KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgang Transitie naar Proefdiervrije Innovatie (TPI)

18 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie deabf7a5e1509ced · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 336DierproevenNr. 154 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ,VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 november 2024Met deze brief informeer ik de Kamer, mede namens de Minister vanOCW, over het beleid voor de Transitie naar Proefdiervrije Innovatie(TPI-beleid) en mijn inzet op de afbouw van dierproeven. Op beideonderwerpen prioriteer ik mijn inzet aan de hand van zes doelstellingen,daar ga ik in de eerste paragraaf van deze brief op in (I). In paragraaf II gaik in op de voortgang van de aanpak om de knelpunten op de route vanhet lab naar de praktijk op te lossen. Paragraaf III gaat over de voortgangen inzet van de partners binnen het TPI-partnerprogramma. Tot slot geefik in paragraaf IV een appreciatie op drie recente (advies)rapporten. Overhet beleid voor het borgen van het welzijn van proefdieren en de 3 V’s(Vervanging, Vermindering, Verfijning) informeer ik de Kamer met eenseparate brief.(I) TPI-beleid en afbouw dierproeven De doorontwikkeling naar proefdiervrije innovaties gaat gepaard metgrote maatschappelijke veranderingen. Dergelijke veranderingen in gangzetten en er regie op voeren kost tijd en gaat gepaard met onzekerheden.Dit laat zich niet plannen in een rechte lijn, waardoor de aanpak continueaangepast dient te worden op nieuwe ontwikkelingen, kansen enbarrières. Dit geldt ook voor de transitie naar proefdiervrije innovatie. Ikvind het hierbij belangrijk oog te blijven houden voor de haalbaarheiddaar waar er nog beperkingen zijn voor de toepassing van proefdiervrijeinnovaties en dierproeven nog nodig zijn. Het infaseren van proefdiervrijeinnovaties en uitfaseren van dierproeven moet op een verantwoordemanier gebeuren, waarbij ook rekening gehouden moet worden met deconcurrentiekracht van Nederland en Europa. Proefdiervrije innovatieskunnen echter ook een kans bieden om de concurrentiekracht vanNederland en de Europese Unie te vergroten. Om de doorontwikkeling teversnellen is inzet op veel verschillende fronten, zowel nationaal alsinternationaal, nodig. Ook is inzet en steun van de diverse belangheb-benden vanuit hun eigen rol en invalshoeken noodzakelijk, de overheid kst-32336-154ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1541 kan dit niet alleen. Bij mijn regie op de doorontwikkeling naar proefdier-vrije innovatie blijf ik daarom inzetten op samenwerking met de diversebelanghebbenden, om zo gezamenlijk voortgang te realiseren. Daarondervalt ook de afstemming en samenwerking met de Commissie en anderelidstaten onder andere om het gelijke speelveld binnen Europa tewaarborgen. Tegelijk zorg ik voor voldoende flexibiliteit in het beleid omte kunnen reageren op nieuwe kansen en barrières.Samen met de TPI-partners en andere betrokkenen werken we hard aande missie «Beter voorspellen zonder proefdieren» en de ambitie«Nederland met TPI de katalysator van de (inter)nationale transitie naarproefdiervrije innovatie». In Nederland hebben we een goede onderzoeks-en innovatiebasis die een flinke impuls krijgt met de toekenning vanuit hetNationaal Groeifonds van € 124,5 miljoen voor een uniek CentrumProefdiervrije Biomedische Translatie (zie paragraaf II).Net als de Kamer wil ik het aantal dierproeven naar beneden brengen. Ditis een complexe en langdurige opgave en de aantallen dierproevenfluctueren omdat deze van vele factoren afhankelijk zijn. Hoe we omgaanmet dierproeven (dierenwelzijn) en de wettelijk vereisten ten aanzien vandierproeven zijn vastgelegd in Europese wet- en regelgeving. Dit om dewerking van de Europese interne markt te borgen en te zorgen voor eengelijk speelveld. Dit maakt dat het verminderen van het aantal dierproevenmet name op Europees niveau moet gebeuren. Het aantal dierproeven datin Nederland wordt gedaan wordt bijvoorbeeld ook beïnvloed doordatbedrijven in Nederland opdrachten binnen kunnen halen die dierproevenvereisen. Maar ook onverwachte gebeurtenissen, zoals een pandemiekunnen invloed hebben op het aantal dierproeven. Bovendien kan aan deene kant een diermodel