Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2025
Brontekst
Versie a0eef5a6913a8282 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 687 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 juli 2025Voor u ligt de derde voortgangsrapportage monitoring Wet toekomstpensioenen (hierna: de voortgangsrapportage). Hierin staat de actuelestand van zaken over de voortgang van de transitie naar het nieuwepensioenstelsel.1 De transitie is een van de grootste stelselherzieningenvan de afgelopen jaren en dient dan ook zorgvuldig te gebeuren. Het gaatimmers om de pensioenen van veel Nederlanders. Bij de transitie blijvenpensioendeelnemers van alle generaties samen deelnemen aan eenpensioenregeling, waarbinnen goede en slechte risico’s onderling wordengedeeld. Zo behalen zij gezamenlijk voordeel uit het pensioencollectief.In figuur 1 is weergegeven waar de transitie zich bevindt in de tijd. De Wettoekomst pensioenen (Wtp) is op 1 juli 2023 in werking getreden,sindsdien zijn de bij de pensioentransitie betrokken partijen hard aan hetwerk om de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel te realiseren.2025 is het jaar dat de eerste pensioenfondsen en hun deelnemers zijnovergestapt naar het nieuwe stelsel. Daarnaast ontvangen in het najaarvan 2025 miljoenen deelnemers van hun pensioenuitvoerder informatie1Deze voortgangsrapportage en de onderliggende stukken zijn een momentopname van destand van zaken, omdat de sector volop in beweging is. Daarnaast betreft het een algemeenbeeld van de transitie. Ik geef daarbij geen oordeel over de gemaakte keuzes, noch ga ik in opindividuele casussen.Figuur 1: Transitieperiode – mijlpalen kst-32043-687ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6871 over de aanstaande overstap per 1 januari 2026 naar het nieuwe stelsel.Met andere woorden: 2025 is het jaar dat het nieuwe pensioenstelsel voormeer dan de helft van de Nederlandse pensioendeelnemers dichterbijkomt.Het is van cruciaal belang dat pensioenuitvoerders en sociale partners dedeelnemers goed betrekken bij en informeren over de pensioentransitie.Dit geldt in het bijzonder voor de keuzes die zij hebben gemaakt rondomhet overgaan naar het nieuwe stelsel en welke overwegingen daarbijvanuit het collectief zijn gemaakt. Het politieke en maatschappelijke debatrond het amendement Joseph c.s. bevestigt dat werken aan draagvlak envertrouwen een permanente opdracht is. Het vertrouwen van deelnemersin pensioen is stabiel en neutraal (zie paragraaf 5.1). Dat neemt niet wegdat er vragen en zorgen zijn van deelnemers over de overstap naar hetnieuwe stelsel. Zoals ik in mijn brief van 13 mei heb aangegeven, neem ikdaarom een drietal aanvullende maatregelen om te zorgen datdeelnemers beter worden betrokken en geïnformeerd.2 Ik zal de inspan-ningen van de sector nauwlettend volgen en ga waar nodig het gesprekaan over verbeteringen. In hoofdstuk 2 ga ik hierop verder in.Voor de meeste deelnemers met een regeling uitgevoerd door eenverzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) is de pensioentransitie in2025 vooralsnog minder zichtbaar. Vanwege de aard van de contracten enhet bijbehorende besluitvormingsproces volgen deze regelingen eenander ritme. Uit de monitoring blijkt dat veel werkgevers kiezen om dehuidige regeling voor bestaande werknemers te eerbiedigen. Voor demeeste nieuwe deelnemers en de deelnemers die de overstap wel gaanmaken, zal op basis van de huidige inzichten hun regeling pas in 2026 of2027 worden omgezet, met het zwaartepunt in het laatste jaar. Dit legt eengrote druk op de uitvoering. De regeringscommissaris transitie pensi-oenen signaleert hier een potentieel risico en adviseert sectorpartijen deondernomen acties voort te zetten, en waar mogelijk uit te breiden, om zode omzetting van verzekerde regelingen meer gelijkmatig te spreiden enzo piekbelasting te verminderen. Daarom ben ik in gesprek met debetrokken partijen (verzekeraars, adviseurs en sociale partners) om tekomen tot concrete afspraken over een gecoördineerde aanpak voorkomende periode.Opzet monitorDe monitor is uitgevoerd conform het plan van aanpak monitoring.3Onderdeel hiervan zijn de meest actuele edities van de in opdracht vanSZW door EY Adviseurs B.V. (hierna: EY) uitgevoerde transitiemonitor(bijlage 1), de deelnemersmonitor (bijlage 2), de doelstellingenmonitor,het advies van de regeringscommissaris transitie pensioenen (bijlage 3),de informatie van toezichthouders DNB en AFM, overige onderzoeken ende gesprekken die ik met de pensioensector voer, onder andere met desociale partners, de pensioenuitvoerders en de -koepels en detoezichthouders.4Hierbij merk ik op dat de data afkomstig uit de DNBuitvraag WTP Q2–2025, dateert van 30 mei.Ook afgelopen periode heeft mijn ministerie met veel bij de pensioentran-sitie betrokkenen partijen, zowel op bestuursniveau als op werkvloer-niveau, gesproken over de pensioentransitie in het algemeen en de wijzewaarop deelnemers hierbij worden betrokken in het bijzonder. Mijn2Kamerstukken II, 2024–2025, 36 578, nr. 28.3Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 191.4De eerste resultaten uit de doelstellingenmonitor worden naar verwachting bij de volgendevoortgangsrapportage gedeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6872 gesprekspartners hebben hun ervaringen, vragen en knelpunten gedeelden hebben meegedacht over het zo goed mogelijk laten verlopen van detransitie.Ik wil ze opnieuw bedanken voor hun betrokkenheid en openheid. Enuiteraard blijf ik ook de komende tijd openstaan voor signalen uit deuitvoeringspraktijk. De sector kan dergelijke signalen delen via bijvoor-beeld [email protected] of kan de ambtenaren van mijnministerie aanspreken tijdens congressen en seminars in het pensioen-domein.LeeswijzerIn deze rapportage vindt u allereerst de beleidsconclusies die ik trek opbasis van de beschikbare informatie over de eerste helft van 2025.Hoofdstuk 2 gaat in op het betrekken en informeren van deelnemers. Inhoofdstuk 3 geef ik mijn reactie op het advies van de regeringscommis-saris. De voortgang van de transitie wordt geschetst in hoofdstuk 4, waarik achtereenvolgens inga op de premieontwikkeling, de implementatiefaseen kosten. In dit hoofdstuk wordt het verschil geschetst tussen de transitievoor pensioenfondsen en de transitie voor verzekeraars en PPI’s. Inhoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de ervaringen van de deelnemermet de pensioentransitie. Als laatste volgt een hoofdstuk over de(voorgenomen) wet- en regelgeving en de stand van zaken ten aanzienvan een aantal moties en toezeggingen (hoofdstuk 6). In de bijlage vindt ude wijze waarop invulling is of wordt gegeven aan de moties en toezeg-gingen die betrekking hebben op het verloop en de monitoring van detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel.BeleidsconclusiesHet nieuwe pensioenstelsel is een feit...De eerste vijf pensioenfondsen zijn inmiddels ingevaren. Dat betekent datde regeling van zo’n 232 duizend deelnemers (dit zijn actieve deelnemers,gewezen deelnemers en pensioengerechtigden) is overgezet naar hetnieuwe pensioenstelsel. Hierdoor ontvangen inmiddels meer dan 75duizend pensioengerechtigden een pensioen op basis van de regels vande Wtp. Voor hen heeft dit geleid tot een verhoging van de pensioenuit-kering.5 Daarnaast hebben vijf van de negen verzekeraars en alle PPI’s hunimplementatie- en communicatieplan ingediend bij de toezichthouders.Van de contracten ondergebracht bij verzekeraars en PPI’s is inmiddels 7%(2.375 contracten) respectievelijk 9% (1.920 contracten) omgezet naar hetnieuwe stelsel. De komende tijd worden steeds meer regelingen omgezet,zowel bij pensioenfondsen als bij verzekeraars en PPI’s. Dat betekent datde uitvoerders steeds meer ervaring opdoen en dat eventuele knelpuntenaan het licht komen. Alle bij de pensioentransitie betrokken partijendienen tijdig en genoeg inzet te plegen zodat alle regelingen per 1 januari2028 op een zorgvuldige manier zijn omgezet naar het nieuwe stelsel.Van deze eerste fondsen is veel geleerd. Deze kennis is breed uitgedragenzodat andere fondsen daarmee hun voordeel kunnen doen. In box 1 wordthierop nader ingegaan.6 Nu de transitie steeds verder vordert, is het vanbelang om de ontwikkelingen in den brede te blijven volgen, ervaringen tedelen en waar nodig bij te sturen. U wordt daarover via deze voortgangs-rapportage periodiek geïnformeerd.5Bij beroepspensioenfonds Loodsen en personeelspensioenfonds APG bedroeg deze verhoginggemiddeld 8%.6Kamerstukken II, 2024–2025, 32 043, nr. 674.