KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 36600-1)

27 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 431b7b9e6cdb4d7d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600Nota over de toestand van ’s Rijks FinanciënNr. 38 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 27 september 2024 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegdaan de Minister van Financiën over de Nota over de toestand van ’s RijksFinanciën (Kamerstuk 36 600, nr. 1).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 27 september2024. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,Nijhof-LeeuwAdjunct-griffier van de commissie,Van der Steur kst-36600-38ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 381 Vragen en antwoordenVraag 1Welke invulling is er per maatregel gegeven aan de invulling van hetkoopkrachtpakket ten tijde van de cMEV? Kunt u dit per maatregel enenvelop toelichten en daarbij aangeven hoe het definitieve pakket daarvanafwijkt?Antwoord op vraag 1In de doorrekening van het Hoofdlijnenakkoord1 en vervolgens in deAugustusraming (cMEV) 20252 heeft het Centraal Planbureau (CPB) eentechnische invulling van het Hoofdlijnenakkoord (waaronder hetkoopkrachtpakket) gehanteerd. Bij de besluitvorming over de begroting ishet kabinet gekomen tot een andere invulling, die in de Miljoenennota2025 opgenomen is (zie onderstaande tabel).−De lastenverlichting in het Hoofdlijnenakkoord was technisch ingevuldmet tarieven in Box 1. De invulling via Box 1 wijkt in het definitievepakket licht af. Wel is de infasering van het budget voor 2025 tot enmet 2027 aangepast.−De aanpassingen van de algemene heffingskorting (AHK) maaktengeen deel uitvan de doorrekening van het Hoofdlijnenakkoord/cMEV.−Voor de huurtoeslag is besloten om gedeeltelijk de eigen bijdrage teverlagen (huurtoeslag verhogen) en daarnaast in te zetten opvereenvoudiging van de huurtoeslag vanaf 2025. De vereenvoudings-maatregelen behelzen de invoering van de lineaire inkomensafhanke-lijke afbouw, dat meerpersoonshuishouden met een huur tussen deaftoppingsgrens en de maximumhuurgrens over dit huurdeel 40%vergoeding krijgen en gelijktrekking inkomensparameters vanhuishoudens onder AOW-leeftijd met AOW-huishoudens. De eigenbijdrage wordt verlaagd per 2026. H[S,Jvd1] [VC2] et CPB had alstechnische invulling bij de doorrekening van het Hoofdlijnenakkoordhet volledige budget in de verlaging van de eigen bijdrage gezet per2025.−Het kindgebonden budget bevat in de technische invulling van hetHoofdlijnenakkoord van het CPB een verhoging van het kindbedrag. Inhet definitieve pakket wordt niet alleen stapsgewijs het kindbedragverhoogd, maar wordt ook het afbouwpercentage elk jaar stapsgewijsverhoogd.[S,Jvd3] [VC4] In 2028 bereikt het afbouwpercentage 8,50%en is het kindbedrag met 380 euro beleidsmatig verhoogd.−De afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de berekeningvan het netto-referentieminimumloon voor de bijstand is zowel in dedoorrekening van het Hoofdlijnenakkoord van het CPB als Miljoenen-nota 2025 «bevroren» in de periode 2025–2027. Vanaf 1 januari 2028wordt het afbouwpad van 2,5%-punt per half jaar hervat.Tabel 1 Verschillen invulling koopkrachtpakket Hoofdlijnenakkoord/cMEV en Miljoenennota 2025Doorrekening HLA (CPB)Miljoenennota 2025Aanpassen tarieven inkomstenbelasting enintroductieextra schijftariefTarief eerste schijf: 35,6% (2028)Tarief tweede schijf: 37,6% (2028)Tarief derde schijf: ongewijzigd (49,5%)Tarief eerste schijf: 35,36% (2028)Tarief tweede schijf: 37,44% (2028)Tarief derde schijf: ongewijzigd (49,50%)Aanpassen algemene heffingskorting (AHK)–De AHK wordt verlaagd met 335 euro in 2025en het afbouwpunt van de AHK wordtgekoppeld aan de hoogte van het wettelijkminimumloonHuurtoeslagVerlaging van de eigen bijdrage met 25 euroVerlaging van de eigen bijdrage met 11,58 euro(per 2026)Vereenvoudingsmaatregelen (per 2025)1https://www.cpb.nl/analyse-hoofdlijnenakkoord-2025-20282https://www.cpb.nl/augustusraming-2024-cmev-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 382 Doorrekening HLA (CPB)Miljoenennota 2025Kindgebonden budgetVerhoging alle kindbedragen met 139 euro in2025Verhoging alle kindbedragen met 184 euro(2025) en verhoging afbouwpercentage naar7,1% (2025)Afbouw van de dubbele AHK in de bijstandBevriezing in de periode 2025–2027. Afbouwvanaf 2028.Bevriezing in de periode 2025–2027. Afbouwvanaf 2028. Vraag 2Welke mee- en tegenvallers op de kinderopvangtoeslag zijn er deafgelopen 5 jaar geweest?Antwoord op vraag 2Het is in de gegeven tijd niet mogelijk om het gevraagde historischoverzicht te geven. Bij de Miljoenennota 2025 is een meerjarige tegen-valler verwerkt als gevolg van lagere werkloosheid op basis van de laatsteraming van het Centraal Planbureau (Augustusraming 2024, cMEV). Ditleidt tot meer gebruik van kinderopvang en hogere uitgaven. Er is sprakevan een oplopende opwaartse bijstelling, van 27 miljoen euro in 2024 tot79 miljoen euro in 2029. Afgelopen voorjaarsnota 2024 is een meerjarigemeevaller verwerkt, oplopend tot 474 miljoen euro in 2029. Dit komt vooreen groot deel doordat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deprognose van het aantal geboortes sterk naar beneden heeft bijgesteld.Dit effect (oplopend tot circa 600 miljoen euro in 2029) wordt iets gedemptdoor het inlopen van wachtlijsten bij kinderopvangorganisaties (oplopendtot circa 100 miljoen euro in 2029). De toelichtingen van de mee- entegenvallers zijn vindbaar in de bijlage «verticale toelichting» van debetreffende budgettaire nota’s.Vraag 3Kunt u uitsluiten dat u mensen moet ontslaan om de taakstelling op hetaantal ambtenaren terug te dringen? Welke kosten voor ontslag, zoals detransitievergoeding, moeten daarvoor betaald worden?Antwoord op vraag 3Het kabinet heeft een budgettaire taakstelling afgesproken om departe-menten flexibiliteit te geven om deze bezuiniging in te vullen. Het is aande verschillende Ministers om die op een verantwoorde manier terealiseren. Mocht het op reorganisatie(s) aankomen, dan is het staande«van werk naar werk beleid» (VWNW) uit de CAO Rijk van toepassing. Alser toch sprake zou zijn van ontslag, dan gelden de reguliere ontslag-gronden van het arbeidsrecht.Vraag 4Kunt u inzichtelijk maken hoe de ontwikkelingen van het BNI in deafgelopen 10 jaar invloed hebben gehad op de afdrachten aan de EU?Antwoord op vraag 4Het Nederlandse aandeel van het totale bruto nationaal inkomen (bni) vande EU-27 is gegroeid van 5,64% in 2014 naar 6,05% in 2023. Voor eengrove inschatting van het effect hiervan op de afdrachten aan de EU kanworden bezien wat de bni-afdracht zou zijn geweest als het bni-aandeelvan Nederland in de EU-27 op het niveau van 2014 zou zijn gebleven, opbasis van de totale bni-afdrachten van de lidstaten aan de EU in 2023. Methet lagere bni-aandeel van 2014 zou de bni-afdracht van Nederland in2023 circa 0,4 miljard euro lager zijn geweest.Vraag 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 383 Kunt u een overzicht geven van de parameters in de arbeidskorting voorde jaren 2025 tot en met 2028? Welke op- en afbouwtrajecten zijn er, metwelke grenzen en welke op- en afbouwpercentages?Antwoord op vraag 5Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verwachte parameters inde arbeidskorting voor de jaren 2025 t/m 2028.Parameters arbeidskorting 2025 t/m 2028Tabel 22025202620272028Hoogte AK bij inkomensgrens 1980 euro1.017 euro1.047 euro1.072 euroHoogte AK bij inkomensgrens 25.220 euro5.413 euro5.570 euro5.699 euroHoogte AK bij inkomensgrens 35.599 euro5.806 euro5.975 euro6.113 euroHoogte AK bij inkomensgrens 40 euro0 euro0 euro0 euroInkomensgrens 112.169 euro12.656 euro13.115 euro13.592 euroInkomensgrens 226.288 euro27.339 euro28.332 euro29.361 euroInkomensgrens 343.071 euro44.843 euro46.594 euro48.515 euroInkomensgrens 4 (einde afbouw)129.078 euro134.029 euro138.376 euro142.417 euroOpbouwpercentage 1e traject8,053%8,036%7,983%7,887%Opbouwpercentage 2e traject30,030%29,939%29,723%29,342%Opbouwpercentage 3e traject2,258%2,245%2,218%2,161%Afbouwpercentage 4e traject– 6,510%– 6,510%– 6,510%– 6,510%Hoogte AK bij inkomensgrens 1 AOW’ers491 euro506 euro520 euro530 euroHoogte AK bij inkomensgrens 2 AOW’ers2.612 euro2.692 euro2.763 euro2.815 euroHoogte AK bij inkomensgrens 3 AOW’ers2.802 euro2.887 euro2.964 euro3.019 euroHoogte AK bij inkomensgrens 4 AOW’ers0 euro0 euro0 euro0 euroInkomensgrens 1 AOW’ers12.169 euro12.656 euro13.115 euro13.592 euroInkomensgrens 2 AOW’ers26.288 euro27.339 euro28.332 euro29.361 euroInkomensgrens 3 AOW’ers43.071 euro44.843 euro46.594 euro48.515 euroInkomensgrens 4 (einde afbouw) AOW’ers129.078 euro134.029 euro138.376 euro142.417 euroOpbouwpercentage 1e traject AOW’ers4,029%3,998%3,965%3,899%Opbouwpercentage 2e traject AOW’ers15,023%14,888%14,740%14,490%Opbouwpercentage 3e traject AOW’ers1,130%1,114%1,101%1,065%Afbouwpercentage 4e traject AOW’ers– 3,257%– 3,237%– 3,229%– 3,215% De hoogte van de arbeidskorting wordt jaarlijks geïndexeerd met detabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor bedraagt 1,012 voor 2025.Voor latere jaren is de tabelcorrectiefactor nog niet bekend. Voor deparameters in de tabel is daarom gebruikgemaakt van de verwachtetabelcorrectiefactor voor de jaren 2026 t/m 2028 volgens de recente MacroEconomische Verkenning (MEV) van het CPB. Voor 2026 is daarnaastrekening gehouden met het slechts voor 94,48% toepassen van detabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting omdat de stelpost fiscaleregelingen en constructies uit het Hoofdlijnenakkoord nog niet isingevuld. In het Hoofdlijnenakkoord is een noodremafspraak opgenomenwaarbij voor het deel van de stelpost dat niet wordt gevuld de tabelcorrec-tiefactor wordt beperkt om de derving op te vangen.De inkomensgrenzen van de arbeidskorting zijn gekoppeld aan de hoogtevan het wettelijk minimumloon (WML). De inkomensgrenzen voor 2025zijn pas definitief na vaststelling van het WML in november 2024. Ook debedragen voor latere jaren zijn ramingen op basis van de MEV.Vraag 6Kunt u een overzicht geven van de parameters in de algemene heffings-korting (ook voor ouderen) voor de jaren 2025 tot en met 2028? Welke op-en afbouwtrajecten zijn er, met welke grenzen en welke op- enafbouwpercentages?Antwoord op vraag 6Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verwachte parameters inde algemene heffingskorting voor de jaren 2025 t/m 2028.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 384 Parameters algemene heffingskorting 2025 t/m 2028Tabel 32025202620272028Hoogte maximale AHK3.068 euro3.182 euro3.275 euro3.351 euroBegin afbouw28.406 euro29.542 euro30.615 euro31.727 euroAfbouwpercentage– 6,337%– 6,208%– 6,097%– 6,010%Einde afbouw76.817 euro80.801 euro84.333 euro87.481 euroHoogte maximale AHK AOW’ers€ 1.536€ 1.583€ 1.6251.655 euroBegin afbouw AOW’ers€ 28.406€ 29.542€ 30.61531.727 euroAfbouwpercentage AOW’ers– 3,170%– 3,088%– 3,025%– 2,968%Einde afbouw AOW’ers€ 76.817€ 80.801€ 84.33387.481 euro De hoogte van de algemene heffingskorting wordt jaarlijks geïndexeerdmet de tabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor bedraagt 1,012 voor2025. Voor latere jaren is de tabelcorrectiefactor nog niet bekend. Voor deparameters in de tabel is daarom gebruikgemaakt van de verwachtetabelcorrectiefactor voor de jaren 2026 t/m 2028 volgens de recente MacroEconomische Verkenning (MEV) van het CPB. Voor 2026 is daarnaastrekening gehouden met het slechts voor 94,48% toepassen van detabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting omdat de stelpost fiscaleregelingen en constructies uit het Hoofdlijnenakkoord nog niet isingevuld. In het Hoofdlijnenakkoord is een noodremafspraak opgenomenwaarbij voor het deel van de stelpost dat niet wordt gevuld de tabelcorrec-tiefactor wordt beperkt om de derving op te vangen.Het afbouwpunt van de algemene heffingskorting is met ingang van 2025gekoppeld aan de hoogte van het wettelijk minimumloon (WML). Hetafbouwpunt is pas definitief na vaststelling van het WML in november2024. Ook het afbouwpunt in latere jaren is een raming op basis van deMEV.Het punt waarop de algemene heffingskorting volledig is afgebouwd, isgekoppeld aan het aanvangspunt van het toptarief. In de periode 2025 t/m2031 wordt het aanvangspunt van het toptarief jaarlijks beleidsmatigverhoogd. Dit werkt door in het afbouwpercentage en het eindpunt van deafbouw van de algemene heffingskorting.Vraag 7Welke parameters zijn er voorzien voor de inkomensafhankelijkecombinatiekorting (IACK) in de jaren 2025 tot en met 2028?Antwoord op vraag 7Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verwachte parameters inde inkomensafhankelijke combinatiekorting voor de jaren 2025 t/m 2028.Parameters inkomensafhankelijke combinatiekorting 2025 t/m 2028Tabel 42025202620272028Hoogte maximale IACK2.986 euro3.097 euro3.028 euro2.710 euroInkomensgrens start opbouw6.145 euro6.371 euro6.555 euro6.705 euroOpbouwpercentage11,45%11,45%11,45%11,45%Hoogte maximale IACK AOW’ers1.495 euro1.540 euro1.502 euro1.339 euroInkomensgrens start opbouw AOW’ers6.145 euro6.371 euro6.555 euro6.705 euroOpbouwpercentage AOW’ers5,728%5,693%5,678%5,654% De hoogte en de inkomensgrenzen van de IACK worden jaarlijksgeïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor bedraagt1,012 voor 2025. Voor latere jaren is de tabelcorrectiefactor nog nietbekend. Voor de parameters in de tabel is daarom gebruikgemaakt van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 385 verwachte tabelcorrectiefactor voor de jaren 2026 t/m 2028 volgens derecente Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Voor 2026 isdaarnaast rekening gehouden met het slechts voor 94,48% toepassen vande tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting omdat de stelpost fiscaleregelingen en constructies uit het Hoofdlijnenakkoord nog niet isingevuld. In het Hoofdlijnenakkoord is een noodremafspraak opgenomenwaarbij voor het deel van de stelpost dat niet wordt gevuld de tabelcorrec-tiefactor wordt beperkt om de derving op te vangen.De IACK wordt met ingang van 2027 in 9 stappen afgebouwd tot 0 euro,voor alle ouders die op basis van hun situatie recht hebben op IACK.Vraag 8Welke hoogte van de ouderenkorting, alleenstaande ouderenkorting enjonggehandicaptenkorting is er voorzien voor 2025 tot en met 2028? Zittendaar nog andere wijzigingen in anders dan de verhoging door eenindexatie aan de hand van de tabelcorrectiefactor?Antwoord op vraag 8Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verwachte parameters inde ouderenkorting, alleenstaande-ouderenkorting en jonggehandicapten-korting voor de jaren 2025 t/m 2028.Parameters ouderenkorting, alleenstaande-ouderenkorting en jonggehan-dicaptenkorting 2025 t/m 2028Tabel 52025202620272028Hoogte maximale ouderenkorting2.035 euro2.110 euro2.172 euro2.222 euroStart afbouw ouderenkorting45.308 euro46.978 euro48.341 euro49.453 euroAfbouwpercentage ouderenkorting– 15%– 15%– 15%– 15%Hoogte alleenstaande ouderenkorting531 euro551 euro567 euro581 euroHoogte jonggehandicaptenkorting909 euro943 euro971 euro994 euro De hoogte en het afbouwpunt van de ouderenkorting en de hoogte van dealleenstaande-ouderenkorting en jonggehandicaptenkorting wordenjaarlijks geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactorbedraagt 1,012 voor 2025. Voor latere jaren is de tabelcorrectiefactor nogniet bekend. Voor de parameters in de tabel is daarom gebruikgemaaktvan de verwachte tabelcorrectiefactor voor de jaren 2026 t/m 2028 volgensde recente Macro Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Voor 2026is daarnaast rekening gehouden met het slechts voor 94,48% toepassenvan de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting omdat de stelpostfiscale regelingen en constructies uit het Hoofdlijnenakkoord nog niet isingevuld. In het Hoofdlijnenakkoord is een noodremafspraak opgenomenwaarbij voor het deel van de stelpost dat niet wordt gevuld de tabelcorrec-tiefactor wordt beperkt om de derving op te vangen.Er zijn op dit moment geen beleidsmatige wijzigingen voorzien in dezeheffingskortingen voor de komende jaren.Vraag 9Welke parameters zijn er voor de zorgtoeslag in 2025 tot en met 2028voorzien?Antwoord op vraag 9De parameters en berekeningswijze van de zorgtoeslag staan beschrevenin de Wet op de Zorgtoeslag. Voor de berekening van de hoogte van dezorgtoeslag wordt gekeken naar het verschil tussen de normpremie vooreen verzekerde en de standaardpremie in dat jaar. De standaardpremie isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 386 de geraamde gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekeringvermeerderd met het geraamde gemiddelde eigen risico. Voor eenverzekerde met een partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremiein aanmerking genomen; in dat geval worden de verzekerde en zijnpartner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk éénaanspraak te hebben. De normpremie bedraagt een percentage van hetdrempelinkomen in het berekeningsjaar, vermeerderd met een percentagevan het toetsingsinkomen van de verzekerde in dat jaar voorzover dattoetsingsinkomen het drempelinkomen te boven gaat. Het drempelin-komen is gelijk aan het Wettelijk minimumloon (WML). Voor eenverzekerde met een partner wordt daarbij het gezamenlijke toetsingsin-komen in aanmerking genomen.De onderstaande tabel geeft de parameters van de zorgtoeslag weer voor2025 t/m 2028.Tabel 6 Parameters voor de zorgtoeslag in 2025 tot en met 2028Percentage van hetdrempelinkomenPercentage van het toetsings-inkomen voor zover dat hetdrempelinkomen te boven gaatBerekeningsjaarZonder partnerMet partnerZonder partnerMet partner20251,896%4,273%13,700%13,700%20261,911%4,288%13,730%13,730%20271,926%4,303%13,760%13,760%20281,941%4,318%13,790%13,790% In de augustusbrief is aangekondigd dat de normpercentages van dezorgtoeslag met 0,002%-punt stijgen per 2025 ter dekking van eenaanpassing van het partnerbegrip in de Algemene wet inkomensafhanke-lijke regelingen. Omdat de AMvB die deze wijziging regelt nog nietvolledig is afgerond wijken de genoemde percentages in de bovenstaandetabel af van de percentages zoals die op dit moment genoemd staan in deWet op de zorgtoeslag.Vraag 10Welke parameters zijn er voor de huurtoeslag in de jaren 2025 tot en met2028 voorzien?Antwoord op vraag 10Voor 2024 en 2025 is in de Nationale Prestatieafspraken afgesproken datde huurstijging voor zittende huurders de Cao-loonontwikkeling volgt. Dedaaropvolgende jaren wordt uitgegaan van de inflatie volgende huurprijs-ontwikkeling. De huurontwikkeling wordt gecorrigeerd voor de effectenvan harmonisatie en renovatie. Dit resulteert in de volgende huurtoeslag-parameters.Tabel 7 HuurtoeslagparametersParameters20242025202620272028Inflatie2,92,82,42,32,3Cao-loonontwikkeling5,73,83,73,63,5Koppelingspercentage CPB7,45,03,83,63,6Huurontwikkeling6,05,93,12,62,5Werkloosheid380.000405.000435.000455.000475.000 Vraag 11Welke parameters zijn er voor het kindgebonden budget in de jaren 2025tot en met 2028 voorzien?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 387 Antwoord op vraag 11De exacte parameters voor het kindgebonden budget in de jaren 2025 toten met 2028 zijn nog niet beschikbaar. Dat komt doordat de parametersjaarlijks worden geïndexeerd en waarden van toekomstige jaren nog nietdefinitief zijn vastgesteld. De indexatie van de kindbedragen wordtjaarlijks op basis van de macro-economische verkenning (MEV) van hetCPB vastgesteld voor het daaropvolgende jaar. Voor de beantwoordingvan deze vraag is voor de verwachte indexatie van de WKB-tarievengebruik gemaakt van de prognoses uit de MEV 2025 van het CPB.Zie in onderstaande tabel een (voorlopig) overzicht van hoe deparameters in het kindgebonden budget zich naar verwachting ontwik-kelen in de komende jaren.Tabel 8 Overzicht (voorlopige) WKB-tarieven in de periode 2024 t/m 2028 (in lopendeprijzen, bedragen in euro)Tarieven WKB202420252026202720281e kindbedrag2.4362.5112.6052.7502.8642e kindbedrag e.v.2.4362.5112.6052.7502.864Verhoging 12–15 jarigen694703731753771Verhoging 16–17 jarigen9249369731.0021.026Alleenstaande ouderkop3.4803.3893.4493.5503.610Inkomen afbouwgrensalleenstaande26.81928.40629.54230.61531.727Inkomen afbouwgrens paren35.84937.54539.03840.38741.724Inkomen afbouwpercentage6,75%7,10%7,60%8,05%8,50%Vermogen afbouwgrensalleenstaande140.213141.896147.430151.706155.196Vermogen afbouwgrens paren177.301179.429186.427191.834196.247 Vraag 12Welke parameters zijn er voor de kinderbijslag in de jaren 2025 tot en met2028 voorzien?Antwoord op vraag 12De parameters voorzien in de kinderbijslag in de jaren 2025 t/m 2028 ziener als volgt uit:Tabel 9 Parameters voorzien in de kinderbijslag 2025–2028Bedragen in euro per kindper kwartaal202420252026202720281e en 2e kwartaal0 t/m 5 jaar291,49300,16306,47313,326 t/m 11 jaar353,95364,48372,14380,4612 t/m 17 jaar416,41428,80437,81447,593e en 4e kwartaal0 t/m 5 jaar281,69291,99300,19307,36314,326 t/m 11 jaar342,05354,56364,52373,22381,6712 t/m 17 jaar402,41417,12428,84439,08449,03 De indexatie van de kindbedragen is gebaseerd op de ontwikkeling van deconsumentenprijsindex (CPI). In bovenstaande tabel is uitgegaan van deverwachte CPI uit de meest recente Centraal Planbureau prognose (MacroEconomische Verkenning 2025). Deze bedragen kunnen veranderen alsgevolg van een verandering van de CPI. In het najaar van 2024 worden debedragen voor de eerste helft van 2025 vastgesteld, naar aanleiding vande laatste consumentenprijsindex in oktober.Vraag 13Kunt u de berekening van de tabelcorrectiefactor uiteenzetten? Zijn hiernog beleidsmatige aanpassingen in geweest?