van natuurrampen en andere calamiteiten zondereen direct beroep op de landbouwreserve, en aanpassing van deschadeberekening voor de Brede Weersverzekering. Tevens sloot meerflexibiliteit voor lidstaten in het beheer van de nationale strategischeGLB-plannen, inclusief het schrappen van de jaarlijkse prestatiegoed-keuring, aan bij de Nederlandse inzet. Daarnaast zet Nederland ook bijandere voorstellen in op vereenvoudiging, zoals bijvoorbeeld bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182411 voorstel voor wijziging van de biologische verordening, waar binnenkorteen Raadspositie op wordt vastgesteld. Hier worden verschillendedierlijke productieregels vereenvoudigd die met steun van Nederland enandere lidstaten zijn ingebracht. Een specifiek Nederlands voorstel dat isovergenomen, betreft de uitzondering van certificering voor webshopsvan fysieke kleine verkooppunten.Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de LVVN-inzet inde EU. Deze leden hebben vragen en opmerkingen over de herziening vanhet GLB, de steun voor groene activiteiten en de onderhandelingsstrategiein Brussel.VraagDe leden van de PRO-fractie zijn van mening dat publiek geld te allen tijdemoet bijdragen aan het behalen van publieke doelen. In de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) wordt gepleit voor hetverlagen van de bandbreedte voor inkomenssteun om zo de ruimte voorecosysteemdiensten te vergroten. Deze leden vragen de Minister hoe hijdeze motie uitvoert en op welke momenten hij kansen ziet om dit als zijninbreng mee te geven.AntwoordDe Minister voert deze motie uit door deze positie in te brengen bij deLandbouw- en Visserijraad en bij de voorbereidende overleggen van deLandbouw- en Visserijraad, zoals het Speciaal Comité Landbouw en deRaadswerkgroepen. Naast deze formele overleggen bepleit de Ministerdeze inzet ook bij bilateralen met andere lidstaten.VraagHet is volgens hen van belang dat zowel de boven- en ondergrens kanworden verlaagd. Is dit ook hoe de Minister de eerdergenoemde motieleest?AntwoordZowel het verlagen van de bovengrens als het verlagen van de onder-grens van de degressieve areaalgebonden inkomenssteun is onderdeelvan de inzet. Hierbij lijkt het verlagen van de ondergrens voor meerderelidstaten bespreekbaar te zijn. Het verlagen van de bovengrens kan tot nutoe op zeer beperkte steun van andere lidstaten rekenen, wat onverlet laatdat de Minister zich hiervoor actief blijft inzetten.VraagOok stellen deze leden de generieke hectarepremies ter discussie. Volgenshen is dit een voorbeeld van ongerichte steun die beter gericht voorpublieke belangen ingezet kunnen worden. Is de Minister het daar meeeens? Daarnaast vragen zij met welke EU-lidstaten de Minister op dit puntsamenwerkt of voornemens is samen te werken.AntwoordHet is van belang om GLB-steun zo doelgericht en efficiënt mogelijk in tezetten. Dat betekent meer inzet op het beter belonen van diensten dieagrarische ondernemers leveren, in plaats van puur voor de hoeveelheidgrond die zij bezitten. Hier zoekt de Minister uiteraard zoveel mogelijk desamenwerking op met andere lidstaten. De basisbetaling heeft tegelijk eenstabiliserende functie voor het inkomen van boeren. Het agrarisch bedrijfheeft te maken met weers- en marktinvloeden die een extra risico voor hetinkomen en daarmee voortbestaan van een bedrijf kunnen vormen. Debasisbetaling wil de Minister daarom in het totaal van de GLB-regelingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182412 blijven zien. Er zijn geen lidstaten die de basisbetaling als instrument terdiscussie stellen.VraagDe leden van de PRO-fractie zijn voorstander van het inzetten van hetGLB-budget om de natuur te versterken. Deze leden pleiten ervoor omhiertoe zo veel als mogelijk budget te oormerken voor groene enjuridische doelen (zoals beschreven in artikel 10 van de GLB-verordening).Welke mogelijkheden ziet de Minister om, met behoud van het huidigebudget, alsnog meer middelen vrij te maken voor groene en juridischedoelen?AntwoordIn algemene zin is het Nederlandse kabinet geen voorstander van verdereoormerking van budgetten voor specifieke doeleinden binnen het NRPP.Specifiek binnen de gereserveerde GLB-envelop pleit Nederland wel voorversterking van artikel 10-maatregelen zoals de eco-regeling en hetagrarisch natuur- en landschapsbeheer. De Minister onderzoekt wat goedeoplossingen zijn om negatieve prikkels uit de Europese wetsvoorstellenweg te nemen die het moeilijker maken voor lidstaten om deze inter-venties te kiezen, om op die manier artikel 10-maatregelen te versterken inhet toekomstige GLB. Een mogelijke oplossing is binnen de GLB-envelopeen vast percentage te reserveren (oormerken) voor groene interventies,zodat lidstaten minimaal een bepaald percentage van het geoormerkteGLB-budget aan deze groene interventies moeten besteden. In de huidigeGLB-periode bestaat er ook een aparte oormerking voor groene doelen.Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnen bijdragen aan meergezamenlijke ambitie op Europees niveau voor de groene doelen van hetGLB.VraagDe leden van de PRO-fractie vragen daarnaast of de vrije ruimte in deNationale en Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) kan wordenbesteed aan het behalen van de doelen uit de Natuurherstelverordening.Ziet de Minister kansen om de vrije ruimte hier (nog meer) voor tebenutten? Zo ja, hoe kan dit tot inzet worden gemaakt in Europeesverband? De Minister spreekt in de Kamerbrief van «synergie» tussenverschillende doelen. Wat wordt hiermee bedoeld?AntwoordHet Commissievoorstel biedt de mogelijkheid aan lidstaten om de vrijeruimte in het NRPP in te zetten voor de implementatie van de Natuurher-stelverordening. Tevens moet in het NRPP worden toegelicht hoe dezeplannen in lijn zijn met bestaande wetgeving en doelen, zoals bijvoor-beeld de natuurherstelplannen die momenteel in het kader van deNatuurherstelverordening worden ontwikkeld. Hoewel de onderhande-lingen in Brussel over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) en het NRPPnog lopen, wordt reeds gewerkt aan de invulling van het NederlandseNRPP, waarbij er ook aandacht is voor natuur. Met synergie tussen doelenwordt bedoeld dat maatregelen waar mogelijk meerdere doelen dienenzonder het doelbereik van andere doelen te schaden.VraagDe leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over het halen van dejuridische doelen voor de natuur. In de Kamerbrief over de EU-inzet(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812) schrijft de Minister: «Ook kijken we binnende onderhandelingen over het volgend Meerjarig Financieel Kader (MFK)hoe EU-middelen optimaal kunnen bijdragen aan de uitvoering vanEuropese natuurwetgeving.» Deze leden vragen de Minister om dituitgebreider toe te lichten. Hoe zouden EU-middelen optimaal voor ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182413 doel benut kunnen worden? Welke mogelijkheden ziet de Minister om opdit punt invloed uit te oefenen? Zij vragen welk aandeel van deEU-middelen realistisch gezien zouden kunnen worden geoormerkt voordit doel.AntwoordIn het volgende MFK vervallen een afzonderlijk bestedingsdoel voorbiodiversiteit en LIFE als eigenstandig fonds. Het kabinet zet zich in vooreen zichtbare bijdrage aan biodiversiteit via aparte monitoring vanbiodiversiteitsuitgaven, zoals in het huidige MFK. Ook benadrukt hetkabinet het belang van de in de NRPP-verordening opgenomen vereistedat in de NRP-plannen moet worden toegelicht hoe deze plannen in lijnzijn met de natuurherstelplannen die momenteel in het kader van deNatuurherstelverordening worden ontwikkeld. Verschillende lidstatenhebben zich uitgesproken voor een ambitieuzere en zichtbaarderebijdrage aan natuur. Het kabinet vindt dat het volgende MFK eenbetekenisvolle bijdrage moet leveren aan de uitvoering van Europesenatuurwetgeving en kijkt constructief naar voorstellen van anderelidstaten die hieraan bijdragen.VraagDe leden van de PRO-fractie lezen dat «de ambities van LVVN dwinge[n]tot duidelijke en betrouwbare beleidskeuzes op nationaal niveau.»Uiteraard steunen deze leden dit, maar zij vragen wat de Minister verstaatonder «duidelijk» en «betrouwbaar.»AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers in de agrarische envisserijsectoren de ontwikkeling kunnen maken naar duurzame entoekomstbestendige landbouw en visserij, waarvoor ze ook de nodigeinvesteringen kunnen doen. Dit betekent dat het kabinet met het voorge-nomen beleid langere termijn zekerheid voor deze ondernemers nastreeft.Om investeringen mogelijk te maken is consistentie van beleid vanbelang. Een van de stappen die het kabinet hiertoe heeft gezet, is hetonlangs gepresenteerde maatregelenpakket van de Ministeriële TaskforceLandbouw, Natuur en Stikstof.VraagZij wijzen erop dat de EC vorig jaar nog Nederland tot de orde heeftgeroepen om vaart te maken met het verduurzamen van de landbouw enhet verlagen van stikstofuitstoot. Zij zijn benieuwd welke gevolgen hetniet consequent niet halen van deze doelen heeft op de geloofwaar-digheid en slagkracht van Nederland in Europees verband. Hoe verwachtde Minister te bewijzen dat Nederland de doelen wel gaat halen? Wanneerligt er een pakket dat dusdanig stevig is dat het acceptabel is voor de EC?AntwoordHet kabinet is hard aan het werk om de stikstofproblematiek op te lossen.Om dit ook echt te kunnen doen, zijn bij de kabinetsformatie voldoendemiddelen vrijgemaakt om een stevig pakket vorm te geven. Onlangs heefthet kabinet de Kamer geïnformeerd over dit pakket. Het kabinet legt hiereen stevige, samenhangende aanpak neer, waarmee ingezet wordt opzowel stikstofreductie als natuurherstel. Met dit pakket wordt de stikstof-uitstoot fors teruggedrongen en wordt getracht verslechtering van Natura2000-gebieden te stoppen. In Europees verband laat Nederland met ditpakket zijn toewijding zien aan de Europese natuur- en milieudoelen,hetgeen bijdraagt aan de positieve relatie met de Commissie.VraagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182414 De leden van de PRO-fractie snappen dat na het kabinet-Schoof, waarinhet natuur- en stikstofbeleid getraineerd en gefrustreerd werd, hetkabinet-Jetten zich richt op het herstellen van de vertrouwensband inEuropa. Echter wijzen deze leden erop dat vertrouwen herstellen niet alsgevolg mag hebben dat Nederland zich neerlegt bij voorstellen encompromissen waar eigenlijk niet achter staat. Kan de Minister concreetmaken hoe het belang van relatiemanagement de onderhandelingen dieNederland voert beïnvloedt?AntwoordIn de onderhandelingen die Nederland voert in Brussel, beoordeelt hetkabinet voorstellen of compromissen altijd aan de hand van het Neder-landse standpunt en het belang van deze voorstellen voor Nederland.Naar aanleiding van deze inhoudelijke beoordeling kan Nederlandbepaalde compromissen of voorstellen van andere lidstaten of deCommissie soms steunen. Het kan echter ook betekenen dat Nederlandbepaalde voorstellen niet kan steunen of pogingen doet om deze inonderhandelingen aan te passen. Het kabinet pleegt inzet om richting deandere lidstaten en de Commissie uit te leggen wat de Nederlandsepositie is en hen hiervan te overtuigen. Relatieopbouw met de Commissieen andere lidstaten gaat volgens het kabinet verder dan het steunen vanvoorstellen en compromissen. Het gaat ook over het creëren van begripvoor elkaars standpunt, vervolgens te kijken hoe daarop verder kanworden samengewerkt, en het nakomen van afspraken.VraagHoe kan de Minister kritisch zijn op voorstellen van de EC en anderelidstaten als dit belang ook zwaar weegt?AntwoordHet kabinet blijft voorstellen van de Commissie en lidstaten inhoudelijkbeoordelen, onder andere aan de hand van hoe deze voorstellenbijdragen aan toekomstbestendige agrarische en visserijsectoren en hetherstellen van de natuur. Het consistent uitdragen van deze inhoudelijkelijnen draagt bij aan het zijn van een betrouwbare partner in Brussel,waarmee relaties kunnen worden opgebouwd.VraagDe leden van de PRO-fractie steunen een ambitieuze, onversneden groeneagenda in Europees verband, waar het versterken van de natuur hetzwaarstwegende belang is. Is de Minister het hiermee eens?AntwoordHet kabinet zet zich Europees verband in voor beleid voor een toekomst-bestendige land- en tuinbouw en visserijsector en het herstellen van debiodiversiteit. Het versterken van de natuur is een belangrijk onderdeelvan deze inzet.