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6873 Box 1: Het delen van ervaringenIk zie in de praktijk dat de ervaringen met en kennis over de transitiebinnen de sector gedeeld worden. In de voortgangsrapportagewinter 2025 heb ik de eerste geleerde lessen gepresenteerd die doorde sector en de toezichthouders zijn getrokken uit de koploperserva-ringen. Het lerend vermogen van de sector blijkt groot om dezetransitie tijdig af te kunnen ronden. Dat geldt niet alleen voor depensioenuitvoerders maar ook voor de toezichthouders. Hetafgelopen half jaar zijn er bijvoorbeeld regelmatig verschillendecongressen, bijeenkomsten en webinars georganiseerd waar deervaringen van de koplopers zijn gedeeld en waar goedevoorbeelden zijn uitgewisseld. Zo organiseert de Pensioenfederatiedergelijke bijeenkomsten waarin koplopers en de fondsen die in 2026gaan invaren, ervaringen delen. Hieronder worden ter illustratie nogvier voorbeelden genoemd.Het congres «Werken aan ons pensioen» in maart 2025 is bezochtdoor 500 professionals uit de hele sector. Ook dit jaar stond het inhet teken van het uitwisselen van bruikbare inzichten en geleerdelessen. Zo waren er verdiepende deelsessies, verzorgd doorpensioenfondsen, verzekeraars en werkgevers over wat zij in hundagelijkse praktijk zijn tegengekomen en wat de belangrijkste lessenwaren voor anderen. Ook hebben beide toezichthouders toegelichthoe zij de lessen van de koplopers hebben geïmplementeerd in hunwerkwijze en wat dit betekent voor het vervolgproces met de sector.Het DNB Pensioenseminar 2025 «Samen op weg naar de eindstreep»ging een stap verder. Tijdens het seminar stond de goede dialoogcentraal, met aandacht voor wederzijdse verwachtingen, rolvastheiden de inhoud. Daarnaast is een aantal transitieonderwerpen aan bodgekomen zoals de vraag hoe tempo gehouden kan worden tijdens deinvaarmelding, de evenwichtigheid en hoe om te gaan met nietinvaren. De boodschap daarbij was dat de dialoog tussen de sectoren DNB van essentieel belang is, juist wanneer het spannend ofingewikkeld wordt.In juni 2025 heeft het AFM Pensioenevent 2025 plaatsgevonden. Opdeze dag werden, samen met verschillende partijen uit de sector,diverse sessies georganiseerd. Zo zijn er tips & tricks gedeeld overtransitiecommunicatie en het verbeteren van de digitale informatie-verstrekking. Daarnaast is er ook uitgebreid ingegaan op het wekkenvan realistische verwachtingen.In 2024 is de Pensioenfederatie gestart met «koplopersoverleggen»,waaraan dat jaar alle fondsen deelnamen die van plan waren in 2025over te stappen naar de nieuwe pensioenregeling. In 2025 zijnnieuwe overleggen gestart met de fondsen die van plan zijn in 2026over te stappen. Tijdens deze overleggen wordt gesproken overalgemene uitgangspunten voor beleid, praktische vragen voor deuitvoering en wordt veel kennis en ervaring uitgewisseld. Daarnaastzijn er regelmatig webinars en bijeenkomsten, waar alle pensioen-fondsen die zich voorbereiden op de transitie aan kunnendeelnemen. Ook wordt waar passend gedifferentieerd naarfondstype: specifiek gericht op ondernemingspensioenfondsen,bedrijfstakpensioenfondsen, fondsen die overgaan naar deFPR-regeling of gesloten fondsen. Er is bij deze activiteiten aandachtvoor alle aspecten van de transitie, waaronder bijvoorbeeldevenwichtigheid, transitiecommunicatie, dialoog met de verschil-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6874 lende belanghebbenden, risicohouding, beleggingsbeleid en deuitvoering.Daarnaast worden door toezichthouders en sectorpartijen handrei-kingen, Q&A’s en best practices opgesteld, waarin nuttige inzichtenen geleerde lessen zijn vastgelegd. Recente voorbeelden hiervan zijnonder meer het stappenplan onderbouwing evenwichtige transitievoor pensioenfondsen, het geactualiseerde servicedocumenttransitiecommunicatie en de handleiding voor transitieplannen voorverzekeraars en PPI’s. Deze documenten zijn algemeen beschikbaarvia de websites van de sectorpartijen en viaWerkenaanonspensioen.nl.... en de deelnemers zijn door hun pensioenuitvoerder geïnformeerd overde transitie ...Met het overgaan van de eerste vijf fondsen hebben 232 duizenddeelnemers de transitie-informatie ontvangen.7 Dit gaat in ieder geval ominformatie vóór (prognose overzicht) de overgang van de huidige naar denieuwe pensioenregeling. Na de transitie (definitief overzicht) wordt dedeelnemer opnieuw geïnformeerd, waarbij tevens wordt toegelichtwaardoor mogelijke verschillen tussen het prognose overzicht en hetdefinitieve overzicht worden veroorzaakt.8Nu de transitie vordert, gaan steeds meer deelnemers hun transitie-informatie ontvangen. Alle door de pensioenuitvoerder verstrekte ofbeschikbaar gestelde informatie dient correct, duidelijk, evenwichtig entijdig te zijn. Er is gebleken dat er nog verbetering mogelijk is bij hetbetrekken en informeren van deelnemers. Van de sector verwacht ik danook een brede inzet, namelijk dat zij zo goed mogelijk invulling geven aande bestaande wet- en regelgeving, maar ook dat zij gedurende dezetransitieperiode expliciet de dialoog opzoeken met de deelnemers. DePensioenfederatie heeft gerapporteerd over de huidige inspanningen vande sector op dit punt (zie bijlage 4). De AFM blijft terecht aandacht vragenvoor realistische en tijdige communicatie van de transitie-informatie aandeelnemers. De AFM roept onder andere op om de toelichtingen bijbedragen aan te laten sluiten bij wat op de deelnemer van toepassing isen om te zorgen dat de bedragen op de transitieoverzichten vergelijkbaaren actueel zijn. Zoals ik in de brief van 13 mei heb aangegeven, ben ik metde sector het gesprek aangegaan over mogelijke verdere verbeteringenvan de deelnemerscommunicatie. Over twee specifieke onderwerpen zalik met aanvullende regelgeving komen. In hoofdstuk 2 wordt hierop naderingegaan.{ het is belangrijk om het tempo vast te houden zodat alle regelingen per1 januari 2028 zijn omgezet naar het nieuwe stelsel.9De fondsen die per 1/1/26 overgaan, treffen momenteel voorbereidingenom de overstap verantwoord te kunnen maken. Hiervoor is een invaarbe-schikking nodig van DNB, moet de transitiecommunicatie op tijd klaar zijnen moet de overstap op een beheerste manier kunnen worden uitgevoerd.7Wtp-uitvraag voor pensioenfondsen Q2–2025, De Nederlandsche Bank. De cijfers zijn geactuali-seerd op basis van de recente ontwikkelingen na 30 mei.8De sector kan daarbij gebruik maken van het servicedocument Transitiecommunicatie zoalsdoor de Pensioenfederatie beschikbaar gesteld (Servicedocument Transitiecommunicatie).9De Wet verlenging transitietermijnen (Kamerstuknummer 36578), waarin wordt geregeld dat deuiterste transitiedatum verschuift naar 1/1/28, ligt momenteel voor behandeling voor in deEerste Kamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6875 Naar verwachting zullen 36 pensioenfondsen/kringen op deze datumoverstappen.Het gaat hierbij om bijna 11 miljoen deelnemers; dat is 59% van het aantaldeelnemers dat uiteindelijk overgaat. Daarnaast is 1 januari 2027 eendatum waarop veel pensioenfondsen (51) verwachten over te stappen.Naar verwachting zijn vanaf dat moment de meeste deelnemers met eenpensioenregeling uitgevoerd door een pensioenfonds over naar hetnieuwe pensioenstelsel (circa 98%). Uit de transitiemonitor blijkt tevensdat er pensioenfondsen zijn die de transitiedatum hebben uitgesteld. Dit iseen besluit dat niet lichtvaardig wordt genomen door het fondsbestuur, inoverleg met pensioenfondsorganen, sociale partners en de uitvoeringsor-ganisatie, gezien de effecten die een dergelijk besluit met zich meebrengt.In algemene zin geven partijen die tot uitstel besluiten aan, dat zij meertijd nodig te hebben voor een zorgvuldige transitie.Uit de transitiemonitor blijkt dat van de ondervraagde verzekeraars enPPI’s, het merendeel van de werkgevers met een regeling ondergebrachtbij een verzekeraar of PPI, 89% respectievelijk 80%, nog geen besluit heeftgenomen over het soort contract. Bij het grootste deel van de werkgeversis de beoogde transitiedatum nog onbekend. Verzekeraars en PPI’s gevenin de transitiemonitor aan dat zij allen voldoende comfort hebben dat zede transitie vanuit IT/Operationeel en financieel perspectief beheerst entijdig kunnen uitvoeren. Met betrekking tot de datakwaliteit heeft 88%voldoende comfort om de transitie beheerst en tijdig uit te voeren, 12% (1ondervraagde verzekeraar/PPI) heeft dit niet. Het omzetten van verzekerderegelingen vergt inspanning en tijd van verschillende partijen.Werkgevers, adviseurs en verzekeraars/PPI’s zijn hierin namelijk afhan-kelijk van elkaar. Er is echter geen tijd om af te wachten, dit stelt ook deregeringscommissaris in haar advies. Ook de toezichthouders DNB enAFM hebben hiervoor aandacht gevraagd. Zo heeft DNB verzekeraars enPPI’s opgeroepen zich in te spannen voor meer omzettingen in eerderejaren en moedigde de AFM werkgevers aan om tijdig te kiezen voor wel ofgeen eerbiedigende werking. Dit om een piekbelasting in het jaar 2027 tevoorkomen. Zoals eerder in deze brief gezegd, ben ik hierover in overlegmet verzekeraars en PPI’s, werkgevers en adviseurs.Tot slot geeft de regeringscommissaris in haar advies aan geen aanleidingte zien om de uiterste transitiedatum verder te verschuiven dan 1/1/2028.Daarbij merkt zij op dat uitstel niet gratis is. Uitstel brengt immers eenaantal risico’s met zich mee, waaronder financiële risico’s zoals hetdekkingsgraadrisico. Ik kan mij daarin vinden en roep samen met deregeringscommissaris de betrokken partijen op om progressie te blijvenmaken. In de komende voortgangsrapportages blijf ik rapporteren inwelke mate regelingen daadwerkelijk zijn omgezet naar het nieuwepensioenstelsel en hoe dit aansluit bij de eerdere verwachtingen.Betrekken en informeren van deelnemersHet is voor het vertrouwen in het pensioenstelsel van permanent belangdat deelnemers goed worden betrokken bij de overgang naar het nieuwestelsel. De recente discussie in het parlement heeft laten zien dat daaroverbij verschillende partijen zorgen zijn. Ik deel de wens om hier nog meerstappen in te zetten. Tegelijk is het vertrouwen in het pensioenstelsel inhet afgelopen half jaar licht toegenomen (zie paragraaf 5.1).Zoals ik in mijn brief «Beter betrekken en informeren van deelnemers bijinvaren» heb aangegeven, draagt meer kennis van deelnemers over hetpensioenstelsel en een beter begrip bij de gemaakte keuzes in de transitiebij aan het vertrouwen in het pensioenstelsel in het algemeen en in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6876 transitie in het bijzonder.10 Ik vind het belangrijk dat sociale partners enpensioenuitvoerders het brede verhaal vertellen over de doelen van deWtp, wat het voor de collectiviteit en solidariteit van het pensioenstelselbetekent en welke waarborgen voor een zorgvuldig transitieproces zijningebouwd.Waar het gaat om expliciet de dialoog opzoeken met (gewezen)deelnemers en pensioengerechtigden gedurende deze transitieperiode,heb ik aangekondigd drie aanvullende maatregelen te nemen, namelijk:1.In de regelgeving verplichten dat een kwalitatieve toelichting doorpensioenfondsen wordt gegeven waarom niet is afgezien van invaren,die beschikbaar is voor alle deelnemers op de website van depensioenuitvoerder.2.Een aanscherping van de regelgeving die ervoor zorgt dat de pensi-oenuitvoerder zich inspant om ervoor te zorgen dat de