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 388 Antwoord op vraag 13De tabelcorrectiefactor is de verhouding van het gemiddelde van deprijsindexcijfers van de achttiende tot en met de zevende aan hetkalenderjaar voorafgaande maand, tot het gemiddelde van de prijsindex-cijfers van de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaarvoorafgaande maand.Concreet betekent dit dat de indexatie voor 2025 gebaseerd is op deinflatiecijfers van juli 2023 tot en met juni 2024 ten opzichte van deinflatiecijfers van juli 2022 tot en met juni 2023. Daarbij wordt de afgeleideconsumentenprijsindex (CPI) gebruikt van het CBS. Deze is gelijk aan degewone CPI, exclusief het effect van veranderingen in de tarieven vanproductgebonden belastingen (zoals bijvoorbeeld de btw) en subsidies.De tabelcorrectiefactor kan op zichzelf niet beleidsmatig aangepastworden. Wel kan ervoor worden gekozen om bij de indexatie vanbepaalde bedragen in belastingwetgeving de tabelcorrectiefactor niet (ofbeperkt) toe te passen. Feitelijk komt dit neer op een beleidsmatigeverlaging van die betreffende bedragen.Vraag 14Kunt u een overzicht geven van de middelen die gereserveerd stondenvoor de verschillende tranches van het nationaal groeifonds en hoe dezemiddelen zijn ingezet? Welke geldstromen zijn er?Antwoord op vraag 14Voor het Nationaal Groeifonds (NGF) was een initieel budget van20 miljard euro beschikbaar voor vijf rondes. Er zijn drie indieningsrondesgeweest. Er is over 50 projecten positief besloten. Hiermee is een bedragvan 11,2 miljard euro gemoeid: 6,3 miljard euro aan toekenningen,3,5 miljard euro aan voorwaardelijke toekenningen en een bedrag van1,4 miljard euro aan reserveringen. De initieel geplande rondes vier en vijfgaan niet door vanwege het besluit dat is opgenomen in het Hoofdlijnen-akkoord 2024. In tabel 10 is de ontwikkeling van het NGF-budgetopgenomen. In tabel 11 is de huidige verdeling van de middelen perproject opgenomen.Tabel 10 Overzicht ontwikkeling NGF-budget (in miljoenen euro’s)Initieel budget20.000,0Departementale routeToegekend– 6.191,6Voorwaardelijk toegekend– 3.493,0Gereserveerd– 1.386,1SubsidierouteToegekend– 140,7Apparaatskosten– 56,8Overige mutatiesLoon- en prijsbijstelling 2022697,1Loon- en prijsbijstelling 2023908,7Loon- en prijsbijstelling 2024890,6Terugboeking naar NGF 20241,6Verlaging Voorjaarsnota 2022– 660,0Verlaging APB 2023– 381,0Verlaging Voorjaarsnota 2023– 451,4Verlaging Miljoenennota 2024– 115,0Verlaging amendement Belastingplan 2024– 1.212,0Verlaging Voorjaarsnota 2024– 1.279,0Verlaging Hoofdlijnenakkoord 2025– 6.829,9Overheveling project Rail Gent-Terneuzen naar Mobiliteitsfonds– 103,3Overheveling/afboeking NGF ACS/BES– 130,0Nog beschikbaar68,3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 389 Tabel 11 Verdeling middelen per project (in miljoenen euro’s)ArtikelRondeProjectDepar-tementGereser-veerdVoorw.toegekendToegekend11Leeroverzicht & SkillsOCW | SZW44,711Nationaal Onderwijslab AIEZ51,191,512Collectief laagopgeleiden en laaggeletterdenOCW42,67,612Digitaal Onderwijs Goed GeregeldOCW34,312Impuls Open LeermateriaalOCW38,040,012Nationale LLO KatalysatorOCW225,0167,012NpulsOCW420,0140,012OntwikkelkrachtOCW231,2101,212Opschaling publiek private samenwerking in het beroepsonderwijsEZ57,4152,613Creative Industries Immersive Impact Coalition (CIIIC)OCW97,7102,313DUTCHVWS84,048,013Innovatieprogramma OnderwijshuisvestingOCW359,5124,213TechkwadraatOCW205,8145,813Meer Uren Werkt!SZW45,030,013Nationale Aanpak Professionalisering LerarenOCW86,573,121AiNedEZ189,021Health-RIEZ69,021QuantumDeltaNLEZ614,921RegMed XBEZ56,322Biotech BoosterOCW196,449,622Cellulaire agricultuurLVVN60,022Circular Plastics NLKGG53,0167,022CropXRLVVN21,520,822De revolutie van zelfdenkende moleculaire systemenOCW96,922Digitale Infrastructuur en LogistiekI&W51,122Dutch Metropolitan InnovationsI&W | BZK85,022Einstein TelescopeOCW870,042,022Groeiplan WatertechnologieI&W135,021 en 2GroenvermogenNLKGG297,0541,022Luchtvaart in TransitieI&W46,2337,222Nieuwe Warmte Nu!KGG200,022NL2120, het groene verdienvermogen van NederlandI&W40,070,022NXTGEN HIGHTECHEZ449,922Oncode AcceleratorEZ164,0161,022PharmaNLVWS79,022PhotondeltaEZ204,6266,622Toekomstbestendige leefomgevingBZK40,060,022Werklandschappen van de toekomstBZK26,222Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrischI&W50,2236G Future Network ServicesEZ142,061,023Biobased CircularKGG236,0102,023SolarNLKGG277,0135,023CPBTLVVN69,555,023HolomicrobioomLVVN140,060,023Maritiem MasterplanI&W210,023Material Independence & Circular BatteriesEZ138,1157,923POLARISDEF101,723Re-Ge-NLLVVN129,0Totaal1.386,13.493,06.191,6 Vraag 15Hoe hoog wordt de netto AOW-uitkering voor alleenstaanden naarverwachting per 1 januari 2025? En hoe hoog voor koppels? Wat zijn debrutobedragen?Antwoord op vraag 15De AOW-normbedragen per 1 januari 2025 worden in de komendemaanden vastgesteld. De verwachte maandbedragen op basis van deMacro Economische Verkenning 2025 van het Centraal Planbureau(inclusief vakantiegeld) zijn op dit moment:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3810 Tabel 12 Verwachte maandbedragen AOWBedragen per 1 jan 2025 x €NettoBrutoAOW-50% voor paren1.093,941.154,68AOW-70% voor alleenstaanden1.594,831.683,38 Vraag 16Hoe hoog is de netto AOW-uitkering voor alleenstaanden en voor koppelsper 1 januari 2025 exclusief de indexatie vanwege de koppeling met hetminimumloon? Wat zijn de brutobedragen? Wat zijn dus de gevolgen voordeze bedragen puur op basis van de fiscale wijzigingen?Antwoord op vraag 16Indien de indexatie van de AOW-normbedragen vanwege de koppelingmet het minimumloon achterwege wordt gelaten, worden de maandbe-dragen (inclusief vakantiegeld) per 1 januari 2025 naar verwachting:Tabel 13 Maandbedragen AOW per 1 januari 2025 zonder indexatie normbedragenBedragen per 1 jan 2025 x €NettoBrutoAOW-50% voor paren1.068,621.127,95AOW-70% voor alleenstaanden1.559,721.646,32 Ten opzichte van de huidige maandbedragen (inclusief vakantiegeld) per1 juli 2024 stijgen de bedragen als gevolg van de fiscale wijzigingen:Tabel 14 Verschil maandbedragen per 1 januari 2025 en maandbedragen per 1 juli2024Verschil met bedragen per 1 juli 2024 x €NettoBrutoAOW-50% voor paren10,1710,02AOW-70% voor alleenstaanden4,523,73 Vraag 17Hoeveel mensen met een AOW-uitkering hebben helemaal geenaanvullend pensioen? Hoeveel daarvan zijn alleenstaand en hoeveelhebben een partner? Hoeveel AOW’ers hebben een aanvullend pensioenvan maximaal € 300 (bruto) per maand? Hoeveel € 500? En hoeveel€ 1.000?Antwoord op vraag 17Het CBS laat in Materiële Welvaart in Nederland 2024 zien dat 92,7% vande mannen en 71% van de vrouwen boven de AOW-leeftijd eenaanvullend pensioen heeft in 2022. Onderstaande tabel toont eenuitsplitsing van het percentage AOW’ers met een aanvullend pensioenmet en zonder partner in 2022.Tabel 15 Percentage AOW’ers met aanvullend pensioenTotaalZonder partnerMet partnerMan92,7%89,2%93,9%Vrouw71%85,9%58,5% Het CBS toont geen gegevens over de precieze verdeling van aanvullendepensioenen. Het mediane aanvullend pensioen bedraagt 14.700 euro voormannen en 6.400 euro voor vrouwen boven de AOW-leeftijd met eenaanvullend pensioen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3811 Vraag 18Wat is het geïsoleerde effect van de voorgestelde maatregel metbetrekking tot de algemene heffingskorting en de daaraan gekoppeldeverlaging van het eerste schijftarief in box 1 op het netto-inkomen en dekoopkracht van verschillende inkomensgroepen? Met andere woorden:hoeveel hoger of lager zouden het netto-inkomen en de koopkracht vanverschillende groepen uitpakken als de algemene heffingskorting niet zouworden verlaagd (en dus 335 euro hoger uit zou pakken) en het eersteschijftarief minder verlaagd zou worden zodat de totale budgettairegevolgen gelijk zijn?Antwoord op vraag 18Het verlagen van de algemene heffingskorting met 335 euro in 2025 heefteen budgettaire opbrengst van circa 2,8 miljard euro in 2025. Als dezeverlaging wordt teruggedraaid, moet het belastingtarief in de eerste schijfin dat jaar met 0,77%-punt verhoogd worden naar 36,59% in 2025 om detotale budgettaire gevolgen van het koopkrachtpakket gelijk te latenblijven.Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van deze wijziging in 2025Tabel 16InkomensgroepIedereen1e (<=111% WML)0,9%2e (111–177% WML)0,3%3e (177–270% WML)0,0%4e (270–400% WML)– 0,1%5e (>400% WML)– 0,3%InkomensbronWerkenden– 0,1%Uitkeringsgerechtigden0,8%Gepensioneerden0,5%HuishoudtypeTweeverdieners0,0%Alleenstaanden0,2%Alleenverdieners0,0%KinderenHuishoudens met kinderen– 0,1%Huishoudens zonder kinderen0,0%Alle huishoudens0,0% Voor een belastingplichtige met een bruto loon van 30.000 euro leidt dewijziging tot een toename van het netto inkomen met 104 euro in 2025.Vraag 19Waarom staan de maatregelen rondom de 30%-regeling en deoverdrachtsbelasting niet in het Belastingplan 2025? Worden deze pas inhet Belastingplan 2026 opgenomen?Antwoord op vraag 19Zoals is toegelicht in de aanbiedingsbrief bij het pakket Belastingplan3bevat het pakket vrijwel alle maatregelen waarover in augustus isbesloten om de koopkracht van burgers te versterken en de extra uitgavenof gederfde inkomsten te dekken. Een deel van die maatregelen, o.a. demaatregelen rondom de 30%-regeling en de overdrachtsbelasting, kondenniet tijdig voor indiening bij de Tweede Kamer afgerond worden. Daaromworden deze maatregelen opgenomen in een nota van wijziging op hetwetsvoorstel Belastingplan 2025. Omdat het kabinet er waarde aan hechtdat de maatregelen goed uitgewerkt worden, een gedegen uitvoerings-3Kamerstukken II, 2024/25 36 602 nr. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3812 toets wordt opgesteld en ook de Raad van State gelegenheid krijgt omeen advies uit te brengen, zal deze nota van wijziging enige tijd vragen.Beoogd is om deze nota van wijziging in de week voorafgaand aan heteerste wetgevingsoverleg van het Belastingplan 2025 op maandag21 oktober aan uw Kamer te versturen.Vraag 20Kunnen cijfermatig in een tabel alle verschillen worden uiteengezet tussende budgettaire reeksen in de budgettaire bijlage van het Hoofdlijnenak-koord en de Miljoenennota?Antwoord op vraag 20Met het hoofdlijnenakkoord (HLA) zijn afspraken gemaakt over definanciën van de Rijksbegroting. Deze afspraken zijn opgenomen in debudgettaire bijlage van het HLA. De Miljoenennota 2025 verwerkt het HLAen de begroting en vormt daarmee de Startnota van het kabinet. Alsonderdeel van het reguliere begrotingsproces zijn bij de augustusbesluit-vorming nieuwe aanpassingen aan de begroting doorgevoerd. Dit betreftonder andere het verwerken van de nieuwe uitvoeringsinformatie van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn bij de augustusbesluit-vorming kasschuiven doorgevoerd om de begrotingen in een realistischerritme te plaatsen. Ook heeft in augustus besluitvorming plaatsgevondenover de lasten en de koopkracht, waaronder de tegenvaller in box 3.Onderdeel hiervan was de uitwerking van diverse maatregelen uit hetHLA.Bovenstaande gebruikelijke bijstelling van de rijksbegroting heeft geleidtot een substantieel aantal (technische) mutaties ten opzichte van debudgettaire bijlage van het HLA. De wijzigingen van de departementalebegrotingen worden toegelicht in de Verticale Toelichting bij de Miljoe-nennota en de toelichtingen op de begrotingstukken behorend bij dedepartementale begrotingen. De maatregelen in het inkomstenkaderworden integraal toegelicht in paragraaf 2.3 van de Miljoenennota enbijlage 4.Vraag 21Hoe verhoudt het totale begrotingssaldo van gemeenten volgens huneigen begrotingen zich tot het geraamde EMU-saldo decentraleoverheden in de Miljoenennota?Antwoord op vraag 21De basisraming van het saldo van lokale overheden wordt overgenomenvan het CPB. De basisraming is gebaseerd op het gemiddelde saldo vanmedeoverheden van de afgelopen 10 jaar (2014 t/m 2023). Daarnaast is ereen aantal beleidsafslagen: zo veronderstelt het CPB dat er oplopendetekorten zijn in de Wmo en Jeugdzorg als gevolg van stijgende kosten. Debeleidsafslagen van het CPB worden niet overgenomen, omdat deoplopende kosten voor bijvoorbeeld jeugdzorg niet automatisch leiden toteen slechter saldo voor medeoverheden. Zij moeten immers een sluitendebegroting op baten-lastenbasis hebben, hiervoor hebben zij ook de lokaleautonomie om tot een sluitende meerjarenbegroting te komen.Het begrotingssaldo van gemeenten is daarmee ook niet vergelijkbaarmet het EMU-saldo. Het begrotingssaldo van gemeenten is het saldo vanbaten en lasten, terwijl het EMU-saldo tot stand komt op transactiebasis.Een gemeentelijke investering heeft bijvoorbeeld invloed op hetEMU-saldo van het betreffende jaar, maar wordt voor de loop van deafschrijvingstermijn als lasten geboekt op het begrotingssaldo van batenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3813 en lasten van de gemeenten. Hierdoor is het EMU-saldo (transactiebasis)en het begrotingssaldo van gemeenten (baten-lasten) niet vergelijkbaar.Vraag 22Wat is het gemiddelde en totale begrotingssaldo van gemeenten in 2026op basis van hun eigen begrotingen?Antwoord op vraag 22Gemeenten stellen in het najaar de begroting vast voor het volgende jaar.Het CBS publiceert op basis van de door de gemeenteraad vastgesteldebegroting het saldo van baten en lasten in maart van het betreffendebegrotingsjaar. Het CBS publiceert deze cijfers dus niet voor meerderejaren. De meest recent beschikbare informatie is daarmee 2024. In deMiljoenennota is de raming voor medeoverheden gebaseerd op hetgemiddelde saldo van lokale overheden van de afgelopen 10 jaar (2014t/m 2023) en komt voor 2026 uit op –0,1% bbp.Vraag 23Klopt het dat de ouderenkorting niet meegerekend wordt bij de bruteringvan de AOW-uitkering? Waarom is dat zo? Hoe valt dit te rijmen metArtikel 9, lid 5 van de Algemene Ouderdomswet, en specifiek de tekst«rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen voor eenpersoon van de pensioengerechtigde leeftijd en ouder»?Antwoord op vraag 23Het klopt dat de ouderenkorting niet meegerekend wordt bij de bruteringvan de AOW-uitkering. Als dat wel zo zou zijn, dan leidt een verhoging vande ouderenkorting direct tot een even grote verlaging van de brutoAOW-uitkering. In dat geval zou een AOW-gerechtigde zonder aanvullendpensioen niet profiteren van een hogere ouderenkorting. In de memorievan toelichting bij de Aanpassingswet Wet Inkomstenbelasting 2001 istoegelicht dat de ouderenkorting (en de toenmalige aanvullende ouderen-korting) «losstaande bedragen vormen die niet in de brutering wordenbetrokken».Vraag 24Hoeveel geld heeft u opgenomen voor de aanbevelingen van de PEFD?(Aangezien de Kamer heeft uitgesproken het hele rapport te willenovernemen)Antwoord op vraag 24Het kabinet werkt aan de kabinetsreactie op het rapport van de Parlemen-taire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening. In dezekabinetsreactie zal inhoudelijk worden ingegaan op de opvolging van deaanbevelingen en de mogelijke budgettaire gevolgen. Het streven is omde kabinetsreactie voor het kerstreces naar de Kamer te sturen.Vraag 25Welke maatregelen worden genomen om de regeldruk in Nederland af telaten nemen (per departement)?Antwoord op vraag 25Het kabinet spant zich in om met name overbodige regeldruk tegen tegaan en om het naleven van regels makkelijker te maken. Hiervoorintroduceert het kabinet de wettelijke verplichting om het AdviescollegeToetsing Regeldruk (ATR) structureel en vroegtijdig te betrekken bij devoorbereiding van nieuwe regelgevingsvoorstellen die naar verwachtinggrote gevolgen hebben voor de regeldruk. Het kabinet zal hiertoe ditnajaar een nota van wijziging indienen op het voorliggende wetsvoorsteltot wijziging van de Instellingswet Adviescollege toetsing regeldruk. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3814 uitgangspunt is dat adviezen van de ATR zwaarwegend zijn en in principeworden overgenomen. Met name bij een kritisch oordeel (dictum 3 of 4)dient de verantwoordelijke Minister inzichtelijk te maken op welke puntenen met welke zwaarwegende gronden is afgeweken van het advies.Daarnaast zet het kabinet geen nieuwe nationale koppen op Europeesbeleid. Ook wordt gekeken naar bestaande koppen, uiteraard met behoudvan doelbereik en met oog voor de consequenties ervan. Tot slot gaat hetkabinet in gesprek met toezichthouders en handhavers over hoe deregeldruk kan worden verminderd en wordt de Bedrijfseffectentoets (BET)verder aangescherpt. Deze maatregelen gelden voor alle departementen.Vraag 26Kan er een overzicht gegeven worden van regelingen c.q. budgetten diebij de groep uitkeringsgerechtigden terecht komen en die niet in dekoopkrachtplaatjes zijn of worden meegenomen, inclusief regelingen c.q.budgetten op lokaal en provinciaal niveau?Antwoord op vraag 26Helaas is dat niet mogelijk, omdat het kabinet hier geen overzicht vanheeft. Het uitgangspunt is echter dat alle regelingen die het inkomen vanmensen beïnvloeden in principe worden meegenomen in de koopkracht-berekeningen, tenzij dat niet mogelijk is. Voor sommige inkomensbe-standdelen geldt bijvoorbeeld dat er geen goede informatie beschikbaar isop huishoudniveau. Voor de meeste landelijke regelingen geldt echter datzij zijn meegenomen in het koopkrachtbeeld. Lokale (en provinciale)regelingen worden in principe niet meegenomen in de koopkrachtbereke-ningen vanwege verschillende redenen. In de eerste plaats heeft hetkabinet geen volledig overzicht van alle lokale (of provinciale) regelingen.In de tweede plaats bestaan er grote verschillen tussen gemeenten quainvulling en voorwaarden van lokale regelingen, waardoor niet goed isvast te stellen welke mensen recht hebben op welke regeling en dewaarde daarvan. In de derde plaats is het niet altijd goed mogelijk om de(geldelijke) waarde van lokale regelingen vast te stellen (bijvoorbeeld bijnaturaregelingen). Vanwege deze redenen worden lokale regelingen inprincipe niet meegenomen. Meer toelichting op de keuzes om bepaalderegelingen wel/niet mee te nemen in de koopkrachtberekeningen is tevinden in een achtergronddocument van het CPB, getiteld MIMOSI:Microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten enkoopkracht. Een uitzondering hierop is de energietoeslag in 2022 en 2023:deze regeling gold voor een substantieel aantal huishoudens, enbovendien was de hoogte van de energietoeslag in de meeste gemeentengelijk, waardoor het mogelijk was om de regeling bij uitzondering welmee te nemen in de koopkrachtcijfers.Vraag 27Kan aangegeven worden voor welke voornemens c.q. acties uit hetregeerprogramma nog geen dan wel onvoldoende dekking is?Antwoord op vraag 27Voor de financiële consequenties van het Regeerprogramma is deMiljoenennota leidend, die tevens dient als Startnota van het kabinet. Ditbetekent dat alle doelen en voorstellen uit het Regeerprogramma moetenworden gedekt binnen de extra middelen die met het Hoofdlijnenakkoordvoor specifieke onderwerpen zijn gereserveerd en anders binnen debestaande middelen op de departementale begrotingen. Aan delastenkant wordt vastgehouden aan de beleidsmatige ontwikkeling zoalsin de Miljoenennota gepresenteerd. Beleidsmatige afwijkingen daarvandienen gecompenseerd te worden. Dit geldt ook voor lastenverzwaringenuit het Hoofdlijnenakkoord die als gevolg van beleidskeuzes niet wordengerealiseerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3815 Vraag 28Kan er een financiële vertaling van het regeerprogramma geleverdworden?Antwoord op vraag 28Voor de financiële consequenties van het Regeerprogramma is deMiljoenennota leidend, die tevens dient als Startnota van het kabinet. Ditbetekent dat alle doelen en voorstellen uit het Regeerprogramma moetenworden gedekt binnen de extra middelen die met het Hoofdlijnenakkoordvoor specifieke onderwerpen zijn gereserveerd en anders binnen debestaande middelen op de departementale begrotingen. Aan delastenkant wordt vastgehouden aan de beleidsmatige ontwikkeling zoalsin de Miljoenennota gepresenteerd. Beleidsmatige afwijkingen daarvandienen gecompenseerd te worden. Dit geldt ook voor lastenverzwaringenuit het Hoofdlijnenakkoord die als gevolg van beleidskeuzes niet wordengerealiseerd.Vraag 29Kunt u de ontwikkeling van de AIQ en de WIQ ook uitdrukken in absolutebedragen in plaats van %bbp? Kunt u dit doen voor de periode1980–2024?Antwoord op vraag 29De figuur laat de arbeidsinkomensquote (AIQ) en de winstquote (WIQ)zien over de periode 1995–2023, verrekend naar absolute bedragen. Dereeksen zijn op basis van werkelijke prijzen en dus niet gecorrigeerd voorinflatie. De methodiek van het CBS is gereviseerd vanaf 1995. Dedatareeks over de periode 1980–1995 is daarom moeilijk te vergelijkenmet de reeks vanaf 1995. Het CBS heeft nog geen data voor 2024. Volgensde MEV-raming van het CPB zal de AIQ zich iets herstellen in 2024.Vraag 30Wat gebeurt er als de OCW-begroting van 2025 wordt weggestemd? Klopthet dat dan de begroting van 2024 leidend is, en dat er dan dus nietbezuinigd hoeft te worden?Antwoord op vraag 30Middels de ontwerpbegroting legt het kabinet een voorstel ter autorisatievoor aan het parlement. De door het parlement geautoriseerde begrotinggeldt als een maximum. De vakminister mag dus niet meer uitgeven danFiguur 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3816 de geautoriseerde bedragen, maar wel minder. Een ontwerpbegroting kanconform de Grondwet alleen op Prinsjesdag worden ingediend. Ditbetekent dat wanneer een ontwerpbegroting 2025 wordt weggestemd ervoor het jaar 2025 geen begroting is. Het kabinet kan dus geen nieuwe ofsuppletoire begrotingen voor 2025 indienen. Het indienen van een nieuweontwerpbegroting kan dus ook pas op Prinsjesdag 2025.Wanneer een ontwerpbegroting wordt aangehouden en daarmee niet op1 januari van het jaar waarop de begrotingswet betrekking heeft inwerking kan treden, mag de vakminister het lopend beleid uit diebegroting tijdelijk met terughoudendheid in uitvoering nemen. Gelet optijdelijkheid is het van belang dat er snel een geautoriseerde begroting isom de rijksuitgaven rechtmatig te kunnen doen. Met lopend beleid wordtbeleid bedoeld dat reeds door het parlement door middel van debegroting van het voorafgaande jaar is geaccordeerd of waarover hetparlement reeds is geïnformeerd (artikel 2.25 Comptabiliteitswet 2016).Het aanhouden van een ontwerpbegroting 2025, waardoor deze niet op1 januari van het jaar waarop de begrotingswet betrekking heeft inwerking kan treden, betekent ook dat in 2025 geen nieuw beleid kanworden uitgevoerd, tenzij uitstel van die uitvoering naar het oordeel vande vakminister niet in het belang van het Rijk is en de vakminister deStaten-Generaal daarover heeft geïnformeerd.Vraag 31Stemt de Kamer alleen over de bedragen van de begroting van 2025(bijvoorbeeld: wetstekst bij begroting OCW 2025) of ook al overingeboekte bezuinigingen voor 2026 en verder (memorie van toelichtingbij Begroting OCW 2025)?Antwoord op vraag 31Uw Kamer autoriseert alleen de begrotingsstaat met bijbehorendeverplichtingen, uitgaven en ontvangsten (artikel 2.3 en 2.5 Comptabili-teitswet 2016) voor het jaar 2025. De meerjarige doorwerking in deverplichtingen, uitgaven en ontvangsten worden ter invulling van hetinformatierecht van uw Kamer opgenomen in de ontwerpbegrotingen,maar zijn geen onderwerp van parlementaire autorisatie bij de behan-deling van begroting 2025.Vraag 32Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 55% CO2-reductie in 2030?Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 32Het kabinet en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) alsbeleidsverantwoordelijk departement houden vast aan de doelstelling van55% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990, zoals vastgelegd in deKlimaatwet. Op 24 oktober komt de Klimaat en Energieverkenning (KEV)van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) uit. Uit de KEV zal blijkenof het huidige kabinetsbeleid voldoende is om dit doel te bereiken. Indiendit niet het geval blijkt, zal het kabinet in het voorjaar van 2025 alternatiefbeleid vaststellen binnen de bestaande budgettaire kaders.Vraag 33Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van halvering stikstofuitstoot in2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel tebereiken?Antwoord op vraag 33Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3817 Het kabinet committeert zich aan de verplichtingen die volgen uit de(inter)nationale wet- en regelgeving ten aanzien van natuur, biodiversiteiten klimaat. Uit rapportages van de kennisinstellingen bleek eerder dit jaardat het gevoerde beleid nog onvoldoende was om de stikstofdoelstel-lingen in te vullen. Dit kabinet komt met een andersoortige aanpak. Metbetrekking tot stikstof werkt het kabinet aan een juridisch houdbaaralternatief in plaats van sturen op de Kritische Depositiewaarde (KDW)waarmee de huidige omgevingswaarden voor stikstofdepositie in deOmgevingswet kunnen worden vervangen. In het Hoofdlijnenakkoord is5 mld. euro beschikbaar gesteld voor de agrarische sector en 500 mln.euro structureel voor agrarisch natuurbeheer, het kabinet zal de komendeperiode nader invulling geven aan de inzet van deze middelen. Voortswerkt het kabinet onder andere aan een uitvoeringsgerichte en gebieds-specifieke aanpak die in plaats komt van het NPLG. De Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stuurt de eerste richtingvan deze aanpak voor het einde van 2024 naar de Kamer. De Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dient dit beleid terealiseren binnen de bestaande financiële kaders.Vraag 34Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 5% biologische landbouw-grond in 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doelte bereiken?Antwoord op vraag 34De ambitie van het kabinet is om in 2030 op 15% van het landbouwareaalbiologisch te produceren, conform het op 19 december 2022 gepubli-ceerde actieplan. Om dit te bereiken is het belangrijk dat de vraag vanconsument en markt toeneemt. Hiertoe is meerjarig 50 miljoen extravrijgemaakt voor de ontwikkeling van de markt. Het kabinet waakt over deuitvoering van het actieplan houdt de ontwikkelingen nauwgezet in degaten en stuurt bij waar nodig. De Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur dient dit beleid te realiseren binnen debestaande financiële kaders.Vraag 35Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 50% minder grondstoffen-gebruik in 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om ditdoel te bereiken?Antwoord op vraag 35Eerder heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat alaangegeven dat we met de maatregelen in het Nationaal ProgrammaCirculaire Economie (NPCE) dit doel niet gaan halen. Ook het Planbureauvoor de Leefomgeving (PBL) geeft in de Integrale Circulaire EconomieRapportage (ICER) van 2023 aan dat meer maatregelen nodig zijn om ditdoel te halen. Begin 2025 komt een nieuwe ICER uit. Mede op basishiervan zal de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat inseptember van dat jaar een geactualiseerd NPCE aan de Kameraanbieden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dient ditbeleid te realiseren binnen de bestaande financiële kaders.Vraag 36Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 100% schoon water in2027? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel tebereiken?Antwoord op vraag 36De doelstellingen voor schoon en gezond water zijn vastgelegd in de(Europese) Kaderrichtlijn Water (KRW). Inzet is om met het tijdig uitvoerenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3818 van alle afgesproken maatregelen en gebruikmakend van legitiemeEuropese uitzonderingen in 2027 aan de KRW te voldoen. Met hetimpulsprogramma KRW zet het kabinet zich er samen met de medeover-heden voor in om dit voor elkaar te krijgen en waar nodig extra stappen tezetten. Zelfs met al deze inspanningen en de al gerealiseerde verbete-ringen, verwacht het kabinet niet dat in 2027 alle (meer dan honderd-duizend) KRW-doelen bereikt zullen zijn. Dat betekent echter niet dat we in2027 niet aan de KRW kunnen voldoen. De Kaderrichtlijn voorziet namelijkin uitzonderingsgronden, wanneer het bijvoorbeeld – zelfs met maximaleinspanning – niet mogelijk is om bepaalde stoffen voor 2027 uit het waterte halen, simpelweg omdat dit een langjarig proces betreft dat nietversneld kan worden. Op die manier is het dus mogelijk dat Nederlandmet maximale inspanning wel aan de KRW voldoet in 2027, ondanks datdan nog niet alle doelen behaald zijn. De tussenevaluatie, die eind dit jaargereed is, brengt in samenwerking met de regio de toestand van dewateren, de resterende opgaven en het handelingsperspectief in beeld. DeKamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang van hetKRW-impulsprogramma. De Minister van Infrastructuur en Waterstaatdient dit beleid te realiseren binnen de bestaande financiële kaders.Vraag 37Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van halvering van het aantalmensen met problematische schulden voor 2030? Zo ja, is het huidigekabinetsbeleid voldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 37Het kabinet komt met een omvangrijke reeks maatregelen om problema-tische schulden terug te dringen en heeft hier ook middelen voorgereserveerd. De effecten hiervan zullen we pas op langere termijn zien,ook omdat in veel gevallen wetgeving nodig is. De Staatssecretaris vanSociale Zaken en Werkgelegenheid zal uw Kamer hier in de kabinetsre-actie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) schulden en inhet commissiedebat op 17 oktober over informeren.Vraag 38Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van nul daklozen in 2030(Lissabon verklaring) in 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleidvoldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 38Het kabinet houdt vast aan de doelstellingen van de verklaring vanLissabon en gaat door met de uitvoering van het Nationaal ActieplanDakloosheid. Vanaf 2022 is er structureel 65 miljoen euro extrabeschikbaar gesteld voor de aanpak van dakloosheid. Het kabinet zet in ophet verbeteren van de bestaanszekerheid en de bouw van meer woningen.Er is bijzondere aandacht voor de huisvesting van enkele specifiekedoelgroepen, waaronder dakloze mensen.Dit jaar wordt naar aanleiding van de motie Westerveld (Kamerstuk36 200-XVI, nr. 73) gestart met een onafhankelijk onderzoek naar devoortgang op het Nationaal Actieplan Dakloosheid en de daaraangekoppelde doelstelling uit de Lissabondeclaratie. De StaatssecretarisLangdurige en Maatschappelijke Zorg verwacht uw Kamer hier volgendnajaar over te informeren.Vraag 39Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van nul jongeren in de geslotenjeugdzorg? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel tebereiken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3819 Antwoord op vraag 39De doelstelling van het kabinet is om in 2030 zo dicht mogelijk bij nulgesloten plaatsingen te komen. De Staatssecretaris Jeugd, Preventie enSport van VWS komt met een regeling voor de transformatie van geslotenjeugdzorg. Deze regeling is bedoeld voor de af- en ombouw van degesloten jeugdhulpinstellingen. Daarmee moet het mogelijk zijn dedoelstelling te halen.Vraag 40Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van nul thuiszittende kinderenvoor 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel tebereiken?Antwoord op vraag 40Dit kabinet werkt aan het terugdringen van het aantal onnodige thuis-zitters. Om dit aantal zo laag mogelijk te krijgen, zetten we de lopendemaatregelen vol door. Het tegengaan van verzuim is essentieel om ervoorte zorgen dat elk kind en iedere jongere een passende plek heeft in hetonderwijs en zich kan ontwikkelen. De verzuimaanpak heeft daarom hogeprioriteit. Hierbij is onze inzet tweeledig: (1) we verscherpen én versterkende preventieve verzuimaanpak van scholen, samenwerkingsverbanden enleerplichtambtenaren – een wetsvoorstel hiertoe ontvangt u dit najaar – en(2) we maken meer mogelijk (in wet- en regelgeving) voor leerlingen diedreigen uit te vallen of al uitgevallen zijn. Tot slot werken we aan hetactieprogramma digitale school. Met het actieprogramma benutten we dekansen die digitalisering biedt voor kinderen die niet fysiek (volledig) naarschool kunnen – onder meer met een subsidie en het actief delen vaninformatie over wat er nu al kan.Vraag 41Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van het isoleren van 2,5 miljoenwoningen voor 2030 (300.000 per jaar)? Zo ja, is het huidige kabinets-beleid voldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 41Ja, isolatie is een belangrijke manier om energie te besparen en deenergierekening betaalbaar te houden (een besparing is mogelijk tot1.900 euro per jaar) en minder afhankelijk van energie te worden uitandere landen. De doelstelling uit het Nationaal Isolatieprogramma blijftom 2,5 mln. woningen te isoleren tot en met 2030. De realisatie van hetdoel zal binnen bestaande financiële kaders moeten gebeuren. Hierbijworden bewoners ondersteund op verschillende manieren, waaronder delokale isolatieaanpak via gemeenten, landelijke subsidie voor eigenaar-bewoners, VvE’s en particuliere verhuurders, en afspraken met woning-corporaties. Er wordt gemonitord of de maatregelen voldoende zijn om dedoelen te realiseren, onder andere via de jaarlijkse Klimaat- en Energiever-kenning. In de voortgangsrapportage van het Programma VersnellingVerduurzaming Gebouwde Omgeving van afgelopen voorjaar4 kon opbasis van de energielabelontwikkeling in de woningvoorraad wordengesteld dat de doelen voor 2030 wat isolatie betreft haalbaar zijn.5Vraag 42Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van halvering van het aantalverkeersslachtoffers voor 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleidvoldoende om dit doel te bereiken?4Bron: Voortgangsrapportage Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving,10 juni 20245Bron: Voortgangsrapportage Programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving,10 juni 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3820 Antwoord op vraag 42Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) isgevraagd of een halvering van het aantal verkeersslachtoffers in 2030mogelijk is. Volgens SWOV lijkt de tussendoelstelling om in 2030 eenhalvering van het aantal verkeersslachtoffers te realiseren te ambitieus.Dat neemt niet weg dat dit kabinet blijft inzetten op een vermindering vanhet aantal verkeersslachtoffers. Momenteel verkent het kabinet welkeextra maatregelen de trend van toenemende verkeerslachtoffers kunnenkeren, zoals opgenomen in het regeerprogramma. Over de uitkomstenvan de verkenning wordt uw Kamer dit jaar geïnformeerd. De Minister vanInfrastructuur en Waterstaat dient dit beleid te realiseren binnen debestaande financiële kaders.Vraag 43Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 3% besteding aan R&Dvoor 2030? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende om dit doel tebereiken?Antwoord op vraag 43Het kabinet houdt vast aan de doelstelling dat Nederland in 2030 3% vanhet bruto binnenlands product uitgeeft aan investeringen in onderzoek enontwikkeling (R&D). Dit betreft zowel publieke als private middelen. Ininternationaal perspectief blijven vooral private investeringen in R&Dachter in Nederland. Voor de publieke middelen geldt dat de doelstellinggerealiseerd dient te worden binnen de bestaande budgettaire kaders. Hetkabinet wil meer investeringen in R&D realiseren door verschillendemaatregelen. Dit betreft onder andere maatregelen om het ondernemers-klimaat te versterken, zoals een stabiel en voorspelbaar beleid, lastenver-lichtingen en het Pact Ondernemingsklimaat. Daarnaast neemt het kabinetmaatregelen om het concurrentievermogen van Nederland te versterkendoor het stimuleren van een innovatieve economie. Hiervoor wordenactieagenda’s opgesteld op de tien prioritaire technologieën uit deNationale Technologiestrategie. Tot slot krijgt Invest-NL additionelemiddelen, waarmee haar slagkracht wordt vergroot, wat onder meerbijdraagt aan de doorgroei van (innovatieve) startups naar scale-ups. Demaatregelen worden gedurende deze kabinetsperiode verder uitgewerkten uitgevoerd. Het is de inzet van het kabinet om hiermee de doelstellingte halen. Hiervoor is echter ook private inzet noodzakelijk.Vraag 44Houdt het kabinet vast aan de internationale afspraak van 0,7% bni voorontwikkelingssamenwerking? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleidvoldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 44Het bni-percentage van het ODA-budget ontwikkelt zich in de komendejaren van 0,62% van het bni naar 0,44% van het bni. Daarmee wordt de0,7% niet gehaald.Tabel 17In mln.202420252026202720282029ODA-budget 2024–20297.0167.1757.3045.4445.5525.942ODA-budget in % van het bni0,620,610,60,430,420,44 Vraag 45Houdt het kabinet vast aan de doelstelling van 30% afname van gezond-heidsachterstanden van mensen met lage SES ten opzichte van mensenmet hoge SES in 2040? Zo ja, is het huidige kabinetsbeleid voldoende omdit doel te bereiken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3821 Antwoord op vraag 45De 30% afname van gezondheidsachterstanden van mensen met lagesociaal economische status (SES) ten opzichte van mensen met hoge SESin 2040 was geen doelstelling, maar een missie die richting moest gevenaan het topsectoren- en innovatiebeleid (MTIB) van het vorige kabinet. Ditlaat onverlet dat het kabinet deze gezondheidsverschillen onwenselijkvindt. Het terugdringen van vermijdbare gezondheidsachterstanden blijfteen specifiek doel in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), zoalsovereengekomen door Gemeenten en GGD-en, zorgverzekeraars en hetMinisterie van VWS. In dit akkoord zijn acties opgenomen om dit doel tebereiken. Op korte termijn ontvangt uw Kamer de kabinetsreactie op hetSER-rapport «Gezond opgroeien, wonen en werken» waarin de aanpakvan gezondheidsachterstanden vanuit dit Kabinet wordt toegelicht.Vraag 46Houdt het kabinet vast aan de doelstelling om het aandeel van mensenmet overgewicht te laten dalen tot 38% of lager in 2040 en het aantalkinderen met overgewicht te laten dalen naar 9,1%? Zo ja, is het huidigekabinetsbeleid voldoende om dit doel te bereiken?Antwoord op vraag 46Het kabinet houdt vast aan de ambitie van een gezonde generatie in 2040zoals dat onder meer breed is omarmd in het Nationaal Preventieakkoord.Onderdeel van deze ambitie is het terugdringen van overgewicht. Erwordt door het kabinet een samenhangende preventiestrategie uitge-werkt. In deze strategie wordt ingegaan op de doelstellingen van hetpreventiebeleid en de inzet om deze te bereiken.Vraag 47Klopt het dat ontwikkelingssamenwerking. (ODA) met ingang van 2025niet meer gekoppeld zal zijn aan het bni? Wat is de reden dat dit zo is?Waarop is dit gebaseerd? Waar en in welk document is dit afgesproken? Isdit overlegd met de vier dragende partijen?Antwoord op vraag 47Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij Miljoenennota niet aan tepassen naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) vanhet CPB, die deze zomer gepubliceerd is. In het Hoofdlijnenakkoord isgeen afspraak gemaakt over de koppeling met het bni. Indien er wordtgekozen om het budget te koppelen, zal deze bijstelling ingepast moetenworden in het vastgestelde uitgavenkader.Vraag 48Kan het kabinet aangeven in een tabel hoeveel de uitgaven aan ODAzullen zijn MET indexering en ZONDER indexering op basis van bni voorde jaren 2025 t/m 2030?Antwoord op vraag 48Indien het kabinet had besloten om het ODA-budget bij Miljoenennota opbasis van de MEV bij te stellen, dan zou dit afhankelijk van de preciezeberekeningswijze tot en met 2029 cumulatief 1,3 miljard dan wel2,0 miljard gekost hebben.Een koppeling waarbij het ODA-budget één op één meegroeit met het bnien dus de ODA-prestatie (budget uitgedrukt in percentage bni) gelijk blijftaan de huidige raming (zie antwoord op vraag 44), zou de volgendebijstelling betekend hebben:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3822 Tabel 18In mln.202420252026202720282029Cum.Bijstelling cf. bni ontwikkeling1802002112292292291.278 Een koppeling waarbij de ODA-prestatie op (zeer) lange termijn toegroeitnaar 0,7% bni, conform de systematiek van voorgaande kabinetten, zou devolgende bijstelling betekend hebben:Tabel 19In mln.202420252026202720282029Cum.Bijstelling ODA-budget bij groei naar 0,7%2873193363643643642.034 Met deze bijstellingen zou het ODA budget voor de aankomende jaren alsvolgt zijn:Tabel 20In mln.202420252026202720282029ODA-budget 2024–20297.0167.1757.3045.4445.5525.942ODA-budget incl. bijstelling cf. bni-ontwikkeling7.1967.3757.5155.6735.7816.171Bijstelling ODA-budget bij groei naar 0,7%7.3037.4947.6405.8085.9166.306 Vraag 49Hoeveel zou de indexering van de ODA-gelden kosten ten opzichte vanhet nieuwe basispad, als er wel geïndexeerd zou worden op basis vanbni?Antwoord op vraag 49Zie antwoord op vraag 48.Vraag 50Hoe vaak is er in de afgelopen 50 jaar niet geïndexeerd op Ontwikkelings-samenwerking? Is dit een kabinetsbesluit geweest? Of was dit een mutatievan het Ministerie van Financiën?Antwoord op vraag 50Het ODA-budget is in de afgelopen 50 jaar gekoppeld geweest aan het bni.Zie verder het antwoord op vraag 47.Vraag 51Zijn er al claims gedaan voor 2026? Over welke financiële dekkingen zijntijdens de formatie geen afspraken gemaakt, zodat het een vrije kwestieis?Antwoord op vraag 51In hoeverre claims voor 2026 zijn besproken als onderdeel van deaugustusbesluitvorming is onderdeel van de kabinetsinterne beraadsla-gingen. Het kabinet heeft de uitkomsten van de besluitvorming gepresen-teerd in de Miljoenennota 2025. De onderliggende adviesnota’s zijngelijktijdig met de Miljoenennota openbaar gemaakt.Afspraken tijdens de formatie zijn gemaakt tussen de vier formerendepartijen. Dit zijn daarmee geen kabinetsafspraken en dus kan het kabinethier ook geen uitspraken over doen. Het archief van formatie is samenmet het eindverslag van de formateur openbaar gemaakt.Vraag 52Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3823 In hoeverre komt er minder geld beschikbaar voor gemeentelijkeminimaregelingen omdat de huurtoeslag en kindgebonden budgetverhoogd worden?Antwoord op vraag 52Er is geen daling van het budget voor gemeentelijke minimaregelingen alsgevolg van een verhoging van de huurtoeslag en het kindgebondenbudget.Vraag 53In de dekkingsmaatregelen en uitvoeringsinformatie SZW staat te lezendat de uitvoeringstegenvaller van 252 miljoen op de WIA in 2025intertemporaal gedekt wordt op de SZW-begroting. Waar komt dezedekking precies vandaan?Antwoord op vraag 53De uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting in 2025 – waar detegenvaller op de WIA onderdeel van is – wordt intertemporeel gedekt opde SZW-begroting vanuit meerdere dekkingsbronnen. De grootstedekkingsbron is de beleidsmatige vrijval van middelen voor de verruimingvan het loonkostenvoordeel Banenafspraak, onderdeel van hetwetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak. Dit wetsvoorstel wordt meteen jaar uitgesteld, waardoor er in 2026 middelen vrijvallen. Daarnaastwordt de invoering van het wetsvoorstel Participatiewet in balans met eenhalf jaar uitgesteld. Dit zorgt voor lagere uitgaven in 2025. Verder wordener onder meer middelen aangewend die gereserveerd waren omgemeenten te compenseren voor de beoogde bijzondere verhoging vanhet wettelijk minimumloon (WML) voor medewerkers in de Wet Socialewerkvoorziening (Wsw) met 1,2% per 1 juli 2024. Deze bijzondereverhoging is niet doorgegaan, hierdoor vallen deze middelen vrij.Vraag 54Is er wat betreft schuldenaanpak sprake van een intensivering of eenombuiging?Antwoord op vraag 54Dit kabinet intensiveert in de schuldenaanpak. In de Miljoenennota isaangekondigd dat er structureel 75 miljoen euro wordt vrijgemaakt vooreen pakket aan maatregelen om problematische schulden fundamenteelaan te pakken.Vraag 55Te lezen valt dat ten behoeve van de subsidietaakstelling uit het hoofdlij-nenakkoord op verschillende budgetten bezuinigingen zijn doorgevoerd,die voornamelijk bestaan uit het verlagen van algemene subsidie- enopdrachtenbudgetten voor re-integratie en armoede en schulden. Waarbestaan die verlagingen uit? Op welke programma’s of initiatieven wordtspecifiek bezuinigd?Antwoord op vraag 55Vanuit het algemene subsidieartikel van artikel 2 van de SZW-begrotingworden subsidies verstrekt ten behoeve van re-integratie, ondersteuningaan gemeenten op gebied armoede en schulden, steun aan vrijwilligersor-ganisaties en voedselhulp. Een deel van dit budget is nog niet definitieftoebedeeld aan een beleidsdoel. De bezuiniging van het budget betreft ditnog niet definitief toegekende budget.Vraag 56Hoeveel moet naar verwachting worden geraamd voor de hersteloperatieUWV?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3824 Antwoord op vraag 56Op dit moment is het nog niet mogelijk om een beeld van de kosten tegeven. Gezien de complexiteit en omvang van de totale populatie is hetvoor het UWV nu nog niet mogelijk om precies aan te wijzen welkemensen benadeeld of bevoordeeld zijn en om welke bedragen het gaat.Het UWV werkt aan inzicht in de totale problematiek en verwacht uiterlijkdecember een zo compleet mogelijk beeld te hebben inclusief benodigdemaatregelen.Vraag 57Voor welke specifieke groepen is de envelop «groepen in de knel» preciesbedoeld?Antwoord op vraag 57De envelop voor «groepen in de knel» is ingezet voor verschillendedoelgroepen, waaronder: mensen in de sociale zekerheid, gebruikers vantoeslagen, en mensen met problematische schulden. Zie hieronder hetoverzicht van maatregelen, zoals ook opgenomen in de Miljoenennota2025.Tabel 21 Groepen in de knelBudgettaire effecten maatregelen, in mln. euro20252026202720282029Struc.Reservering voorjaar193104149136110412Integraal pakket problematische schulden24567310010075Aanpassing handhaving sociale zekerheid61212121212Schoolmaaltijden454545454545Aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voor achterblijversnoodgedwongen elders verblijvende partner11212121212Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen van grondslagtoeslagen obv verblijfstitel en recht kinderbijslag055555Verlengen aanvraagtermijn toeslagen055555Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskosten door ziekteof invaliditeit in de inkomstenbelasting111111Netto i.p.v. bruto terugvorderen13131313131Reservering voor aanpak armoede Caribisch Nederland222222IPS gemeentelijke doelgroep432000Tijdelijke verlenging energiefonds60600000Totaal337337337349323600Beschikbare middelen envelop groepen in de knel337337337349323600 Vraag 58Hoe groot is het deel van de envelop «groepen in de knel» dat bedoeld isvoor hersteloperaties aangaande de WIA?Antwoord op vraag 58Voor de hersteloperaties aangaande de WIA is geen geld uit de envelop«groepen in de knel» geoormerkt. Wel is er een reservering getroffen voorkomend voorjaar. Deze is o.a. bedoeld voor de onderwerpen OCTAS,Participatiewet, Toeslagenwet, Caribisch Nederland en werkende armen(kinderopvang). Momenteel worden beleidsopties uitgewerkt, waaraan demiddelen uit deze envelop besteed kunnen worden. Het bedrag van dezereservering varieert in de komende jaren tussen de 100 en 200 miljoeneuro en bedraagt vanaf 2039 structureel 412 miljoen euro.Vraag 59Kunt u een uitsplitsing geven wat de netto lastenverlichting is voorburgers en bedrijven in de periode 2025–2028 (graag per jaar aangeven)?Antwoord op vraag 59In onderstaande tabel wordt de beleidsmatige lastenontwikkeling getoondvoor burgers, bedrijven en buitenland, waarbij onderscheid wordtgemaakt tussen het basispad (beleid van voorgaande kabinetten) en hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3825 beleid van dit kabinet. De tabel is opgemaakt in standen, dus toont voorelk jaar de cumulatieve ontwikkeling sinds referentiejaar 2024.De voornaamste lastenverzwaring in het basispad is de toename van dezorgpremies, die zijn gekoppeld aan eveneens stijgende zorguitgaven.Deze lastenverzwaring komt hoofdzakelijk terecht bij de groep burgers.Daarnaast lopen in het basispad tijdelijke lastenverlichtingen af, zoals inde energiebelasting en de brandstofaccijnzen. Het kabinet zorgt in 2025voor een lastenverlichting voor zowel burgers (door het koopkrachtpakket,lagere zorgpremies en het met één jaar verlengen van de lagere brand-stofaccijnzen) als bedrijven (door geplande lastenverzwaringen terug tedraaien). De beleidsmatige lasten liggen aan het eind van de kabinetspe-riode 4,6 miljard euro hoger dan in 2024, ten opzichte van het basispad.Bijna de helft hiervan heeft een technische verklaring en hoort bij degroep burgers: de lastenverlichting in box 3 door de uitspraken van deHoge Raad vond plaats voor de kabinetsperiode, maar de spiegelbeeldigelastenverzwaring (die optreedt omdat het effect van de HR-uitsprakentijdelijk is) valt binnen de kabinetsperiode. Het verloop komt daarnaastdoordat in 2026 en 2027 een aantal lastenverzwaringen uit het hoofdlij-nenakkoord ingaan (waarvan het afschaffen van het verlaagd btw-tariefvoor logies en culturele diensten, het afschaffen van de salderingsregelingen de circulaire plasticheffing de grootste zijn) en doordat tijdelijkeverlaging van de brandstofaccijnzen afloopt. Ook is de vrachtwagen-heffing budgettair verwerkt met de Miljoenennota.Tabel 22 Beleidsmatige lastenontwikkeling 2025–2028 (in standen)In standen, in miljoenen euro’s2025202620272028BurgersBasispad4.5185.0706.5197.304Effect kabinetsbeleid– 4.466– 1.4272.9182.425Totaal523.6439.4379.729BedrijvenBasispad2.0422.3611.8691.803Effect kabinetsbeleid– 1.2564691.4422.102Totaal7862.8303.3113.905BuitenlandBasispad405406406406Effect kabinetsbeleid– 36622120120Totaal39428526526 Vraag 60Wat waren de uitgaven aan de OCW-begroting als percentage van het bbpen als percentage van de totale rijksbegroting in de afgelopen twintigjaar?Antwoord op vraag 60De onderstaande tabel toont de begroting van OCW in miljoenen euro’s,als percentage van het bbp en als percentage van de totale rijksbegrotingin de afgelopen twintig jaar. Dit is op basis van de stand ontwerpbe-groting OCW.Tabel 23JaarBegroting van OCWals % van het bbpBegroting van OCWals % van rijksbegroting20045%12%20055%13%20065%12%20074%12%20085%13%20095%13%20105%13%20115%13%20125%12%20135%13%20145%12%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3826 JaarBegroting van OCWals % van het bbpBegroting van OCWals % van rijksbegroting20155%13%20165%13%20175%13%20185%13%20195%13%20205%12%20215%11%20225%12%20235%12%20245%12% Vraag 61Wat is de woonquote voor huurders sinds 1980?Antwoord op vraag 61Het CBS voert om de paar jaar een groot woononderzoek uit. Woonquoteszijn daarom niet voor elk individueel jaar beschikbaar. De onderstaandetabel geeft woonquotes weer voor de beschikbare jaren. Verder terug dan1986 is niet beschikbaar, begin 2025 komt het CBS met de waarnemingenover 2024.Tabel 24WoonquoteCorporatiehuurPrivate huurTotaal huursectorGemiddeldeGemiddeldeGemiddelde198628,8%29,4%29,0%199028,6%30,2%29,0%199430,6%32,8%31,2%199833,8%34,7%34,0%200230,0%32,0%30,4%200634,5%38,1%35,2%200932,8%40,1%34,1%201234,9%39,8%36,0%201537,4%41,4%38,4%201835,9%41,5%37,6%202133,7%40,9%36,0%Bron: CBS Vraag 62Wat is de woonquote voor huizenbezitters sinds 1980?Antwoord op vraag 62Het CBS voert om de paar jaar een groot woononderzoek uit. Woonquoteszijn daarom niet voor elk individueel jaar beschikbaar. De onderstaandetabel geeft woonquotes voor huizenbezitters weer voor de beschikbarejaren. Verder terug dan 1986 is niet beschikbaar, begin 2025 komt het CBSmet de waarnemingen over 2024.Tabel 25 Woonquote voor huisbezittersKoopsector (gemiddeld)198624,0%199021,7%199425,0%199825,1%200221,7%200624,8%200924,2%201229,5%1201527,2%1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3827 Koopsector (gemiddeld)201826,6%1202123,4%11 Vanaf 2012 bevat de woonquote ook onderhoudskosten aan de woning. Deze is daardoor hogerdan daarvoor.Bron: CBS Vraag 63Welk deel van de nieuwgebouwde huizen ging de afgelopen jaren(2010–2024) naar beleggers/verhuurders in plaats van mensen die er zelfgingen wonen? Kunt u een percentage per jaar noemen?Antwoord op vraag 63De onderstaande tabel geeft weer welk percentage van nieuw opgele-verde woningen een huurwoning (corporatie of overige verhuur) dan weleen koopwoning is. Woningen gebouwd tussen 2010 en 2024 zijnongeveer in ongeveer de helft