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieVraagDe leden van de PVV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisge-nomen van de geagendeerde stukken. Hoewel het huidige kabinetinmiddels meer dan 100 dagen actief is en spreekt over een actieve enstrategische aanpak in de EU, vragen deze leden wat de concreteresultaten tot nu toe zijn voor de Nederlandse boer en visser. Zij consta-teren dat er veelvuldig gesproken wordt over het aftasten van dossiers enconstructieve dialogen, maar dat de druk vanuit Brussel op de Neder-landse voedselproductie onverminderd groot blijft. Kan het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182415 toelichten welke tastbare verbeteringen in de Brusselse regelgeving zij nadeze eerste periode voor de sector heeft weten te verzilveren?AntwoordDe Kamer is reeds geïnformeerd over het bereikte akkoord over hetCommissievoorstel tot wijziging van de GLB-Nationale StrategischePlannen en de horizontale regelgeving in relatie tot meststoffen(Kamerstuk 22 112, nr. 4390). De verstoorde situatie op de mondialemestmarkt als gevolg van het conflict in West-Azië heeft de beschik-baarheid en betaalbaarheid van kunstmest ernstig onder druk gezet. Ditakkoord biedt boeren gerichte ondersteuning om de hogere kosten op tevangen en de continuïteit van de voedselproductie te waarborgen. Dit iseen tastbaar resultaat, direct ten gunste van de Nederlandse agrarischesector. Het kabinet wijst voorts op de aanname van de verordeningNieuwe Genomische Technieken (NGTs). Dit is een dossier van grotestrategische betekenis voor de Nederlandse landbouw en de plantaardigesector. Nederland behoort tot de wereldtop in plantveredeling en de zaad-en uitgangsmateriaalbranche vormt een van de stille motoren van deNederlandse economie. Het nieuwe wetgevingskader biedt de benodigdevoorspelbaarheid die nodig is om innovatie aan te jagen, versnelt deontwikkeling en vermindert de afhankelijkheid van gewasbeschermings-middelen. Op het dossier visserij is het kabinet ook proactief aan het werkgegaan. Nederland heeft zich vroegtijdig gepositioneerd in de Europesediscussie over de Visie voor visserij en aquacultuur 2040, waarover deKamer recentelijk is geïnformeerd (Kamerstuk 26 737, nr. 13). De Neder-landse inzet is erop gericht dat deze toekomstvisie recht doet aan debelangen van de Nederlandse visserijsector en de concurrentiepositie vande sector niet verder aantast.VraagDe leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen ten aanzien van detoekomst van het GLB na 2027 over het «Single Fund» of «Single NationalPlan» idee van de EC. Dit plan beoogt landbouwsubsidies te koppelen aanbrede nationale hervormingen op gebieden als de woningmarkt of derechtsstaat, wat de voorspelbaarheid en stabiliteit voor de sectorondermijnt. De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid iszich onvoorwaardelijk aan te sluiten bij de elf lidstaten, waaronder Italiëen Frankrijk, die zich expliciet hebben uitgesproken voor het behoud vande twee-pijlerstructuur en een gereserveerd budget voor het GLB en hetGVB. Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse inzet voor het MFKeen formeel veto bevat tegen elke koppeling van landbouwgelden aanniet-sectorrelevante hervormingen?AntwoordIn het NRPP-voorstel staat dat lidstaten hun betalingen aan eindbegun-stigden voort moeten zetten als de betaling vanuit de EU aan de lidstaatwordt opgeschort. Dit laatste kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het nietbehalen van hervormingen. Volgens het kabinet ligt hiermee de prikkel opde juiste plek, namelijk op het niveau van de lidstaten. Het niet behalenvan nationale hervormingen zal daarmee geen effect hebben op eindbe-gunstigden van Uniemiddelen en gaat daarmee niet ten koste van destabiliteit en voorspelbaarheid van uitbetalingen.Bovendien wordt met het NRPP-voorstel van de Commissie een aantalGLB-subsidies uitgezonderd van kortingen als gevolg van hervormingen(artikel 35.12).Zoals aangegeven in het BNC-fiche over het NRPP-voorstel (Kamerstuk22 112, nr. 4144), is Nederland voorstander van de modernere structuur,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182416 de integratie van verschillende fondsen in het NRPP en de koppeling methervormingen.VraagDe leden van de PVV-fractie vragen of in plaats van telkens te blijveninzetten op het «smeken» om tijdelijke uitzonderingen (derogatie) die doorde EC als onvoldoende worden gewogen de Minister bereid is deNitraatrichtlijn fundamenteel aan te vechten. Deelt de Minister de meningdat het beleid gebaseerd moet zijn op de werkelijke waterkwaliteit inplaats van op verouderde, generieke Brusselse normen?AntwoordDe Minister deelt de mening dat beleid gebaseerd moet zijn op dewerkelijke waterkwaliteit. Nederland heeft nog een grote opgave tenaanzien van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, onder andere als hetgaat om de belasting met nutriënten afkomstig uit de landbouw. Op ditmoment werkt de Minister daarom aan het 8e actieprogramma Nitraat-richtlijn om een verbetering van de waterkwaliteit door een verlaging vande nutriëntenbelasting afkomstig uit de landbouw te realiseren.Daarnaast loopt er op dit moment een evaluatietraject van de Nitraat-richtlijn. Hiertoe zijn onderzoeken, publieke consultaties en afstemmingmet lidstaten via een expertgroep uitgevoerd om suggesties envoorstellen op te halen. De evaluatie zal naar verwachting binnenkortworden afgerond. Het is nog niet zeker of de evaluatie daadwerkelijk zalleiden tot een herziening van de Nitraatrichtlijn. De Minister wil deresultaten van deze evaluatie afwachten en zal de Kamer hieroverinformeren.VraagDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het DeenseLandbouwakkoord, waarin een CO2-heffing op vee wordt ingevoerd dieoploopt tot 40 euro per ton CO2-equivalent in 2035. Hoewel de Ministeraangeeft dat dit akkoord niet direct toepasbaar is op Nederland, spreekthij wel over innovatiesamenwerking en afrekenbare normen voorbroeikasgassen. Kan de Minister klip en klaar uitsluiten dat er, naar Deensvoorbeeld, ooit een CO2-heffing of andere extra belasting op de Neder-landse veestapel of voedselproductie zal worden ingevoerd?AntwoordHet kabinet kijkt naar verschillende manieren om de landbouw verder teverduurzamen en de broeikasgasuitstoot te reduceren. Op dit momentkiest het kabinet er niet voor om een CO2-heffing of een nationaalemissiehandelssysteem zoals een ETS voor de landbouw in te voeren,zoals ook opgenomen in de reactie op het advies van het NationaalBurgerberaad Klimaat (Kamerstuk 2026D25917).Het kabinet werkt in het kader van de Ministeriële Taskforce Landbouw,Natuur en Stikstof aan bedrijfsspecifieke emissienormen gericht opammoniak en broeikasgassen. U bent hier recentelijk over geïnformeerdmiddels de kamerbrief van 26 juni jl. (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87).VraagDe leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over het «SingleFund»-concept van de EC, waarbij landbouwsubsidies dreigen te wordengekoppeld aan brede nationale hervormingen op gebieden als dewoningmarkt. Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse inzet voorhet MFK een formeel veto bevat tegen elke vorm van koppeling vanlandbouwgelden aan niet-sectorrelevante hervormingen, om zo destabiliteit en voorspelbaarheid voor onze boeren te waarborgen?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182417 In het NRPP-voorstel staat dat lidstaten hun betalingen aan eindbegun-stigden voort moeten zetten als de betaling vanuit de EU aan de lidstaatwordt opgeschort. Dit laatste kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het nietbehalen van hervormingen. Volgens het kabinet ligt hiermee de prikkel opde juiste plek, namelijk op het niveau van de lidstaten. Het niet behalenvan nationale hervormingen zal daarmee geen effect hebben op eindbe-gunstigden van Uniemiddelen en gaat daarmee niet ten koste van destabiliteit en voorspelbaarheid van uitbetaling.VraagDe leden van de PVV-fractie wijzen op de uitvoering van de motie-Flach(Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 55) over de consistentie in vergoedingen voorde eco-regeling. Kan de Minister bevestigen dat, ondanks de budgetver-hoging van 50 miljoen euro voor 2026, lagere tarieven nog steeds nietkunnen worden uitgesloten bij een hoge inschrijving?AntwoordDe Minister kan bevestigen dat de afgesproken tarieven in het NationaalStrategisch Plan (NSP) dit jaar uitbetaald kunnen worden. Dat betekenteen basispremie van 171 euro per hectare en in de eco-regeling 60 europer hectare voor brons, 100 euro voor zilver en 200 euro voor goud.Dankzij de budgetverhoging die vorig jaar is doorgevoerd, passen deaanvragen binnen het beschikbare budget.VraagDe leden van de PVV-fractie vragen ook naar de voortgang van demotie-Grinwis (Kamerstuk 30 252, nr. 182) over samenwerking tussenakkerbouwers en melkveehouders. Waarom worden structurele wijzi-gingen om samenwerking in het GLB te faciliteren pas meegenomen voorde periode post-2027, terwijl de noodzaak nu hoog is?AntwoordDe veehouderij en de akkerbouw zijn in Nederland nauw met elkaarverbonden. Een sterke samenwerking tussen beide sectoren is essentieelvoor het sluiten van regionale kringlopen en het versterken van eenduurzame landbouw. Om deze samenwerking verder te stimuleren, is hetvan belang dat akkerbouwers en veehouders binnen een regio structureelmet elkaar kunnen samenwerken. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van6 februari 2026 (Kamerstuk 28 625, nr. 380), is er een aantal fundamentelebelemmeringen die niet direct kunnen worden weggenomen. Door nu afte stappen van het medaillesysteem en de agrariër de waarde te betalenvoor de uitgevoerde eco-activiteiten kan deze aanpassing de samen-werking al beter faciliteren. Signaal uit de sector was dat het veel moeitekost voor de leden van een samenwerkingsverband om ervoor te zorgendat alle leden dezelfde medaille halen. Door de afschaffing van hetmedaillesysteem wordt het transparanter dat de agrariër wordt vergoedvoor de activiteiten die worden uitgevoerd zonder daar een waarde-oordeel van brons, zilver of goud aan te hangen.VraagDe leden van de PVV-fractie constateren wat betreft de uitvoering van hetGLB dat het AMS en het gebruik van algoritmes leiden tot massaleafwijzingen en een onterechte bewijslast bij de boer leggen. Hoe rijmt deMinister het voornemen om vanaf 2027 een strenger sanctiebeleid zonderwaarschuwingen in te voeren met haar ambitie om het vakmanschap vande boer te waarderen en de regeling minder bureaucratisch te maken?AntwoordHet voornemen om vanaf 2027 het sanctiebeleid aan te scherpen door hetvervallen van de eerste waarschuwing maakt onderdeel uit van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182418 bredere doorontwikkeling van de eco-regeling. Het huidige sanctiebeleidwas bedoeld als overgangsfase bij de invoering van de huidigeeco-regeling in 2023. Vanaf 2027 wordt deze overgangsfase alleenbeëindigd voor activiteiten die niet volledig kunnen worden gecontro-leerd. De aanscherping ziet uitsluitend op situaties waarin bij eensteekproefcontrole door RVO of NVWA wordt vastgesteld dat eenopgegeven eco-activiteit niet (volledig) conform de voorwaarden isuitgevoerd. Alleen in die gevallen kan vanaf 2027 per direct een sanctieworden toegepast. Hiermee beoogt de Minister boeren te stimuleren hunaanvraag actueel te houden en eco-activiteiten tijdig terug te trekkenwanneer niet langer aan de voorwaarden kan worden voldaan. Dat isnodig om de regeling uitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig te houden.Bij activiteiten die worden beoordeeld met AMS, verandert er in ditverband niets.VraagDe leden van de PVV-fractie steunen de oproep van brancheorganisatieCumela voor betere mogelijkheden om innovaties gezamenlijk tebenutten. Kan de Minister toelichten waarom de GLB-steun primairgericht blijft op individuele agrariërs, terwijl juist de loonwerksector eencruciale rol speelt bij de verspreiding van innovatieve technieken op heterf?AntwoordDe Minister erkent het belang van de rol van de loonwerksector bij deontwikkeling, toepassing en verspreiding van innovatieve technieken ophet erf. Het GLB is primair gericht op boeren, omdat de GLB-wetgevingbepaalt dat de inkomenssteun en areaal- en bedrijfsgebonden subsidieszijn bedoeld voor de actieve agrarische ondernemers. Binnen het GLBbestaan echter ook GLB-interventies voor samenwerkingsverbanden,kennisdeling en innovatieprojecten, waarbij loonwerkbedrijven kunnenparticiperen, zoals EIP, SABE en AKIS. De Minister blijft zich inzetten voordeze GLB-interventies en de mogelijkheden om de loonwerksector hieractief bij te blijven betrekken.VraagDe leden van de PVV-fractie uiten hun grote ongenoegen over de werkingvan het AMS en het gebruik van algoritmes die leiden tot massaleafwijzingen. Het feit dat er 1.345 dossiers van de activiteit «Groenbe-dekking» alsnog handmatig moeten worden beoordeeld na de motie-Koorevaar c.s. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789), bewijst volgens deze ledendat de techniek niet feilloos is. Zij vragen waarom de bewijslast volledigbij de boer wordt gelegd via ingewikkelde bezwaarprocedures als hetalgoritme (bijvoorbeeld bij doodgevroren gewas) faalt.AntwoordEr zijn geen aanwijzingen voor structureel onjuiste beoordelingen doorhet AMS (Kamerstuk 28 625, nr. 384). De Minister heeft vertrouwen in deprofessionele uitvoering van de regeling door RVO, met behulp van hetAMS. Dat neemt niet weg dat geen enkel systeem of proces feilloos is.Daarom hebben aanvragers altijd de gelegenheid om bezwaar te maken.VraagDe leden van de PVV-fractie vragen ook een reactie op het voornemen omvanaf 2027 een strenger sanctiebeleid in te voeren zonder waarschu-wingen vooraf. Hoe rijmt de Minister dit met zijn ambitie om de regelingvoorspelbaarder te maken en het vakmanschap van de boer tewaarderen?