Verslag van een commissiedebat, gehouden op 16 oktober 2024, over Slachtofferbeleid
Brontekst
Versie 94189af2ad04e3ea · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 552SlachtofferbeleidNr. 134 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 19 november 2024 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 16 oktober 2024overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, over:–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 2 juni2023 inzake beleidsreactie op het rapport van het Adviescol-lege onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers vanstrafbare feiten (Kamerstuk 33 552, nr. 111);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 6 juni2023 inzake tweede voortgang Meerjarenagenda Slachtoffer-beleid (Kamerstuk 33 552, nr. 112);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 19 juni2023 inzake reactie op verzoek commissie over juridischeondersteuning aan slachtoffers (Kamerstuk 33 552, nr. 113);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 27 sep-tember 2023 inzake WODC-onderzoeksrapport Tussen slacht-offerbescherming en eigendomsbescherming (Kamerstuk24 515, nr. 723);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d.14 december 2023 inzake beleidsreactie op het WODC-onderzoek naar uitsluiting (Kamerstuk 36 410 VI, nr. 25);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d.20 december 2023 inzake stand van zaken verbeteringlanglopende letselschadezaken (Kamerstuk 33 552, nr. 115);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 11 janu-ari 2024 inzake onderzoeksrapport «Gestalkt. Gezien.Gehoord? Vervolgonderzoek op «De aanpak van de stalkingdoor Bekir E. (2019)»» (Kamerstuk 29 279, nr. 831);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 maart2024 inzake beleidsreactie op het onderzoeksrapport«Gestalkt. Gezien. Gehoord? Vervolgonderzoek op «De aanpakvan de stalking door Bekir E. (2019)»» van de InspectieJustitie en Veiligheid (Kamerstuk 29 279, nr. 848);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 15 april2024 inzake derde voortgang Meerjarenagenda Slachtofferbe-leid (Kamerstuk 33 552, nr. 116); kst-33552-134ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1341 –de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 22 mei2024 inzake reactie op verzoek commissie over het berichtMeer malafide letselspecialisten, branche wil er beschermdberoep van maken (Kamerstuk 36 410 VI, nr. 98);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.3 september 2024 inzake WODC-onderzoek De belangenbehar-tiger bij letselschade (Kamerstuk 33 552, nr. 118);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.15 oktober 2024 inzake invulling motie van het lid Ellian overhet automatisch ontvangen van een afschrift van een vonnisof arrest (Kamerstuk 33552–97), reactie op gewijzigde motievan het lid Eerdmans over slachtoffers en nabestaanden actiefde mogelijkheid bieden om hun reflectie te geven op hetvonnis (Kamerstuk 29 279, nr. 846) en evaluatie Wet uitbrei-ding slachtofferrechten (Kamerstuk 33 552, nr. 119).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,BroodTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1342 Voorzitter: PoolGriffier: Van TilburgAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Eerdmans, Ellian, Krul,Mutluer, Van Nispen, Palmen, Pool, Smitskam en Wijen-Nass,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming.Aanvang 9.59 uur.De voorzitter:Dames en heren, het is 16 oktober, 10.00 uur ’s ochtends. Dat betekent datik dit commissiedebat Slachtofferbeleid van de vaste Kamercommissievoor Justitie en Veiligheid open. Hartelijk welkom, Staatssecretaris. Fijndat u bij ons bent. We hebben een mooi gevulde publieke tribune,hartstikke mooi om te zien. Hartelijk welkom ook aan de leden.De spelregels voor vandaag: u krijgt vier minuten spreektijd in uw eerstetermijn en drie onderlinge interrupties. Laten we daarna overgaan naar deeerste termijn van de Staatssecretaris. De heer Ellian, als u wil beginnen:aan u het woord.De heer Ellian (VVD):Ik ben nog geen Staatssecretaris.De voorzitter:Daarna, zei ik.De heer Ellian (VVD):Aha, daarna. Ik ga beginnen.Voorzitter. De kern van mijn betoog zal zijn dat de positie van slachtoffersen nabestaanden blijvende aandacht nodig heeft. Het is in de verdelingtussen bewindspersonen soms niet helemaal duidelijk welke bewinds-persoon verantwoordelijk is voor strafbaarstelling. Vanmiddag is er ookeen debat. Ik wil graag ook hier benadrukken dat de VVD vindt datpsychisch geweld strafbaar zou moeten worden gesteld. Ik wil graagweten hoe deze Staatssecretaris daartegen aankijkt. Hierover heb ik eerdereen motie ingediend met collega Mutluer.Voorzitter. Dan kom ik op inzage in het dossier door slachtoffers ennabestaanden. Soms spreek ik slachtoffers of nabestaanden die er eenhalve juridische opleiding bij hebben moeten doen om inzage in hetdossier te krijgen. Ik vind dat echt een foute gang van zaken. Inzage in hetdossier is heel essentieel om bijvoorbeeld bij een tbs-verlengingszitting ofeen negatieve vervolgingsbeslissing te begrijpen wat er aan de hand is.Dat geldt bijvoorbeeld ook bij een cold case, als er geen dader- ofopsporingsindicatie is. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat er eenverbetering komt in het geven van inzage in de dossiers? Uiteraard, als ereen advocaat bij betrokken is, dan kan die daar een mooie rol in vervullen,maar ik hoor te vaak dat slachtoffers van een koude kermis thuiskomen.En juist voor een slachtoffer vind ik dat geen goede gang van zaken.Voorzitter. Als het gaat om advocaten die bereid zijn om slachtoffers ofnabestaanden van geweldsmisdrijven gerelateerd aan de georganiseerdecriminaliteit bij te staan, dan hebben we het over een handjevol. Dat ismisschien zelfs nog te veel; er zijn nauwelijks advocaten die dan nog eenslachtoffer of een nabestaande willen bijstaan. Ik ken er eigenlijk maartwee. Dat is echt een slechte ontwikkeling, want ook zij hebben natuurlijkrecht op bijstand en zouden ook bijvoorbeeld hun spreekrecht moetenkunnen uitoefenen. Collega Eerdmans heeft daar eerder iets over gezegd.Wat gaan we hieraan doen? Ik denk dat het bij deze Staatssecretaris ligtom zich te bekommeren om de veiligheid van deze advocaten en hunpositie. Wat ik hoor, is dat ze zich daar heel erg zorgen om maken en datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1343 daarom veel advocaten zeggen: als het gaat om georganiseerde crimina-liteit en nabestaanden, blijf ik daar ver van weg.Voorzitter. Dan kom ik op het WODC-onderzoek over de letselschade-praktijk. Ik was echt zeer verbaasd over de uitkomst daarvan. Het wasgewoon een normatieve beschrijving van hoe het geregeld is. Maar juistbij de insteek om in kaart te brengen wat er allemaal gebeurt, moesten wehet met twee A4’tjes doen. De Staatssecretaris was zelf ook civielrechtelijkadvocaat, net als ik. Wat gaan we hier nu aan doen? Ik vind het echtonaanvaardbaar dat er gehandeld wordt in schade van mensen en datbelangenbehartigers aanspraak maken op grote bedragen, maar helemaalniet hun werk doen voor dat betreffende slachtoffer. Volgens mij is er eenmooie suggestie gedaan om dit te normeren, bijvoorbeeld via de bandvan artikel 96 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Gaan we dit nuoppakken, Staatssecretaris? Als we hier nu een jaar op moeten wachtenen met elkaar over moeten discussiëren, zou dat echt heel jammer zijn.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ben blij met dat laatste. Ik denk dat collega Ellian mij naast zich ziet alshet gaat om het beschermen van slachtoffers die door dit soort belangen-behartigers eigenlijk nog extra gevictimiseerd worden. In een eerdercommissiedebat heb ik zelf ook gepleit voor een keurmerk voor letselscha-debelangenbehartigers. Volgens mij is dat wel meegenomen in hetonderzoek. Hoe staat mijn collega daartegenover? Hij stelt terecht devraag aan de Staatssecretaris, maar volgens mij was er ook al eenoplossing voorhanden.De heer Ellian (VVD):Dank aan collega Mutluer voor de vraag. Als het gaat om slachtoffers ennabestaanden staan we vaak aan dezelfde kant, behalve als het gaat omgratieverlening en levenslang, maar daar komen we een andere keer welover te debatteren. Er is al een keurmerk: het letselschadekeurmerk,volgens mij via het NIVRE. En je hebt de advocaten, die natuurlijk zwaargereguleerd zijn. We hebben volgens mij allemaal in de e-mail desuggestie gekregen om aan artikel 96 van Boek 6 toe te voegen: alleenkosten van professionele of deskundige bijstand komen voor vergoedingin aanmerking. Dan kun je daaronder een AMvB hangen over wanneer ersprake is van deskundige bijstand. Nou, dat is zo als iemand voldoet aandat keurmerk of als iemand advocaat is. Ik denk dat we verder niet zo veelhoeven te doen. Volgens mij zit bij het keurmerk ook een vorm vanklachtenregeling en toezicht. Bij de advocaten geldt dat sowieso. Voilà. Alshet geen van tweeën is, val je buiten de boot, maar ik denk dat dat ookhelemaal niet erg is. Dan heb je alleen nog de categorie van zzp’ers metheel veel ervaring. Je moet daar even kijken naar een oplossing. Alsiemand veel ervaring heeft en deskundig is, zou hij zich misschien kunnenaansluiten bij het keurmerk. Het keurmerk werkt volgens mij goed. Hetprobleem is alleen dat heel veel lieden nu niet zijn aangesloten bij datkeurmerk. We zullen dat toch in enige mate moeten verplichten. Ik denkdat daar best een makkelijke oplossing voor is.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik heb geen vraag. Volgens mij gaan we gewoon een motie maken. Dangaan we kijken of we elkaar kunnen vinden.De voorzitter:De heer Van Nispen heeft ook een interruptie.De heer Van Nispen (SP):Ook ik ben blij met dit onderdeel van het betoog; dat scheelt weer. Ik kanme hierbij aansluiten. Maar een slachtoffer is vaak niet alleen slachtoffervan een ongeval waardoor letsel ontstaat, en vaak ook van de belangen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1344 behartiger die zijn zaak niet goed behartigt, maar ook slachtoffer van deverzekeraar. De verhalen van trainerende letselschadeverzekeraars die deprocedures ellenlang rekken en mensen niet antwoorden, kennen we. Hetzijn kapitaalkrachtige reuzen die gewend zijn om te procederen, waardoormensen soms gewoon vermorzeld worden. Ik zou willen dat de heer Ellianook die kant van de zaak belicht. Ik nodig hem daartoe uit. In het verledenzijn voorstellen gedaan, bijvoorbeeld om ook dat te normeren. De motieover het wettelijk verankeren van de Gedragscode Behandeling Letsel-schade is aangenomen, maar wordt niet uitgevoerd. Het voorstel omonafhankelijk tuchtrecht in te voeren voor de verzekeraars wordt nietuitgevoerd. Ik steun de heer Ellian in zijn strijd om de belangenbehartigerste reguleren in het belang van het slachtoffer. Laten we echter ook degrote verzekeraars aanspreken, omdat daar ook heel veel fout gaat. Ikhoop dat hij mij daarin kan steunen.De heer Ellian (VVD):Soms voorzie ik de vragen van collega Van Nispen en soms niet. Somsvinden we hetzelfde belangrijk. Ik ben hier toevallig laatst even ingedoken,omdat dit vraagstuk van de rol van de verzekeraar ten opzichte van hetslachtoffer al ver voordat ik Kamerlid was hier werd geadresseerd door uen door anderen. Er zijn aangenomen moties en als ik het goed heb, ligt erbest het een en ander, volgens mij op AMvB-niveau, voortvloeiend uitmoties van onder anderen u, over wat je, in ieder geval ten opzichte vanhet verleden, een behoorlijk forse regulering zou kunnen noemen van dewerkwijze van verzekeraars. Ze moeten veel meer vastleggen enbijhouden. Ze moeten proberen binnen een bepaalde termijn totafronding van een aanvraag te komen. Kijk, ik denk dat de essentie is datje van een verzekeraar een behoorlijke, deskundige, redelijke en in decommunicatie ook een menswaardige behandeling van het slachtoffermag verwachten. Uiteraard is het geen vrijbrief om maar onbeperktvorderingen in te stellen. Ik heb eens specifiek gekeken naar hoe hetervoor staat en ik heb de indruk dat de verzekeraars wel stappen maken.Als de heer Van Nispen mij vraagt of het nu voldoende is, dan is hetantwoord dat ik dat lastig te beoordelen vind. Ik zie wel dat er verbeteringin zit. Of er nu nog meer nodig is? Ik denk dat de richting die wordtingezet, echt wel goed is. Het moet ook geen vrijbrief voor verzekeraarszijn om het dossier te traineren. Ik ken die verhalen ook. Ik ben dus – watis het goede woord? – gematigd optimistisch, denk ik.De voorzitter:Dat is fijn, maar nog niet genoeg voor de heer Van Nispen. Eenvervolgvraag.De heer Van Nispen (SP):Ik ben ook optimistisch aangelegd. Daarin vinden we elkaar vaak. Maar opdit vlak is dat niet helemaal terecht, denk ik, ook gelet op de ervaringen uithet verleden. Aangenomen moties zijn «uitgevoerd», in de zin dat er nogmeer zelfregulering komt. We gaan dus aan de branche zelf vragen om degedragscode voortaan beter in de gaten te houden, uit te werken en tenormeren. Maar wat gebeurt er nou als een letselschadeverzekeraar dezaak blijft traineren? We kennen volgens mij allemaal de schrijnendeverhalen van de slachtoffers. Er gebeurt helemaal niks. Je kunt hoog oflaag springen, maar je moet eerst deskundige worden en een opleidingvolgen om het tegen zo’n professionele reus, die gewend is te proce-deren, op te nemen. Die ongelijke strijd blijft. Het voorstel dat wij in hetverleden hebben gedaan, is: geef die trainerende letselschadeverzekeraarsnou een boete, zoals ik het noem. Dat mag een onrechtmatige daad zijn,dat mag civielrechtelijk, maar je kunt het ook bestuursrechtelijk organi-seren. Dat voorstel is nog steeds niet aangenomen. Ik hoop heel erg datde daadkracht die de heer Ellian uitstraalt – in het belang van de slacht-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1345 offers, hè; begrijp me niet verkeerd – om de belangenbehartigers tereguleren, ook wordt getoond om de trainerende letselschadeverzekeraarsaan te pakken en het niet alleen van zelfregulering af te laten hangen. Dathebben we al 10, 20 of 30 jaar gedaan. Ik hoop echt dat we ook op dit puntstappen kunnen zetten, juist ook in het belang van de slachtoffers.De heer Ellian (VVD):Ik snap de vraag van de heer Van Nispen heel goed. Als je slachtoffer bentvan een ernstig strafbaar feit, dan staat je leven al op zijn kop en wil je aanhet einde van de dag niet ook nog gedoe met de verzekeraar. Dat is deessentie. Ik wil er wel voor waken dat ... De heer Van Nispen weet dat ik,waar ik kritisch moet zijn, dat ook ben. De afgelopen jaren heb ik ook bestwat kritische vragen gesteld over de rol van verzekeraars, maar als hetsysteem goed werkt, doen ze ook goede dingen. Er zijn ook verhalen vanslachtoffers en advocaten die prima hiermee uit de voeten kunnen. Ik vindhet lastig om op voorhand al te zeggen dat zelfregulering niet gaatwerken, want dankzij de inspanningen van collega Van Nispen is diezelfregulering geen wassen neus. Tot nu toe is de inhoud serieusopgetuigd. Waar ze zichzelf aan moeten houden, is fors. Dat is echt eenforse stap. Ik beluister collega Van Nispen zo dat hij zegt: dat is mooi,maar er moet sanctionering op zijn. Het is misschien wat vroeg om dat teconcluderen. De essentie is dat verzekeraars binnen bepaalde termijnentot beslissingen moeten komen. Ik denk dat dat het allerbelangrijkste is,want het gaat om onnodig traineren waardoor slachtoffers soms ookfinancieel helemaal in de penarie komen. Je zou even moeten kijken of ereen beeld is van het aantal gevallen waarin dat gebeurt. Ik ben ookbenieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt. Als je een soort vansanctionering zou willen, dan kan je dat natuurlijk ook gewoon doen in hetschadebedrag. Dat zou kunnen. Je hoeft niet meteen met toezicht vanuitde overheid te werken. Je zou ook in een bepaalde code kunnen opnemendat er iets boven op het schadebedrag komt als bepaalde termijnenworden overschreden. Dus ik wil de verwachtingen temperen. Ik ga nietmeteen zeggen dat ik die kant op wil. Ik begrijp de vraag wel heel goed,maar ik denk dat je zou kunnen denken aan de verhoging van hetschadebedrag als een bepaalde mate van sanctionering nodig zou zijn. Ikzit een beetje in het midden. Ik vind het vooral van belang dat er inhou-delijk stappen worden gezet bij de verzekeraars, want dat was wel nodig.De voorzitter:Is dat voldoende voor u, meneer Van Nispen? Ja? Dan wil ik alleen nogeven meegeven dat hoe langer we besteden aan het debat onderling, hoeminder tijd er is voor het debat met de Staatssecretaris. Ik heb het maargezegd. Meneer Ellian, u heeft nog ongeveer één minuut. Wilt uverdergaan met uw betoog?De heer Ellian (VVD):Ja, en nu hebben we de letselschadebehandelaars keurig kunnenbenoemen. Dus ik was verbaasd hierover en ik ben benieuwd naar dereactie van de Staatssecretaris.Waar ik ook verbaasd over was, is de passage in het regeerakkoord overhet plafond dat geïntroduceerd zou worden bij mogelijke uitkeringen uithet schadefonds. Ik begrijp het niet. Wie heeft daarom gevraagd? Ik inieder geval niet. Waarom is het nodig? Hoe hoog is dat plafond? Wat zijnnut en noodzaak hiervan? Ik hoop echt dat de Staatssecretaris ons hierinkan meenemen, want de verbazing was wel groot.De voorzitter:Dat leidt tot een vraag van mevrouw Mutluer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1346 Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat de heer Ellian en ik vandaag echt vriendjes gaan worden, wantik ben het volledig met hem eens. Ook ik was erg verrast over het plafondvan 1 miljoen van de voorschotregeling. Ook ik zie graag dat dievoorschotregeling voor slachtoffers van ernstige misdrijven niet gemaxi-meerd wordt. Stel dat dit doorgaat, zou een hardheidsclausule volgensmijn collega dan nog een oplossing kunnen bieden of moeten we dit plangewoon afschieten?De heer Ellian (VVD):Dat is een hele mooie vraag. Een hardheidsclausule is helemaal geengekke gedachte. We hebben nog twee uur en drie kwartier; ik wil echtgraag nut en noodzaak van een voorgestelde maatregel begrijpen. Ik kenoverigens maar één geval van iemand die meer dan 1 miljoen heeftgekregen. Dat kent iedereen, denk ik. Dat is de Amerikaan die slachtofferwas van een terroristische aanslag op het Centraal Station vanAmsterdam. Maar om nou op basis van één geval ... Dus ik ben heelbenieuwd naar nut en noodzaak, vooral omdat dit in de beeldvorming vanslachtoffers en nabestaanden heel bizar overkwam. Dat vind ik echt heeljammer. Ik heb er in ieder geval niet om gevraagd, maar laten we evenluisteren naar het antwoord en dan kijken we daarna verder.De voorzitter:Nog meer interrupties? Nee? Voldoende? Gaat u door.De heer Ellian (VVD):Dan ga ik razendsnel verder. In algemene zin heb ik echt de balen. Er ligteen rapport van de commissie-Donner, maar daar gebeurt maar barweinig mee, vind ik. Het probleem is dat slachtoffers met de gebakkenperen zitten als ze niet die strafrechtelijke titel op de uitkering hebben. Danmoeten ze het civielrechtelijke pad bewandelen, wat ellendig is. Ik benheel benieuwd of de Staatssecretaris ideeën heeft om die positie teverbeteren.Voorzitter, tot slot. Ik heb nog 10 seconden. Er kwam gisteren op devalreep een brief, waarvoor dank, over mijn motie om het vonnis teverstrekken aan slachtoffers. Zo moeilijk is dat toch niet? Ik probeer echtde begrijpen wat het probleem is. Als een slachtoffer een afschrift wilontvangen, kun je dat toch gewoon per e-mail of per post sturen? Ik bengewoon echt verbaasd. Dit moeten we toch kunnen regelen?Dank.