KamerkringInloggen
Kamerbrief

Additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie

9 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 1f81b063e64fbedc · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 578Wijziging van de Pensioenwet, de Wet op deloonbelasting 1964 en enige andere wetten inverband met de verlenging van detransitieperiode naar het nieuwe pensioenstelselNr. 31 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 juli 2025InleidingEén van de doelstellingen van de Wtp is meer perspectief op eenkoopkrachtiger pensioen. Ten opzichte van het oude pensioenstelselbieden de pensioencontracten van de Wtp dan ook diverse nieuwe optiesom het inflatiepatroon beter te volgen zoals bijvoorbeeld door toedelings-regels, de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, een vasteafslag van het projectierendement en het directe beschermingsrendementmet inflatiegerelateerde beleggingsproducten.1 In de Kamer zijn er zorgengeuit over het behalen van deze doelstellingen. In het kader van de motieJoseph en Vermeer2 ben ik een verkenning gestart naar mogelijkeadditionele koopkrachtinstrumenten, zodat pensioenuitkeringen in hetnieuwe stelsel nog beter de jaarlijkse inflatie kunnen volgen. In deze briefgeef ik een stand van zaken.Naast de verkenning van mogelijke additionele koopkrachtinstrumentenzal in deze kamerbrief ook worden ingegaan op de voor- en nadelen vanhet opleggen van een verplichting aan pensioenuitvoerders en socialepartners om een koopkrachtambitie voor de pensioenuitkeringen teformuleren, zoals opgenomen in de aangehouden motie Joseph3. DeKamer kan deze beschouwing betrekken in zijn oordeel over de motie.Verplichte koopkrachtambitieMomenteel is in de wet vastgelegd dat bij een solidaire premieregeling,de pensioenuitvoerder ten minste iedere vijf jaar berekent wat de kans is1Muns, S., Nijman, T., & Werker, B. (2022). Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwepensioencontract. Netspar Industry Paper, 203.2Kamerstuk 32 043, nr. 673; TZ202411-096.3Kamerstukken II 2024/25, 36 578 nr. 21. kst-36578-31ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 311 dat de beoogde pensioendoelstelling wordt behaald met de ingelegdepremie (PW Artikel 10a, lid 1). Wat de beoogde pensioendoelstelling is,spreken sociale partners met elkaar af. Het gaat hier om een arbeidsvoor-waarde waarbij sociale partners onderhandelingsvrijheid hebben. Voor deberekening gebruikt de pensioenuitvoerder de uniforme set economischescenario’s die op grond van artikel 23b van het Besluit financieeltoetsingskader pensioenfondsen door DNB beschikbaar wordt gesteld.Waar de deelnemer altijd in reële bedragen wordt geïnformeerd over deverwachte pensioenuitkering (zo ook op het Uniform Pensioen Overzicht),formuleren de sociale partners de pensioendoelstelling in de praktijkmeestal in termen van een percentage van het middelloon, de gemiddeldepensioengrondslag waarop de uitkering wordt gebaseerd. Ook komt hetoverigens voor dat een percentage van het laatstverdiende nettoloonwordt gebruikt.4In algemene zin geldt dat het aan sociale partners is een pensioenregelingen bijbehorende pensioenpremie overeen te komen die aansluit bij depensioendoelstelling. Dat kan in nominale en/of in reële termen. Socialepartners hebben hierbij onderhandelingsvrijheid en kijken naar het geheelvan arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen.Daarbij kan een verplichte reële doelstelling ten onrechte de indrukwekken bij deelnemers dat zij een garantie hebben op een inflatiecor-rectie. Dergelijk garanties zijn niet te geven in een kapitaalgedektpensioenstelsel en kunnen leiden tot nieuwe teleurstellingen in detoekomst. Daarom gaat het nieuwe pensioenstelsel uit van premierege-lingen, waarbij de pensioenpremie de daadwerkelijke toezegging is.Aan de andere kant kan het meerwaarde geven inzichtelijk te maken metwelke kans de pensioenuitkering jaarlijks verhoogd wordt met eenbepaald percentage van de loon- of prijsinflatie. Dat biedt transparantieover de mate waarin het pensioenfonds, gegeven de opdracht van socialepartners, naar verwachting de inflatie met de pensioenuitkering kanbijhouden in de uitkeringsfase. Hierdoor wordt de afruil in de besluit-vorming voor het beleggingsbeleid en premiestelling tussen enerzijdsnominale zekerheid en anderzijds een koopkrachtig pensioen en debijbehorende beleggingsrisico’s zichtbaarder.Ik ben daarom voornemens om met betrokken partijen in gesprek te gaanover hoe in aanvulling op de bestaande verplichting, de pensioenuit-voerder inzichtelijk kan maken aan sociale partners wat de kans is dat depensioenuitkering naar verwachting de inflatie bijhoudt in de uitke-ringsfase. In deze gesprekken zal ik de uitvoerbaarheid, communicatiehierover richting deelnemers en governance-aspecten betrekken. Hetinzetten van koopkrachtinstrumenten om het patroon van de daadwer-kelijk gerealiseerde inflatie beter te volgen zou deze kans kunnenvergroten.Additionele koopkrachtinstrumentenOnder meer koopkracht kan worden verstaan 1) mogelijkheden om hetjaarlijkse patroon van de inflatie beter te volgen in de pensioenuitkering(meer reële stabiele uitkeringsstromen) of 2) hogere rendementenwaarmee hogere pensioenuitkeringen kunnen worden gegenereerd.Hierbij geldt altijd dat er geen sprake is van een free lunch. Links ofrechtsom wordt meer inflatiebescherming betaald door meer4Zie bijvoorbeeld transitieplan PFZW, p. 16 of transitieplan PPF APG p. 12, transitieplan pfVervoer p. 25 [link].Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 312 verschuiving van risico of vermogen door de tijd met de deelnemer zelf oftussen leeftijdsgroepen binnen het fondscollectief.In de verkenning van de verschillende mogelijke koopkrachtvariantenworden deze verschuivingen door de tijd of tussen leeftijdsgroepenbeschouwd.Daarbij moet worden opgemerkt dat deze inventarisatie wordt gedaanomdat het volledig afdekken van een inflatieschok in de financiële marktniet goed mogelijk is. De markt voor inflatiegerelateerde beleggingen ishiervoor niet liquide genoeg en er is onvoldoende aanbod om de heleNederlandse pensioensector hiervan te voorzien. Bij deze verkenningwordt onderzoek gedaan naar instrumenten die de inflatieschok verdelenover de tijd of tussen generaties. In geen van de varianten kan eengarantie worden afgegeven dat de inflatie wordt bijgehouden. Deverkenning is gericht op het tweede pijler pensioen. De eerste pijler, deAOW, biedt reeds indexatie vanwege de koppeling aan de loonontwik-keling. De AOW-uitkering is over de periode 2014–2024 cumulatief metcirca 40% gestegen en heeft daarmee de inflatie, die cumulatief 28%bedroeg over diezelfde periode, bijgehouden. Voor de meeste gepensio-neerden bestaat het pensioeninkomen voor een groot deel uit deAOW-uitkering.In deze verkenning worden langs een aantal criteria de voorgesteldeadditionele instrumenten gewaardeerd. Deze criteria zijn eerder benoemdin mijn Kamerbrief van 17 april jl.5 en worden hieronder nader toegelicht.Naast een beschrijving van de varianten wordt ook een eerste kwalitatievebeoordeling gegeven van de varianten. Dit betreft nadrukkelijk een eerstetussenstand. De analyse wordt de komende maanden verder aangevuldzowel kwantitatief als kwalitatief.1. ProcesSZW heeft voor deze verkenning externe experts geconsulteerd uit dekring van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG), Kring van Pensioen-specialisten (KPS), Netspar en de Pensioenfederatie. Voor deze verkenningzijn de externe experts geraadpleegd in verschillende gezamenlijkesessies: Henk Bets, Chantal de Groot, Wichert Hoekert, Mark Irwin, DaanKleinloog, Roel Mehlkopf, Theo Nijman, Stef Vermeulen en Bas Werker,allen op persoonlijke titel. Daarnaast zijn sociale partners en toezicht-houder DNB geconsulteerd. De verschillende inzichten zijn in deverkenning betrokken. De partijen die betrokken zijn bij het Pensioenak-koord kunnen pas een oordeel geven over de voorgestelde varianten opmoment dat de totale analyse met alle kwalitatieve en kwantitatieveaspecten is afgerond.Op basis van het beoordelingskader is een eerste kwalitatieve beoordelinggegeven van de voorstellen. Hieruit volgt dat op basis van deze eersteinzichten de voorstellen allemaal voor- en nadelen kennen. Om deze voor-en nadelen beter te duiden is een kwantitatieve analyse nodig. In hetnajaar van 2025 zal een kwantitatieve analyse van de verschillendevarianten worden uitgevoerd door DNB. Ik zal uw Kamer over het vervolgvan de verkenning in het najaar informeren.2. BeoordelingskaderHet beoordelingskader is bedoeld om zicht te krijgen op de voor- ennadelen van de verschillende varianten. Dit kader is verder uitgewerkt enverduidelijkt:5Kamerstuk 36 578-15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 313 •Koopkracht: Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of decombinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijkeinflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbarekoopkrachtinstrumentarium.•Ex-ante herverdeling tussen generaties: De voorstellen moetentransparant zijn over mogelijke ex-ante herverdeling tussen generaties,waarbij voorkomen moet worden dat de lasten eenzijdig bij eengeneratie worden gelegd met het oog op solidariteit. Dit moet nietleiden tot een heropening van de discussie over ex-ante herverdelingtussen generaties. Het voorkomen van substantiële generatie-effecten,waarbij de lasten eenzijdig bij een generatie worden gelegd, isbelangrijk om de intergenerationele solidariteit te borgen.Daarmee blijft het collectieve pensioencontract voor alle leeftijdsgroe-pen aantrekkelijk, op de korte en lange termijn.