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182419 Bij activiteiten die worden beoordeeld met AMS verandert er in ditverband niets. Het voornemen om vanaf 2027 het sanctiebeleid aan tescherpen door het vervallen van de eerste waarschuwing maaktonderdeel uit van een bredere doorontwikkeling van de eco-regeling. Hethuidige sanctiebeleid was bedoeld als overgangsfase bij de invoering vande huidige eco-regeling in 2023. Vanaf 2027 wordt deze overgangsfasealleen beëindigd voor activiteiten die niet volledig kunnen wordengecontroleerd. De aanscherping ziet uitsluitend op situaties waarin bij eensteekproefcontrole door RVO of NVWA wordt vastgesteld dat eenopgegeven eco-activiteit niet (volledig) conform de voorwaarden isuitgevoerd. Alleen in die gevallen kan vanaf 2027 per direct een sanctieworden toegepast. Hiermee beoogt de Minister boeren te stimuleren hunaanvraag actueel te houden en eco-activiteiten tijdig terug te trekkenwanneer niet langer aan de voorwaarden kan worden voldaan. Dat isnodig om de regeling uitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig te houden.VraagKan de Minister garanderen dat de voorgenomen afschaffing van demedaille-systematiek (brons, zilver, goud) in 2027 niet zal leiden tot eenverdere bureaucratisering of een feitelijke verlaging van de totaleuitbetalingen aan boeren?AntwoordMet de afschaffing van de medaille-systematiek wordt overgestapt naareen systeem waarin de uitbetaling plaatsvindt op basis van daadwerkelijkgerealiseerde waarde van correct uitgevoerde eco-activiteiten. In hethuidige systeem kan het gebeuren dat een deelnemer door niet-nalevingvan één eco-activiteit, in een lagere medaillecategorie terechtkomt endaarmee een lagere eco-premie ontvangt. Het doel van het verwijderenvan deze stapsgewijze verschillen in uitbetaling is om de eco-premieeenvoudiger en rechtvaardiger te maken. Het totaalbudget van deeco-regeling wordt in 2027 onverkort gehandhaafd.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg EU-LVVN en hebben hierbij nog enkele vragen.VraagDe leden van de CDA-fractie willen de Minister vragen naar zijninschatting van de onderhandelingen van het GLB. Welke risico’s ziet deMinister voor tijdige invoering van het nieuwe GLB per 1 januari 2028,mede in het licht van de moeizaam verlopende MFK-onderhandelingen ende ervaringen met de uitgestelde invoering van het huidige GLB?AntwoordBoeren moeten ruim van tevoren weten waar ze aan toe zijn. Er zijn nu alenkele overgangsbepalingen in de NRPP-verordeningen opgenomen omeen soepele overgang te borgen. Het kabinet streeft ernaar dat het GLBvoor de begunstigden een betrouwbaar en efficiënt instrument blijft.Tijdig duidelijkheid op EU-niveau over de juridische kaders is daarvooreen belangrijke voorwaarde. Dat blijft de aandacht hebben van hetkabinet.VraagDe leden van de CDA-fractie merken op dat Nederland een uniekplatteland heeft met eigen sociaaleconomische uitdagingen. Hoe zet deMinister zich in de onderhandelingen in Europa specifiek in voorplattelandsgemeenschappen wat recht doet aan de kenmerken van hetNederlandse platteland?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182420 AntwoordDe leefbaarheid en brede welvaart in de landelijke gebieden vanNederland zijn van groot belang, net als aandacht voor sociaalecono-mische aspecten als een essentieel onderdeel van het beleid omlandbouw en natuur in balans te brengen. Inzet op een sociaal eneconomisch vitaal platteland zijn integraal onderdeel van de samenhan-gende aanpak landbouw, natuur en stikstof2 waarover de Kamer isgeïnformeerd. In Europees verband vraagt het kabinet aandacht voor hetunieke karakter van het Nederlandse platteland, dat dichtbevolkter enminder afgelegen is dan in andere delen van Europa. Daarbij zet hetkabinet zich er doorlopend voor in dat Europese onderhandelingen rondde plattelandsthematiek aansluiten bij deze Nederlandse realiteit. Dit doethet kabinet bijvoorbeeld binnen de discussies over het MFK, het GLB enLEADER.Met de Commissie en andere lidstaten en regio’s werkt Nederland ookactief mee aan de realisatie van de langetermijnvisie voor plattelandsge-bieden van de Commissie, die sterkere, verbonden, veerkrachtige enwelvarende plattelandsgebieden tot doel heeft.Nederland heeft zich in 2026 als een van de eerste lidstaten aangeslotenbij het EU Rural Pact. Het Ministerie van LVVN ondersteunt ook het RuralPact Nederland, waar bewoners en ondernemers, maatschappelijkeorganisaties, kennisinstellingen en overheden samenwerken aan concrete,duurzame verbeteringen voor plattelandsgebieden. Samen met deCommissie is aan de Organisatie voor Economische Samenwerking enOntwikkeling (OESO) gevraagd onderzoek te doen naar de staat van hetNederlandse platteland en mogelijke versterking van plattelandsbeleid. Ditvormt een belangrijk aangrijpingspunt voor toekomstig beleid. Ten slottehecht de Minister waarde aan internationale uitwisseling rondomplattelandsontwikkeling, bijvoorbeeld via het Landbouw Attaché Netwerk.VraagDe leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat in het huidige GLBen door Eurocommissaris voor Landbouw Christophe Hansen wordtingezet op het stimuleren en versterken van de positie van vrouwen in delandbouw en op het platteland. Hoe zet de Minister daar in Nederland opin? Hoe gaat de Minister zich daarvoor inzetten in de onderhandelingenrichting het nieuwe GLB?AntwoordVrouwen spelen een belangrijke rol in de landbouwsector, die niet altijdgoed zichtbaar is. Zij dragen in verschillende rollen bij aan de econo-mische weerbaarheid van agrarische bedrijven, als eigenaar,mede-eigenaar en/of partner. Daarnaast zijn het vaak vrouwen in de sectordie nevenactiviteiten opstarten en nieuwe verdienmodellen verkennen. Zijzorgen regelmatig voor extra verbinding tussen de boerderij en demaatschappij en zijn onmisbaar om deel te nemen in het bedrijf vanwegede grote behoefte aan een nieuwe generatie bedrijfsopvolgers.Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar verschillendelandbouwregelingen, om inzicht te krijgen in data over deelname vanvrouwen. Na de zomer zal de Minister de resultaten van deze evaluatieaan de Kamer verzenden. Daarnaast heeft het Ministerie van LVVN dit jaar(in het kader van het UN Year of the Female Farmer) stakeholders uit delandbouwsector opgeroepen om zichzelf doelen te stellen om de positievan vrouwen in de landbouw te versterken. Deze worden dit jaargepresenteerd tijdens een groot evenement van LTO vrouw & bedrijf in2https://open.overheid.nl/documenten/683c50ca-f1df-4e57-baa6-cc4d9e8d75ed/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182421 oktober. Daar presenteert ook het Ministerie van LVVN welke doelen hetdepartement nastreeft.De Minister vindt het belangrijk om in de EU te verkennen hoe de positievan vrouwen in de landbouw en op het platteland in het nieuwe GLBverder kan worden versterkt, bijvoorbeeld door betere databeschik-baarheid over de positie van vrouwen in de landbouw.VraagDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie vande Minister op de brief van Cumela over het verbreden van het GLB naarloonwerkers en ketenpartners. Is de Minister bereid zich in de onderhan-delingen over het MFK 2028–2034 in te zetten voor GLB-toegang voorloonwerkers en ketenpartners zodat ook deze partijen hun bijdragekunnen leveren aan innovatie en verduurzaming?AntwoordHet GLB is primair gericht op boeren, omdat de verordening bepaalt datde inkomenssteun en areaal- en bedrijfsgebonden subsidies zijn bedoeldvoor de actieve boeren. GLB-interventies zoals AKIS, SABE en EIPbevorderen samenwerkingsverbanden en kennisdeling tussenlandbouwers, loonwerkers en ketenpartners. In het toekomstige GLB blijftde Minister zich actief inzetten voor het belang van deze GLB-interventies,zodat loonwerkers en ketenpartners actief kunnen deelnemen aan dehiervoor genoemde samenwerkingsverbanden en kennisdeling en zo hunbijdrage kunnen leveren aan innovatie en verduurzaming.VraagDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie vande Minister over de herbeoordeling van eco-regelingen naar aanleidingvan de motie-Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789). Deze ledenvragen zich af wat de reden was dat 2 procent van de afgekeurdeeco-regelingen na menselijke beoordeling alsnog is toegekend.AntwoordMedewerkers van RVO hebben bij de beoordeling van eco-activiteitennaast de informatie uit het AMS ook andere gegevens ter beschikking,zoals luchtfoto’s, gewascodes en weersinformatie. Het oordeel van demedewerker kan daardoor afwijken van het algoritme. Daarom blijft demenselijke beoordeling van meerwaarde.VraagOok vragen zij hoe groot de groep ondernemers was die hun goud- ofzilverstatus verloren doordat één eco-activiteit werd afgekeurd.AntwoordDefinitieve gegevens over afwijzingen en de gevolgen voor medailles zijnnog niet beschikbaar, omdat de afhandeling van 2025 nog niet isafgerond. Het is ook niet altijd mogelijk de lagere subsidievaststelling teherleiden naar één activiteit of één fout. In het algemeen is het belangrijkdat aanvragers alle subsidievoorwaarden naleven. Anderzijds is het zo datde financiële consequenties in het huidige systeem niet altijd inverhouding staan tot de niet-naleving.VraagIs de Minister bereid dit systeem te herzien als blijkt dat de financiëleconsequenties van afkeuringen door het medaillesysteem niet inverhouding staan met de afkeuring van een enkele activiteit?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182422 De constatering dat de financiële gevolgen van het huidige medaille-systeem in sommige gevallen niet in verhouding staan tot het niet correctuitvoeren van één eco-activiteit, is aanleiding geweest om de systematiekvan de eco-regeling aan te passen. Met de voorgenomen wijziging per2027, waarover de Kamer is geïnformeerd (Kamerstuk 28 625, nr. 383),wordt overgestapt naar een systematiek waarbij agrarische ondernemersworden betaald voor de daadwerkelijk gerealiseerde waarde van allecorrect uitgevoerde eco-activiteiten.VraagOok zijn zij benieuwd hoe de Minister de daling van 6 procent in het aantalondernemers dat zich aanmeldt voor eco-regelingen duidt en wat hij gaatdoen om de eco-regelingen weer populairder te maken.AntwoordRVO heeft een analyse uitgevoerd naar de afname van het aantaldeelnemers aan de eco-regeling in 2026. Hieruit blijkt dat er geeneenduidige verklaring is voor de daling. 37% van de agrariërs die in 2026niet meer deelnemen aan de eco-regeling, heeft ook geen basisinkomens-steun meer aangevraagd. Daarnaast is er een groep van 2.723 relaties diewel basisinkomenssteun heeft aangevraagd, maar niet meer deelneemtaan de eco-regeling. Van deze groep, hebben 1.162 aanvragers een lagereuitbetaling ontvangen dan was aangevraagd in 2025. Om de eco-regelingaantrekkelijk en toegankelijk te houden, werkt de Minister aan verschil-lende maatregelen. Onderdeel hiervan is betere communicatie over devoorwaarden en beoordeling van eco-activiteiten en de aangekondigdeaanpassingen van de regeling voor 2027.