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan is het woord aan de heer Krul.De heer Krul (CDA):Voorzitter, excuses vooraf, want ik moet na mijn inbreng of iets daarnanaar een ander debat.Voorzitter. Met een debat als dit is het altijd lastig om te kiezen welkeonderwerpen je gaat behandelen. Vaak probeer je dan zo veel mogelijkonderwerpen in vier minuten te proppen. Ik ga het eens andersomproberen: ik houd het bij één onderwerp vandaag.Voorzitter. Tijdens een zitting worden alle details van een zaak besproken.Hierbij kunnen slachtoffers aanwezig zijn. De strafzittingen zijn openbaar.Zo is het geregeld in onze Grondwet, maar daar zijn uitzonderingen op,bijvoorbeeld als hiermee de openbare orde in het geding komt of als ersprake is van een minderjarige dader. In zulke gevallen kan een rechter hetbevel geven om een zaak achter gesloten deuren te behandelen.Het CDA heeft schriftelijke vragen gesteld over de beperkte mogelijkheidom zo’n strafzitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, juist alshet gaat om slachtoffers van seksuele misdrijven, zoals verkrachting ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1347 seksuele uitbuiting. Maar de antwoorden op die vragen stellen ons nietgerust. Deze zaken kunnen een grote impact hebben op slachtoffers. Hettot in detail bespreken van een seksueel misdrijf kan enorm lastig zijn,zeker als de zaal bomvol zit. U kunt zich voorstellen dat dit nog aangrij-pender wordt als er ook nog eens leeftijdsgenoten in de zaal zitten enzulke intieme zaken worden besproken.Daarnaast worden de namen van minderjarige slachtoffers niet standaardgecodeerd. Het gebeurt weleens, maar het is niet standaard. Voelt deStaatssecretaris er iets voor om dat te veranderen, zodat het uitgangspuntbij minderjarige slachtoffers van seksuele misdrijven tijdens de zaak wordtdat de naam wordt geanonimiseerd, tenzij? Begrijp me niet verkeerd; hetCDA vindt de openbaarheid van rechtszaken heel belangrijk. Maar wijkrijgen echt signalen – dat zijn er geen tientallen maar wel meerdere – datverzoeken van slachtoffers om de zitting besloten te laten plaatsvindenvrijwel nooit worden toegekend, zelfs niet als het gaat om minderjarigeslachtoffers van seksueel geweld. Kan de Staatssecretaris dit bevestigen?Zo ja, biedt de wet volgens hem nu voldoende mogelijkheden? Dan gaathet om artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering.Wat het CDA betreft moet het anders. Het moet voor een slachtoffer vaneen seksueel geweldsmisdrijf makkelijker worden om dit niet in de volleopenbaarheid te bespreken. Is de Staatssecretaris dat met ons eens? InBelgië, dat trouwens eenzelfde artikel in zijn Grondwet heeft dat deopenbaarheid van zittingen regelt, is nu een wet in behandeling die regeltdat een zaak standaard achter gesloten deuren kan worden behandeld bijseksuele misdrijven. Daar ziet het CDA wel wat in. Wat vindt de Staatsse-cretaris van deze Belgische wet? Kan hij in gesprek gaan met de collega’sin ons buurland om te kijken wat er op dit gebied mogelijk is?Voorzitter. Uiteraard heeft niet elk slachtoffer de wens om de zitting achtergesloten deuren te behandelen. Sommige slachtoffers willen juist graagdat het openbaar wordt. Dat begrijpen wij zeker. Daarom zou het wat hetCDA betreft goed zijn dat het uitgangspunt blijft dat de zitting openbaar is,maar dat het sneller wordt toegekend als een slachtoffer van een seksueelmisdrijf om beslotenheid verzoekt, het liefst enkelzijdig. Dat betekent dathet belang van het slachtoffer voorop wordt gesteld. Op die manierkunnen we beter luisteren naar de wensen van de slachtoffers, die nu tevaak het gevoel hebben dat hun belangen ondergeschikt worden gemaaktaan die van het publiek en de dader.Voorzitter, ik ga afronden. De antwoorden op de vragen kwamen van devoorganger van deze Staatssecretaris. Dat was nog de Minister voorRechtsbescherming. Daar bleek weinig enthousiasme uit om iets aan ditbeleid te doen. Wij zijn heel benieuwd of de Staatssecretaris daar in zijneerste termijn wat openingen voor gaat bieden.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Helder betoog, waar ik zelf ook even over moet nadenken, omdat ik altijdeen groot voorstander ben van openbaarheid van rechtspraak, juist omdatik zie dat in zaken met georganiseerde criminaliteit de weg naar geslo-tenheid de weg naar voren is geworden. Dat vind ik juist geen goedeontwikkeling. Dit gaat, als ik het goed begrijp, om slachtoffers vanseksueel geweld, zedenmisdrijven. Vindt de heer Krul – ik probeer heteven te begrijpen – dat de hele zaak in beslotenheid moet, of een deel?Dat zou mij nog helpen in ...De heer Krul (CDA):Ik denk dat de kern van het probleem vaak is – dat zijn ook de signalen diewij ontvangen – dat wanneer echt specifieke details van een zaak tersprake komen bij een zitting, beslotenheid in principe ... Ik zeg niet dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1348 de norm moet zijn, maar het belang van het slachtoffer moet daarinvooropstaan. Er zijn geen cijfers bekend over in hoeverre die verzoekenvan slachtoffers worden ingewilligd. Die cijfers worden in ieder geval nietbijgehouden. Het betreft altijd maatwerk. Een rechter heeft conformartikel 269 de mogelijkheid om het bevel te geven tot een besloten zitting,maar weegt daarbij alle belangen af. En dat is ons te ondoorgrondelijk.Als er in een zitting echt gruwelijke details op tafel worden gelegd dievoor het slachtoffer zeer lastig zijn, vinden wij dat het makkelijker moetworden om een zitting achter gesloten deuren te houden.De voorzitter:Voldoende? Meneer Van Nispen, wilt u beginnen aan uw betoog?De heer Van Nispen (SP):Dat wil ik. Dank u wel, voorzitter. De overheid moet er voor je zijn als jehet slachtoffer bent van bijvoorbeeld een misdrijf, van een sekte of vaneen verzekeraar. Dat zijn mijn drie thema’s.Allereerst slachtoffers van misdrijven. Het belangrijkste voor slachtoffersis dat er iets gebeurt, maar zaken blijven vaak jaren op de plank liggen bijde politie, bij het OM en bij de rechtbank. Slachtofferhulp Nederland zegtterecht dat de lange doorlooptijden de positieve effecten van wetten enbeleid ter verbetering van de slachtofferrechten ondermijnen. Dedoorlooptijden zijn te lang door te weinig capaciteit, en dat is schrijnend.Dat kan leiden tot secundaire victimisatie: je wordt voor de tweede keerslachtoffer, met psychische klachten tot gevolg. Mag ik een reactie hierop?Hoe zorgen we voor kortere doorlooptijden, maar ook voor de juisteondersteuning van de mensen in die gevallen waarin dat nog niet isgelukt? Denk bijvoorbeeld aan snellere hulp bij psychische klachten enbetere toegang tot herstelrecht, want ook dat kan juist heel belangrijk zijnvoor slachtoffers. Graag een reactie.Slachtoffers horen ook ondersteund te worden bij een schadevergoeding.Maar na onderzoek en de commissie-Donner blijkt het te duur om deuitkomsten van dit onderzoek op te volgen. 70 miljoen euro per jaar: is datnou te veel? Gaat dat te ver? De regering wil de voorschotregeling zelfsgaan beperken. De SP is daar faliekant op tegen en blijft van mening datde voorschotregeling ook moet gaan gelden voor overtredingen en dat ereen aparte schadevergoedingskamer moet komen. Mensen laten zittenmet hun schade is gewoon onrecht. Laat de belangen van slachtoffersboven financiële overwegingen gaan.Voorzitter. Ik heb al vaak aandacht gevraagd voor de sekteproblematiek.Dat doe ik vandaag opnieuw. Sektes maken slachtoffers. Mensen wordengehersenspoeld, financieel uitgekleed en zelfs seksueel misbruikt.Religieuze gemeenschappen zoals de Jehova’s getuigen denken weleensdat ze boven de wet staan. Laten we hier heel duidelijk zijn: dat is niet hetgeval. Onze Nederlandse rechtsstaat en ons Wetboek van Strafrecht geldtook voor jullie. Ik zou ze juist onder het vergrootglas willen leggen,bijvoorbeeld na hun reactie op het seksueel misbruik, waarbij alles isgedaan om de boel onder het tapijt te vegen en onderzoeken tegen tehouden. Als mensen uit die gemeenschap willen stappen, dreigtuitsluiting, het sociaal doodverklaren. Ik vind dat schandalig. Het is eenvorm van mishandeling, psychisch geweld. Ook de SP pleit voor eenaparte strafbaarstelling daarvoor. Maar de regering wil dat niet. Ik vraagom dat standpunt te heroverwegen.Specifiek vragen wij ook naar de belangen van kinderen die opgroeien ineen sekte, ongevraagd, zonder keuze. Bij de Jehova’s betekent dat geenverjaardagen, geen omgang met niet-Jehova’s getuigen, want: de wereldvergaat. Wat kunnen we doen, zo vraag ik de Staatssecretaris, om dezehersenspoeling op jonge leeftijd te voorkomen of tegen te gaan? Wevinden eigenlijk dat minderjarigen niet mogen toetreden tot dezegemeenschap via de doop, omdat je nog handelingsonbekwaam bent enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 1349 daarna uitsluiting van je familie riskeert. En dat is dus weer een vorm vanpsychologische dwang. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat dit ideenader uitgezocht zal worden?Ik heb het al gehad over de slachtoffers bij letselschade. Zij zijn vaak ooknog slachtoffer van de verzekeraar of van de belangenbehartiger.Verzekeraars doen er alles aan om de boel te traineren en om vooral maarniet te erkennen en niet uit te keren. Dat is pervers, want het is zo’nongelijke strijd: het kwetsbare individu met letsel tegen een kapitaal-krachtige reus die het gewend is om te procederen en de tijd en het geldheeft om mensen uit te roken. De overheid laat het eigenlijk lelijk afweten,doet weinig voor deze slachtoffers. Het hele systeem is totaal nietslachtoffervriendelijk ingericht.Eén. Waarom komt de Staatssecretaris niet met voorstellen of desnoodseen onderzoek om dit grondig en structureel te verbeteren? Graag eenreactie. We kunnen niet langer wachten met het hele systeem slachtoffer-vriendelijker in te richten, voor al die mensen in de knel.Twee. De SP stelt voor dat trainerende letselschadeverzekeraars beboetworden. De reactie op onze aangenomen motie over de GBL, deGedragscode Behandeling Letselschade, is zwak. We hebben niet nogmeer zelfregulering van de branche nodig, met incidenteel toezicht van deAFM. Onze motie zegt: wettelijke normering van termijnen en voortgangin de zaak voor het slachtoffer, en zo niet, dan een boete. En ja, dat magook civielrechtelijk. Daar profiteert het slachtoffer van en dat voedt debranche op.In samenhang daarmee mijn laatste punt: het verankeren van tuchtrecht.Dat is ook een aangenomen voorstel, dat ook niet uitgevoerd wordt,terwijl erkend wordt dat dit kan bijdragen aan de versterking van hetvertrouwen in verzekeraars.Graag een reactie op deze drie voorstellen van de SP. Ik sluit me aan bijhet idee dat het tuchtrecht niet alleen voor de verzekeraars maar ook voorde belangenbehartigers moet gaan gelden. Reguleer of bescherm hetberoep van de schade-expert. Maak een einde aan het letselschade-wildwest, in het belang van de slachtoffers. Dank u wel.De voorzitter:U bedankt. Dan is het woord aan de heer Eerdmans.De heer Eerdmans (JA21):Voorzitter, dank je wel. Complimenten aan de Staatssecretaris, of eigenlijkzijn voorganger, want ik denk dat de derde voortgangsrapportage degoede koers aanwijst. Dat blijkt ook wel, want er is heel veel veranderd opslachtoffergebied. Ik herinner me nog de invoering van het spreekrecht in2005, op initiatief van LPF en D66. Dat was nog een heel ding, maar het iser. Gisteren bij de zaak-Donny M., hoe verschrikkelijk ook, zag je de tweezussen op zeer indrukwekkende wijze gebruikmaken van de slachtofferver-klaring. Het is ongelofelijk fijn dat het er is en dat het kan.Ik heb een vraag daarover, in het kader van de nazorg na het vonnis.Wordt er dan ook een reflectie geboden aan de slachtoffers van zulkezaken die er met de rechter in beslotenheid nog eens over willen praten?Ik heb dat eerder gevraagd. Er is ook een motie over aangenomen. Hoeziet de Staatssecretaris dat?Voorzitter. Dan ga ik naar een vraag over stalking. Na de dood vanHümeyra in Rotterdam in 2018, de zaak-Bekir E., is er een rapportverschenen, «Gestalkt. Gezien. Gehoord?» Een van de pijnlijkste puntenuit het rapport vind ik dat de inspectie concludeert dat in stalkingzakenvooral aan slachtoffers wordt gevraagd om zich aan te passen, in plaatsvan aan de dader. Dat is volgens een aantal slachtofferadvocaten echt nogsteeds een probleem. In Rotterdam hebben we nu een slachtofferofficier,die zich alleen maar met slachtoffers bezighoudt. Is dat niet ook ietsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13410 prachtigs voor meerdere plekken in het land? Ik pleit dus voor meerdereslachtofferofficieren in Nederland.Voorzitter. Dan ga ik naar de formele positie van slachtoffers. Die is op eenaantal punten verbeterd, maar eigenlijk is de enige formele positie die eenslachtoffer heeft de artikel 12-procedure, waarbij er gevraagd kan wordenom iemand te vervolgen als het OM dat niet wil of niet kan doen. In 2023is er bijna 3.000 keer gebruikgemaakt van artikel 12 Strafvordering. Danwil het slachtoffer dus wel dat een verdachte wordt vervolgd, terwijl hetOM dat niet wil. 300 keer, 12%, was die klacht gegrond, zei het hof. Ik hebal eerder gezegd dat dat heel raar is. Is dat niet zorgelijk? Zouden we eenslachtoffer niet een volwaardigere positie moeten geven? In Duitsland hebje bijvoorbeeld de Nebenkläger. Dan mag je als slachtoffer ook getuigenoproepen. Je mag vragen om vervolgingshandelingen. Kijk naar detramschutter in Utrecht. De vader van Roos had zelf aan de tramschuttereen vraag willen stellen, namelijk waarom hij juist op zijn dochter schoot.Dat had hij bijvoorbeeld willen laten onderzoeken. Dan zou een slachtofferook meer proces krijgen in zo’n situatie. De zaak-Sharleyne kennen wemisschien ook nog wel, dat meisje van 8 dat door haar moeder van hetbalkon werd gegooid. Daarin heeft de vader uiteindelijk vervolgingafgedwongen. Het OM had die zaak geseponeerd. Ik denk dat dat heelgoed zou zijn. In Frankrijk wordt dat ook wel de «action directe» genoemd.Het slachtoffer mag onderzoekshandelingen vragen. In België is datoverigens ook ingevoerd. Dan mag je bijvoorbeeld ook getuigenoproepen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?Ten tweede. De beslissing in zo’n artikel 12-procedure kan uitermate langduren, één tot twee jaar. Kan dat niet korter? Kunnen we misschienaansluiten bij de Awb, de Algemene wet bestuursrecht? Dat zou dertienweken zijn. Anders ettert het maar door en dat is vervelend voor eenslachtoffer. En zou er niet een beroep tegen een afwijzing kunnen komen?Stel dat het antwoord van het hof nee is, zou een slachtoffer dan niet ookin beroep moeten mogen gaan tegen zo’n besluit?Voorzitter. Ik sluit af met een vraag of, eigenlijk meer een advies.Nogmaals, ik vind het echt wel een goed stuk dat ik heb gelezen, maargaat deze Staatssecretaris zich ook echt bekommeren om de belangen-groepen van slachtoffers en nabestaanden? We hebben natuurlijk defederatie, waar in de brief ook over wordt geschreven. Heel veelnabestaanden willen niet de sleutel weggooien van bijvoorbeeld demoordenaar van hun kind, maar willen wel gerechtigheid. Een luisterendoor is volgens mij ongelofelijk belangrijk daarin.Voorzitter, daar laat ik het voor nu bij. Dank je wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Mutluer, aan u het woord.