getoondetransitie-informatie bijdraagt aan realistische verwachtingen bij dedeelnemer.3.Het delen van goede voorbeelden, in samenspraak met de sector, overde invulling van de informatievoorziening aan en dialoog metdeelnemers.Zoals aan de heer Flach (SGP) is toegezegd, informeer ik uw Kamer hierbijover de uitrol en effecten van de aanvullende maatregelen.11Benodigde regelgevingDe eerste twee maatregelen worden nader uitgewerkt in lagere regel-geving en zullen worden toegevoegd aan het verzamelbesluit pensioenendat tot 25 juni jl. voorlag voor internetconsultatie, alvorens het aange-boden wordt voor de toezichttoetsen en advies van de Raad van State.Naar verwachting zal dit besluit eind 2025 in werking treden.Brede inzet vanuit de pensioensectorVan de pensioensector verwacht ik een brede inzet om deelnemers tebetrekken bij en te informeren over de transitie. Ik heb hierover recent metde pensioensector gesproken. De sector onderschrijft deze rol, zowel voorde pensioenuitvoerders alsook voor de werkgevers en werknemers. Zijmerken op dat deelnemers vooral interesse hebben in de effecten van detransitie op hun persoonlijke situatie. Hoewel dit inzicht pas kan wordengegeven als de datum van overgang nadert, kunnen uitvoerders al weleerder duiden wat de algemene kenmerken zijn van het pensioen natransitie en hoe zij zijn gekomen tot bepaalde afwegingen. Met name deoverwegingen om als collectief in te varen en waarom dit te verkiezen isboven de optie om de bestaande opbouw in het oude stelsel te laten. Desector geeft ook aan tot nu toe in zeer beperkte mate vragen te krijgen vandeelnemers die al zijn overgegaan naar het nieuwe stelsel.De uitvoerders hebben toegezegd dat zij, in aanloop naar de aange-scherpte regelgeving, al in 2025 de gevraagde extra informatie over deafwegingen rondom niet-invaren (maatregel 1) en de realistischepensioenverwachtingen (maatregel 2) zullen verwerken in hun deelne-merscommunicatie. Zij kunnen hiervoor het hulpdocument gebruiken datde Pensioenfederatie momenteel ontwikkelt. Dit zal binnenkort gedeeldworden via Werkenaanonspensioen.nl. Aan de hand hiervan kunnenpensioenfondsen de kwalitatieve duiding bij niet-invaren geven, rekening10Kamerstukken II, 2024–2025, 36 578, nr. 28.11Tweede Kamer, plenair verslag, 83e vergadering Woensdag 14 mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6877 houdend met de pensioenfondsspecifieke situatie en verschillendedoelgroepen.Ook nu worden deelnemers door hun werkgever en pensioenuitvoerderbetrokken bij en geïnformeerd over de transitie. In box 2 staat een aantalvoorbeelden van de wijze waarop zij dat doen. Daarnaast wordt er binnende sector daar waar mogelijk samengewerkt en worden goedevoorbeelden en ervaringen gedeeld. Dat leidt ertoe dat kennis en ervaringbreed verspreid wordt, waar de sector als geheel zijn voordeel mee kandoen. Zo heeft de Pensioenfederatie recent op basis van ervaringen het«servicedocument Transitiecommunicatie» en het bijbehorende inspiratie-document «aanpak uitleg verschillen» geactualiseerd.12 Zij zullen ditopnieuw doen zodra de regelgeving over de realistische verwachtingen inpensioencommunicatie is vormgegeven.De Pensioenfederatie heeft toegezegd om twee keer per jaar eenrapportage op te leveren waarmee inzicht wordt geboden in watpensioenfondsen doen om hun deelnemers mee te nemen in de transitieen om de dialoog met deelnemers te voeren. De eerste publicatie is metdeze rapportage meegestuurd (bijlage 4). Aan de hand van deze infor-matie zal ik binnenkort samen met de Pensioenfederatie een aantal goedevoorbeelden uitlichten over het aangaan van de dialoog met dedeelnemer.Box 2: Het betrekken van deelnemersPensioenfondsen, verzekeraars, PPI’s en sociale partners bestedenveel tijd en aandacht aan het meenemen van deelnemers in deaanstaande veranderingen op pensioenterrein. Zo hebben devakbonden het afgelopen half jaar op verschillende plekken in hetland bijeenkomsten georganiseerd waar zij in gesprek gaan met deleden. Er is veel belangstelling voor deze bijeenkomsten waarinwordt toegelicht welke keuzes zijn gemaakt met betrekking tot deoverstap naar het nieuwe pensioenstelsel, wat dat betekent enwaarom deze keuzes zijn gemaakt. Ook de komende tijd zal men hiermee doorgaan. Daarnaast organiseren ook pensioenfondsen allerleibijeenkomsten om de deelnemers mee te nemen in de verande-ringen zoals inloopspreekuren en fysieke deelnemersbijeenkomsten.Zo is PME eind 2023 gestart met bijeenkomsten voor iedereen die alpensioen ontvangt, waar gemiddeld 350 aanwezigen zijn. Tijdens debijeenkomst gaan zij proactief de dialoog aan met aanwezigen doorhet voorleggen van stellingen over beleggen, pensioen en de nieuwepensioenregeling; ook de voorzitter van de Vereniging van Gepensio-neerden komt aan het woord. BpfLoodsen heeft in de maandenrondom de transitie maandelijks «invaar vrijdag» gehouden, eendigitaal inloopspreekuur met tijd voor 1-op-1 vragen. RabobankPensioenfonds heeft individuele deelnemers met vragen uitgenodigdop kantoor voor uitleg over de nieuwe regeling. De meest gesteldevragen zijn gebundeld, zoals over het besluit tot invaren, het adviesvan het VO, evenwichtigheid, koopkrachtig pensioen en de deelne-merscommunicatie. ABP heeft om de communicatie richtingdeelnemers te verbeteren een aantal initiatieven genomen via onderandere het opleiden van pensioenambassadeurs, via gesprekken metgepensioneerden om hun zorgen te horen, maar ook met jongeren,want dat zijn de gepensioneerden van de toekomst. Verder spreektABP regelmatig met de achterban, waaronder met de ouderenvereni-gingen. PMT organiseert sinds 2 jaar een aantal keer per jaar fysieke12Pensioenfederatie (mei 2025) – Voorbereiding op de transitieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6878 bijeenkomsten verspreid over het land voor deelnemers, metongeveer 400 aanwezigen. Tijdens de bijeenkomst vertelt het bestuurover het nieuwe pensioenstelsel, waarom PMT welke keuzes heeftgemaakt en wat deelnemers wanneer kunnen verwachten. Er is ookveel ruimte voor vragen uit de zaal, waarna het mogelijk is voordeelnemers om 1-op-1 met bestuurders, bureauleden en pensioen-consulenten te spreken en vragen te stellen. De Pensioenfederatieheeft een eerste overzicht gegeven van de verschillende instru-menten die pensioenfondsen inzetten om in dialoog te zijn met allebelanghebbenden en ze te informeren over de overstap naar eennieuwe pensioenregeling en de verwachte impact van de overstap(zie bijlage 4).DeelnemersvertegenwoordigingOok zie ik dat pensioenfondsen gehoor geven aan mijn eerdere oproepom ook hoorrechtverenigingen te blijven betrekken bij de implementa-tiefase (zie box 3). Het verantwoordingsorgaan (VO) of belanghebbenden-orgaan (BO) heeft de bevoegdheid om een oordeel te geven over hetbeleid van het bestuur van het fonds. Het VO bestaat doorgaans uit zetelsvoor werkgevers, werknemers en gepensioneerden. Daarbij brengt het VOniet alleen advies uit over de beslissing van het bestuur om in te varen,maar ook over belangrijke beleidskeuzes bij de transitie, zoals devermogensverdeling. In box 3 wordt de betrokkenheid van VO’s bij detransitie nader toegelicht.Box 3: Hoorrecht en verantwoordingsorganenMet het aflopen van de arbeidsvoorwaardelijke fase is de faseafgerond waarin het hoorrecht formeel kon worden uitgeoefend. DePensioenfederatie heeft onder haar leden de oproep gedaan om dedialoog met de gewezen en gepensioneerde deelnemers te (blijven)zoeken om zo het draagvlak onder het nieuwe pensioenstelsel tevergroten. Daarin is ook mijn eerdere oproep opgenomen om actiefmet hoorrechtverenigingen in gesprek te blijven, ook na afrondingvan het transitieplan. In de praktijk zie ik steeds meer pensioen-fondsen dit doen. Zo zijn onder ander de pensioenfondsen ABP,bpfBouw, PFZW en PGB blijvend in gesprek met hun hoorrechtver-enigingen. Zo spreekt ABP bijvoorbeeld regelmatig met deachterban, waaronder met ouderenverenigingen. Zo hebben eronder meer bestuurders gesproken op bijeenkomsten vanVereniging Gepensioneerden Schiphol en VerenigingOud-medewerkers Rijkswaterstaat en ook bij de Koepel vanGepensioneerden. Ook hebben gesprekken plaatsgevonden tussenABP en de verenigingen van gepensioneerden over onder meer denieuwe pensioenregeling. Zowel in het voornoemde voortraject alsin het huidige adviestraject van het VO zijn er veel vragen gesteld enhebben presentaties plaatsgevonden over onder meer de financiëleopzet, de nieuwe regeling en (het normenkader van) de evenwich-tigheid. Kortom, los van het traject met het VO heeft het bestuurregelmatig contact met de diverse verenigingen en/of afgevaar-digden van belanghebbenden. Daarnaast wordt ook regelmatig metde individuele fracties binnen het VO gesproken. Gezien het belangvan de collectieve waarborgen voor een evenwichtige transitie,adviseer ik de pensioenfondsen die deze hoorrechtverenigingen nogniet betrekken, om hen alsnog te betrekken in de vervolgstappen vanhet transitieproces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6879 Het betrekken van de hoorrechtverenigingen komt boven op debetrokkenheid van deelnemers via het VO en BO. Uit een publicatiein PensioenPro naar aanleiding van gesprekken met een aantal VO’sblijkt dat zij al geruime tijd door het pensioenfondsbestuur wordenmeegenomen.13 De VO’s geven aan dat zij in aanloop naar detransitie veel informatie te verwerken krijgen waarover ze adviesmoeten geven. Het VO beziet of zij de afspraken als geheelevenwichtig vindt. Ook is het belangrijk om als VO zo vroeg mogelijkbij het transitieproces betrokken te worden door het bestuur. Het optijd betrekken van het VO is tevens in het voordeel van het pensioen-fonds, zij kunnen hun plannen op deze manier al spiegelen en bezienhoe dit landt bij de deelnemers.Publiekscampagne Pensioenduidelijkheid 2025De doelstelling van publiekscommunicatie is bijdragen aan hetvertrouwen in het Nederlandse pensioenstelsel en de transitie naar denieuwe regels voor pensioen. In lijn