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg EU-LVVN.VraagDe leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief overhet GLB in 2026. Voor veel agrariërs zijn GLB-gelden van groot belangvoor inkomen, bedrijfszekerheid en voedselproductie. De Minister schrijftdat agrariërs in 2026 bij vergelijkbare deelname kunnen rekenen op171 euro basispremie per hectare en eco-premies van 60, 100 en 200 euro.Tegelijk sluit de Minister lagere tarieven niet uit bij hogere inschrijving.Deze leden vragen de Minister daarom of kan worden gegarandeerd datde GLB-gelden in 2026 en 2027 op niveau blijven. Zo nee, welke risico’sziet de Minister concreet voor verlaging van de basispremie ofeco-premies?AntwoordDe inschrijving voor de GLB-subsidies is op 18 mei 2026 gesloten.Conform de Kamerbrief van 5 juni jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 384) passende aanvragen dit jaar binnen het budget en zullen de afgesproken tarievenin het NSP dit jaar uitbetaald kunnen worden. Dat betekent een basis-premie van 171 euro per hectare en in de eco-regeling 60 euro per hectarevoor brons, 100 euro voor zilver en 200 euro voor goud. Omdat hetbudget per definitie beperkt is, hangen de tarieven in 2027 opnieuw af vanhet aantal aanvragen. Op basis van de nu beschikbare informatie is ergeen reden om aan te nemen dat het budget in 2027 niet toereikend is.VraagOok vragen zij hoe de Minister voorkomt dat agrariërs relatief laatduidelijkheid krijgen over de uiteindelijke tarieven. Kan de MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182423 toezeggen dat agrariërs tijdig zekerheid krijgen over budget, voorwaardenen vergoedingen?AntwoordHet budget voor de basispremie en de eco-regeling van het GLB wordtevenredig verdeeld over de aanvragers. Om de tarieven zodanig tekunnen bepalen dat optimaal gebruik kan worden gemaakt van deEuropese middelen, moet er een voldoende stabiel beeld zijn van dedaadwerkelijke, rechtmatige aanspraak op subsidies. Dat is het geval infebruari van het jaar volgend op het aanvraagjaar. Dan worden ook detarieven vastgesteld. Het eerder vaststellen zorgt voor een onverantwoordrisico op onderbesteding, waarmee dus Europese middelen niet benutworden, of op overbesteding, hetgeen door de Commissie zal wordenverhaald op Nederland.VraagTot slot vragen zij hoe de Minister zich in Brussel inzet voor een sterk GLBna 2027.AntwoordDe Minister zet zich in voor een GLB met stevige ambities op de gemeen-schappelijke doelen, waarbij lidstaten ruimte krijgen om zelf te bepalenmet welke mix van GLB-instrumenten die doelen worden gehaald.Hierdoor kunnen lidstaten op een doelgerichte, efficiënte manier demeeste publieke doelen helpen ondersteunen. Tevens onderdeel van dezeinzet is de lange termijnweerbaarheid van de landbouw, beter belonenvoor natuur en milieu, voedselzekerheid, generatievernieuwing en steunvoor kennis en innovatie.VraagDe leden van de JA21-fractie lezen dat het kabinet in Europees verbandwil blijven werken aan acceptatie van vaccinatie tegen hoogpathogenevogelgriep. Deze leden steunen inzet op preventie.De leden van de JA21-fractie vragen de Staatssecretaris hoe binnen deEU-draagvlak wordt gecreëerd voor vaccinatie tegen vogelgriep. Welkelidstaten steunen deze lijn inmiddels en waar bestaan nog bezwaren?AntwoordEr wordt met de Commissie en met de lidstaten al enkele jaren gesprokenover vaccinatie. Frankrijk is drie jaar geleden gestart met het op groteschaal vaccineren van eenden voor de nationale markt. Nederland heeftwetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit uitgevoerd en is een pilotvaccinatie vogelgriep gestart, om ervaring op te doen met het helevaccinatieprogramma inclusief surveillance en om te zien hoe derdelanden reageren op het feit dat in Nederland legpluimvee is gevaccineerd.In een aantal andere lidstaten wordt een plan opgesteld om pluimvee indeelsectoren te vaccineren. Deze plannen worden te zijner tijd terinformatie aan de lidstaten en de Commissie toegestuurd. Welke lidstaatnu concreet vaccinatie overweegt is niet bekend.Er is veel belangstelling voor de Franse ervaringen en de Nederlandseactiviteiten. Het staat lidstaten vrij om hun eigen vaccinatieprogramma uitte voeren, afhankelijk van de marktpositie en de epidemiologischesituatie. Het is een groot goed dat lidstaten dat zelf kunnen bepalen.Daarbij is het wel zaak dat ze zich houden aan de Europese Verordening2023/361. De Commissie stimuleert noch ontmoedigt vaccinatie. DeCommissie geeft nadrukkelijk aan dat het de voorwaarden om te kunnenvaccineren heeft opgesteld en dat het aan de lidstaat zelf is om vaccinatieal dan niet uit te voeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182424 Er lijkt echter wel een tendens te zijn in de EU dat er meer en meer wordtingezet op vaccinatie als additionele maatregel om het aantal uitbraken inde toekomst terug te dringen.VraagOok vragen deze leden hoe de Staatssecretaris ervoor zorgt dat ervoldoende zicht blijft op handel met belangrijke afzetlanden binnen enbuiten de EU. Worden hierover concrete afspraken gemaakt voordatvaccinatie breder wordt toegepast?AntwoordHet is van groot belang dat er geen onrechtmatige handelsbelemme-ringen worden opgeworpen. Daarom is LVVN op ambtelijk niveau alenkele jaren bezig om afspraken te maken met derde landen om de afzetin producten van gevaccineerd en ook ongevaccineerd pluimvee mogelijkte maken of te houden. Tevens heeft de Staatssecretaris het initiatiefgenomen om met een aantal belangrijke handelspartners en deCommissie concreet te praten over voorwaarden waaronder de handel inproducten van gevaccineerd én ongevaccineerd pluimvee door moetkunnen gaan. Deze gesprekken zijn in januari van dit jaar gestart. Ook dekomende maanden en vermoedelijk jaren wordt daarover nog veelvuldigmet derde landen gesproken. Het doel is te komen tot concrete afsprakenin bijvoorbeeld bilaterale certificaten. Over de voortgang zal de Kamerregelmatig worden geïnformeerd.VraagDe leden van de JA21-fractie vragen verder op welke schaal kuikens oflegkippen op dit moment worden gevaccineerd en hoe de Staatssecretarisde verdere opschaling voor zich ziet. Wanneer ontvangt de Kamer hetaangekondigde plan voor bredere toepassing van vaccinatie tegenvogelgriep?AntwoordDe enige kippen die op dit moment tegen vogelgriep zijn gevaccineerdzijn de leghennen op het pilotbedrijf. Er wordt gewerkt aan een plan vanaanpak om vaccinatie bij legpluimvee op grote schaal, in Nederland,mogelijk te maken. De aspecten die moeten worden uitgewerkt staan inde recente Kamerbrief van mei jl. (Kamerstuk 22 807, nr. 326) uiteengezet.Voorzien is het plan eind dit jaar aan de Kamer te sturen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg EU-LVVN en hebben hier nog enkele vragen over.VraagDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de EU-inzet vande Minister omtrent het GLB. Eerder gaf de Minister aan dat publiekegelden wat hem betreft moeten worden ingezet «waar ze het meesteverschil kunnen maken», waarbij hij denkt aan natuur en milieu(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1794). Tegelijkertijd zien deze leden dat het GLBvooral wordt gebruikt om het huidige landbouwsysteem in stand tehouden en zijn de aanzetten tot vergroening in hoge mate symbolisch zijngebleken. Erkent de Minister dat het huidige GLB-instrumentariumtekortschiet wat betreft doelmatigheid?AntwoordGLB-subsidies kunnen een belangrijke rol spelen in het beter belonen vanpublieke diensten voor natuur en milieu, die onvoldoende beloondworden door de markt. Dit gebeurt nu al via diverse GLB-regelingen, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182425 de eco-regeling, het agrarisch-natuur- en landschapsbeheer (ANLb) enregelingen voor niet-productieve investeringen, kennis en innovatie.Monitoring en evaluatie zijn standaard onderdeel van de beleidsvormingen er zijn altijd verbeteringen door te voeren. Lessen uit de huidigeperiode worden meegenomen om het volgende GLB nog beter te maken.VraagKan de Minister aangeven hoe hij zich ervoor gaat inzetten dat deGLB-gelden zullen worden gebruikt voor de transitie naar een toekomst-bestendige landbouw, in plaats van het in stand houden van het huidigesysteem?AntwoordHet GLB heeft meerdere doelen en veel verschillende regelingen.Verschillende typen landbouwbedrijven ontvangen steun om kleine ofgrotere te stappen te zetten richting een duurzame landbouw. In hettoekomstige GLB blijft de Minister toegankelijkheid van steun voorverduurzaming voor een brede groep ondernemers belangrijk vinden.Tegelijkertijd is het bereiken van zoveel mogelijk doelbereik voor hetbeschikbare budget ook van belang. Daarbinnen zal de juiste balansgevonden worden samen met medeoverheden in het interbestuurlijkprogramma dat het toekomstige GLB gaat vormgeven binnen het NRPP.VraagDe leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of hij zich inzet voor hetafschaffen van de hectarebetalingen, aangezien dit geld voor een grootdeel bij de grootste landbouwbedrijven en landeigenaren terecht komt.AntwoordDe leden van de PvdD-fractie verwijzen naar het Europese gemiddelde alswordt aangegeven dat de hectarebetalingen vooral bij de grootstelandbouwbedrijven terecht komen. Door de opbouw van de Nederlandseagrarische sector is de verdeling in Nederland veel gematigder. DeMinister zet zich in voor meer doelgerichte betalingen in het GLB,bijvoorbeeld voor ecosysteemdiensten. Conform de motie Podt/Bromet(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) zet de Minister zich dan ook in voorstapsgewijze verlaging van de bandbreedte voor de degressieve areaalge-bonden inkomenssteun en voor het vergroten van ruimte voor regelingenzoals de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Ooksteunt de Minister de beweging richting het beter belonen voor prestatiesen diensten die agrarische ondernemers leveren.VraagDe leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij binnen hetnieuwe GLB ruimte ziet voor het gebruik van middelen voor de transitienaar een dierwaardige veehouderij? Zo ja, op welke manier? Zo nee,waarom niet? Is hij bereid om dierwaardigheid expliciet mee te nemen inhet nationale GLB-programma?AntwoordDe onderhandelingen over het nieuwe GLB lopen nog, maar het isduidelijk dat in de meest recente tekstvoorstellen er technisch gezienvoldoende ruimte is om middelen te besteden aan de transitie naar eendierwaardige veehouderij. Dit is ook onderdeel van de Nederlandse inzetin de onderhandelingen. De hoeveelheid geld binnen het GLB-budget isechter beperkt en de keuzes over invulling van het NRPP, waarin het GLBzal opgaan, moeten nog worden gemaakt. Dierenwelzijn wordt daar alsprioriteit nadrukkelijk bij betrokken.VraagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182426 De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de transitie naar biolo-gische, gifvrije landbouw niet is opgenomen in de LVVN-inzet van ditkabinet in de EU. Onderschrijft de Staatssecretaris het belang van detransitie naar landbouw zonder schadelijke bestrijdingsmiddelen, zowelop nationaal als op Europees niveau?AntwoordDe Kamerbrief met de LVVN EU-inzet betreft de onderwerpen enprioriteiten die de komende tijd leidend zullen zijn voor de inzet van hetMinisterie van LVVN. Daarin worden een aantal prioriteiten genoemdzoals het nieuwe GLB en het verlagen van regeldruk. De voorbeelden diedaarbij worden genoemd zijn niet uitputtend. Zo is biologische landbouwonderdeel van de gesprekken over de voorstellen van het nieuwe GLB enheeft uw Kamer begin dit jaar een BNC fiche ontvangen over hetvereenvoudigen van de biologische basisverordening waarover in Brusselmomenteel wordt onderhandeld. Verder zet de Minister in op hetvergroten van het Nederlandse areaal biologische landbouw via hetactieplan biologische landbouw en worden daarover ook in Brusselgesprekken gevoerd: naar verwachting zal de Commissie het komendehalf jaar met de EU-lidstaten voorstellen bespreken voor een nieuw EUorganic action plan. Tot slot zet de Staatssecretaris in op het afsluiten vaneen convenant met de land- en tuinbouwsector, maatschappelijkeorganisaties en overheden om het gebruik van schadelijke gewasbescher-mingsmiddelen fors te verminderen. Daarbij gaat het primair omvermindering van de belasting van het milieu.VraagZiet de Staatssecretaris ruimte om meer GLB-middelen in te zetten voorde transitie naar biologische landbouw?AntwoordHet GLB ondersteunt het toekomstbestendig maken van de agrarischesector. Zo draagt het GLB bij aan het realiseren van grote maatschappe-lijke opgaven zoals de transitie naar duurzame landbouw. De Minister ispositief over de opname van biologische landbouw in het voorstel, zowelbij de mogelijkheid steun te bieden voor de handhaving van bestaandeduurzame landbouwpraktijken als voor landbouwers die omschakelennaar (verschillende vormen van) duurzame en extensieve landbouwprak-tijken. De nationale keuzes voor het volgende GLB, dat binnen het NRPPgaat vallen, dienen in samenhang gewogen te worden. De transitie naarbiologische landbouw wordt daar nadrukkelijk bij betrokken.VraagZiet de Minister ruimte om, in het kader van de eiwitstrategie, meerGLB-middelen in te zetten voor het telen van gewassen zoals bonen enerwten, en andere duurzame teelten, zoals vlas en hennep?AntwoordDe voorstellen voor het toekomstige GLB geven ruimte om in de nationaleplanvorming maatregelen te introduceren die bijdrage aan de doelen vande Europese eiwitstrategie. De Commissie stelt daartoe voor de samen-werking tussen boeren in producentenorganisaties in de eiwitsector teversterken en lidstaten de mogelijkheden te geven tot ontwikkeling vansectorale interventies in deze sector.VraagDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC een niet-wetgevendeveeteeltstrategie heeft aangekondigd, met daarin aspecten die raken aandierenwelzijn. Wat verwacht de Staatssecretaris van de veeteeltstrategie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182427 AntwoordDe verwachting is dat de Commissie in haar Veeteeltstrategie aan zal gaangeven hoe zij de ontwikkeling van de veehouderij binnen Europa ziet.Daarnaast verwacht het kabinet dat de Commissie gaat aangeven hoe zijbij gaat dragen aan deze ontwikkeling.VraagHoe verhoudt deze strategie zich met de aangekondigde herzieningen vande Europese dierenwelzijnsverordeningen, die al jarenlang wordenaangekondigd maar nog altijd niet zijn gepubliceerd? De leden van dePvdD-fractie roepen de Minister op om opnieuw en zeer krachtig te pleitenvoor een snelle publicatie van alle beloofde voorstellen.AntwoordDe verwachting is dat in de Veeteeltstrategie de Commissie ook duide-lijkheid zal verschaffen over op welke vlakken zij nieuwe dan welaangepaste EU-dierenwelzijnswetgeving voorzit voor bepaalde sectorenin de veehouderij. De Veeteeltstrategie wordt op korte termijn verwacht.VraagDe leden van de PvdD-fractie lezen dat de Staatssecretaris een herzieningvan het