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Slachtofferbeleid kan nooit het aangedane leedwegnemen. Het kan wel zo veel mogelijk helpen om het draaglijk temaken en, belangrijk, om nieuwe slachtoffers te voorkomen. In datverband ga ik in op een aantal onderwerpen.Het zal u niet verbazen dat ik begin met het onderwerp femicide. Ik denkdat iedereen weet dat ik, net als andere collega’s, heel graag wil datpsychisch geweld strafbaar wordt. En ik wil dat extra aanpakken metbetrekking tot stalking, een misdrijf dat voor veel ellende zorgt en als eenvan de rode vlaggen geldt voor femicide. De gewelddadige dood vanHümeyra zit ook bij mij vers in mijn geheugen. Als deze dieptrieste zaakiets heeft opgeleverd, is het dat stalking serieuzer op het netvlies staat.Maar ik zie ook dat er ondanks wat verbeteringen nog veel zaken betermoeten. Daarom de vraag waarom er bij de politie nog geen vastaanspreekpunt is voor een slachtoffer van stalking. Wanneer komt dat erwel? Ik lees daar in de reactie op het rapport van de inspectie namelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13411 geen duidelijk antwoord op. Als het antwoord daar vandaag ook niet opkomt, dan zal ik wederom een motie indienen. Is er al duidelijkheid overde functie regisseur zorg en veiligheid binnen de politie, die de internecasusregie bij stalking moet gaan regelen? Dat zou er afgelopen zomer alzijn.Dan over de aanpak. Als een stalker een locatieverbod heeft, moet hetslachtoffer het zelf melden als dat overtreden wordt. Ik snap ook wel datde politie niet achter iedere stalker aan kan, maar je kan het ook niethelemaal neerleggen bij het slachtoffer alleen. Ik geloof in een pilot alsmet het slachtofferdevice. Dat apparaatje geeft het je via elektronischemonitoring aan als er een stalker dicht in de buurt komt. Dan krijgt dereclassering een signaal. Dat lijkt me, zeker bij personen die echtgevaarlijk kunnen zijn, wel een goeie oplossing. Vindt de Staatssecretarisdat ook?Een heel ander onderwerp: de Goede Herder. Ondanks de naam heeft dedesbetreffende kloostergemeenschap juist voor veel slachtoffers gezorgd.Over de ellende bij de Goede Herder onder het mom van heropvoeding bijzogenaamd «gevallen meisjes» is heel veel gezegd en geschreven. Hetbetreft mishandeling, uitbuiting en dwangarbeid en dat allemaal in eeninternaat onder de verantwoordelijkheid van de overheid. Naastonderzoek en excuses is er meer nodig, namelijk dat het verhaal van demeisjes die in de Goede Herder zijn overleden, niet vergeten wordt. Zij zijnvaak naamloos begraven, alsof ze nooit bestaan hebben. Dat vind ik zoverschrikkelijk pijnlijk. Zij verdienen het om een naam en een verklaringvan hun overlijden te krijgen. Er zijn plaatsen bekend waar die meidenbegraven zijn. Zo heeft de gemeente Almelo een vergeten massagraf vande congregatie van de Goede Herder aangetroffen in de grond. Ze gaandat ruimen. Dat vind ik echt niet oké. Deze zaak is wellicht verjaard, maardat wil niet zeggen dat dat de regering ontslaat van de morele plicht omervoor te zorgen dat deze jonge vrouwen een naam krijgen. Denabestaanden willen een onafhankelijk onderzoek naar de doodsoorzaken.Dat is niets te veel gevraagd. Ik vind dat de Staatssecretaris in overlegmoet treden met de gemeente Almelo, die al bezig is met het uitzetten vaneen archeologisch onderzoek. Staat hij daar borg voor? Ik wil dat hijnagaat waar in Nederland nog meer van dergelijke graven liggen. Dezemeisjes mogen we niet vergeten.Voorzitter, tot slot. Deze opmerking heb ik eerder gemaakt: nabestaandenvan slachtoffers vragen om inzage in justitiële gegevens in het straf-dossier. Met Controle Alt Delete is een groep nabestaanden gestart meteen petitie waarin ze vragen om volledige dossierinzage van het strafrech-telijke onderzoek naar het overlijden van personen tijdens of vlak na eenaanhouding door de politie. Het is voor nabestaanden uiteraard nu al welmogelijk om inzage in stukken te krijgen en die onder voorwaarden in tezien. Toch leeft er nog de behoefte aan meer informatie, ook in het gevalvan de cold cases. Mijn vraag is dus of de Staatssecretaris in overleg wiltreden met het OM om te bezien of er nog meer mogelijkheden zijn. Kanhij de Kamer daarvan op de hoogte stellen?De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Het woord is aan de heer Smitskam.De heer Smitskam (PVV):Dank u wel, voorzitter. Het voorkomen van criminaliteit is essentieel vooreen veilige samenleving en moet een prioriteit zijn. Echter, even belangrijkis een krachtig slachtofferbeleid dat recht doet aan de ervaringen ennoden van slachtoffers. Hun rechten en herstel verdienen dezelfdeaandacht als de aanpak van daders. Dat is cruciaal voor een rechtvaardigstrafrechtsysteem.Voorzitter. In 2008 ging de rechtbank Den Haag als eerste tot verbouwingover om een aparte wachtruimte voor slachtoffers te creëren. Waarom isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13412 dit niet inmiddels met alle rechtbanken in het land gebeurd? Nog steedskunnen slachtoffers van bijvoorbeeld gewelds- en zedenmisdrijven dedader tegenkomen in de wachtruimte voor hun rechtszaak begint. Dat iseigenlijk meer dan onacceptabel, want het is uiterst pijnlijk en stressvol.Slachtoffers worden emotioneel extra belast. Daders krijgen ook nog eensde mogelijkheid om het slachtoffer te intimideren. Het OM waarschuwthet slachtoffer nota bene middels de zogenaamde «zittingswijzer» datmen de dader kan tegenkomen in de wachtruimte. Dat ziet eruit zoals opdeze afbeelding. Ik heb één exemplaar voor de Staatssecretaris en tweeexemplaren voor de collega’s; misschien kunnen die even rondgegevenworden. Dit moet zo snel mogelijk stoppen. Graag een toezegging van deStaatssecretaris. Ik overweeg anders een motie. Alle rechtbanken zoudenbinnen uiterlijk twee jaar een aparte wachtruimte moeten creëren, zodatdader en slachtoffer voortaan standaard, dus altijd, gescheiden worden.Voorzitter. Uit het rapport «Op verhaal komen» blijkt dat de strafrechterreeds een mogelijkheid heeft om bij een voorwaardelijke veroordeling dedader te veroordelen tot het storten van een bedrag in het schadefonds often gunste van een andere instelling die het tot doel stelt de belangen vanslachtoffers van een strafbaar feit te behartigen. In de praktijk wordtechter niet of nauwelijks gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. Decommissie-Donner beveelt niet alleen aan om deze bestaandebevoegdheid vaker toe te passen, maar ook om deze te verruimen en hetopleggen van deze verplichting ook mogelijk te maken bij onvoorwaarde-lijke veroordeling. De PVV is voorstander van een daderboete. Bijveroordeling van een gewelds- of zedenmisdrijf moet deze daderboetestandaard worden opgelegd. Het gaat hier om genoegdoening voorslachtoffers en om een financiële bijdrage aan noodzakelijke onder-steuning van slachtoffers van geweldsmisdrijven. Ik zal hiervoor in detweede termijn een motie indienen.Voorzitter. Het aantal malafide en ondeskundige letselschadebureaus is inde afgelopen jaren enorm gestegen. Deze bedrijven maken misbruik vanmensen in kwetsbare situaties en maken hun geld afhandig. Illegalepraktijken kunnen worden voorkomen door van letselschadespecialist eenbeschermd beroep te maken. De motie op stuk nr. 860 (29 279) van collegaVondeling is op 18 juni 2024 aangenomen. Wat is de stand van zaken?Wanneer gaat de Staatssecretaris deze motie uitvoeren?Voorzitter, tot slot. Als de rechter of het Openbaar Ministerie heeftbesloten dat een slachtoffer recht heeft op schadevergoeding, maar dedader na acht maanden nog niet of nog niet alles betaald heeft, kan hetslachtoffer nu een deel van of het volledige bedrag krijgen via devoorschotregeling. Slachtoffers kunnen vaak niet zo lang wachten enhebben eerder hulp nodig, bijvoorbeeld voor niet-verzekerde therapie.Daarom pleit de PVV voor snelle financiële eerste hulp voor slachtoffersdie de eerste dringende kosten dekt. Dit bedrag kan later wordenverrekend met de betaling door de dader. Graag een toezegging van deStaatssecretaris.Dank u wel.De voorzitter:Er is een interruptie van de heer Van Nispen. Dat is zijn derde.De heer Van Nispen (SP):En laatste. Ik wil eigenlijk dezelfde vraag stellen als die ik aan de heerEllian stelde. Het is namelijk terecht – dat voorstel van de PVV hebben weook gesteund – dat de belangenbehartigers aangepakt worden. Dat isbelangrijk. Maar volgens mij is het ook belangrijk, en ik hoop dat ik daarbijdan op steun van de PVV kan rekenen, om de trainerende letselschadever-zekeraars zo nodig ... Soms gaat het goed, zoals de heer Ellian terecht zei,maar soms ook niet. In die gevallen moeten we slachtoffers, vind ik, nietmet lege handen laten staan. Ik hoop dat de PVV wil meedenken overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13413 voorstellen om bijvoorbeeld trainerende letselschadeverzekeraars eenboete of sanctie, in welke vorm dan ook, te geven. Het betreft dan diegevallen waarin er niet wordt geantwoord of waarin mensen onnodigmoeten wachten, wanneer er alles aan wordt gedaan om die procedureste traineren. Staat de PVV daar ook voor open?De heer Smitskam (PVV):Op zich is het zeer sympathiek. Ik denk zeker dat ernaar gekeken moetworden. Aan de andere kant – nu wil ik het niet opnemen voor deschadeverzekeraars – kan ik me wel voorstellen dat je in sommigegevallen te maken hebt met een zeer complexe zaak, die het nodigeonderzoek vergt. Dat kan soms wat langer duren dan gewenst. Maar ingrote lijnen ben ik het wel met u eens en vind ik wel dat het aangepaktmoet worden.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan nog een huishoudelijk puntje. Een motie indienen kanhelaas niet in de tweede termijn. U kunt een tweeminutendebataanvragen en ’m daar indienen. Oké? Super. Dan is dat helder. Het woordis aan mevrouw Palmen.Mevrouw Palmen (NSC):Dank u wel, voorzitter. Als mensen slachtoffer worden, kan dat heel diepingrijpen in iemands leven. Dat geldt voor zowel slachtoffer alsnabestaande. Ik vind het heel erg belangrijk dat we daar hier in de TweedeKamer aandacht aan blijven besteden. Mijn dank aan alle collega’s diehier zo vol wijsheid en sympathie voor strijden. Sommigen hebben al heelveel ervaring en hebben echt al mooie dingen voor elkaar gekregen. Daarkan ik alleen maar heel erg blij mee zijn.Ik vind het ook belangrijk dat de aanpak in het strafproces mensgericht is.We moeten rekening houden met alle procesdeelnemers. Er moet vooralaandacht zijn voor het slachtoffer. We zien in het regeerprogrammagelukkig een aantal mooie punten die gaan om de positie van slachtoffers.Ik noem bijvoorbeeld het inzetten van het herstelrecht, waar mijn collega’sook al voor gestreden hebben. Dat staat nu in het regeerprogramma. Wehebben daar laatst ook nog met onze Staatssecretaris over gesproken.Ik noem bijvoorbeeld ook het tegengaan van verdere versnippering vanhet hulpverlenerslandschap, om ervoor te zorgen dat slachtoffers nietiedere keer opnieuw hun pijnlijke verhaal hoeven te doen. Ik heb net ookbij de inbreng van diverse collega’s gehoord hoeveel verschillendeelementen er zijn. Van letselschade tot het spreekrecht en van hetherstelrecht tot slachtoffers die zich moeten aanpassen als ze gestalktworden: er zijn zo veel elementen waar je geen weet van hebt. Want latenwe wel wezen: voor ons is dit ons werk. Wij moeten ons verdiepen in dematerie. Maar als het je overkomt als slachtoffer, dan ben je de weg kwijt.Dus ik zit na te denken – ik hoop dat de Staatssecretaris met me wilmeedenken – over de vraag hoe wij ervoor kunnen zorgen dat wij eenconcrete maatregel kunnen treffen tegen de versnippering in ditlandschap. In mijn achterhoofd fluisterde een vogeltje iets over eeninitiatief dat mijn collega Van Nispen eerder heeft genomen in het socialestelsel. Dat was destijds het Huis van het Recht. Ik heb dat altijd eengeweldig initiatief gevonden. Eigenlijk zouden we in deze keten ook zoietsmoeten hebben voor slachtoffers, zodat mensen alles op één locatie bijelkaar kunnen vinden.Voorzitter. Daarnaast heb ik nog een aantal andere onderwerpen waar ikde Staatssecretaris graag over zou willen bevragen. Nieuw SociaalContract heeft een expertisecentrum georganiseerd rondom gewelddadigmisbruik van kinderen. Daar hebben we eerder een motie over ingediend.Vanochtend zagen wij het heugelijke nieuws dat VVD en D66 samen eenmeldpunt over femicide willen oprichten. Een erg mooi initiatief. Daar isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13414 veel steun voor vanuit de Kamer, maar over het expertisecentrum voorkinderen hebben we na de laatste update van Minister Weerwind in meiniets meer gehoord. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe het huidigekabinet hierin staat en of dit al verder is opgepakt? Wat is de stand vanzaken?Voorzitter. Dan wil ik aandacht vragen voor openbaarheid van strafzit-tingen in zeer specifieke gevallen. Het uitgangspunt is dat strafzittingenopenbaar zijn. Dat is een groot goed en daar sta ik volledig achter. Alleen,voor sommige minderjarigen kan ik me voorstellen dat het beter, meer inhun belang, is om daar een uitzondering op te maken. Zoals mijn collegavan het CDA net ook al aangaf, wil ik niet zeggen dat het standaard zomoet zijn, maar we moeten wel goed en wijs kijken naar de mogelijk-heden hiervan. Ik heb begrepen dat strafrechters geregeld besluiten dezitting achter gesloten deuren te houden als het bijvoorbeeld gaat om eenzaak met minderjarige verdachten. Maar dat gebeurt nauwelijks in zakenwaar de verdachte meerderjarig is en het slachtoffer minderjarig. Wat mijbetreft kan het specifiek in sommige zedenzaken zeer onwenselijk zijn alsde zitting volledig openbaar is. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Is hij hetmet mij eens dat het uitgangspunt van openbare zittingen heel belangrijkis maar dat de afweging, net als in andere zaken, ook een andere kant opkan vallen? Ik zou de Staatssecretaris ...De voorzitter:Rondt u zo af?Mevrouw Palmen (NSC):Sorry?De voorzitter:Rondt u zo af, mevrouw Palmen? U bent over uw tijd.Mevrouw Palmen (NSC):Ja, een terecht punt, voorzitter. Ik zou de Staatssecretaris in ieder gevalertoe willen oproepen om dit thema mee te nemen in gesprekken met destrafrechtketen en de Kamer hierover te informeren.Ik had nog een ander punt, maar gezien de tijd stop ik. Dank u wel.De voorzitter:U bedankt. Als laatste van de zijde van de Kamer is het woord aanmevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Slachtoffer worden van een misdrijf isingrijpend. Dat kan heel erg veel invloed hebben op je leven. Vandaagvoeren we als commissie een debat hierover. Gelukkig is het slachtofferde laatste jaren veel nadrukkelijker aanwezig in het strafproces en is erook heel veel oog voor de belangen van het slachtoffer. Het is telkens eenkwestie van een balans zoeken tussen een snelle doorloop van hetstrafproces, de berechting van de verdachte en de schadevergoeding danwel genoegdoening voor het slachtoffer. Het strafproces zit namelijk nogsteeds zo in elkaar dat de verdachte berecht wordt en dat het slachtofferzich met een civiele vordering in het strafproces kan voegen.Om maar meteen te beginnen met die snelle doorloop van het straf-proces: daar is in Nederland vaak geen sprake meer van. Niet alleen in hetstrafrecht zien we dat, maar in de gehele rechtspraak zien we datrechtszaken lang duren, te lang naar onze mening. Uit het jaarverslag vanhet OM van vorig jaar blijkt dat 37% van de zedenzaken binnen eenhalfjaar voor de rechter is gebracht terwijl de norm hiervoor 80% is. Eensnelle doorloop van het strafproces is voor alle partijen beter, maar voorhet slachtoffer kan het extra zuur zijn als de straf van de verdachte wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13415 ingekort door het verloop van de redelijke termijn. Is de Staatssecretarisdat met BBB eens? Is hij bereid hier iets aan te doen en, zo ja, hoe dan?Dan nog over de commissie-Donner. Vergoeding van de schade is eenbelangrijk onderdeel van het recht doen aan slachtoffers van strafbarefeiten. Het draagt bij aan de vergoeding van materiële schade en biedt ookerkenning voor wat slachtoffers is aangedaan. Naast de positieve stappendie al zijn gezet op het gebied van schade verhalen, kunnen er nogstappen gezet worden. Wij hebben hierover ook een brief ontvangen vanhet Fonds Slachtofferhulp.Ik zou graag een aantal punten willen aanstippen. Dat is snelle en flexibelefinanciële hulp voor slachtoffer. Stel een slachtoffer heeft recht op eenschadevergoeding en de dader betaalt niet. Dan duurt het acht maandenvoordat via de voorschotregeling een bedrag wordt uitbetaald. Dat kanvoor het slachtoffer grote gevolgen hebben. Denk aan het niet kunnenbetalen van de nodige therapie en de rekeningen. Ik ben benieuwd hoe deStaatssecretaris hiernaar kijkt.De voorzitter:U heeft een interruptie van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ben blij dat mijn collega dit aanhaalt, want ik maak me daar ook enormezorgen over. Ik heb zelf een suggestie. Ik vroeg me af of mevrouwWijen-Nass daarin mee wil gaan. Ik wil kijken of er een voorziening kanworden getroffen binnen het Schadefonds Geweldsmisdrijven die je laterzou kunnen verrekenen dan wel zou kunnen verhalen op de dader.Daarmee kom je tegemoet aan de wensen van de slachtoffers, die danniet acht maanden hoeven te wachten totdat hun tegemoet wordtgekomen. Staat ze open voor zo’n voorstel als we niet tevreden zijn metde antwoorden van de Staatssecretaris?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dat voorstel klinkt goed. Ik ben ook heel benieuwd naar de antwoordendie de Staatssecretaris dadelijk gaat geven op deze vraag. Als we niettevreden zijn, dan ben ik zeker altijd bereid om te kijken naar eeneventueel voorstel en om te bezien of de BBB dat kan steunen.De voorzitter:Hartstikke mooi. U heeft nog zo’n anderhalve minuut voor de rest van uwbetoog.