met de maatregelen uit mijn brief van13 mei, zijn er twee doelstellingen voor de communicatieaanpak 2025geformuleerd: het verhogen van kennis over de nieuwe regels voorpensioen en meer inzicht geven in het transitieproces. Gelet op het groteaantal deelnemers dat in het najaar van 2025 hun voorlopige transitie-informatie ontvangt, blijft het nodig om ook via een landelijkecommunicatie-inzet aandacht te vragen voor de pensioentransitie. Vanaf1 september tot en met 5 oktober gaat daarom een nieuwe fase van depubliekscampagne live. Daarnaast wordt de informatiewebsite Pensioen-duidelijkheid.nl verder geoptimaliseerd op basis van vragen die bijdeelnemers in de gehele breedte van de sector leven. Dit gebeurt innauwe samenwerking met de sociale partners en uitvoerders.Advies regeringscommissarisDe regeringscommissaris heeft op 19 juni jl. haar derde reguliere adviesuitgebracht. Om tot haar advies te komen, spreekt ze veel verschillendepartijen in het pensioenveld. Ook is de regeringscommissaris opmeerdere manieren benaderbaar voor professionals en partijen uit depensioensector. Zij betrekt de bij haar binnengekomen signalen bij haaradvisering over het verloop van de transitie. In deze voortgangsrap-portage maak ik dankbaar gebruik van haar gedegen onderzoek en haargoede adviezen.In haar advies concludeert de regeringscommissaris dat de transitie overhet algemeen goed verloopt. Er wordt goed samengewerkt in deuitvoeringsketens. Hierbij is het van belang dat de relaties ook goedblijven onder de stevige druk van deadlines en eventuele tegenvallers. Dedruk blijft hoog, vanwege het grote aantal pensioenfondsen dat op1 januari 2026 de transitie gaat maken. Uitgaande van de huidigeplanning, zal elke pensioenuitvoeringsorganisatie (PUO) en elkeIT-leverancier per 1 januari 2026 minimaal één fonds overzetten. Deverwachting is dat dit zal leiden tot een versnelling in de transitie,aangezien de geleerde lessen ingezet kunnen worden voor de overigefondsen die deze PUO’s en IT-leveranciers bedienen. Daarnaast zullentussentijdse transitiedata (bijvoorbeeld 1 april, 1 juli of 1 oktober) leidentot meer spreiding van de werkzaamheden.De regeringscommissaris merkt verder op dat zo’n 40% van de omzet-tingen bij verzekeraars pas op de uiterste transitiedatum gerealiseerdwordt. Dit vormt volgens haar een risico, omdat te laat starten ertoe kan13Verantwoordingsorganen sturen invaarplannen geregeld bij | Pensioen ProTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68710 leiden dat pensioenadviseurs en verzekeraars onvoldoende capaciteithebben om omzettingen tijdig te verwerken. Werkgevers, adviseurs enverzekeraars en PPI’s worden opgeroepen om aanvullende stappen tezetten om omzettingen tijdig te realiseren. Om de transitie te bevorderen,geeft de regeringscommissaris een aantal aanbevelingen toegespitst opverzekeraars en PPI’s, pensioenadviseurs en werkgevers. Ik sluit mij hierbijaan en adviseer partijen om deze aanbevelingen op te volgen. Daarnaastneem ik in de gesprekken die ik heb met de betrokken partijen deaanbevelingen van de regeringscommissaris ter harte.De regeringscommissaris ziet geen aanleiding om te adviseren de uiterstetransitiedatum te verschuiven en deze einddatum op 1-1-2028 te houden,conform het momenteel in de EK voorliggende wetsvoorstel Transitieter-mijnen. Daarnaast wijst zij erop dat het verruimen van de transitietermijnniet gratis is en zijn eigen risico’s kent, waar ze in haar advies dieper op ingaat. De geluiden om de uiterste transitiedatum uit te stellen komenvoornamelijk van buiten de pensioensector. Onder de bij de pensioentran-sitie betrokken partijen lijkt daar niet of nauwelijks behoefte aan te zijn. Deregeringscommissaris geeft aan dat uitstel van de uiterste transitiedatumenkel overwogen zou moeten worden wanneer er geen andere optie is.Ik onderschrijf het advies van de regeringscommissaris en blijf daarnaastmet de bij de transitie betrokken partijen in gesprek over het verloop vande transitie, om te bezien waar ondersteunende acties geboden kunnenworden en om gevolg te geven aan de adviezen.Voortgang transitieDe pensioensector werkt hard aan het tijdig realiseren van de transitienaar het nieuwe pensioenstelsel en dat gaat niet altijd zonder slag ofstoot. Ik wil via deze weg dan ook mijn waardering uitspreken aan departijen die druk aan de slag zijn met deze transitie. Voor de meestepensioenfondsen/kringen is het transitieplan bekend en daarmee is dearbeidsvoorwaardelijke fase afgerond.Voor regelingen uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s blijkt daarentegendat veel partijen nog geen besluit hebben genomen. Een reden hiervoor isdat het proces voor verzekeraars en PPI’s anders verloopt. Zo loopt dearbeidsvoorwaardelijke fase voor deze partijen later af: de mijlpaal voorhet indienen van zowel het transitieplan en het implementatieplan wordt1 oktober 2027.Dit hoofdstuk gaat daarom zowel aan de kant van de pensioenfondsen(paragraaf 4.2) als aan de kant van verzekeraars en PPI’s (paragraaf 4.3)vooral over de implementatiefase. De arbeidsvoorwaardelijke fase voorregelingen uitgevoerd door een verzekeraar of PPI wordt op basis van detransitiemonitor geschetst. Aangezien er nog maar een beperkt aantalregelingen over is, zal deze informatie de komende periode verder wordenaangevuld. Het hoofdstuk start met de premieontwikkeling vanpensioenfondsen.PremieontwikkelingDe premieontwikkeling voor de komende jaren wordt hoofdzakelijkbepaald door de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de transitienaar het nieuwe pensioenstelsel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68711 Ontwikkeling pensioenpremies 2021 tot en met 2025In deze paragraaf informeer ik u over de ontwikkeling van de pensioen-premies in de periode van 2021 tot en met 2025. Hiermee kom ik ooktegemoet aan de toezegging aan de Eerste Kamer.14 Figuur 2 geeft defeitelijke premies en de (gedempte) kostendekkende premies in miljardeneuro’s voor de jaren 2021 tot en met 2025 weer van de door DNB in eenonderzoek betrokken pensioenfondsen.15, 16 Voor een toelichting bij deverschillende typen premies verwijs ik naar de brief die de Eerste Kamerop 14 juni 2023 heeft ontvangen, over de ontwikkeling van de pensioen-premies in de periode van 2019 tot en met 2023.17Figuur 2 laat zien dat de premies uitgedrukt in euro’s in 2025 zijn gestegenten opzichte van 2024. Het premiepercentage is bij de vijf grootstepensioenfondsen van Nederland daarentegen gelijk gebleven. Ook in 2024was de pensioenpremie bij ruim de helft van de bedrijfstakpensioen-fondsen grotendeels gelijk aan het jaar ervoor (2023).18 Zo bleven depensioenpremies van ABP, PFZW PME, PMT en bpfBOUW in 2025 gelijkaan de pensioenpremie in 2024.19, 20 De stijging van de pensioenpremiesin euro’s is mogelijk te verklaren door de stijging van de lonen in hetafgelopen jaar. Hierdoor is de pensioengrondslag ook gestegen, watresulteert in een stijging van de absolute premie.Verder laat de grafiek zien dat in 2025 zowel de werkgevers als dewerknemers in euro’s meer pensioenpremie betalen dan in 2024, waarbijgeldt dat de werkgevers het grootste deel van de premiesom (blijven)opbrengen. De verdeling van de premie tussen werknemers enwerkgevers berust op arbeidsvoorwaardelijke afspraken.14Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet verlagingmaximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomenen het Belastingplan 2014 (novelle Witteveen, 33847) is toegezegd de Eerste Kamer jaarlijks teinformeren over de ontwikkeling van de pensioenpremies op basis van de jaarlijkserapportage van De Nederlandsche Bank.15Exclusief VPL-premie.16Het betreft hier de door De Nederlandsche Bank verzamelde data van 26 pensioenfondsen diede zogenoemde Enquête Premie & Indexatie invullen op basis van de staten en premierappor-tages.17Kamerstukken I, 2022–2023, 33 610, U18Kamerstukken II, 2024–2025, 32 043, nr. 653.19Uw premie in 2025 | PFZW20Definitieve rekencijfers 2025 | PME pensioenfondsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68712 PensioenfondsenMet het bereiken van de mijlpaal van 1 januari 2025 is de arbeidsvoor-waardelijke fase voor wat betreft regelingen uitgevoerd door pensioen-fondsen grotendeels afgerond, dit ziet op 99% van de deelnemers.Daarmee is het beeld van de arbeidsvoorwaardelijke fase voor dezepartijen zoals beschreven in de transitiemonitor van EY en de voortgangs-rapportage winter 2025 compleet. Zo volgt uit de voortgangsrapportagewinter 2025 bijvoorbeeld dat in het merendeel van de pensioenregelingeneen pensioenpremie tussen de 25% en 30% van de pensioengrondslag isovereengekomen. In het vervolg zal hier daarom alleen nog over wordengerapporteerd indien er ontwikkelingen zijn die daar aanleiding toe geven.Van een handvol pensioenfondsen is het transitieplan en daarmee dearbeidsvoorwaardelijke fase nog niet afgerond. Daar hebben zij vaak eenduidelijke reden voor, zoals het overgaan naar een andere uitvoerder ofhet bezien van de toekomst van het pensioenfonds. Of het transitieplanbevindt zich inmiddels in een vergevorderde fase. Ook een aantaltransitieplannen van pensioenkringen is nog niet afgerond, dat betreft eenzeer klein aantal deelnemers. Daarbij speelt dat veel pensioenkringensamen zullen gaan tijdens of na de transitie, waardoor zorgvuldigeonderlinge afstemming noodzakelijk is en dat vergt tijd. Ook op dereguliere collectieve waardeoverdrachten die in dat kader plaatsvindenvan pensioenfondsen naar bijvoorbeeld een APF of verzekeraar wordtdoor DNB actief toezicht gehouden. Deze pensioenfondsen/kringenblijven, voor zover er nog geen implementatieplan is ingediend, deuitvraag van DNB ontvangen en ik blijf hier oog voor houden in dezevoortgangsrapportage.InvarenUit figuur 3 blijkt dat er per 1/7/25 vijf pensioenfondsen overgestapt eningevaren zijn naar de nieuwe regeling. De verwachting is dat hetkomende half jaar 36 pensioenfondsen de voorbereidingen treffen om perFiguur 2: De ontwikkeling van de pensioenpremies voor de jaren 2021 tot en met 20251Bron: DNB-data (2025)1 De pensioenpremies tot en met 2023 zijn ontleend aan daadwerkelijk gerealiseerde data (expost). De pensioenpremies over 2024 en 2025 zijn ontleend aan geprognosticeerde data (ex ante)en daarom weergegeven in een lichtere kleur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68713 1/1/26 over te stappen naar de nieuwe regeling.21 Vanaf volgend jaarontvangen of bouwen bijna 11 miljoen deelnemers hun pensioen (op) opgrond van het nieuwe pensioenstelsel.Tevens is uit deze figuur op te maken dat een aantal fondsen de invaar-datum heeft uitgesteld. Uit de EY-transitiemonitor blijkt dat dit in totaalom 80 pensioenfondsen gaat. Uit de DNB uitvraag blijkt dat ten opzichtevan de uitvraag van het eerste kwartaal van 2025, 13 fondsen huninvaardatum hebben opgeschoven.22 De redenen om de invaardatum uitte stellen, zijn divers van aard en vaak een opstapeling van verschillenderedenen (bijvoorbeeld de beschikbare capaciteit bij de uitvoeringsorgani-satie of de toezichthouder, het tijdig beschikbaar zijn van de accountants-verklaring of knelpunten met de waardering van privaat vastgoed). Degesignaleerde piek van invaren blijft verdeeld over de jaren 2026 en 2027.Ook neemt het aantal fondsen toe dat op de uiterste invaardatum – 1/1/28– zal invaren.Het is aan de pensioenfondsbestuurders om de afweging tot uitstel van detransitiedatum te maken. Zij zijn immers verantwoordelijk voor eenzorgvuldige transitie, zowel inhoudelijk als bijvoorbeeld rondom hetinformeren van hun (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Omde transitie soepeler te laten verlopen, biedt de toezichthouder ook demogelijkheid van een partiële beoordeling aan, waardoor een deel van hetimplementatieplan al eerder beoordeeld kan worden. Op het moment vande DNB uitvraag zijn er 89 partiële beoordelingen aangevraagd, waarvaner reeds 63 zijn afgerond.2321Dit betreft een momentopname, voortschrijdend inzicht kan er toe leiden dat er per 1 januari2026 minder pensioenfondsen invaren. Zo heeft het pensioenfonds Vliegend Personeel KLMde transitiedatum inmiddels uitgesteld.22Uit de DNB data-uitvraag pensioenfondsen WTP Q2–2025 blijkt dat het 11 fondsen zijn die huninvaardatum hebben opgeschoven. Wegens recente ontwikkelingen en de berichtgeving uitPensioenPro is dit aangepast naar 13 fondsen.23Wtp-uitvraag voor pensioenfondsen Q2–2025, De Nederlandsche BankFiguur 3: Invaardata PensioenfondsenBron: Wtp-uitvraag voor pensioenfondsen Q2–2025, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68714 Gesloten regelingenOp basis van de meest recente cijfers van DNB, zal 81% van depensioenfondsen/kringen invaren. Het gaat hierbij om 18,3 miljoendeelnemers (99% van het totaal aantal deelnemers). Redenen om niet in tevaren, zijn bijvoorbeeld dat sociale partners van mening zijn dat invarentot een onevenwichtig nadeel zal leiden (bijvoorbeeld vanwege afsprakenover bijstorting door de werkgever) of omdat zij voor die tijd liquideren.Naar verwachting zullen volgens DNB 32 pensioenfondsen/kringen nietinvaren, het gaat hierbij om ongeveer 1% van het totaal aantaldeelnemers (ca. 270 duizend deelnemers). Het gaat hierbij om 16 openpensioenfondsen/kringen en 16 gesloten pensioenfondsen/kringen. Vande 16 open pensioenfondsen/kringen, overwegen of verwachten erongeveer 10 geen Wtp-regeling uit te voeren of te zullen gaan sluiten.Op basis van openbare data zullen, naast de pensioenfondsen/kringen dieliquideren, nog zeker 9 kringen samengaan tot 3 kringen. Van depensioenfondsen/kringen die liquideren, gaan er 13 definitief over naareen verzekeraar. De andere pensioenfondsen/kringen blijven nog welzelfstandig voortbestaan en voeren een regeling uit binnen deftk-omgeving.Verzekeraars en premiepensioeninstellingenDe mijlpaal voor het afronden van de arbeidsvoorwaardelijke en imple-mentatiefase voor regelingen uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s ligtlater in de tijd. Met het wetsvoorstel Verlenging pensioentransitie komtdeze mijlpaal op 1 oktober 2027 te liggen.24Dat neemt niet weg dat partijen in actie moeten komen. Uit de cijfers blijktdat zowel verzekeraars (89%) als PPI’s (80%) ervaren dat door veelwerkgevers nog geen besluit is genomen over het soort contract. Daarwaar werkgevers wel een keuze hebben gemaakt over het soort contract,hebben zij ook een keuze gemaakt over de inrichting van het contract. Uitde antwoorden van verzekeraars en PPI’s gezamenlijk blijkt dat – indienreeds een keuze is gemaakt – in 59% van de gevallen voor de premie-uitkeringsovereenkomst wordt gekozen en in 41% van de gevallen voor deflexibele premieregeling.OuderdomspensioenIn de meest recente transitiemonitor van EY is de uitvraag gericht opverzekeraars en PPI’s. Verzekeraars geven aan dat de mediaan van dehoogte van de premie tussen de 15% en 20% van de pensioengrondslagligt. Bij PPI’s ligt de mediaan van de pensioenpremie tussen de 10% en15% van de pensioengrondslag. In vergelijking met de hoogte van depensioenpremie zoals in het merendeel van de pensioenregelingen bijpensioenfondsen is overeengekomen (25% tot 30%), ligt dit van verzeke-raars en PPI’s significant lager. Dit is te verklaren door het feit dat bij depensioenregelingen ondergebracht bij pensioenfondsen, sociale partnersbetrokken zijn bij de arbeidsvoorwaardelijke fase. Hierdoor wordt vakereen hogere pensioenpremie overeengekomen dan situaties waarbijpensioenregelingen afgesloten worden bij verzekeraars en PPI’s enwerkgevers en werknemers (vertegenwoordigers) onderling de pensioen-premie bepalen. Daarnaast is er bij pensioenfondsen sprake van een brutopremie, waar de risicopremies en de kosten voor de uitvoering nog van afworden getrokken. Verzekeraars en PPI’s hanteren een netto premie,24Verlenging transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel (36.578) - Eerste Kamer derStaten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68715 waarbij risicopremies en kosten voor de uitvoering apart bij de werkgeverin rekening worden gebracht.NabestaandenpensioenIn de transitiemonitor worden ook afspraken rondom het nabestaanden-pensioen gemonitord. Hiermee wordt de motie van de leden Ceder (CU)en Stoffer (SGP) uitgevoerd.25 De ondervraagde verzekeraars geven aandat in alle gevallen – zowel in de oude als in de nieuwe situatie – hetnabestaandenpensioen onderdeel is van de pensioenregeling, zowel voorals na de pensioendatum. Bij PPI’s geldt dat het nabestaandenpensioen in79% van de gevallen voor zowel voor als na de pensioendatum onderdeelis van de pensioenregeling. In 20% van de gevallen is het nabestaanden-pensioen enkel voorzien bij overlijden vóór pensioendatum. Daarnaastblijven reeds opgebouwde nabestaandenpensioenaanspraken behoudenconform het overgangsrecht.De mediane hoogte van het nabestaandenpensioen op risicobasis (dus bijoverlijden vóór pensioendatum) ligt bij verzekeraars en PPI’s rond de 15%van het laatstverdiende loon. Dit percentage is lager dan bij pensioen-fondsen (30% van het laatstverdiende loon) zoals in de vorige transitiemo-nitor uitgevraagd. Tot slot is aan de verzekeraars en PPI’s gevraagd of eraanvullende afspraken zijn gemaakt voor de vrijwillige voortzetting vanhet partnerpensioen op risicobasis. Het merendeel van de verzekeraars enPPI’s geeft aan dat er geen aanvullende afspraken zijn gemaakt. Afgezienhiervan, gelden sowieso al een aantal wettelijke afspraken zoals destandaard uitloopdekking van 3 (of indien afgesproken, 6) maanden en devoortzetting bij WW en ZW.Eerbiedigende werkingIn lijn met de vorige rapportages, geven verzekeraars en PPI’s aan dat bijbestaande premieregelingen (met leeftijdsafhankelijke premies) in 76%respectievelijk 79% van de gevallen wordt gekozen voor het toepassenvan de eerbiedigende werking. Redenen om hiervoor te kiezen zijn hetvereenvoudigen van de compensatieproblematiek, het eenvoudigermaken van de transitie als geheel, of vanuit kostenoverweging (depremielast stijgt nauwelijks bij het kiezen voor eerbiedigende werking).Hierbij dient opgemerkt te worden dat de meeste werkgevers met eenpensioenregeling bij een verzekeraar of PPI, nog niet in de besluitvor-mingsfase zitten en er daarmee ook nog geen besluit is genomen ofcompensatie nodig is. Daarnaast geven de verzekeraars en PPI’s aan datde meeste werkgevers dus gebruikmaken van de eerbiedigende werking,juist omdat compensatie dan niet nodig is. In die gevallen waarin toch eencompensatieregeling wordt gemaakt, dan vindt die bijna altijd plaatsbuiten de pensioenregeling (dus via extra bruto loon) en bevindt decompensatieregeling zich buiten het zicht van de verzekeraar/PPI.Contractkeuze van verzekeraars en PPI’sVerzekeraars en PPI’s kunnen Wtp-contracten aanbieden en bestaandecontracten omzetten. Er wordt bij verzekeraars het vaakst gekozen vooreen omzetting of nieuwe Wtp-regeling naar een premie-uitkeringsovereenkomst (in 92% van de gevallen bij de reeds omgezettecontracten). Bij PPI’s wordt vaker gekozen voor een FPR zonder risicode-lingsreserve (in 81% van de gevallen bij de reeds omgezette contracten).Voor een flexibele premieregeling met risicodelingsreserve of de solidairepremieregeling wordt door zowel verzekeraars als PPI’s vooralsnog niet25Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 158.