vervangen worden door een proefdiervrijeinnovatie, maar kunnen er tegelijkertijd ook nieuwe diermodellenbijkomen door innovatie binnen het proefdieronderzoek. Er is vaak geendirecte sturing mogelijk op al die facetten en dat maakt dat een toenamein proefdiervrije innovaties niet direct één op één terug te zien is in deaantallen dierproeven. Desondanks blijft (door)ontwikkeling van proefdier-vrije innovaties belangrijk: meer geaccepteerde en geïmplementeerdeproefdiervrije innovaties vormen uiteindelijk de sleutel naar het geleidelijkkunnen afbouwen van dierproeven, zonder dat dit afbreuk doet aan deveiligheid voor mens, dier en milieu. Ik pleit daarom in Europa voorversnelling van de internationale acceptatie van proefdiervrije innovaties.Dit doe ik door in gesprek te gaan met lidstaten en ik werk samen met deMinister van OCW en de Europese Commissie aan het stroomlijnen vanhet Europese onderzoek en innovatiebeleid. Het kabinet vindt hetbelangrijk dat onderzoekers het doen van onderzoek met dierproeven óókzien in een Europese context. Strategische afstemming binnen deEuropese Unie voorkomt zoveel mogelijk doublures en ongewensteinternationale afhankelijkheden, realiseert verdere synergie en zorgtervoor dat we minder dierproeven hoeven te doen. Daarnaast versterktdeze afstemming de verdere profilering, differentiatie en specialisatie vande Europese wetenschap en zorgt voor kennisvoorsprong. Voortgang isechter niet alleen afhankelijk van Europa, ook nationaal werk ik aan deontwikkeling en validatie van proefdiervrije innovaties en het stimulerenvan samenwerking, dialoog en kennisdeling. Dit doe ik aan de hand vanzes doelstellingen die ik hieronder nader toelicht.Doelstellingen TPI-beleid en afbouw dierproevenOm het vervolg van het TPI-beleid en mijn inzet op afbouw vandierproeven meer te concretiseren heb ik zes doelstellingen geformuleerd.Doelstellingen één tot en met vijf zijn gericht op opbouw van proefdier-vrije innovaties, om dierproeven op termijn te kunnen afbouwen, de zesdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1542 is gericht op afbouw van dierproeven. Hoe ik die doelstellingen wilbehalen licht ik hieronder toe aan de hand van enkele voorbeelden. Eenuitgebreide beschrijving van de doelstellingen, strategische thema’s en dedaarbij behorende lopende en nieuwe activiteiten van mij en de partnersstaan beschreven in de voortgangsrapportage TPI-partnerprogramma2024 (bijlage 1).Doelstelling 1: Meer nationale (door)ontwikkeling en toepassing vannieuwe en bestaande proefdiervrije innovaties.Om het gebruik van proefdiervrije innovaties te verhogen is de ontwik-keling van nieuwe proefdiervrije methoden nodig. Naast het financierenvan doorontwikkeling, richt ik mij op de knelpunten bij kwalificatie,standaardisatie, validatie, acceptatie en implementatie van dezeinnovaties.Het Nationaal Groeifonds project «Centrum voor Proefdiervrije Biome-dische Translatie» (CPBT) verenigt al deze thema’s in een groot project enlevert daarmee een belangrijke bijdrage aan deze doelstelling. Debetrokkenheid van diverse belanghebbenden uit de hele ontwikkelings-keten maakt dat knelpunten van lab naar praktijk in de kern aangepaktkunnen worden. Het project is gericht op ziektebeelden waar dierproeventot nog toe minder of onsuccesvol zijn gebleken.Doelstelling 2: Katalyseren van de Europese transitie naar proefdiervrijeinnovaties.Markttoelating van chemische stoffen en geneesmiddelen is Europeesgeregeld. De richtlijnen voor hoe (en dus ook met welke methoden)veiligheid van producten getest moeten worden zijn op Europees ofmondiaal niveau vastgelegd. Voor de acceptatie en implementatie vanproefdiervrije innovaties en afbouwen van dierproeven is internationalesamenwerking noodzakelijk. Ik zet in op twee strategieën: het agenderenen aanjagen van de doorontwikkeling binnen de EU en het stimuleren vaninternationale netwerkvorming. Een voorbeeld hiervan is mijn inzetsamen met de Minister van OCW op het realiseren van een zogenoemdEuropean Research Area (ERA) initiatief. Daarnaast werkt de EuropeseCommissie aan een afbouwplan voor wettelijk vereiste dierproeven dieingezet worden voor veiligheidsbeoordelingen van chemische stoffen. Ditis een belangrijk initiatief om daadwerkelijk