van de gevallen huurwoningen. Dit is meerdan in de bouwperiode ervoor (1991–2010), waarvoor geldt dat ongeveereen derde van de destijds gebouwde woningen op dit moment wordtverhuurd.Een uitsplitsing per jaar is binnen dit tijdsbestek niet mogelijk. Ook geldtdat deze weergave het huidige eigendom weerspiegelt, dit is nietnoodzakelijk hetzelfde als het eigendom direct na oplevering van dewoning, die gegevens zijn niet voorhanden.Tabel 26 Nieuw opgeleverde woningenEigen woningHuur-woningenwaarvanwaarvanOnbekendTotaalBouwjaarCorporatie-woningOverigverhuurEerder dan 194461,638,213,225,00,3100,01945–197049,550,438,611,80,1100,01971–199056,543,433,79,60,1100,01991–201065,434,524,110,40,1100,02011–202050,049,827,622,30,2100,02021-en later49,250,620,530,00,3100,0Totaal57,042,828,514,40,1100,0Bron: CBS maatwerkbestand voor CLO Vraag 64Klopt het dat dit kabinet de lasten op arbeid en inkomen verhoogt en delasten op vermogen & winst verlaagt? Met welke bedragen? (Zowelinclusief als exclusief basispad)Antwoord op vraag 64Het kabinet heeft geen cijfers over de uitsplitsing van de beleidsmatigelastenontwikkeling naar deze specifieke subcategorieën. Het CPB heeft diteerder in het kader van Keuzes in Kaart wel inzichtelijk gemaakt. Er isechter geen uitsplitsing op basis van actueel beleid beschikbaar.Vraag 65Klopt het dat het afschaffen van de dividendbelasting bij inkoop eigenaandelen veel meer gaat kosten dan € 800 miljoen per jaar? Klopt het datdit bedrag in feite zo’n € 2 miljard per jaar gaat zijn?Antwoord op vraag 65Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3828 Voor de afschaffing van de inkoopfaciliteit naar aanleiding van hetaangenomen amendement Van der Lee6 is 800 miljoen euro opbrengstper jaar geraamd. Het kabinet heeft besloten de inkoopfaciliteit tebehouden. Derhalve is deze budgettaire opbrengst weer uitgeboekt.Omdat het gaat om het terugdraaien van een maatregel, is er geennieuwe raming gemaakt. Recent heeft Stichting Onderzoek MultinationaleOndernemingen (SOMO) een alternatieve raming gepubliceerd7. OokStichting Economisch Onderzoek (SEO) heeft een eigen raming gepubli-ceerd8. Op basis van andere bronnen en andere aannames komen zij totandere ramingen van de budgettaire opbrengst. Recent hebben enkeleleden vragen (2024Z13363) gesteld over de verschillen tussen deramingen. Deze beantwoording zal ik u voor de AFB toezenden.Vraag 66Kunt u de meest actuele effectieve belastingdruk van de rijkste 10%, rijkste1%, rijkste 0,1% en rijkste 0,01% noemen?Antwoord op vraag 66Het Centraal Planbureau heeft in mei 2024 de studie «Inkomens enbelastingen aan de top» gepubliceerd.9 Hieruit blijkt dat de belastingdruktoeneemt met het inkomen tot aan de top 10%, om vervolgens te dalen.Het CPB komt tot de conclusie dat de belastingdruk in de periode2011–2019 over de verschillende inkomensgroepen weinig verschilt.Gemiddeld is in diezelfde periode sprake van een belastingdruk van 36,6%voor de top-10%, 34,5% voor de top-1%, 30,9% voor de top-0,1% en 27,8%voor de top 0,01%. Over het jaar 2018 zijn die cijfers respectievelijk 37,9%(top 10), 34,0% (top 1), 28,3% (top 0,1) en 24,8% (top 0,01).De verschillen in belastingdruk zijn terug te voeren op een samenstellings-effect. Aan het begin van de top-10% bepalen de belastingen en premiesmet name de belastingdruk op basis van de tarieven in box 1. Naarmatede top-0,01% meer in beeld komt, is het vooral de vennootschapsbe-lasting die de totale druk bepaalt; voor hen zijn bedrijfswinsten debelangrijkste vorm van inkomen. Bij uitkering van deze bedrijfswinstenzou de belastingdruk voor deze groep toenemen: dit inkomen wordt belastin box 2. Het CPB komt tot de bevinding dat de meeste ingehouden winstuiteindelijk niet wordt uitgekeerd.Vraag 67Klopt het dat binnenlandse steun voor vluchtelingen uit Oekraïne nietonder het uitgavenkader valt? Geldt dit dan dus ook voor verlaagdcollegegeld voor deze groep?Antwoord op vraag 67In de begrotingsregels van het kabinet Schoof is vastgelegd dat zoweluitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne als de binnen-landse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne niet onder het uitgaven-kader vallen.Onderwijsinstellingen kunnen zelfstandig beslissen over eventueleverlagingen van het collegegeld voor vluchtelingen uit Oekraïne. De6Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 11 (Amendement van het lid Van der Lee c.s.).7Staatskas loopt jaarlijks 2 miljard euro mis, SOMO, 2024. Vindplaats: https://www.somo.nl/nl/belasting-inkoop-eigen-aandelen/8Effect afschaffing inkoopfaciliteit, Stichting Economisch Onderzoek, 2024. Vindplaats:https://www.seo.nl/publicaties/effect-afschaffing-inkoopfaciliteit/9van Essen, C., T. Vanheukelon, R. Schulenberg & A. Lejour (2024). Inkomens en belastingen aande top, Centraal Planbureau, mei 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3829 instellingen worden niet vanuit de Rijksbegroting gecompenseerd vooreen eventuele verlaging van het collegegeld.Vraag 68Waartoe dienen de Uitgaven- en Inkomstenkaders? Immers deze wordentoch constant aangepast, en zijn daardoor toch niet meer dan een softbudget constraint?Antwoord op vraag 68Het uitgaven- en inkomstenkader is bedoeld om solide overheidsfinanciënte waarborgen, zodat schulden niet worden doorgeschoven naartoekomstige generaties. Bij de Miljoenennota 2025 zijn het uitgaven- eninkomstenkader tot en met 2029 vastgesteld. Hiermee is het beleidsmatigepad voor de ontwikkeling van de inkomsten (inkomstenkader) vastgelegd,en hoeveel er maximaal mag worden uitgegeven deze kabinetsperiode(uitgavenkader). Het inkomstenkader beweegt mee met de economischeontwikkelingen; inkomstenmeevallers komen ten gunste van hetoverheidssaldo, inkomstentegenvallers belasten het overheidssaldo. Deconjunctuurgevoelige uitgaven zoals de WW, bijstand en rente zijn buitende uitgavenkaders gezet. Zo hoeft er niet bezuinigd te worden ofbelastingen niet verhoogd te worden door een economische neergang envice versa (ook automatische stabilisatie genoemt). Dit zijn essentieleonderdelen van trendmatig begrotingsbeleid.Het uitgavenkader wordt elk jaar gecorrigeerd voor de loon- en prijsont-wikkeling. Hiermee zijn afspraken over de voorzieningen die de overheidaanbiedt onafhankelijk van de prijsontwikkeling van de uitgaven diehiermee samenhangen.Vraag 69Hoeveel van de kosten van Box 3 compensatie en gemiste inkomstenkomen uit de algemene middelen?Antwoord op vraag 69De derving van belastinginkomsten voor de overheid van de recentebox 3-arresten bedraagt naar verwachting 6,4 miljard euro in 2024,1,7 miljard euro in 2025, en 1,8 miljard euro in 2026. De kosten dietoekomen aan 2024 lopen mee in het EMU-saldo. Voor de overige kostenis dekking gevonden door enkele eerder beoogde lastenverlichtingen in tefaseren.Vraag 70Als gevolg van de kosten van de Box 3 compensatie en gemisteinkomsten wat is de toename van de staatsschuld in % en euro’s?Antwoord op vraag 70De derving van belastinginkomsten voor de overheid van de recentebox 3-arrest bedraagt naar verwachting 6,4 miljard euro in 2024,1,7 miljard euro in 2025, en 1,8 miljard euro in 2026. De kosten dietoekomen aan 2024 lopen mee in het EMU-saldo en verhogen daarmee deschuld met ongeveer 0,6% van het bbp. Voor de overige kosten zijncompenserende maatregelen genomen, met name door enkele eerderbeoogde lastenverlichtingen in te faseren.Vraag 71Als gevolg van de kosten van de Box 3 compensatie en gemisteinkomsten wat is de toename van de rentebetalingen over de staatsschuldin % en euro’s?Antwoord op vraag 71Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3830 De derving van belastinginkomsten die toekomt aan 2024 loopt voor datjaar mee in het EMU-saldo en verhoogt daarmee de EMU-schuld. Deoverige derving wordt gecompenseerd met andere fiscale maatregelen enis dus niet schuldverhogend. Hogere schuld leidt ook tot hogere rentebe-talingen over de schuld. De rentebetalingen zijn berekend over het geheelvan de schuld en kunnen niet aan specifieke onderdelen hiervan wordentoegerekend.Vraag 72Als gevolg van de kosten van de Box 3 compensatie en gemisteinkomsten wat is de toename van de belastingdruk?Antwoord op vraag 72De derving van belastinginkomsten die toekomt aan 2024 loopt voor datjaar mee in het EMU-saldo en wordt dus niet gecompenseerd metlastenverzwaringen (elders). Dit betekent dat voor dit deel sprake is vaneen lagere belastingdruk. De overige derving wordt gecompenseerd metandere fiscale maatregelen. Per saldo heeft laatstgenoemde geen effectop de totale lastendruk.Vraag 73Hoe worden de kosten van de Box 3 compensatie en gemiste inkomstenverdeeld? Welke groepen zullen hieraan mee moeten betalen?Antwoord op vraag 73De derving van belastinginkomsten die toekomt aan 2024 loopt voor datjaar mee in het EMU-saldo en wordt dus niet gecompenseerd metlastenverzwaringen (elders). De overige derving wordt gecompenseerdmet een pakket van maatregelen, dat is toegelicht in tabel 6. Het gaat omzowel maatregelen die raken aan burgers als bedrijven. De belangrijkstebijdrage is het infaseren van in het Hoofdlijnenakkoord voorgenomenlastenverlichtingen voor burgers. De infasering kan niet aan specifiekegroepen burgers worden toegewezen, omdat hier in het Hoofdlijnenak-koord nog geen invulling aan was gegeven.Vraag 74Welke waarde heeft het afschaffen (niet invoeren) van de belasting opinkoop van eigen aandelen voor de Nederlandse economie en samen-leving? Welke rapporten zijn er die dit onderbouwen?Antwoord op vraag 74De inkoop van eigen aandelen door een vennootschap is in beginselbelast met dividendbelasting. Op basis van de inkoopfaciliteit in dedividendbelasting is een aandeleninkoop door een beursfonds onderstrikte voorwaarden vrijgesteld van dividendbelasting. Niet elk beursfondskan aan de voorwaarden van deze inkoopfaciliteit voldoen.Deze inkoopfaciliteit is ingevoerd om het mogelijk te maken dat Neder-landse beursfondsen aandelen via de beurs kunnen inkopen, zonder datzij noodgedwongen die dividendbelasting die eigenlijk voor rekening vande aandeelhouder zou moeten komen, voor eigen rekening moetennemen en zodat de inkoop van aandelen door Nederlandse beursfondsenfiscaal niet nadeliger zou worden behandeld in vergelijking tot inkoop vanaandelen door buitenlandse concurrenten. De inkoop van eigen aandelenwordt in omringende landen namelijk in de meeste gevallen niet belastmet een dividendbelasting.Het vorige kabinet heeft naar aanleiding van een motie (Kamerstuk 36 200,nr. 86) onderzoek gedaan naar de inkoopfaciliteit. De Tweede Kamer is bijbrief van 26 september 2023 geïnformeerd over de uitkomsten van ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3831 onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat er goede redenen zijn om deinkoopfaciliteit te behouden.10 Daarom heeft het vorige kabinet hetaangenomen amendement Van der Lee tot afschaffing negatief beoor-deeld.11 Er zijn namelijk verschillende bedrijfseconomische redenen voorbeursfondsen om aandelen in te kopen. Daarnaast zou zonder deinkoopfaciliteit een beursfonds bij inkoop van aandelen de verschuldigdedividendbelasting voor eigen rekening moeten nemen en kan – integenstelling tot regulier dividend – deze dividendbelasting niet wordenverrekend door de aandeelhouder (de aandeelhouder waarvan debeursvennootschap de aandelen koopt is immers onbekend). Inkoop vaneigen aandelen leidt dan doorgaans tot een hogere belastingdruk dan deuitkering van regulier dividend. De aandeelhouders zijn vaak pensioen-fondsen en beleggingsinstellingen. Hierdoor wordt indirect ook de waardevan de oudedagsvoorzieningen van vele werknemers geraakt.Het vorige kabinet heeft uw Kamer bij brief van 23 september 2023geïnformeerd over het onderzoek naar de inkoopfaciliteit.12 Voor hetonderzoek zijn Eumedion, VNO-NCW en VEB gevraagd naar het belangvan de inkoopfaciliteit voor de praktijk. Gelet op de uitkomsten van hetonderzoek en de nadelige gevolgen van de afschaffing van de inkoopfaci-liteit in de dividendbelasting op de concurrentiepositie van Nederlandsebedrijven en daarmee ook op het Nederlandse vestigingsklimaat, wensthet kabinet de inkoopfaciliteit in de dividendbelasting te behouden. In hetwetsvoorstel Belastingplan 2025 wordt daarom geregeld dat deafschaffing van de inkoopfaciliteit, die voorzien is per 1 januari 2025, nietdoorgaat.Vraag 75Welke waarde heeft het verhogen van de renteaftrekbeperking van 20 naar25% voor de Nederlandse economie en samenleving? Welke rapportenzijn er die dit onderbouwen?Antwoord op vraag 75De earningsstrippingmaatregel heeft als doel het tegengaan van belas-tingontwijking door de renteaftrek te beperken, alsmede het beperken vande fiscale prikkel om investeringen met vreemd vermogen te financieren.Met dit laatste wordt beoogd de economie schokbestendiger te maken.Nederland heeft de earningsstrippingmaatregel daarom aanzienlijkstrenger geïmplementeerd dan de minimumnorm die volgt uit ATAD1.13De maatregel is nadien verder aangescherpt door het percentage teverlagen van 30% naar 20% als dekkingsmaatregel in het kader van demotie Hermans.14 Dit maakt dat Nederland een relatief strenge renteaf-trekbeperking kent ten opzichte van andere EU-lidstaten. De strengererenteaftrekbeperking betekent hogere kosten wanneer investeringen metschulden worden gefinancierd. Dit heeft een negatief effect heeft op deinvesteringen. Dit wordt bijvoorbeeld aangegeven door het CPB (2020)15,de Adviescommissie Belastingheffing (2020)16 en in het rapport Belas-tingen in maatschappelijk perspectief (2024)17. In de diverse rapporten10Kamerstukken II, 2023/24, 36 410, nr. 77.11Kamerstukken I, 2023/24, 36 418, B.12Kamerstukken II, 2023/24, 36 410, nr. 77.13Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijdingvan belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van deinterne markt (PbEU 2016, L 193/1). ATAD staat voor Anti-Tax Avoidance Directive.14Kamerstukken II 35 925, nr. 1315CPB (2020), Kansrijk belastingbeleid, p 9816Adviescommissie belastingheffing Multinationals (2020), Op weg naar balans in devennootschapsbelasting- Analyses en aanbevelingen, p 99, p11917Belastingen in een maatschappelijk perspectief: Bouwstenen voor een beter belastingstelsel(2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3832 wordt benoemd dat de strenge implementatie een negatief effect heeft ophet investeringsklimaat in Nederland. Daarnaast laten Leszczyłowska enMeier (2021)18 in internationaal verband ook empirisch zien dat deearningsstrippingmaatregel tot minder investeringen leidt.Dit kabinet staat voor een goed, stabiel en voorspelbaar ondernemings-en vestigingsklimaat. Daarom wil het kabinet investeringen aanjagen doorde eerdere verlaging van het percentage deels ongedaan te maken enmeer in lijn brengen met het Europees gemiddelde. Dergelijke investe-ringen versterken de Nederlandse economie en samenleving.Vraag 76Welke waarde heeft het verlagen van het tarief voor box 2 voor deNederlandse economie en samenleving? Welke rapporten zijn er die ditonderbouwen?Antwoord op vraag 76Het verlagen van het hoge tarief in box 2 zorgt ervoor dat het effectievetoptarief van ondernemers die hun onderneming drijven via een bv nietmeer uitkomt boven het toptarief van werknemers. Dit draagt bij aan eenbeter globaal evenwicht. Het belang hiervan is bijvoorbeeld recentaangegeven in het bouwstenenrapport over het belastingstelsel.19Vraag 77Welk effect heeft de maatregel verhogen van btw naar 21% op dekoopkracht van verschillende groepen?Antwoord op vraag 77Uit een eerdere evaluatie van het lage btw-tarief blijkt dat huishoudens inde lagere inkomensdecielen in absolute termen minder uitgeven aanboeken, kranten, cultuur, sport en logies, waardoor zij minder van hetverlaagd btw-tarief profiteren dan andere inkomensgroepen. Echter, het isniet mogelijk om de exacte koopkrachteffecten te berekenen, omdatdaarvoor in de dataset gegevens beschikbaar zouden moeten zijn overwie er wel en niet culturele goederen en diensten/logies consumeren enwelk deel van hun bestedingen hiernaartoe gaat. In de dataset diegebruikt wordt in de koopkrachtberekeningen zijn hier geen gegevensover beschikbaar. De verhoging van de btw loopt in de koopkrachtra-mingen mee via de inflatie en heeft voor iedere groep hetzelfde effect.Kamerstukken II 2023/2024, 32 140, nr. 174 (kabinetsreactie) en Kamer-stukken II 2023/2024, 32 140, nr. 151 (evaluatierapport).Vraag 78Wat is de hoogte van het minimumloon per maand en per jaarmomenteel?Antwoord op vraag 78Sinds de invoering van het minimumuurloon per 1 januari 2024 worden ergeen vaste minimum dag-, week- en maandlonen meer voorgeschrevendoor de wet. Door een aanname te maken van het aantal werkuren perweek kan het minimumuurloon wel omgerekend worden naar eenmaandloon.De hoogte van het minimumloon is sinds 1 juli 2024 13,68 euro per uur.Op basis van een 36-urige werkweek komt dit overeen met een bruto18Leszczyłowska en Meier (2021), Do earnings stripping rules hamper investment? Evidencefrom CIT reforms in European countries. In: Economics Letters, 2021, vol. 200, issue C19Belastingen in maatschappelijk perspectief: Bouwstenen voor een beter en eenvoudigerbelastingstelsel, Ministerie van Financiën, 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3833 maandloon van 2.134,08 euro. Om een inschatting te maken van hetbrutoloon op jaarbasis is ook het minimumuurloon per 1 januari 2024relevant. Op 1 januari 2024 bedroeg het minimumuurloon 13,27 euro. Opbasis van een 36-urige werkweek was het bruto maandloon destijds2.070,12 euro. Op jaarbasis bedraagt het brutoloon dat correspondeertmet het minimumuurloon en een 36-urige werkweek 25.225,20 euro in2024 exclusief het wettelijk vakantiegeld van minimaal 8% (vakantie-bijslag). Inclusief het wettelijk vakantiegeld van 8% komt dit uit op27.243,22 euro in 2024.Tabel 27 Hoogte minimumloon in 20242024JanuariJuliMinimumuurloon€ 13,27€ 13,68Per maand exclusief vakantiegeld (uitgaande van36-urige werkweek)€ 2.070,12€ 2.134,08Per jaar exclusief vakantiegeld€ 25.225,20 Vraag 79Wat is de verwachte hoogte van het minimumloon per maand en per jaarin januari 2025?Antwoord op vraag 79De hoogte van het minimumloon per 1 januari 2025 is momenteel nogniet vastgelegd. Op basis van de huidige verwachtingen (o.b.v. de MacroEconomische Verkenning van het Centraal Planbureau) is de hoogte vanhet minimumloon per 1 januari 2025 14,06 euro per uur en per 1 juli 202514,36 euro. Gebaseerd op een 36-urige werkweek komt dit overeen meteen bruto maandloon van 2.193,36 euro per 1 januari 2025 en eenbrutoloon op jaarbasis in 2025 van 26.601,12 euro, exclusief het wettelijkevakantiegeld van minimaal 8% (vakantiebijslag). Inclusief het wettelijkvakantiegeld van 8% komt dit uit op 28.729,21 euro in 2025.Tabel 28 Verwachte hoogte minimumloon in 20252025JanuariJuliMinimumuurloon€ 14,06€ 14,36Per maand exclusief vakantiegeld (uitgaande van36-urige werkweek)€ 2.193,36€ 2.240,16Per jaar exclusief vakantiegeld€ 26.601,12 Vraag 80Welke financiële tegenvallers (met omvang in euro’s) hebben zichvoorgedaan sinds het hoofdlijnenakkoord?Antwoord op vraag 80In de Miljoenennota zijn de tegenvallers verwerkt die zich sinds deVoorjaarsnota hebben voorgedaan. Uitgaventegenvallers zijn opgenomenin de Kadertoets (tabel 2 Miljoenennota). Inkomstentegenvallers zijnopgenomen in het Inkomstenkader (tabel 6 Miljoenennota). Onderstaandzijn de substantiële tegenvallers die in de Miljoenennota zijn verwerktopgenomen.UitgavenAanvullende uitgaven Herstel ToeslagenVoor Herstel Toeslagen is 2,3 miljard euro extra beschikbaar gesteld,waarvan 1,4 miljard euro is toegevoegd aan de begroting van Financiën.Tegelijkertijd is 0,9 miljard euro aanvullend gereserveerd op de Aanvul-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3834 lende Post. Deze tegenvaller wordt gedekt door naar rato 1,4 miljard eurovan de nog uit te keren eindejaarsmarge in 2025 in te houden en door0,9 miljard euro te reserveren uit de prijsbijstelling tranche 2025.EU-afdrachtenDe raming van de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie is op basisvan de verwachte onderuitputting in de EU-begroting 2025 neerwaartsbijgesteld met 1,3 miljard euro in 2025. Een deel van hiervan schuift doornaar 2026 en 2027. Daarnaast is er sprake van een structurele tegenvallerop de bni-afdracht van 0,9 miljard euro. Dat komt enerzijds doordat deontvangsten van de invoerrechten op EU-niveau lager uitvallen enanderzijds doordat het Nederlandse bni hogerligt dan verwacht tenopzichte van de EU als totaal.AsielVanwege het tekort aan reguliere asielopvangplaatsen moeten er naarverwachting meer crisisnoodopvanglocaties worden geopend. Dit leverteen tegenvaller op van 350 miljoen euro 2024 bij het Centraal Orgaanopvang Asielzoekers (COA).AfpakkenDe ontvangsten door het afpakken van (crimineel) vermogen vallen naarverwachting ongeveer 250 miljoen euro lager uit dan geraamd. De lagereafpakopbrengsten worden verklaard doordat op dit moment geen groteschikkingen zijn voorzien.Besluitvorming en uitvoeringsinformatie VWSHet uitvoeringsbeeld laat per saldo een meevaller zien, met name dooronderschrijding in de wijkverpleging. Verder is er sprake van incidentelebesparingsverliezen in 2025 en een structurele tegenvaller uit deuitvoeringsinformatie in de Wet langdurige zorg (Wlz) en de niet-akkoordsectoren in de Zvw.Dekkingsmaatregelen en uitvoeringsinformatie SZWEr is sprake van een structurele uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting. Deze is onder meer een gevolg van de verwerking vanuitvoeringsinformatie van het UWV en de nieuwe macro-economischeraming van het CPB. De grootste tegenvallers zijn op de Wet werk eninkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet. Bij de WIA issprake van een tegenvaller van 252 miljoen euro structureel en bij deZiektewet van 109 miljoen euro structureel. De uitvoeringstegenvaller in2025 wordt intertemporeel gedekt op de SZW-begroting. Daarnaast gaatin het najaar van 2024 een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO)naar de WIA van start.InkomstenBox 3Er is een tegenvaller in box 3 in 2025 en 2026. Deze wordt gedekt door hetgeleidelijk infaseren van de koopkrachtenveloppen, het naar voren halenvan de in het hoofdlijnenakkoord geplande verhoging van de Awf-premie,het terugdraaien van de in het hoofdlijnenakkoord geplande verlaging vanhet box 3-tarief en het verhogen van de premie Arbeidsongeschiktheids-fonds (Aof-premie).