KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over toezegging gedaan tijdens het commissiedebat sturing in het funderend onderwijs van februari, over vertrouwelijke informatiedeling voor de cao-onderhandelingen (Kamerstuk 27923-515)

25 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 98b5381a35fa111d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202627 923Werken in het onderwijsNr. 517 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 25 november 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 5 september 2025over de toezegging gedaan tijdens het commissiedebat sturing in hetfunderend onderwijs van februari, over vertrouwelijke informatiedelingvoor de cao-onderhandelingen (Kamerstuk 27 923, nr. 515).De vragen en opmerkingen zijn op 18 september 2025 aan de Staatssecre-taris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van25 november 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Van Thiel kst-27923-517ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5171 Inhoudblz.IVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie3•Inbreng van de leden van de NSC-fractie4•Inbreng van de leden van de D66-fractie4•Inbreng van de leden van de BBB-fractie5IIReactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap5 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deonderhavige brief en deze leden moeten zeggen dat deze meer vragenoproept dan dat deze beantwoordt. Met deze brief reageerde detoenmalige Staatssecretaris Paul op de wens van de Kamer dat hetkabinet relevante ruimtebrieven in het onderwijs voortaan inzichtelijkmaakt voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwijzen naar het pamflet Groterdenken, kleiner doen1, dat de lezers waarschuwde dat onderwijs te vaakwordt benaderd vanuit bedrijfsmatig denken, terwijl dit geen recht doetaan de waarde van onderwijs en ontplooiing als sociaal grondrecht, wat in1983 met algemene instemming in de Grondwet werd opgenomen. Inhoeverre betekent de reactie van de Staatssecretaris dat het kabinetvasthoudt aan een bedrijfsmatige benadering van het onderwijs? De ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren namelijk dat het kabinetvakbonden en werkgevers in het onderwijs nog altijd in een ongelijk-waardige positie plaatst ten opzichte van het kabinet. Kan de Staatssecre-taris toelichten waarom werkgevers in het onderwijs wèl de informatieover de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling ontvangen,maar vakbonden níet, terwijl de arbeidsvoorwaarden volledig zijngedecentraliseerd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris naarde overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor hetversturen van een brief naar de PO- en VO-raad, waarbij zij enkelherbevestigt wat ook al in de motie Van den Hul c.s. uit 20192 stond? Kande Staatssecretaris specificeren wat deze brief anders maakt dan de motieVan den Hul? Klopt het beeld dat deze brief alleen betrekking heeft op hetprimair en voortgezet onderwijs, terwijl de motie op alle onderwijssec-toren betrekking heeft? In hoeverre heeft ook de Minister werkgevers inhet mbo, hbo en universiteiten benaderd om de informatie over dekabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling met vakbonden(vertrouwelijk) te delen? Zijn werkgevers in het mbo, hbo en universiteitenook daartoe bereid?Het baart de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen dat de keuzevoor het delen van de informatie uit de ruimtebrief nog altijd bijwerkgevers ligt. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat hij devakbonden hiermee nog steeds in een afhankelijke positie houdt tenopzichte van werkgevers? Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretariseventueel om werkgevers in het onderwijs meer te binden om alleinformatie uit de ruimtebrief met vakbonden te delen? Is er door de1Herman Tjeenk Willink: Groter Denken, Kleiner Doen, Prometheus, Amsterdam 2018.2Kamerstukken II, 2018/19, 35 000 VIII, nr. 173.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5172 Staatssecretaris naar alternatieven gekeken? En zo ja, kan de Staatssecre-taris dan ook duidelijk maken welke alternatieven op tafel hebben gelegenen waarom daar niet voor is gekozen? Accepteert de Staatssecretaris dat,net zoals na de motie Van den Hul, werkgevers in het onderwijs nogsteeds niet bereid zijn om alle informatie uit de brief met de kabinetsbij-drage in de arbeidskostenontwikkeling met vakbonden te delen?Kan de Staatssecretaris specificeren in hoeverre de werkgevers in hetonderwijs afgelopen jaren opvolging hebben gegeven aan de motie Vanden Hul? Hebben de vakbonden voor dit jaar, maar ook voor afgelopenjaren, inmiddels de informatie uit de ruimtebrief ontvangen? De leden vande GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris of hij – eventueelgedeeltelijk vertrouwelijk – een overzicht kan geven van de hoeveelheidgeld die werkgevers in het primair en voortgezet onderwijs, mbo, hbo enuniversiteiten aan kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkelinghebben ontvangen en met hoeveel macrobudget voor de lonen in elk vandeze sectoren is gestegen?Tevens wijzen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erop dat dedaadwerkelijke cao-lonen in de markt afgelopen jaren hoger zijn dan dedoor het Centraal Planbureau (CPB) geraamde cao-lonen marktsectorenuit het Centraal Economisch Plan (CEP). Kan de Staatssecretaris dit beeld,door middel van een overzicht van de afgelopen vijf jaren, bevestigen?Wat zegt dit over de verwezenlijking van het doel van de referentiesyste-matiek, om de loonontwikkeling in het onderwijs zo goed mogelijk aan tesluiten bij de loonontwikkeling in de markt? Betekent dit dus ook dathiermee de vergoeding vanuit het kabinet aan de onderwijssectorenachter is gaan lopen op de gemiddelde contractloonstijging in de markt?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie concluderen daarnaast uit debeslisnota dat er nog steeds een rechtszaak loopt en dat vanwege het feitdat het kabinet geen opvolging geeft aan de rechterlijke uitspraak3 waarindoor de rechter wordt gesteld dat alle ruimtebrieven, na afronding vancao-onderhandelingen, openbaar dienen gemaakt te worden. Waarommaakt het kabinet niet alle informatie over de kabinetsbijdrage in dearbeidskostenontwikkeling van afgeronde cao-trajecten openbaar? Is deStaatssecretaris bereid dit alsnog te doen?Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie naar debezuiniging op de kabinetsbijdrage voor de incidentele loonontwikkelingvan € 100 miljoen op de arbeidsvoorwaarden van agenten, leraren,rechters en ambtenaren per 2029. Is deze bezuiniging structureelingeboekt of (tweemaal) incidenteel? Betekent deze bezuiniging dat dekabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling vanaf 2029 daalt en datdit mogelijkerwijs gaat leiden tot minder loonruimte voor overheidswerk-gevers? Welk effect gaat deze bezuiniging hebben op de kabinetsbijdragein de arbeidskostenontwikkeling specifiek voor het onderwijs?Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deKamerbrief over de toezegging die gedaan is tijdens het commissiedebatsturing in het funderend onderwijs van februari, over vertrouwelijkeinformatiedeling voor de cao-onderhandelingen, en hebben daarovergeen vragen.3Rechtbank Midden-Nederland, 2 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2877(https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2877).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5173 Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris naar aanleiding van haar eerdere toezegging overinformatiedeling voor de cao-onderhandelingen en de andere aanver-wante stukken.Het is van groot belang dat alle partijen in cao-onderhandelingeneenzelfde niveau van kennis hebben, dus het is goed dat de loonruimte-brief nu vertrouwelijk kan worden gedeeld. Nog beter zou het zijn alsdegene die het beleid maakt in de brief ook aan tafel aanschuift. Nu steltde Staatssecretaris voor om achteraf «tripartiet» te reflecteren. Waaromalleen achteraf? Goede arbeidsvoorwaarden zijn immers randvoorwaar-delijk voor goed onderwijs.De Staatssecretaris is (mede)stelselverantwoordelijk voor de arbeidsvoor-waarden in de OCW-sectoren. Rijksregie en duidelijke kaders zijnwenselijk bij deze onderhandelingen. Echter, de Staatssecretaris neemtniet deel, terwijl haar ambtsgenoten wel partner zijn bijcao-onderhandelingen voor het funderend onderwijs. De vraag van deleden van de NSC-fractie is wat de Staatssecretaris ervan weerhoudt omdeel te nemen. Deze leden zouden graag zien dat de Staatssecretarisverder betrokken raakt. Welke opties en meerwaarde ziet de Staatssecre-taris om een actievere rol te nemen dan alleen informatiedeling in decao-onderhandelingen van het funderend onderwijs?Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie zijn teleurgesteld dat vakbonden nog steedseen ongelijkwaardige positie houden, ondanks de toezegging van deStaatssecretaris in het commissiedebat Sturing in het funderendonderwijs om afspraken met werkgevers en werknemers te maken tenbehoeve van een gelijke informatiepositie, met betrekking tot de kabinets-bijdrage in de arbeidskostenontwikkeling. Immers, zij blijven afhankelijk ofwerkgevers bereid zijn om deze informatie te delen. Deze leden vragenwelke garantie zij hebben dat vakbonden deze informatie nu volledigzullen ontvangen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris het eens is datdeze ongelijkwaardige positie, ook na het versturen van de brief naar dewerkgevers in het funderend onderwijs, voor vakbonden blijft bestaan. Inhoeverre vindt de Staatssecretaris dat hiermee de door de Staatssecre-taris gedane toezegging recht wordt gedaan? Waarom is, om eengelijkwaardigere positie voor vakbonden te bewerkstelligen, ervoorgekozen om dit via een brief aan werkgevers te doen? Zijn er ook andereopties verkend? Zo ja, welke?Uit de beslisnota blijkt dat er ook is gekeken naar een convenant. De ledenvan de D66-fractie vragen de Staatssecretaris waarom niet voor eenconvenant is gekozen. Tevens vragen deze leden waarom de ruimtebriefniet direct naar vakbonden gestuurd kan worden. Immers constateren zijdat vakbonden, als het goed is, de informatie nu toch al ontvangen. Watzijn de bezwaren tegen het direct toesturen van de ruimtebrief naar deonderwijsvakbonden? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dathierdoor wel een gelijkwaardige positie van vakbonden en werkgevers inhet onderwijs zou ontstaan?De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris naar meertoelichting op de risico’s voor het financiële belang van de Staat en hetborgen van een open en reëel cao-overleg. Welke risico’s verwacht deStaatssecretaris als hij de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwik-keling (vertrouwelijk) bekend maakt aan vakbonden? Deze leden consta-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5174 teren dat het dan nog steeds aan werkgevers in het onderwijs is welkeloonafspraken zij maken en dat dat niet betekent dat er extra geld bij dientte komen. Graag vragen deze leden hierop een reflectie van de Staatsse-cretaris.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overde toezegging gedaan tijdens het commissiedebat sturing in hetfunderend onderwijs van februari, over vertrouwelijke informatiedelingvoor de cao-onderhandelingen. Deze leden hebben de volgende vragenaan de Staatssecretaris.De leden van de BBB-fractie hechten aan transparantie en gelijkwaar-digheid in arbeidsverhoudingen. Deze leden constateren dat de huidigeaanpak afhankelijk blijft van de bereidheid van werkgevers om informatiete delen. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken of een wettelijkeborging van gelijke informatiepositie aan de cao-tafel mogelijk is, zodatvakbonden niet afhankelijk zijn van de discretionaire keuze vanwerkgevers?4 Kan de Staatssecretaris aangeven hoe wordt gemonitord ofde vertrouwelijke informatiedeling daadwerkelijk leidt tot beterecao-onderhandelingen en versterking van arbeidsvoorwaarden in hetfunderend onderwijs?Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de Staatssecretarisverwijst naar een evaluatiemoment na de eerste cao’s. Deze leden vindendat evaluatie alleen zinvol is als deze transparant en publiek is. Is deStaatssecretaris bereid om de evaluatie van de vertrouwelijke informatie-deling publiek te maken en daarbij ook de ervaringen van vakbonden enraden te betrekken?De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de democratischelegitimiteit van besluitvorming rond cao-onderhandelingen, zekerwanneer vertrouwelijke informatie slechts beperkt gedeeld wordt. Hoewordt geborgd dat ook leraren, schoolleiders en ouders via hun vertegen-woordigers zeggenschap hebben over de inzet van loonruimte enarbeidsvoorwaarden?Tot slot willen de leden van de BBB-fractie de Staatssecretaris wijzen ophet belang van structurele versterking van het opleidingsklimaat in hetfunderend onderwijs. De brieven en nota maken geen melding vankoppeling met opleidingsinspanningen. Is de Staatssecretaris bereid omte onderzoeken hoe vertrouwelijke informatiedeling gekoppeld kanworden aan regionale programma’s voor opleiding, loopbaanontwikkelingen behoud van personeel?II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Graag wil ik de leden van fracties