GVB van belang vindt. Deze leden roepen met klem op om tewaarborgen dat er niet opnieuw een omnibus komt die leidt tot verslech-tering van de bescherming van de natuur, in dit geval onze zeeën enoceanen. Zij ontvangen graag een reactie op dit punt.AntwoordDe Staatssecretaris zet zich in voor een uitvoerbaar, handhaafbaar endoeltreffend GVB dat in staat is om de biologische rijkdommen van de zeete beschermen. Op dit moment is het GVB onvoldoende effectief, zijn deadministratieve lasten te hoog en is het te rigide. Daarom pleit deStaatssecretaris voor een herziening, zodat we in Europa maatregelenafspreken die wel leiden tot gewenst resultaat. Een goed voorbeeldhiervan is de aanlandplicht, een maatregel die in het leven is geroepenom ongewenste bijvangst te voorkomen, maar die onwerkbaar is in deNederlandse visserij.VraagZij wijzen er tevens op dat de wetenschappelijke consensus laat zien datvissen pijn kunnen lijden. Desondanks is er geen wettelijke beschermingom het lijden van vissen tegen te gaan. Kan de Staatssecretaris aangevenvoor welke vissenwelzijnsmaatregelen hij zich zal inzetten op Europeesniveau en bij een eventuele herziening van het GVB?AntwoordIn Nederland loopt er een onderzoek naar methoden om het welzijn vanvissen te verbeteren, zoals het bedwelmen van vissen aan boord vanvissersschepen. Wanneer deze methoden beschikbaar en getest zijn voorveilig gebruik aan boord van vissersschepen, kan de Staatssecretarishiervoor in Europa aandacht vragen. Mocht er een voorstel voor eenherziening van het GVB komen, dan zal de kamer via het reguliereBNC-traject worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet.VraagDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC naar verwachting opkorte termijn zal aangeven hoe zij de toekomst van de bontindustrie in deEU voor zich ziet en dat de signalen erop wijzen dat de EC afkoerst opaanscherping van welzijnsstandaarden in de bontfokkerijen in plaats vaneen productie- en importverbod. Deze leden wijzen erop dat ruim1,5 miljoen Europeanen het burgerinitiatief «Fur Free Europe» hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182428 ondertekend, dat uitdrukkelijk oproept tot een EU-breed verbod. Vindt hetkabinet dat met aanscherpingen van welzijnsstandaarden recht wordtgedaan aan het burgerinitiatief Bontvrij Europe, dat door ruim 1,5 miljoenEuropeanen is ondertekend?AntwoordNederland is voorstander van een EU-breed verbod op de pelsdierhou-derij en op het op de markt brengen van bont en bontproducten.Nederland is van mening dat dat de enige juiste wijze is waarop invullinggegeven kan worden aan het burgerinitiatief.VraagIs het kabinet voornemens om uit te spraken dat zo’n aanpak onvoldoendeis?AntwoordMocht de Commissie inderdaad niet overgaan tot een verbod maar kiezenvoor aanscherpingen van welzijnsstandaarden, dan zal Nederland zichhier tegen uitspreken.VraagBlijft Nederland zich hardmaken voor een EU-breed fok- en importverbod?Zo ja, hoe?AntwoordNederland spreekt zich al jaren uit voor een verbod op de pelsdierhouderijen de Staatssecretaris zal dat dan ook onverminderd blijven doen op demomenten die zich hiervoor lenen, bijvoorbeeld tijdens de Landbouw- enVisserijraad. Zo heeft de Staatssecretaris dit ook aangegeven tijdens hetoverleg en marge van de Raad op 30 maart jl. met EurocommissarisVárhelyi over de onderwerpen bont en dieren in kooien. Zie daarvoor hetverslag van deze Landbouw- en Visserijraad (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1775).VraagDe meeste lidstaten, waaronder Nederland, hebben bontfokkerij aluitgefaseerd, of zijn bontfokkerijen aan het uitfaseren. Hoe beoordeelt hetkabinet de kans dat de EC een meerderheid vindt voor een voorstel om(slechts) welzijnsstandaarden te verhogen, ook met oog op een gelijkspeelveld en de onwenselijkheid dat nertsenhouders zich verplaatsen vanlidstaten met een verbod naar lidstaten zonder een verbod?AntwoordDe Staatssecretaris wil nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van eenkeuze die de Commissie nog niet heeft gemaakt. Het klopt dat meerderelidstaten al een verbod hebben op de pelsdierhouderij of deze aan hetuitfaseren zijn, dus de Staatssecretaris acht de kans groot dat eenaanzienlijk deel van deze lidstaten zich zal uitspreken voor een verbod.VraagHoe zwaar hechten andere lidstaten die al een nationaal verbod hebbeningesteld aan een Europees verbod? Is er een meerderheid te vinden in deEuropese Raad voor een fok- en importverbod?AntwoordHoe zwaar alle andere lidstaten die al een nationaal verbod hebbeningesteld op de pelsdierhouderij, hechten aan een Europees verbod weetde Staatssecretaris niet. In het verleden (tijdens de Landbouwraad vanjuni 2023) hebben veel lidstaten al aangegeven een verbod te hebben oppelsdierhouderij en daaruit vloeide grote steun voort om dit ook opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182429 EU-niveau te doen. In de Landbouwraad van januari jl. wezen veellidstaten er nogmaals op reeds een verbod op de pelsdierhouderij tehebben en riepen verscheidene lidstaten op tot een EU-verbod op depelsdierhouderij voor bontproductie. Ook benadrukten verscheidenelidstaten dat er een ongelijk speelveld ontstaat, doordat er een verschil istussen maatregelen binnen de EU met die van buiten de EU. De Staatsse-cretaris heeft goede hoop dat er een meerderheid onder de lidstatenbestaat voor een EU-verbod op de pelsdierhouderij en een handelsverbodvoor bont.VraagDe leden van de PvdD-fractie vragen welke concrete stappen het kabinetzal ondernemen als de EC afziet van een fok- en importverbod voor bont.AntwoordDe Staatssecretaris wil niet vooruitlopen op het besluit van de Commissie.Dit wacht hij eerst af voordat hij iets kan zeggen over eventuelevervolgacties.VraagTevens vragen deze leden naar de stand van zaken omtrent de aange-nomen motie-Van Esch (Kamerstuk 36 254, nr. 16) waarmee de regeringwordt verzocht om met een plan te komen om producten waarin bont,dons van levend geplukte dieren, angorawol of kangoeroeleer is verwerkt,uit de Nederlandse winkels te weren. Zij wijzen erop dat uit onderzoek isgebleken dat deze productie gepaard gaat met structurele dierenwelzijns-risico’s en certificeringssystemen onvoldoende effectief zijn (2025D48257).De toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (I&W)stelde dat dit «aanknopingspunten» bevat voor onder meer regulering vanverkoop en import van materialen met ernstige dierenwelzijnsproblemen(Kamerstuk 32 852, nr. 394). Deze leden verzoeken de Staatssecretaris om,in samenwerking met de bewindspersoon van I&W, alsnog uitvoering tegeven aan de aangenomen motie en met een plan te komen om dezeproducten die leiden tot vreselijk dierenleed uit de Nederlandse winkels teweren.AntwoordDe Staatssecretaris is in overleg met andere betrokken ministeries over dewijze waarop invulling gegeven kan worden aan de motie-Van Esch. Tenaanzien van het weren van producten waarin bont verwerkt is, ziet deStaatssecretaris dit graag op Europees niveau aangepakt worden. Hijwacht daarom eerst de reactie van de Commissie af, voordat hij eventueelnationaal stappen onderneemt. Dit is de meest effectieve wijze ombontproducten te weren, omdat een Europese aanpak zorgt voor eengeharmoniseerd regelgevend kader binnen de interne markt.VraagDe leden van de PvdD-fractie constateren dat het College van Beroep voorhet bedrijfsleven (CBb) op 28 mei jongstleden de uitspraak heeft gedaanin de procedure rondom de Nederlandse huis- en hobbydierenlijst voorzoogdieren (ECLI:NL:CBB:2026: nrs. 210 t/m 213). Het CBb heeft daarbijbevestigd dat de gehanteerde wetenschappelijke beoordelingsmethodegebruikt kan worden voor het bepalen van welke diersoorten geschikt zijnom als huisdier te houden. Het stemt deze leden positief dat er eindelijk,na jarenlang onderzoek, een wetenschappelijke, objectieve methodiek isdie juridisch houdbaar is.De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat nu er een juridischhoudbare methodiek is, er, conform de wens van de Kamer, zo spoedigmogelijk werk moet worden gemaakt van een nationale positieflijst voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182430 de andere diercategorieën, waaronder reptielen, vogels en vissen.Daarnaast wijzen de leden erop dat de handel in exotische dieren bijuitstek een grensoverschrijdend karakter heeft en dat het belangrijk is omniet alleen een sterke nationale positieflijst in te voeren, maar ook eenEU-brede positieflijst.De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij de recenteuitspraak van het CBb betrekt bij zijn inzet in de Raad en in bilateralegesprekken met Ministers van andere lidstaten. Is de Staatssecretarisbereid de positieve ervaringen met de Nederlandse positieflijst actiefonder de aandacht te brengen in Europa? Zo nee, waarom niet?De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris voorts of hijbereid is zich in Europees verband concreet in te zetten voor de totstand-koming van een EU-brede positieflijst voor huis- en hobbydieren.AntwoordDe uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) overde huis- en hobbydierenlijst is inderdaad positief en bevestigt dat de lijstop een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. De Staatssecretaris zalde ervaring die in Nederland is opgedaan met het ontwikkelen van dehuis- en hobbydierenlijst blijven delen met andere lidstaten. Als hij eengeschikte mogelijkheid ziet zal hij ook het belang van een Europesepositieflijst onder de aandacht brengen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de onderliggende stukken en hebben diverse vragen.VraagDe leden van de CU-fractie zijn benieuwd naar de inzet van de Minister inde EU op het gebied van agrarisch natuur en landschapsbeheer. Dezeleden hebben grote waardering voor het ANLb en andere regelingen omboeren een eerlijke vergoeding te geven voor natuur en landschaps-beheer. Zij hebben vragen over de prikkels die uitgaan van de huidigevormgeving van de GLB-voorstellen binnen het MFK. Inkomenssteun kanvolledig uit het Europese GLB-budget worden gefinancierd, terwijl voormaatregelen onder artikel 10, waaronder het ANLb en de eco-regelingkomen te vallen, verplichte nationale cofinanciering van 30 procent geldt.De leden van de CU-fractie zien dat hierdoor minder makkelijk geld vanuithet GLB beschikbaar komt voor ANLb en de eco-regeling. Daarnaastbeloont inkomenssteun in de vorm van hectarepremies primair het bezitvan grond en heeft het een opdrijvend effect op grondprijzen. Kan deMinister reflecteren op dit verschil en de gevolgen daarvan voor de inzetop natuur- en milieudoelen?Is de Minister bereid in EU-verband te pleiten voor het afschaffen ofverlagen van de verplichte nationale cofinanciering voor artikel10-maatregelen? Welke andere mogelijkheden ziet hij om in EU-verbandte pleiten voor een eerlijke vergoeding voor agrarisch natuurbeheer?AntwoordDe Minister wil de optimale voorwaarden in de verordening scheppenvoor lidstaten om GLB-steun in te kunnen zetten voor natuur en milieu. Hijonderzoekt momenteel meerdere mogelijkheden om negatieve prikkels uitde wetsvoorstellen te verminderen. Het is tevens belangrijk voorNederland om de mogelijkheid te behouden als lidstaat om vrijwillignationale co-financiering in te kunnen zetten voor het agrarisch-natuur enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182431 landschapsbeheer. Dat doet Nederland als lidstaat ook. Flexibiliteit omvrijwillig nationale middelen te kunnen toevoegen is ook van belang voorde eco-regeling.Een mogelijke oplossing is een vast percentage te reserveren (oormerken)voor groene interventies binnen de GLB-envelop, zodat lidstaten minimaaleen bepaald percentage van het geoormerkte GLB-budget aan dezegroene interventies moeten besteden. In de huidige GLB-periode bestaateen aparte oormerking voor groene doelen ook. Het kabinet is inalgemene zin geen voorstander van verdere oormerking van budgettenvoor specifieke doeleinden binnen het NRPP. Specifiek binnen degereserveerde GLB-envelop pleit Nederland wel voor versterking vanartikel 10-maatregelen zoals de eco-regeling en het agrarisch natuur- enlandschapsbeheer. Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnenbijdragen aan meer gezamenlijke ambitie op Europees niveau voor degroene doelen van het GLB.VraagDe leden van de CU-fractie hebben ook vragen over de voorgesteldeherschikking binnen het GLB, waarbij wordt voorgesteld om de pijlers telaten vervallen en waardoor de eco-regeling en ANLb uit dezelfde potworden gefinancierd (artikel 10 van de GLB-verordening). Klopt het dathiermee de middelen voor agrarisch natuurbeheer relatief kleinerworden? Acht de Minister dit wenselijk?AntwoordHet klopt niet dat de middelen voor het agrarisch natuurbeheer hierdoorkleiner worden. Het gaat slechts om het gelijktrekken van de juridischevoorwaarden voor deze regelingen en zegt niets over verdeling vanmiddelen. Wel is de aparte oormerking binnen de GLB-envelop voor deeco-regeling en voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheerverdwenen. Deze was er in de vorige periode wel en fungeerde als eenminimumniveau voor lidstaten voor hoeveel geld zijn aan deze regelingenkonden besteden. Lidstaten hebben nu meer keuzevrijheid om te kiezenhoeveel geld zij inzetten voor artikel 10 (eco-regeling en agrarisch natuur-en landschapsbeheer), wat ten koste kan gaan van voldoende gezamen-lijke inzet op Europees niveau op de grensoverschrijdende doelen voornatuur en milieu via deze regelingen.VraagIs de Minister bereid te pleiten voor het vergroten van de ruimte binnenhet herziene GLB voor beloning van ecosysteemdiensten middelsagrarisch natuurbeheer door de bandbreedte voor inkomenssteunstapsgewijs te verlagen, in lijn met de aangenomen motie-Bromet/Podt(Kamerstuk 21 501-32 nr. 1780)?AntwoordHet kabinet voert deze motie momenteel al uit.VraagIs de Minister bereid zich in EU-verband in te zetten voor een gerichteoormerking van middelen binnen artikel 10 van de GLB-verordening?AntwoordIn algemene zin is het kabinet geen voorstander van verdere oormerkingvan budgetten voor specifieke doeleinden binnen het NRPP. Specifiekbinnen de GLB-envelop zet Nederland zich in Europees verband in voorgerichte oormerking van groene interventies zoals de eco-regeling en hetagrarisch natuur- en landschapsbeheer. Herintroductie hiervan zouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182432 kunnen bijdragen aan meer gezamenlijke ambitie op Europees niveauvoor de groene doelen van het GLB.VraagDe leden van de CU-fractie zijn ook benieuwd naar de inzet van deMinister rondom de uitvoering van de stress test voor de Vogel- enHabitatrichtlijn door de EC. Hoe beoordeelt de Minister de aangekondigdestress test van de Vogel- en Habitatrichtlijn?AntwoordDe Minister kijkt positief naar de stresstest van de Vogel- en Habitatricht-lijnen (VHR). De stresstest bouwt voort op de VHR Fitness-check die in2016 is afgerond en waarin de VHR «fit-for-purpose» is bevonden. Destresstest focust op hoe de bestaande VHR-doelstellingen op eenkostenefficiënte manier behaald kunnen worden, inclusief door mogelijk-heden te verkennen voor het verminderen van administratieve lasten,terwijl de ambitie en natuurbeschermingsstandaarden onverminderdhoog blijven. De Commissie vraagt lidstaten inbreng te leveren, onderandere via een technisch-inhoudelijke consultatie. De voorbereidingendaarop zijn momenteel nog in volle gang.De Minister ziet de VHR-stresstest als een belangrijk traject om onzeervaringen met de uitvoering van de VHR onder de aandacht bij deCommissie te brengen. De stresstest biedt de Commissie inzage in despecifieke uitdagingen waar Nederland mee te maken heeft, aan de handvan data, feiten en concrete casuïstiek. Daarnaast kan Nederland latenzien welke verbeteringen de afgelopen jaren zijn doorgevoerd en welkegoede praktijken en oplossingsrichtingen Nederland heeft ontwikkeld. Hetis daarbij belangrijk dat het onderzoek op feitelijke input wordt gebaseerd.De Commissie vraagt in het kader van de stresstest niet om wijzigings-voorstellen. De stresstest is een technisch vooronderzoek, om te bezienwaar mogelijke kostenefficiënte stappen gezet kunnen worden, zonder datde inhoudelijke doelstellingen of het bestaande beschermingsniveauworden aangetast. De resultaten van de stresstest zullen een indicatie zijnof wijzigingen in de VHR nodig zijn, om de bredere vereenvoudigingsdoel-stellingen van de Commissie te behalen.VraagIs de Minister voornemens om de Nederlandse knelpunten voor vergun-ningsverlening die zijn ontstaan door opstapelende jurisprudentievolgend uit de habitatrichtlijn onder de aandacht te brengen?AntwoordDe Minister is inderdaad voornemens om de Nederlandse knelpuntenrond vergunningverlening onder de aandacht te brengen. Deze kennenoverigens een veelheid aan oorzaken, waaronder de slechte staat vannatuur en het achterblijven van natuurherstelmaatregelen.VraagIs de Minister bereid om in dit kader voorstellen te doen die de vergun-ningverlening van projecten die bijdragen aan emissiereductie vergemak-kelijken, meer duidelijkheid geven over de beoordeling van significanteeffecten en meer rechtszekerheid bieden voor maatregelen die opgebieds- of systeemniveau leiden tot een vermindering van stikstof-emissies?AntwoordHet kabinet werkt hard aan de transities die nodig zijn. Nu komt het voordat projecten die aantoonbaar tot emissiereductie leiden soms nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182433 vergunbaar zijn. Dit lijkt een rem te zetten op de transitie die nodig is naareen meer duurzame economie. De richting waarin de Commissie-voorstellen zoals bij het Grids Package gaan, zouden dit probleem naarverwachting op kunnen lossen voor de energiesector. Ook voor anderesectoren wordt over soortgelijke oplossingen nagedacht. Daarbij wil hetkabinet wel aandacht houden voor de mogelijke gevolgen voor natuur enbiodiversiteit, zodat noodzakelijke klimaat- en verduurzamingsambitiesniet onbedoeld leiden tot extra schade aan de natuur. De goede werkingvan de Habitatrichtlijn zou kunnen verbeteren indien bepaalde begrippenverhelderd en eenduidig uitgelegd worden. Nederland vraagt hieraandacht voor.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Landbouw- en Visserijraad. Deze leden hebben hierovernog enkele vragen.VraagDe leden van de BBB-fractie constateren dat veel knelpunten voorNederlandse boeren, tuinders en vissers hun oorsprong vinden inEuropese wet- en regelgeving. Denk daarbij aan regels rond mest, natuur,gewasbescherming, diergezondheid, waterkwaliteit, visserij en de steedsverdergaande stapeling van verplichtingen. Kan de Minister aangeven opwelke Europese dossiers hij op dit moment actief inzet op wijziging,vereenvoudiging of herziening van bestaande Europese wetgeving?AntwoordOp dit moment lopen er verschillende onderhandelingen in Brussel oververeenvoudigingsvoorstellen, zoals de Omnibus veiligheid van voedsel endiervoeder en de Milieuomnibus. Het kabinet pleegt in deze onderhande-lingen actief inzet voor vereenvoudiging van deze regelgeving. De Kameris via de relevante BNC-fiches hierover geïnformeerd. Daarnaast onder-zoekt het kabinet op dit moment welke mogelijkheden er zijn voorvereenvoudiging van visserijregelgeving, en zet zich in voor een gerichteherziening van het GVB.VraagKan de Minister specifiek ingaan op de inzet van de Minister en detaskforce ten aanzien van het aanpassen van Europese wet- en regel-geving? Wordt dit spoor nog actief bewandeld, zoals de MinisteriëleCommissie voor Economie en Natuurherstel (MCEN) dit deed en zo ja, opwelke concrete punten? Zo nee, waarom niet?AntwoordBinnen de Taskforce is aandacht voor de Europese dimensie van debesluitvorming. Het kabinet informeert de Commissie proactief over deNederlandse aanpak van stikstof en natuurherstel. Ook is er contact metde Commissie over maatregelen die raken aan de staatssteunkaders. Ookverkent het kabinet de mogelijkheden om op Europees niveau de beoogdeverduurzaming mogelijk te maken.VraagKan de Minister aangeven welke concrete voorstellen Nederland inBrussel heeft gedaan of voorbereidt om Europese regelgeving beteruitvoerbaar, betaalbaar en haalbaar te maken voor boeren, tuinders envissers? Kan de Minister aangeven hoe de taskforce prioriteiten stelt?Wordt daarbij vooral gekeken naar juridische haalbaarheid, naar econo-mische schade voor boeren en vissers, naar uitvoerbaarheid voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182434 medeoverheden, of naar de snelheid waarmee verlichting kan wordenbereikt?AntwoordHet kabinet heeft een samenhangende aanpak vormgegeven waarbijimpact, snelheid, draagvlak en uitvoerbaarheid worden gewogen.Concreet betekent dit dat de aanpak, naast stikstofreductie en natuur-herstel, ook inzet op maatregelen waarmee er perspectief is voor desector en voor regio’s. Met dit samenhangende pakket werkt het kabinetaan het stoppen van de verslechtering van natuur en aan het stapsgewijsen per gebied weer meer mogelijk maken van vergunningverlening. Hetkabinet kijkt daarbij ook wat op Europees niveau gedaan kan worden omde beoogde verduurzaming mogelijk te maken. Het kabinet zet zich in deEU onder andere in om regelgeving te stroomlijnen en administratievelasten te verlagen.VraagKan de Minister aangeven met welke lidstaten Nederland optrekt omEuropese landbouw- en natuurregelgeving te vereenvoudigen? Zijn ervaste coalities van gelijkgezinde lidstaten, en zo ja, op welke dossiers?AntwoordHet vormen van coalities is een belangrijk onderdeel van de Europeseinzet. De samenstelling van deze coalities verschilt per dossier. Per dossierzal worden gekeken met welke lidstaten Nederland het best kanoptrekken, en waar nodig dossiers in samenhang moeten worden bezien.Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de positie van de Commissie.VraagKan de Minister aangeven hoe hij de positie van jonge boeren enbedrijfsopvolgers meeneemt in de Nederlandse inzet in Brussel? Wordt bijEuropese voorstellen standaard gekeken of deze de instroom van jongeboeren bevorderen of juist verder bemoeilijken?AntwoordGeneratievernieuwing is voor het kabinet een prioriteit, zowel nationaalals Europees. Daarom ondersteunt de Minister in de voorstellen van hetGLB na 2027 zeer de insteek om integraal te kijken naar de steun die jongeboeren kunnen krijgen. Ook is er voor bepaalde interventies meer steunmogelijk als de aanvragers jonge boeren zijn. In het kader van dediscussie over het toekomstige MFK pleit Nederland in Brussel voor eenoormerking van 6% van de GLB-envelop voor jonge boeren. Dit is eenconcreet voorbeeld dat het kabinet generatievernieuwing in de landbouwserieus neemt. Generatievernieuwing in de landbouw behoort ooknationaal tot de prioriteiten. De Minister richt zich daarbij in het GLBprimair op de vestigingssteun. Dit is een belangrijk instrument om jongeboeren te ondersteunen bij het starten van nieuwe bedrijven of hetovernemen van bestaande bedrijven.VraagKan de Minister aangeven hoe vaak hij met de EC spreekt over degevolgen van Europese regelgeving voor Nederlandse boeren, tuindersen vissers? Welke knelpunten heeft hij daarbij het meest nadrukkelijkingebracht?AntwoordIn de gesprekken met de Commissie wordt het Nederlandse standpunt opverschillende dossiers naar voren gebracht, zoals over het GLB en hetGVB. Het beperken van regeldruk, administratieve lasten en uitvoerings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182435 lasten is onderdeel van deze Nederlandse inzet. De Kamer is geïnformeerdover deze inzet via BNC-fiches en Kamerbrieven.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de strategischewaarde van de Nederlandse visserijsector beoordeelt voor de voedselze-kerheid van Nederland en Europa, gelet op de geopolitieke ontwikkelingenen het belang van Europese voedselautonomie.AntwoordEen groot deel van de door de Nederlandse visserijsector in Nederlandaangelande vis wordt geëxporteerd. De afgelopen jaren zijn de export-waarde en het exportvolume van vis gegroeid. En ook de importwaardeen het volume zijn gestegen. Voor vis is de EU met 80% de belangrijksteafzetmarkt. Het is van strategisch belang om de aanvoer van vis op peil tehouden om zowel de toeleverende industrie als de verwerkende industrievoor verse vis in Nederland te behouden. In de uitwerking van de agendavoedselzekerheid zal het visserijaspect en voedsel uit zee wordenbetrokken. Afhankelijkheden en kansen van het huidige systeem van visals onderdeel van ons voedselsysteem kunnen zo in kaart wordengebracht. Vis, schaal- en schelpieren vormen nu en naar de toekomst toeeen waardevol bestanddeel van een gezond dieet.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen of de Minister deelt dat voedsel uitzee een belangrijke bijdrage kan leveren aan een robuust, duurzaam enbetaalbaar Europees voedselsysteem en hoe dit wordt ingebracht in deEuropese discussies.AntwoordVoedsel uit zee dat gewonnen wordt binnen de draagkracht van hetecosysteem vormt een duurzaam onderdeel van het voedselsysteem en iseen waardevol bestanddeel van een gezond dieet. Met het vaststellen vande uitvoeringsagenda behorende bij de visie Voedsel uit Zee en grotewateren werken sector, keten, ngo’s, bestuurlijk platform visserij en hetMinisterie van LVVN gezamenlijk aan een betere positionering van vis,schaal- en schelpdieren in nationaal en Europees beleid en voor deconsument. Het in gezamenlijkheid optrekken zal bijdragen aan hetversterken van de positie van de Nederlandse visserijsector en het belangvan marien voedsel in diverse gremia. Recent is de inbreng voor de Vision2040 for Fisheries and aquaculture met de Kamer gedeeld (Kamerstuk26 737, nr. 13), waarin dit onderwerp ook is opgenomen. De Kamer zalworden geïnformeerd over de voortgang van de diverse acties.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is van deuitvoering van de aangenomen motie-Van der Plas/Den Hollander(Kamerstuk 21 501-32 nr. 1738).AntwoordDe Staatssecretaris heeft de Kamer geïnformeerd over de voortgang vande uitvoering van bovenstaande motie in de diversenbrief van 12 juni jl.