te kunnen gaan sturen opafbouw van dierproeven met inachtneming van veiligheid voor mens, dieren milieu. In paragraaf II ga ik op beide initiatieven verder in.Doelstelling 3: Meer verspreiding van kennis en creëren van bewust-wording over de transitie naar proefdiervrije innovaties.De dialoog aangaan met de diverse partijen over de doorontwikkelingnaar proefdiervrije innovaties is belangrijk, omdat hierdoor het bewustzijnover de mogelijkheden van innovaties wordt verhoogd. Door nieuwepotentiële gebruikers te betrekken wordt de doorontwikkeling bredergedragen. Dat helpt vervolgens om stappen te zetten naar acceptatie vanproefdiervrije innovaties. Ik stimuleer daarom de oprichting en onder-houding van lokale nationale TPI-netwerken (zoals TPI Utrecht enAmsterdam) door bijeenkomsten te financieren waar kennis over hetthema gedeeld kan worden en andere geïnspireerd worden metbetrekking tot het thema. Ook betrek ik volgende generaties bij de transitie(YoungTPI). Onderwijs speelt ook een belangrijke rol in verspreiding endelen van kennis. Eind 2022 is er het «Streefbeeld voor proefdiervrijeinnovatie in het (post)academisch onderwijs» opgesteld, een gezamenlijkeverklaring van universiteiten en universitaire medische centra met hoe zebinnen het onderwijs werken aan de transitie naar proefdiervrijeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1543 innovatie. Ik onderzoek daarom met partners en de Minister van OCW watde mogelijkheden zijn om uitvoering van dit streefbeeld op onderdelen teondersteunen.Doelstelling 4: Meer stimuleren van (onderzoeks)infrastructuur terbevordering van proefdiervrije innovaties.Om proefdiervrije innovaties te ontwikkelen en te gebruiken is er eeninfrastructuur nodig. Dat kan betrekking hebben op toegang tot(herbruikbare) data, specifieke expertise en apparatuur of menselijkweefsel. Als dat soort bouwstenen niet makkelijk beschikbaar zijn, remtdat de ontwikkeling of brede toepassing van proefdiervrije innovaties.Daarom investeer ik op verschillende manieren en niveaus in dezevormen van infrastructuur. Bijvoorbeeld door te zorgen voor bredebeschikbaarheid van menselijk restweefsel, door het financieel steunenvan het zogenoemde VitalTissue project. Daarnaast faciliteer in deoverstap naar gebruik van diervrij kweekmedium in laboratoria, doorprojecten op dit terrein te financieren via 3R center Utrecht en ZonMw.Doelstelling 5: Meer stimuleren van open science ter ondersteuning vanTPI en borging dierenwelzijn.Om ervoor te zorgen dat resultaten optimaal worden benut, zowel vanproefdiervrije innovaties als van dierproeven, is het van belang datonderzoekers deze resultaten transparant, vindbaar en herbruikbaarmaken. De Minister van OCW stimuleert open science in brede zin,bijvoorbeeld via het Regieorgaan open science. Ik draag hieraan bij doorop het terrein van dierproeven en proefdiervrije innovaties beterewetenschap te stimuleren, onder andere door financiering beschikbaar testellen voor begeleiding en uitvoering van systematisch literatuuron-derzoek waarmee de juiste keuze voor een bepaald model wordtondersteund. Ook het faciliteren van preregistratie van proefdieron-derzoek op een in Nederland ontwikkelde website (preclinicaltrials.eu)draagt hieraan bij. Preregistratie (publiceren van onderzoek in eendatabase) verhoogt de transparantie en vindbaarheid van proefdieron-derzoek en bij behorende onderzoeksprotocollen. Open science in bredezin kan de kwaliteit van dierproeven verhogen, en onnodige herhalingvoorkomen. Daarnaast werk ik aan verbetering van de vindbaarheid vanproefdiervrije innovaties door de ontwikkeling van een speciale zoekma-chine die gebruik maakt van kunstmatige intelligentie financieel teondersteunen.Doelstelling 6: Meer onderzoek naar afbouwmogelijkheden vandierproeven.Afbouw van specifieke dierproeven is alleen mogelijk wanneer ergevalideerde en (internationaal) geaccepteerde proefdiervrije innovatiesbeschikbaar zijn, en specifieke regelgeving en richtlijnen wordenaangepast op gebruik van deze innovaties. Wereldwijd worden veelproefdieren ingezet voor wettelijk vereiste veiligheidstesten van onderandere chemicaliën, ook in Europa zijn hier richtlijnen voor opgesteld. Ditis waarom ik hier de grootste potentie zie om tot