•Het voorstel moet recht doen aan het Pensioenakkoord: De contractenblijven collectief en bieden een levenslange uitkering. Verder geldt dater geen ex-ante herverdeling tussen generaties mag plaatsvinden bijhet persoonlijk voor de uitkering gereserveerd vermogen in deopbouwfase. Wel is beperkte ex-ante herverdeling mogelijk in deuitkeringsfase binnen de groep gepensioneerden, conform het huidigewettelijke kader. Als er ex-ante herverdeling plaatsvindt, dan dient dittransparant te zijn. Dat wil zeggen dat het helder is in welke reserve hetplaatsvindt, dat de reserve is begrensd in omvang, vulling enonttrekking. Ex-ante herverdeling tussen generaties als gevolg van eensolidariteitsreserve is toegestaan mits dit evenwichtig is. Hieronderwordt in ieder geval verstaan dat de generaties die bijdragen aan desolidariteitsreserve daar in meer of mindere mate van kunnenprofiteren.6•Implementatie van additionele instrumenten tijdens/na transitie: In deverkenning wordt meegenomen wat het effect van implementatie is opde lopende transitie en/of na de transitie. Ook zal de betekenis voor deuitvoering hier mee worden gewogen ten opzichte van de baten vande variant. Verruiming van de koopkrachtinstrumenten vergenmogelijk een aanpassing van het wettelijk kader. Het wettelijk kadermoet bestendig en voorspelbaar zijn gedurende de transitie. Het isbelangrijk dat de overheid rust, duidelijkheid en een stabiel wetge-vingskader biedt, zodat sectorpartijen op beheerste wijze uitvoeringkunnen geven aan de transitie. Zo liggen de fondsregels voor desolidariteitsreserve in beginsel voor 5 jaar vast. Bij een eventueleaanpassing van regels zullen de kosten en baten van afwijking vaneerdere regels voor verschillende leeftijdsgroepen worden meegeno-men (met andere woorden: welke groepen gaan erop vooruit en welkeerop achteruit).•Budgettaire en financiële gevolgen: Het voorstel zelf heeft geenexogene impact op de overheidsbegroting, voor werkgevers enpensioenpremies.•Maatschappelijk draagvlak: De voorstellen moeten vanuit hetperspectief van de deelnemer het draagvlak onder verschillendegroepen deelnemers vergroten. Het draagvlak kan vergroot wordendoor een goede uitlegbaarheid van 1) de stabiliteit van de uitkering,2) hoogte van de uitkering en 3) de mate waarin deze uitkeringmeegroeit met de inflatie. Tot slot moet ook 4) de uitkomst van detoedeling van risico’s voor uitkeringen en vermogen evenwichtig zijnvoor alle generaties; huidige en toekomstige. Het draagvlak bij socialepartners en pensioenuitvoerders moet gewaarborgd blijven.6Het criterium «in lijn zijn met het Pensioenakkoord» is aanvullend op het criterium «herver-deling tussen generaties» als het gaat om transparantie, plaatsing, begrenzing van toegestaneex-ante herverdeling die ook niet alleen ten voordele mag zijn van een specifieke generatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 314 •De hierboven genoemde aspecten van uitlegbaarheid en uitvoerbaar-heid zullen in een later stadium van de analyse nader aangevuldworden.3. VariantenHieronder wordt een beschrijving van elke variant gegeven en een eerstekwalitatieve duiding op basis van het beoordelingskader. Mede op basisvan de expertmeetings en de inbreng van experts tijdens het rondetafel-gesprek in de Tweede Kamer op 20 juni 2024 richt de verkenning zich op5 mogelijke varianten:1)Reëel beschermingsrendement2)Tijdsvariërende afslagen/opslagen op het projectierendement3)Inzet solidariteits- of risicodelingsreserve bij gerealiseerde inflatie4)Het spreidingsvermogen koppelen aan feitelijke inflatie5)Meer beleggingsrisico en meer risicodelingVariant 1: Reëel beschermingsrendementHet indirecte reëel beschermingsrendement houdt in dat een prijs wordtbepaald voor het inflatierisico op basis van de beschikbare marktinfor-matie van inflatieswaps en inflatiegerelateerde obligaties. Daarbij hoefthet fonds dus niet feitelijk in deze financiële producten te beleggen. Eendirect beschermingsrendement is reeds wettelijk mogelijk. De markt voordergelijke financiële producten is voor veel Nederlandse pensioenuit-voerders echter te beperkt. In de wetgeving wordt in dit voorstel hetmogelijk gemaakt om (als alternatief voor een keuze voor nominalebeschermingsrendementen) via toedelingsregels het reële beschermings-rendement toe te rekenen aan deelnemers, waardoor veranderingen ininflatieverwachting en inflatierealisatie kunnen worden toegerekend vooralle looptijden. Voor het overnemen van het risico wordt een marktcon-forme beloning gegeven. Dit voorstel is gericht op de solidairepremieregeling.Beoordeling van variant 1Koopkracht:Het voorstel geeft in potentie een betere aansluiting bij de feitelijkgerealiseerde inflatie, omdat het (in combinatie met variant 2a) eenverzekering mogelijk maakt tegen onverwacht hogere inflatie.Ex-ante herverdeling tussen generatiesIn deze variant is er geen sprake van ex-ante herverdeling. Er wordtimmers een marktconforme prijs gerekend voor het dragen van hetinflatierisicoHet PensioenakkoordDe contracten blijven collectief en bieden een levenslange uitkering. Voorhet punt rond ex-ante herverdeling in de opbouwfase zie hierboven.De transitieIn principe wordt de lopende transitie niet vertraagd aangezien hetinstrument na transitie kan worden ingevoerd. Het wettelijk kader zaldaarmee bestendig en voorspelbaar zijn gedurende de transitie.Aangezien de aanpassing afgebakend kan worden heeft de overheid demogelijkheid om rust, duidelijkheid en zekerheid te geven omtrentTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 315 wetgeving. Aandachtspunt is dat bij een eventuele aanpassing van regelsde kosten en baten van afwijking van eerdere regels voor verschillendeleeftijdsgroepen moet worden meegenomen.De uitvoerbaarheid van