van GroenLinks/PvdA, VVD, NSC, D66en BBB danken voor hun inbreng inzake de brief van 5 september 2025over de toezegging gedaan tijdens het Commissiedebat sturing in hetfunderend onderwijs van 12 februari 2025, over vertrouwelijke informatie-deling voor de cao-onderhandelingen.5 Voordat ik toekom aan debeantwoording schets ik graag de context rond het vertrouwelijk delenvan informatie aan de cao-tafel.4Bijlage 2025D37390 bij Kamerstukken II, 2024/25, 27 923, nr. 515.5Kamerstukken II, 2024/25, 27 923, nr. 515; brief van 5 september 2025 over vertrouwelijkeinformatiedeling voor de cao-onderhandelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5175 Cao-partijen binnen het funderend onderwijs zien het als probleem dat hetkabinet de informatie over de jaarlijkse kabinetsbijdrage in de arbeidskos-tenontwikkeling alleen met de werkgeversorganisaties (hierna: «deraden») deelt. In 2024 heeft mijn ambtsvoorganger zich samen met hetveld intensief gebogen over de sturing in het funderend onderwijs, op deterreinen bekostiging, zeggenschap en arbeidsvoorwaardenvorming.6 Ophet terrein van de arbeidsvoorwaardenvorming kwam in deze herijkinghet vraagstuk rond het vertrouwelijk delen van informatie aan de orde. Inde jaarlijkse brief over de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwik-keling (ofwel de «kabinetsbijdragebrief», voorheen aangehaald als«ruimtebrief») zien de raden welke financiële ruimte erbij komt voorcao-afspraken over loonontwikkeling of andere arbeidsvoorwaarden. Omde onderhandelingspositie van de raden te beschermen, en in hetverlengde daarvan de financiële positie van de Staat, ontvangen de radende brief vertrouwelijk.7 De werknemersorganisaties in het funderendonderwijs ervaren hierdoor in het cao-overleg een ongelijke informatiepo-sitie ten opzichte van de werkgevers en geven aan dat dit niet bijdraagtaan het onderlinge vertrouwen aan de cao-tafel. Als gevolg daarvan ligthet accent in de cao-onderhandelingen te veel op (de hoogte van) deloonruimte, in plaats van op de inzet van de arbeidsvoorwaardenruimtevoor inhoudelijke onderwerpen.Tijdens het Commissiedebat sturing in het funderend onderwijs heeft mijnambtsvoorganger hierover toegezegd dat zij de Kamer op de hoogte zalhouden over de vertrouwelijke informatiedeling voor decao-onderhandelingen in het funderend onderwijs.8 Ze gaf in het debataan bereid te zijn hierover afspraken te maken met cao-partijen in hetprimair onderwijs (po) en het voortgezet onderwijs (vo). Ter uitvoeringvan deze toezegging zijn gesprekken gevoerd met de cao-partijen. Degesprekken hebben geresulteerd in een brief aan de PO-Raad en VO-raaden brieven aan de betrokken vakbonden. Daarin is de te volgen hande-lingsmogelijkheid voor het vertrouwelijk delen van de sectoraleloonruimte bevestigd. Uw Kamer heeft afschriften van deze brievenontvangen, voorzien van een toelichting over de uitvoering van debetreffende toezegging.De kern van de handelingsmogelijkheden is dat de werkgeversorgani-saties de betrokken vakbonden vertrouwelijk kunnen informeren over desectorale loonruimte. De PO-Raad en de VO-raad hebben in de herijkingook al toegezegd dat zij bereid zijn informatie te delen. Om het cao-procesin het funderend onderwijs te ondersteunen, informeert OCW debetrokken vakbonden AOb, AVS, CNV, FNV en FvOv in het vervolg overhet moment waarop de kabinetsbijdrage aan de werkgeversorganisatiesbekend wordt gemaakt. Hiermee is een belangrijke stap gezet waarmeeeen meer gelijke informatiepositie aan de cao-tafel wordt bereikt. Dit isgeen doel op zich. Deze handelingswijze is ondersteunend voorconstructief overleg tussen de werkgevers en de vakbonden in hetfunderend onderwijs, over welke arbeidsvoorwaarden nodig zijn voorgoed onderwijs.6Kamerstukken II, 2023/24, 31 293, nr. 727; brief van 5 april 2024 over de herijking sturingfunderend onderwijs.7De vertrouwelijkheid van de brief is ook van belang omdat de hoogte van de kabinetsbijdragein de regel gelijk is voor alle onderwijssectoren en de kabinetssectoren (de sectoren waarin hetkabinet zelf werkgever is: Defensie, Politie, Rijk, Rechterlijke macht).8TZ202502-083: De Staatssecretaris zal de Kamer op de hoogte houden over de vertrouwelijkeinformatiedeling voor de CAO-onderhandeling over de Ruimtebrief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5176 Begin november zijn onderhandelaarsakkoorden gesloten voor deCAO PO en de CAO VO 2025–2027. Er zal een evaluatief gesprek volgenmet cao-partijen over de gevolgde werkwijze en de effecten daarvan.Daarover zal ik u te zijner tijd informeren.Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deonderhavige brief en deze leden moeten zeggen dat deze meer vragenoproept dan dat deze beantwoordt. Met deze brief reageerde detoenmalige Staatssecretaris Paul op de wens van de Kamer dat hetkabinet relevante ruimtebrieven in het onderwijs voortaan inzichtelijkmaakt voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwijzen naar het pamflet Groterdenken, kleiner doen9, dat de lezers waarschuwde dat onderwijs te vaakwordt benaderd vanuit bedrijfsmatig denken, terwijl dit geen recht doetaan de waarde van onderwijs en ontplooiing als sociaal grondrecht, wat in1983 met algemene instemming in de Grondwet werd opgenomen. Inhoeverre betekent de reactie van de Staatssecretaris dat het kabinetvasthoudt aan een bedrijfsmatige benadering van het onderwijs?Er is geen sprake van een bedrijfsmatige benadering: het cao-kader biedtde nodige flexibiliteit en het past zowel op het bedrijfsleven als op de(semi)publieke sector. Werkgevers(organisaties) en vakbonden in hetonderwijs zijn zelf verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden. Zokunnen ze maatwerk bieden, is er minder regeldruk en is de betrokkenheidvan werkgevers en werknemers groter.In de periode tussen 1996 en 2014 volgde de decentralisatie van dearbeidsvoorwaardenvorming in het funderend onderwijs op de invoeringvan de lumpsumbekostiging. In het verlengde van de budgettaireverantwoordelijkheid van de schoolbesturen werd ook de verantwoorde-lijkheid voor de arbeidsvoorwaarden(vorming) overgedragen aan dewerkgevers. De (afspraken over) arbeidsvoorwaarden hebben immers eengrote invloed op de uitgavenkant. Deze systeemwijzigingen hadden eendrieledig doel. Ten eerste ruimte voor maatwerk in de arbeidsvoor-waarden op sector-, bestuur- en schoolniveau. Ten tweede het vermin-deren van bureaucratie en regeldruk. De arbeidsvoorwaarden gebundeldin één cao, maakte de regelingen voor het personeel duidelijker entoegankelijk. Ten derde de grotere betrokkenheid van werkgevers enwerknemers. De arbeidsvoorwaarden werden meer gericht op professio-nalisering