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68716 gekozen. Tot nu toe is 7% van de contracten bij verzekeraars, en 9% vande contracten bij PPI’s omgezet. In figuur 4 is het verwachte verloop vande pensioentransitie bij verzekeraars en PPI’s gedurende de transitieinzichtelijk gemaakt. Ten opzichte van de vorige voortgangsrapportage isde verwachting van het aantal omzettingen van contracten in 2026 en2027 toegenomen. Bij PPI’s is de verwachting van het aantal om te zettencontracten in 2028 gedaald.Activeren werkgeversNog steeds is het belangrijk dat er aandacht gaat naar de transitie vanpensioenregelingen die uitgevoerd worden door verzekeraars en PPI’snaar het nieuwe stelsel. Mijn ministerie heeft de afgelopen periodeoverleg gevoerd met werkgeversorganisaties, het Verbond van Verzeke-raars, AFM en adviseurs over hoe de voortgang verloopt. De partijenerkennen de urgentie en nemen diverse initiatieven om de werkgeversaan te moedigen aan de slag te gaan. Zo organiseren VNO-NCW enMKB-Nederland webinars en zijn zij een voucherregeling gestart waarmeewerkgevers tot € 555 aan advieskosten kunnen terugvragen voor hetWtp-proof maken van hun pensioenregeling.Tegelijkertijd zie ik, net als de regeringscommissaris, dat aanvullendestappen nodig zijn om te voorkomen dat de uitvoering straks vastlooptdoordat te veel werkgevers tegelijk willen overstappen en er op datmoment onvoldoende adviseurs beschikbaar zijn. De verantwoorde-lijkheid om deze piek gelijkmatiger over de transitieperiode te spreiden,ligt bij zowel de verzekeraars/PPI’s als bij de werkgevers. Daarbij heeft depensioenadviseur een cruciale rol om de werkgever te activeren en tezorgen dat werkgevers op tijd komen tot een offerteaanvraag, afgestemdmet de werknemersvertegenwoordiging. Uiteraard dienen ook hier dedeelnemers correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig te worden geïnfor-meerd. Daarom maak ik concrete afspraken met sociale partners, hetVerbond van Verzekeraars en adviseurs over een gecoördineerde aanpakvoor de komende periode. Hierin worden (gezamenlijke) actiesvastgelegd, wordt periodiek de voortgang bewaakt en wordt bezien welkemaatregelen aanvullend nodig zijn. Te denken valt aan het markeren vaneen uiterste datum dat de werkgever een offerte kan indienen bij deverzekeraar of PPI. Ik wil hierbij benadrukken dat de aanvullendemaatregelen niet in de plaats komen van de eigen verantwoordelijkheiddie verzekeraars, PPI’s, adviseurs en werkgevers hebben. Het vraagtnadrukkelijk om een proactieve houding van alle partijen.Figuur 4: Ontwikkeling van de omzetting van contracten naar het nieuwe stelsel gedurende detransitieperiode door verzekeraars en PPI’sBron: Transitierapportage voor verzekeraars en PPI’s 2025, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68717 KostenHet beheersen van de uitvoeringskosten is een belangrijke opgave voorpensioenuitvoerders. Pensioenuitvoerders moeten kritisch kijken naar degemaakte kosten en daar transparant over zijn richting hun deelnemers.Dat geldt in algemene zin, maar zeker met het oog op de transitie naar hetnieuwe pensioenstelsel. In de pensioenwet is een aantal waarborgenopgenomen om deze kosten voor deelnemers inzichtelijk te maken. Zomoet op het uniforme pensioenoverzicht (UPO) van iedere deelnemerstaan welke kosten de pensioenuitvoerder maakt en moet het pensioen-fonds in het bestuursverslag verantwoording afleggen over de uitvoe-ringskosten. Hierbij moet het pensioenfonds de gemaakte kosten kritischevalueren en kijken naar mogelijke verbeteringen met betrekking tot debeheersing van deze kosten. Dit vergroot de druk om de gemaakte kosteneffectief te beheersen. Beide toezichthouders houden hier ook ieder vanuitde eigen verantwoordelijkheid toezicht op. DNB houdt toezicht op debeheerste en integere bedrijfsvoering, de AFM houdt toezicht op detransparantie en informatievoorziening aan deelnemers. In de afgelopenvoortgangsrapportage monitor Wtp (winter 2025) ben ik hier uitgebreid opingegaan.Aanvullend blijkt uit de nieuwste transitiemonitor Wtp dat er vaker wordtaangegeven dat de incidentele transitiekosten in een aantal gevallenhoger uitpakken dan initieel verwacht. Concrete cijfermatige gegevenshierover zijn echter pas in het najaar beschikbaar wanneer de jaarreke-ningen van alle uitvoerders bekend zijn. Waar een verwachte stijgingwordt gemeld is deze veelal verklaarbaar als gevolg van bijvoorbeeld desamenloop met andere ontwikkelingen zoals de overstap naar een anderepensioenuitvoeringsorganisatie en eventuele kosten die al gemaakthadden moeten worden – dus ook wanneer geen sprake zou zijn van eenstelselherziening – waaronder het op orde brengen van de datakwaliteit.Daarnaast wordt het beeld van stijgende kosten als gevolg van de transitiedoor sommige pensioenuitvoeringsorganisaties genuanceerd. Zo gaf APGaan dat circa 11 euro uitvoeringskosten per deelnemer op het conto vande transitiekosten kwam en dat de kosten voor de reguliere dienstver-lening in reële termen daalden.26 Samenvattend, op basis van de huidigeinzichten is er nog geen aanleiding om te veronderstellen dat de totaletransitiekosten hoger gaan uitvallen dan verwacht in de memorie vantoelichting van de Wtp.Ik wil, zoals eerder afgesproken met uw Kamer, met elkaar de vinger aande pols houden. De komende tijd worden de jaarverslagen, met daarin dekosten, opgesteld. Actuarieel Adviesbureau Bell monitort jaarlijks deuitvoeringskosten van alle pensioenfondsen samen. Hun rapport, over deuitvoeringskosten in 2024, verschijnt naar verwachting in het najaar van2025. Over deze nieuwe cijfers, de informatie van de toezichthoudershierover en de informatie uit de volgende transitiemonitor wordt u via devoortgangsrapportage monitoring Wtp (winter 2026) geïnformeerd.TransitiecommissieSociale partners dan wel werkgever en werknemers vertegenwoordigddoor bijvoorbeeld vakbonden of de OR die hun regeling laten uitvoerendoor een pensioenfonds konden tot 1 juli 2024 voor een bindend adviesterecht bij de transitiecommissie. Indien de regeling wordt uitgevoerddoor een verzekeraar kunnen deze partijen tot 1 januari 2026 terecht bij detransitiecommissie voor bemiddeling en tot 1 januari 2027 voor bindend26«Onze ambitie is om de kosten per deelnemer te verlagen» | APGTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68718 advies.27 In de periode vanaf de tweede voortgangsrapportage tot 26 juni2025 zijn er geen nieuwe zaken voorgelegd aan de transitiecommissie.Derhalve blijft het aantal aan de transitiecommissie voorgelegde zaken opdrie.Ervaringen van de deelnemerZoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, is het van belang dat de deelnemerwordt betrokken bij en geïnformeerd over de transitie naar het nieuwepensioenstelsel. Van alle bij de transitie betrokken partijen wordt dan ookverwacht dat zij de deelnemers op een goede manier meenemen. Medeop verzoek van uw Kamer worden de ervaringen van de deelnemer tijdensde transitie gemonitord. Dit gebeurt aan de hand van de volgende vieronderdelen: (1) De publieksmonitor pensioenen; (2) De deelnemersmo-nitor (3) Het aantal zaken voorgelegd aan de Geschilleninstanties en hetaantal pensioenzaken in het kader van de Wtp bij de Raad voor deRechtspraak; en (4) De Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA).PublieksmonitorSinds februari 2022 wordt ieder kwartaal een meting gedaan in het kadervan de Publieksmonitor Vertrouwen Pensioenstelsel.28 De publieksmo-nitor pensioenen heeft als doel om doorlopend het vertrouwen van deNederlandse bevolking in het pensioenstelsel inzichtelijk te maken.Primair ligt hierbij de nadruk op het meten van vertrouwen in het stelselen de partijen daarachter. Secundair ligt de nadruk op het meten vanbasiskennis over en het gedrag ten aanzien van pensioenen. De publieks-monitor pensioenen geeft aanknopingspunten om de communicatierondom de stelselwijziging richting alle burgers te verbeteren.De publieksmonitor pensioen (bijlage 5), laat in het tweede kwartaal van2025 een stijging zien in het vertrouwen ten aanzien van pensioen. Devertrouwensscore heeft hiermee het hoogste punt bereikt sinds de startvan de metingen in Q1 2022. De score in Q2 2025 is met 6,2 neutraal tenoemen; in Q1 2025 was deze 5,9. De vertrouwensscore wordt gemetenop een schaal van 1 tot 10. Een score lager dan 4 duidt op weinigvertrouwen. Bij een score tussen 4 en 7 is het vertrouwen neutraal tenoemen en een score boven de 7 toont aan dat er veel vertrouwen is. Hetvertrouwen is met name toegenomen onder de groepniet-gepensioneerde 55-minners. Alle onderliggende vertrouwensa-specten zijn gestegen, waarbij de stijging het grootst is op het aspect«toereikend». Deze indicator gaat erover of het pensioen waardevastgeacht wordt, of het pensioen goed afgestemd is op de behoeften bijpensionering en of de manier waarop pensioenen geregeld worden,uitgaat van wat het beste is voor (gewezen) deelnemers en pensioenge-rechtigden, ten opzichte van voorgaande perioden.Een grote meerderheid (60%) heeft geen uitgesproken vertrouwen ofwantrouwen (neutraal) ten aanzien van hoe het pensioen geregeld is. Zijnemen een afwachtende houding aan ten aanzien van wat de verande-ringen voor hen gaan betekenen. Tot slot geven meer mensen aan deafgelopen zes maanden bezig te zijn geweest met het pensioen (58%)en/of iets veranderd te hebben hieraan (31%). Voor beide aspecten is diteen stijgende trend en de hoogste score in het afgelopen jaar. De kennisdie het publiek heeft over de basiskenmerken van het pensioen is hoog enverandert niet wezenlijk in de tijd. De bekendheid met de veranderingen in27Deze data zijn van toepassing vanaf het moment dat de uiterste transitiedatum is verlengd tot1 januari 2028.28Publieksmonitor pensioenen | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68719 het pensioenstelsel is in Q2 2025 toegenomen van 65% in Q1 naar 70% inQ2, met name onder de 55-minners. Het nieuws en de eigen pensioenuit-voerder gelden daarbij als belangrijkste bron, hoewel het nieuws vooraldoor Nederlanders ouder dan 55 jaar wordt genoemd.DeelnemersmonitorBij de publieksmonitor ligt de focus op het vertrouwen in het pensioen-stelsel in het algemeen. De deelnemersmonitor, uitgevoerd door Netspar,gaat specifieker in op de deelnemerservaringen van (gewezen)deelnemers en pensioengerechtigden met de transitie. Het onderzoek sluitzoveel mogelijk aan bij de tijdlijnen van de transitie.In de eerste rapportage over de ervaringen van deelnemers (de deelne-mersmonitor) deelt Netspar zijn kwalitatieve bevindingen (zie bijlage 2).29Uit deze deelnemersmonitor blijkt, in lijn met de