Monitoring akkoord 'Gezond naar het pensioen'
Brontekst
Versie 0e83c2c86dc06ee7 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 043Toekomst pensioenstelselNr. 713 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 1 juli 2026Langer doorwerken vraagt iets van iedereen, maar in het bijzonder vanmensen die langdurig zwaar werk verrichten. Om te bevorderen datzoveel mogelijk mensen gezond en werkend hun pensioen kunnenbereiken, hebben vakbonden, werkgeversorganisaties en het kabinet inoktober 2024 het akkoord «Gezond naar het pensioen» gesloten.1 Daarinis afgesproken dat de RVU-drempelvrijstelling structureel wordt voort-gezet vanaf 2026; gericht en beheerst en met gezamenlijke monitoring enijkmomenten. Ook zetten kabinet en sociale partners volop in op gezondlanger doorwerken met een gezamenlijke agenda voor duurzameinzetbaarheid. Het is belangrijk dat we niet alleen oog hebben voor desituaties waarin eerder uittreden nodig is, maar ook gezamenlijk sterkerinzetten op het voorkomen en verlichten van zwaar werk en/of tijdigoverstappen naar ander werk.De afgelopen maanden heb ik in mijn gesprekken met werknemers enwerkgevers gehoord hoe dit vraagstuk leeft op de werkvloer. De verhalenvan werknemers onderstrepen hoe ingrijpend zwaar werk kan zijn voorhun gezondheid en dagelijks leven. Voor werknemers die langdurig zwaarwerk verrichten, is gezond doorwerken niet vanzelfsprekend. Dat vraagt inde eerste plaats om een verlichting van werk of een tijdige overstap naarlichter werk. Het doel van inzet op duurzame inzetbaarheid is om zoveelmogelijk te voorkomen dat mensen door de zwaarte van hun werk niet instaat zijn om tot de AOW-leeftijd door te werken. Voor situaties waarin dit(nog) niet mogelijk is, blijft er gerichte en zorgvuldig afgebakende ruimtevoor eerder uittreden.Afgelopen jaar is met sociale partners verder gewerkt aan de uitvoeringvan de afspraken uit het akkoord.2 Deze samenwerking is onmisbaar omtot gewenste resultaten te komen. Kabinet en sociale partners hebben1Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663.2Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685. kst-32043-713ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7131 afgesproken de ontwikkeling van de afspraken vanaf 2025 jaarlijks temonitoren en driejaarlijks te ijken. In deze brief informeer ik uw Kamerover deze monitoring. De afspraken uit het akkoord zijn sinds dit jaar vantoepassing, wat betekent dat veel maatregelen recent of nog niet inwerking zijn getreden. Daarnaast is het TNO-loket recent geopend.Daarom ligt de nadruk in deze brief op de voortgang van de uitwerking enimplementatie, en eerste beelden van de resultaten van de aanpak. Verderga ik in op de evaluatie van de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheiden Eerder Uittreden (MDIEU).Deze subsidieregeling was een tijdelijke overgangsmaatregel uit hetPensioenakkoord van 2019 en biedt waardevolle inzichten over duurzameinzetbaarheid en RVU in de periode 2021–2025.In het commissiedebat van 29 januari jl. heeft mijn ambtsvoorganger, opverzoek van het lid Neijenhuis (D66), toegezegd de Kamer vóór de zomerper brief te informeren over de acties die plaatsvinden en de acties die inde komende maanden worden geïnventariseerd om het relatieve gebruikvan de RVU-regeling onder lage inkomens te vergroten.3 Met deze briefgeef ik invulling aan de toezegging.In het debat van 4 juni jl. heb ik, naar aanleiding van een vraag van het lidMichon-Derkzen (VVD), toegezegd om na te gaan in hoeverre de afsprakenuit het akkoord «Gezond naar pensioen» al voorzien in sectorale inzet. Ikheb opvolging gegeven aan deze toezegging4 door dit na te gaan en kanuw Kamer laten weten dat dit onderdeel uitmaakt van de monitoring vandit akkoord.Monitoring akkoord «Gezond naar het pensioen»In deze brief wordt de voortgang van het akkoord «Gezond naar hetpensioen» beschreven langs drie samenhangende lijnen. Eerst wordtingegaan op de maatregelen rond duurzame inzetbaarheid, gevolgd doorde maatregelen en ontwikkelingen rondom de overgang van werk naarpensioen, en tot slot de ontwikkelingen rond RVU.Duurzame inzetbaarheidAgenda voor duurzame inzetbaarheidOm zoveel mogelijk mensen gezond werkend hun pensioen te latenbereiken, hebben kabinet en sociale partners in het akkoord «Gezond naarhet pensioen» geconstateerd dat inzetten op duurzame inzetbaarheidnoodzakelijk is als we willen dat mensen gezond langer doorwerken.Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor werknemers die langdurigzwaar werk verrichten. Om die reden is in het akkoord afgesproken omeen agenda voor duurzame inzetbaarheid (DI-agenda) op te stellen.Afgelopen najaar heeft de DI-agenda in nauwe samenwerking met socialepartners vorm gekregen. Bij voorjaarsnota is vervolgens besloten dat voorde agenda die een looptijd heeft tot en met 2030, € 200 mln. beschikbaaris vanuit de resterende middelen voor de maatwerkregeling duurzameinzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU).Met de MDIEU is de afgelopen jaren de inzet vanuit sectoren, branches enbedrijven op duurzame inzetbaarheid in algemene zin ondersteund engestimuleerd. Dit voorjaar is de eindevaluatie van de MDIEU opgeleverd.Deze is als bijlage bij deze brief gevoegd; verderop in deze brief wordtmeer in detail op de bevindingen uit de eindevaluatie ingegaan. Medevanuit deze ervaringen heeft de DI-agenda invulling gekregen.3TZ 202602-015.4https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/plenaire_verslagen/detail/2025-2026/78Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7132 Zo is het doel de inzet van branches en MKB-bedrijven op duurzameinzetbaarheid te vergroten met daarbij de focus op het voorkomen ofverlichten van zwaar werk, zo dicht mogelijk bij de bron van de belasting.Hierdoor richten de activiteiten zich op de bronaanpak en arbeidsmobi-liteit (van zwaar naar minder zwaar werk bewegen). En op kwetsbaarderegroepen zoals werknemers met fysiek zwaar werk. Met de MDIEU zijn zijminder goed bereikt. Voor een structurele verandering van de duurzameinzetbaarheid is een cultuurverandering in sectoren en bedrijven nodig.Met de MDIEU is hier weliswaar een begin mee gemaakt, maar dit vereisteen lange(re) adem om te bestendigen. Het is aan werkgevers enwerknemers om de uitkomsten van de MDIEU en de afspraken uit dezeagenda ingezette verandering, voort te zetten en verder te brengen. Deoverheid ondersteunt ook de komende periode deze inspanningen metsubsidie.Lijnen DI-agendaDe DI-agenda ondersteunt een verdere ontwikkeling van de beweging diein gang is gezet. Met de DI-agenda werken we langs vier lijnen aanduurzame inzetbaarheid, met daarnaast ruimte om in te spelen opontwikkelingen. Gemeenschappelijke basis hierin is de focus op hetterugdringen van zwaar werk.1.Het ondersteunen van sectoren, branches en bedrijvenOm branches en bedrijven te ondersteunen bij maatregelen terbevordering van gezond, vaardig en veilig doorwerken tot hetpensioen komt er een subsidieregeling. Hiervoor is in totaal € 139 mln.beschikbaar. Volgens planning gaat begin 2027 het eerste tijdvak openvoor paritaire samenwerkingsverbanden. Hierin komt subsidiebeschikbaar voor concrete activiteiten die op brancheniveau wordenuitgevoerd. Een volgend aanvraagtijdvak zal gericht zijn op individuelearbeidsorganisaties. De opbrengsten van de activiteiten ondersteunenbedrijven bij hun inzet op de duurzame inzetbaarheid van hunmedewerkers. Denk bijvoorbeeld aan het opstellen van een RisicoInventarisatie en Evaluatie (RI&E) op brancheniveau. Dit helpt (vooralkleinere) bedrijven om gericht risico’s in het bedrijf in kaart te brengenen de juiste maatregelen te treffen om deze risico’s te beheersen. Metde subsidie voor dit soort concrete activiteiten bieden we branches ende (MKB-)bedrijven handvatten om werk te maken van DI en hetverlichten van zwaar werk. De concept-subsidieregeling gaat voor dezomer in internetconsultatie.2.Het stimuleren van innovatieDoor innovatie te stimuleren maken we zwaar werk lichter, zo dichtmogelijk bij de bron van de belasting. Daarvoor faciliteren we eenaantal innovatielabs waarin met een transdisciplinaire aanpak gewerktwordt aan technische, sociale en organisatorische innovatie. De labsbouwen voort op bestaande regionale innovatie-ecosystemen enbrengen medewerkers, bedrijven, kennisinstellingen en partijen zoalsfieldlabs samen om innovaties te ontwikkelen die fysiek werk lichter,veiliger en productiever maken. Voorbeelden hiervan zijn een mobielrobotplatform voor voorraden, een robotarm die het werk voor de helftlichter kan maken en een innovatieve tilhulp. Voor deze innovatielabsen de ondersteuning met het kennis- en innovatiecentrum (getrokkendoor FRAIM en TNO) is € 30 mln. beschikbaar. Dit centrum draagt ookbij aan het breder verspreiden van de opbrengsten zodat een vliegwielontstaat. Dit jaar start het kenniscentrum, de innovatielabs gaan in2027 van start.3.Het investeren van kennisontwikkeling rondom zwaar werk.Bestaande kennis uit de wetenschap of praktijk over het verlichten vanzwaar werk willen we vergroten en meer toepasbaar maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7133 Dit doen we via de Expeditie-subsidieregeling. Deze kennis kandaardoor beter en vaker worden toegepast door andere sectoren,bedrijven of organisaties. Dit draagt bij aan het verder terugdringenvan zwaar werk. Om de inzet op deze kennisontwikkeling en kennisver-spreiding te vergroten komt er in de Expeditie-regeling meer ruimtevoor projecten rondom zwaar werk. In totaal is hiervoor € 16 mln.bestemd.4.TNO Expertisecentrum Zwaar Werk en onderzoekNaar aanleiding van de afspraken uit het akkoord «Gezond naar hetpensioen» is een Expertisecentrum Zwaar Werk bij TNO ingericht.5Hetexpertisecentrum heeft twee kerntaken: het valideren van de onder-bouwing van de afbakening van RVU-doelgroepen, en het opzetten enuitvoeren van een kennisprogramma. Het kennisprogramma richt zichop kennisontwikkeling rond RVU, zwaar werk en (het ondersteunenvan) duurzame inzetbaarheid. TNO levert