deze variant zou verder moeten worden bekekengegeven de beperkte bronnen met marktgegevens waarmee inflatierisicokan worden gevolgd voor Nederland.Budgettaire en financiële gevolgen:Het voorstel heeft geen exogene impact op de overheidsbegrotingen er isgeen exogene impact voor werkgevers en pensioenpremies.Maatschappelijk draagvlak:Het voorstel kan het volgen van inflatie verbeteren door het onverwachteinflatierisico te beperken. Daarmee kan het draagvlak onder ouderenverder worden vergroot. Het draagvlak onder actieven zal afhankelijk zijnvan de mate van vermogens- en uitkeringsaanpassingen ex-post. Dezeaanpassingen kunnen mogelijk groot zijn voor actieven wanneer ze eengroot risico overnemen van gepensioneerden. Uit de nadere analyse zalmoeten blijken hoe groot dergelijke ex-post verschuivingen in de praktijkkunnen zijn, welke groepen dit betreft en of er mitigerende maatregelendenkbaar zijn in geval het gaat om grote ex-post verschuivingen.Variant 2: Tijdsvariërende op-/afslagen op het projectierendementDeze variant gebruikt een op- en/of afslag van het projectierendement diejaarlijks kan variëren met de tijd. Deze op- of afslag wordt jaarlijksaangepast door het fonds volgens vooraf vastgestelde regels. Deze op-en/of afslag kan net als de rentetermijnstructuur horizonafhankelijk zijn.Met deze op- en/of afslag kan toekomstige verwachte of feitelijke inflatieworden ingerekend in het projectierendement en daarmee wordt het voorpensioenuitkering bestemd vermogen aangepast. Er zijn twee subvari-anten denkbaar.Variant 2a: Op/afslagen op het projectierendement gebaseerd opvariabele verwachte inflatieDeze variant gebruikt een op- en/of afslag van het projectierendement dievarieert met de verwachte inflatie om verandering in de verwachte inflatiete kunnen opvangen voor verschillende looptijden op basis van marktin-formatie. Een tijdsvariërende op- en/of afslag gebaseerd op de verwachtinflatie is momenteel niet mogelijk in combinatie met een collectieveuitkeringsfase. Deze optie zorgt ervoor (in combinatie met variant 1) datpensioenuitkeringen beter de feitelijk gerealiseerde inflatie kunnenvolgen.Variant 2b: Afslagen op het projectierendement gebaseerd opvariabele feitelijke inflatieEen andere subvariant die denkbaar is, is een toeslag beter af te stemmenop de feitelijke inflatie.Het zorgt ervoor dat in jaren dat pensioenuitkeringen meer omhoogzouden gaan dan de feitelijke inflatie (dus jaren waarin het aan gepensio-neerden toebedeelde overrendement7 groter is dan de daadwerkelijkeinflatie), de uitkering niet meer stijgt dan die daadwerkelijke inflatie. Het7Hierbij gaan we ervanuit dat er geen sprake is van «spreiden». Spreiden is in de kern gelijk aaneen tijdsvariërende op- of afslag in het projectierendement. Een tijdsvariërende afslag kan dusgezien worden als een vorm van spreiden van de uitkering met aan inflatie gekoppeld doel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 316 uitgespaarde pensioenvermogen blijft beschikbaar voor de verhoging vanuitkeringen in latere jaren (dus in jaren waar het overrendement onvol-doende is om inflatie bij te houden).Beide varianten in dit voorstel zijn gericht op de collectieve uitkeringsfasevan de flexibele premieregeling en de solidaire premieregeling.Beoordeling van variant 2Koopkracht:Deze variant geeft in potentie een betere aansluiting bij de feitelijkgerealiseerde inflatie omdat het (in combinatie met variant 1) eenverzekering mogelijk maakt tegen onverwachte inflatie.Ex-ante herverdeling tussen generatiesDit voorstel leidt niet tot herverdeling tussen generaties, omdat ditvoorstel alleen ziet op de pensioengerechtigden. Wel zal er ex-anteherverdeling kunnen zijn binnen de groep van pensioengerechtigden. Erzal moeten worden onderzocht hoe groot ex-ante herverdeling invarianten 2a en 2b is. De mate van ex-ante herverdeling is mede afhan-kelijk van de vormgeving.Het PensioenakkoordDe contracten blijven collectief en bieden een levenslange uitkering. Ditvoorstel introduceert enige ex-ante herverdeling binnen de groep vanpensioengerechtigden, doordat de afslag op het projectierendementjaarlijks wordt aangepast, wat effect heeft op de eerstkomendeaanpassing van de uitkering. Het hanteren van een grotere afslag leidt toteen kleinere stijging van de pensioenuitkering komend jaar in ruil voorgrotere stijgingen in de volgende jaren.De transitieDe transitie wordt niet vertraagd, omdat deze aanpassing van hetprojectierendement na de transitie kan worden ingevoerd. Aandachtspuntis dat bij een eventuele aanpassing van het projectierendement de kostenen baten van afwijking van eerdere regels voor verschillende leeftijds-groepen moeten worden meegenomen.Budgettaire en financiële gevolgen:Het voorstel heeft geen impact op de overheidsbegroting en geen impactvoor werkgevers en pensioenpremies.Maatschappelijk draagvlak:Het voorstel zou mogelijk op draagvlak kunnen rekenen van deelnemers,omdat er in de uitkeringsfase een koppeling wordt gemaakt met deverwachte of de feitelijke inflatie. Deze variant heeft betrekking op deuitkeringsfase. De voorstellen zijn mogelijk complex in de