van het personeelsbeleid en daarmee op onderwijskwaliteit.Het resultaat is dat schoolbesturen zelf gaan over cao-afspraken gerichtop goed onderwijs. Het cao-recht biedt hiervoor het juridisch kader.Binnen dat kader is er ruimte voor open en reëel cao-overleg in allesectoren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren namelijk dat hetkabinet vakbonden en werkgevers in het onderwijs nog altijd in eenongelijkwaardige positie plaatst ten opzichte van het kabinet. Kan deStaatssecretaris toelichten waarom werkgevers in het onderwijs wèl deinformatie over de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkelingontvangen, maar vakbonden níet, terwijl de arbeidsvoorwaarden volledigzijn gedecentraliseerd?De werkgeversverenigingen in het onderwijs ontvangen de brief over dekabinetsbijdrage vanwege de budgettaire verantwoordelijkheid van dewerkgevers. De brief wordt niet gedeeld met de bij het cao-overleg9Herman Tjeenk Willink: Groter Denken, Kleiner Doen, Prometheus, Amsterdam 2018.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5177 betrokken vakbonden, om de onderhandelingspositie van de werkgeversin de onderwijs- en kabinetssectoren te beschermen, en in het verlengdedaarvan het financiële belang van de Staat. De kabinetsbijdragebrief raaktook meer sectoren dan het funderend onderwijs, in deze sectoren is hetvan belang dat reëel overleg kan worden gevoerd over de inzet vanarbeidsvoorwaardenruimte.Het is inherent aan cao-onderhandelingen dat werkgevers én devakbonden zich niet in een volledig gelijke positie bevinden ten opzichtevan elkaar. Hoewel beide staan voor goed onderwijs, verschillen hunrollen en verantwoordelijkheden aan de cao-tafel. Veel informatie wordtniet of pas op een bepaald moment gewisseld, bijvoorbeeld over deonderhandelingsmarges, omdat het wel of niet uitwisselen van informatieeen essentieel onderdeel is van de onderhandelingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris naarde overwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor hetversturen van een brief naar de PO- en VO-raad, waarbij zij enkelherbevestigt wat ook al in de motie Van den Hul c.s. uit 201910 stond? Kande Staatssecretaris specificeren wat deze brief anders maakt dan de motieVan den Hul?De motie Van den Hul c.s. verzocht de regering, «er zorg voor te dragendat de hierop van toepassing zijnde ruimtebrieven voortaan inzichtelijkzijn voor alle sociale partners aan de cao-onderhandelingstafel».11 Teruitvoering van deze motie heeft het kabinet de werkgeversorganisaties inhet onderwijs destijds gewezen op het verzoek uit de motie. Daarbij isexpliciet aangeven dat de motie op gespannen voet staat met devertrouwelijkheid van de brief over de kabinetsbijdrage en het beginselvan onderhandelingsvrijheid.Ten opzichte van de motie Van den Hul is met de recente brieven aan decao-partijen in het po en vo duidelijk gemaakt wat er wel kan, namelijk hetvertrouwelijk onderling delen van sectorale loonruimte. Informatie overde sectorale loonruimte geeft een vollediger beeld dan de kabinetsbij-drage, omdat de bijdrage slechts een onderdeel van de loonruimte is. Hetdelen van de sectorale loonruimte kan binnen de conditie van vertrouwe-lijkheid van de brief over de kabinetsbijdrage. Daarmee realiseren we inde praktijk een meer gelijke informatiepositie aan de cao-tafels in hetfunderend onderwijs. Een meer gelijke informatiepositie is overigens geendoel op zich. Als uitvloeisel van de «herijking sturing in het funderendonderwijs» werken we aan constructief cao-overleg, over arbeidsvoor-waarden die nodig zijn voor goed onderwijs.Klopt het beeld dat deze brief alleen betrekking heeft op het primair envoortgezet onderwijs, terwijl de motie op alle onderwijssectorenbetrekking heeft?Dit beeld klopt. De brief gaat over de toezegging die is gedaan in hetCommissiedebat funderend onderwijs. Deze brief is beperkt tot hetfunderend onderwijs, als uitvloeisel van de herijking van de sturing die indie sectoren heeft plaatsgevonden.In hoeverre heeft ook de Minister werkgevers in het mbo, hbo enuniversiteiten benaderd om de informatie over de kabinetsbijdrage in dearbeidskostenontwikkeling met vakbonden (vertrouwelijk) te delen?10Kamerstukken II, 2018/19, 35 000 VIII, nr. 173.11Kamerstukken II, 2018/19, 35 000 VIII, nr. 71.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5178 Uit de herijking van de sturing in het funderend onderwijs kwam deongelijke informatiepositie naar voren als probleem. Andere onderwijs-sectoren waren niet bij deze herijking betrokken. Zij zijn op de hoogte vande uitkomsten van de herijking en zijn niet actief benaderd om informatiete delen. Werkgeversorganisaties kunnen per sector een eigen afwegingen keuze maken over het vertrouwelijk delen van informatie aan debetreffende cao-tafel.Zijn werkgevers in het mbo, hbo en universiteiten ook daartoe bereid?Over de eventuele bereidheid van de werkgeversorganisaties in de andereonderwijssectoren zijn mij geen formele standpunten bekend.Het baart de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen dat de keuzevoor het delen van de informatie uit de ruimtebrief nog altijd bijwerkgevers ligt. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat hij devakbonden hiermee nog steeds in een afhankelijke positie houdt tenopzichte van werkgevers?Werkgevers en vakbonden hebben over en weer afhankelijkheden. Het isinherent aan cao-onderhandelingen dat werkgevers én de vakbonden zichniet in een volledig gelijke positie bevinden ten opzichte van elkaar. Veelinformatie wordt ook niet of pas op een bepaald moment gewisseld,bijvoorbeeld over de onderhandelingsmarges, omdat het wel of nietuitwisselen van informatie een essentieel onderdeel is van de onderhan-delingen. De afwegingen en de keuze rond het vertrouwelijk delen van desectoraal beschikbare loonruimte hoort bij de verantwoordelijkheid van dewerkgeversorganisaties voor de arbeidsvoorwaardenvorming. Hoewel erin principe een element van afhankelijkheid is, hebben de PO-Raad enVO-raad tijdens de herijking van de sturing in het funderend onderwijs debereidheid getoond om de informatie over de sectoraal beschikbareloonruimte onderling en vertrouwelijk te delen met de bij het cao-overlegbetrokken vakbonden. Daarom ga ik ervan uit dat zij de informatie zullendelen en bespreken we dit in de evaluatie.Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris eventueel om werkgevers inhet onderwijs meer te binden om alle informatie uit de ruimtebrief metvakbonden te delen?Gegeven de vrijheden die verbonden zijn aan collectieve onderhande-lingen zie ik geen mogelijkheden om de werkgeversorganisaties meer tebinden aan het delen van informatie. De vertrouwelijkheid van de briefover de kabinetsbijdrage blijft van belang, zoals ik in de inleiding hebtoegelicht.Is er door de Staatssecretaris naar alternatieven gekeken? En zo ja, kan deStaatssecretaris dan ook duidelijk maken welke alternatieven op tafelhebben gelegen en waarom daar niet voor is gekozen?Het alternatief dat op tafel heeft gelegen is het vastleggen van afsprakenin een convenant. Dit bleek niet de gewenste zekerheid te geven omdathet moeilijk juridisch te definiëren is welke informatie precies moetworden gedeeld. Daarnaast hadden de PO-Raad en de VO-raad in deherijking al toegezegd dat zij bereid waren informatie te delen. Debevestiging van de handelingsruimte in een brief in combinatie met detoezegging van de raden, leidt mijns inziens tot hetzelfde resultaat als eenconvenant: het onderling en vertrouwelijk delen van de sectoraleloonruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 5179 Accepteert de Staatssecretaris dat, net zoals na de motie Van den Hul,werkgevers in het onderwijs nog steeds niet bereid zijn om alle informatieuit de brief met de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling metvakbonden te delen?De keuzemogelijkheid van werkgeversorganisaties over het delen vaninformatie, vloeit voort uit de collectieve onderhandelingsvrijheid. Dewerkgeversorganisaties in het funderend onderwijs hebben aangegevendat zij transparant willen zijn over de loonruimte. Informatie over desectorale loonruimte geeft een vollediger beeld dan de kabinetsbijdrage,omdat de bijdrage slechts een onderdeel van de loonruimte is. Deinformatie in de kabinetsbijdragebrief is grotendeels bepalend voor desectorale loonruimte, maar geeft geen volledig beeld. Zo kan er in eensector bijvoorbeeld nog loonruimte over zijn uit eerdere jaren, of zijnontstaan door vrijval van een premie. De brief over de kabinetsbijdragegeeft geen inzicht in dergelijke sectoraal-specifieke informatie. De brievenover de kabinetsbijdrage met informatie ouder dan vijf jaar wordenopenbaar gemaakt. Daarin is voor iedereen te zien welke informatie dezebevatten. De kabinetsbijdragebrief raakt meer sectoren dan het funderendonderwijs, ook in deze sectoren is het van belang dat reëel overleg kanworden gevoerd over de inzet van arbeidsvoorwaardenruimte.Kan de Staatssecretaris specificeren in hoeverre de werkgevers in hetonderwijs afgelopen jaren opvolging hebben gegeven aan de motie Vanden Hul?Over het delen van informatie aan de cao-tafels in het onderwijs is over deafgelopen jaren geen informatie voorhanden.Hebben de vakbonden voor dit jaar, maar ook voor afgelopen jaren,inmiddels de informatie uit de ruimtebrief ontvangen?Informatie uit de kabinetsbijdragebrief wordt telkens na vijf jaar openbaargemaakt door het Ministerie van BZK. Deze informatie is ook door devakbonden in te zien.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris of hij– eventueel gedeeltelijk vertrouwelijk – een overzicht kan geven van dehoeveelheid geld die werkgevers in het primair en voortgezet onderwijs,mbo, hbo en universiteiten aan kabinetsbijdrage in de arbeidskostenont-wikkeling hebben ontvangen en met hoeveel macrobudget voor de lonenin elk van deze sectoren is gestegen?In onderstaande tabel staat de hoeveelheid geld voor verhoging van hetpersonele deel en het prijsgevoelige deel van de bekostiging, tranche2025. Dit betreft het totale budget voor de loon- en prijsbijstelling persector. Werkgevers kunnen het budget voor de loonbijstelling inzettenvoor de arbeidskostenontwikkeling. Deze informatie is tevens opgenomenin het Verslag houdende een lijst van vragen inzake de Wijziging van debegrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap (VIII) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met deVoorjaarsnota).1212Kamerstukken II, 2024/25, 36 725 VIII, nr. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51710 Tevens wijzen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erop dat dedaadwerkelijke cao-lonen in de markt afgelopen jaren hoger zijn dan dedoor het Centraal Planbureau (CPB) geraamde cao-lonen marktsectorenuit het Centraal Economisch Plan (CEP). Kan de Staatssecretaris dit beeld,door middel van een overzicht van de afgelopen vijf jaren, bevestigen?Het antwoord op de vraag of de geraamde cao-lonen in de marktsectorenafwijken van de daadwerkelijke cao-lonen, hangt af van de periodewaarnaar wordt gekeken. De ramingen worden met terugwerkende krachtbijgewerkt. Het voorlopige beeld van de afgelopen vijf jaren (2025–2021)op basis van de huidige ramingen is inderdaad dat de cao-lonen in demarkt hoger liggen dan destijds bij CEP geraamd. Samengesteld gaat hetom circa 3,3 procent. Uit de evaluatie van het referentiemodel blijkt datafwijkingen naar boven en beneden over de lange termijn uitmiddelen(2017, pagina 23).13Wat zegt dit over de verwezenlijking van het doel van de referentiesyste-matiek, om de loonontwikkeling in het onderwijs zo goed mogelijk aan tesluiten bij de loonontwikkeling in de markt?Om de aansluiting bij de loonontwikkeling in de markt in de gaten tehouden onderzoekt het kabinet periodiek of de lonen in de kabinetssec-toren marktconform zijn. Een negatief verschil in jaar of in een bepaaldeperiode betekent niet dat de referentiesystematiek niet werkt. En socialepartners kunnen hun loonontwikkelingsruimte naast contractloon(primaire arbeidsvoorwaarde) ook inzetten voor secundaire arbeidsvoor-waarden. Het referentiemodel is het beslismodel van het kabinet voor hetjaarlijks bepalen van de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling.Dit model volgt de loonontwikkeling in de markt waardoor de ontwik-keling van de lonen in de kabinetssectoren en het onderwijs aansluit bij demarkt. We zien dat afwijkingen naar boven en beneden over de langetermijn uitmiddelen.13Kamerstukken II, 2016/17, 34 550 VII, nr. 52.