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3835 Vraag 81Welke financiële tegenvallers (met omvang in euro’s) worden nogverwacht?Antwoord op vraag 81De financiële tegenvallers die het kabinet verwacht zijn verwerkt in debegrotingsstukken die uw Kamer met Prinsjesdag heeft ontvangen.Vraag 82Wat is de effectieve belastingdruk voor bedrijven momenteel? Wat ishiervan de ontwikkeling over de afgelopen 30 jaar?Antwoord op vraag 82De effectieve vennootschapsbelastingdruk voor Nederlandse bedrijvenwas volgens de OESO-database 23,72% in 2023.20 In 2017 was dit 22,9%.De OESO heeft geen gegevens beschikbaar over eerdere jaren. Deeffectieve belastingdruk wordt in grote mate bepaald door het statutairetarief in de vennootschapsbelasting; gegevens over het statutaire tariefgaan wel verder terug. Tussen 1994 en 2024 is het algemene tarief in devennootschapsbelasting gedaald van 35% naar 25,8%.Vraag 83Hoeveel % van de belastinginkomsten zijn in 2024 afhankelijk uit arbeid,kapitaal, consumptie?Antwoord op vraag 83Het splitsen van belastinginkomsten in deze componenten vereist datenkele belastingsoorten die op verschillende grondslagen tegelijk zien,worden opgedeeld. Voor 2024 is deze splitsing momenteel nietbeschikbaar. Onderstaande tabel toont de indeling voor het laatstbeschikbaar jaar (2022) op basis van de methodiek van de EuropeseCommissie.Tabel 29 GrondslagGrondslagAandeelArbeid48%Kapitaal24%Consumptie29% Vraag 84Welke 5 maatregelen hebben het meeste effect (verklarende waarde) opde ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote (aiq)? Met anderewoorden: waarom stopt de daling van de aiq en is dit een bewuste keus ofbijkomend effect?Antwoord op vraag 84Recentelijk is de AIQ-marktsector gedaald, van ongeveer 73,5 procent in2019 naar 69 procent in 2023.21 Dit past in een trend die zichtbaar is op delange termijn: in 1995 was de AIQ nog 81,4 procent.22 Structureleverklaringen voor de dalende trend van de AIQ zijn onder anderetechnologische ontwikkelingen, flexibilisering van de arbeidsmarkt en20Het betreft hier de composite forwardlooking effective average tax rate, waarbij uitgegaan isvan het landspecifieke scenario.21CBS (2024) Arbeidsinkomensquote; bedrijfstak, nationale rekeningen – Statline22CBS (2024) Aandeel arbeid in de economie verder gedaald in 2023; Dit gaat over de AIQ vande marktsector: dit is een aggregaat dat, naast de bedrijfstakken overheid en onderwijs, ook dezorg, de delfstoffenwinning, de financiële dienstverlening en de verhuur van en handel inonroerend goed buiten beschouwing laat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3836 arbeidsmigratie.23 Onderzoek door het CPB heeft echter geen duidelijke,robuuste relaties tussen de dalende AIQ en deze factoren opgeleverd.24Dat kan volgens CPB komen doordat deze concepten moeilijk zijn temeten.Op de korte termijn spelen rigiditeiten een belangrijke rol bij het achter-blijven van de AIQ. Door vaste cao-afspraken reageren lonen vertraagd opde stand van de conjunctuur en de hoge inflatie van recente jaren. Dewinsten zijn daarentegen erg volatiel en reageren sneller op economischeontwikkelingen. Ten tijde van hoogconjunctuur stijgen de winsten snelterwijl de lonen achterblijven, resulterend in een dalende AIQ. Dewinstquote bereikte in 2022 het hoogste niveau sinds het begin van demetingen in 1995, namelijk 44,3%. In 2023 nam de winstquote iets af,maar bleef deze historisch gezien op een hoog niveau. Dit hoge niveau ishet gevolg van economische groei in 2021 en 2022 en van de corona-steunmaatregelen.Op de korte termijn spelen rigiditeiten een belangrijke rol bij het niveauvan de AIQ. Door vaste cao-afspraken reageren lonen vertraagd op destand van de conjunctuur en de hoge inflatie van recente jaren. Dewinsten zijn daarentegen erg volatiel en reageren sneller op economischeontwikkelingen. Ten tijde van hoogconjunctuur stijgen de winsten snelterwijl de lonen achterblijven, resulterend in een dalende AIQ.Het CPB verwacht dat de AIQ zich de komende jaren licht zal herstellen.Naast de toename van lonen afgelopen jaren raamt het CPB in 2024 eengroei van de contractlonen van 6,4% als reactie op inflatie in 2023.25 Degroei van de contractlonen ligt boven de inflatie in 2024, resulterend ineen stijging van de reële lonen. Dit leidt tot een stijgende AIQ van 67,7 in2023 naar 69,9 in 2028.Vraag 85Kan het kabinet een tabel geven van de jaarlijkse onderuitputting van deafgelopen 10 jaar?Antwoord op vraag 85De onderstaande tabel geeft de onderuitputting van de afgelopen 10 jaarweer.Tabel 30 Overzicht onderuitputtingBedragen in mln. euro’s(– is onderuitputting)2014201520162017201820192020202120222023Totale onderuitputting– 892– 1.046– 1.808– 1.390– 3.040– 1.751– 2.379– 4.843– 6.184– 7.207 Vraag 86Wat zou een adequate koopkrachtbuffer kunnen zijn in de koopkrachtprog-noses, zodat de daadwerkelijke koopkrachtontwikkeling niet minder dan0% zou zijn? Is 1% van het BBP hiervoor voldoende? Dat wil zeggen, omdeze kans voor 90% uit te sluiten?Antwoord op vraag 86Het Centraal Planbureau heeft in het Centraal Economisch Plan 2018 inkaart gebracht wat de onzekerheid is van de koopkrachtraming op23SEO Economisch Onderzoek (2023) Loonontwikkeling en AIQ in Nederland; OESO (2012)OECD Employment Outlook – Labour Losing to Capital: Wat Explains the Declining LabourShare?24CPB (2019) De loongroei, een internationale macro-analyse25CPB (2024) Macro-Economische Verkenning 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3837 Prinsjesdag (zie CPB (2018) Centraal Economisch Plan 2018, blz 21). Ommet 95% zekerheid te kunnen stellen dat de daadwerkelijke koopkrachtont-wikkeling volgend jaar minimaal 0% bedraagt, is een buffer van 1,4%koopkracht nodig (kosten: 7,1 mld miljard euro in 2025, oftewel 0,6% vanhet BBP). De raming van de mediane koopkrachtontwikkeling voor 2025bedraagt momenteel 0,7%.Een dergelijke buffer zou kunnen voorkomen dat er koopkrachtverliesoptreedt bij tegenvallende loon- en prijsstijgingen, maar zal niet kunnenvoorkomen dat de koopkracht daalt bij grote economische schokken, zoalsten tijde van de energiecrisis.Vraag 87Kan het kabinet een tabel geven met de bedragen en percentages die deKamer via amendementen zelf een andere bestemming heeft gegeven?Antwoord op vraag 87Nee.Vraag 88Kunt u aangeven wat de koopkracht zou zijn voor werkenden als hetrestant van de koopkrachtenveloppe voor koopkracht wordt ingezet inplaats van voor dekking box 3 (in lijn met invulling zoals bij doorrekeningCPB)?Antwoord op vraag 88Door de infasering wordt in 2025 1,35 miljard euro uit de koopkrachtmid-delen uit het hoofdlijnenakkoord nog niet ingezet voor lastenverlichting. Intotaal bedraagt de verlaging van de tarieven in de inkomstenbelasting in2025 zonder het infaseren van de lastenverlichting 5,8 miljard euro inplaats van 4,45 miljard euro met infasering van de lastenverlichting.Het terugdraaien van het infaseren van de koopkrachtenveloppe zorgtvoor een mediaan inkomenseffect van +0,3% voor werkenden. In hetantwoord op vraag 52 bij de vragen over bijlagen van de Miljoenennotavindt u een nadere uitsplitsing van deze inkomenseffecten.Alleen het CPB kan de gevolgen van beleid op de lonen en prijzenberekenen (macro-economische doorwerking). Deze doorwerking heeftook effect op het koopkrachtbeeld. Het Ministerie van SZW kan alleen eenpartiële doorrekening maken. Het is daarom zuiverder om inkomensef-fecten weer te geven. Het inkomenseffect is het effect van een maatregelin een bepaald jaar op het besteedbaar inkomen van huishoudens. Hierbijwijzigt het macro-economische beeld niet.Vraag 89Wat is de voortgang op de lijst belastingconstructies?Antwoord op vraag 89Het voorgaande kabinet heeft toegezegd steeds een lijst met opmerkelijkebelastingconstructies op te nemen als bijlage bij de Voorjaarsnota. Delaatste editie van de lijst met opmerkelijke belastingconstructies vindt udan ook in bijlage 10 van de Voorjaarsnota 2024. Ook komend voorjaar ishet kabinet voornemens een lijst met opmerkelijke belastingconstructiesmee te sturen als bijlage bij de Voorjaarsnota. We zullen in die lijst tenminste ingaan op de voortgang op de aanpak van ontwijking van heffingin box 3 via agiostorting en het terugkopen van bezittingen. Dezeconstructie werd bij Voorjaarsnota 2024 gemeld als constructie waarvande aanpak nog in ontwikkeling is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3838 Vraag 90Waarom is er deze keer geen bijlage met de top 10 meest gebruikteconstructies om belasting te ontwijken? Kan dit alsnog wordennagezonden?Antwoord op vraag 90Zie antwoord vraag 89.Vraag 91Kunt u aangeven wat de ontwikkeling is van landgoederen de afgelopen10 jaar?Antwoord op vraag 91Cijfers over het aantal landgoederen dat is gerangschikt onder deNatuurschoonwet 1928 zijn beschikbaar tot en met 2023. Hieronder wordtvoor de periode 2014–2023 een overzicht gegeven van het aantalgerangschikte NSW-landgoederen.Tabel 31 Aantal NSW-landgoederen2014201520162017201820192020202120222023Aantal NSW-landgoederen5.4675.6485.7485.9006.0306.1136.2306.3646.4516.555 Vraag 92Klopt het dat de beleidsmatige lasten voor gezinnen stijgen met9,9 miljard in de periode 2025–2028 (bron: CPB, MEV)?Antwoord op vraag 92De inschatting van het kabinet is dat beleidsmatige lasten voor burgersmet 9,7 miljard euro stijgen in de periode 2025–2028. Dit komt goedovereen met de inschatting van het CPB. Hiervan wordt ongeveer7,3 miljard euro veroorzaakt door maatregelen die voor het aantreden vanhet kabinet zijn getroffen en nog een effect hebben gedurende dezeperiode.Vraag 93Klopt het dat de beleidsmatige lasten voor bedrijven stijgen met3,2 miljard euro in periode 2025–2028 (bron: MEV, CPB)?Antwoord op vraag 93De inschatting van het kabinet is dat beleidsmatige lasten voor bedrijvenmet 3,9 miljard euro stijgen in de periode 2025–2028. Dit is iets hoger dande inschatting van het CPB. Het belangrijkste verschil zit in de wijzewaarop de afschaffing van de verhuurderheffing per 2023 deze kabinets-periode nog doorwerkt in het lastenbeeld van het CPB. Van de stijging inbeleidsmatige lasten voor bedrijven is circa de helft het gevolg vanmaatregelen van vorige kabinetten (1,8 miljard euro) en de andere helfthet gevolg van beleid van het huidige kabinet (2,1 miljard euro).Vraag 94Hoeveel stijgen de beleidsmatige lasten in 2025–2028 op vermogen enwinst?Antwoord op vraag 94Het kabinet heeft geen cijfers over de uitsplitsing van de beleidsmatigelastenontwikkeling naar deze specifieke subcategorieën. Het CPB heeft diteerder in het kader van Keuzes in Kaart wel inzichtelijk gemaakt. Er isechter geen uitsplitsing op basis van actueel beleid beschikbaar.Vraag 95Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3839 Hoeveel stijgen de beleidsmatige lasten in 2025–2028 op inkomen enarbeid?Antwoord op vraag 95Het kabinet heeft geen cijfers over de uitsplitsing van de beleidsmatigelastenontwikkeling naar deze specifieke subcategorieën. De analyse diehet CPB hiervoor heeft gemaakt in het kader van Keuzes in Kaart is niet opbasis van actueel beleid beschikbaar.Vraag 96Kunt u, net als het CPB (Keuzes in Kaart 2025–2028), een kruistabel makenvan de beleidsmatige lastenontwikkeling waarin op de ene as eenverdeling naar groep staat en op de andere as een verdeling naarcategorie?Antwoord op vraag 96Het kabinet heeft geen cijfers over de uitsplitsing van de beleidsmatigelastenontwikkeling naar deze specifieke subcategorieën. De analyse diehet CPB hiervoor heeft gemaakt in het kader van Keuzes in Kaart is niet opbasis van actueel beleid beschikbaar.Vraag 97Klopt het dat in NL de afgelopen twintig jaar 47% van alle uitgekeerdewinst is uitgekeerd via opkoop eigen aandelen?Antwoord op vraag 97De inkoop van eigen aandelen in Nederland wordt niet centraal bijge-houden. Het kabinet kan daarom geen uitspraak doen over het percentagevan de uitgekeerde winst in de afgelopen twintig jaar die via inkoop vaneigen aandelen is uitgekeerd. Voor de raming van de maatregel om deinkoop van eigen aandelen te belasten is een inschatting gemaakt van hettoekomstige bedrag aan inkoop, maar dit is met onzekerheden omgeven.Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 65.Vraag 98Klopt het dat het percentage inkoop eigen aandelen als onderdeel vantotale uitkering aan aandeelhouders in NL veel hoger ligt dan in de restvan Europa (Spanje, België, Duitsland, Italië, Zweden, Frankrijk, etc.)?Antwoord op vraag 98De inkoop van eigen aandelen in Nederland wordt niet centraal bijge-houden. Het kabinet heeft ook geen gegevens over de omvang van deinkoop van eigen aandelen in andere Europese landen. Het kabinet kandaarom geen uitspraak doen over de verhouding inkoop in Nederland invergelijking met andere landen.Vraag 99Kunt u voor de afgelopen twintig jaar aangeven voor hoeveel geld ereigen aandelen zijn ingekocht in NL en in andere Europese landen?Antwoord op vraag 99Zie de antwoorden op vragen 97 en 98.Vraag 100Klopt het dat er in de afgelopen twintig jaar voor 193 miljard aan eigenaandelen zijn ingekocht in NL en dat dit bedrag veel hoger ligt dan inlanden als Spanje, Duitsland, Italië, België, etc.?Antwoord op vraag 100Zie de antwoorden op vragen 97 en 98.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3840 Vraag 101Kunt u toelichten wat de «reguliere systematiek» is aangaande hetbijstellen van het ODA-budget aan de hand van het bni? Op welke manieris met de verwerking van de MEV afgeweken van deze systematiek? Welkbedrag had ODA er cumulatief bijgekregen als de «reguliere systematiek»van de afgelopen jaren gevolgd was? Heeft dit ook structureledoorwerking in het OS-budget? Is deze afwijking van de «regulieresystematiek» eenmalig, of is de ontkoppeling ook op toekomstigebegrotingsmomenten van kracht?Antwoord op vraag 101Sinds 1975 zijn de Nederlandse ODA-uitgaven gekoppeld geweest aan hetbni. Zie verder het antwoord op vraag 47 en 48.Vraag 102Wat levert het op als je de ETK-regeling per 1 januari 2025 afschaft? Watlevert het op als je tegelijkertijd de 30%-regeling terugbrengt naar 20%?Antwoord op vraag 102In haar Addendum «Gebruik ETK-regeling» schat onderzoeksbureau SEOin dat het budgettaire belang van de ETK-regeling voor de rijksbegrotingin 2023 tussen de 92 miljoen euro en de 219 miljoen euro ligt. Voor deopbrengst van het afschaffen van de ETK-regeling wordt uitgegaan vanhet gemiddelde van deze onder- en bovengrens, te weten 155 miljoeneuro. Een verlaging van het nieuw voorgestelde percentage van 27% naar20% levert naar verwachting structureel 272 miljoen euro op.Ten aanzien van het afschaffen van de ETK-regeling moet wordenopgemerkt dat dit, zonder nieuwe wetgeving, zou betekenen dat de factoook de 30%-regeling wordt afgeschaft. Dat komt doordat de ETK-regelingeen algemene regeling is voor het onbelast vergoeden van extraterrito-riale kosten. De 30%-regeling is een forfaitaire invulling van dezeETK-regeling. Behoud van een expatregeling zonder onderliggendeETK-regeling is bovendien juridisch kwetsbaar. Het kabinet stelt bewusteen aanpassing van de expatregeling voor met ingang van 1 januari 2027om de regeling uitvoerbaar te houden en zodat betrokkenen hier tijdig opkunnen anticiperen.Vraag 103Hoe houden kabinet en Kamer in de toekomst zicht op de omvang van, eneventuele verschuivingen tussen, de sectoren rijksbegroting, zorg, socialezekerheid en investeringen nu deze niet meer afzonderlijk wordengenormeerd en gemonitord? (Miljoenennota, p. 37) Wordt door hetkabinet nog gestuurd op een minimaal, dan wel maximaal niveau vanjaarlijkse overheidsinvesteringen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?(Miljoenennota, p. 37) Welke definitie hanteert het kabinet voortaan vanoverheidsinvesteringen? (Miljoenennota, p. 37) Kunt u aangeven hoe hetniveau van overheidsinvesteringen zich de afgelopen jaren heeftontwikkeld, respectievelijk wat de prognoses van het kabinet zijn voor dekomende jaren op basis van de voorliggende begrotingsplannen?(Miljoenennota, p. 37)Antwoord op vraag 103Het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte om te werken met éénuitgavenkader is overgenomen in het Hoofdlijnenakkoord. Conform deregels budgetdiscipline is en blijft iedere Minister verantwoordelijk vooreen goede beheersing van de departementale begroting. Dit betekent datin het geval van een per saldo tegenvaller binnen de betreffendebegroting dekking moet worden gevonden. Dit geldt ook voor depremiegefinancierde onderdelen van de begroting voor het terrein van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3841 zorg en de sociale zekerheid. In de budgettaire nota’s zullen, zoalsgebruikelijk, de horizontale ontwikkeling van de uitgaven, waaronderSociale Zekerheid en Zorg, gepresenteerd blijven worden. Dit is ookgebeurd in de Miljoenennota 2025. Zie voor de ontwikkeling van desociale zekerheid en zorg tabel 3 op pagina 43. Voor de overheids-investeringen kan het beste gekeken worden naar de horizontaleontwikkeling van de betreffende begrotingen; zie hiervoor Miljoenennota2025 tabel 11 op pagina 60.Vraag 104Kunt u uiteenzetten wat de vergrijzing zal betekenen voor de opbrengstenuit de erfbelasting? Hoe is dit terug te zien in de ramingen?Antwoord op vraag 104Het is niet mogelijk een 1-op-1 verband te leggen tussen de vergrijzing ende opbrengsten uit de erfbelasting. In het rapport Belastingen inmaatschappelijk perspectief wordt deze relatie wel geduid. Zowel hetvermogen bij 65-plussers als het nagelaten vermogen zijn in de periodetussen 2007 en 2021 sterk gestegen. Dit duidt op een toenemende(potentiële) opbrengst. Tegelijkertijd is het deel van het nagelatenvermogen waarover aangifte is gedaan minder sterk gestegen. Deprecieze redenen hiervoor zijn niet duidelijk. Aannemelijk is dat deherziening van de schenk- en erfbelasting in 2010 een rol heeft gespeeld.Andere verklaringen, zoals een toenemend aantal schenkingen bij leven,het verspreiden van erfenissen over meerdere erfgenamen, of eentoenemend gebruik van vrijstellingen zoals de bedrijfsopvolgingsregelinghebben mogelijk ook een rol gespeeld. Belastingen in maatschappelijkperspectief: Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel,Ministerie van Financiën, 2024.Vraag 105Wat is de totale incidentele opbrengst als je de resterende afbouw van wetHillen versnelt naar 5 jaar (16% per jaar) of 10 jaar (8% per jaar)? En watals je het per 2025 afschaft? Wat is de opbrengst als je het hoge EWF-tariefuitsluit van de Wet Hillen. (M.a.w. de Wet Hillen korting wordt gemaxi-meerd op 1.310.000 * 0,35 * (80%–3,33%*t).)Antwoord op vraag 105Onderstaande tabel geeft een overzicht van de budgettaire gevolgen vande versnelde afbouw van de aftrek wegens geen of een kleine woning-schuld (wet Hillen). Structureel is de opbrengst 0 omdat wet Hillen per2048 volledig is afgebouwd.Tabel 32Budgettair, prijzen 202420252026202720282048= strucAfschaffen in 5 jaar11082093314380Afschaffen in 10 jaar407712116001 Of afschaffen in 5 jaar uitvoerbaar is hangt mede af van andere wetgevingswensen die eenberoep doen op de keten IH. Niet al de gevraagde varianten zijn op korte termijn uitvoerbaar. Versneldafbouwen van de aftrek kan vormgegeven worden met een parameter enkan op korte termijn. Afschaffen is een structuurwijziging in de Inkomens-heffing en daarmee niet op korte termijn uitvoerbaar. Hetzelfde geldt voorhet maximeren op het EWF-tarief. Maximeren op het EWF-tarief levertongeveer 200 miljoen euro op, vanaf het moment dat deze wijziginguitvoerbaar is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3842 Op basis van deze ramingen kan ook een indicatieve berekening wordengemaakt van de cumulatieve opbrengst over de periode 2025 tot en met2048. De resultaten van die berekening zijn als volgt:Tabel 33Budgettair cumulatief, prijzen 20242025–2048Afschaffen in 5 jaar6,6 miljardAfschaffen in 10 jaar4,8 miljard Vraag 106Wat is de status van het instrument dat in paragraaf 10.2 van hethoofdlijnenakkoord de Minister van Financiën de mogelijkheid geeftwanneer afgesproken ombuigingen niet gerealiseerd worden of minderopleveren, vervangende dekking wordt gevonden in het (deels)niet-indexeren van uitgaven voor de stijging van de lonen en prijzen?(Miljoenennota, p. 16) In hoeverre heeft de Minister van Financiën in dezebegroting van deze mogelijkheid gebruik gemaakt? (Miljoenennota, p. 16)Waarom is dit geen begrotingsregel geworden? (Miljoenennota, p. 16)Waarom is de noodremafspraak die genoemd wordt in het hoofdlijnenak-koord en de Miljoenennota geen onderdeel van de nieuwe begrotings-regels?Antwoord op vraag 106Het kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord een aantal ombuigingsmaat-regelen afgesproken om de groei van de overheidsuitgaven te beperken.Als deze niet worden gerealiseerd, dan is in het HLA opgenomen datdekking kan worden gevonden in het (deels) niet uitkeren van loon- enprijsontwikkeling aan de departementale begrotingen. Deze afspraak geldtniet voor de gehele begroting en is daarmee geen deel geworden van debegrotingsregels. Wel is in de Miljoenennota is opgenomen dat een deelvan de prijsbijstellingstranche over 2025 wordt gereserveerd om dekkingte vinden voor de extra uitgaven voor Herstel Toeslagen.Vraag 1074 Realistisch ramen 4.1 Onderuitputting Het kabinet schrijft «gehoor tegeven aan de oproep van de Kamer tot het verminderen van onderuit-putting». Daartoe vinden kasschuiven plaats en het inboeken van Є2,3 miljard aanvullende onderuitputting in 2026 (paragraaf 2.2.1 tabel 43,p.45). Het kabinet noemt dit «realistisch ramen». In dat kader heeft hetkabinet de ramingen voor de jaren 2024 tot en met 2026 met per saldo€ 13,4 miljard verlaagd. Zie tabel 2 op p. 39, waarvan de cijfers hieronderzijn opgenomen: Realistisch ramen2024 –7,12025 –3,32026 –3,02027 2,92028 2,52029 0,7Met een hogere raming van uitgaven in 2027 en latere jaren lijkt hetkabinet echter ook uit te gaan van een hoger realisatievermogen vanaf2027, ondanks de hardnekkige en zelfs toenemende krapte op dearbeidsmarkt die het kabinet, evenals de Wetenschappelijke Raad voor hetRegeringsbeleid (WRR) verwacht (p. 25 en 26). Het kabinet legt niet uit hoezij dit realisatievermogen ziet toenemen. Kan het kabinet hierop ingaan?Antwoord op vraag 107In deze Miljoenennota heeft het kabinet opnieuw stappen gezet naar eenmeer realistische begroting door middel van kasschuiven. De uitkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3843 zijn weergegeven in de departementale begrotingen. Het is aan devakministers om de departementale begrotingen te realiseren. Het kabinetlegt hierover verantwoording af in het Financieel Jaarverslag Rijk en dedepartementale jaarverslagen.Vraag 108Hoeveel tweede huizen & vakantiehuizen hebben de leden van ditkabinet?Antwoord op vraag 108Eventuele zakelijke belangen van bewindspersonen zijn opgenomen in debijlage van het eindverslag van de formateur.Vraag 109Klopt het dat Ministers Klever en Faber allebei meer dan één woningbezitten, waaronder huizen in het buitenland?Antwoord op vraag 109Eventuele zakelijke belangen van bewindspersonen zijn opgenomen in debijlage van het eindverslag van de formateur.Vraag 110Kunt u het EMU-saldo per jaar vermelden in de periode 2025–2028 (zowelin absolute als relatieve getallen s.v.p.) (raming min. Fin.)?Antwoord op vraag 110In onderstaande tabel is het EMU-saldo in absolute en relatieve getallen inde periode 2025–2028 weergegeven.Tabel 34 EMU-saldo20242025202620272028EMU-saldo in procenten bbp– 1,6%– 2,8%– 3,7%– 2,4%– 2,4%EMU-saldo in miljarden– 18,5– 32,6– 45,9– 30,1– 31,1 Vraag 111Kunt u verklaren wat het verschil is als het gaat om het EMU-saldo met deraming van het CPB (graag per jaar toelichten in de periode 2025–2028)?Kunt u hierbij tevens ter illustratie het EMU-saldo van het Ministerie vanFinanciën tegenover die van het CPB zetten wat betreft de periode2025–2028?Antwoord op vraag 111In de Miljoenennota 2025 tabel 10 (pagina 59) is het EMU-saldo en hetverschil voor de periode 2025–2028 van het kabinet en het CPBweergegeven.Vraag 112Kunt u de EMU-schuld per jaar vermelden in de periode 2025–2028 (zowelin absolute als relatieve getallen)?Antwoord op vraag 112In onderstaande tabel is de EMU-schuld in absolute en relatieve getallenin de periode 2025–2028 weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3844 Tabel 35 EMU-schuld20242025202620272028EMU-schuld in procenten bbp44,2%46,6%50,1%50,7%51,6%EMU-schuld in miljarden498,8548,4613,8646,8681,0 Vraag 113Waar zijn de precieze begrotingsregels die het kabinet hanteert te vinden(anders dan in de 17e rapport Studiegroep Begrotingsruimte)?Antwoord op vraag 113De set begrotingsregels van het Kabinet Schoof is te vinden als Bijlage 1van de Miljoenennota 2025.Vraag 114Hoe groot is het aantal gewerkte uren per werkende in Nederland(Miljoenennota, p. 7) over hun hele werkende leven rekening houdendmet het moment dat zij met pensioen gaan? En hoe is dat vergeleken metandere EU-lidstaten?Antwoord op vraag 114Er zijn verschillende manieren om het aantal gewerkte uren per werkendeover hun werkende leven te berekenen. Onderstaande tabel laat voorNederland, per leeftijdsgroep, het gemiddeld aantal gewerkte uren van dewerkzame beroepsbevolking zien.26Tabel 36 Gemiddelde arbeidsduur in uren, naar leeftijd (tweede kwartaal 2024)PersoonskenmerkenGemiddelde arbeidsduur in urenTotaal personen32,1Leeftijd: 15 tot 25 jaar21,3Leeftijd: 25 tot 35 jaar35,6Leeftijd: 25 tot 45 jaar35,3Leeftijd: 35 tot 45 jaar34,9Leeftijd: 45 tot 55 jaar35,3Leeftijd: 45 tot 75 jaar33,4Leeftijd: 55 tot 65 jaar33,4Leeftijd: 65 tot 75 jaar23,8Bron: CBS In de Europese data is zo’n uitsplitsing naar leeftijdsgroepen nietbeschikbaar. Wel zijn er gegevens over de gemiddelde werkuren voor deleeftijdsgroep 20–64 jaar, 35–49 jaar, en 50 jaar of ouder. Zie in onder-staande tabel de vergelijking tussen Nederland, het gemiddelde van deEuropese Unie en het gemiddelde van de Eurozone.Tabel 37 Gemiddeld aantal gewerkte uren, naar leeftijd (2023), Europese vergelijkingNederlandEuropese UnieEurozoneLeeftijd: 20 tot 64 jaar32,236,135,4Leeftijd: 35 tot 49 jaar33,236,726,0Leeftijd: 50 jaar of ouder31,335,434,8Bron: Eurostat Vraag 11526CBS (2024) Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduurTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3845 Kunt u per jaar aangeven wat de raming is van de economische groei inde periode 2025–2028?Antwoord op vraag 115In de Macro Economische Verkenning 2025 raamt het CPB de econo-mische groei in de periode 2025–2028 als volgt:Tabel 38 BBP groei Macro Economische Verkenning 20252025202620272028BBP-groei1,5%1,5%1,4%1,1% Vraag 116Waarom wordt energiebelasting meegenomen via de inflatie meege-nomen in de koopkrachtcijfers en niet rechtstreeks?Antwoord op vraag 116In de koopkrachtramingen conformeren het Ministerie van Sociale Zakenen Werkgelegenheid en het Centraal Planbureau zich aan de inflatiedefi-nitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De inflatiecijfersvan het CBS worden vastgesteld op basis van internationale richtlijnen,om zo de objectiviteit en vergelijkbaarheid van de cijfers te kunnenwaarborgen. Inflatie is gedefinieerd als de stijging van het algemeneprijspeil, berekend als het gewogen gemiddelde van verschillendebestedingscategorieën. Op basis van de internationale richtlijnen zijnenergielasten een van de bestedingscategorieën en daarmee zijnbelastingen op energie onderdeel van het inflatiecijfer in plaats van hetinkomensbegrip. Met de koopkrachtramingen wordt de ontwikkeling vande bestedingsmogelijkheden in kaart gebracht, via de ontwikkeling vanhet besteedbaar inkomen en de ontwikkeling van de prijzen, maar niet watdaadwerkelijk wordt geconsumeerd.Vraag 117Kunt u bij de maatregelen onder «problemen die we aanpakken» debijbehorende bedragen vermelden?Antwoord op vraag 117Het kabinet heeft diverse maatregelen genomen waarmee maatschappe-lijke problemen worden aangepakt. Deze worden toegelicht in deMiljoenennota, de departementale begrotingen en het Belastingplan.Vraag 118Kunt u bij de maatregelen onder «het kabinet beheerst de overheidsfi-nanciën door» de bijbehorende bedragen vermelden?Antwoord op vraag 118Het kabinet heeft diverse maatregelen genomen om de overheidsfi-nanciën te beheersen. Alle maatregelen waartoe het kabinet heeftbesloten zijn op hoofdlijnen opgenomen in de kadertoets (tabel 2Miljoenennota) en het inkomstenkader (tabel 6 Miljoenennota). Verderbevat de Verticale Toelichting bij de Miljoenennota een uitsplitsing van demaatregelen op het terrein van de departementale begrotingen.Vraag 119Met hoeveel groeien de totale uitgaven ten opzichte van de laatste standvan zaken van de Rijksbegroting 2024? Hoe is dit verschil te verklaren?Welke uitgaven zijn er gedaan die dit verschil veroorzaken (meer specifieks.v.p.)