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Voorzitter. Dan nog een punt dat ik graag zou willen aanhalen: verzekeringtegen schade door strafbare feiten. Het zou ook een oplossing kunnen zijndat er een verzekering komt tegen schade door strafbare feiten. Op diemanier kan het slachtoffer direct bij de verzekering terecht, ook zonder dater überhaupt een verdachte in beeld is. Ik ben benieuwd of de Staatsse-cretaris hiertoe mogelijkheden ziet en of hij bereid is om met verzekeraarshierover in gesprek te gaan.Dan nog de schadevergoeding voor het slachtoffer bij niet objectiveerbareletselschade. Je ziet vaak dat een medisch deskundige een rapportopmaakt van de schade, maar vaak kan niet met 100% zekerheid gezegdworden dat het letsel ook daadwerkelijk door het misdrijf komt. Dat zie jebijvoorbeeld in gevallen van chronisch aanhoudende pijn. Dat kan bestwel wat stress opleveren voor het slachtoffer. Ik ben benieuwd hoe deStaatssecretaris hiernaar kijkt en of hij misschien aanknopingspunten zietvoor een makkelijkere toewijzing van dat soort schade.Dan nog één puntje, meneer de voorzitter. Dat is de achterblijvendeaangiftebereidheid. Daar hebben wij ook een brief over gekregen vanSlachtofferhulp Nederland. Je ziet dat slachtoffers van zedenmisdrijven inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13416 de praktijk regelmatig afzien van het doen van aangifte. Dat heeft onderandere te maken met de lange doorlooptijden. Ik ben benieuwd hoe deStaatssecretaris ervoor gaat zorgen dat de aangiftebereidheid niet nogverder daalt wanneer de doorlooptijden niet korter worden.Dank u wel.De voorzitter:U bedankt en dank aan de leden voor hun inbreng in eerste termijn. Ik kijknaar de Staatssecretaris. Hoe lang heeft u nodig voor de beantwoording?Ik schors tot 11.15 uur, anders zitten we hier tot in de nacht!De vergadering wordt van 10.49 uur tot 11.19 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug allemaal bij dit commissiedebat. We gaan met spoedigespoed verder met de beantwoording door de Staatssecretaris. De ledenhebben elk drie interrupties in deze termijn van de Staatssecretaris.Staatssecretaris, aan u het woord.Staatssecretaris Struycken:Dank u, voorzitter. Ik ervaar het als een bijzondere kans om met u tespreken over slachtofferbeleid. Slachtofferhulp, slachtofferbeleid, is voormij persoonlijk een nieuw thema, maar ik heb er intensief kennis meegemaakt op zaterdag 21 september, toen ik aanwezig was bij de DagHerdenken Geweldslachtoffers in Dordrecht. Ik was daar niet alleen; tweevan u waren daar ook. Ik heb gezien wat het betekende dat u en ik daarwaren en dat zij gezien werden. Ik heb gezien wat het belang daarvan is.Dat was erg indrukwekkend. Twee dagen later was ik op werkbezoek bijSlachtofferhulp Nederland aan de Moeder Teresalaan in Utrecht, waar ikzag wat Slachtofferhulp Nederland doet voor slachtoffers. Ik zag hoezeerzij erop gericht zijn om hulp te verlenen, de hulp die zo nodig is, juist ookals het gaat om informatievoorziening en het bij de hand nemen vanmensen op kwetsbare momenten. Ik vond het ook bijzonder om te ziendat er bij Slachtofferhulp Nederland zo veel vrijwilligers actief zijn in dehulpverlening in de allereerste lijn. Dat heb ik onlangs weer gezien bij datvreselijke incident in Rotterdam, waar ze met paarse jasjes aan breedvertegenwoordigd waren. Dat is mooi, want dan zie je ook dat slachtof-ferhulp breed leeft. Het leeft zozeer dat talloze vrijwilligers daarvoor hunhuis uit komen.Slachtoffers verdienen in onze rechtsstaat erkenning en ondersteuning. Ikdenk dat het grote winst is dat het strafproces in de afgelopen decenniageëvolueerd is van een proces dat volledig gefocust was op de dader, dusde samenleving ten opzichte van de dader, naar een proces dat ookgericht is op herstel van geschonden verhoudingen, niet alleen in relatietot de samenleving maar in het bijzonder in relatie tot slachtoffers ennabestaanden van slachtoffers. Dat is een groot goed.Ik zou graag mevrouw Mutluer willen bijvallen in haar compliment aan deKamer dat er veel bereikt is. Dat valt mij op in dit dossier: hoe veel erbereikt is. Dat pleit ons niet vrij van een onvermoeibare inzet op enaandacht voor het onderwerp. We moeten eraan blijven werken. Maar hetmag ook gemarkeerd worden dat er erg veel is bereikt in positieve zin. Endat is echt gebeurd met dank aan u en misschien ook aan mijnvoorgangers. De onverminderde aandacht hiervoor en het borgen van debestaande rechten zijn cruciaal in het beleid dat we gaan voeren.U heeft kennisgenomen van het regeerprogramma, waarin vrij veel staatover slachtofferbeleid. Ik vermeld nog even dat broers en zussenaanspraak kunnen gaan maken op affectieschade. Dit voorstel komtvolgend jaar; we zijn daarmee hard aan het werk. Ik vermeld toch ookalvast dat we met normbedragen voor de vaststelling van schadever-goeding in het strafproces een grote stap zetten voor een heel groot deelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13417 van de slachtoffers. Ik vermeld ook dat we zwaar inzetten op beteretoegankelijkheid en bekendheid van herstelrechtvoorzieningen. Ten slottezetten we in op samenwerking tussen alle verschillende organisaties dieactief zijn. Het probleem van de versnippering van het hulpverlenersland-schap is ook gesignaleerd. Dat zit ’m, denk ik, niet zozeer in het maken vannieuwe wetgeving als in een betere communicatie in het veld en hetkomen tot een taakverdeling. Maar het gaat met name om veel communi-catie. Dat is dus onderdeel van het beleid van het nieuwe kabinet zoals datis opgenomen in het regeerprogramma.Ik vermeld daarbij wel dat we bij de volgende slag die we gaan maken inhet herstelrecht, echt hechten aan het steeds toetsen op de effectiviteitvan wat we doen. We moeten kritisch blijven kijken naar de maatregelendie we nemen. Zijn die werkelijk effectief? Zijn die uitvoerbaar? Zijn diedoenlijk? Ik denk dat dat een focuspunt zal zijn, want slachtoffers zijnalleen gediend met effectieve hulp. Dat zal dus een belangrijk toetsingscri-terium blijven. Dat houdt ook verband met de betaalbaarheid van hetstelsel. Niet voor niks heeft de commissie-Donner de betaalbaarheid vanhet stelsel ook centraal gezet. Juist dat noopt ook tot een toets van deeffectiviteit en overigens ook tot keuzes, helaas. Maar dat is ook gezond.In dit deel van het recht vind ik het erg belangrijk dat de wens en debehoefte van de individuele slachtoffers centraal staan. Ik vind het juist opdit punt erg van belang dat slachtoffers die dat wensen de ruimte krijgenen dat slachtoffers die iets niet willen dat niet opgedrongen krijgen. Alleswat we doen, moet dus ruimte bieden, niet voor maatwerk, maar wel vooreen mate van autonomie. De keuze moet bij de slachtoffers liggen als hetgaat om de mate waarin zij willen participeren in het traject, juist ook omsecundaire victimisatie – dat is een mooi stukje jargon – te voorkomen.Dat betekent dus dat de regie bij het slachtoffer ligt als het gaat omherstelrechtvoorzieningen en slachtofferbescherming. Het is wel vanprimair belang dat er duidelijkheid en voorspelbaarheid is voor slacht-offers en dat zij weten waar ze aan toe zijn. Dat is heel duidelijk geblekenuit de gesprekken die in de afgelopen jaren vanuit het departement zijngevoerd met slachtoffers. Dat is uiteindelijk het allergrootste belang. Wantniet alleen de lange duur, maar vooral ook de onzekerheid over wat erstaat te gebeuren op korte termijn en op heel lange termijn, is nou juist dekern van de belasting die het hele strafproces vormt voor slachtoffers ennabestaanden. Dit alles komt terug in de nieuwe meerjarenagenda, die uin het tweede kwartaal van 2025 van ons kunt verwachten. Al dezethema’s zullen we daarin opnieuw adresseren in een algemene terugbliken vooruitblik.Dan kom ik nu meer specifiek toe aan de beantwoording van uw vragen.Even kijken. Ik dacht dat ik met andere vragen zou beginnen, maar webeginnen gewoon met deze vragen, want die zijn ook belangrijk.Meneer Ellian en meneer Van Nispen hebben beiden gerefereerd aan decommissie-Donner. Wat gebeurt daar nou mee? Dat kent allerlei aspecten.Er zit erg veel in het rapport van de commissie-Donner. Ik zou toch willenbenadrukken dat we al veel hebben gedaan. De voorgangers hebben daaral veel elementen uit meegenomen, zeker waar dat op korte termijnhaalbaar was. Met name noem ik de uitbreiding van Lotgenotencontact ende goede informatie via Slachtofferhulp Nederland. Daar zijn grote slagengemaakt. Online seksuele delicten zijn nu ondergebracht bij het Schade-fonds Geweldsmisdrijven via de Wet seksuele misdrijven. Slachtoffers vaninternationale misdrijven komen in aanmerking voor kosteloze rechtsbij-stand. Dat zijn een aantal concrete maatregelen waarmee al gevolg isgegeven aan het rapport van de commissie-Donner. Daar laten we het nietbij. We gaan in 2025 verder, onder andere door slachtoffers van struc-tureel psychisch geweld onder het bereik van het Schadefonds Gewelds-misdrijven te brengen. Dat doen we in de eerste helft van 2025. Dan gaathet dus over uitbreiding van de reikwijdte van het Schadefonds Gewelds-misdrijven waardoor slachtoffers van psychisch geweld ook eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13418 aanspraak kunnen gaan maken. De ongemaximeerde voorschotregelingwordt verder uitgebreid. Een groter aantal ernstige delicten zal aanspraakkunnen geven op een ongemaximeerd voorschot. We gaan daarnaastkijken hoe slachtoffers in het buitenland beter kunnen worden onder-steund bij het indienen van een verzoek bij een buitenlands schadefonds.Een belangrijk punt dat ik in de inleiding al even noemde, is het normerenen standaardiseren van de vorderingen van de schadeaanspraken vanslachtoffers. Wij denken zelf dat dat een belangrijke stap voorwaarts is,omdat het schadevergoeding via het strafproces veel toegankelijker,minder belastend en minder kostbaar zal maken. Ook zal er een vermin-derde noodzaak zijn voor juridische bijstand. Wij zien dat als eenbelangrijke stap. Als er op die manier, met genormaliseerde en gestan-daardiseerde bedragen, vaker een aanspraak op schadevergoeding kanworden toegekend in het strafproces, betekent dat dus ook dat devoorschotregeling vaker van toepassing zal zijn. Dat zal dus in veelgevallen toch een verbetering zijn van de positie van slachtoffers. Mede indat licht zouden wij nog niet de stap willen zetten naar een schadevergoe-dingskamer, omdat wij denken dat normeren en standaardiseren al eenhele belangrijke stap voorwaarts is die eigenlijk al in een groot deel vande behoefte aan een schadevergoedingskamer voorziet. Na evaluatiedaarvan zouden we opnieuw in overweging willen nemen of eenschadevergoedingskamer zoals aanbevolen door de commissie-Donnerdan nog een meerwaarde heeft, ook gezien de kosten daarvan. Dat tenaanzien van de commissie-Donner.De voorzitter:U heeft een interruptie, Staatssecretaris, van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dank aan de Staatssecretaris voor het ingaan op de stand van zaken vanhet rapport van de commissie-Donner. Dat rapport is toch inmiddels ruimdrie jaar oud. Het is prettig dat de Staatssecretaris nu zegt dat hij verwachtdat het met de standaardisering – dat is het introduceren van normbe-dragen – eenvoudiger wordt voor slachtoffers om in het strafrechtuiteindelijk via een vordering benadeelde partij in het strafrecht hunschade vergoed te krijgen. De essentie van het probleem blijft dat eenheleboel slachtoffers het uiteindelijk moeten doen met het oordeel: devordering is te complex; u moet naar de civiele rechter. Daar ging mijnvraag ook over. Ik heb me voorgenomen om dat vandaag toch aan u voorte houden, Staatssecretaris. We hebben beiden dezelfde achtergrond. Ikheb het altijd een beetje beledigend gevonden dat er wordt gedaan alsofnaar het civiel recht stappen makkelijk is, terwijl er ook kosten voor eenadvocaat en kosten van een dagvaarding zijn. Een beetje tegenpartij zegt:dit heb ik niet veroorzaakt; deze schade komt niet voor mijn rekening. Enwie vist er uiteindelijk achter het net? Het slachtoffer, met alle kosten vandien, want er is geen euro te halen bij de dader. Dus ik wil dit toch eventoetsen bij de Staatssecretaris. Is hij er echt van overtuigd dat deintroductie van die normbedragen dan ook een verbetering gaatopleveren voor het slachtoffer? Want als de strafrechter straks nog steedstelkens gaat zeggen dat het te complex is, dan heeft niemand wat aan diestandaardbedragen.Staatssecretaris Struycken:Ik deel uw scepsis ten aanzien van het civiele traject – daarvoor ben ikinderdaad lang genoeg advocaat geweest – want ook dat is een belastenden kostbaar traject. Dat is dus best veel gevraagd. Ik vind het dus eenbeetje een verlegenheidsoplossing om daarop te moeten terugvallen. Ikheb vertrouwen in het effect van normeren en standaardiseren, want ikdenk wel dat het tot een vergrote bereidheid bij strafrechters leidt om tochTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13419 bedragen toe te wijzen. Als dat niet zo blijkt te zijn, dan moeten we nadergaan voorzien in oplossingen op dat punt.De voorzitter:Helder zo. Gaat u dan vooral verder.Staatssecretaris Struycken:Mevrouw Wijen-Nass en meneer Smitskam hebben aandacht gevraagdvoor de voorschotregeling, en dan met name voor de termijn van achtmaanden die daarvoor geldt. Ik kan vanuit het perspectief van hetslachtoffer wel de wens begrijpen dat het voorschot sneller uitgekeerdwordt. Die achtmaandentermijn staat wel als zodanig in de wet vermeld,dus een structurele verkorting betekent een wijziging van de wet. Dat leidtoverigens ook tot een aanpassing van de ketenwerkprocessen. Dat vraagtmeer van de keten. Dat brengt me, meer in het algemeen, op de vraagwelke knelpunten er in de huidige procedure zitten. Kunnen we in deprocessen verbeteringen aanbrengen, waardoor de vertraging in hetketentraject kleiner wordt?De voorzitter:U heeft daar een vraag over van mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik hoop dat de Staatssecretaris straks het verlossende antwoord gaatgeven op de suggestie die ik heb gedaan. Je wil namelijk dat er snellefinanciële eerste hulp komt voor slachtoffers om de dringende kosten tedekken. Ik had de suggestie om een voorziening te treffen in het Schade-fonds Geweldsmisdrijven, die later eventueel verrekend kan worden danwel verhaald kan worden bij de dader. Dat zou in mijn beleving geenernstige wetswijziging met zich mee hoeven brengen; het is eigenlijk eenhele pragmatische oplossing. Hoe staat de Staatssecretaris daarte-genover?Staatssecretaris Struycken:Het is nu al zo dat de uitkering van het schadefonds een eerste vangnetbiedt. Wat dat betreft voorziet het Schadefonds Geweldsmisdrijven juist ineen beperkte eerste behoefte. Dat kan te weinig zijn; dat kan incidenteelvoorkomen. Dan praten we dus over hardheidsituaties, waarin er eenvorm van een hardheidsclausule zou moeten gelden. Ik wil naderonderzoeken of daar ruimte voor is, maar ik stel wel het principiëlestandpunt voorop dat het verhaal bij de dader nog steeds hetuitgangspunt moet zijn. De achtmaandentermijn wordt mede ingegevendoor het fundamentele uitgangspunt van ons strafrecht, maar ook van onsherstelrecht, dat de dader betaalt. Het verhaal op de dader staat dusvoorop. Als na acht maanden blijkt dat dat niet lukt, wordt die voorschot-regeling van toepassing. Maar ik realiseer me dat er gevallen zullen zijnwaarin de uitkering vanuit het schadefonds niet helemaal voorziet in debehoefte binnen die termijn van acht maanden.De voorzitter:Een vervolgvraag?