(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1815).VraagDe leden van de BBB-fractie vragen of er inmiddels met andere lidstaten isgesproken over gezamenlijk onderzoek naar innovatieve visserijtech-nieken, waaronder pulsvisserij en welke concrete resultaten dezegesprekken hebben opgeleverd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182436 AntwoordDe eerste gesprekken met andere lidstaten over gezamenlijk onderzoek eneventuele doorontwikkeling van het pulskortuig zijn gevoerd. DeStaatssecretaris heeft de Kamer geïnformeerd over de voorlopigeresultaten van deze gespreken in de diversenbrief van 12 juni jl.(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1815).VraagDe leden van de BBB-fractie vragen welke regelingen en instrumentenvoor verduurzaming en innovatie van de visserijsector worden meege-nomen in de onderhandelingen over het MFK.AntwoordAls onderdeel van het MFK 2028–2034 wordt het Nationaal RegionaalPartnerschapsfonds uitgewerkt via NRPP. Hoewel de onderhandelingenover het MFK nog gaande zijn, is het kabinet reeds gestart met deuitwerking van deze plannen (Kamerstuk 22 112, nr. 4357). Binnen hetNederlandse plan zal aandacht worden besteed aan de visserij- enaquacultuursector.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de Europeseregelgeving voor habitattype H1110 interpreteert.AntwoordHabitattype H1110 is een habitattype dat op bijlage I van de EuropeseHabitatrichtlijn is vermeld. De verplichtingen voor H1110 staan in deHabitatrichtlijn zelf, waaronder dat alle lidstaten speciale beschermings-zones moeten aanwijzen voor de instandhouding van het habitattype. DeHabitatrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Omgevingswet.De Nederlandse interpretatie van het habitattype 1110, Permanent metzeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken, is opgenomen inhet habitatprofieldocument H1110. Over de Landelijke staat van instand-houding van H1110 heeft de Staatssecretaris de Kamer recent geïnfor-meerd (Kamerstuk 33 576, nr. 472).VraagDe leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris eerst met zijnDuitse en Deense collega’s in gesprek wil gaan over de jacht op de zwartezee-eend voordat mogelijke gebiedssluitingen worden overwogenvanwege de staat van deze populatie.AntwoordIn Nederland zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen voor deze soort,waar maatregelen worden genomen om de instandhoudingsdoelen tekunnen behalen. Deze maatregelen worden opgenomen in een Natura2000-beheerplan. Deze soort is in Nederland kwetsbaar door afname vanvoedselbronnen en door verstoring. Maar in andere lidstaten komen desoorten mogelijk robuuster voor. Een lidstaat als Denemarken kan ondervoorwaarden toch jacht toestaan op een beschermde vogel, bijvoorbeeldals de populatie lokaal erg groot is of de soort voor schade of veiligheids-risico’s zorgt. Dat is in Nederland niet aan de orde. Het kabinet zal ditverder betrekken bij de uitvoering van de motie Van der Plas (Kamerstuk21 501-32, nr. 1748).VraagDe leden van de BBB-fractie vragen welk deel van de gebiedssluitingenvoortvloeit uit Europese verplichtingen en welk deel het gevolg is vannationale beleidskeuzes.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182437 AntwoordIn het Noordzeeakkoord (NZA) zijn nationaal afspraken gemaakt dieinvulling geven aan verplichtingen uit Europees natuurbeleid. In het NZAis afgesproken om 15% van de Nederlandse Noordzee te vrijwaren vanbodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle gebieden in 2030.Deze maatregel draagt ook bij aan wettelijke natuurverplichtingen zoals deVogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en deNatuurherstelverordening. Op dit moment voldoet Nederland niet aan deGoede Milieu Toestand onder de KRM en wordt de staat van instand-houding van diverse habitattypes en vogelsoorten op de Noordzee nietgehaald. Zolang de staat van de natuur niet verbetert op de Noordzee,zullen drukfactoren in de zin van menselijk gebruik, waaronder visserij,bezien moeten worden. Uiteraard wordt bij het nemen van maatregelenaltijd een afweging gemaakt tussen ecologische effectiviteit en sociaaleco-nomische belangen. Dit is een vereiste onder het GVB.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen ervoor te zorgen dat extra uitvoerings-kosten als gevolg van de implementatie van een nieuw GVB niet wordenafgewenteld op vissers.AntwoordEr is op dit moment geen sprake van een nieuw GVB. Mocht er eenvoorstel voor een herziening van het GVB worden gedaan, dan zal deKamer geïnformeerd worden over de Nederlandse inzet via het reguliereBNC-proces.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen of de Nederlandse visie op voedsel uitzee wordt ingebracht bij de ontwikkeling van de Europese visie op visserijen aquacultuur.AntwoordDe Staatssecretaris heeft onlangs de Nederlandse inbreng op de Vision2040 for fisheries en aquaculture met de Kamer gedeeld (Kamerstuk26 737, nr. 13). Deze is opgesteld met de Nederlandse Visie op voedsel uitzee en grote wateren als uitgangspunt.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen welke concrete maatregelen deStaatssecretaris wil invoeren om de visserijsector te versterken.AntwoordOp 13 mei jl. heeft de Staatssecretaris de Kamer de gezamenlijk met desector, ketenpartijen, visserijgemeenschappen en natuurorganisatiesvastgestelde uitvoeringsagenda bij de Visie op voedsel uit zee en grotewateren doen toekomen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1793). In deze agendazijn ook de concrete maatregelen van LVVN vermeld die zullen wordengetroffen om de visserijsector te versterken; dat wil zeggen meertoekomstbestendig maken en robuust.VraagDe leden van de BBB-fractie vragen wat de Staatssecretaris preciesverwacht van de aangekondigde Europese visie op visserij enaquacultuur, welke mogelijkheden deze biedt voor de pulsvisserij enwelke inzet Nederland hiervoor pleegt.AntwoordDe Staatssecretaris heeft de Kamer geïnformeerd over de inzet voor deVisie 2040 voor Visserij en Aquacultuur in een brief van 11 juni jl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182438 (Kamerstuk 26 737, nr. 13). In deze brief benadrukt de Staatssecretarisonder meer het belang van de pulskorvisserij voor de energietransitie vande visserijsector.Vragen en opmerkingen van het lid KeijzerHet lid Keijzer heeft kennisgenomen van de brief over de inzet van hetkabinet op landbouw-, visserij-, voedselzekerheids- en natuurbeleid in deEuropese Unie. Dit lid heeft hierover de volgende vragen aan de Minister.VraagHet lid Keijzer constateert dat het kabinet inzet op een toekomstbe-stendige landbouwsector, versterking van het verdienvermogen vanboeren, vermindering van regeldruk en ruimte voor innovatie. Tegelij-kertijd staat Nederland nog altijd op slot door de stikstofproblematiek, metgrote gevolgen voor boeren, woningbouw, infrastructuur en economischeontwikkeling. Welke concrete ruimte wil het kabinet in Brussel verkrijgenom Nederland van het stikstofslot af te krijgen? Op welke Europeseregelgeving, interpretaties of Europese verplichtingen richt deze inzet zichspecifiek?AntwoordVia het maatregelenpakket uit de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstofmoet vergunningverlening binnen Nederland stapsgewijs weer mogelijkworden. Waar het kabinet behulpzame mogelijkheden ziet in Brussel dieaantoonbaar niet leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieuzet het kabinet zich ook daarvoor in. Hierbij kan bijvoorbeeld gedachtworden aan verduidelijkingen rond de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR).Het kabinet zet zich in Brussel in om verduurzaming en stikstofreductiemogelijk te maken. Rond de VHR wordt dit jaar ook een Europesestresstest van de VHR uitgevoerd. Daarbij zal het kabinet bij de Commissieonder de aandacht brengen dat de bewijslast om aan te tonen datsignificante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten,voor initiatiefnemers groot is.VraagWelk concreet resultaat wil het kabinet voor het einde van deze kabinets-periode hebben bereikt ten aanzien van vergunningverlening voorlandbouw, woningbouw en infrastructuur?AntwoordOp korte termijn wil het kabinet waarborgen dat verduurzaming enstikstofreductie doorgang kunnen vinden als onderdeel van het brederepakket van maatregelen van het Rijk. Daarbij werkt het kabinet samen metprovincies aan een aanpak gericht op het bieden van ruimte aan verduur-zamingsactiviteiten. Een andere route hierbij is verduurzaming vanactiviteiten aan te merken als een passende maatregel voor hetwaarborgen van behoud van N2000-gebieden. Dit kan nu al gebeurendoor bevoegde gezagen. Verder werkt het kabinet aan interbestuurlijkeafspraken over het verbeteren van de kenbaarheid en bruikbaarheid vannatuurinformatie ten behoeve van vergunningverlening. Er moet opgebiedsniveau van overheidswege inzicht worden geboden in wat nodigis voor de natuur, wat de maatregelen zijn die daarvoor getroffen worden,wanneer die effect hebben en of dat effect voldoende zal zijn voor denatuur. Dit geeft de basis voor de onderbouwing van additionaliteit pergebied. Daarnaast worden andere manieren verkend om additionaliteitaan te tonen, zoals met een meer generieke onderbouwing. Dit is eenbelangrijke stap in het op den duur weer breder mogelijk maken vanvergunningverlening voor de verschillende sectoren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182439 VraagIs het kabinet van mening dat de huidige Europese kaders voldoenderuimte bieden om Nederland structureel van het stikstofslot af te krijgen?Zo ja, waarop baseert het kabinet deze verwachting? Indien de huidigeEuropese kaders daarvoor onvoldoende ruimte bieden, is het kabinet danbereid zich in te zetten voor aanpassing van Europese regelgeving,richtsnoeren of interpretaties? Zo nee, waarom niet?AntwoordHet kabinet is ervan overtuigd met het recent verschenen maatregelen-pakket uit de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof toe te werken naareen toekomstbestendige agrarische sector en het structureel herstellenvan de natuur. Daarbij moet ook vergunningverlening weer stapsgewijsmogelijk worden voor de andere opgaven waar Nederland voor staat. Bijde vormgeving van dit pakket is rekening gehouden met de huidigeEuropese kaders, waarbinnen het pakket ook zal worden geïmplemen-teerd. De stikstofproblematiek is in eerste instantie een nationale opgave,maar het kabinet kijkt wat op Europees niveau gedaan kan worden om debeoogde verduurzaming mogelijk te maken, waar dit aantoonbaar nietleidt tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.VraagHet lid Keijzer leest dat het kabinet de EC proactief zal informeren over deNederlandse aanpak van stikstof en natuurherstel. Welke concreteboodschap brengt het kabinet daarbij over aan de EC?AntwoordHet kabinet bespreekt met de Commissie de samenhangende aanpak enhet maatregelenpakket voortkomend uit de Taskforce Landbouw, Natuuren Stikstof. Hierin wordt de Commissie meegenomen in de maatregelendie Nederland nu voorziet te nemen ten aanzien van natuurherstel,emissiereductie en het weer mogelijk maken van vergunningsverlening.Hiermee laat Nederland zien dat het serieuze stappen zet om te kunnenvoldoen aan Europese kaders ten aanzien van natuur en waterkwaliteit.Daarnaast onderzoekt het kabinet in deze gesprekken wat op Europeesniveau gedaan kan worden om de met dit pakket beoogde verduurzamingmogelijk te maken en te ondersteunen. Daarbij wordt met de Commissieonder andere gesproken over aspecten van het maatregelenpakket dieraken aan de staatssteunkaders.VraagIs het doel van het kabinet uitsluitend om binnen de bestaande Europesekaders te opereren, of zet het kabinet ook actief in op verruiming van deruimte voor vergunningverlening en economische ontwikkeling? Welkelidstaten trekken met Nederland op in deze discussie? Welke coalitieprobeert Nederland in Brussel te vormen om meer ruimte te creëren voornationale oplossingen?AntwoordVanzelfsprekend hanteert het kabinet de bestaande Europese kaders bijzijn opereren. Het kabinet kijkt wat op Europees niveau gedaan kanworden om de beoogde verduurzaming mogelijk te maken, waar ditaantoonbaar niet leidt tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.VraagVoorts constateert het lid Keijzer dat het kabinet inzet op de verdereontwikkeling en toepassing van Renure en andere circulaire meststoffen.Welke concrete resultaten wil het kabinet de komende twee jaar bereikenten aanzien van de toelating en toepassing van Renure?