?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3846 Antwoord op vraag 119De hoogte van het uitgavenkader is berekend als som van de (netto-)uit-gavenramingen uit de Voorjaarsnota 2024, plus de budgettaire aanpas-singen die sindsdien zijn verwerkt, waaronder de maatregelen uit hetHoofdlijnenakkoord. De kadertoets van de uitgaven (zie tabel 2 oppagina 38 Miljoenennota 2025) geeft een totaaloverzicht van de ontwik-keling van alle kaderrelevante uitgaven sinds de Voorjaarsnota 2024 (delaatste stand van zaken van de Rijksbegroting zoals aan de Tweede Kameris gemeld). Een meer specifieke toelichting per mutatieregel volgt vanafpagina 39 van de Miljoenennota 2025. De verticale toelichting (bijlage 16Miljoenennota 2025) toont voor ieder begrotingshoofdstuk de budgettaireveranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de Voorjaarsnota 2024.Vraag 120Kunt u een overzicht geven van wanneer de realisatie van de stijging vande cao-lonen sinds 2012 lager is uitgevallen dan de raming?Antwoord op vraag 120Het Centraal Planbureau (CPB) publiceert jaarlijks bij de Macro Econo-mische Verkenning (MEV) in de bijlage een revisie van de belangrijksteramingen, inclusief de prijzen en lonen. In onderstaande tabel zijn derealisatiecijfers van de afgelopen MEV-ramingen te zien voor decao-loonontwikkeling marktsectoren, afgezet tegen de eerdereramingen27.Tabel 39 Realisatie en raming cao-loonontwikkeling201220132014201520162017201820192020202120222023Realisatie1,6%1,2%1,0%1,2%1,5%1,6%2,0%2,3%2,8%1,9%3,0%6,0%Raming2,0%2,3%1,5%1,5%1,4%1,6%2,2%2,9%2,5%1,4%2,2%3,7%Verschil realisatiet.o.v. raming– 0,4%– 1,0%– 0,5%– 0,3%0,1%0,0%– 0,2%– 0,6%0,3%0,5%0,8%2,3% Vraag 121Kunt u nader toelichten wat de onderbouwing is van de geraamdebudgettaire opbrengst van het gedeeltelijk afschaffen van het verlaagdbtw-tarief op logies en culturele goederen en diensten (bijlage 4 bij deMiljoenennota, p.43) Kunt u een totaalinzicht geven in de financiëlegevolgen voor de overheid van de gedeeltelijke afschaffing van hetverlaagd btw-tarief op logies en culturele goederen en diensten? Hoe is deraming van de budgettaire opbrengst van het gedeeltelijk afschaffen vanhet verlaagd btw-tarief op logies en culturele goederen en dienstenopgebouwd, en op welke manier is rekening gehouden met gedragsef-fecten (Tabel 4.1 en 4.2 Bijlage Miljoenennota, p. 33 e.v.)? Wat is deafzonderlijke invloed van de verhoging van de indirecte belastingen(waaronder het beëindigen van het lage tarief voor een aantal sectoren)voor de ontwikkeling van de inflatie (Miljoenennota, p.23)?Antwoord op vraag 121De basis voor deze ramingen zijn de btw-bestanden van het CBS, waarinde bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeldin tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de bestedingen aan culturelegoederen en diensten en logies waarbij de posten het verlenen vantoegang tot attractieparken, speel- en siertuinen, en andere dergelijkeprimair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzie-ningen, circussen, dierentuinen en bioscopen niet zijn meegenomen in deraming voor culturele goederen en diensten.27Voor de realisatiecijfers is voor 2012 tot en met 2023 gebruik gemaakt van MEV 2025, bijlage 9.Voor de ramingen is gebruik gemaakt van de MEV van het desbetreffende jaar. Ter illustratie:De raming voor het jaar 2023 komt uit de MEV 2023, gepubliceerd in september 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3847 Daarnaast zijn de CBS gegevens over logies voor de raming gecorrigeerdvoor het meenemen van kampeerterreinen aan de hand van gegevens uitaangiftebestanden aangezien het verlaagde tarief voor deze posten nietwordt afgeschaft.Bij de raming voor culturele goederen en diensten is niet uitgegaan vaneen gedragseffect. Hier is voor gekozen omdat er een constante spaar-quote wordt verondersteld. Dit betekent dat wanneer iemand minderculturele goederen en diensten afneemt, ze meer zullen uitgeven aanandere producten en diensten. Daardoor heeft dit geen gevolgen voor deopbrengst van de maatregel. Bij de raming voor logies is wel eengedragseffect meegenomen bij het directe effect van de maatregel omdathier een deel van de consumptie zich naar het buitenland zal verplaatsen.Wanneer een overnachting in Nederland duurder wordt, zal het relatiefaantrekkelijker worden om in het buitenland een overnachting te boekenwaardoor een deel van de grondslag zal verdwijnen. De opbrengst van detwee maatregelen is opgebouwd uit verschillende delen die in de tabellenhieronder worden getoond.Tabel 40 Uitsplitsing raming cultuur (in miljoenen euro)20252026202720282029strucstruc inBoeken incl. e-pubs en uitleen2312312312312312026Kranten, tijdschriften, dag- en weekbladenincl. e-pubs en uitleen2972972972972972026Geven van gelegenheid tot sportbeoefening1851851851851852026Toegang tot sportwedstrijden41414141412026Toegang tot musea en verzamelingen41414141412026Toegang tot podiumkunsten en optredens dooruitvoerende kunstenaars3883883883883882026Kunst, verzamelvoorwerpen en antiek38383838382026Totaal afschaffen verlaagd btw-tarief culturelegoederen en diensten1.2211.2211.2211.2211.2212026 Tabel 41 Uitsplitsing raming logies (in miljoenen euro)20252026202720282029strucstruc inHotels en pensions3643643643643642026overig logies (bijv. short-stay en recreatieve verblijven)7467467467467462026Totaal afschaffen verlaagd btw-tarief op logies(excl. kampeerterreinen)1.1101.1101.1101.1101.1102026 Aanpassingen in de indirecte belastingen leiden tot eenmalige inflatie-effecten, naar verwachting zal het in dit geval beperkt zijn omdat slechtsvoor enkele categorieën het btw-tarief zal worden verhoogd. Daarnaast isde mate waarin dit gebeurt afhankelijk van de mate van doorberekening.Het is hierdoor vooraf niet eenduidig vast te stellen wat het effect van debtw-verhoging zal zijn op de algehele inflatieontwikkeling. In dekoopkrachtberekeningen wordt rekening gehouden met deze effecten.Zoals gebruikelijk worden de ramingen van Financiën gecertificeerd doorhet CPB, wat ook hier het geval is.Vraag 122In hoeverre maakt het niveau van de aiq deel uit van het beleid van hetkabinet? (Miljoenennota, p.23) Wat is de verklaring dat ontwikkeling vande winstquote geen volledige spiegeling is van de aiq (aiq en winstquotetellen niet op tot 1)? (Miljoenennota, p.23). Waarom wordt er nietstandaard een Gini-coëfficiënt voor de vermogensverdeling gemaakt en inde Miljoenennota vermeld?Antwoord op vraag 122Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3848 Het kabinet zet zich ervoor in dat werken loont, bijvoorbeeld door gerichtelastenverlichting. Het kabinet stuurt echter niet op de AIQ als uitkomst. DeAIQ is een samengestelde macro-economische indicator en is, integenstelling tot koopkracht of economische groei, geen doel op zich.Bovendien bestaat er in de wetenschap geen consensus over het optimaleniveau van de AIQ.Het totale verdiende inkomen bestaat uit de beloning van werknemers enzelfstandigen – weergegeven door de AIQ – en de operationele winstenvan bedrijven – weergegeven door de winstquote. Toch tellen de tweequotes niet op tot 1. Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste neemt dewinstquote, dat gebruik maakt van het netto exploitatieoverschot,buitenlandse winsten en financiële bedrijven niet mee. Ten tweede laat deAIQ doorgaans een deel van de economie buiten beschouwing.De Miljoenennota bevat elk jaar een overzicht van de stand van demacro-economie. Daarbij wordt gepoogd een selectie te maken van demeest relevante statistieken. De verdeling van het vermogen in Nederlandis de afgelopen jaren relatief stabiel geweest. Het opnemen van devermogensverdeling in de Miljoenennota was daarom geen prioriteit.Toekomstige ontwikkelingen kunnen daar verandering in brengen.Vraag 123Hoe is te verklaren dat de rijksuitgaven van 2025 tot 2029 met circa 4,9%zullen groeien? Waar worden deze grotere uitgaven door veroorzaakt?Antwoord op vraag 123Zie paragraaf 2.5 van de Miljoenennota voor een toelichting op dehorizontale ontwikkeling van de uitgaven van 2024 tot en met 2029. Tabel11 toont de horizontale ontwikkeling van de uitgaven per begroting. Dehorizontale ontwikkeling laat zien hoe bij ongewijzigd beleid de uitgavenvan verschillende beleidsterreinen zich ontwikkelen ten opzichte vanelkaar in het prijspeil van 2024. Tussen 2025 en 2029 stijgen de uitgavenmet circa 5 procent (van 423 miljard in 2025 naar 445 miljard in 2029).Destijging wordt voor een groot deel verklaard door stijgende uitgaven aanzorg en sociale zekerheid. Een toelichting per begroting is opgenomen inbijlage 17 Horizontale toelichting.Vraag 124Kunt u een overzicht geven van alle grotere tegenvallers boven de200 mln. in de periode 2025–2028 en aangeven hoe ze worden gedekt(graag per jaar aangeven)? Voor welk bedrag aan tegenvallers is er noggeen dekking?Antwoord op vraag 124In de Miljoenennota zijn de tegenvallers verwerkt die zich sinds deVoorjaarsnota hebben voorgedaan, inclusief de dekking hiervan.Uitgaventegenvallers zijn opgenomen in de Kadertoets (tabel 2 Miljoe-nennota). Inkomstentegenvallers zijn opgenomen in het Inkomstenkader(tabel 6 Miljoenennota). Onderstaand zijn de grotere tegenvallers bovende 200 mln. in de periode 2025–2028 opgenomen.UitgavenAanvullende uitgaven Herstel ToeslagenVoor Herstel Toeslagen is 2,3 miljard euro extra beschikbaar gesteld,waarvan 1,4 miljard euro is toegevoegd aan de begroting van Financiën.Tegelijkertijd is 0,9 miljard euro aanvullend gereserveerd op de Aanvul-lende Post. Deze tegenvaller wordt gedekt door naar rato 1,4 miljard euroTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3849 van de nog uit te keren eindejaarsmarge in 2025 in te houden en door0,9 miljard euro te reserveren uit de prijsbijstelling tranche 2025.EU-afdrachtenDe raming van de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie is op basisvan de verwachte onderuitputting in de EU-begroting 2025 neerwaartsbijgesteld met 1,3 miljard euro in 2025. Een deel van hiervan schuift doornaar 2026 en 2027. Daarnaast is er sprake van een structurele tegenvallerop de bni-afdracht van 0,9 miljard euro. Dat komt enerzijds doordat deontvangsten van de invoerrechten op EU-niveau lager uitvallen enanderzijds doordat het Nederlandse bni hogerligt dan verwacht tenopzichte van de EU als totaal. De tegenvaller is ingepast binnen hetrijksbrede uitgavenbeeld.Besluitvorming en uitvoeringsinformatie VWSHet uitvoeringsbeeld laat in 2024 per saldo een meevaller zien, met namedoor onderschrijding in de wijkverpleging. Verder is er sprake vanincidentele besparingsverliezen in 2025 en een structurele tegenvaller uitde uitvoeringsinformatie in de Wet langdurige zorg (Wlz) en deniet-akkoordsectoren in de Zvw.Dekkingsmaatregelen en uitvoeringsinformatie SZWEr is sprake van een structurele uitvoeringstegenvaller op de SZWbe-groting. Deze is onder meer een gevolg van de verwerking van uitvoe-ringsinformatie van het UWV en de nieuwe macro-economische ramingvan het CPB. De grootste tegenvallers zijn op de Wet werk en inkomennaar arbeidsvermogen (WIA) en de Ziektewet. Bij de WIA is sprake vaneen tegenvaller van 252 miljoen euro structureel en bij de Ziektewet van109 miljoen euro structureel. De uitvoeringstegenvaller in 2025 wordtintertemporeel gedekt op de SZW-begroting. Daarnaast gaat in het najaarvan 2024 een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar de WIAvan start.InkomstenBox 3Er is een tegenvaller in box 3 in 2025 en 2026. Deze wordt gedekt door hetgeleidelijk infaseren van de koopkrachtenveloppen, het naar voren halenvan de in het hoofdlijnenakkoord geplande verhoging van de Awf-premie,het terugdraaien van de in het hoofdlijnenakkoord geplande verlaging vanhet box 3-tarief en het verhogen van de premie Arbeidsongeschiktheids-fonds (Aof-premie).Vraag 125Wat is de reden dat er niet in een afzonderlijke Startnota inzicht gebodenis in hoe de 71 budgettaire maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord precieszijn verwerkt? (Miljoenennota, p. 36) Kunt u een overzicht geven van alle71 voorgenomen budgettaire maatregelen uit het hoofdlijnenakkoordwaarin duidelijk wordt hoe en waar ze in de begroting zijn verwerkt?(Miljoenennota, p. 36) Kunt u daarbij voor die gevallen waarbij in deaugustusbesluitvorming voor een ander bedrag en/of ander kasritme isgekozen door het kabinet, een toelichting op de afwijking geven?(Miljoenennota, p. 36)Antwoord op vraag 125Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3850 Met het hoofdlijnenakkoord (HLA) zijn afspraken gemaakt over definanciën van de Rijksbegroting. Deze afspraken zijn opgenomen in debudgettaire bijlage van het HLA. De Miljoenennota 2025 verwerkt het HLAen de begroting en vormt daarmee de Startnota van het kabinet. Alsonderdeel van het reguliere begrotingsproces zijn bij de augustusbesluit-vorming nieuwe aanpassingen aan de begroting doorgevoerd. Dit betreftonder andere het verwerken van de nieuwe uitvoeringsinformatie van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn bij de augustusbesluit-vorming kasschuiven doorgevoerd om de begrotingen in een realistischerritme te plaatsen. Ook heeft in augustus besluitvorming plaatsgevondenover de lasten en de koopkracht, waaronder de tegenvaller in box 3.Onderdeel hiervan was de uitwerking van diverse maatregelen uit hetHLA.Bovenstaande gebruikelijke bijstelling van de rijksbegroting heeft geleidtot een substantieel aantal (technische) mutaties ten opzichte van debudgettaire bijlage van het HLA. De wijzigingen van de departementalebegrotingen worden toegelicht in de Verticale Toelichting bij de Miljoe-nennota en de toelichtingen op de begrotingstukken behorend bij dedepartementale begrotingen. De maatregelen in het inkomstenkaderworden integraal toegelicht in paragraaf 2.3 van de Miljoenennota enbijlage 4.Vraag 126Komt met het afschaffen van de afzonderlijke deelplafonds het onder-scheid tussen premie gefinancierde en begroting gefinancierde uitgavende facto ook te vervallen? (Miljoenennota, p. 37) Is hiermee ook beoogdhet budgetrecht en recht van amendement van de Kamer te versterken?(Miljoenennota, p. 37) Kan in dit licht nader worden uitgelegd waarombegrotingsregel 1.1.5.5 het mogelijk maakt dat tegenvallers op deVWS-begroting voortaan kunnen worden opgevangen met meevallers inde uitgaven aan de Zorgverzekeringswet? (Miljoenennota, bijlage 1, p. 11)Antwoord op vraag 126Het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte om te werken met éénuitgavenkader is overgenomen in het Hoofdlijnenakkoord. Conform deregels budgetdiscipline is en blijft iedere Minister verantwoordelijk vooreen goede beheersing van de departementale begroting. Dit betekent datin het geval van een per saldo tegenvaller binnen de betreffendebegroting dekking moet worden gevonden. Dit geldt ook voor depremiegefinancierde onderdelen van de begroting voor het terrein van dezorg en de sociale zekerheid. In de budgettaire nota’s blijft zoals gebrui-kelijk de horizontale ontwikkeling van de uitgaven, waaronder VWS enSZW, gepresenteerd worden. Het onderscheid tussen begrotings- enpremiegefinancierde uitgaven komt niet te vervallen. De betreffendebegrotingshoofdstukken 40 en 41 blijven bestaan. Ook het budgetrechtvan uw Kamer wijzigt hierbij niet.Een per saldo meevaller in de uitgaven aan de Zorgverzekeringswet (Zvw)wordt, na saldering met eventuele tegenvallers elders in de zorg en op deVWS-begroting, ingezet voor lastenverlichting via een verlaging van depremies. De Zvw-premies maken deel uit van het inkomstenkader. Bij eenmeevaller aan de uitgavenzijde, wordt tegenover de lagere zorgpremiesgeen compenserende lastenverhoging gesteld. In dat geval wordt eenkadercorrectie toegepast. Als er sprake is van een kaderrelevantetegenvaller aan de uitgavenzijde, dan wordt die opgelost binnen hetuitgavenkader en worden aan de inkomstenkant de lasten met hetzelfdebedrag verlaagd. In principe gebeurt dat met compenserende bijstellingenelders die zo goed mogelijk aansluiten bij de doelgroep. De compensatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3851 in het inkomstenkader wordt in het voorjaar, tegelijkertijd met deuitgavenkant, gecommuniceerd.Vraag 127Hoe ziet de invulling van bezuiniging op het ambtelijk apparaat erconcreet uit?Antwoord op vraag 127In het hoofdlijnenakkoord staat een apparaatstaakstelling van 22 procentbij kerndepartementen en een beperkte korting op externe inhuur. Degrondslag voor de 22 procent bij kerndepartementen bestaat uit de(centraal) apparaatsartikelen «kerndepartement» op de begrotingen tentijde van Miljoenennota 2024.Als onderdeel van de augustusbesluitvorming is besloten om detaakstelling op het postennetwerk met 71 miljoen euro structureel teverlichten van 22% naar 10%. De taakstelling daalt daardoor van 1 miljardnaar 929 miljoen structureel.Het kabinet heeft gekozen voor een budgettaire taakstelling, waardoor erook kan worden gekeken naar dekking uit andere middelen dan apparaats-middelen bij de kerndepartementen. Dit is afhankelijk van de keuzes perdepartement. De wijze waarop de apparaatstaakstelling wordt ingevuld zaldaarom verschillen per departement.Vraag 128Kan in een tabellarisch overzicht per jaar en per departement wordenaangegeven hoe de taakstelling apparaat Rijksoverheid ingevuld gaatworden?Antwoord op vraag 128Onderstaande tabel laat de uitsplitsing van de apparaatstaakstelling perdepartement zien, inclusief de verzachting voor het postennetwerk.Aangezien het een budgettaire taakstelling betreft is het aan departe-menten hoe de taakstelling uiteindelijk wordt ingevuld.Tabel 42 Invulling taakstelling apparaat Rijksoverheid(in miljoenen euro, min is saldoverbeterend)20252026202720282029Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid– 223– 430– 635– 839– 929wv. Buitenlandse Zaken– 27– 57– 85– 114– 125wv. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties– 29– 57– 83– 109– 121wv. Justitie en Veiligheid– 26– 50– 74– 99– 110wv. Sociale Zaken en Werkgelegenheid– 23– 45– 68– 90– 99wv. Economische Zaken en Klimaat– 23– 43– 65– 82– 91wv. Infrastructuur en Waterstaat– 23– 44– 62– 81– 90wv. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap– 20– 40– 58– 78– 86wv. Financiën– 19– 35– 53– 71– 80wv. Volksgezondheid, Welzijn en Sport– 18– 32– 47– 61– 68wv. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit– 11– 19– 28– 38– 41wv. Algemene Zaken– 3– 6– 8– 11– 12wv. Koninkrijksrelaties– 1– 2– 4– 5– 5 Vraag 129Zijn rijksinspecties uitgesloten van de taakstelling apparaat Rijksoverheid?Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 129De grondslag van de taakstelling is grotendeels gebaseerd op deapparaatskosten van de kerndepartementen. Indien (rijks)inspecties ofrijksinspectiediensten onderdeel zijn van het centraal apparaatsartikel vanhet (kern)departement vallen zij onder de grondslag van de taakstelling.De Inspectie Belastingen, Toeslagen en Douane, de Inspectie van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3852 Onderwijs, de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, de InspectieJenV, de Nederlandse Arbeidsinspectie, en het Staatstoezicht op deMijnen (SodM) zijn daarmee onderdeel zijn van de grondslag voor zoverdeze bekostigd worden uit de centraal apparaatsartikelen van de(kern)departementen. Of er uiteindelijk op inspecties wordt gekort isafhankelijk van de verdere invulling door de departementen.Vraag 130Zijn rijksinspectiediensten uitgesloten van de taakstelling apparaatRijksoverheid? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 130Zie het antwoord op vraag 129.Vraag 131Zijn Adviescolleges Rijksoverheid uitgesloten van de taakstelling apparaatRijksoverheid? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 131De grondslag van de taakstelling is grotendeels gebaseerd op deapparaatskosten van de kerndepartementen. Indien adviescollegesonderdeel zijn van het centraal apparaatsartikel van het (kern)departementvallen zij onder de grondslag van de taakstelling. Dit verschilt perAdviescollege. Of er uiteindelijk op Adviescolleges wordt gekort isafhankelijk van de verdere invulling door de departementen.Vraag 132Zijn de Hoge Colleges van Staat uitgezonderd van de taakstelling apparaatRijksoverheid? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 132De Hoge Colleges van Staat zijn niet meegenomen in de grondslag van deapparaatstaakstelling en zijn daarmee uitgezonderd van de taakstelling.Vraag 133Zijn de planbureaus uitgezonderd van de taakstelling apparaat Rijks-overheid? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 133De grondslag van de taakstelling is grotendeels gebaseerd op deapparaatskosten van de kerndepartementen. Indien planbureausonderdeel zijn van het centraal apparaatsartikel van het (kern)departementvallen zij onder de grondslag van de taakstelling. Het Centraal Planbureau(CPB) en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) lopen daarom mee inde grondslag, maar het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) niet. Of eruiteindelijk op planbureaus wordt gekort is afhankelijk van de verdereinvulling door de departementen.Vraag 134Zijn de uitvoeringsorganisaties uitgesloten van de taakstelling apparaatRijksoverheid? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 134De grondslag van de taakstelling is grotendeels gebaseerd op deapparaatskosten van de kerndepartementen. Indien uitvoeringsorgani-saties onderdeel zijn van het centraal apparaatsartikel van het (kern)depar-tement vallen zij onder de grondslag van de taakstelling. In de grondslagvoor externe inhuur is de uitvoering wel meegenomen. Of er uiteindelijkop uitvoeringsorganisaties wordt gekort is afhankelijk van de verdereinvulling door de departementen. Het is namelijk een budgettaireTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3853 taakstelling waardoor departementen de vrijheid hebben om detaakstelling zo goed mogelijk binnen departementen te verdelen. Hier kanook de uitvoering onderdeel van uitmaken.Vraag 135Zijn de ZBO’s uitgesloten van de taakstelling apparaat Rijksoverheid? Zonee, welke niet?Antwoord op vraag 135ZBO’s maken in principe geen onderdeel uit van de grondslag voor deapparaatstaakstelling. Of er uiteindelijk op ZBO’s wordt gekort is afhan-kelijk van de verdere invulling door de departementen.Vraag 136Waar wordt de structurele tegenvaller op de EU-afdrachten in de periode2026–2029 precies door veroorzaaktAntwoord op vraag 136Er is sprake van een structurele tegenvaller op de bni-afdracht oplopendtot ruim 0,9 miljard euro. Dit komt aan de ene kant doordat het Neder-landse bruto nationaal inkomen (bni) t.o.v. andere lidstaten hardergegroeid is dan eerder geraamd. Dit vertaalt zich in een groter aandeelvan het Nederlandse bni in het totale Europese bni. Het gaat om een groeivan 5,9% naar 6,1%. Aan de andere kant wordt de hogere bni afdrachtveroorzaakt doordat de ontvangsten van de invoerrechten op EU-niveaulager uitvallen dan eerder geraamd. Het verschil wordt conform Eigenmid-delenbesluit opgevangen door de bni-afdracht. Samenhangend met delager dan verwachte invoerrechten vallen de ontvangsten van deperceptiekostenvergoeding ruim 0,2 miljard euro lager uit. De perceptie-kostenvergoeding worden als ontvangst verantwoord op de begroting vanBuitenlandse Zaken en zijn een percentage van de invoerrechten (25%) datdoor de lidstaten als inningskosten wordt ingehouden.Tabel 43 bni-afdrachten en perceptiekostenvergoedingin mln.202420252026202720282029bni-afdrachten510– 8921.082963918919perceptiekostenvergoeding164167173186206227 Vraag 137Op basis van welke criteria en met welke kortingspercentages is detaakstelling subsidies verdeeld over de verschillende begrotingen?