uitvoering. Alsvariant 2a gecombineerd wordt met variant 1 wordt de uitlegbaarheidvergroot omdat de feitelijk gerealiseerde inflatie beter kan wordengevolgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 317 Variant 3: Inzet solidariteits- en risicodelingsreserve ook bijgerealiseerde inflatieNaast de bestaande doelen van de solidariteits- en risicodelingsreserve,zoals opvangen van tegenvallende financiële resultaten als gevolg vanonverwacht hogere inflatie, biedt deze variant een begrensd gebruik vande solidariteits- of risicodelingsreserve aan om ook de gerealiseerdeinflatie (gedeeltelijk) op te vangen. Het voorstel maakt het mogelijk omtegenvallend overrendement tot (gedeeltelijk) het niveau van de feitelijkeinflatie op te vangen t.b.v. meer stabiliteit in de reële uitkering, alscombinatie van het voorstel en de al bestaande mogelijkheid vooropvangen van onverwachte inflatie.De begrenzing van de solidariteits- of risicodelingsreserve bestaat uit hetopvangen van tegenvallende rendementen tot het niveau van verwachtrendement (indien dit lager ligt dan de verwachte inflatie) van deingerichte beleggingsportefeuille voor de leeftijdsgroep. De solidariteits-of risicodelingsreserve wordt daarnaast alleen boven een bepaald niveauingezet voor bescherming tegen inflatie, zodat bescherming van nominaleuitkeringen niet in gevaar komt.Op deze manier kan met gerichte vul- en verdeelregels een reëleaanpassing worden gemaakt, net zoals dit mogelijk is binnen de OrtecFinance-methode voor nominale aanpassingen.Hieronder een uitleg aan de hand van voorbeelden:Stel een fonds heeft een beleggingsmix met 25% blootstelling naarzakelijke waarden in de uitkeringsfase, met een verwacht overrendementop aandelen van 4%, en een verwachte inflatie van 2%.1.In het huidig wettelijk kader is reeds mogelijk: Het overrendement opaandelen is gelijk aan de verwachting van 4% (wat leidt tot een totaaloverrendement van 25% * 4%=1%), maar de inflatie is 4%. In dit gevalis de onverwachte inflatie dus 2% (= 4% inflatie – 2% verwachteinflatie). Dan mag in deze situatie het overrendement of de uitkeringvanuit de reserve bovenop het overrendement worden aangevuld metmaximaal 2% (opvangen van onverwachte inflatie). De reële uitkeringgaat hierdoor met 1% achteruit.2.Dit voorstel maakt mogelijk: De inflatie is gelijk aan de verwachtingvan 2% en het overrendement is lager dan de verwachte 4%, bijvoor-beeld 0%. In de huidige situatie mag de uitkering niet wordenaangevuld, wat leidt tot een achteruitgang in koopkracht van 2%. Hetvoorstel maakt mogelijk om de uitkering te verhogen tot het niveau datverwacht werd, zijnde 1%. Daarmee wordt de achteruitgang beperkttot 1%.Beoordeling variant 3KoopkrachtDe inzet van de reserve bij de gerealiseerde inflatie zorgt in potentie vooreen betere aansluiting bij de feitelijk gerealiseerde inflatie voor reedsingegane uitkeringen van gepensioneerden.Ex-ante herverdeling tussen generatiesMomenteel mag de reserve gebruikt worden voor ex-ante herverdeling,maar deze herverdeling moet, in lijn met de wet, evenwichtig voor allegeneraties zijn. Deze variant leidt tot meer ex-ante herverdeling met nameals sprake is van structureel hogere inflatie, omdat de reserve dan meerwordt belast voor het aanvullen van de uitkering van gepensioneerden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 318 Om deze extra ex-ante herverdeling te verminderen, zou de vulling van dereserve meer bij gepensioneerden moeten komen te liggen.Het PensioenakkoordDe contracten blijven collectief en bieden een levenslange uitkering. Hetvoorstel introduceert een bepaalde mate van herverdeling van jong naaroud, doordat er meer en vaker aanspraak wordt gemaakt op de solidari-teitsreserve door pensioengerechtigden. Dit kan nadelig zijn voor jongeregeneraties, omdat hun aandeel van de vulling van de reserve wellicht nietgebruikt kan worden voor het koopkrachtbehoud van hun pensioenuit-kering wanneer zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Dit herverde-lingseffect kan gemitigeerd worden door begrenzingen op te stellen voorhet opnemen van gelden uit de reserve.De transitieDit voorstel kan na de transitie worden geïmplementeerd, wat ervoorzorgt dat er geen nieuwe afspraken met de sociale partners gemaakthoeven te worden tijdens de transitie. Aandachtspunt is dat bij eeneventuele aanpassing van de regels en doelstellingen van de reserve dekosten en baten van afwijking van eerdere regels voor verschillendeleeftijdsgroepen moeten worden meegenomen.Budgettaire en financiële gevolgenHet voorstel heeft geen budgettaire impact of financiële gevolgen en geenimpact op premies en werkgevers.Maatschappelijk draagvlakHet maatschappelijk draagvlak is afhankelijk van de verwachte omvangvan de verwachte ex-ante herverdeling en daarmee het risico opgeneratiediscussies. Zolang de reserve voldoende is om financiëletegenvallers en inflatiestijgingen op te vangen, zal er steun kunnen zijnvoor het voorstel. Deze steun neemt echter af als blijkt dat de reserve oplange termijn onvoldoende zal zijn om een vergelijkbare mate vankoopkrachtbehoud te bieden voor de generaties die nu nog