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182440 AntwoordOp 12 juni jl. is de nationale regelgeving voor het gebruik van Renure-meststoffen in werking getreden. Om de productie van Renure op teschalen wordt de Regeling Hoogwaardige Mestverwerking eind dit jaaropengesteld voor grootschalige installaties voor mestverwaarding totRenure-producten en wordt gewerkt aan een subsidieregeling voor hetopstarten van kleine installaties op veehouderijbedrijven. Het kabinet zetzich er daarnaast voor in om de reikwijdte van de circulaire productie enhet gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. Inhet Actieplan Meststoffen van de Commissie is een mogelijke verbredingvan de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van digestaataangekondigd. De Kamer is op 26 juni jl. geïnformeerd over de kabinet-sappreciatie van dit Actieplan via een BNC-fiche (Kamerstuk 22 112,nr. 4394).VraagWelke belemmeringen in Europese regelgeving staan momenteel verderetoepassing van Renure in de weg? Welke stappen gaat de Minister zettenom deze belemmeringen weg te nemen?AntwoordOp 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werkinggetreden, na een aanpassing van de Nitraatrichtlijn. Met deze regelingwordt het mogelijk om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof perhectare bovenop de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan tewenden met goedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaalstikstofgebruiksnorm). Op 12 juni jl. is ook de nationale regeling voor hetgebruik van Renure in werking getreden. De Europese regelgeving voorRenure staat op dit moment drie productietechnieken toe. Voor hetkabinet zijn de Renure-criteria, zoals in 2020 opgesteld door het JointResearch Centre, leidend. Het kabinet zet zich er daarom voor in om dereikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffenafkomstig uit dierlijke mest (Renure) uit te breiden.VraagWanneer verwacht de Minister dat Nederlandse boeren daadwerkelijk devoordelen van verruimde Renure-toepassingen zullen merken? Welk effectverwacht de Minister hiervan op de mestmarkt, de afhankelijkheid vankunstmest en het verdienvermogen van boeren?AntwoordOp 12 juni jl. is de nationale regeling voor het gebruik van Renure-meststoffen in werking getreden. Hiermee wordt het mogelijk vooragrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof per hectarebovenop de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan te wenden metgoedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaal stikstofgebruiks-norm). Op korte termijn (1 á 2) jaar zal de productiecapaciteit van Renurenog onvoldoende zijn om kunstmest grootschalig te kunnen vervangen.Het kabinet ziet Renure-technologie en circulaire mestverwerking voor delangere termijn als een instrument om de Nederlandse landbouw minderafhankelijk te maken van kunstmest en werkt daarom ook aan eensubsidieregeling om de productiecapaciteit van Renure-producten testimuleren.VraagHet lid Keijzer merkt daarnaast op dat het kabinet veelvuldig spreekt overhet belang van een gelijk speelveld binnen Europa. Is de Minister vanmening dat Nederlandse boeren momenteel onder gelijkwaardigevoorwaarden concurreren met boeren in andere lidstaten? Zo ja, waaruitblijkt dat? Zo nee, op welke terreinen ondervinden Nederlandse boerenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182441 volgens de Minister een concurrentienadeel? Welke concrete inzet kiesthet kabinet om deze verschillen te verkleinen?AntwoordHet kabinet zet zich in voor een gelijk speelveld binnen de EU. Binnen deinterne markt gelden voor veel onderwerpen geharmoniseerde Europeseregels, maar er kunnen verschillen ontstaan door nationale keuzes bij deimplementatie van Europese richtlijnen. Ook verschillen de omstandig-heden tussen Europese lidstaten, bijvoorbeeld als het gaat om hetbestaansminimum, arbeidskosten en lokale milieuregels. Deze factorenhebben invloed op de productiekosten van boeren. Het kabinet maaktkeuzes met het oog op maatschappelijke doelen en maakt afwegingentussen de beoogde maatschappelijke meerwaarde en de gevolgen voorhet verdienvermogen en de concurrentiepositie van Nederlandse boeren.Daarbij is het ook van belang dat investeringen die boeren doen om aanaanvullende eisen of hogere standaarden te voldoen, waar mogelijkworden gewaardeerd en beloond in de markt. Daarom blijft het kabinetzich in Europees verband inzetten voor verdere harmonisatie van regelswaar dat wenselijk en mogelijk is, het verminderen van onnodigeverschillen tussen lidstaten en het versterken van een gelijk speelveldbinnen de EU. Ook blijft het kabinet aandacht vragen voor de gevolgenvan nieuwe regelgeving voor de concurrentiepositie van Nederlandseboeren.VraagKan de Minister toezeggen dat hij zich zal verzetten tegen nieuweEuropese verplichtingen die leiden tot extra lasten voor Nederlandseboeren zonder dat sprake is van een aantoonbaar gelijk speelveld binnende EU?AntwoordHet kabinet beoordeelt nieuwe Europese voorstellen kritisch op gevolgenvoor de administratieve lasten, uitvoerbaarheid, concurrentiekracht en hetgelijke speelveld binnen de Europese Unie. Daarbij zet het kabinet zich invoor proportionele regelgeving en geen nationale koppen. Het kabinet kanniet op voorhand toezeggen zich tegen iedere nieuwe verplichting teverzetten. Per voorstel zal een afweging worden gemaakt tussen debeoogde doelen van het voorstel, de gevolgen voor boeren, de impact ophet concurrentievermogen en de bijdrage aan een gelijk speelveld binnende Europese Unie. Daarbij blijft het uitgangspunt dat onnodige lastenzoveel mogelijk moeten worden voorkomen.VraagHet lid Keijzer constateert voorts dat het kabinet inzet op natuurherstel enimplementatie van Europese natuur- en milieuwetgeving. Hoe voorkomthet kabinet dat de implementatie van de Natuurherstelverordening enandere Europese natuurwetgeving leidt tot aanvullende beperkingen voorboeren, tuinders en vissers?AntwoordVoor natuur- en biodiverisiteitsherstel wordt in Nederland uitvoeringgegeven aan verschillende Europese verplichtingen, zoals de Vogel enHabitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water, de Kaderrichtlijn MarieneStrategie, en de Natuurherstelverordening. Het uitwerken van herstel-maatregelen voor de Natuurherstelverordening gebeurt in samenhangmet het maatregelenpakket dat wordt opgesteld door de MinisterieleTaskforce Landbouw, Natuur en Stikstof in het kader van het coalitieak-koord 2026–2030. Het integrale maatregelenpakket dat hieruit voortkomt,waar een bedrag van 20 miljard euro voor is gereserveerd, zal ookfinanciële steun bieden aan belanghebbenden, zoals boeren, tuinders enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182442 vissers. Deze groepen kunnen te maken krijgen met herstelmaatregelen ofnieuwe verplichtingen uit de Natuurherstelverordening. Om negatievegevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, is het belangrijkom voortdurend met betrokken partijen in gesprek te blijven om afsprakente maken over passende maatregelen, zoals perspectief in nieuweverdienmodellen, en ondersteuning bij de omschakeling naar anderewerkwijzen. Het doel van het kabinet is om hier, in lijn met het coalitieak-koord, waar mogelijk op in te zetten.VraagKan de Minister uitsluiten dat bij de implementatie van Europesenatuurwetgeving nationale koppen worden toegevoegd die verder gaandan Europese verplichtingen? Welke ruimte ziet de Minister binnen deEuropese regelgeving om natuurdoelen, voedselproductie en econo-mische ontwikkeling beter met elkaar in balans te brengen?AntwoordEuropese natuurwetgeving, zoals de Natuurherstelverordening, kentverplichtingen die voor Nederland uitdagend zijn om te bereiken. Zoalsaangegeven in het coalitieakkoord zet het kabinet zich in om onnodigenationale koppen op Europese regels te schrappen. In het coalitieakkoordis afgesproken dat Nederland de Natuurherstelverordening uitvoert.Nederland beperkt zich hierbij tot de noodzakelijke maatregelen om tevoldoen aan de eisen van de verordening, in overeenstemming met demotie Van Campen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1657).Bij de inzet voor het uitvoeren van de Natuurherstelverordening, enEuropese regelgeving in de brede zin, wordt binnen de bestaandewettelijke kaders ook een bredere afweging gemaakt met andere belangenzoals economie, ruimte, woningbouw, en defensie. In een klein en dichtbevolkt land als Nederland vraagt dit om duidelijke en betrouwbarebeleidskeuzes, waarbij de juiste balans tussen verschillende opgavengevonden moet worden. In de Ministeriele Taskforce Landbouw, Natuuren Stikstof ontwikkelt het kabinet in samenwerking met betrokken partijeneen samenhangende aanpak om stikstof- en brede milieuproblematiekaan te pakken. Hierbij is er oog voor de verschillende opgaves waarNederland voor staat en de uiteenlopende belangen die daarbij spelen.VraagIs het verkrijgen van meer nationale beleidsruimte voor lidstatenonderdeel van de Nederlandse inzet in de onderhandelingen over hetvolgende MFK en het toekomstige GLB? Welke concrete bevoegdheden ofbeleidsruimte wil het kabinet terugleggen bij de lidstaten? Acht deMinister meer nationale beleidsvrijheid noodzakelijk om Nederland vanhet stikstofslot af te krijgen en de concurrentiepositie van Nederlandseboeren te versterken?AntwoordHet verkrijgen van meer nationale beleidsruimte is een prioriteit van deinzet voor het toekomstig GLB. Hierbij richt het kabinet zich op gezamen-lijke Europese doelen, waarbij de lidstaten zelf kunnen bepalen op welkewijze die gehaald worden. Voorbeelden daarvan zijn de keuzevrijheid omte bepalen welke GLB-interventies in te zetten voor welke doelen, en deruimte om te bepalen op welke wijze subsidieaanvragen wordenvormgegeven en gecontroleerd, zodat dit goed past bij de nationalesituatie. Het GLB kan daarbij ondersteunend zijn aan de nationale inzet opstikstof. Dat kan met verschillende door de Commissie voorgestelderegelingen en voorwaarden, zoals steun voor kennisdeling en voor hetEuropees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid inde landbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182443 VraagHet lid Keijzer merkt tot slot op dat voedselzekerheid, strategischeautonomie en geopolitieke weerbaarheid steeds belangrijker wordenbinnen Europa. Dit lid is van mening dat een sterke landbouwsector eenessentiële voorwaarde vormt voor de voedselzekerheid van Nederland enEuropa. Deelt de Minister de opvatting dat voedselzekerheid eenstrategisch publiek belang is dat zwaarder moet meewegen binnenEuropese besluitvorming?AntwoordNederland en de EU kennen een hoge mate van voedselzekerheid, maarmede door geopolitieke spanningen en klimaatverandering neemt hetrisico op verstoringen toe. Daarom is het belangrijk de weerbaarheid ende open strategische autonomie van het Europese voedselsysteem teversterken om zo ook in de toekomst onze voedselzekerheid te borgen.Het kabinet zet zich hier op Europees niveau voor in. Daarnaast werkt deStaatssecretaris, mede in reactie op de toenemende geopolitiekespanningen, aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid. De Kamerwordt voor de zomer geïnformeerd over de contouren en het proces.VraagDeelt de Minister de opvatting dat een sterk en zelfstandig GLB met eeneigen en toereikend budget noodzakelijk is om de voedselzekerheid vanEuropa te waarborgen?AntwoordNederland is voorstander van de modernere structuur en de integratie vanverschillende fondsen in het NRPP, zoals opgenomen in BNC-fiche NRPP(Kamerstuk 22 112, nr. 4144) en herbevestigd in de brief «UpdateNederlandse inzet volgend MFK/EMB» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357).Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van dit kabinet. Daarom is hetvan belang om voldoende productie van belangrijke voedselproducten inNederland en Europa te handhaven op een duurzame wijze. Het GLBvormt daarvoor een belangrijke basis. Daarom zet het kabinet in op eentoekomstig GLB met voldoende aandacht voor voedselzekerheid, ondermeer door de inzet op generatievernieuwing en het versterken van delange termijn veerkracht van de sector.VraagIs de Minister bereid zich expliciet uit te spreken tegen voorstellen waarbijGLB-middelen opgaan in bredere fondsen of afhankelijk worden gemaaktvan andere nationale beleidsdoelen? Welke inzet kiest Nederland in deonderhandelingen over het toekomstige GLB na 2027? Met welke lidstatentrekt Nederland op om te komen tot een sterk, zelfstandig en voldoendegefinancierd GLB?AntwoordNederland is voorstander van de modernere structuur en de integratie vanverschillende fondsen in het NRPP, zoals opgenomen in BNC-fiche NRPP(Kamerstuk 22 112, nr. 4144) en herbevestigd in de brief «UpdateNederlandse inzet volgend MFK/EMB» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357).Nederland pleit voor een GLB met voldoende gemeenschappelijke inzetvoor de economische en groene doelen van het GLB evenals voorvoldoende inzet voor het stimuleren van generatievernieuwing. Hierin zalNederland de samenwerking opzoeken in Europees verband. Hierbij is deNederlandse inzet dat de voorwaarden in de Europese verordeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182444 mogelijk maken dat Nederland een zo goed mogelijke mix vanGLB-instrumenten kan maken. Zo kunnen de GLB-instrumenten doelge-richt en efficiënt worden ingezet.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,J. van EssenDe Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,S.P.A. ErkensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182445

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3db3f842fd846245

14 okt 2026 · ff87e8dec9cd236d

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.