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Nee, ik bewaar mijn andere interrupties, maar ik ben niet tevreden.De voorzitter:Oké, prima. Dat mag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13420 De heer Smitskam (PVV):U zegt dat de kosten, de schadevergoeding althans, aanvankelijk bij dedader vandaan moeten komen. Dat begrijp ik, maar er zijn natuurlijk ookzaken bekend waarbij de dader op voorhand eigendommen en geldwegsluist om ervoor te zorgen dat er niets te verhalen valt. Is het voor deStaatssecretaris een optie om te kijken naar de mogelijkheid om bijvoor-beeld op voorhand al beslag te leggen als je weet dat er mogelijk eenschadevergoeding aan zit te komen?Staatssecretaris Struycken:Zeker. Op het moment dat de dader op frauduleuze wijze geen verhaalbiedt – daar komt het wegmaken van vermogensbestanddelen terbenadeling van een schuldeiser, in dit geval het slachtoffer, namelijk infeite op neer – kennen we in het civielrecht gelukkig allerlei instrumentenom daar wat aan te doen. Specifiek op het punt van beslag is er een pilotgaande om dat versneld en vervroegd mogelijk te maken om hetfrauduleus wegmaken van vermogensbestanddelen door de dader tegente gaan.De voorzitter:Er is nog een interruptie voor u van mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik was benieuwd of de Staatssecretaris zich realiseert dat de termijn vande voorschotregeling van acht maanden pas begint te lopen op hetmoment dat het OM een beschikking heeft opgelegd waarbij het slacht-offer moet betalen of wanneer de rechter heeft uitgesproken: dader, umoet gaan betalen. In de praktijk kan zo’n zaak door de doorlooptijdjarenlang op de plank blijven liggen. Als er dan eindelijk uitspraak isgedaan, moet het slachtoffer nog eens acht maanden wachten. Ik beneigenlijk heel benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.Staatssecretaris Struycken:Ja, ik ben me daarvan bewust. We spraken net over het mogelijke gattussen de behoefte en de uitkering vanuit het schadefonds. Dat is geenschadevergoeding, maar een tegemoetkoming. Het is op zich een mooifenomeen dat we die tegemoetkoming hebben. Laten we dat ookvooropstellen. Maar er kan een vrij lange periode zijn tot het momentwaarop feitelijk schade wordt verhaald en er een voorschot wordtuitgekeerd. Ja, dat moet onderdeel zijn van de evaluatie. Ik aarzel om erinmee te gaan dat we in het algemeen als uitgangspunt moeten hebben dater onmiddellijk in alle situaties meer geld ter beschikking moet wordengesteld voorafgaand aan een veroordeling en zelfs voorafgaand aanschadeverhaal in die eerste acht maanden. Dan raak je ook meerfundamenteel aan het uitgangspunt dat de dader betaalt, maar ook aanhet uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt. Dat blijft natuurlijkeen uitgangspunt. In de maatschappij moet niet alle schade die je lijdtaltijd vergoed worden. Daar zit een zekere spanning tussen, maar datraakt dus aan de uitgangspunten van het schadeherstelrecht. Op dieuitgangspunten zal ik terugkomen in de meerjarenagenda als onderdeelvan het meer principiële heroverwegingskader.De voorzitter:Ik zie instemmend geknik, dus gaat u vooral verder met uw betoog.Staatssecretaris Struycken:Dan moet ik het hebben over het plafond, dat kennelijk als een verrassingin het regeerprogramma is gekomen. De casus die werd genoemd, heeftinderdaad aanleiding gegeven tot het plafond. Het gaat om de zorg overde betaalbaarheid maar misschien ook wel de solidariteit in het stelsel bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13421 zeer grote bedragen. Op die basis is er een wens om de extreem hogebedragen te maximeren. Maar dat zal dus gaan om uitzonderlijkesituaties. Meer dan dat is de intentie niet geweest. Het gaat erom tochergens een bovengrens te stellen voor die buitengewone situaties vanzeer hoge bedragen. Wij zullen er rekening mee houden – misschien meerdan we in het kader van het regeerprogramma hebben gedaan – dat wehelder moeten communiceren dat het niet erop gericht is om in de bulkvan de gevallen mensen minder te geven.Dan kom ik op het voorstel dat de heer Smitskam heeft gedaan. Ik hoordaarin ook een echo van een eerdere motie van de heer Van Nispen. Hetgaat eigenlijk over het concept «de dader betaalt». Meneer Smitskamvraagt aandacht voor artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, datinderdaad de mogelijkheid biedt om de dader een verplichting tot betalingvan een bedrag op te leggen dat dan moet worden gestort in hetSchadefonds Geweldsmisdrijven of een vergelijkbaar fonds dat debelangen van slachtoffer behartigt. In de Aanwijzing slachtoffers in hetstrafproces van het Openbaar Ministerie wordt deze optie ook vermeldt,maar u constateert terecht dat daar weinig gebruik van wordt gemaakt. Ikdenk dat het een kwestie is van communicatie daarover. Met de keten-partners moeten we kijken of het niet alleen verduidelijkt, maar ookaangemoedigd kan worden. Dat zie ik als onderdeel van het gesprek datwe met het OM voeren over deze mogelijkheid. De gedachte vind iknamelijk sympathiek en past bij de uitgangspunten die we hanteren.Mevrouw Wijen-Nass vroeg nog naar de verzekerbaarheid van schade.Mevrouw geeft in overweging om te voorzien in verzekeringen. Ik hebdaar forse aarzelingen over, want dat betekent dat we ingrijpen in de vrijemarkt. Het is natuurlijk ook een kwestie van vraag en aanbod. Ik begrijpdat er particuliere verzekeringen zijn die dit soort schade dekken, maar hetzal toch altijd de vrijheid van burgers moeten zijn om deze verzekeringente nemen of niet. We zien helaas dat er nog weleens voor gekozen wordtom helemaal geen verzekeringen te nemen. Dan kan men met de vingerstussen de deur komen. Maar ik geloof niet dat we langs die weg moetengaan voorzien in oplossingen. Dat is niet zozeer omdat ik het de mensenniet gun dat ze door middel van een verzekering dekking krijgen, maarmeer omdat het niet aan de overheid is om in te grijpen in dit deel van demarkt.Dan zou ik iets willen zeggen over de complexe problematiek van deletselschades. U heeft kennisgenomen van het WODC-rapport dat beginseptember hierover is toegezonden. Zoals is aangekondigd, komen wemet een uitvoerigere beleidsreactie daarop. Er worden allerlei aanbeve-lingen gedaan. Er is een heel palet aan aanbevelingen. Ieder daarvanverdient grondige overweging in die beleidsreactie. We zijn al in gesprekmet de verschillende partijen, ook in de branche, ter voorbereiding vandie beleidsreactie, die in de komende tijd gaat volgen.Onderdeel daarvan is ook de Gedragscode Behandeling Letselschade, deGBL. De heer Van Nispen refereerde daaraan. Wij werken op dit momental samen met de Minister van Financiën aan verankering van een elementdaaruit in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, metname met betrekking tot de procedures. Het woord «traineren» is diversekeren gevallen. Dat element, die slechte gewoonte, dat kwaad uit hetverleden willen we ongedaan maken door in ieder geval de procedureleregels meer onderdeel te laten zijn van het Besluit Gedragstoezicht,uiteraard met een rol voor de AFM als toezichthouder op de verzekeraars.De voorzitter:Dit leidt tot een interruptie van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Hier valt heel veel over te zeggen, maar laat ik een begin proberen temaken. De Gedragscode Behandeling Letselschade, de GBL, staat alTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13422 jarenlang ook wel bekend als de Grote Boze Leugen. Het is een vorm vanzelfregulering waar heel veel mensen echt verschrikkelijk veel last vanhebben; er kan nauwelijks iets tegen gedaan worden. Die termijnen liggendus vast. Eerst was dat via die zelfregulering en nu wordt dat, zoals ik hetzie, een beetje opgeplust. Wat gebeurt er nou als die termijnen nietworden nageleefd? Er staat dus dat de verzekeraar binnen zes wekenantwoord moet geven of tot een besluit komen. Of hij moet binnen tweeof drie jaar een zaak zien af te handelen en een definitief besluit nemen.Het gaat niet over een beetje meer of minder; de verzekeraar is gewoonaansprakelijk voor de schade. Er is altijd discussie over causaliteit en overde medische eindtoestand. Dat is echt een crime voor heel veel slacht-offers. Excuus, voorzitter, maar die GBL ... Toch is het voorstel van deMinister om meer met zelfregulering te doen, met incidenteel toezicht vande AFM. Ik hoop echt dat de Staatssecretaris mijn voorstel heel serieus wilnemen. Kan er een sanctie worden verbonden aan het niet naleven vandie termijnen? Dat is een hele logische gedachte. Het sanctioneertnamelijk de verzekeraar en het helpt het slachtoffer. Dat is precies wat wewillen. We willen het niet laten afhangen van incidenteel toezicht van deAFM.Staatssecretaris Struycken:Dat is helder. Het is geen zelfregulering, want het wordt in een besluitopgenomen. Het is dus gewoon dwingende regelgeving. Op dit punt zal ergeen zelfregulering meer zijn. Ik zie dit wel als een onderdeel van eenkentering die in deze branche moet gaan komen. Dat betreft overigensniet alleen verzekeraars; ik kom straks terug op de belangenbehartigers. Ikdenk dat het signaal heel helder is: verzekeraars moeten zich fatsoenlijkergaan gedragen. Ik denk zelf dat de meeste verzekeraars dat al doen, maarer zullen situaties zijn waarin dat nog niet helemaal aan de orde is. Daarspeelt de AFM een rol, maar niet de enige rol. Ik denk dat we alsonderdeel van de beleidsreactie moeten kijken hoe we ook op anderemanieren tot een gedragsverandering bij de verzekeraars kunnen komen.In feite moeten zij daar ook de verantwoordelijkheid voor nemen. Dat kanonder meer gebeuren door vormen van boetes of schadeverhogendemaatregelen. Dat zullen we allemaal onderzoeken, want ik vind dit eenbegrijpelijke gedachte.De voorzitter:Dank u wel. Mag ik u verzoeken om uw microfoon even uit te zetten als deleden een interruptie plaatsen? Anders horen we u er telkens doorheen.Ja, u mag hem nu weer aanzetten om verder te gaan. Aan u het woord.Staatssecretaris Struycken:Excuus, voorzitter. Het is nog even wennen.De heer Van Nispen bracht ook het tuchtrecht op. De verankering van hettuchtrecht voor verzekeraars is vorig jaar op advies van de Raad van Stategeschrapt. Ik denk dat het verankeren van het tuchtrecht in beginsel kanbijdragen aan ons vertrouwen in de verzekeraars. Dat geldt zeker op demiddellange termijn ook voor de ontwikkeling van normen voor passendgedrag van verzekeraars. De Raad van State heeft echter geadviseerd datwettelijke verankering van tuchtrecht niet proportioneel is. Dit is uiteraardmaar een van de maatregelen. Wat mij betreft proberen we het totalepalet waar ik in de beleidsreactie op terug ga komen, in zijn totaliteit tebezien. We kijken wat het oplevert. Ik wil u echter wel toezeggen dat ik optermijn wil heroverwegen of het tuchtrecht niet toch wettelijke veran-kering behoeft.Mevrouw Palmen (NSC):Dank voor de beantwoording. Ik ben inmiddels erg benieuwd wanneer wijdeze beleidsreactie kunnen verwachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13423 Staatssecretaris Struycken:Voor het einde van dit jaar.De voorzitter:Is dat voldoende? Oké! Gaat u dan vooral verder.Staatssecretaris Struycken:Dan kom ik op de belangenbehartigers in de letselschadewereld.Uiteraard komen ook die weer aan bod in de toegezegde beleidsreactie.Het maakt allemaal onderdeel uit van dezelfde problematiek.Dan ga ik in op de motie van het lid Vondeling omtrent beroepsregulering.Het WODC adviseert om dat niet te doen omdat het WODC allerlei anderemaatregelen signaleert. Ik heb ook gisteren nog kennisgenomen van zeerrecente ontwikkelingen in de rechtspraak. Ik vind dus dat we er principieelover na moeten denken of regulering opportuun is. Wellicht is het in hetlicht van een grondige overweging van het palet aan maatregelen dat wenemen, opportuun om ook de belangenbehartigers – misschien zijn hetwel de rotte appels onder de belangenbehartigers – in de goede richtingte duwen of zelfs hard aan te pakken. Ik wil vragen om dit te bewaren voormijn beleidsreactie, die later komt.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik hoop dat de Staatssecretaris daarin wel meeneemt dat het heel erg dewens van deze Kamerleden is dat we iets doen tegen die belangbehar-tigers. We zien het liefst dat ze zich aansluiten bij het NIVRE en dat ze opeen gegeven moment ook dat tuchtrecht kennen. Neemt u dat dus mee. Ikmoet me zo verontschuldigen; daarom nam ik even het woord. Ik komechter weer terug, dus tot zo!De voorzitter:Tot zo.Staatssecretaris Struycken:Er is nog een aantal andere punten dat ziet op het WODC-rapport. Het lidEllian noemde artikel 96 van Boek 6 als kapstok voor normering doormiddel van een AMvB. Ook dat neem ik mee in de beleidsreactie, in hetlicht van hetgeen in het WODC-rapport is opgemerkt. Dat geldt ook voorhet punt dat door mevrouw Wijen-Nass is opgebracht over het ervarings-gegeven dat het causaal verband van schade soms moeilijk objectief vastte stellen is.Als u het goedvindt, kom ik nader te spreken over de rechtspositie vanslachtoffers, over slachtofferrechten. Mevrouw Palmen en de heer Krulhebben aandacht gevraagd voor de problematiek van de openbaarheidvan de zitting, met name als het gaat om zedenmisdrijven wanneer ersprake is van een minderjarig slachtoffer. Het is voor mij helder dat dit eenhele pijnlijke situatie kan zijn die echt tekortdoet aan de minderjarigeslachtoffers en die zelfs ten koste gaat van het doel, het recht doen aan desituatie. Het slachtoffer wordt immers door de omstandigheden belet inhet doen van het verhaal. Daardoor kan de dader niet adequaat wordenveroordeeld. Ik begrijp dus in verschillende opzichten de wens. De kaderszijn hier natuurlijk lastig, want we hebben hier te maken met eengrondrecht. Dat is het althans in zekere zin; de openbaarheid is inartikel 121 van de Grondwet geregeld. Openbaarheid van rechtspraak isdus ergens een grondrecht voor de dader en ook voor het slachtoffer. Datheeft natuurlijk te maken met het beschermen van het vertrouwen dat desamenleving in de rechtspraak moet kunnen hebben. Het dient dus eendoel. Ik denk desalniettemin dat het ook met inachtneming van datbeginsel mogelijk moet zijn om toch tegemoet te komen aan deproblemen die u schetst. Ik wil daarover in gesprek gaan met de recht-spraak om te kijken wat er in de praktische uitvoering mogelijk is. IkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13424 overweeg echter ook onderzoek te laten doen naar de grenzen die door deGrondwet worden gesteld, overigens ook in de rechtspraak van hetEuropees Hof voor de Rechten van de Mens. De vraag is hoeveel margeen ruimte daarin zit voor een ruimhartiger toewijzing van het verzoek omeen zaak achter gesloten deuren te behandelen. Ik noteer dat de ledenKrul en Palmen beiden niet tornen aan het uitgangspunt vanopenbaarheid, maar er eigenlijk naartoe willen dat het verzoek vanslachtoffers veel vaker wordt toegewezen. Ik vond dat er een belangrijkeobservatie werd gemaakt, juist in het licht van de uitgangspunten die ik inmijn algemene index schetste, namelijk dat de regie en de autonomie vanhet slachtoffer voorop moeten staan. Als een slachtoffer juist wel wil datiedereen het hoort, moet daar ook aandacht voor bestaan, tenzij hetslachtoffer tegen zichzelf beschermd moet worden. Ik sta dus ergsympathiek tegenover deze wens en ik zal op korte termijn proberen daareen stap in te zetten.De heer Ellian (VVD):Dit zat niet in mijn inbreng, maar ik interrumpeerde de heer Krul natuurlijken vroeg hem om het even toe te spitsen. Het is helder dat de Staatssecre-taris zegt dat hij er sympathiek tegenover staat maar dat hij niet wil tornenaan het uitgangspunt. Ik hecht er wel aan om, nu we het er toch overhebben, de dimensie te benoemen dat de openbaarheid op dit momentwel onder druk staat. Ik noem dit eigenlijk bij elk commissiedebat overrechtspraak. Ik denk dat het een pijnlijke constatering is dat veel journa-listen nu met diverse hoven en rechtbanken vaak gedoe hebben over devraag wat ze mogen filmen en opnemen. Dat gaat met name om zakenrond georganiseerde criminaliteit. Ik heb het niet over de zaken waarmevrouw Palmen en collega Krul het over hebben. Ik wil de Staatssecre-taris wijzen op het volgende. Aan de ene kant kun je tegemoetkomen aande wens van slachtoffers, zeker als het gaat om ... Nou ja, we hebbennatuurlijk net de zaak Donny M. en als je dat volgt, kun je je afvragen ofdat in de openbaarheid moet. Aan de andere kant laat het de samenlevingzien waartoe een dergelijke dader in staat is en als hij dan de hoogste strafkrijgt ... Het is ingewikkeld, maar ik hecht eraan dit te benadrukken: inzaken waarin het gaat om georganiseerde criminaliteit vind ik dieopenbaarheid wel echt heel erg belangrijk en ook dat de rechter en deofficier ook gewoon in beeld zijn. Het gaat erom dat zij bereid zijn om inbeeld en ten overstaan van de samenleving uit te leggen: dit is waaromwij bij meneer X of Y levenslang geboden vinden. Ik wil deze dimensienogmaals aan de Staatssecretaris meegeven.Staatssecretaris Struycken:Ik stel me voor dat ik een deskundige op het gebied van artikel 121 van deGrondwet vraag een schets te maken van de marges die er zijn in beiderkanten, dus in het licht van zowel de problematiek van minderjarigeslachtoffers bij zedenzaken, alsook de zeer ernstige geweldsmisdrijven enzeer ernstige criminaliteit. Dit zonder de boodschap dat het minderopenbaar moet worden maar dat gezocht moet worden naar een manierwaarop het uitgangspunt van de openbaarheid wordt gediend, gehuldigd,op een manier die toch tegemoetkomt aan de legitieme belangen van deslachtoffers en misschien ook wel aan de veiligheidsbelangen van deandere actoren in de rechtspraak. Het komt mij voor dat er ruimte is voorverbetering. Een onderdeel daarvan, naast het onderzoek dat ik ingedachten heb, zal misschien ook kunnen zijn: een gesprek met de pers enmedia. Zij kunnen naar beide kanten een heel belangrijke rol vervullen,enerzijds door de samenleving op de hoogte te brengen van wat ergebeurt en anderzijds door dat te doen op een manier die zo min mogelijkbelastend is voor de belangrijkste actoren in het proces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13425 De voorzitter:Dank u wel. Geen verdere vragen? De heer Krul, aan u het woord.De heer Krul (CDA):Excuses, het is een beetje een ren-je-rotdag. We hebben wel degelijk derest van de inbrengen en de beantwoording van de Staatssecretarismeegeluisterd. We zijn blij dat hij heeft aangegeven dat hij bereid is ingesprek te gaan met de rechtspraak. Ik wil hem vragen of hij het volgendekan meenemen. De signalen die wij ontvangen zijn natuurlijk anekdotischen het zijn er enkelen, maar er zijn überhaupt geen cijfers over wanneerzo’n verzoek tot beslotenheid wel of niet wordt gehonoreerd of wordtafgewezen. Ik ben benieuwd of de Staatssecretaris dat kan meenemen ofdat hij daar zelf een beeld van kan krijgen – dat hoef ik verder niet teweten – maar dat is wel wezenlijk. Dan gaat het met name over degronden die in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering staan. Wilde Staatssecretaris dat meenemen?Staatssecretaris Struycken:Helder. Zeker, laten we ook proberen de feiten hierop scherp te krijgen.Dat zal bijdragen aan een oplossingsroute.