niet depensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Als er een groter beroepwordt gedaan op deze reserve, zal de vulling vaker onvoldoende zijn omfinancieel slechte resultaten of een hoge inflatie op te vangen. Dit zal tennadele komen van de jongeren die wel premie en overrendementenafdragen voor de vulling van de reserve, maar geen gebruik kunnenmaken van het dempende effect van de reserve. Uit de nadere analyse zalmoeten blijken hoe groot deze effecten zijn, hoe deze effecten fondsspe-cifiek kunnen uitpakken en of er mitigerende maatregelen denkbaar zijn.Variant 4: Het spreidingvermogen koppelen aan feitelijke inflatieHet spreidingsvermogen kan gebruikt worden om de feitelijke inflatiebeter te volgen, door de spreiding van de uitkering te koppelen aan defeitelijke ontwikkeling van de inflatie over een periode van één of enkelejaren. Bijvoorbeeld als de gerealiseerde inflatie hoog is en het spreidings-vermogen voldoende groot en positief is, dan kunnen uitkeringen meerverhoogd worden. Omgekeerd kunnen bij lage inflatie uitkeringen minderverhoogd worden dan op basis van de spreidingsmethode zou gebeuren.Hiermee blijft meer in het spreidingsvermogen over om latere inflatie-schokken op te vangen. Overigens is deze variant alleen mogelijk met eeneventuele inkoop in het uitkeringscollectief (waardoor een grote inflatie-schok net na pensionering niet leidt tot extra herverdeling). Deze variantTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 319 leidt tot het beter volgen van de feitelijke inflatie in een jaar mits hetspreidingsvermogen positief en groot is. Deze variant kan in eersteinstantie alleen voor de solidaire premieregeling. Een vergelijkbaarinstrument kan ook mogelijk worden gemaakt voor de flexibelepremieregeling.Variant 4 doet in principe hetzelfde als variant 2b. Het verschil is datvariant 2b rekening houdt met toekomstige inflatie, terwijl variant 4 geenrekening houdt met de toekomstige inflatie.Beoordeling variant 4Koopkracht:Het voorstel zorgt in potentie voor een betere aansluiting bij de feitelijkgerealiseerde inflatie. Cumulatief is de impact wel beperkt omdat hetspreidingsvermogen niet groter of kleiner wordt in totale omvang. Enkelde verdeling van het vermogen over tijd wordt aangepast, waardoor ereen reëel stabieler uitkeringspatroon kan ontstaan. De mate waarin dezeaansluiting gerealiseerd wordt is afhankelijk van de grootte van hetspreidingsvermogen. Als deze negatief is, heeft dit spreidingsvermogengeen impact. Als het spreidingsvermogen positief en groot is, kan dezevariant goed ingezet worden. Als de inflatie juist laag is, kan er watspreidingsvermogen doorgeschoven worden naar een later moment.Daarmee kan inflatie beter worden gevolgd.Ex-ante herverdeling tussen generatiesDit voorstel leidt niet tot ex-ante herverdeling tussen actieven engepensioneerden, omdat dit voorstel alleen ziet op de pensioengerech-tigden. Afhankelijk van de vormgeving leidt dit ook niet tot extra herver-deling tussen pensioengerechtigden en bijna gepensioneerden, omdat injaren met hoge inflatie het spreidingsvermogen van het uitkeringscol-lectief afneemt. Zodra de bijna gepensioneerden daadwerkelijk metpensioen gaan, is het spreidingsvermogen afgenomen en kan men relatief«goedkoop» inkopen waardoor de eerste uitkering hoger is.Het voorstel geeft wel het risico op grotere aanpassingen in uitkering envermogen als uitkomst van herverdeling tussen pensioengerechtigden.Als er spreidingsvermogen naar achteren wordt geschoven zal er eenherverdeling van oude pensioengerechtigden naar jonge pensioengerech-tigden zijn. Bij spreidingsvermogen naar voren halen, kan er herverdelingplaatsvinden tussen jonge pensioengerechtigden naar oudere pensioen-gerechtigden. Overigens zat deze herverdeling al in het spreiden en isdaarmee niet nieuw. Onderzocht zal moeten worden of deze variant leidttot meer of minder herverdeling dan in de huidige manier van gelijkeaanpassing met spreiden. Dat is niet vooraf eenduidig te zeggen.Het PensioenakkoordDe contracten blijven collectief en bieden een levenslange uitkering. Devoorstellen zijn grotendeels in lijn met het wettelijk kader.De transitieDe transitie wordt niet vertraagd, omdat deze mogelijke invulling van hetspreidingsvermogen na de transitie kan worden ingevoerd.Aandachtspunt is dat bij een eventuele aanpassingen van de regels dekosten en baten van afwijking van eerdere regels voor verschillendeleeftijdsgroepen moeten worden meegenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 3110 Budgettaire en financiële gevolgen:Het voorstel heeft geen impact op de overheidsbegroting en geen impactvoor werkgevers en pensioenpremies.Maatschappelijk draagvlak:Het voorstel zou mogelijk op draagvlak kunnen rekenen bij deelnemers,omdat er in de uitkeringsfase een koppeling wordt gemaakt met defeitelijke inflatie. Daar tegenover staat dat het hiervoor benodigdespreidingsvermogen later wordt uitgedrukt in een hogere uitkering en bijoverlijden van de deelnemer aan het collectief toevalt. De voorstellen zijnmogelijk complex in de uitvoering, omdat elk jaar met vermogen in hetspreidingsvermogen