(Miljoenennota, p. 38) Zijn daarbij ook uitzonderingen gemaakt voorsubsidiebudgetten die niet of met een lager percentage zijn gekort? En zoja, welke en waarom? (Miljoenennota, p. 38) Op basis van welke criteriaen met welke kortingspercentages is de taakstelling terugdraaien groeioverheidsapparaat verdeeld over de verschillende begrotingen? (Miljoe-nennota, p. 38) Zijn daarbij ook uitzonderingen gemaakt voor apparaats-budgetten die niet of met een lager percentage zijn gekort? En zo ja, welkeen waarom? (Miljoenennota, p. 38) Kunt u van beide taakstellingen eenoverzicht geven waarin duidelijk wordt welke begrotingen in welke mate(zowel in euro’s als procentueel) zijn aangeslagen? (Miljoenennota, p. 38)Antwoord op vraag 137Bij de verdeling van de subsidietaakstellingen over de departementalebegrotingen zijn ten eerste uitzonderingen gemaakt voor subsidiebud-getten waarop in het hoofdlijnenakkoord al wordt omgebogen, zoals deMaatschappelijke Diensttijd en de prijsrisicobuffer Subsidie DuurzameEnergie (SDE). Ook zijn uitzonderingen gemaakt op posten waarvan hetHoofdlijnenakkoord aangeeft dat hier niet op wordt gekort. Dit gaat omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3854 subsidies voor buitenlandse handel, ronde 1 t/m 3 van het NationaalGroeifonds en Defensie. Tot slot zijn subsidies rond herstel Groningen,toeslagenherstel, Oekraïne en corona uitgezonderd van de grondslag.De taakstelling is verdeeld over de subsidiegrondslag van de verschil-lende departementale begrotingen, nadat deze grondslag is verlaagd metbovengenoemde posten. Vervolgens wordt de totale korting (1 miljardstructureel) toegepast op de resterende subsidiegrondslag. Dit leidt tot hetvolgende kortingspercentage, gebaseerd op de subsidiegrondslag bijstand Voorjaarsnota 2024:Tabel 4420252026202720282029Ombuiging als % van resterende subsidiegrondslag(na uitzonderingen)– 4,3%– 10,2%– 16,4%– 23,2%– 25,9% Nadat dit percentage is toegepast op de grondslag van de verschillendebegrotingen, leidt dit tot de volgende verdeling van de taakstelling (inmiljoen euro):Tabel 45(Bedrag in € mln.)20252026202720282029Generieke taakstelling subsidies rijksbreed– 275– 550– 800– 1.000– 1.000w.v. EZK– 37– 90– 133– 221– 174w.v. OCW– 75– 138– 255– 317– 361w.v. VWS– 53– 124– 176– 251– 252w.v. LNV (incl. Diergezondheidsfonds)– 48– 51– 63– 59– 74w.v. BHOS00000w.v. BZK (incl. Koninkrijksrelaties)– 17– 43– 65– 63– 49w.v. BZ00000w.v. IenW– 19– 30– 32– 25– 21w.v. SZW– 20– 60– 57– 35– 38w.v. JenV– 5– 13– 19– 29– 29w.v. NGF00000w.v. DEF00000w.v. FIN00000 Zie het antwoord op vraag 127 voor een toelichting op de apparaatstaak-stelling en de verdere verdeling.Tabel 4620252026202720282029Ombuiging als % van grondslag apparaatsartikel(exclusief taakstelling externe inhuur en verlichting voorBuitenlandse Zaken)– 5%– 10%– 15%– 20%– 22% Nadat dit percentage is toegepast op de grondslag van de verschillendebegrotingen, leidt dit tot de volgende verdeling van de taakstelling (inmiljoen euro):Tabel 47(Bedrag in € mln.)20252026202720282029Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid1– 223– 430– 635– 839– 929wv. Buitenlandse Zaken1– 27– 57– 85– 114– 125wv. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties– 29– 57– 83– 109– 121wv. Justitie en Veiligheid– 26– 50– 74– 99– 110wv. Sociale Zaken en Werkgelegenheid– 23– 45– 68– 90– 99wv. Economische Zaken en Klimaat– 23– 43– 65– 82– 91wv. Infrastructuur en Waterstaat– 23– 44– 62– 81– 90wv. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap– 20– 40– 58– 78– 86wv. Financiën– 19– 35– 53– 71– 80Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3855 (Bedrag in € mln.)20252026202720282029wv. Volksgezondheid, Welzijn en Sport– 18– 32– 47– 61– 68wv. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit– 11– 19– 28– 38– 41wv. Algemene Zaken– 3– 6– 8– 11– 12wv. Koninkrijksrelaties– 1– 2– 4– 5– 51 Als onderdeel van de augustusbesluitvorming is de taakstelling op het postennetwerk met 71 miljoen euro structureel verzacht. Deze tabel isinclusief verzachting van de taakstelling voor Buitenlandse Zaken. Vraag 138Hoe verklaart u de aanvullende onderuitputting van 2,3 mld. in 2026?Antwoord op vraag 138Het kabinet heeft gewogen of meer aanvullende onderuitputtingingeboekt moet worden om het totaalbeeld van de uitgaven, en daarmeehet EMU-saldo, meer realistisch te maken. Gezien de onderuitputting in dekomende jaren naar verwachting hoger blijft, is aanvullende onderuit-putting ingeboekt voor 2026 voor dezelfde omvang als reeds voor 2025 inde begroting is verwerkt.Vraag 139Wat zijn de mogelijke verklaringen voor het feit dat de ontvangsten uittabaksaccijnzen grofweg op het niveau liggen van vorig jaar, terwijl doorde tariefverhoging per 1 april 2024 juist een toename was verwacht(Bijlage 4 Miljoenennota p. 46)?Antwoord op vraag 139De raming van de opbrengst uit de tabaksaccijns in 2024 is in de Miljoe-nennota 2025 geactualiseerd op basis van inzicht in de kasontvangsten toten met juli 2024. Op basis van deze ontvangsten blijkt de eerder geraamdetoename van de ontvangsten door de tariefsverhoging per 1 april 2024zich niet of beperkt voor te doen. Op basis van enkel de kasontvangsten ishet te vroeg om conclusies te trekken over de precieze oorzaak. Deopbrengst van de tabaksaccijns fluctueert de afgelopen jaren namelijkrelatief veel jaar-op-jaar. Dit najaar zal opnieuw een onderzoek naar degedragseffecten van de tabaksaccijns worden uitgevoerd door de Douaneen het RIVM.Vraag 140Wat is het aantal kinderen in armoede in 2024, 2025, 2026, 2027 & 2028 (inabsolute getallen)?Antwoord op vraag 140Om de ontwikkeling van de armoede over tijd te bekijken wordtdoorgaans de ontwikkeling van de armoede uitgedrukt als een percentagevan de totale populatie. Het absolute aantal kinderen in armoede isnamelijk ook afhankelijk voor de bevolkingsgroei. Onderstaande tabelgeeft de raming van het aantal kinderen in armoede in absolute aantallen(afgerond op 10.000) en in procenten weer volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Deraming is op basis van de Macro Economische Verkenning van hetCentraal Planbureau. De (kinder-)armoedecijfers staan nog niet vast voor2024 en de jaren daarna. Wijzigingen in de economische ontwikkeling enbeleidsaanpassingen de komende jaren kunnen nog zorgen voorwijzigingen van de armoedecijfers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3856 Tabel 48 Verwachte aantal kinderen in armoede in absolute aantallen (afgerond) en inprocenten in 2024–2028 volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium.20242025202620272028Aantal kinderen in armoede(absoluut)150.000150.000150.000150.000150.000Aantal kinderen in armoede(percentage)4,7%4,7%4,7%4,6%4,7% Vraag 141Wat is het aantal mensen in armoede in 2024, 2025, 2026, 2027, 2028 (inabsolute getallen)?Antwoord op vraag 141Om de ontwikkeling van de armoede over tijd te bekijken wordtdoorgaans de ontwikkeling van de armoede uitgedrukt als een percentagevan de totale populatie. Het absolute aantal personen in armoede isnamelijk ook afhankelijk voor de bevolkingsgroei. Onderstaande tabelgeeft de raming van het aantal personen in armoede in absolute aantallen(afgerond op 10.000) en in procenten weer volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). Deraming is op basis van de Macro Economische Verkenning van hetCentraal Planbureau. De (kinder-)armoedecijfers staan nog niet vast voor2024 en de jaren daarna. Wijzigingen in de economische ontwikkeling enbeleidsaanpassingen de komende jaren kunnen nog zorgen voorwijzigingen van de armoedecijfers.Tabel 49 Verwachte aantal persronen in armoede in absolute aantallen (afgerond) enin procenten in 2024–2028 volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium.20242025202620272028Aantal personen in armoede(absoluut)780.000760.000750.000750.000770.000Aantal personen in armoede(percentage)4,5%4,4%4,3%4,3%4,4% Vraag 142Hoe ver ligt de groep in armoede gemiddeld onder de armoedegrens?Kunt u dit overzichtelijk weergeven voor de afgelopen 5 jaar?Antwoord op vraag 142Onderstaande tabel uit de CBS-publicatie Armoede en sociale uitsluiting2023 toont het aantal huishoudens met een inkomen onder de lageinkomensgrens van het CBS. In kabinetsbeleid wordt gekeken naar hetniet-veel-maar-toereikend criterium van het SCP, hiervoor zijn dezegegevens niet beschikbaar. SCP, Nibud en CBS komen dit jaar met eengezamenlijke armoededefinitie.Tabel 50 Aantal huishoudens met een inkomen onder de lage inkomensgrens van hetCBSJaarTot 5%onder grens5 tot 10%onder grens10 tot 15%onder grens15% of meeronder grens2017123.800193.00073.300191.0002018118.600192.40080.000189.7002019115.900200.10064.800175.300202094.600199.00052.700163.100202193.400193.70048.700142.6002022127.20045.20036.700126.000 Vraag 143Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3857 Hoe groot is de groep AOW’ers zonder aanvullend pensioen? En de groepmet een aanvullend pensioen van minder dan 500 euro per maand?Antwoord op vraag 143Het CBS laat in Materiële Welvaart in Nederland 2024 zien dat 92,7% vande mannen en 71% van de vrouwen boven de AOW-leeftijd eenaanvullend pensioen heeft in 2022. Onderstaande tabel toont eenuitsplitsing van het percentage AOW’ers met een aanvullend pensioenmet en zonder partner in 2022.Tabel 51TotaalZonder partnerMet partnerMan92,7%89,2%93,9%Vrouw71%85,9%58,5% Het CBS toont geen gegevens over de precieze verdeling van aanvullendepensioenen. Het mediane aanvullend pensioen bedraagt 14.700 euro voormannen en 6.400 euro voor vrouwen boven de AOW-leeftijd met eenaanvullend pensioen.Vraag 144Kunt u nader toelichten waar de maatregelen «koopkracht en lastenver-lichting voor werkende middeninkomens» (2 mld.) en «envelop gerichtelastenverlichting burgers» (2,5 mld.) uit de budgettaire bijlage van hetHoofdlijnenakkoord precies voor zijn ingezet in de periode 2025–2028(graag per jaar vermelden)? Worden ze volledig ingezet voor hetaanpassen van de tarieven inkomstenbelasting en introductie van eenextra schijf (4,45 mld. in 2025)? Zo nee, hoe verklaart u dan het bedrag van4,45 mld. voor o.a. het aanpassen van de inkomstenbelasting?Antwoord op vraag 144Onderstaande tabel geeft een weergave van de middelen die zijn ingezetvoor lastenverlichting en op welke manier deze in de inkomstenbelastingis ingezet. Voor het grootste gedeelte wordt de lastenverlichting gefinan-cierd uit de maatregelen in het Hoofdlijnenakkoord. In het Hoofdlijnenak-koord zijn verschillende reeksen opgenomen die kunnen worden ingezetvoor lastenverlichting. Hierbij is «maatregel 1» gefaseerd ingevoerd in dejaren 2025–2027 ten behoeve van de dekkingsopgave als gevolg van hetrechtsherstel voor box 3 en een evenwichtige verdeling van de positievekoopkrachtontwikkeling over de kabinetsperiode. Door de fasering van delastenverlichting worden minder middelen ingezet dan opgenomen in hetHoofdlijnenakkoord. Daarnaast wordt ook de algemene heffingskortingverlaagd en het afbouwpunt verplaatst.Tabel 52 Maatregelen en dekking koopkracht en lastenverlichting werkende middeninkomensMaatregel (+ is saldoverbeterend)2025202620272028Aanpassing tarieven inkomstenbelasingDe tarieven in de inkomstenbelasting worden aangepast. Een nieuwe tweede schijf wordtgeïntroduceerd. Het tarief eerste schijf wordt 35,36% in 2028, het tarief tweede schijf wordt37,44% in 2028 en het tarief derde schijf blijft 49,50%.– 4.450– 4.966– 5.437– 5.673DekkingAanpassing algemene heffingskorting (AHK)De AHK wordt verlaagd met € 335 in 2025 en het afbouwpunt van de AHK wordt gekoppeldaan de hoogte van het wettelijk minimumloon.1.0961.0991.041897Reservering maatregel 1 hoofdlijnenakkoord (ingefaseerd)Koopkracht en lastenverlichting voor werkende middeninkomens8751.2001.6502.000Reservering maatregel 6c1 hoofdlijnenakkoordEnvelop gerichte lastenverlichting burgers2.5002.50000Reservering maatregel 6c2 hoofdlijnenakkoordCompensatie burgers voor gevolgen verlagen eigen risico op premie, IAB en zorgtoeslag01712.9413.124Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3858 Maatregel (+ is saldoverbeterend)2025202620272028Resevering maatregel 47 hoofdlijnenakkoordCompenseren lastenverzwaring burgers a.g.v. dalen uitgaven zorg00– 165– 339 Vraag 145Kunt u toelichten waarom de koopkrachtenveloppen worden ingefaseerden wat dit betekent? Waar zouden deze bedragen anders aan wordenbesteed?Antwoord op vraag 145In het hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet een koopkrachtenvelop voorlastenverlichting van 2 miljard en 2,5 miljard euro opgenomen in 2025 en2026, en nog meer in latere jaren. Tijdens de augustusbesluitvorming iservoor gekozen deze enveloppen gefaseerd in te zetten. Dit zorgt er teneerste voor dat de koopkrachtimpuls beter wordt verspreid over de gehelekabinetsperiode. Daarnaast heeft de infasering voor budgettaire ruimtegezorgd, wat in de integrale besluitvorming hoofdzakelijk ingezet is tenbehoeve van de dekkingsopgave als gevolg van Hoge Raad-uitspraak overbox 3.Vraag 146Wat voor effect heeft het koppelen van de AHK aan de hoogte van hetwettelijk minimumloon?Antwoord op vraag 146In 2024 bouwt de algemene heffingskorting (AHK) af vanaf een inkomenvan 24.812 euro. Dit inkomen ligt lager dan het wettelijk minimumloon(WML), dat in 2024 27.235 euro bedraagt. Dit heeft als gevolg dat iemanddie minimumloon verdient in 2024 geen recht heeft op de maximale AHK,maar al in het afbouwpad van de AHK zit en dus een lager bedragontvangt. Met ingang van 2025 wordt het afbouwpunt van de AHKgekoppeld aan het wettelijk minimumloon (januaribedrag). Dit betekentdat iemand die WML verdient voortaan de maximale AHK ontvangt. Demaatregel leidt ook tot een hogere bijstand en AOW. Dat komt doordat denetto-nettokoppeling waarmee socialezekerheidsuitkeringen zoals debijstand en AOW worden berekend uitgaat van een referentiemini-mumloon en deze hierdoor stijgt.Het punt waarop de AHK volledig is afgebouwd, is gekoppeld aan hetaanvangspunt van het toptarief. Belastingplichtigen met een inkomenvanaf het oude afbouwpunt van de AHK (25.110 euro in 2025) tot aan hetaanvangspunt van het toptarief (76.817 euro) ontvangen door de wijziging(iets) meer AHK dan ze zonder het koppelen van het afbouwpunt van deAHK aan het WML hadden ontvangen. Doordat het afbouwtraject van deAHK korter is, wordt de afbouw van de AHK wel iets steiler, wat zorgt vooreen beperkt hogere marginale druk bij het afbouwtraject (0,404%-punt in2025).Vraag 147Is bij het vaststellen van het inkomstenkader rekening gehouden met heteffect van grondslagerosie in het basispad en als gevolg van beleidsinten-siveringen? Zo ja, vanaf wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet(Miljoenennota, p. 48)? Kunt u voor heffingen die het meest gevoelig zijnvoor grondslagerosie aangeven wat de budgettaire effecten van grond-slagerosie zijn (Miljoenennota, p. 48)?Antwoord op vraag 147De ramingen van de budgettaire effecten van de maatregelen diegezamenlijk het inkomstenkader vaststellen houden daar waar vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3859 toepassing rekening met de effecten van grondslagerosie. Als eenmaatregel een gedragseffect teweeg brengt waardoor de onderliggendegrondslag erodeert, vormt dit effect onderdeel van de kosten van demaatregel. Wanneer van toepassing, worden ook directe «kruiselastici-teiten» meegerekend: zo zorgt een mrb-korting ook voor een derving ino.a. de bpm en brandstofaccijns.Grondslagerosie speelt in de praktijk met name een rol in het klimaat-domein. Maatregelen in het inkomstenkader die hierdoor beïnvloedworden zijn de tariefkorting in de mrb (nummer 15), de CO2-heffingglastuinbouw (16), de ETS2-opt in (31), en een aantal herijkingen. Eensplitsing van het budgettaire effect in een «regulier» deel en een deelgrondslagerosie is niet beschikbaar. De ramingstoelichtingen bij hetpakket Belastingplan 2025 bevatten een nadere duiding.Grondslagerosie die al tot stand komt op basis van staand beleid, looptmee in de raming van het basispad en dus in de raming van deoverheidsfinanciën.Vraag 148Kunt u in een tabel op toegankelijke wijze aangeven welke maatregelenhet kabinet neemt op het gebied van koopkracht en lastenverlichting, endaarbij de voorgenomen maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord en dewijzigingen daarop op basis van de augustusbesluitvorming, incl. hetinfaseren van koopkrachtenveloppen, separaat zichtbaar opnemen entoelichten (Miljoenennota, p. 48)? Kunt u nader toelichten hoe de post 4«Dekking uit maatregelen 1, 6c1, 6c2, 47 uit het HLA» precies isopgebouwd, en aangeven naar welke voorgenomen maatregelen uit hethoofdlijnenakkoord deze maatregelen verwijzen (Miljoenennota, p. 48)?Antwoord op vraag 148Het antwoord op vraag 1 geeft een overzicht van de maatregelen op hetgebied van koopkracht en lastenverlichting met de technische invullingvan het Hoofdlijnenakkoord van het CPB en de wijzigingen daarop opbasis van de augustusbesluitvorming (Miljoenennota 2025).Post 4 «dekking uit maatregelen 1, 6c1, 6c2, 47 uit het HLA» van pagina 48van de Miljoenennota 2025 is opgebouwd uit:−Maatregel 1 Hoofdlijnenakkoord. In het Hoofdlijnenakkoord werdstructureel geld (2 miljard euro) uitgetrokken voor «Koopkracht enlastenverlichting voor werkende middeninkomens». Vanwege dedekkingsopgave en een evenwichtige verdeling van de koopkrachtont-wikkeling over de kabinetsperiode worden deze middelen ingefaseerd.−Maatregel 6c1 Hoofdlijnenakkoord. In het Hoofdlijnenakkoord is een«envelop gerichte lastenverlichting burgers» voor 2,5 miljard euro in2025 en 2026 gereserveerd.−Maatregel 6c2 Hoofdlijnenakkoord. In het Hoofdlijnenakkoord is een«compensatie voor burgers (inkomstenbelasting)» voorzien vanwegede verlaging van het eigen risico.−Maatregel 47 Hoofdlijnenakkoord. In het Hoofdlijnenakkoord hangtdeze maatregel in de wijkverpleging samen met een verandering in deinkomstenbelasting (tarief eerste schijf).Samen met de aanpassing van de algemene heffingskorting (bedrag enafbouwpunt) worden al deze middelen samengenomen om de tarieven inde inkomstenbelasting aan te passen.Vraag 149Kunt u per jaar aangeven hoe de tarieven inkomstenbelasting zullenworden aangepast inclusief het bijbehorend belastbaar inkomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3860 Antwoord op vraag 149Onderstaande Tabel geeft een overzicht van de verwachte schijven entarieven in de inkomstenbelasting voor de jaren 2025 t/m 2028.Tabel 53 Schijven en tarieven in de inkomstenbelasting over de periode 2025 t/m20282025Voor personen jonger dan de AOW-leeftijdInkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro38.441 euro35,82%38.441 euro76.817 euro37,48%76.817 euro–49,50%Voor personen ouder dan de AOW-leeftijd maar geboren op of na 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro38.441 euro17,92%38.441 euro76.817 euro37,48%76.817 euro–49,50%Voor personen geboren voor 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro40.502 euro17,92%40.502 euro76.817 euro37,48%76.817 euro–49,50%2026Voor personen jonger dan de AOW-leeftijdInkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro39.504 euro35,60%39.504 euro80.801 euro37,51%80.801 euro–49,50%Voor personen ouder dan de AOW-leeftijd maar geboren op of na 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro39.504 euro17,70%39.504 euro80.801 euro37,51%80.801 euro–49,50%Voor personen geboren voor 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro41.995 euro17,70%41.995 euro80.801 euro37,51%80.801 euro–49,50%2027Voor personen jonger dan de AOW-leeftijdInkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro40.364 euro35,51%40.364 euro84.333 euro37,54%84.333 euro–49,50%Voor personen ouder dan de AOW-leeftijd maar geboren op of na 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro40.364 euro17,61%40.364 euro84.333 euro37,54%84.333 euro–49,50%Voor personen geboren voor 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro43.213 euro17,61%43.213 euro84.333 euro37,54%84.333 euro–49,50%2028Voor personen jonger dan de AOW-leeftijdInkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro41.061 euro35,36%41.061 euro87.481 euro37,44%87.481 euro–49,50%Voor personen ouder dan de AOW-leeftijd maar geboren op of na 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro41.061 euro17,46%41.061 euro87.481 euro37,44%87.481 euro–49,50%Voor personen geboren voor 1-1-1946Inkomen vanTotBelasting- en premietarief0 euro44.207 euro17,46%44.207 euro87.481 euro37,44%87.481 euro–49,50% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3861 De schijfgrenzen worden jaarlijks geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor.De tabelcorrectiefactor bedraagt 1,012 voor 2025. Voor latere jaren is detabelcorrectiefactor nog niet bekend. Voor de parameters in de tabel isdaarom gebruikgemaakt van de verwachte tabelcorrectiefactor voor dejaren 2026 t/m 2028 volgens de recente Macro Economische Verkenning(MEV) van het CPB. Voor 2026 is daarnaast rekening gehouden met hetslechts voor 94,48% toepassen van de tabelcorrectiefactor in de inkom-stenbelasting omdat de stelpost fiscale regelingen en constructies uit hetHoofdlijnenakkoord nog niet is ingevuld. In het Hoofdlijnenakkoord is eennoodremafspraak opgenomen waarbij voor het deel van de stelpost datniet wordt gevuld de tabelcorrectiefactor wordt beperkt om de derving opte vangen.De belastingtarieven in de inkomstenbelasting wijzigen jaarlijks als gevolgvan de koopkrachtbesluitvorming en de compensatie zorgpremies enhuurtoeslag zoals volgt uit het Belastingplan 2025 en eerdere Belasting-plannen. Het aanvangspunt van het toptarief wordt naast de reguliereindexatie in de periode 2025 t/m 2031 jaarlijks beleidsmatig verhoogd. In2025 is daarnaast ook sprake van een beleidsmatige verlaging van hetaanvangspunt toptarief, maar per saldo resteert een beleidsmatigeverhoging in 2025.Vraag 150Op p. 52 van de Miljoenennota staat een tabel waarin zichtbaar is dat er75 miljoen structureel beschikbaar komt voor een integraal pakketproblematische schulden, startend met 24 miljoen. Waarom bouwt ditbedrag op naar 100 miljoen vanaf 2028?Antwoord op vraag 150Dit bedrag bouwt op naar 100 miljoen euro in 2028 omdat niet allemaatregelen in 2025 kunnen worden doorgevoerd in verband met eenimplementatietermijn en aanpassing van wet- en regelgeving. Daarnaastzijn er hogere incidentele kosten in de periode 2028 t/m 2030 voor hetopzetten van een integraal schuldenoverzicht voor huishoudens. Zodra ditoverzicht is opgezet is de verwachting dat er enkel onderhoudskostennodig zijn om het in stand te houden.Vraag 151Kunt u de kindbedragen wat betreft het kindgebonden budget tevensvermelden voor de jaren 2026 en 2027?Antwoord op vraag 151De exacte parameters voor het kindgebonden budget in de jaren 2025 toten met 2028 zijn nog niet beschikbaar. Dat komt doordat de parametersjaarlijks worden geïndexeerd en waarden van toekomstige jaren nog nietdefinitief zijn vastgesteld. Voor de beantwoording van deze vraag is voorde verwachte indexatie van de WKB-tarieven gebruik gemaakt van deprognoses uit de Macro Economische Verkenning (MEV) 2025 van hetCPB.Zie in onderstaande tabel een (voorlopig) overzicht van hoe deparameters in het kindgebonden budget zich daarbij naar verwachtingontwikkelen in de komende jaren.Tabel 54 Overzicht (voorlopige) WKB-tarieven in de periode 2024 t/m 2028 (in lopende prijzen, bedragen in euro)Tarieven WKB202420252026202720281e kindbedrag2.4362.5112.6052.7502.8642e kindbedrag e.v.2.4362.5112.6052.7502.864Verhoging 12–15 jarigen694703731753771Verhoging 16–17 jarigen9249369731.0021.026Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3862 Tarieven WKB20242025202620272028Alleenstaande ouderkop3.4803.3893.4493.5503.610Inkomen afbouwgrens alleenstaande26.81928.40629.54230.61531.727Inkomen afbouwgrens paren35.84937.54539.03840.38741.724Inkomen afbouwpercentage6,75%7,10%7,60%8,05%8,50%Vermogen afbouwgrens alleenstaande140.213141.896147.430151.706155.196Vermogen