jaarlijks rapportages metresultaten van de validatie en het kennisprogramma. Bijgevoegd bijdeze Kamerbrief vindt u de eerste voortgangsrapportage van het TNOExpertisecentrum Zwaar Werk, inclusief analyse van de profielen vanRVU-deelnemers, en een eerste Monitor Duurzame Inzetbaarheid inNederland. De uitkomsten van de voortgangsrapportage komen laterin de brief nader aan bod. Inzichten uit de jaarlijkse Monitor DuurzameInzetbaarheid zullen onder andere worden benut ter ondersteuningvan de agenda voor duurzame inzetbaarheid.De eerste Monitor Duurzame Inzetbaarheid geeft een beeld van deinzetbaarheid van verschillende groepen werknemers en sectoren in 2025.De monitor laat zien dat werknemers steeds langer doorwerken, in lijnmet de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. Wel zijn erverschillen zichtbaar. Vmbo/havo/vwo/mbo opgeleiden verwachten hunhuidige werk gemiddeld tot een lagere leeftijd te kunnen volhouden danhbo/wo-opgeleiden. De eersten ervaren een hogere lichamelijke engevaarlijke belasting en beperktere (in)formele leer- en mobiliteitsmoge-lijkheden. Dit terwijl zij relatief later met pensioen gaan. In het onderzoekis ook gekeken naar de verschillen tussen sectoren. Daaruit blijkt datgunstige indicatiescores op duurzame inzetbaarheid, niet vanzelfsprekendgepaard gaat met een hoge feitelijke pensioenleeftijd, en vice versa.Inspelen op ontwikkelingenBinnen de beschikbare middelen houden we ruimte voor inzet opontwikkelingen die zich gedurende de uitvoering van de agenda voordoenen die kansrijk worden geacht om bij te dragen aan het doel van deagenda. Het overige budget is daarom beschikbaar voor onder meerincidentele projectsubsidies.Inzet van sociale partnersSociale partners zien in de praktijk dat veel sectoren en bedrijven allangere tijd actief zijn om de arbeidsomstandigheden voor werknemersmet zwaar werk te verbeteren. Voortdurende aandacht hiervoor isgewenst en noodzakelijk in het belang van de gezondheid van dezewerknemers. Onder zwaar werk worden nadrukkelijk diverse vormenverstaan, zoals bijvoorbeeld fysieke arbeid of beroepen met een zwarewerkdruk en/of een hoge psychosociale werkbelasting. Aan de hand vaneen inventarisatie van goede voorbeelden in een aantal bedrijven ensectoren hebben sociale partners een overzicht opgesteld van mogelijkeacties en maatregelen dat ter inspiratie kan dienen.5In de Kamerbrief «Uitwerking akkoord «Gezond naar het pensioen» (d.d. 28 mei 2025) is de rolvan TNO nader toegelicht, Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7134 Dit overzicht is opgenomen in een brief van de Stichting van de Arbeidaan cao-partijen, welke is bijgevoegd bij deze Kamerbrief.6 Dezevoorbeelden betreffen het hele spectrum van de zogenaamde «arbeidshy-giënische strategie», van Risico Inventarisatie & Evaluaties (RI&E) enarbocatalogi tot inzicht bieden in de inzetbaarheid van de individuelemedewerker en aanbieden van onderwijs. Daarnaast benadrukken socialepartners in de brief dat werknemers in zware beroepen tijdig moetenkunnen overstappen naar minder belastend werk – indien dit praktisch totde mogelijkheden behoort – om voortijdige uitval te voorkomen.Overgang van werk naar pensioenIn het akkoord «Gezond naar het pensioen» zijn afspraken gemaakt overeen breed pakket aan maatregelen in het vraagstuk rond zwaar werk engezond doorwerken. In de overgang van werk naar pensioen kan RVU demogelijkheid bieden om eerder uit te treden aan werknemers met zwaarwerk die niet gezond kunnen doorwerken. Maar ook alternatieven kunnenpassend zijn bij de verschillende wensen en mogelijkheden vanwerkenden, zoals het opsparen van verlof en vitaliteitspacten voormensen met zwaar werk voor een geleidelijke overgang van werk naarpensioen.Verlofsparen en gerichte vitaliteitspactenDe wettelijke mogelijkheden rond verlofsparen maken het mogelijk omverlof gedurende een langere periode op te sparen en bijvoorbeeld tegebruiken om (gedeeltelijk) eerder uit te treden. Daarbij kan fiscaalgefaciliteerd tot maximaal 100 weken verlof worden gespaard. In de briefvan 28 mei 2025 werd al toegelicht dat verlofsparen in de praktijk nogbeperkt wordt benut.7 Dit hangt samen met belemmeringen rondom deexterne onderbrenging van verloftegoeden. Met name het feit dattegoeden langdurig op de balans van de werkgever staan, brengt risico’smet zich mee bij faillissement. De Stichting van de Arbeid heeft hetkabinet gevraagd te verkennen hoe de externe onderbrenging van voorverlofsparen bestemde spaartegoeden beter kan worden gefaciliteerd, enof daarvoor nadere verduidelijking of aanpassing van wet- en regelgevingnodig is. Naar aanleiding hiervan is mijn ministerie in september 2025, insamenwerking met het Ministerie van Financiën en in nauwe afstemmingmet sociale partners, een gezamenlijke verkenning gestart.In deze verkenning is de mogelijke vormgeving van een externe verlof-spaarrekening nader uitgewerkt. Daarbij is gekeken naar randvoor-waarden zoals het behoud van de fiscale omkeeregel, budgetneutraliteiten uitvoerbaarheid