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:In het verlengde hiervan bracht de heer Ellian de problematiek van hetafschrift van een vonnis op. We hebben de afgelopen weken lang gebroedop de brief die gisteren is verstuurd. Excuses dat die pas gisteren isverstuurd. We hebben erg gezocht naar mogelijkheden om zo veelmogelijk tegemoet te komen aan het doel van de motie, waar we ergsympathiek tegenover staan. In de brief hebben we geschetst wat wij numogelijk achten, maar ik haal er nu één element toe uit, namelijk dat ik erook met de rechtspraak over door ga praten, juist om te zien of er tochmeer mogelijk is in de periode tot aan invoering van het nieuwe Wetboekvan Strafvordering, waarin hierin beter wordt voorzien. Het heeft dus onzeaandacht en ik sta sympathiek tegenover de basisgedachte.De heer Ellian bracht ook een ander probleem op, namelijk de consta-tering dat het moeilijk is om een advocaat te vinden voor iemand dieslachtoffer is geworden van een zeer zwaar geweldsdelict of van zwarecriminaliteit. Ik hoor dat het probleem er is en dat vergt aandacht, wanthet recht op bijstand door een advocaat moet ook onverkort gelden voordeze slachtoffers. Als wij de rechtstaat willen dienen, moeten we ervoorzorgen dat daarin wordt voorzien. Het is niet heel makkelijk om datpraktisch te doen, denk ik. Volgens mij is dit bovendien primair eenverantwoordelijkheid of taak voor de Nederlandse orde van advocaten,die hierin een eigen verantwoordelijkheid draagt. Ik ga dus op dit punt ingesprek met de Nederlandse orde van advocaten. Dat raakt ook aan hetbeleid en de maatregelen die de orde treft als het gaat om weerbaarheidvan advocaten. Want in deze bijzondere context raakt dit natuurlijk aan deonveiligheid voor advocaten. Ik kom daarop terug als we er meer overkunnen zeggen. Ondertussen constateer ik dat Slachtofferhulp Nederlandook een mate van juridische ondersteuning biedt en blijft bieden, al is datmisschien van een andere orde dan de bijstand van een ervaren advocaat.Ik kom op de problematiek van inzage in het dossier. Dit probleem isopgebracht door de heer Ellian en mevrouw Mutluer. Dan gaat het om dediverse fasen van het traject en uiteindelijk ook om de cold cases. Debehoefte die slachtoffers en nabestaanden van slachtoffers kunnen voelenom inzage te krijgen in de processtukken, is goed invoelbaar. Artikel 51bvan het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om eenverzoek in te dienen bij de officier van justitie. De officier maakt daarbijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13426 een eigen belangenafweging. Met het nieuwe Wetboek van Strafvorderingwordt de onduidelijkheid weggenomen over het feit dat er een belangen-afweging is. Daarin zal duidelijker worden verankerd dat er een belangen-afweging is en wat het kader is voor die belangenafweging. Dat helptnatuurlijk niet voor cold cases, want dan is artikel 51b niet aan de orde.Dan moeten de slachtoffers of nabestaanden terugvallen op artikel 4 vande OM-aanwijzing van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, enverzoeken om inzage in de stukken.Het basisprincipe is dat er in beginsel tegemoet wordt gekomen aan hetverzoek als de slachtoffers of nabestaanden inzage willen krijgen terverwerking van trauma of persoonlijke rouw. Alleen als zwaarwegendeprivacybelangen van derden of andere belangen daarbij in de weg staan,wordt er niet op basis van deze grond tegemoetgekomen aan het verzoek.De belangenafweging kan anders uitvallen als de wens om inzage tekrijgen gebaseerd is op de wens om een nader extern onderzoek te latendoen. Aan zo’n nader extern onderzoek in opdracht van de nabestaandenof slachtoffers kunnen risico’s verbonden zijn. Dat zijn risico’s en belangendie de officier heeft mee te wegen. Dat kan dan leiden tot een negatiefoordeel. Het oordeel ligt bij de officier van justitie. Ik denk dat het daar ookmoet blijven. Dit verdient vooral aandacht in de uitvoering, zodat deofficieren die de belangenafweging maken, dit helder en op basis van degoede gronden doen.Dan kom ik op artikel 12, de strafvordering en de beklagprocedure. Deheer Eerdmans vraagt of de procedure niet sneller kan en of er ook nieteen beroepsmogelijkheid moet zijn. In het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering, waarover we elkaar de komende zes maanden nog vaak enlangdurig gaan spreken, zullen verbeteringen worden doorgevoerd metbetrekking tot het versnellen van de beklagprocedure. Er gaat een termijngelden voor de behandeling van het verzoek. Ik zeg uit mijn hoofd dat diedrie maanden is. Dat is in ieder geval een heldere, harde termijn. Volgensmijn inschatting en naar mijn verwachting biedt dat hoop en in detoekomst meer soelaas.Moet er in aanvulling daarop een mogelijkheid tot beroep tegen debeslissing komen? Dat is voor mij nog de vraag. Dat maakt de procedurewel langduriger. Het beklag zelf is natuurlijk in beginsel al een beroeptegen een beslissing van de officier van justitie, die in eerste instantie ookal een vervolgingsbeslissing heeft genomen. Daarmee is er dus in feite alsprake van een rechtsmiddel, in de vorm van het beklag. Het toevoegenvan een extra beroepsmogelijkheid zou betekenen dat we proceduresgaan stapelen.Er is een extra reden waarom ik daarover aarzel. Daarmee reageer ik ookeen klein beetje op uw verwijzing naar de situatie in Duitsland en op degedachte dat slachtoffers een grotere rol zouden moeten spelen bij debeslissing over vervolging en misschien ook bij de vervolging zelf, als«nevenaanklager»; het Duitse woord is me nu even ontschoten. Dat raaktnatuurlijk wel aan een heel principieel uitgangspunt van ons strafrecht,namelijk het idee dat er sprake is van een vervolgingsmonopolie van hetOpenbaar Ministerie. Dat uitgangspunt, en wat dat betekent voorartikel 12, zullen wij ook meenemen in de meerjarenagenda, die we voormedio 2025 hebben aangekondigd.De heer Eerdmans (JA21):Dank voor die termijn. Ik denk dat dit aansluit op het bestuursrecht.Daarbij is het dertien weken. Dat zal dan dus worden gelijkgetrokken. Daarben ik echt blij mee voor de slachtoffers.Wat betreft het beroep tegen afwijzing: ik ben het ook eens wat betreft dieconsequentie. Maar goed, dat zien we dan nog even.Wat betreft de uitwerking: is de Staatssecretaris positief over zo’n actiondirecte? Het zou weliswaar geen aardverschuiving zijn, maar het zou welhet monopolie weghalen bij het OM. Dat klopt. Maar ik heb een paarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13427 voorbeelden gegeven. In bepaalde gevallen is het voor slachtoffers echtheel belangrijk om zelf vervolgingshandelingen te kunnen plegen. Daarstaat de Staatssecretaris niet afwijzend tegenover, als ik hem zo aanhoor.Maar dan moeten we het natuurlijk wel nog uitwerken.Staatssecretaris Struycken:Ik zou zover nog niet willen gaan. We nemen het zeker mee in demeerjarenagenda. Dat is voor mij het kader waarbinnen ik de uitgangs-punten heel principieel ga heroverwegen in het licht van het slachtoffer-beleid. Ik heb nu te weinig kennis over die action directe om daar ietszinnigs over te kunnen zeggen. Maar ik zeg wel toe dat we daaropterugkomen in die meerjarenagenda.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:De heer Smitskam noemde een belangrijk punt over de confrontatie vanhet slachtoffer met de dader. Daarbij ging het juist om de rechtbanken, ofde paleizen van justitie, zoals we die vroeger noemden. Ons is bekend datalle rechtbanken en gerechtshoven al een aparte wachtruimte hebben. Erzijn aparte ruimtes voor het horen van kinderen. Dat is andere proble-matiek, maar evenzeer relevant. Maar er zijn ook aparte ruimtes die alleenvoor slachtoffers zijn. De crux is dat een slachtoffer van tevoren om zo’naparte ruimte kan verzoeken. Dat zag ik ook terug in de flyer die umeebracht. Als u het goedvindt, neem ik die mee. In die tekst wordt dittoegelicht: het slachtoffer kan verzoeken om een aparte wachtruimte.Daarin is dus voorzien. De bijstand van een advocaat of van Slachtof-ferhulp Nederland zal er ook toe leiden dat het slachtoffer daarop attentwordt gemaakt, zodat daarin kan worden voorzien. De faciliteiten zijn er.Wij hebben geen indicatie dat dit in de praktijk niet goed werkt.De heer Smitskam (PVV):Allereerst dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Het gaatons er juist om dat het slachtoffer überhaupt niet wordt opgezadeld methet feit dat hij specifiek moet vragen om een aparte ruimte. Wij zoudengraag zien dat die ruimte er sowieso is, zodat dader en slachtoffer bijvoorbaat al worden gescheiden, zonder dat ze daarover na hoeven tedenken. U geeft aan dat die ruimtes er zijn. Dan lijkt het mij niet zomoeilijk om dat gewoon in gang te zetten.Staatssecretaris Struycken:Wij zullen met de rechtspraak in gesprek gaan over de vraag in hoeverreer structureler gebruik kan worden gemaakt van die wachtruimte. Maar debelangrijkste constatering vind ik dat de faciliteiten er zijn. Het zit dusmeer in de uitvoering, de communicatie richting het slachtoffer over water mogelijk is en eventuele standaardisering daarvan.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:We gaan er dus over in gesprek. Ik voeg er nog aan toe dat ook daar hetuitgangspunt van autonomie en regie een belangrijke rol speelt. Maar ikkan me goed voorstellen dat de default option – hoe zeggen we dat ingoed Nederlands? – de basis, het uitgangspunt, misschien anders zoumoeten zijn dan nu gangbaar is.Voorzitter. De heer Eerdmans bracht de reflectie nog op. Dat is een nietonbelangrijk punt en ook mede de oorzaak van de ruime vertraging in deverzending van de brief van gisteren. Het verrassende is dat wij nu tot eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13428 nieuw inzicht zijn gekomen doordat het lid Eerdmans duidelijk maakt dathet hem erom gaat dat de slachtoffers in gesprek kunnen gaan met derechter die het vonnis gewezen heeft. Dat is geen onderdeel geweest vanonze verkenningen. Op die basis gaan we er dus nog een keer naar kijken.De voorzitter:Een reactie hierop.De heer Eerdmans (JA21):Het was een lange inleiding waar ik doorheen moest worstelen, maar metprima opmerkingen. Alleen, het gaat dus inderdaad precies daarom, enniet om alles wat met zwaarder gestraften te maken heeft. Dit betekentdus dat er nog een ...Staatssecretaris Struycken:Nou, ik breng tot uitdrukking dat dit element er niet in is teruggekomen. Ikkan al een beetje voorzien wat het antwoord zou kunnen zijn. Het isnatuurlijk een extra belasting van de rechtspraak als rechters zich hiervoorbeschikbaar moeten maken. Ik voorzie ook praktische problemen in de zinvan: het zal emoties geven. Het kan misschien heel positief uitpakken, ookals onderdeel van herstelrecht, maar het vergt faciliteiten, het vergt tijd enhet vraagt toch ook bijstand, denk ik. Het heeft dus wel wat voeten in deaarde. Ik weet ook niet in hoeverre dit al gebeurt, of het al voorkomt. Maarwe zullen het primair bespreken met de rechtspraak. De gedachte issympathiek.De voorzitter:Oké. Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Ik kom bij de netelige kwestie van strafbaarstelling van psychisch geweld.Het onderwerp is opgebracht door de leden Ellian, Van Nispen en Mutluer.Het is natuurlijk een thema dat nu heel breed aandacht krijgt. Het isevident dat psychisch geweld ook kan leiden tot zeer ernstige schade endat een goede strafrechtelijke aanpak daarvan belangrijk is. Er zijn alstrafrechtelijke aanknopingspunten, zoals dwang, mishandeling,bedreiging en belaging, maar dat betekent nog niet dat onder dienoemers de vervolging daadwerkelijk plaatsvindt. Dit onderwerp is nauwverwant met de problematiek van stalking en femicide. Dit onderwerp isdaarmee onderdeel van de portefeuille van de Staatssecretaris vanJustitie en Veiligheid, mijn collega Coenradie. Het is ook onderdeel vanhet debat van vanmiddag. Zij zal nader met u spreken over haar zienswijzeop de aanpak van psychisch geweld. Daar zou ik het bij willen laten. Ik kande tegemoetkoming nog noteren die ik in de inleiding al meldde vanuitmijn perspectief. De strafbaarstelling zit overigens niet alleen in haarportefeuille, maar ook in die van de Minister van Justitie. Ik kan utoezeggen – ik weet namelijk dat dat gaat gebeuren – dat de Staatssecre-taris samen met de Minister hierop zal terugkomen en er uitvoerigaandacht aan zal besteden. Ik zou u dus willen vragen haar reactie op ditpunt af te wachten.De heer Van Nispen (SP):Dat ga ik zeker doen. Daartoe ben ik bereid. Ik wil daarover alleen nog éénding opmerken. Het kan zeker een rol spelen – daar gaan we hetvanmiddag ook over hebben – in de context van alles wat leidt tot stalkingen femicide, met al de rode vlaggen die we kennen. Daarover gaat hetdebat vanmiddag. Daarbij zou de strafbaarstelling van psychisch geweldvroegtijdig ingrijpen mogelijk maken. Het speelt ook een rol bij bijvoor-beeld het keihard sociaal doodverklaren, uitsluiten, bij sektes. Ook in diecontext kan het dus een rol spelen. Het kan ook een rol spelen in crimineleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13429 families, bijvoorbeeld bij kinderen in familienetwerken die daaronmogelijk uit kunnen komen. Dan zijn we weer bij de portefeuille van deMinister. Ik heb zelfs begrepen dat het een rol kan spelen bij bijvoorbeeldmensenhandel. Het is dus niet exclusief voorbehouden aan het vreselijkeprobleem van femicide, maar is een veel breder vraagstuk. Allerleideskundigen leveren steeds meer informatie over hoe zinvol enwaardevol het kan zijn om tot die strafbaarstelling over te gaan. Ik begrijphelemaal dat daar allemaal haken en ogen aan zitten, maar ik denk dat ditmeer dossiers raakt. Mijn oproep aan de Staatssecretaris is om daar opdie manier naar te kijken en zich daarvoor in te zetten.Staatssecretaris Struycken:Zeker. Dat doe ik samen met de Minister van Justitie, die gaat overstrafbaarstelling. Het verdient een breed kader, een brede blik en eenbrede aanpak.Dat is een brug naar de beantwoording van uw vraag over Jehova’sgetuigen. Het lid Van Nispen heeft daar in de afgelopen jaren ookregelmatig aandacht voor gevraagd. Iedereen die de rapportagesdaarover heeft gezien, zal direct begrijpen waarom. Dat is natuurlijk eenlastige problematiek omdat de vrijheid van religie daarin een grote rolspeelt. Die stelt ook begrenzingen aan wat je kan doen, maar wat mijbetreft zijn die niet absoluut. Wat ik daarover zou willen melden, ziteigenlijk niet in de sfeer van de strafbaarstelling, maar meer in die van dehulpverlening. Ik denk dat de crux is dat deze slachtoffers, ook jongeslachtoffers, de weg naar hulp moeten weten te vinden.Daarin zijn de contacten met hulppunt Fier een belangrijke ontwikkeling.Dat speelt nu in feite in de praktijk een heel belangrijke rol om juistslachtoffers van sociale uitsluiting, van in zekere zin sektarischetoestanden, hulp te bieden, hen goed door te verwijzen, en de onder-steuning van die mensen meer vanuit een slachtofferperspectief tecoördineren. Wij hebben veel vertrouwen in de manier waarop Fieropereert. We ondersteunen de activiteiten van Fier op allerlei manieren.We hopen dat in de komende tijd zal blijken dat dat in ieder geval voorzietin de behoefte vanuit slachtofferperspectief.De voorzitter:Een verduidelijkende vraag.De heer Van Nispen (SP):Was dit het gedeelte over sektes? Want dan heb ik daar wel een vraagover.Staatssecretaris Struycken:Ja.De voorzitter:Dan een vraag.De heer Van Nispen (SP):Dat is jammer. Ja, dan moet ik daar een vraag over stellen. Ik ben er niethelemaal gerust op. De Staatssecretaris begint heel snel over de vrijheidvan godsdienst, die ingrijpen mogelijk moeilijk maakt. Dat bestrijd ikabsoluut, echt heel hard. Het gaat om misbruik van kinderen, het nietmeewerken aan justitie en dat soort zaken. Dit gaat over onze rechtsstaat,die zeker zo hard geldt in welke sekte of gemeenschap dan ook, of het noudie van de Jehova’s getuigen is of niet. Het Wetboek van Strafrecht geldtdaar gewoon. Het gaat om het beschermen van kinderen. Laten we daareerst even heel duidelijk over zijn. Ik hoop dat de Staatssecretaris dat kanbevestigen. Hulpverlening is vervolgens inderdaad heel erg belangrijk. Ikheb het niet eens gehad over het rampzalige besluit uit het verleden omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13430 Sektesignaal weg te bezuinigen. Dat had nooit moeten gebeuren, maardaar heb ik het niet eens over gehad.Ik heb het nu over het beschermen van kinderen. Er worden nu nog steedskinderen gedoopt die eigenlijk handelingsonbekwaam zijn en vervolgensdus in die gemeenschap van Jehova’s getuigen zitten. Daar hebben ze dusnooit voor kunnen kiezen en als ze ooit tot het besluit komen om daaruitte stappen, nadat ze aan allerlei feestjes en zo niet mee hebben mogendoen – dat soort voorbeelden zijn bekend – dan worden ze sociaaldoodverklaard. Ik vraag deze Staatssecretaris niet om dit vraagstukvandaag op te lossen. Daar het is het te veelomvattend en nieuw voor; zovaak hebben we het daar nog niet over gehad. Maar ik vraag de Staatsse-cretaris om daar, wellicht met meerdere betrokkenen in het kabinet, laterop terug te komen om te kijken wat we daaraan kunnen doen. Ik vindnamelijk dat dit echt een bredere kijk en een wat diepere blik verdient omte komen tot een oplossing voor dit heftige probleem.Staatssecretaris Struycken:Ik ga daar gaarne in mee. Ik zeg toe dat we met een reactie komenspecifiek daarop, bezien vanuit het strafrecht en het hulpverleningsrecht.Ik onderschrijf namelijk de zorgen die u uit.De voorzitter:Wanneer zou u dat kunnen doen, Staatssecretaris?Staatssecretaris Struycken:Aan het eind van het eerste kwartaal van het komende jaar, Q1 2025.De voorzitter:We gaan die toezegging noteren. Daar komen we straks op terug. Hartelijkdank. Hoever bent u inmiddels met de beantwoording?Staatssecretaris Struycken:Ik ben een heel eind, geloof ik.De voorzitter:Kunt u voor de leden nog licht schijnen op wat er nog gaat komen quaonderwerpjes?Staatssecretaris Struycken:Ik ga het nog kort hebben over de doorlooptijden en ik ga het ook noghebben over de Goede Herder, de versnippering van het hulplandschapen het expertisecentrum.De voorzitter:Oké. Dat leidt tot een interruptie van de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Ik ga het toch doen, want collega Van Nispen en ik versterken elkaar vaak,hoewel je dat vanuit partij-ideologische overwegingen niet zou denken. Ikben toch wel wat verbaasd over wat de Staatssecretaris nu zegt. Ikfluisterde net naar collega Van Nispen: hoelang ben je nou al bezig metuitsluiting binnen gemeenschappen? Ik geloof dat dat al zeven of acht jaaris. Ik weet dat collega Van Nispen hier al aandacht voor vraagt zolang ikKamerlid ben. De essentie is volgens mij vrij simpel: als mensen, binnenwelke al dan niet religieuze gemeenschap dan ook, zeggen «ik bedenk mij;ik wil iets anders doen», dan kan er nooit sprake zijn van dwang in welkevorm dan ook. Dat is wel degelijk iets wat in Nederland aan de orde is,overigens ook in andere gemeenschappen; afvalligheid binnen de islam isook nog steeds iets wat echt moeizaam gaat. Maar even specifiekhierover: ik heb ook verhalen tot me gekregen van mensen die hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13431 onmogelijk wordt gemaakt om daarna hun leven verder te leiden. DeStaatssecretaris zegt dat hij nog gaat reageren, maar ik verwacht toch weleen beetje daadkracht bij dit vraagstuk. Er zijn namelijk mensen die uit diegemeenschap willen stappen, wat hun goed recht is, maar hun leven nietkunnen voortzetten. Ik vind dat buitengewoon kwalijk. Het is je vrije keusen je recht om te bepalen hoe je je leven wil inrichten. Ik verwacht hieropdus wel een beetje pit.De voorzitter:De Staatssecretaris, een beetje pit.Staatssecretaris Struycken:Zeker. Dat ik aarzel, ligt niet aan de ernst van de problematiek. Het komtmeer omdat dit, waar het gaat om het Openbaar Ministerie en het beleidvan het Openbaar Ministerie, ook in belangrijke mate in de portefeuillevan de Minister zit. Het vergt ook een analyse van de vraag in hoeverre debeschikbare bepalingen in het strafrecht een oplossing kunnen bieden. Ikheb dat niet paraat. Maar ik heb de leden toegezegd dat we met eenreactie hierop komen. Het is al oktober, dus ik kan niet beloven dat hetvoor de kerst komt. Maar we zullen zeker terugvallen op de beschikbarekennis.De voorzitter:Oké. Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:De heer Van Nispen en mevrouw Wijen-Nass vroegen aandacht voor deproblematiek van de strafrechtketen en de doorlooptijden. Ja, het isduidelijk dat dat ook negatieve effecten heeft op de positie van hetslachtoffer. De doorlooptijden zijn natuurlijk een groter probleem. Juisthierover hebben we op 3 oktober een hele middag gediscussieerd. Allemaatregelen die we toen hebben besproken die ertoe moeten leiden datde doorlooptijden verbeteren, zouden ook als effect moeten hebben dathet voor slachtoffers minder problematisch is en dat het risico opsecundaire victimisatie zich minder snel zal voordoen.Ik vermeld nog wel specifiek de slachtoffers van seksueel misbruik en deinformatie en ondersteuning die zij krijgen. Met het Nationaal Actiepro-gramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueelgeweld werkt het Ministerie van VWS eraan een beter beeld te krijgen vanwat nodig is om de slachtoffers van seksueel misbruik te ondersteunen endaarmee de negatieve effecten van de wachttijden te ondervangen. Dedoorlooptijden lossen we niet snel op, maar ik denk dat de oplossing welmede besloten ligt in betere hulpverlening door de instanties die hierbijbetrokken zijn, en door betere coördinatie daartussen. Het speelt daarbijeen belangrijke rol dat de politie de slachtoffers tijdig en goed doorver-wijst naar de instanties die die hulp kunnen bieden.Dan kom ik op de Goede Herder. De vraag ziet in het algemeen opgerechtigheid voor de vrouwen die destijds slachtoffer zijn geworden indie zin dat ze het leven hebben gelaten, maar ook voor de vrouwen die hetdestijds overleefd hebben maar nu toch geconfronteerd worden met hetverleden. Daar is in algemene zin veel aan gedaan. Er is veel gesprokenmet de slachtoffers; zo noem ik de vrouwen maar even die er langgeleden zo onder geleden hebben. Er is voorzien in een financiëletegemoetkoming. De indruk bij het ministerie is dat de meesten van hendaarin berusten.De aanleiding van uw vraag is duidelijk gemaakt. Ik richt me tot u,mevrouw Palmen, maar dat is ten onrechte, want het was een vraag vanmevrouw Mutluer. Het gaat haar specifiek om de begraafplaats in Almelo.Het college van B en W heeft opdracht gegeven tot onderzoek, juist om opdit punt zorgvuldig te handelen. Maar ik deel met haar de wens dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13432 slachtoffers op een goede manier een naam krijgen en dat juist ook goedvoorzien wordt in ondersteuning voor de vrouwen die het wel overleefdhebben.Voorzitter. Mevrouw Palmen vroeg wat de stand van zaken is wat betrefteen meldpunt of expertisecentrum voor slachtoffers van kindermisbruik.Ik begrijp dat er rondetafelbijeenkomsten zijn georganiseerd metprofessionals, slachtoffers en experts, en dat die de basis vormen voorverdere uitwerking van de motie. Er is een zekere aarzeling om specifiekvoor deze groep een nieuw expertisecentrum in te richten, omdat dat ookeen vorm van versnippering van het hulpverleningslandschap is. Maar hetis duidelijk dat het zaak is dat die expertise goed wordt bewaard eningezet. Daarover gaat het gesprek dat tussen Justitie en Veiligheidenerzijds en VWS anderzijds wordt gevoerd. Het is ook onderdeel van debeleidsvoornemens die Staatssecretaris Coenradie zal bestuderen enaankondigen.Ik geloof dat ik hiermee alle vragen heb beantwoord, maar ik vrees dat iker misschien een of twee heb gemist.De voorzitter:Dank u wel voor uw beantwoording. Ik zou inderdaad graag even willeninventariseren of dat het geval is. Ik zie hier geknik. Mevrouw Palmenheeft eerst nog een onbeantwoorde vraag.Mevrouw Palmen (NSC):Ik mis nog de beantwoording op de vraag over de versnippering van hetlandschap.De voorzitter:Oké. Dat is dat.Mevrouw Palmen (NSC):Ik vroeg mij af in hoeverre de Staatssecretaris concrete maatregelen gaattreffen om de versnippering van het landschap tegen te gaan. Heeft u daaral ideeën bij? In mijn eerste termijn deed ik een suggestie à la het voorstelvan meneer Van Nispen in het sociale domein, het Huis van het Recht. Hetgaat mij om een Huis voor het Strafrecht of iets dergelijks. Welke ideeënheeft u daarbij en gaat u daarover nadenken?De voorzitter:Ik kijk even of er nog andere onbeantwoorde vragen zijn.De heer Eerdmans (JA21):Ik had een vraag gesteld over de slachtofferofficier van justitie die inRotterdam bekend is, en of dat op meer plekken in Nederland een goedidee zou zijn.De voorzitter:Oké, duidelijk. De heer Van Nispen heeft ook een onbeantwoorde vraag.De heer Van Nispen (SP):Ja. Ik heb drie voorstellen gedaan ten aanzien van letselschade. Op tweedaarvan is de Staatssecretaris ingegaan, maar niet op de eerste, namelijkhet punt dat het hele systeem niet slachtoffervriendelijk is ingericht. Datheeft veel meer te maken met de bejegening vanuit de verzekeraarsrichting de slachtoffers. Gaat de Staatssecretaris daar ook naar kijken?De heer Krul (CDA):Ik heb nog gevraagd of het mogelijk is om het coderen toe te passen alseen standaard in grote zedenzaken. Dat gebeurt al weleens. Dat kanconform artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering, maar dat gebeurtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13433 zo sporadisch dat het uitgangspunt «anoniem, tenzij» misschienverstandig zou zijn. De vraag is of de Staatssecretaris dat mee wil nemen.De voorzitter:De heer Ellian niet. Mevrouw Wijen-Nass niet. Oké, dan zijn dit deonbeantwoorde vragen. Zou u daar nog op in willen gaan?Staatssecretaris Struycken:Ja. Mevrouw Palmen vroeg naar de versnippering in het hulpverlenings-landschap. Dat zie ik als een aandachtspunt, want dat maakt het veelminder toegankelijk. Als we nou één ding leren uit de praktijk, maarbijvoorbeeld ook bij de jeugdbescherming, dan is het dat het zo makkelijkmogelijk moet worden gemaakt om de weg te vinden. Dit betekent in feitedat coördinatie onderdeel is van de taak van de ketenpartners, de actorenof welke naam je er ook voor gebruikt. Eigenlijk moet elke hulpverlenernadenken over de vraag: moet ik deze persoon helpen of kan ik dezedoorverwijzen? Het gaat om doorverwijzen op een manier die recht doetaan de eenloketgedachte, namelijk niet van het kastje naar de muursturen, maar werkelijk nadenken over bij wie een persoon thuishoort. Ikheb daar de oplossing nog niet voor. Ik zie alleen maar dat het eenprobleem is, waar ik vreselijk veel aandacht voor vraag. De oplossingmoet uiteindelijk natuurlijk vooral in de uitvoering worden gevonden. Ermogen geen belemmeringen zijn bij de uitwisseling van informatie. Iksignaleer dat dat vaak wel het geval is. Er zijn in ieder geval belemme-ringen of gepercipieerde belemmeringen. Maar afgezien daarvan is hetmisschien met name een mentaliteitsverandering, waar de organisatiesdie daar invloed op hebben, een rol in moeten spelen.Ik vertelde over het bezoek dat ik aan Slachtofferhulp Nederland hebgebracht. De mensen met wie ik daar sprak, brachten dit zelf als probleemnaar voren. Daarmee heeft het in ieder geval hun aandacht. Het is mijduidelijk dat Slachtofferhulp Nederland een nogal grote rol heeft en dathet die coördinerende functie in feite al in belangrijke mate vervult. Ikdenk dus dat we met hen moeten spreken om dat verder gestalte tegeven. Stapje voor stapje komt dat hopelijk tegemoet aan de behoefte aande eenloketgedachte die past bij het beleid dat dit nieuwe kabinet opallerlei punten wil implementeren.De heer Van Nispen vroeg naar de problematiek van de bejegening doorde verzekeraars. Wat mij betreft is dat onderdeel van de gedragsnor-mering. Daar valt wellicht wat te winnen. Dat doet natuurlijk onmiddellijkdenken aan de gedragscode. Het doet denken aan het tuchtrecht endergelijke. Het doet ook denken aan een mentaliteitsverandering ingesprek met de branche. Het is voor mij namelijk evident dat we vanverzekeraars mogen verwachten dat ze zich in de bejegening houden aanbasale normen, en dat die normen voor slachtoffers misschien wat andersliggen dan voor de gewone verzekerden. Het is wat mij betreft dusonderdeel van de aangekondigde beleidsreactie op het WODC-rapport.Hoe krijgen we de verschillende spelers of actoren ertoe dat ze het belangvan het slachtoffer meer centraal stellen?De Goede Herder is helaas al langsgekomen, mevrouw Mutluer, maarmisschien komt het nog terug. Excuses.Voorzitter. Meneer Krul raakte aan de mogelijkheid om in zedenzaken tewerken met coderingen ter bescherming van de actoren. Ik denk dat datonderdeel moet zijn van de openbaarheidsdiscussie. Ik hoorde het lidEllian juist het belang uiteenzetten van het punt dat bijvoorbeeld rechtersmet naam en toenaam in beeld komen. Juist bij die ernstige criminaliteitis dus een tendens naar meer gecodeerde en in zekere zin geanonimi-seerde aanwezigheid in de rechtspraak. Ik zie dus het belang van coderen.Ik denk dat we dit verder in kaart moeten brengen als onderdeel van het teverrichten onderzoek naar openbaarheid en ook weerbaarheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13434 Er is nog één vraag, namelijk de vraag van de heer Eerdmans over eenslachtofferofficier. In Rotterdam is er een fulltime coördinerend officiervan justitie huiselijk geweld. Maar ook op andere plekken in het land zijner officieren van justitie die zich specifiek bezighouden met zaken vanhuiselijk geweld, echter niet fulltime zoals in Rotterdam. Deze vraagbetreft het Openbaar Ministerie. Ik zeg u toe dat ik bij de Minister diedaarover gaat hier nadrukkelijk aandacht voor zal vragen. Ik lees hier nogwel dat er slachtoffercoördinatoren aanwezig zijn bij alle parketten, maardat is niet hetzelfde als een coördinerend officier van justitie.De voorzitter:Ik dank u hartelijk voor de beantwoording. Ik kijk nog even naar de leden.Goed zo? Oké. We hebben nog zo’n 25 minuten voor de gehele tweedetermijn. Ik zou daarom graag één minuut en één interruptie willenvoorstellen voor de Kamer. Daarna gaan we naar de Staatssecretaris.De heer Ellian (VVD):Kunnen we niet anderhalve minuut afspreken en ook dat we geeninterrupties bij elkaar doen? Dat heb ik liever.De voorzitter:Als iedereen het daarmee eens is, gaan we dat doen. Ja? Oké, anderhalveminuut en geen interrupties. Meneer Ellian, aan u het woord.De heer Ellian (VVD):Dank. Ik dank de Staatssecretaris en zijn ondersteuning voor de beant-woording. Ik hoor een prettige toon en ook dat hij veel aandacht heeftvoor de positie van slachtoffers en nabestaanden. Dat is fijn.Ik vond het ook fijn om eindelijk te horen dat het argument «dan moetenslachtoffers maar naar het civiele recht» een gelegenheidsargument is.Dat vond ik prettig om te horen. Als het strafrecht geen soelaas biedt, ishet ontzettend ingewikkeld om de vordering überhaupt in rechtenvastgesteld te krijgen en ook nog iets betaald te krijgen. Mijn gedachtendwalen altijd af naar mevrouw Sitek. Haar man werd door eentaxichauffeur doodgeslagen na een avondje stappen. Haar leven is inruins, letterlijk en figuurlijk, en ze kan geen euro incasseren omdat dedader gevlogen is. Die gevallen motiveren mij altijd om hierover tebeginnen.Voorzitter. Ik heb alle begrip voor de privacy van het slachtoffer. Daar heeftde VVD ook vaak voor geknokt. Maar we moeten de advocaat ook nietvergeten, zeker niet in het geval van bedreiging. Juist bij zaken waar eenheel boze dader achter zit, moeten we niet vergeten dat de privacy van deadvocaat ook van belang is.Voorzitter. Tot slot wil ik van de gelegenheid gebruikmaken om deStaatssecretaris, en ook zijn ambtsvoorganger, te bedanken inzake decasus Bovensmilde, waar ik veel aandacht voor heb gevraagd. Er wordtnu een breed onderzoek gedaan naar wat de mensen daar is overkomen,naar de gijzeling van de school door Molukkers. Ik vind het fijn om te ziendat er zo veel aandacht aan besteed wordt en dat het onderzoek loopt. Ikwil het departement en de Staatssecretaris daarvoor bedanken. We komendaarover te spreken als het onderzoek bekend is. We kunnen dan ookbekijken wat we echt kunnen doen voor de slachtoffers.De voorzitter:Dank u wel. Dan de heer Krul.De heer Krul (CDA):Voorzitter, dank. Ook ik vond de toon in de beantwoording prettig. Ik hebhet hier niet allemaal meegekregen, maar heb elders in het gebouw welmeegeluisterd. Het was toen net zo prettig, kan ik u vertellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13435 We hebben vandaag specifiek aandacht gevraagd voor de rol vanslachtoffers in de hele artikel 121-discussie, over de openbaarheid. Ja, hetis belangrijk dat er in beginsel openbaarheid is, maar het is belangrijk dater een goede weging komt van de belangen van niet alleen de dader, diesoms ook minderjarig is, maar ook van het slachtoffer, de advocatuur ende rechter. Ik zou de Staatssecretaris willen uitnodigen om te kijken wat erin België op dit gebied gebeurt. Daar zijn ze al wat verder. Ik zal datvanmiddag ook vragen aan de Minister, niet om het nog ingewikkelder temaken, maar wel om toch wat meer duiding te krijgen. Dat is een ietsander onderwerp, maar het raakt hier wel een beetje aan.We hebben ook gesproken met rechercheurs uit de stad van de heerEerdmans, zeg ik er maar even bij. Die komen dan met casuïstiek. Eenminderjarig meisje is slachtoffer van seksuele uitbuiting. Er zijn naakt-foto’s van haar. Ze wordt gedwongen om in een hotel seks te hebben metjongens. Als ze dat niet doet, worden die foto’s naar haar oudersgestuurd. Ze komt uit een strenggelovig islamitisch gezin en de kans opeerwraak is reëel. Ze doet aangifte en zo’n rechercheur moet danuitleggen dat als het tot een aanhouding komt, zo’n zitting in principe inde openbaarheid zal plaatsvinden. Dat is vaak het moment waarop dezemeiden afhaken, ondanks dat de uitleg er wel is, zo van: het hoeft niet perse openbaarheid te betekenen; er zijn mogelijkheden. Dat het in beginselopenbaar is, is voor deze mensen vaak al zo’n heftige mededeling dat zeafhaken. Ik denk dat we daar in die hele keten wel wat aan kunnen doen,zonder dat we nou per se ingrijpende wetswijzigingen nodig hebben. Daarwil ik het bij laten.Dank u wel.De voorzitter:De heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel, voorzitter. Over de slachtoffers van misdrijven. Ik heb tochnog steeds enige bezorgdheid over de vraag of financiële overwegingenvan het kabinet boven de belangen van slachtoffers gaan. Dat zou volgensmij heel slecht zijn, want mensen laten zitten met hun schade, is gewoonletterlijk onrecht te noemen. Dus ik ga dit heel kritisch volgen.Het is mij ook nog niet duidelijk wanneer we nadere informatie krijgen,bijvoorbeeld over het maximeren van die extreem hoge schadevergoe-dingen. Wanneer horen we daarover? Aan welk bedrag denken we dan?Om hoeveel zaken zal dat gaan? Wanneer horen we meer over de vraag ofer uiteindelijk toch niet een schadevergoedingskamer komt en of hetstandaardiseren van bedragen een afdoende oplossing biedt? Naar datsoort zaken ben ik erg benieuwd. Dat gaan we kritisch volgen.Dan over letselschade. Er komt een beleidsreactie voor het einde van2024. Daar verwachten we veel van. Daar moet dan alles in staan. Hier isal 30 jaar strijd over, niet van mij persoonlijk, maar van alle mensen diehier al mee bezig zijn. Zo ver gaat dit terug. Alle voorstellen die al zijngedaan in de Kamer en buiten de Kamer ga ik niet herhalen, maar ikverwacht echt dat er uiteindelijk sancties gaan komen voor de trainerendeverzekeraars. Mensen zijn nu jaren aan het wachten. Er zijn mensen die22 jaar bezig zijn met hun strijd tegen een verzekeraar. Dat is echtkrankzinnig. Eigenlijk zou je toe moeten naar sancties als die GedragscodeBehandeling Letselschade wordt overschreden, omdat dat een tik op devingers is en concrete genoegdoening is voor het slachtoffer. Maar hetgaat nog iets verder. Als die zaak uiteindelijk na een jaar of drie nogsteeds niet is afgewikkeld doordat die verzekeraar de boel loopt tetraineren, dan zou er eigenlijk op initiatief van het slachtoffer een knoopmoeten kunnen worden doorgehakt. Dan moet dat worden weggehaaldbij die verzekeraar, want die verzekeraar is gewoon aansprakelijk en dieslachtoffers mogen niet in de kou staan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13436 De voorzitter:Dank u wel. De heer Eerdmans.De heer Eerdmans (JA21):Voorzitter, dank. Ik zou plenair een enkele motie willen indienen, dus ikzou bij dezen een tweeminutendebat aan willen vragen.Ik dank de Staatssecretaris voor de goede beantwoording en ook voor eenenkele toezegging, waar ik echt wel blij mee ben. Maar ik hoorde nu destrafeis tegen Donny M. Die is 28 jaar geworden met tbs. Een stevigestrafeis, denk ik, maar de nabestaanden hebben gisteren echt gepleit voorlevenslang, nooit meer vrij. Dat brengt mij tot mijn vraag over spreek-recht, dat de zussen van Gino gisteren uitdrukkelijk gebruikt hebben. Zouhet niet heel mooi zijn als dat na de uitspraak nogmaals zou kunnenplaatshebben, dus dat de nabestaanden een reflectie mogen geven op deopgelegde straf? Ik zie dat er heel veel emotie is bij heel veelnabestaanden. Zeker gisteren was dat heel erg te zien bij de twee zussen.Ik heb zomaar de indruk dat ook slachtoffers en nabestaanden daar heelgraag gebruik van zouden willen maken. Ik heb het over een spreekrechtvóór en een spreekverklaring, een slachtofferverklaring, ná de opgelegdestraf, het vonnis, waarin ze daarop kunnen reageren. Dat mag nu nog niet.Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.Voorzitter, dank.De voorzitter:Mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Bij veiligheid gaat het in mijn beleving niet alleen om hetstraffen van daders, maar met name om de slachtofferrechten, die wijnooit uit het oog mogen verliezen. Eén ding kan deze Staatssecretaris vanmij aannemen: ik ga hem constant pushen om zijn grenzen op te zoekenom die slachtoffers zo goed mogelijk te helpen. In dat kader willen wij dater veel meer wordt gedaan met de hele kritische kanttekeningen van deinspectie ten aanzien van stalking. Ik wil dat deze Staatssecretaris tochgaat overwegen om te kijken of er snelle en flexibele financiële hulp voorslachtoffers komt. Daar ga ik gewoon een voorstel voor indienen, hopelijksamen met mijn collega Wijen-Nass.Waar ik niet tevreden over ben, zijn de antwoorden over de Goede Herderdie net in mijn afwezigheid zijn gegeven. Ik hoor de Staatssecretaris dewens delen dat slachtoffers een naam krijgen en dat de vrouwen die hetwel hebben overleefd, voorzien worden van ondersteuning. Maar daargaat het niet om. Er worden nu graven ontruimd in Almelo. Er komt weleen archeologisch onderzoek. Ik wil dat er ook vanuit het Rijk aandachtkomt voor de specifieke situatie van de zogenaamde gevallen meiden. Dieverdienen een naam. Die verdienen het om uit de anonimiteit te komen.Dus ik vraag naast wat het college van Almelo doet ook iets extra’s vandeze Staatssecretaris. Daar ga ik met voorstellen voor komen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Smitskam.De heer Smitskam (PVV):Dank u, voorzitter. Ik hou het kort. Nogmaals dank aan de Staatssecretarisvoor zijn antwoorden. Ik ben blij met de toezeggingen. Daar wil ik hetgraag bij laten.De voorzitter:Hartelijk dank. Mevrouw Palmen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13437 Mevrouw Palmen (NSC):Dank u wel, voorzitter. Dank ook aan de Staatssecretaris en mijn collega’svoor dit debat.Even een opmerking over de zorg van Nieuw Sociaal Contract over deopenbaarheid van zittingen waar minderjarige slachtoffers bij zijnbetrokken. Die is perfect onder woorden gebracht door collega Krul vanhet CDA, dus die ga ik hier niet herhalen, maar die wil ik wel absoluutonderschrijven. Daar vinden wij elkaar zeker.Daarnaast heb ik u horen praten over uw contacten met SlachtofferhulpNederland. Ik denk dat dat heel belangrijk is omdat zij als eerste metslachtoffers in aanraking komen en een belangrijke signaalfunctie daarinhebben. Sterker nog, wij zien dat er een brief is gekomen waarin staat datde communicatie van en naar het OM nog niet optimaal is. Mijn vraag is:hoe ziet u die signaalfunctie en hoe kijkt u naar de communicatie met hetOM? Daarbij kijk ik bijvoorbeeld ook naar een belangrijke signaalfunctiedie de inspectie heeft. Hoe gaat u daarmee om? Als we namelijk gaankijken naar beleid, dan is het juist heel erg belangrijk om dat vanuit hetperspectief van mensen te doen.Tot zover. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Als laatste is het woord aan mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de Staatssecretaris hartelijk dankenvoor zijn uitgebreide antwoorden. Ik ben heel blij om te horen dat hij echtoog heeft voor het slachtoffer, dat hij daarmee aan de slag is, dat hij ookbegrijpt dat de civiele vordering van die slachtoffers in het strafproces,best een vreemde eend in de bijt is, en dat dat ook de nodige complicatiesmet zich meebrengt. Daar is echt oog voor. Ik ben benieuwd naar debeleidsreactie die er gaat komen eind van het jaar.Dan nog één punt. De heer Eerdmans van JA21 zei net dat het misschienwel goed zou zijn om slachtoffers ook nog eens spreekrecht te geven nade uitspraak van de rechtbank. Het eerste wat in mijn hoofd opkwam,mede naar aanleiding van mijn eigen inbreng, was dat we al een heelgroot probleem hebben omdat het strafproces niet goed doorloopt. Watgaat het betekenen voor de capaciteit als we tegen slachtoffers zoudenzeggen dat ze na het vonnis ook nog hun zegje mogen doen? Dan denk ikook aan administratieve capaciteiten et cetera. Gaat dat niet ons helestrafproces nog verder vertragen?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:U bedankt. Ik kijk naar de Staatssecretaris. Kunt u gelijk door? Dan wil ikgraag nog één interruptie vanuit de Kamer afspreken. Dan nu debeantwoording in tweede termijn van de Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Ik begin met een antwoord op een niet gestelde vraag, namelijk met hetherzien van een eerder antwoord. Want het blijkt dat ik me niet helemaalvoldoende genuanceerd heb uitgelaten over de toekomst. Dat is altijd eenuitdaging, natuurlijk. Dat gaat over artikel 12 en het nieuwe Wetboek vanStrafvordering. Dat onderwerp zal onze aandacht zeker nog uitvoerigkrijgen. Ik wil het volgende corrigeren. Ik noemde eerder de driemaanden-termijn met betrekking tot de beklagprocedure, maar die driemaanden-termijn ziet op een onderdeel daarvan, namelijk op het indienen van hetverslag door de advocaat-generaal. Dat is natuurlijk slechts een onderdeelvan de beklagprocedure. In het nieuwe wetboek zoals het nu luidt, wordtgeen termijn voor de hele artikel 12-procedure gesteld, wel dus diedriemaandentermijn voor de advocaat-generaal, maar ook een termijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13438 voor het beklag bij niet opsporen. Daar moet de officier van justitie binnenzes weken op beslissen. Dat is de termijn gesteld aan het beklag bij nietopsporen. Nou goed, het is duidelijk dat dit onderwerp bredere aandachtverdient wanneer we het nieuwe Wetboek van Strafvordering verder gaanbespreken.Voorzitter. Mevrouw Wijen-Nass legt de vinger op de gevoelige plek alshet gaat om de suggestie van de heer Eerdmans. Dat heeft te maken metcapaciteit en belasting van de strafrechtketen, en raakt overigens ookmeer fundamenteel aan de positie van het slachtoffer in de toekomst ende verwachtingen die met betrekking daartoe kunnen bestaan. Dus hetraakt eigenlijk aan het thema dat het voor slachtoffers duidelijker moetworden wat hun plaats is in de procedure op welk moment dan ook, watze kunnen doen als ze dat willen en wat daar de gevolgen van zijn. Dushet heeft te maken met helderheid, met duidelijkheid in het algemeen,maar specifiek ook met capaciteit bij de rechtspraak. We nemen het mee.We nemen de suggestie van de heer Eerdmans graag mee daar waar weverder nadenken over mogelijkheden van reflectie op de uitspraak.Voorzitter. Mevrouw Palmen vroeg aandacht voor de signaalfunctie dieook gesignaleerd wordt in de belangrijke, zeer behulpzame brief vanSlachtofferhulp Nederland, waarin allerlei belangrijke elementen naarvoren komen. Er is op dit moment nog geen juridische basis voor deinspectie om toezicht te houden op slachtofferorganisaties, maar daarwordt aan gewerkt, want het zou goed zijn als de inspectie daar ook eencontrolerende rol in gaat krijgen.Ik kom, in omgekeerde volgorde dus, op de nadere opmerking vanmevrouw Mutluer.De voorzitter:Maar eerst nog even een interruptie van de heer Eerdmans.De heer Eerdmans (JA21):Ik begrijp dat dit de reactie was op mijn verzoek over het tweedespreekrecht, ook naar aanleiding van de opmerking van mevrouwWijen-Nass. Ik denk niet dat dat tot vertraging leidt, want dat is een heeleenvoudige, korte verklaring van slachtoffers/nabestaanden na het vonnis.Daar hoeft ook niet meer op gereageerd te worden, dus dat geefthelemaal geen administratiever rompslomp, denk ik. Verwachtingen zijner ook niet, want het is eigenlijk een eenzijdig bericht van nabestaandennaar de dader. Ik ben blij dat de Staatssecretaris dit meeneemt, want ikdenk dat je daar veel mee bereikt voor weinig moeite. Het hoeft in heelveel gevallen natuurlijk ook helemaal niet plaats te vinden, want heel veelslachtoffers willen geen spreekrecht en anderen zijn daar na één keer ookvan af. Maar in bepaalde gevallen, in ernstige zaken, zou het prima zijnom de slachtoffers te laten reageren op het vonnis. Maar dank dat het inieder geval wordt meegenomen.Staatssecretaris Struycken:We nemen dit graag mee.Voorzitter. Mevrouw Mutluer kondigde aan dat ze verder wil nadenken enons wil aanzetten om na te denken over snelle en flexibele financiëletoezeggingen, afwikkeling. Daar gaan we natuurlijk gaarne naar kijken.Meer in het bijzonder refereerde zij aan de Goede Herder en de aandachtdie het Rijk daarvoor moet hebben. Dat onderschrijf ik. Voor zover mijbekend doet het college van B en W in Almelo onderzoek. MevrouwMutluer refereert aan archeologisch onderzoek. Ik zal navragen wat datonderzoek precies behelst. Het is duidelijk de intentie om dat te latenleiden tot wat zij wenst, namelijk dat er passende aandacht komt voor deslachtoffers van die vreselijke episode uit het verleden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13439 Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik raad de Staatssecretaris sowieso aan om de 2Doc-documentaire vandeze zomer over de Goede Herder terug te kijken. Dan zal hij zien hoeheftig het is geweest en dat het zich ook niet alleen heeft afgespeeld inAlmelo maar ook in andere steden en wereldwijd. Ik denk dat ik ietsanders vraag aan de Staatssecretaris ten aanzien van het uit de anoni-miteit halen van deze slachtoffers. Ik ga kijken of ik met een suggestie kankomen richting de bewindspersoon. Hopelijk krijg ik hem daarin mee. Hiermoeten we meer dan aandacht aan schenken.Staatssecretaris Struycken:Ik kom op de opmerkingen van de heer Van Nispen. Over het maximeren,het plafond, komen we snel met duidelijkheid. Als dat niet nog eind ditjaar is, dan zal dat zeker in de meerjarenagenda terechtkomen.Hij refereerde ook aan het belang van sancties. Daar hebben we uitvoerigover gesproken. Dat komt terug in de beleidsreactie.Ik heb de suggestie van de heer Krul genoteerd om ook te kijken naarBelgië.De voorzitter:Ja, maar nog even een vraag van de heer Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Over die sancties hebben we het uitgebreid gehad, maar ik heb er nu eennieuw voorstel aan toegevoegd, althans niet een nieuw voorstel, maar ikben benieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris. Dat mag ook later,hoewel ik liever heb dat hij dat vandaag toezegt. Ik zei: als een zaak almeer dan drie jaar duurt, dan moet er op initiatief van het letselschade-slachtoffer gewoon een knoop kunnen worden doorgehakt. Als eenverzekeraar het niet voor elkaar krijgt om een zaak binnen drie jaar af tewikkelen, dan is er meer aan de hand. Dan is er sprake van traineren. Eenzaak moet eigenlijk altijd binnen drie jaar worden afgehandeld, tenzij hetslachtoffer zegt dat de medische eindsituatie inderdaad nog niet duidelijkis en het dus in het belang van het slachtoffer is. Kortom, ook dat voorstelheb ik gedaan. Ik kom misschien ook met een motie daarop, maar ik hoopdat de Staatssecretaris daar positief op kan reageren.Staatssecretaris Struycken:Wellicht wel, maar nog niet nu. Ik begrijp dat het voorstel bekend is en dathet onderdeel zal zijn van onze beleidsreactie.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Ik begon te zeggen dat we de suggestie van de heer Krul meenemen. Zijnnadere opmerking is verhelderend, in die zin dat eigenlijk al op hetmoment van aangifte helderheid over de openbaarheid een grote rol kanspelen voor het slachtoffer, maar ook voor de aangiftebereidheid. Hoe wedat vorm kunnen geven, weet ik nu nog niet precies, maar ik zie hetbelang ervan. Het is een verhelderende toevoeging.Dan kom ik tot slot bij de heer Ellian. Hij vroeg terecht aandacht voor deprivacy van de advocaat en om dat niet te vergeten.Hij maakte ook een opmerking over Bovensmilde. Dat raakt bij mij eengevoelige snaar. Ik was 7 toen de school werd gegijzeld, even oud als dekinderen die daar in die school zaten. Ik merk, ook nu fysiek, dat het meniet onberoerd laat, want ik herinner me nog zo duidelijk wat hetbetekende. De angst eigenlijk, die we in heel Nederland deelden. Allejongens en meisjes van 7 en daaromtrent en hun ouders zaten daar vijfdagen in enorme spanning. Dus ik begrijp heel goed dat de jongens enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13440 meisjes en hun omgeving die dat meegemaakt hebben destijds,misschien toen niet goed geholpen zijn. Althans, dan zijn we aan hetterugkijken naar normen van destijds, maar in ieder geval begrijp ik dat zenú een behoefte hebben aan ondersteuning en hulp, in deze tijd, vandaag.Dus het is erg goed dat daarnaar gekeken wordt en dat er nu overgesproken wordt. Ik wil het lid Ellian eigenlijk een groot complimentgeven dat hij er aandacht voor gevraagd heeft en er ook structureelaandacht aan geeft. Daarmee draagt hij, en u allen, bij aan wat ik ook zobelangrijk vind vanuit het kabinet, namelijk een goede, passende,adequate behandeling van slachtoffers en nabestaanden, nu, in hetverleden en in de toekomst.De voorzitter:Mooie woorden voor op het einde. Zijn er bij de leden nog vragenonbeantwoord gebleven? Nee, dat is niet het geval. Dan concludeer ik datde heer Eerdmans de eer heeft om als eerste spreker bij het tweeminuten-debat te mogen spreken. Dat is hartstikke mooi. Ja, omdat de heer Krulhet vergeten was, oké.We gaan naar de toezeggingen, brieven die nog naar de Kamer komen.–De Staatssecretaris stuurt in het tweede kwartaal 2025 de nieuwemeerjarenagenda slachtofferbeleid naar de Kamer. Dat is één.–Twee. De Staatssecretaris stuurt voor het einde van 2024 de beleidsre-actie op het WODC-rapport over letselschade naar de Kamer.–Drie. De Staatssecretaris stuurt in het eerste kwartaal van 2025 eenreactie naar de Kamer op de vragen die gesteld zijn over de uitsluitingbinnen gemeenschappen, bezien vanuit het strafrecht en hulpverle-ningsrecht.Daar heeft de heer Krul nog een opmerking over. Dit is de laatstetoezegging die wij hebben genoteerd qua brieven. Er zijn nog heel veelinhoudelijke en beleidsmatige dingen gezegd. Dat zien we niet allemaalals toezeggingen die ik hier nu op papier heb.De heer Krul (CDA):Dat begrijp ik, maar dan ben ik wel even benieuwd of de Staatssecretariseen globaal tijdpad kan koppelen aan zijn onderzoek naar deopenbaarheid.Staatssecretaris Struycken:Het voornemen is om dat onderdeel te laten zijn van de meerjarenagenda,die we dus aankondigen voor het tweede kwartaal van 2025.De voorzitter:Goed, dat gaan we noteren.De heer Eerdmans (JA21):Het is voor mij nu even te verwarrend, dus ik probeer het even goed teconcluderen. Er komt volgens mij ook nog een brief over de action directe;daar zou de Staatssecretaris op terugkomen. Stond die daarbij? Want datheb ik gewoon niet goed gehoord, misschien.De voorzitter:Dat is onderdeel van die nieuwe meerjarenagenda.De heer Eerdmans (JA21):O, dat heet zo. Oké. Daar zit ook het beroep tegen afwijzing bij, volgensmij, van de artikel 12-procedure? Oké. En de tweede termijn spreekrecht,die zou er ook nog in meegenomen moeten worden, of tenminste: diemoet apart genoteerd worden, denk ik. Toch?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13441 Staatssecretaris Struycken:Ja, mijn idee is dat het allemaal valt onder reflectie in algemene zin. Dat isallemaal onderdeel van de meerjarenagenda, behoudens al datgene watonderdeel zal uitmaken van de beleidsreactie op het WODC-rapport datziet op de letselschade.De voorzitter:Is dat naar tevredenheid? Goed.Dan dank ik de Staatssecretaris voor zijn komst. Ik dank de leden voor huninbreng en ik dank natuurlijk het publiek.Sluiting 12.58 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 552, nr. 13442
Gerelateerde bronnen
- Slachtofferbeleid
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 16 oktober 2024, over Slachtofferbeleid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.