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51711 Uit het beloningsonderzoek uit 202314 volgt dat onderwijspersoneel overhet algemeen marktconform betaald wordt.Betekent dit dus ook dat hiermee de vergoeding vanuit het kabinet aan deonderwijssectoren achter is gaan lopen op de gemiddelde contractloon-stijging in de markt?Het referentiemodel heeft niet tot doel om de loonontwikkeling (primairearbeidsvoorwaarden) in het onderwijs jaarlijks exact gelijk op te latenlopen met die in de markt. Het gaat erom dat de ontwikkeling op de langetermijn in balans kan zijn. Uit de hiervoor genoemde evaluatie van hetreferentiemodel blijkt dat dit het geval is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie concluderen daarnaast uit debeslisnota dat er nog steeds een rechtszaak loopt en dat vanwege het feitdat het kabinet geen opvolging geeft aan de rechterlijke uitspraak15waarin door de rechter wordt gesteld dat alle ruimtebrieven, na afrondingvan cao-onderhandelingen, openbaar dienen gemaakt te worden. Waarommaakt het kabinet niet alle informatie over de kabinetsbijdrage in dearbeidskostenontwikkeling van afgeronde cao-trajecten openbaar? Is deStaatssecretaris bereid dit alsnog te doen?Het kabinet heeft de uitspraak van de rechter opgevolgd. De rechter heeftin deze uitspraak bepaald dat de Minister van BZK een nieuw Woo-besluitmoet nemen over openbaarmaking van de kabinetsbijdragebrieven. Na derechterlijke uitspraak heeft de Minister van BZK op 15 oktober 2024 eennieuw besluit genomen. In het herziene besluit heeft de Minister van BZKnader onderbouwd hoe het financiële belang van de Staat weegt tenopzichte van het belang van openbaarheid, ook voor de jaren waarin decao-onderhandelingen zijn afgerond. Naar aanleiding van de rechterlijkeuitspraak heeft de Minister van BZK besloten het beleid aan te passen ende kabinetsbijdragebrieven ouder dan vijf jaar voortaan openbaar temaken.14Kamerstukken II, 2023/24, 27 923, nr. 461; https://open.overheid.nl/documenten/dpc-daa106937cb404afef4db11ac8503ce3ed331a10/pdf.15Rechtbank Midden-Nederland, 2 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:2877(https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:2877).*Bron: De cijfers zijn samengestelde reeksen. De beloning is op basis van DUO-data encao-ontwikkeling. De inflatie en loonontwikkeling zijn op basis van CPB-data, specifiek resp. hetCPI en het contractloon in de markt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51712 Het kabinet is niet bereid om de meest recente brieven over de kabinets-bijdrage openbaar te maken. Gegeven het feit dat de rechtszaak hierovernog loopt, ga ik hier nu niet verder op in.Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie naar debezuiniging op de kabinetsbijdrage voor de incidentele loonontwikkelingvan € 100 miljoen op de arbeidsvoorwaarden van agenten, leraren,rechters en ambtenaren per 2029. Is deze bezuiniging structureelingeboekt of (tweemaal) incidenteel?De korting van de incidentele loonontwikkeling (ilo) betreft een inhoudingover het jaar 2029. Deze korting werkt structureel door in de jaren erna. Deinhouding van € 100 miljoen is besloten bij Voorjaarsnota 2025,vervolgens is bij de Miljoenennota het restant van de ilo ingehouden.Betekent deze bezuiniging dat de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenont-wikkeling vanaf 2029 daalt en dat dit mogelijkerwijs gaat leiden tot minderloonruimte voor overheidswerkgevers?De loonruimte voor cao-onderhandelingen wordt bepaald op basis vanfluctuaties in de contractloonstijging. De incidentele loonontwikkeling (ilo)is het verschil tussen de gemiddelde brutoloonontwikkeling en deontwikkeling die voortkomt uit cao-wijzigingen. Het kabinet besluitjaarlijks of en hoeveel (standaard 0,3%) zij compenseert voor dit verschil.De ilo maakt daarmee geen onderdeel uit van de loonruimte voorwerkgevers in cao-onderhandelingen, maar kan wel onderdeel zijn van dejaarlijkse kabinetsbijdrage in arbeidskostenontwikkeling. De korting op deilo betekent dus dat de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkelingin 2029 lager is.Welk effect gaat deze bezuiniging hebben op de kabinetsbijdrage in dearbeidskostenontwikkeling specifiek voor het onderwijs?De korting op de ilo betekent dat de kabinetsbijdrage in de arbeidskosten-ontwikkeling lager uitvalt. De ilo is immers onderdeel van de kabinetsbij-drage. Dit effect is niet specifiek voor het onderwijs, maar het geldt inprincipe voor alle kabinets- en onderwijssectoren. Alleen als een sectorwordt uitgezonderd is er sprake van een specifiek sectoraal effect.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deKamerbrief over de toezegging die gedaan is tijdens het commissiedebatsturing in het funderend onderwijs van februari, over vertrouwelijkeinformatiedeling voor de cao-onderhandelingen, en hebben daarovergeen vragen.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris naar aanleiding van haar eerdere toezegging overinformatiedeling voor de cao-onderhandelingen en de andere aanver-wante stukken.Het is van groot belang dat alle partijen in cao-onderhandelingeneenzelfde niveau van kennis hebben, dus het is goed dat de loonruimte-brief nu vertrouwelijk kan worden gedeeld. Nog beter zou het zijn alsdegene die het beleid maakt in de brief ook aan tafel aanschuift. Nu steltde Staatssecretaris voor om achteraf «tripartiet» te reflecteren. WaaromTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51713 alleen achteraf? Goede arbeidsvoorwaarden zijn immers randvoorwaar-delijk voor goed onderwijs.De kabinetsbijdragebrief wordt niet gedeeld. In mijn brief heb ik aan dePO-Raad en de VO-raad aangegeven dat zij de direct bij het cao-overlegbetrokken vakbonden vertrouwelijk kunnen informeren over de sectoraleloonruimte.De reflectie is achteraf om te kunnen evalueren en daarmee vooruit tekijken naar de volgende cao-afspraken. Zoals ik in de inleiding van dezebeantwoording heb geschetst, ging aan de toezegging over het vertrou-welijk delen van informatie aan de cao-tafel, een uitgebreide dialoogvooraf met de cao-partijen in de sector funderend onderwijs. Die dialoogheeft geleid tot het expliciteren in de brief van de mogelijkheid om desectorale loonruimte aan de onderhandelingstafel te delen. De genoemdetripartiete reflectie is bedoeld om te bezien wat het effect is van de nieuwepraktijk van vertrouwelijke informatiedeling aan de cao-tafel. Los daarvanworden onderwerpen rond arbeidsvoorwaarden – in relatie tot goedonderwijs – besproken in tripartiet (bestuurlijk) overleg. Dit is de gangbarepraktijk en het gebeurt wanneer daar aanleiding voor is.De Staatssecretaris is (mede)stelselverantwoordelijk voor de arbeidsvoor-waarden in de OCW-sectoren. Rijksregie en duidelijke kaders zijnwenselijk bij deze onderhandelingen. Echter, de Staatssecretaris neemtniet deel, terwijl haar ambtsgenoten wel partner zijn bijcao-onderhandelingen voor het funderend onderwijs. De vraag van deleden van de NSC-fractie is wat de Staatssecretaris ervan weerhoudt omdeel te nemen. Deze leden zouden graag zien dat de Staatssecretarisverder betrokken raakt. Welke opties en meerwaarde ziet de Staatssecre-taris om een actievere rol te nemen dan alleen informatiedeling in decao-onderhandelingen van het funderend onderwijs?Ik zie geen significante meerwaarde om een actievere rol te nemen bij decao-onderhandelingen. Ten eerste omdat de onderhandelingen in hetonderwijs bewust