voor werkgevers, werknemers, uitvoerders en deBelastingdienst. Ook is bezien onder welke voorwaarden de beschikkings-macht over het verloftegoed zodanig kan worden ingericht dat sprakeblijft van een aanspraak op verlof. Daarnaast is gesproken met socialepartners en potentiële uitvoerders over de praktische en juridischeinrichting van een externe verlofspaarrekening. Hierbij is onder meeraandacht voor de bescherming van het verloftegoed bij faillissement vande werkgever, de overdraagbaarheid van tegoeden bij baanwisseling ende uitvoerbaarheid van de regeling in de praktijk.Deze gesprekken hebben geleid tot een beter uitgewerkt beeld van demogelijke inrichting en de aandachtspunten die daarbij een rol spelen.Tegelijkertijd vraagt de verdere uitwerking op deze onderdelen nog nadereafstemming en verdieping met de betrokken partijen.6Brief aan cao-partijen 1 oktober 20257Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7135 Het kabinet zet de gesprekken met sociale partners, potentiële uitvoerdersen de Belastingdienst daarom voort. In overleg met sociale partners wordtdaarbij tevens verkend op welke wijze kan worden toegewerkt naar eenmogelijk wettelijk traject voor extern verlofsparen. Hoewel nog niet allevraagstukken zijn afgerond, is de verwachting dat op basis van deingezette lijn kan worden toegewerkt naar een uitvoerbare vormgevingvan extern verlofsparen. Ik zal uw Kamer bij het volgende monitorings-moment in 2027 nader informeren over de voortgang en de vervolg-stappen.Naast verlofsparen is in het akkoord afgesproken om ook andereinstrumenten te onderzoeken, zoals vitaliteitspacten en generatiepacten,om gezond doorwerken tot het pensioen te bevorderen. Deze instru-menten kunnen bijdragen aan een geleidelijke overgang naar hetpensioen. Uit onderzoek naar cao-afspraken die de duurzame inzet-baarheid van oudere werknemers kunnen bevorderen blijkt dat meer dande helft van de werknemers met een cao een afspraak over verlofsparenen/of arbeidsduurverkorting voor oudere werknemers in de cao heeftstaan (resp. 61% en 63%).8 Daarbij is in het bijzonder gekeken naar demate waarin deze regelingen worden ingezet voor werknemers met zwaarwerk. Dit laat zien dat het soms voorkomt dat er voorwaarden wordengesteld aan de functie of loonschaal om in aanmerking te komen voorarbeidsduurverkorting. Voor verlofsparen worden dergelijke voorwaardenniet gesteld. Het kabinet en sociale partners houden zicht op de inzet vandeze instrumenten.Regeling vervroegde uittreding (RVU)In het akkoord «Gezond naar het pensioen» is afgesproken dat de RVUgericht en beheerst wordt ingezet voor werknemers met zwaar werk dieniet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. Zo komt vervroegduittreden met een RVU terecht waar dat nodig en verantwoord is. Om datte bereiken is onder meer afgesproken dat RVU-afspraken altijd eenonderbouwde afbakening van de doelgroep bevatten, gericht opbelastende functies en werkzaamheden en gebaseerd op objectievecriteria. Cao-partijen kunnen daarbij ook een inkomensgrens overwegendie past binnen hun sector. Ook dient de afbakening periodiek te wordenherzien, zodat deze blijft aansluiten bij ontwikkelingen in functies enwerkzaamheden, en moet een RVU-afspraak samengaan met inzet opduurzame inzetbaarheid. Verder is een signaalwaarde van 15.000 jaarlijksenieuwe RVU-deelnemers afgesproken. Wanneer deze signaalwaardewordt bereikt, gaan kabinet en sociale partners gezamenlijk in gesprekover de oorzaken, de gerichtheid en bijsturen.Hierna ga ik achtereenvolgens in op het RVU-gebruik, de profielen vanRVU-deelnemers (waaronder het gebruik onder lage inkomens),onderzoek naar cao-afspraken over RVU, de ervaringen van TNO rond devalidering van RVU-afbakeningen, en tot slot de update van deRVU-handreiking en continuïteit van RVU-uitkeringen.Ontwikkeling van het RVU-gebruikHet gebruik van de RVU neemt toe, maar blijft binnen de afgesprokensignaalwaarde. De toename van het gebruik past bij een nieuwe regelingwaarover in toenemende mate cao-afspraken tot stand komen en bij eengroeiend aantal oudere werknemers. Het RVU-gebruik wordt bijgehouden8Voor dit onderzoek zijn 147 bedrijfstak- en ondernemingscao’s onderzocht, waaronder 5,4miljoen werknemers vallen. Dat is 87% van het totaal aantal werknemers die in 2025 onder eencao vielen, zie Cao-onderzoek Oudere werknemers 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7136 door het UWV op basis van de RVU-registraties in de polisadministratie. In2025 zijn ongeveer 13.9009 mensen nieuw ingestroomd in deRVU-regeling.10 In voorgaande jaren was dit 13.200 (2024), 11.400 (2023),9.500 (2022) en 4.300 (2021). De monitoring komende jaren zal inzichtgeven in het effect van de nieuwe afspraken vanaf 2026 over een gerichteRVU en inzet op duurzame inzetbaarheid. Sectoren met een relatief groteRVU-deelname in 2025 (meer dan 500 nieuwe RVU-deelnemers) zijn: Rijk,Verpleging verzorging thuiszorg en jeugdgezondheidszorg, Gemeenten,Sociale werkvoorziening, Bouw & Infra, Politie, Metalektro, Metaal