afbouwgrens paren177.301179.429186.427191.834196.247 Vraag 152Welk (financieel) effect heeft het sneller afbouwen van het kindgebondenbudget? M.a.w. wat levert het op?Antwoord op vraag 152Het kabinet heeft besloten om de financiële positie van gezinnen teverbeteren door met ingang van 1 januari 2025 de kindbedragen in hetkindgebonden budget (WKB) stapsgewijs te verhogen. Daarnaast wordtgelijktijdig het afbouwpercentage in de WKB stapsgewijs verhoogd omhet kindgebonden budget gerichter te maken. Met de middelen diehierdoor beschikbaar komen, wordt het kindbedrag verder verhoogd enwordt daarmee gerichter ingezet op het verlagen van de (kinder-)armoede.Een steiler inkomensafbouwpad zorgt er voor dat minder gezinnen methogere inkomens in aanmerking komen voor kindgebonden budget. Debudgettaire opbrengst van deze maatregel wordt gebruikt om dekindbedragen verder te verhogen.Voor de beantwoording van deze vraag is een nadere uitsplitsing gemaaktvan de budgettaire tabel in de financiële paragraaf van het wetsvoorstel«Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget tot intensivering vanhet kindgebonden budget in verband met koopkrachtondersteuning in2025». Zie in onderstaande tabel. Hieruit blijkt de financiële opbrengst isvan het sneller afbouwen van het kindgebonden budget.Tabel 55 Budgettaire effecten WKB wetsvoorstel (bedragen in constante prijzen 2024)in miljoenen euro (prijspeil 2024)202412025202620272028Struc.Verhoging kindbedragen (A)32397532662778767Steiler maken afbouwpad (B)– 9– 115– 251– 374– 481– 481Saldo meeruitgaven WKB (A + B)242822812882982861 In verband met de voorschotsystematiek van de toeslagen doen er zich op kasbasis reeds in 2024 budgettaire effecten voor. Het betreft hier devoorschotbetaling voor januari 2025 die reeds in december 2024 wordt uitgekeerd. Vraag 153Kunt u toelichten welk effect het harmoniseren van de afbouwpaden voorAOW’ers en niet-AOW’ers heeft? Welke groep profiteert hiervan? Waaromis er niet voor gekozen om dit bedrag in te zetten voor verhoging van dehuurtoeslag?Antwoord op vraag 153Het harmoniseren van de huishoudtypen is een vereenvoudiging van dehuurtoeslag systematiek – zoals ook voorgesteld in rapport ToekomstToeslagen – en tegelijkertijd wordt met deze maatregel ook het huurtoe-slagbedrag van niet-AOW’ers verhoogd. Op dit moment begint deinkomensafhankelijk afbouw van de huurtoeslag voor niet-AOW’ers bijeen lager inkomen dan voor AOW’ers. Met het harmoniseren van deafbouwpaden beginnen niet-AOW’ers op het zelfde punt met afbouwenals AOW’ers en dit leidt tot een positief inkomenseffect voorniet-AOW’ers. Door deze harmonisatie wordt het aantal huishoudcatego-rieën teruggebracht van 4 naar 2. Naast deze vereenvoudiging wordt erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3863 ook ingezet op het verbeteren van de koopkracht voor alle huurtoeslag-ontvangers, dit gebeurt via een verlaging van de eigenbijdrage van11,58 euro. Deze huurtoeslagmaatregelen, bezien in samenhang metandere koopkrachtmaatregelen, leiden tot een evenwichtig koopkracht-beeld voor de verschillende huishoudens.Vraag 154Waarom is ervoor gekozen om de huurtoeslag niet in 2025 al te verhogen?Antwoord op vraag 154In het hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet een koopkrachtenvelop voorlastenverlichting van 2 miljard en 2,5 miljard euro opgenomen in 2025 en2026, en nog meer in latere jaren. Tijdens de augustusbesluitvorming iservoor gekozen deze enveloppen gefaseerd in te zetten, waaronder dehuurtoeslag. Dit zorgt er ten eerste voor dat de koopkrachtontwikkelingbeter wordt verspreid over de gehele kabinetsperiode. Daarnaast heeft deinfasering voor budgettaire ruimte gezorgd, wat in de integrale besluit-vorming hoofdzakelijk ingezet is ten behoeve van de dekkingsopgave alsgevolg van Hoge Raad-uitspraak over box 3.Vraag 155Welk effect heeft het bevriezen van de dubbele algemene heffingskorting(AHK) bijstand?Antwoord op vraag 155Vanaf 2025 tot en met 2027 wordt de afbouw van de dubbele algemeneheffingskorting (AHK) in de berekening van het netto-referentie-minimumloon van de bijstand en gerelateerde uitkeringen bevroren. Ditzorgt ervoor dat de uitkeringsbedragen van verschillende regelingen (o.a.de bijstand, aanvullende inkomensvoorziening ouderen en Algemenenabestaandenwet) tot en met 2038 op een hoger niveau komen te liggen.Vanaf 1 januari 2028 zal het afbouwpad van 2,5%-punt per halfjaar weerworden vervolgd totdat de dubbele AHK volledig is afgebouwd naareenmaal de AHK in 2039. Er is dus geen structureel effect op de uitke-ringsbedragen. Het bevriezen van de dubbele AHK in de bijstand verlengtdaarnaast de duur van de alleenverdienersproblematiek met drie jaar, toten met 2038, waardoor de beoogde oplossing via de fiscaliteit drie jaarlanger van toepassing zal moeten blijven. Ook het aantal betrokkenhuishoudens per jaar neemt in beperkte mate toe.Vraag 156Wordt de maatregel «verlagen energiebelasting 1e en 2e schijf EB aardgasmet 2,82 cent per m3» uit het hoofdlijnenakkoord uitgevoerd? Zo nee,waarom niet? Zo ja, waarom staat dit niet vermeld in de Miljoenennota?Wat zijn de bijbehorende bedragen in de periode 2025–2028? Kunt uhetzelfde beantwoorden als het gaat om de maatregel «accijnsverlagingbrandstoffen verlengen»?Antwoord op vraag 156In het wetsvoorstel Belastingplan 2025 is een verlaging opgenomen vande energiebelasting in de eerste en tweede schijf aardgas. Het betreft eenverlaging ten opzichte van het tarief zoals dat in 2025 zou gelden volgenseerder aangenomen wetgeving. In tabel 24 en 25 van de artikelsgewijzetoelichting op het wetsvoorstel Belastingplan is aangegeven hoe dezemaatregel is verwerkt. Op basis van reeds opgenomen mutaties volgenduit de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord en het Belastingplan 2023zou het tarief in 2025 verhoogd worden met 1,654 cent. In hetwetsvoorstel Belastingplan 2025 is geregeld dat deze verhoging wordtgeschrapt en dat het tarief met 1,171 cent wordt verlaagd. De totaleverlaging is hiermee 2,8 cent in 2025. Ook voor latere jaren waren reedsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3864 mutaties opgenomen, volgend uit de Wet fiscale maatregelen Klimaatak-koord en het Belastingplan 2023. Ook deze mutaties worden in hetwetsvoorstel Belastingplan 2025 geschrapt waardoor het tarief ook in2026 2,8 cent onder het tarief komt te liggen zoals dat zou volgen uit reedsaangenomen wetgeving in vast prijspeil. In de latere jaren blijft het tarief,in tegenstelling tot het basispad, constant en loopt het verschil tussen deverlaging en het basispad verder op. Huidige reeksen zijn in prijspeil 2024.In werkelijkheid zullen de energiebelastingtarieven nog wordengeïndexeerd waardoor de uiteindelijke tarieven en verschillen groter zijn.In de onderstaande tabel staan de energiebelastingtarieven voor de eersteen tweede schijf voor aardgas voor de jaren 2025 tot en met 2030 voor énna de maatregel.Tabel 56 Energiebelastingtarieven voor de eerste en tweede schijf voor aardgas202520262027202820292030Tarief basispad in vast prijspeil 2024 in euro per m30,599550,604540,607080,610590,622270,62498Tarief na aanpassing in vast prijspeil 2024 in euro per m30,571300,576800,576800,576800,576800,57680Verschil in euro per m3– 0,0283– 0,0277– 0,0303– 0,0338– 0,0455– 0,0482 De maatregel is te vinden in bijlage 4. Inkomstenkader van de Miljoe-nennota 2025 op pagina 39: maatregel 40 en in tabel 4.2 op pagina 43daarnaast is de maatregel meegenomen bij de raming van de inkomstenuit de energiebelasting die terugkomt in bijlage 5 van de Miljoenennota.De totale budgettaire effecten staan beschreven in de onderstaande tabel.Tabel 57 Budgettaire effecten. Verlagen tarieven 1e en 2e schijf aardgasBudgettair effect in miljoenen euro, prijspeil 2024,– =saldoverslechtend/lastenverlichtend202520262027202820292030strucVerlagen tarieven 1e en 2e schijf aardgas– 271– 260– 275– 296– 381– 392– 385 Accijnsverlaging brandstoffen verlengenDe maatregel «accijnsverlaging brandstoffen verlengen» is opgenomen inhet wetsvoorstel Belastingplan 2025. In het Belastingplan 2025 is geraamddat het verlengen van de accijnskorting leidt tot een incidentele daling vanbelastinginkomsten van 1.474 miljoen euro in 2025.De maatregel is ook te vinden in bijlage 4. Inkomstenkader van deMiljoenennota 2025 op pagina 39: maatregel 40 en in tabel 4.2 oppagina 43 daarnaast is de maatregel meegenomen bij de raming van debrandstofaccijnsinkomsten die terugkomt in bijlage 5 van de Miljoe-nennota.Vraag 157Kunt u de precieze wijzigingen doorgeven van de budgettaire bijlage uithet Hoofdlijnenakkoord en de Startnota? Hoe zijn deze verschillen teverklaren?Antwoord op vraag 157Met het hoofdlijnenakkoord (HLA) zijn afspraken gemaakt over definanciën van de Rijksbegroting. Deze afspraken zijn opgenomen in debudgettaire bijlage van het HLA. De Miljoenennota 2025 verwerkt het HLAen de begroting en vormt daarmee de Startnota van het kabinet. Alsonderdeel van het reguliere begrotingsproces zijn bij de augustusbesluit-vorming nieuwe aanpassingen aan de begroting doorgevoerd. Dit betreftonder andere het verwerken van de nieuwe uitvoeringsinformatie van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn bij de augustusbesluit-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3865 vorming kasschuiven doorgevoerd om de begrotingen in een realistischerritme te plaatsen. Ook heeft in augustus besluitvorming plaatsgevondenover de lasten en de koopkracht, waaronder de tegenvaller in box 3.Onderdeel hiervan was de uitwerking van diverse maatregelen uit hetHLA.Bovenstaande gebruikelijke bijstelling van de rijksbegroting heeft geleidtot een substantieel aantal (technische) mutaties ten opzichte van debudgettaire bijlage van het HLA. De wijzigingen van de departementalebegrotingen worden toegelicht in de Verticale Toelichting bij de Miljoe-nennota en de toelichtingen op de begrotingstukken behorend bij dedepartementale begrotingen. De maatregelen in het inkomstenkaderworden integraal toegelicht in paragraaf 2.3 van de Miljoenennota enbijlage 4.Vraag 158Hoe veel geld is er gereserveerd voor wijzigingen in de WIA en naaraanleiding van OCTAS?Antwoord op vraag 158Het rapport van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsonge-schiktheidsstelsel (OCTAS) wordt momenteel uitgewerkt in beleidsopties.Op dit moment is nog niet duidelijk welke maatregelen genomen gaanworden en welk financieel beslag die hebben. In het eindverslag van deformateur is aangegeven dat voorstellen met financiële consequenties inreactie op het advies van OCTAS welwillend zullen worden bezien doorhet kabinet. In de enveloppe groepen in de knel is een reserveringgetroffen voor een aantal beleidsonderwerpen, waaronder OCTAS. Hetbedrag van deze reservering varieert in de komende jaren tussen de 100en 200 miljoen euro en bedraagt vanaf 2039 structureel 412 miljoen euro.Eventuele wensen voor extra uitgaven dienen conform begrotingsregelsvan dekking te worden voorzien.Vraag 159Hoe veel van de middelen groepen in de knel is juridisch verplicht?Antwoord op vraag 159Deze uitgaven zijn op dit moment nog niet juridisch verplicht.Vraag 160Kunt u de rentelasten uitdrukken in euro’s en in percentage van het BBP?Welk deel valt binnen en welk deel buiten het kader?Antwoord op vraag 160De rentelasten staatsschuld en schatkistbankieren bedragen 8,7 miljardeuro en 0,7% bbp. Conform de begrotingsregels van dit kabinet vallen derentelasten op de staatsschuld niet onder het uitgavenkader.Vraag 161Kan een cijfermatig overzicht geven op welke manier de post «realistischramen» specifiek neerslaat per begrotingsartikelen en/of bestedings-doelen?Antwoord op vraag 161In deze Miljoenennota heeft het kabinet opnieuw stappen gezet naar eenmeer realistische begroting door middel van kasschuiven. De uitkomstenzijn weergegeven in de departementale begrotingen.In tabel 9 (Verticale toelichting EMU-saldo) is een reeks opgenomen voorrealistisch ramen. Deze reeks is een optelling van de kasschuiven,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3866 bijstelling van het Hoofdlijnenakkoord en de aanvullende onderuitputtingdie is ingeboekt voor 2026.Vraag 162Klopt het dat de post «overige mutaties inkomsten» de doorwerking vande MEV-raming betreft of zijn er nog andere zaken die hierin zijn meege-nomen? En zo ja, kunnen deze uitgesplitst worden?Antwoord op vraag 162Het klopt dat de post «overige mutaties inkomsten» de doorwerking vande MEV-raming betreft. Er zijn twee hoofdoorzaken voor de opwaartsebijstelling van deze post. Ten eerste betreft dat de doorwerking vannieuwe ramingen van het CPB: voornamelijk de gestegen inflatie encontractloonstijging leiden tot hogere nominale belastingontvangsten.Ten tweede kennen de premie-ontvangsten sinds de revisie van denationale rekeningen een nieuwe definitie. De wettelijke sociale premiesdie socialezekerheidsfondsen betalen op de uitkeringen werden voorheengesaldeerd met de uitkeringen. Vanaf de NR-revisie worden de uitkeringenen de bijbehorende wettelijk sociale premies bruto geregistreerd:bijvoorbeeld de Zvw-premie die afgedragen wordt bij een arbeids-ongeschiktheidsuitkering. Dit leidt tot zowel hogere uitgaven als hogerepremie-inkomsten die per saldo tegen elkaar wegstrepen (zie de post «wv.correctie aansluiting premie-ontvangsten en -uitgaven» in tabel 9 van deMiljoenennota 2025 voor de spiegelbeeldige reeks aan de uitgavenkant).Vraag 163Waarop is gebaseerd dat de lastenverlichtingen uit het Hoofdlijnenak-koord samengenomen met de macro-economische doorwerking van deMEV-raming van het CPB op inkomsten leidt tot hogere belasting- enpremieontvangsten vanaf 2026, terwijl ook in 2024 en 2025 de som vanbeide effecten per saldo toch positief is?Antwoord op vraag 163Het klopt dat de inkomstenraming in 2024 en 2025 per saldo hoger ligtdan in de Voorjaarsnota 2024. Dit beeld is echter vertekend door hogerepremie-ontvangsten als gevolg van een nieuwe definitie, waar spiegel-beeldig ook hogere uitgaven tegenover staan (zie ook het antwoord opvraag 162). Geschoond voor deze technische correctie, leiden demacro-economische doorwerking van het Hoofdlijnenakkoord en deMEV-raming vanaf 2026 tot hogere belasting- en premieontvangsten.Vraag 164Kan er een totaaloverzicht gegeven worden van alle afzonderlijke manierwaarop de MEV-raming doorwerking heeft gehad op het EMU-saldo?Antwoord op vraag 164Het CPB maakt onafhankelijk van het kabinet inschattingen voor demacro-economische ontwikkeling zoals ook gepubliceerd in de MacroEconomische Verkenning 2025 (MEV). Deze onafhankelijke cijfers wordenals input gebruikt om de uitgaven- en lastenontwikkeling voor dekomende jaren te ramen. In de tabel 9 Verticale toelichting EMU-saldo vande Miljoenennota 2025 (pagina 57) is te zien dat de macro-economischedoorwerking van de MEV-raming van het CPB op de inkomsten eensaldoverbeterend effect heeft (circa 0,9 procent bbp in 2025). Dit komtonder andere door de gestegen inflatie en contractloonstijging. Aan deuitgavenkant is een tegengesteld effect te zien. De gestegen loon- enprijsontwikkeling in de MEV-raming van het CPB, leidt tot meerjarighogere uitgaven (circa 0,3 procent bbp in 2025). Ook leidt de hogeregeraamde rente tot een tegenvaller aan de uitgavenkant (circa 0,1 procentbbp in 2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3867 Vraag 165Wat was het EMU-saldo in de komende jaren geweest zonder de effectenvanuit de doorwerking van de MEV-raming op het EMU-saldo?Antwoord op vraag 165Zie het antwoord op vraag 164.Vraag 166Hoeveel extra budget is er in het Gemeentefonds nodig om ervoor tezorgen dat gemeenten in 2026 een deel van hun voorzieningen niethoeven af te schalen of te sluiten?Antwoord op vraag 166De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Het is aan degemeenten hoe ze deze middelen aanwenden. Het gaat om de balanstussen ambitie, taken, middelen, en uitvoeringskracht. Dat is geen exactewetenschap, waarbij het geld op basis van een simpele rekensom wordttoegekend. In onderstaande tabel is het verloop van het fondsweergegeven.Tabel 58 Stand Miljoenennota 2025Stand Miljoenennota 2025 (in mln. euro’s)202420252026202720282029Gemeentefonds43.33942.90439.88639.71739.51539.434Accres1––1.7433.4765.1276.824Totaal43.33942.90441.62943.19344.64246.2581 De voorlopige accrestranche 2025 is bij de Miljoenennota 2025 overgeboekt naar het fonds De ontwikkeling van het gemeentefonds volgde tot en met 2023 deomvang van de Rijksuitgaven. Oftewel als het Rijk meer te besteden had,hadden gemeenten meer te besteden. Maar ook omgekeerd als het rijkmoest bezuinigen, moesten ook gemeenten bezuinigen. Vanaf 2024 volgthet gemeentefonds de ontwikkeling van het bruto binnenlands product.Het kabinet is van mening dat de bbp-systematiek gemeenten enprovincies een stabiele inkomstenbron biedt, inclusief benodigdeduidelijkheid over hoe het Gemeente- en Provinciefonds zich over de tijdontwikkelt. De oploop van de opschalingskorting is in combinatie met hetvervroegd invoeren van de bbp-systematiek structureel geschrapt. Tevensis in het voorjaar 2024 door het vorige kabinet besloten om extramiddelen voor de Wmo ter beschikking te stellen (75 miljoen euro in 2026oplopend naar structureel 300 miljoen euro in 2029). Deze middelen zijnbij de Miljoenennota 2025 overgeheveld naar het accres.Vraag 167Hoeveel budget is er volgens de gemeenten extra in het Gemeentefondsnodig om ervoor te zorgen dat gemeenten in 2026 een deel van hunvoorzieningen niet hoeven af te schalen of te sluiten?Antwoord op vraag 167Zie antwoord op vraag 166.Vraag 168Kunt u Tabel 13 van de Miljoenennota aanvullen voor het jaar 2024 ennader uitsplitsen zodat de tabel ook inzicht geeft in de beleidsmatigelastenontwikkeling 2024–2028 voor gezinnen, bedrijven en buitenland(Miljoenennota, p. 64)?Antwoord op vraag 168In onderstaande tabel wordt de beleidsmatige lastenontwikkeling getoondvoor burgers, bedrijven en buitenland, waarbij onderscheid wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3868 gemaakt tussen het basispad (beleid van voorgaande kabinetten) en hetbeleid van dit kabinet. De tabel is opgemaakt in standen, dus toont voorelk jaar de cumulatieve ontwikkeling sinds referentiejaar 2023.Tabel 59 Beleidsmatige lastenontwikkeling 2024–2028 (in standen)In standen, in miljoenen euro’s20242025202620272028BurgersBasispad2.0986.6167.1688.6179.402Effect kabinetsbeleid– 681– 5.147– 2.1082.2371.744Totaal1.4171.4695.06010.85411.146BedrijvenBasispad1.3683.4103.7293.2373.171Effect kabinetsbeleid– 15– 1.2714541.4272.087Totaal1.3532.1394.1834.6645.258BuitenlandBasispad31436437437437Effect kabinetsbeleid0– 36622120120Totaal3170459557557 Vraag 169Kunt u Tabel 13 van de Miljoenennota aanvullen voor het jaar 2024 en ooknader uitsplitsen voor de lasten die drukken op inkomen en arbeid,vermogen en winst, klimaat en milieu, overig (Miljoenennota, p. 64)?Waarom verschillen de cijfers van de totale beleidsmatige lastenontwik-keling tussen de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning(Verantwoordingsdocument) over 2025–2028 (Miljoenennota, p. 64)?Antwoord op vraagHet kabinet heeft geen cijfers over de uitsplitsing van de beleidsmatigelastenontwikkeling naar deze specifieke subcategorieën. De analyse diehet CPB hiervoor heeft gemaakt in het kader van Keuzes in Kaart is niet opbasis van actueel beleid beschikbaar.Voor de totale beleidsmatige lastenontwikkeling geldt dat het CPB dezepubliceert als jaar-op-jaar mutaties, terwijl het kabinet de BLO presenteertin standen. Hierdoor verschilt de presentatie, maar inhoudelijk zijn deonderliggende ontwikkelingen goed vergelijkbaar.Vraag 170Worden alle specifieke uitkeringen overgeheveld naar het Gemeente- enProvinciefonds? Zo nee, welke niet?Antwoord op vraag 170Na het verschijnen van het Hoofdlijnenakkoord zijn nog enkele specifiekeuitkeringen uitgezonderd van de grondslag en de verplichting totomzetting. Het betreft hier specifieke uitkeringen op het terrein van deafhandeling van de aardbevingsschade in Groningen, de toeslagenaffaire,Corona en Oekraïne. Op deze terreinen werd een continuering van debestaande praktijk wenselijk geacht.Momenteel wordt gewerkt aan een afwegingskader dat moet helpen bijhet verdere proces van de overheveling. Omzetting van SpecifiekeUitkeringen in fondsuitkeringen is de hoofdregel. Verdere uitzonderingenzijn mogelijk als overheveling zal leiden tot een voorzienbare onrechtma-tigheid. De eerdere bevindingen van de Algemene Rekenkamer zijn hierbijleidend.Vraag 171Betekent het introduceren van een Bijzondere Fondsuitkering (BFU) alsvolwaardig alternatief voor de specifieke uitkering dat niet over allespecifieke uitkeringen een budgetkorting van 10% gaat plaatsvinden? Zoja, over welk deel van de specifieke uitkering wordt die korting niettoegepast? Zo nee, betekent dat een Bijzondere Fondsuitkering (BFU) alsalternatief ook met 10% gekort wordt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3869 Antwoord op vraag 171De introductie van de bijzondere fondsuitkering (BFU) staat los van debudgetkorting van 10%. De introductie van de BFU is onderdeel van eentraject voor de herziening van de Financiële Verhoudingswet.Vraag 172Wat is het verschil tussen een specifieke uitkering via het Gemeentefondsen een Bijzondere Fondsuitkering (BFU)?Antwoord op vraag 172Bij een specifieke uitkering worden de daarmee verband houdende lastenverantwoord in de jaarrekening van een gemeente of provincie. De lastenworden door de controlerend accountant ook beoordeeld op rechtma-tigheid. Bij een onrechtmatigheid of een onderbesteding, kunnen demiddelen tevens teruggevorderd worden door het Rijk. Ten slotte wordtde specifieke uitkering vanaf de departementale begroting verstrekt.Een bijzondere fondsuitkering (BFU) wordt daarentegen niet verstrektvanaf de departementale begroting, maar vanuit het gemeente- ofprovinciefonds. Er gelden geen verantwoordingseisen en de accountantvoert geen specifieke controlewerkzaamheden uit. Bij de bijzonderefondsuitkering kan wel (beleids-)informatie opgevraagd worden, overprestaties of effecten. De middelen vanuit de BFU zijn beleids- enbestedingsvrij.Vraag 173Hoe kan met de bbp-systematiek worden voorkomen dat gemeenten enprovincies in 2026 zodanige tekorten krijgen waardoor zij in hun voorzie-ningen moeten snijden (het «ravijnjaar»)?Antwoord op vraag 173Zie antwoord op vraag 166.Vraag 174Wat moet er gebeuren om te voorkomen dat in het jaar 2026 vanwegefinanciële tekorten in hun voorzieningen moeten snijden?Antwoord op vraag 174Zie antwoord op vraag 166.Vraag 175Hoe verhoudt het schrappen van de opschalingskorting die vanaf 2026 inde boeken stond zich tot de door de gemeenten genoemde tekorten in datjaar?Antwoord op vraag 175Het schrappen van de oploop van de opschalingskorting leidt vanaf 2026tot een stijging van het gemeentefonds met 675 miljoen euro. Demiddelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Het is aan degemeenten hoe ze deze middelen aanwenden. Ze leggen over debesteding van de middelen verantwoording af aan de gemeenteraad.Vraag 176Is schrappen van de opschalingskorting en de koppeling aan het bbp voorgemeenten in 2026 genoeg om financiële tekorten en het snijden invoorzieningen te voorkomen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waaromniet?Antwoord op vraag 176Zie antwoord op vraag 175.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3870 Vraag 177Kan een overzicht gegeven worden van alle specifieke uitkeringen dievallen onder de maatregel om aan het gemeentefonds overgeheveld teworden?Antwoord op vraag 177Jaarlijks wordt door BZK een totaaloverzicht van alle specifieke uitke-ringen gegeven in het Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen (OSU).Bij de maatregel zijn de specifieke uitkeringen uitgezonderd die verstrektworden in het kader van de toeslagenaffaire, Oekraïne, herstel van deschade in verband met de afhandeling van de gaswinning in Groningenen Corona en de BUIG. Omzetting van de niet-uitgezonderde specifiekeuitkeringen in fondsuitkeringen is de hoofdregel. Momenteel wordt ergewerkt aan de daadwerkelijke overheveling van de niet-uitgezonderdespecifieke uitkeringen. Hierover wordt uiterlijk bij Miljoenennota 2026uitsluitsel gegeven.Vraag 178Kan een overzicht gegeven worden per gemeente hoeveel zij ontvangenuit de specifieke uitkeringen die onder de maatregel vallen om naar hetgemeentefonds overgeheveld te worden?Antwoord op vraag 178Zie antwoord op vraag 177.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 3871

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5438429a16b68fba

14 okt 2026 · 960fde6ad2c4ff10

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.