wordt geschoven. Daarmee worden de verhogingenen verlagingen in de toekomst lastiger voorspelbaar, wat de communi-catie lastig kan maken.Variant 5: Methode meer beleggingsrisico mogelijk door meerrisicodelingWaar de voorgaande varianten een enkel instrument beschrijven, heeftdeze variant een combinatie van instrumenten. Variant 5 kan daarom hetbeste worden beschouwd tegenover combinaties van de voorgaandeinstrumenten.Deze variant werkt als volgt:1.Er wordt voor gepensioneerden meer beleggingsrisico genomen, danwaar nu veelal in de Wtp sprake van is. Bijvoorbeeld door voorgepensioneerden voor ongeveer 50% in aandelen te beleggen. Ditpercentage kan ook hoger of lager worden gekozen.2.Geef de gepensioneerden het voor hen behaalde overrendement meteen maximumpercentage gelijk aan de feitelijke inflatie in hetbetreffende jaar.3a.Vulregel 1: Voeg het meerdere toe aan de solidariteitsreserve.3b.Vulregel 2: Voeg een percentage, bijvoorbeeld 5%, van het positieveoverrendement van de (gewezen) deelnemers toe aan de solidariteits-reserve.4a.Uitdeelregel 1: Indien de gepensioneerden minder dan de inflatiehebben ontvangen, verhoog hun rendement tot de inflatie vanuit desolidariteitsreserve, voor zover de solidariteitsreserve dit toelaat.84b.Uitdeelregel 2: Deel elk jaar het resterende vermogen uit de solidari-teitsreserve wat gereserveerd is voor dit doel uit aan niet gepensio-neerden.5.De bestaande vul- en uitdeelregels van het fonds worden door debovenstaande regels vervangen.Het voorstel bevat daarmee drie instrumenten:1)Er wordt meer risico genomen voor gepensioneerden dan wat uit devastgestelde risicohouding zou volgen.2)Jongeren dragen het inflatierisico van ouderen door bij te dragen aande vulling van de solidariteitsreserve én nemen een (substantieel) deelvan het extra belegginsrisico van ouderen over. Jongeren krijgen voordit extra risico een vergoeding van ouderen. Jongeren vullen daarmeehet verschil tussen rendement en inflatie aan en krijgen daarvoor eenvergoeding, die niet overeen hoeft te komen met de vergoeding dievolgens de markt hoort bij het daadwerkelijk gelopen inflatierisico. Er8Het is ook mogelijk van tevoren af te spreken om bijvoorbeeld 20% van de solidariteitsreservete gebruiken. Bij uitdeelregel2 betekent dit dat met resterende wordt bedoeld het deel van desolidariteitsreserve boven een bepaald maximum.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 3111 is in deze variant een begrenzing van de inflatie mogelijk tot eenbepaald maximum, bijvoorbeeld 4%. Daarboven kan de solidariteitsre-serve niet gebruikt worden om feitelijke inflatie te compenseren. Hetgebruik van de reserve is in deze variant bedoeld symmetrisch te zijnvoor feitelijke inflatie tot deze begrenzing.3)Het overrendement van ouderen dat overblijft nadat zij gecompen-seerd zijn voor de inflatie wordt in de solidariteitsreserve geplaatst.Door meer risico te nemen dan de feitelijke risicohouding wordt eenhoger rendement verwacht.Deze variant maakt het mogelijk geen gebruik te maken van hetspreidingsvermogen.Beoordeling van variant 5KoopkrachtHet voorstel zorgt ervoor dat de uitkering in potentie beter de inflatie kanvolgen, doordat rendement niet direct wordt uitgedeeld. Door hetbeleggingsrisico te vergroten voor ouderen, neemt de kans toe dat meerrendement kan worden gemaakt, maar dit leidt ook tot meer neerwaartsefluctuaties. Hierdoor zal het beroep op risicodeling tussen deelnemersworden vergroot. Daarmee wordt het risico uiteindelijk verschoven naarde jongeren en het vermogen naar de ouderen. Door demografischeontwikkelingen zoals vergrijzing zal de mogelijkheid om risico’s teverschuiven naar de jongeren kleiner worden.Ex-ante herverdeling tussen generatiesHet voorstel leidt tot een groter gebruik van de solidariteitsreserve en inpotentie substantieel grotere ex-ante herverdeling. In dit voorstel staanjongeren garant voor ouderen zonder dat zij daarvoor het volledigerendement krijgen. Hiermee bestaat de zorg dat de ex-ante herverdelingtussen generaties substantieel kan worden vergroot, die ook tot substan-tiële verschuivingen van vermogen achteraf zouden kunnen leiden. Devergoeding die jongeren krijgen voor het risico dat ze lopen iswaarschijnlijk niet marktconform. Hierdoor zou een omslagelementkunnen worden geïntroduceerd en ontstaat mogelijk een impliciete schuldtussen generaties. Dit moet nader worden onderzocht. Hiermee bestaat dezorg dat nieuwe generatiediscussies worden geopend. Door demogra-fische ontwikkelingen zoals vergrijzing zal de mogelijkheid om risico’s teverschuiven naar de jongere generatie kleiner worden. De aantrekke-lijkheid voor jongere generaties om deel te nemen aan het pensioenfondszou hierdoor kunnen afnemen. Ook is onduidelijk of alle generaties involdoende mate zowel kosten als baten hebben van de solidariteitsre-serve.Doordat er vulregels zijn van de solidariteitsreserve nadat het collectiefrendement is toegedeeld specifiek voor oudere leeftijdscohorten dragenzij wel het risico maar krijgen niet direct het rendement waardoorherverdeling tussen leeftijdscohorten plaatsvindt bij het persoonlijk voorde