entechniek, en Beroepsgoederenvervoer. Het aandeel RVU-deelnemers datniet onder een cao valt ligt rond de 500 mensen. Mijn ministerie en desociale partners blijven het gebruik van de RVU-maatregel nauwlettendvolgen.Profiel van RVU-deelnemersDe RVU-deelnemers in 2025 vergeleken met alle werknemers in dezelfdeleeftijdscategorie zijn vaker man, hebben vaker een laag of middenopleidingsniveau en hebben vaker voltijd en bij een groot bedrijf (100werknemers of meer) gewerkt. De inkomens van RVU-deelnemersconcentreren zich iets sterker bij de hogere middeninkomens vergelekenmet alle werknemers in dezelfde leeftijdsgroep. Bij de lagere inkomenszijn RVU-deelnemers minder vertegenwoordigd. Verder blijkenRVU-deelnemers gemiddeld genomen een iets hogere vermogenspositiete hebben. Dit beeld wijkt niet af van het voorgaande jaar. Deze bevin-dingen zijn gebaseerd op onderzoek van TNO, als onderdeel van hetExpertisecentrum Zwaar Werk, op basis van geanonimiseerde gegevensvan het CBS en UWV. De uitkomsten zijn opgenomen in de jaarlijksevoortgangsrapportage van het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk enbijgevoegd bij deze Kamerbrief.RVU gebruik onder lage inkomensEerder is toegezegd uw Kamer voor de zomer te informeren over actiesdie plaatsvinden en in de afgelopen maanden zijn geïnventariseerd omhet relatieve gebruik van de RVU-regeling onder lage inkomens tevergroten.11 Met deze brief geef ik invulling aan de toezegging. Deprofielen van RVU-deelnemers en evaluatie van de MDIEU laat zien datRVU’s in grote lijnen de doelgroep bereikt die wordt beoogd, maar dattegelijkertijd de laagste inkomensgroepen zijn ondervertegenwoordigd.Hier lijken vooral financiële overwegingen aan ten grondslag te liggen. Inhet akkoord hebben kabinet en sociale partners met die doelgroep in hetachterhoofd de fiscale ruimte bovenop het basis RVU-bedrag verhoogdmet € 300 bruto per maand voor knellende situaties. Ik verwacht dat metdeze extra fiscale ruimte de RVU-maatregel toegankelijker wordt voor lageinkomens met zwaar werk en dat deze extra ruimte enkel wordt ingezetvoor knellende situaties. Het komende jaar zullen mijn ministerie ensociale partners via de monitoring meer inzicht krijgen of deze groep beterwordt bereikt. Daarnaast kunnen decentrale sociale partners binnen dekaders van het akkoord ook zelf de toegankelijkheid bevorderen. Bijvoor-beeld door een pensioenstorting te doen als hier fiscale ruimte voor is.9De voortgangsrapportage van het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk toont een gebruik van13.800 mensen in 2025. Deze afwijking komt door kleine verschillen in de gehanteerde methode(al dan niet toepassen van een leeftijdsselectie en identificeren gebruik bij Defensie o.b.v. cao-versus SBI-code, zie onderstaande voetnoot).10Deze cijfers zijn exclusief de RVU-registraties bij Defensie. Dit zijn mensen die een uitkeringontvangen op basis van de Uitkeringswet Gewezen Militairen, die fiscaal gezien ook als eenRVU-regeling wordt aangemerkt. Deze regeling hangt niet samen met de verruimde mogelijk-heden voor RVU-regelingen sinds 2021, dus wordt hier verder buiten beschouwing gelaten.11TZ202602-015.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7137 Daarmee kan voor een RVU-deelnemer met een laag inkomen of weinigaanvullend pensioen tegemoet worden gekomen aan de pensioenopbouwdie diegene bij RVU-deelname mist. Ook kunnen cao-partijen eenvolledige RVU-uitkering afspreken voor een werknemer met een laaginkomen die in deeltijd werkt. Sociale partners en mijn ministerie blijvenhierover in gesprek.Cao-afspraken over RVU in 2026Om inzicht te krijgen in de gerichtheid van RVU voert mijn ministeriejaarlijks onderzoek uit naar RVU-regelingen in cao’s. Het rapport isbijgevoegd bij de Kamerbrief. Een eerste beeld van de cao-afspraken overRVU in 2026 laat zien dat cao-partijen in Nederland zich bewust zijn van deafspraken uit het akkoord die vanaf dit jaar dienen te worden toegepast.Van de 442 cao’s die zijn onderzocht bevatten 80 cao’s een afspraak overeen RVU-regeling in 2026. Daarnaast wordt in 86 cao’s nog verkend of envoor wie er een RVU komt. Bijna de helft van de werknemers werkt ondereen cao’s met een afspraak of verkenning over RVU. Ik zie dat decentralesociale partners invulling geven aan de afspraken uit het akkoord. Zo ishet aantal generieke RVU-regelingen, waar elke oudere werknemer aankan deelnemen, sterk gedaald ten opzichte van een jaar eerder. DeRVU-regelingen die al zijn uitgewerkt hebben veelal een afbakeninggebaseerd op specifieke functies of roostervormen, of noemen dat deregeling gericht is op «zwaar werk», waarbij de definitie van zwaar werknog wordt uitgewerkt. In vijftien cao’s wordt voor deelname aan de RVU(ook) een inkomensgrens gesteld. Slechts enkele cao’s hebben explicietiets opgenomen over een periodieke herziening van de regeling, maarvaker heeft de regeling een einddatum, bijvoorbeeld gelijk aan de looptijdvan de cao. In een vijfde van de cao’s met een uitgewerkte