gedecentraliseerd zijn, zie mijn eerdere antwoordhierover. Om te kunnen onderhandelen aan de cao-tafel, zou de Ministerhiervoor bovendien het wettelijk mandaat moeten krijgen en een structuurmoeten organiseren om de werkgeversbelangen te behartigen aan decao-tafel. Deze wijzigingen zijn voor mij niet nodig om een actieve rol tevervullen bij de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsmarktwerking in hetfunderend onderwijs. Ook nu sta ik in nauw contact met de partijen aan decao-tafel. Als het nodig is weten we elkaar te vinden, ook rond hetonderwerp arbeidsvoorwaarden. Het cao-overleg zelf is vervolgensvoorbehouden aan de werkgevers(organisaties) en de vakbonden. Dewerkgeversrol is niet noodzakelijk voor het kunnen innemen van actievererol bij de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsmarktwerking in hetfunderend onderwijs. Recente voorbeelden van mijn actieve rol zijn hetstimuleren van meer uren werken door leraren in het primair onderwijs(subsidieregeling Meerurenmaatwerk) en met het wetsvoorstel Strate-gisch Personeelsbeleid en Arbeidsmarktmaatregelen ingrijpen op deomvang van dure externe inhuur en het te grote aandeel tijdelijkecontracten.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie zijn teleurgesteld dat vakbonden nog steedseen ongelijkwaardige positie houden, ondanks de toezegging van deStaatssecretaris in het commissiedebat Sturing in het funderendonderwijs om afspraken met werkgevers en werknemers te maken tenbehoeve van een gelijke informatiepositie, met betrekking tot de kabinets-bijdrage in de arbeidskostenontwikkeling. Immers, zij blijven afhankelijk ofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51714 werkgevers bereid zijn om deze informatie te delen. Deze leden vragenwelke garantie zij hebben dat vakbonden deze informatie nu volledigzullen ontvangen.Ik ben verantwoordelijk voor het stelsel van arbeidsvoorwaardenvorming.Hier zit de garantie in. Binnen dit stelsel zie ik ruimte voor goedcao-overleg. Het is aan werkgevers en werknemers om elkaar te infor-meren. Voor het delen van informatie tijdens de onderhandelingen zijncao-partijen van elkaar afhankelijk, ieder vanuit de eigen rol en verant-woordelijkheid. Daarom is het de inzet geweest te komen tot een meergelijke informatiepositie. De bereidheid van cao-partijen in het funderendonderwijs om informatie vertrouwelijk onderling te delen, opgeteld bij dehandelingsmogelijkheid die ik in mijn brieven aan de raden en vakbondenheb bevestigd, biedt de ruimte voor de door deze sectoren gewenstetransparantie.Deze leden vragen of de Staatssecretaris het eens is dat deze ongelijk-waardige positie, ook na het versturen van de brief naar de werkgevers inhet funderend onderwijs, voor vakbonden blijft bestaan. In hoeverre vindtde Staatssecretaris dat hiermee de door de Staatssecretaris gedanetoezegging recht wordt gedaan?Bij de herijking van de sturing in het funderend onderwijs is vastgestelddat een ongelijke informatiepositie niet bijdraagt aan het onderlingevertrouwen aan de cao-tafel. Als resultaat van dat traject hebben webelangrijke stappen gezet naar een meer gelijke informatiepositie in hetcao-overleg in het funderend onderwijs. Voor informatie-uitwisselingtijdens de cao-onderhandelingen blijft er sprake van een wederzijdseafhankelijkheid. De uitvoering van de toezegging is een belangrijke stapvoor het cao-overleg in het funderend onderwijs. De nieuwe werkwijzemaakt het mogelijk dat het cao-overleg meer wordt gericht op arbeids-voorwaarden die ondersteunend zijn voor goed onderwijs, en minder opde beschikbare (loon)ruimte.Waarom is, om een gelijkwaardigere positie voor vakbonden te bewerk-stelligen, ervoor gekozen om dit via een brief aan werkgevers te doen?Om een meer gelijke informatiepositie te bereiken heb ik de werkgeversor-ganisaties én de vakbonden een brief gestuurd over de handelingsmoge-lijkheid rond het vertrouwelijk delen van informatie aan de cao-tafel. Dezebrieven waarderen en honoreren de eigen verantwoordelijkheid vanwerkgevers en werknemers op dit onderwerp. De brieven verschillen tenopzichte van elkaar, omdat de werkgeversorganisaties de partij zijn die deinformatie over de loonruimte vertrouwelijk kunnen delen. Daarom is debrief aan de werkgevers ter informatie als bijlage bijgevoegd bij de briefaan de vakbonden. Zodoende is de handelingsmogelijkheid rond hetvertrouwelijk delen van informatie aan alle partijen bevestigd.Zijn er ook andere opties verkend? Zo ja, welke? Uit de beslisnota blijktdat er ook is gekeken naar een convenant. De leden van de D66-fractievragen de Staatssecretaris waarom niet voor een convenant is gekozen.Zoals ik hiervoor in de beantwoording van vragen van de leden vanGroenLinks/PvdA heb genoemd, is het alternatief dat op tafel heeftgelegen het vastleggen van afspraken in een convenant.Een convenant bleek niet de gewenste zekerheid te geven omdat hetmoeilijk juridisch te definiëren is welke informatie precies moet wordengedeeld. Daarnaast hadden de PO-Raad en de VO-raad in de herijking altoegezegd dat zij bereid waren informatie te delen. De bevestiging van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51715 handelingsruimte in een brief in combinatie met de toezegging van deraden, leidt mijns inziens tot hetzelfde resultaat als een convenant: hetonderling en vertrouwelijk delen van de sectorale loonruimte.Tevens vragen deze leden waarom de ruimtebrief niet direct naarvakbonden gestuurd kan worden. Immers constateren zij dat vakbonden,als het goed is, de informatie nu toch al ontvangen. Wat zijn de bezwarentegen het direct toesturen van de ruimtebrief naar de onderwijsvak-bonden? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat hierdoor weleen gelijkwaardige positie van vakbonden en werkgevers in het onderwijszou ontstaan?De brief over de kabinetsbijdrage biedt niet de (volledige) informatie overde sectoraal beschikbare loonruimte. De werkgeversorganisaties moetenmede op basis van de brief bezien welke (loon)afspraken passend enwenselijk zijn. Een meer gelijke informatiepositie van de vakbonden tenopzichte van de werkgeversorganisaties, is erbij gebaat als de werkgeversde sectoraal beschikbare loonruimte delen.De werkgeversverenigingen in het onderwijs ontvangen de brief over dekabinetsbijdrage vanwege de budgettaire verantwoordelijkheid van dewerkgevers. De brief wordt niet gedeeld met de bij het cao-overlegbetrokken vakbonden, om de onderhandelingspositie van de werkgeversin de onderwijs- en kabinetssectoren te beschermen, en in het verlengdedaarvan het financiële belang van de Staat. Het kabinet is niet bereid omde meest recente brieven over de