publieksmonitor, dat debekendheid over de komst van de nieuwe pensioenregeling toeneemt.De meeste deelnemers weten dat er wat gaat veranderen, maar de kennisover wat er gaat veranderen is nog beperkt. De informatie die vanuit depensioenfondsen komt, blijkt een belangrijke informatiebron. De meestedeelnemers hebben er vertrouwen in dat hun pensioenfonds bij deovergang zal handelen in hun belang en zal zorgen voor een zorgvuldigeomzetting van de pensioenen.Daarnaast blijkt uit de deelnemersmonitor dat de communicatie dient aante sluiten bij de informatiebehoeften van de doelgroep, wat met namevoor de communicatie aan gepensioneerden een aandachtspunt is. Ookde timing van informatie en hoe concreet en persoonlijk de informatie is,speelt hierbij een rol. Pensioenuitvoerders geven daarbij aan dat het henhelpt om kritisch te kijken naar de communicatiestrategie. Ook beslis-singen over bijvoorbeeld de toonzetting en de te gebruiken communica-tiemiddelen worden ondersteund door uitkomsten van de monitoring. Ikheb hierover recent met de pensioensector gesproken, onder andere overde wijze waarop het vertrouwen van deelnemer dat het pensioenfonds bijde transitie handelt in hun belang kan worden versterkt. In het gesprekgaven pensioenuitvoerders aan dat zij gebruik zullen maken van de eerdergenoemde inzichten en hun communicatie daarop aan zullen passen.Deze eerste kwalitatieve bevindingen laten de waarde van dezemonitoring, ook voor het verbeteren van de communicatie richtingdeelnemers, al helder zien. Echter, het is voor de voortgang van dedeelnemersmonitor en de vergelijkbaarheid van de bevindingen viabenchmarking essentieel dat zoveel mogelijk pensioenuitvoerders enpensioenuitvoeringsorganisaties zich aansluiten bij deze monitor. Ik roephen, gezien het belang dat ik hecht aan het verbeteren van het draagvlakonder deelnemers, dan ook op om hieraan deel te nemen.Klachten- & geschillencommissies en Raad voor de RechtspraakExterne geschillenbeslechting is één van de onderdelen van dewaarborgen in het kader van de Wtp om de rechtspositie van dedeelnemer te verbeteren. Met ingang van de Wtp kan een deelnemer bijeen pensioenfonds naar de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP)voor een onafhankelijke, snelle en laagdrempelige procedure om eengeschil te beslechten. Voor verzekeraars bestaat de route naar hetKlachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Ook kan een29Gezien de huidige stand van de transitie en het aantal deelnemers aan de monitoring is hetgoed verklaarbaar om alleen een kwalitatieve analyse te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68720 deelnemer te allen tijde ervoor kiezen om naar de rechter te stappen.Zoals toegezegd, wordt via de Raad voor de Rechtspraak het aantalgeschillen en rechtszaken gemonitord. Ook is uit de eerste kwartalen van2025 gebleken dat dit aantal vooralsnog zeer beperkt is (<10). Eveneensvalt op dat GIP minder geschillen heeft ontvangen dan aanvankelijkverwacht. De verwachting is wel dat dit aantal in de loop van 2025 zaltoenemen. De geschillen die binnenkomen, verlopen veelal middelsbemiddeling (85%). Na bemiddeling kiest meer dan de helft vervolgensvoor beslechting (68%), die vaak bindend is (64%). De meeste geschillengaan over de pensioenberekening- en betaling (41%), opgevolgd doorgeschillen over de toepassing van wet- en regelgeving «algemeen» (30%)en vervolgens door geschillen over de informatieverstrekking (10%). Tenaanzien van Kifid valt op dat de meest voorkomende onderwerpen zeerdivers zijn. De onderwerpen die hierbij het meest voorkomen zien toe opde lifecycle, indexatie en waardeoverdrachten.In tabel 1 is het aantal, de aard en de soort procedure (bemiddeling/beslechting) over de eerste helft van 2025 weergegeven, waarbij vanbelang is dat Kifid gedurende de gehele klachtprocedure bekijkt of eenzaak zich leent voor bemiddeling omdat partijen niet op voorhand kiezenvoor bemiddeling of een uitspraak.30Tabel 1: Overzicht zaken bij geschilleninstantiesGeschilleninstantieGIPKifidAantal geschillen24045Aard van de geschillenPensioenberekeningAlgemeen: Wet- enregelgevingLifecycleIndexatieInformatieverstrekkingWaardeoverdrachtenPercentage bemiddeling85%Percentage beslechting(direct)15%Percentage beslechting(na bemiddeling)68%Percentage bindend/niet-bindend64% bindend36% niet bindend76% bindend10% niet bindend 14% geenkeuzeDoorlooptijden (in werkdagen)14711291 Doorlooptijden gemeten over de afgeronde zaken. Er zijn zeker langer lopende dossiers, maardie komen pas na afronding van het geschil mee in de telling. Nationale Enquête ArbeidsomstandighedenDe Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) heeft de resultatenover 2024 gepubliceerd.31 De tevredenheid over de pensioenregeling is inverschillende sectoren gemeten. Uit deze enquête, uitgevoerd door TNOin samenwerking met het CBS, blijkt dat 84% van de werknemers (heel)tevreden is over de pensioenregeling. In de sectoren zakelijk en ICT zijnwerknemers vaker dan gemiddeld ontevreden over hun pensioenregeling,dit zijn de sectoren met een relatief grote zogenoemde witte en/of grijzevlek en waar doorgaans de organisatiegraad van vakbonden laag is. In desectoren financieel, bestuur en onderwijs daarentegen zijn relatief veelwerknemers heel tevreden over hun pensioenregeling. Daarnaast blijkt uitde NEA dat 83% van de werknemers (heel) tevreden is over de vertegen-woordiging door de vakbonden en 80% van de werknemers (heel)30Voor de monitoring Wet toekomst pensioenen ontvangt SZW van zowel GIP als Kifid tweemaalkeer per jaar een overzicht met daarin de aantallen, percentages en ontwikkelingen tenaanzien van de geschillen over de betreffende periode.31Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden | NEA 2024 Resultaten in vogelvlucht | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68721 tevreden is over de vertegenwoordiging door de ondernemingsraad/medezeggenschapsraad. Tot slot blijkt uit eerder onderzoek (over 2022)blijkt dat werknemers de pensioenregeling als arbeidsvoorwaarde (heel)belangrijk vinden (97%).Stand van zaken (voorgenomen) wet- en regelgeving, moties entoezeggingenDeze voortgangrapportage en het advies van de regeringscommissarisgeven geen aanleiding tot een verdere verlenging van de uiterstetransitiedatum. Wel heb ik het afgelopen half jaar een aantal toezeggingengedaan en/of zijn er moties aangenomen die gerelateerd zijn aan detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Hieronder staat een overzichtvan de stand van zaken van de lopende wet- en regelgevingstrajecten,moties en toezeggingen gerelateerd aan de Wtp.Wetsvoorstel verlenging van de transitieperiode naar het nieuwepensioenstelselOp 20 mei 2025 is het wetsvoorstel verlenging van de pensioentransitienaar het nieuwe pensioenstelsel aangenomen in de Tweede Kamer. Op ditmoment ligt het wetsvoorstel voor behandeling in de Eerste Kamer. Hetonderliggende besluit ligt voor in beide Kamers in het kader van devoorhangprocedure. De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is1 januari 2026.Op 12 juni 2025 is het besluit dat ziet op de wijziging van de uitersteinleverdatum van het implementatie- en communicatieplan in werkinggetreden. Daarnaast regelt het besluit dat pensioenfondsen, ondervoorwaarden, toeslagen kunnen verlenen dankzij versoepelde indexatie-regels. Tevens is hierin gecodificeerd dat het communicatiemoment vanpensioenfondsen met deelnemers minimaal één maand voor het invarenplaats moet hebben gevonden.Verzamelbesluit pensioenenGedurende de uitvoering van de pensioentransitie is een aantal uitvoe-ringsaspecten naar voren gekomen dat verduidelijking behoeft. Het gaatdan bijvoorbeeld om de verduidelijking dat pensioenfondsen ondervoorwaarden na invaren tijdelijk kunnen afwijken van hun strategischbeleggingsbeleid, in het belang van de deelnemers en voor de stabiliteitvan de financiële markten. Naast enkele nadere beperkte wijzigingen omde uitvoering te verbeteren, biedt dit besluit ook duidelijkheid over demanier waarop pensioenfondsen het eigen vermogen kunnen aanvullen.Er zijn situaties waarin het eigen vermogen van een pensioenfonds kandalen tot onder het minimaal vereist eigen vermogen (MVEV). Dit kanbijvoorbeeld voorkomen wanneer de kosten van een pensioenfonds hogerzijn dan op voorhand voorzien. Een pensioenfonds is verplicht om eenadequate voorziening voor toekomstige uitvoeringskosten (voorzieningoperationele kosten) aan te houden. Het kan voorkomen dat bepaaldekosten onvoorzien zijn waardoor de kostenvoorziening niet toereikend is.Deze kosten komen ten laste van de operationele reserve (ook welalgemene reserve genoemd). De operationele reserve is onderdeel vanhet eigen vermogen van een pensioenfonds. Indien de kosten zodanig zijndat het eigen vermogen daalt tot onder het MVEV dient het fondsmaatregelen te nemen. Dit kan in een uiterst geval betekenen dat deindividuele vermogens verlaagd worden. Dit terwijl er binnen hetpensioenfonds mogelijk nog onverdeeld collectief vermogen aanwezig isin de solidariteits- of risicodelingsreserve. Ik vind dit onwenselijk endaarom wordt met het besluit verduidelijkt onder welke voorwaardenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68722 pensioenfondsen de solidariteits- of risicodelingsreserve kunnen inzettenom het eigen vermogen aan te vullen tot maximaal het minimaal vereisteigen vermogen (MVEV) om daarmee een korting te voorkomen.Dit besluit is op 2 juni 2025 in internetconsultatie gegaan. De internetcon-sultatie liep tot 25 juni jl. De beoogde inwerkingtreding van dit besluit iszo spoedig mogelijk en uiterlijk voor 1 januari 2026. Na de internetconsul-tatie wordt de nadere uitwerking van de twee door mij aangekondigdemaatregelen (zie hoofdstuk 2) toegevoegd aan het besluit, waarna hetverzamelbesluit het reguliere proces van toezichttoetsen en adviseringdoor de Raad van State zal doorlopen.Wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpenDit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de