RVU-regeling isexpliciet iets afgesproken over het gebruik van de extra fiscale ruimte van€ 300 die in het akkoord is afgesproken voor mensen in knellendesituaties. Kabinet en sociale partners hebben afgesproken dat cao-partijenkunnen bepalen wanneer sprake is van een knellende situatie, en denoodzaak afwegen van het benutten van de additionele ruimte.Op basis van de onderzochte cao-teksten lijkt de hogere uitkering vaak teworden toegepast voor de hele RVU-doelgroep, of moet daarbij nogworden uitgewerkt wat wordt verstaan onder knellende situaties. In hetonderzoek komt een koppeling tussen de RVU-regeling en de inzet vancao-partijen op duurzame inzetbaarheid nog beperkt voor, al betekent datniet dat deze inzet niet plaatsvindt. Hoe de nieuwe RVU-regelingen zullenuitwerken in het kader van gerichte en beheerste inzet van RVU’s zal in demonitoring van komende jaren verder zichtbaar worden.Validatie van RVU-afsprakenOm de gerichte inzet van RVU’s verder te borgen is in het akkoordafgesproken dat cao-partijen hun onderbouwde RVU-afbakening op zwaarwerk ter validatie voorleggen aan een derde partij. TNO vervult de rol vanderde partij. Sinds 1 april dit jaar kunnen cao-partijen hun onderbouwingdoor TNO laten valideren. Dit is later dan gepland omdat het meer tijdheeft gekost om tot een breed gedragen valideringsproces te komen. Bijde totstandkoming en inrichting van het valideringsproces is constructiefsamengewerkt tussen TNO, sociale partners, experts uit wetenschap enpraktijk, en mijn ministerie. De jaarlijkse voortgangsrapportage van TNOover de valideringsfunctie is bij deze brief gevoegd. Doordat het loket nogniet zo lang open is, hebben nog weinig cao-partijen een validatieadviesaangevraagd en ontvangen over hun RVU-afbakeningen. In de eerstemaand na opening van het loket (peildatum 28 april) zijn 34 vooraanmel-dingen gedaan en drie aanvragen ingediend. De verwachting is dat TNOTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7138 bij de monitoring volgend jaar een scherper beeld kan schetsen van deinhoud van de aanvragen en de advisering.Uitvoering van RVU-regelingenDe handreiking voor de uitvoering van de RVU-regelingen is geactuali-seerd.12 Deze handreiking biedt betrokken partijen praktische onder-steuning bij het vormgeven van RVU-regelingen binnen de afspraken uithet akkoord en beoogt bij te dragen aan een zorgvuldige en consistentetoepassing in de praktijk. Daarbij wordt ook aandacht besteed aansituaties waarin de continuïteit van RVU-uitkeringen onder druk kankomen te staan, bijvoorbeeld bij financiële problemen of faillissement vaneen werkgever, wat ingrijpende gevolgen kan hebben voor betrokkenRVU-deelnemers. Deze signalen neem ik serieus. Tegelijkertijd geldt dat devormgeving en uitvoering van RVU-regelingen primair de verantwoorde-lijkheid zijn van sociale partners, die ook afspraken maken over deinrichting van de regeling, waaronder de financiering en eventueleborging van verplichtingen. Het kabinet vindt het van belang dat bij detotstandkoming van dergelijke afspraken oog is voor risico’s die zich in depraktijk kunnen voordoen. Daarover blijf ik in gesprek met socialepartners.Verkenning naar wettelijke borging van gerichtheid en beheersbaarheidRVUIn het akkoord «Gezond naar het pensioen» is afgesproken om parallelaan de bestaande aanpak te verkennen of aanvullende (wettelijke) borgingvan de gerichtheid en beheersbaarheid van de RVU mogelijk en wenselijkis.Een belangrijk criterium daarbij is of een nadere wettelijke inkadering naarverwachting leidt tot een verbetering ten opzichte van de lopende aanpakwaarbij centrale afspraken tussen kabinet en sociale partners een gerichten beheerst gebruik van de RVU-drempelvrijstelling borgen. Deverkenning richt zich op de vraag of via aanpassing van wetgeving eenuitvoerbare fiscale regeling kan worden vormgegeven die uitsluitend isgericht op werknemers met zwaar werk.Hiervoor hebben mijn ministerie, sociale partners en het Ministerie vanFinanciën het afgelopen jaar eerste technische gesprekken gevoerd.Daarbij is gekeken naar onder meer de juridische haalbaarheid, uitvoer-baarheid, gerichtheid, objectiveerbaarheid, beheersbaarheid, arbeids-markteffecten en de ruimte voor maatwerk van een dergelijke regeling. Ditlaat zien dat bij het verkennen van opties voor wettelijke borging steedsspanning bestaat tussen enerzijds een RVU die gericht en beheersbaar isen anderzijds de uitvoerbaarheid en de ruimte voor maatwerk.De komende periode worden uitvoerbaarheidsvraagstukken verder inbeeld gebracht en ligt de focus op het opbouwen van kennis doorpraktijkervaring op te doen met de huidige aanpak. Daarbij wordt metname gekeken naar de ervaringen met de huidige systematiek vanvalidatie door het TNO Expertisecentrum Zwaar Werk. Bij het monitorings-moment van 2027 wordt uw Kamer wederom geïnformeerd over devoortgang van deze verkenning. Conform het akkoord zullen kabinet ensociale partners uiterlijk bij het eerste ijkmoment in 2028 bezien of eenwettelijke borging van de