kabinetsbijdrage openbaar te maken.Gegeven het feit dat de rechtszaak hierover nog loopt, ga ik hier nu nietverder op in.De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris naar meertoelichting op de risico’s voor het financiële belang van de Staat en hetborgen van een open en reëel cao-overleg. Welke risico’s verwacht deStaatssecretaris als hij de kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwik-keling (vertrouwelijk) bekend maakt aan vakbonden?Inzicht in de ruimtebrief kan ertoe leiden dat vakbonden de indruk krijgen(of wekken) dat de kabinetsbijdrage niet volledig of niet optimaal isingezet door werkgevers, of dat zij in het algemeen menen dat dekabinetsbijdrage te laag is (geweest). Dit kan voor vakbonden aanleidingzijn om financiële claims te doen bij werkgevers of (uiteindelijk) hetkabinet. Dit kan leiden tot moeizame onderhandelingen en uiteindelijk– als de werkgevers niet aan de financiële claims tegemoet kunnenkomen – mogelijk een verzoek aan werkgevers of aan het kabinet om extramiddelen ter beschikking te stellen. Dit geldt voor alle kabinets- enonderwijssectoren en raakt rechtstreeks aan de financiële belangen van deStaat.Deze leden constateren dat het dan nog steeds aan werkgevers in hetonderwijs is welke loonafspraken zij maken en dat dat niet betekent dat erextra geld bij dient te komen. Graag vragen deze leden hierop eenreflectie van de Staatssecretaris.Hoewel het nog steeds aan de werkgevers in het onderwijs is welkeloonafspraken zij maken, kan er wel extra druk komen op de werkgeversom de beschikbare middelen in te zetten voor contractloon. Dit schaadt deonderhandelingspositie van de werkgevers omdat de beschikbareloonruimte is bedoeld voor het totaal aan arbeidsvoorwaarden, zowel hetcontractloon (primaire arbeidsvoorwaarde) als voor secundaire arbeids-voorwaarden. Als dit leidt tot het vastlopen van het cao-overleg, kan dituiteindelijk betekenen dat cao-partijen om extra geld gaan vragen aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51716 overheid om de impasse te doorbreken. Zie ook het antwoord op devorige vraag.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overde toezegging gedaan tijdens het commissiedebat sturing in hetfunderend onderwijs van februari, over vertrouwelijke informatiedelingvoor de cao-onderhandelingen. Deze leden hebben de volgende vragenaan de Staatssecretaris.De leden van de BBB-fractie hechten aan transparantie en gelijkwaar-digheid in arbeidsverhoudingen. Deze leden constateren dat de huidigeaanpak afhankelijk blijft van de bereidheid van werkgevers om informatiete delen. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken of een wettelijkeborging van gelijke informatiepositie aan de cao-tafel mogelijk is, zodatvakbonden niet afhankelijk zijn van de discretionaire keuze vanwerkgevers?16Het wettelijk borgen van een gelijke informatiepositie zie ik als onwen-selijk en deze past niet binnen de internationaalrechtelijk gewaarborgdecollectieve onderhandelingsvrijheid. Zoals hiervoor uiteengezet is eenongelijke informatiepositie inherent aan open en reëel cao-overleg.Uitwisselen van informatie gedurende de cao-onderhandelingen isonderdeel van de onderhandelingsstrategie. Met de cao-partijen in hetfunderend onderwijs hebben we stappen gezet naar een meer gelijkeinformatiepositie.Kan de Staatssecretaris aangeven hoe wordt gemonitord of de vertrouwe-lijke informatiedeling daadwerkelijk leidt tot betere cao-onderhandelingenen versterking van arbeidsvoorwaarden in het funderend onderwijs?Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de Staatssecretarisverwijst naar een evaluatiemoment na de eerste cao’s. Deze leden vindendat evaluatie alleen zinvol is als deze transparant en publiek is. Is deStaatssecretaris bereid om de evaluatie van de vertrouwelijke informatie-deling publiek te maken en daarbij ook de ervaringen van vakbonden enraden te betrekken?Begin november zijn onderhandelaarsakkoorden gesloten voor de CAOPO en de CAO VO 2025–2027. We gaan in gesprek over de opgedaneervaring, om te bezien in welke mate het beoogde positieve effect op deonderhandelingen is gerealiseerd. Na afloop van de evaluatie zal ik uwKamer informeren over de uitkomsten. Uiteraard zullen de ervaringen vanbeide zijden van de cao-tafels daarbij aan bod komen. Daarom neem ikinitiatief voor een tripartiete evaluatie.De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de democratischelegitimiteit van besluitvorming rond cao-onderhandelingen, zekerwanneer vertrouwelijke informatie slechts beperkt gedeeld wordt. Hoewordt geborgd dat ook leraren, schoolleiders en ouders via hun vertegen-woordigers zeggenschap hebben over de inzet van loonruimte enarbeidsvoorwaarden?Deze zeggenschap is als volgt geborgd. De leraren en schoolleiders zijnvia hun vakbonden direct vertegenwoordigd in het cao-overleg. Daar vindtop sectoraal niveau overleg plaats over de inzet van de ruimte voornieuwe cao-afspraken. Op schoolniveau zijn leraren en ouders via demedezeggenschapsraad (MR) betrokken bij de arbeidsvoorwaarden. In de16Bijlage 2025D37390 bij Kamerstukken II, 2024/25, 27 923, nr. 515.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51717 MR wordt bijvoorbeeld gesproken over het personeelsbeleid en zaken alswerkdruk.Tot slot willen de leden van de BBB-fractie de Staatssecretaris wijzen ophet belang van structurele versterking van het opleidingsklimaat in hetfunderend onderwijs. De brieven en nota maken geen melding vankoppeling met opleidingsinspanningen. Is de Staatssecretaris bereid omte onderzoeken hoe vertrouwelijke informatiedeling gekoppeld kanworden aan regionale programma’s voor opleiding, loopbaanontwikkelingen behoud van personeel?De inzet van de vertrouwelijke informatiedeling aan de cao-tafel is dat diteen positief effect sorteert op het cao-overleg. Namelijk dat hetcao-overleg meer gericht wordt op zaken die relevant zijn voor goedonderwijs, zoals de aanpak van werkdruk, professionalisering vanonderwijspersoneel, het bieden van carrièreperspectief et cetera.We investeren op dit moment in de regionale aanpak voor het aantrekkenvan nieuw personeel, het behoud van personeel en het bevorderen van decontinuïteit van het onderwijs (bij een personeelstekort). Bij de beoogdeevaluatie van het cao-proces zal ik ook hieraan aandacht besteden. Daarinkijken we met cao-partijen of de nieuwe handelingswijze ondersteunend isvoor constructief cao-overleg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 27 923, nr. 51718

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b780b58dcaf95990

14 okt 2026 · ddc14bb28f7d0569

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.