tijdens de behandeling van deWtp gedane toezeggingen aan de Eerste Kamer. Uw Kamer is hier eerderover geïnformeerd in de verzamelbrief pensioenonderwerpen. Ditwetsvoorstel zal naar verwachting in het najaar van 2025 bij uw Kamerworden ingediend.Wijziging Vrijstellings- en boetebesluit en Regeling vrijstellingen Wet Bpf2000 en de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000De Wijziging van het Vrijstellings- en boetebesluit ziet op het aanpassenvan enige (technische) knelpunten, met name ten aanzien van hetovergangsrecht in het kader van het Wet toekomst pensioenen. In ditovergangsrecht wordt geregeld dat vanaf het moment dat bedrijfstakpen-sioenfonds of werkgever de transitie heeft gemaakt naar eenWtp-regeling, er tijdelijk alleen op de financiële gelijkwaardigheid van hetpensioen op opbouwbasis wordt getoetst, tot beide partijen over zijn.Verder wordt een inlichtingenplicht voor pensioenfondsen geïntroduceerdom evaluatie van de performancetoets op een later moment mogelijk temaken. Als laatste wordt het begrip «dezelfde aanspraken» bij eenvrijstelling op basis van onvoldoende beleggingsperformance gewijzigdnaar «gelijkwaardige aanspraken», omdat garanderen van exact dezelfdeaanspraken tussen twee premieregelingen niet mogelijk is. Dit besluit isrecentelijk om advies aanhangig gemaakt bij de RvS. De beoogdeinwerkingtreding voor dit besluit is uiterlijk 1 september 2025. Daarnaastzal in dit kader ook de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 wordenaangepast. Deze zal binnenkort in internetconsultatie gaan. Hierin worden,naast het op eenzelfde manier als het besluit aanpassen van hetovergangsrecht, ook enige verduidelijkingen en aanpassingen ten aanzienvan de berekeningen van de financiële en actuariële gelijkwaardigheidvoorgesteld, om deze beter uitvoerbaar te maken voor premieregelingen.Tevens wordt het begrip «gelijkwaardige aanspraken» hierin naderingevuld. Ook deze regeling zal naar verwachting uiterlijk op 1 september2025 in werking treden.Motie onderzoek naar versoepeling indexatie ftkEind november 2024 heb ik toegezegd om na de transitie te onderzoekenof er iets moet gebeuren met de indexatiegrenzen in het FinancieelToetsingskader (ftk).32 Vervolgens is in december 2024 de motie vanJoseph en Vermeer aangenomen waarin de deadline van de toezeggingnaar voren is gehaald en wordt verzocht de uitkomst in de eerste helft van2025 te delen met de Tweede Kamer.33 Aanleiding voor dit onderzoek is32TZ202411-10133Motie van de leden Joseph en Vermeer over nu al onderzoeken hoe de indexatieregels voorpensioenfondsen die niet invaren versoepeld kunnen worden (Kamerstuk 32 043, nr. 673)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68723 dat er als gevolg van de transitie gesloten fondsen ontstaan als dezebesluiten niet in te varen. Bij gesloten fondsen verandert de financiëlesituatie ten opzichte van een open fonds, omdat er geen nieuwedeelnemers toetreden en er geen nieuwe premie wordt ingelegd.De pensioenfondsen die de opgebouwde pensioenen niet invaren naareen nieuwe pensioenregeling blijven achter in het ftk. Het doel van demotie is om indexatieregels voor pensioenfondsen die niet invaren teversoepelen en snellere indexatie mogelijk te maken. Uw Kamer wordt opkorte termijn separaat geïnformeerd over het onderzoek en de uitkomstendaarvan.KoopkrachtinstrumentenIn aanvulling op de bestaande koopkrachtinstrumenten in de Wtp heb iktoegezegd om te onderzoeken of het denkbaar en praktisch uitvoerbaar isom binnen de kaders van het Pensioenakkoord additionele koopkrachtin-strumenten vorm te geven.34 In dit kader beschouw ik tevens de voor- ennadelen om sociale partners en pensioenfondsen te verplichten om eenkoopkrachtambitie te formuleren. Uw Kamer wordt op korte termijnseparaat geïnformeerd over de stand van zaken rondom dit onderzoek,dat omwille van de voortgang in eerste instantie een kwalitatief karakterheeft.DoelstellingenmonitorDe doelstellingenmonitor beantwoordt de vraag van de Kamer omonderzoek te doen in hoeverre de drie doelstellingen die ten grondslagliggen aan de Wtp worden behaald. De doelstellingen zijn: 1) Eerderperspectief op een koopkrachtig pensioen; 2) Een transparanter en meerpersoonlijk pensioenstelsel; en 3) Betere aansluiting bij ontwikkelingen inde samenleving en op de arbeidsmarkt. Ook de in het Pensioenakkoordopgenomen randvoorwaarden, zoals genoemd in de motie van de ledenPalland en Ceder, worden in deze monitor meegenomen.35 De opdrachtvoor het uitvoeren van de doelstellingenmonitor is gegund aan SEOEconomisch Onderzoek. Naar verwachting zullen de eerste resultaten uitde doelstellingenmonitor bij de volgende voortgangsrapportage wordengedeeld.AfsluitendDe afgelopen tijd is er door alle betrokken partijen hard gewerkt om detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel op beheerste wijze met oog voorhet belang van de deelnemers te realiseren. Met de overgang van deeerste vijf pensioenfondsen en daarmee 232 duizend (gewezen)deelnemers en pensioengerechtigden en het omzetten van 4.295contracten bij verzekeraars en PPI’s is het nieuwe pensioenstelsel een feit.Maar er moet ook nog veel gebeuren. Dit doet een groot beroep op alleuitvoeringspartijen. Zij moeten een zorgvuldige, beheerste transitiecombineren met voldoende vaart, zodat alle regelingen per 1 januari 2028zijn omgezet naar het nieuwe pensioenstelsel. Uit deze rapportage blijktdat vooral kleine werkgevers met een pensioenregeling ondergebracht bijverzekeraars nog stappen kunnen zetten. Om daaraan zelf een bijdrage televeren, ben ik met betrokken partijen (verzekeraars, adviseurs en socialepartners) om tafel om gezamenlijk tot acties te komen waarmee de op ditmoment verwachte piek over de tijd kan worden gespreid. Dit mede om te34Kamerstukken II 2024–2025, 36 578, nr. 15.35Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 148.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68724 voorkomen dat de planning niet kan worden gehaald omdat iedereen ophetzelfde moment over wil stappen.Om deze majeure transitie tijdig te realiseren, moeten deelnemers goedworden meegenomen in wat er staat te gebeuren. Ik herhaal hierbij danook mijn oproep aan pensioenfondsen om meer de dialoog op te zoekenmet de deelnemers om zo het draagvlak voor het nieuwe pensioenstelselte vergroten.Daarbij is het van belang dat er wordt samengewerkt en goedevoorbeelden worden gedeeld. Ik zie dat dit in de praktijk al gebeurt daarwaar het gaat om het betrekken en informeren van de deelnemer. Ook inalgemene zin zie ik dat het lerend vermogen van de sector wordtaangesproken om de transitie tijdig af te kunnen ronden. Dat geldt nietalleen voor de pensioenuitvoerders maar ook voor de toezichthouders.Ervaringen worden gedeeld, goede voorbeelden worden uitgewisseld enhandreikingen worden aangeboden. Het is goed om te zien dat ditgebeurt.Ik blijf ook de komende jaren de transitie volgen conform het plan vanaanpak monitoring dat met uw Kamer is gedeeld.36 Ik roep partijen op omte blijven meewerken aan de verschillende monitoren en hun ervaringenvia de verschillende gremia te delen. Op die manier kan een zo compleetmogelijk beeld worden gegeven van de voortgang van de transitie enkunnen eventuele knelpunten zo snel mogelijk worden weggenomen.Door middel van deze voortgangsrapportage geef ik hier invulling aan enblijf ik u periodiek informeren.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van Hijum36Kamerstukken II, 2022–2023, 36 067, nr. 191.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68725 MOTIE- EN TOEZEGGINGENOVERZICHT – VOORTGANGSRAP-PORTAGE MONITORING WTP – ZOMER 2025MotieNaamStand van zaken36 067, nr. 118Motie van het lid Smals over gedurende de transitieperiode monitoren of pensioenfondsen eencarve-out nodig hebben in verband met een evenwichtige belangenafweging.In uitvoering36 067 nr. 148Motie van de leden Palland en Ceder over bij de monitoring de randvoorwaarden meenemendie zijn opgenomen in het pensioenakkoord.In uitvoering36 067 nr. 158Motie van de leden Ceder en Stoffer over de nieuwe vormgeving van het nabestaandenpensi-oen zo snel mogelijk evalueren en monitoren.In uitvoering36 067 nr. 163Motie van het lid Stoffer c.s. over het regelmatig uitvoeren van invoeringstoetsen na inwerking-treding van de Wtp.In uitvoering36 067 nr. 166Motie Maatoug c.s. over een uitvoeringsmonitor over de arbeidsvoorwaardelijke afspraken enin 2026 bezien of het invaren op tijd en verantwoord kan worden ingevoerd.In uitvoering36 067 nr. 177Motie van de leden Smals en Stoffer over het monitoren van afspraken over compensatie en deobstakels die sociale partners ondervinden om deze te realiseren.In uitvoering32 043 nr. 674Motie Joseph c.s. over een evaluatie van het invaren van de eerste drie pensioenfondsen.Uitgevoerd ToezeggingNaamT03630Kamer periodiek informeren over voortgang transitie.In uitvoeringTZ202411-092In de monitoring van de transitie ook de compensatie bij pensioenregelingen bij verzekeraarsmonitoren.In uitvoeringTZ202411-093Via de Voortgangsrapportage monitoring Wtp terugkoppelen voor hoeveel personen met eenpremieregeling met een stijgende premie er is gekozen voor de eerbiedigende werking.In uitvoeringEK T3630Kamer periodiek informeren over voortgang transitie.In uitvoeringEK T1964Jaarlijkse rapportage aan het parlement over de premieontwikkeling bij de pensioenfondsen.In uitvoering BIJLAGE:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68726
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe in de voortgangsmonitor explicieter stil te staan bij de vraag hoe participatie vorm krijgt, goede voorbeelden te delen en het beeld te sch
De minister zegt toe in de voortgangsmonitor explicieter stil te staan bij de vraag hoe participatie vorm krijgt, goede voorbeelden te delen en het beeld te schetsen over de mate waarin hoorrecht- verenigingen worden betrokken.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.