gerichtheid inderdaad mogelijk en wenselijk is.12Handreiking uitvoering RVU (versie maart 2026) | Uitvoering Van BeleidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7139 Evaluatie Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en EerderUittreden (MDIEU)Onderzoeksbureau SEOR voerde gedurende de hele looptijd van deMDIEU-regeling een monitoring- en evaluatieonderzoek uit. Deze regelingvloeide voort uit het Pensioenakkoord 2019. Van 2021 tot en met 2024 konvia deze regeling subsidie worden aangevraagd voor activiteiten op hetgebied van duurzame inzetbaarheid en eerder stoppen met werken viaeen regeling voor vervroegde uittreding (RVU); de gesubsidieerdeprojecten eindigden uiterlijk eind 2025.De afspraken in het akkoord «Gezond naar het pensioen» bouwen voortop de eerdere MDIEU die eveneens als doel had dat zoveel mogelijkmensen gezond werkend hun pensioen bereiken, ook degenen die zwaarwerk verrichten.In april 2025 heeft uw Kamer het derde monitoringsrapport ontvangen.Met deze brief ontvangt u het eindrapport van de evaluatie over deMDIEU-regeling.Bereik, uitvoering en procesDe MDIEU-regeling heeft een brede impuls gegeven aan duurzameinzetbaarheid in sectoren en bedrijven. Tegelijkertijd laten de uitkomstenzien waar het bereik sterker en waar het beperkter is geweest.–In vijf sectorale tijdvakken is in totaal ruim € 530 miljoen subsidieverleend aan 107 activiteitenplannen voor sectorale projecten. Voorbedrijven is in totaal bijna € 290 miljoen euro subsidie verleend aan727 bedrijven.–Sectoren en bedrijven waar de DI-problematiek relatief groot is, zijnbereikt. Tegelijkertijd geldt dat sectoren waar de samenwerking tussensociale partners minder sterk is, minder goed zijn bereikt.–In totaal viel circa 60% van de werknemers onder een sector met eenMDIEU-project. Via de openstelling voor bedrijven is aanvullend circa16% van de werknemers bereikt.–Binnen de bereikte groepen lukt het goed om oudere werkenden tebereiken, flexwerkers, mensen met fysiek zwaar werk en het mkb juistniet.–Over de uitvoering en het aanvraag- en beoordelingsproces is inalgemene zin positief geoordeeld.–Het maatwerkkarakter van de regeling werd door betrokken partijengewaardeerd, omdat hiermee kon worden aangesloten bij debehoeften van sectoren en bedrijven. Tegelijkertijd bracht dit maatwerkook uitvoeringscomplexiteit met zich mee.Impuls voor beleid op duurzame inzetbaarheidProjectleiders van sectoren en bedrijven zijn positief over de impuls die zijmet de MDIEU hebben kunnen geven aan hun DI-beleid, wat zondersubsidie niet of in mindere mate was gebeurd. De grootste succesfactor ishet bieden van maatwerk in interventies.Hoewel verschillende indicatoren wijzen op een lichte afname van zwarewerkomstandigheden, zowel fysiek als psychisch, is er geen specifieketrendbreuk te zien door de MDIEU. Sectoren en bedrijven zijn vooralpositief over effecten «aan het begin van effectketen», zoals bewust-wording en bereidheid tot acties. Bedrijven die deelnamen aan sectoracti-viteiten zien een rol van de MDIEU in veranderingen in de organisatie. Hetgaat dan met name om veranderingen rondom arbo/veiligheid, gezondeleefstijl, beoordelingsgesprekken en mogelijkheden voor deelname aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71310 scholing. Projectleiders van projecten in de bedrijventijdvakken zijn overhet algemeen ook vrij positief over de bijdrage van hun project, het meestover bewustwording en de deelname aan de activiteiten. Ook zien zijvaker dan sectoren, een positieve bijdrage aan cultuurverandering.Van de werknemers die hebben deelgenomen aan de activiteiten, geefteen redelijk deel aan dat deze hebben bijgedragen aan hun kennis,houding en gedrag, zoals over gezond en veilig werken en de eigenontwikkeling.De effecten verderop in de effectketen lijken ook hier beperkter. Zo zijn erweinig aanwijzingen dat werknemers na deelname aan de activiteitenbeter kunnen voldoen aan de fysieke of psychische eisen van hun werk.En zoals ook al uit de laatste voortgangsrapportage bleek, verwachtenwerknemers niet door de activiteiten langer door te werken. Mensenhebben vaak al een achterliggende wens over hun uittreedleeftijd engeven aan dat de gesubsidieerde activiteit hier niet werkelijk invloed opheeft.VervolgDoor de MDIEU projecten is vooruitgang geboekt op duurzame inzet-baarheid. Tegelijkertijd blijkt uit het rapport dat er nog steeds urgentie is.Sectoren en bedrijven verwachten dat DI op de agenda blijft, en dat zijdoorgaan met DI-activiteiten met een verscheidenheid aan interventies.Bronaanpak wordt erkend als belangrijk aandachtspunt om duurzameinzetbaarheid verder te brengen. Gedacht wordt dan aan technologischeen organisatorische innovaties om fysieke, en ook mentale belasting teverminderen; met de DI-agenda zetten we hierop in met de innovatielabsen extra ruimte voor zwaar werk-projecten in de Expeditieregeling. Voorhet vervolg is de infrastructuur op sectorniveau een belangrijkevoorwaarde. Dat geldt ook voor de financiën. Tot slot is men