uitkering gereserveerd vermogen.Het PensioenakkoordDit voorstel betekent naar eerste inzicht een grote afwijking van hetPensioenakkoord vanwege de cumulatie van verschillende effecten. Voorde ex-ante herverdeling verwijs ik naar bovenstaande punt. De potentieelomvangrijke ex-ante herverdeling en de plaats van herverdeling zijn inbeginsel wel transparant. De vulling en de omvang van de solidariteitsre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 3112 serve is nog altijd begrensd, al zal er mogelijk druk ontstaan om de(wettelijke) omvang van de buffers weer te vergroten. Hoewel ookjongeren een rendement krijgen uit de reserve, zullen de voordelenoverwegend bij de oudere generaties liggen. Het beleggingsrisico bijouderen wordt vergroot onafhankelijk van de risicohouding van ouderen.Daarmee bestaat de zorg dat het voorstel niet in lijn zou kunnen zijn methet prudent person-beginsel. In het voorstel zijn de contracten collectiefen bieden een levenslange uitkering.De transitieDit voorstel kan na de transitie worden geïmplementeerd, wat ervoorzorgt dat er geen nieuwe afspraken met de sociale partners gemaakthoeven te worden tijdens de transitie. Aandachtspunt is dat bij eeneventuele aanpassing van de regels en doelstellingen van de premiere-geling de kosten en baten van afwijking van eerdere regels voor verschil-lende leeftijdsgroepen moeten worden meegenomen. Op basis van deeerste inzichten, heeft deze variant potentieel grote herverdelingseffecten.Dit zou daarmee een grote aanpassing van het wettelijk kader vergen.Budgettaire en financiële gevolgenHet voorstel heeft in principe geen exogene impact op de overheidsbe-groting, voor werkgevers en pensioenpremies.Maatschappelijk draagvlakHet draagvlak onder ouderen kan groter worden door dit voorstel doordathun koopkracht vergroot wordt. Daarentegen kan het draagvlak onderjongeren kleiner worden omdat ze wel garant staan voor ouderen, maarhier niet volledig voor worden vergoed. Aangezien dit voorstel eenbehoorlijke aanpassing van het gehele pensioencontract vraagt is deaanpassing in de uitvoering hiervan complex en duur.ConclusieHierboven zijn de mogelijke varianten apart op hun eigen karakteristiekengewaardeerd. Het eerste beeld wat hieruit voortkomt is dat alle variantenmogelijk in potentie een bijdrage kunnen leveren aan het beter kunnenvolgen van de feitelijke inflatie.Bij varianten 2 en 4 zien we dat er geen nieuwe generatiediscussiesontstaan. Er kan wel sprake zijn van ex-ante herverdeling tussen gepensi-oneerden, maar er is geen herverdeling van jong naar oud. Deze variantenzorgen voor een betere aansluiting op het patroon bij de daadwerkelijkgerealiseerde inflatie. Zij verdelen het geld naar de toekomst toe op eenandere manier zodat de uitkering de inflatie beter kan volgen.Bij variant 1 is er geen sprake van ex-ante herverdeling. Het risico bestaatwel dat er mogelijk grote aanpassingen in vermogen en uitkeringplaatsvinden doordat actieven een groot risico overnemen vangepensioneerden.Bij varianten 2a, 3 en 5 zijn aandachtspunten op het gebied van ex-anteherverdeling. Bij variant 2a betreft het ex-ante herverdeling binnen degroep gepensioneerden maar geen ex-ante herverdeling tussen jong enoud. In geval van varianten 3 en 5 is er sprake van mogelijke herverdelingtussen jong en oud, waarmee generatiediscussies weer kunnen wordengeopend en het draagvlak voor het pensioenstelsel onder deelnemersdoen afnemen, ook gezien de ontgroening en vergrijzing van de beroeps-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 3113 bevolking. Daarnaast volgt uit de analyse dat varianten 1 en 2alogischerwijs in samenhang moeten worden bezien.Bij variant 5 bestaat het risico dat nieuwe omslagelementen wordengeïntroduceerd (doorschuiven van impliciete schulden naar lateregeneraties). Er zal daarom in ieder geval bij variant 5 onderzocht moetenworden in hoeverre jongeren een marktconforme prijs krijgen voor hetrisico dat ze lopen en de mate waarin ex-ante herverdeling leidt totaanpassingen in vermogen en uitkeringen. Daarnaast zal bij variant 5 ookonderzocht moeten worden in hoeverre sprake is van een spanningtussen het voorgestelde hogere beleggingsrisico en het risico datdeelnemers kunnen en willen lopen gezien hun risicohouding.Het is goed om verschillende varianten verder kwantitatief te onderzoekenom zo een beter beeld te krijgen van de mate waarin de pensioenuitkeringde feitelijk gerealiseerde inflatie kan volgen bij deze varianten en de matevan ex-ante herverdeling die deze varianten tot gevolg kunnen hebben.Ook zal worden nagegaan in hoeverre sprake is van grote vermogensaan-passingen achteraf als uitkomst van deze varianten. Daarbij zullen enigevarianten in combinatie worden bekeken. Vooruitlopend op deze nadereanalyse ben ik uiteraard graag bereid om over de voorliggende kwalita-tieve verkenning met uw Kamer in gesprek te gaan.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 3114

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a1e3bad2a9435e7a

14 okt 2026 · 78de32366a135ce9

13 okt 2026 · 15bf5b6efd6315f2

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.