positief overde koppeling tussen eerder uittreden en preventief beleid gericht opduurzame inzetbaarheid. Deze lijn is ook voortgezet met het akkoord«Gezond naar het pensioen» tussen kabinet en sociale partners.Uitkomsten RVUBij de evaluatie van de MDIEU-regeling is het gebruik en bereik van degesubsidieerde RVU-regelingen onderzocht gedurende de looptijd van deMDIEU-subsidie (2021–2025). De onderstaande bevindingen hebben dusbetrekking op de periode voorafgaand aan het toepassen van deafspraken uit het akkoord «Gezond naar het pensioen».Uit de evaluatie blijkt dat de toegang tot de RVU tijdens de MDIEU in demeeste sectoren werd afgebakend, waardoor de regeling niet voor alleoudere werknemers toegankelijk was. Gemiddeld viel circa 40% van derelevante leeftijdsgroep binnen de doelgroep van de regelingen. Deverwachting van projectleiders was dat van deze groep ongeveer eenkwart gebruik zou maken van de RVU. De voorlopige realisatiecijferswijzen op een lager feitelijk gebruik. De keuze om gebruik te maken van deRVU ligt in de praktijk bij de werknemer zelf. Werkgevers spelen hierbijdoorgaans een beperkte rol en stimuleren deelname slechts in beperktemate. Ook lijkt de MDIEU-subsidie niet bepalend geweest te zijn voor hetal dan niet aanbieden van een RVU-regeling, maar mogelijk wel voor demate van deelname die kon worden gefaciliteerd. Op individueel niveaublijkt vooral de duur van het vroegpensioen te zijn verlengd door dedeelname aan een RVU. Op macroniveau is het effect op de uittreed-leeftijd beperkt (1 maand).Daarnaast blijkt uit de evaluatie dat veel RVU-deelnemers positiefterugkijken op hun keuze om eerder te stoppen met werken en ervaren datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71311 dit heeft bijgedragen aan hun gezondheid en welzijn. Zij maken na hundeelname minder zorgkosten dan een vergelijkbare controlegroep, metname bij ziekenhuiszorg.Verder blijkt dat, in lijn met de eerdergenoemde analyses van de profielenvan RVU-deelnemers, deelnemers aan de gesubsidieerde RVU-regelingenvaak man zijn, vaak voltijds werken en zich veelal in het midden van deinkomensverdeling bevinden. Werknemers met lage inkomens makenminder vaak gebruik van de regeling, onder meer vanwege financiëleoverwegingen.De RVU werd tijdens de MDIEU in belangrijke mate benut doorwerknemers voor wie de regeling is bedoeld, namelijk mensen die nietgezond kunnen doorwerken tot hun pensioen, bijvoorbeeld door dezwaarte van hun werk.De evaluatie laat zien dat individuele omstandigheden en kenmerken,zoals zwaar werk en de gezondheidssituatie, inderdaad een duidelijke rolspelen bij de keuze om deel te nemen aan een RVU-regeling. Een deel vande werknemers geeft ook aan dat andere motieven een rol spelen, zoalsde wens om langer van het pensioen te kunnen genieten. Daardoor werdde RVU mogelijk ook breder gebruikt dan door de beoogde doelgroep vanwerknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken. Ditonderstreept het belang van de afspraken uit het akkoord om de regelinggericht en beheerst in te zetten.AfsluitingDe afspraken uit het akkoord «Gezond naar het pensioen» gaan overduurzame inzetbaarheid en vroegpensioen voor zwaar werk, wat voor veelwerkenden en werkgevers van groot belang is. Ik ben blij hierop in goedesamenwerking met sociale partners verder te werken, zowel in hetuitwerken van beleid als de toepassing ervan. Daarbij zie ik dat de juistebeweging in gang is gezet: bedrijven en sectoren zijn aan de slag metduurzame inzetbaarheid en de gerichtheid van RVU-regelingen isnadrukkelijk onderwerp van gesprek aan de cao-tafels. Tegelijkertijdbevinden veel onderdelen van de uitvoering zich nog in een opstartfase.De validatie van RVU-afbakeningen is recent van start gegaan, veelcao-afspraken over nieuwe RVU-regelingen moeten nog wordenuitgewerkt en de subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid moet noginwerkingtreden.Het kabinet en sociale partners zullen de voortgang daarom gezamenlijken met vertrouwen blijven volgen. In het komende jaar zal zichtbaarworden in hoeverre de beoogde beweging vorm krijgt, onder meer opbasis van de uitkomsten van de TNO-validaties, de ontwikkeling vangerichtere RVU-afbakeningen in de praktijk en het gebruik van de extrafiscale ruimte voor knellende situaties. Ook gaan de eerste tijdvakken voorDI-subsidies open en wordt gestart met de innovatielabs. Voor de zomervan 2027 zal ik uw Kamer opnieuw informeren over de ontwikkelingen.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. VijlbriefTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 71312
Gerelateerde bronnen
- De minister informeert de Kamer voor de zomer over acties die plaatsvinden en in de komende maanden geïnventariseerd worden om het relatieve gebruik van de RVU-
De minister informeert de Kamer voor de zomer over acties die plaatsvinden en in de komende maanden geïnventariseerd worden om het relatieve gebruik van de RVU-regeling onder lage inkomens te vergroten.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.