afbouw van dierproevente komen, en ik ben daarom blij met de ambitie die de EuropeseCommissie toont met haar «Roadmap for phasing out animal testing inchemical safety assessments». Om deze inzet te ondersteunen ben ikactief betrokken bij de activiteiten om tot deze «roadmap» te komen en gaik het gesprek aan met andere lidstaten (zie ook paragraaf II onder«Europese inzet»).Daarnaast ben ik op nationaal niveau de afbouwmogelijkheden vanspecifieke dierproeven binnen deze Europese wetgeving aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1544 onderzoeken, welke partijen daarbij moeten worden betrokken en of erbeleidsinterventies mogelijk zijn. Hierbij worden ook ideeën vanuit hetveld meegenomen.(II) Knelpunten op de route van lab naar praktijk De Kamer heeft twee moties aangenomen die ingaan op knelpunten dieproefdiervrije innovaties van lab naar praktijk kunnen ondervinden. Metde motie van de leden Tjeerd de Groot en Valstar (20 mei 2021, Kamerstuk32 336, nr. 117) wordt de regering verzocht in kaart te brengen hoeknelpunten van lab naar praktijk kunnen worden weggenomen. Met demotie van de leden Tjeerd de Groot en Haverkort (7 juni 2022, Kamerstuk32 336, nr. 139) wordt de regering verzocht deze knelpunten waar mogelijkop te lossen en de Kamer jaarlijks over de voortgang te informeren.Daarnaast is van de leden Kostic´, Graus, Grinwis en Beckerman een motieaangenomen m.b.t. het stimuleren van de ontwikkeling van proefdiervrijemethoden meer kan worden gestimuleerd, bijvoorbeeld door overheids-subsidies stapsgewijs over te hevelen (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53).Hierbij informeer ik de Kamer over de voortgang op deze moties.Knelpunten van lab naar praktijkIn de Kamerbrief van d.d. 30 januari 2023 (Kamerstuk 32 336, nr. 143) heeftmijn voorganger de ontwikkeling van twee routekaarten toegezegd. Dedoelstelling van deze routekaarten is tweeledig: één routekaart gaatoverzicht bieden over de mogelijkheden die er voor financiering vanproefdiervrije projecten zijn, zodat ontwikkelaars en onderzoekerseenvoudiger de meest passende vorm van financiering voor de (door)ont-wikkeling van hun innovatie kunnen vinden. De andere routekaart isgericht op knelpunten in het validatie- en kwalificatieproces van proefdier-vrije innovaties. Deze routekaart gaat onderzoekers, en ook startups,helpen om de juiste informatie over validatie of kwalificatie eenvoudig ensnel te vinden. ZonMw is inmiddels bijna klaar met de «NAM1 Navigator»(NAM staat voor New Approach Method oftewel proefdiervrije methode),zoals deze routekaart gaat heten. Dit wordt een online portaal waarinformatie over validatie- en kwalificatieprocessen op interactieve wijzeaangeboden wordt. Naar verwachting is dit portaal in het voorjaar van2025 gereed.Daarnaast heeft het RIVM recent het «Landschap NAMs voor deveiligheidsbeoor-deling geneesmiddelen’2 opgeleverd. Dit document biedtinzicht in de stappen die kunnen worden genomen om NAMs in proto-collen van geneesmiddelbeoordelings-autoriteiten op te laten nemen. In2022 heeft het RIVM het «Landschap NAMs, veiligheid voor chemischestoffen» opgeleverd. Beide zullen worden opgenomen in de NAMNavigator. Voor het realiseren van een financiële routekaart was het planom gebruik te maken van een bestaand instrument. Helaas heeft de partijdie eigenaar is van dat instrument besloten dat instrument niet langer teondersteunen. Ik zal daarom een instrument in eigen regie ontwikkelen,dat opgenomen zal worden in de NAM Navigator, zodat alle informatie opéén plek samenkomt.1De afkorting «NAM» staat voor New Approach Method, waar nieuwe proefdiervrije methodenmee worden bedoeld.2https://www.rivm.nl/en/alternatives-to-animal-testing/landscape-namsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1545 Het Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie (CPBT)3, draagtook bij aan het oplossen van knelpunten. Het centrum heeft een onvoor-waardelijke en voorwaardelijke toekenning ontvangen van respectievelijk55 miljoen euro en 69,5 miljoen euro uit het Groeifonds. Met het toege-kende bedrag van € 124,5 miljoen wordt er een enorme impuls gegevenaan proefdiervrije innovatie in Nederland. Het centrum gaat een rol spelenin de doorgeleiding van proefdiervrije innovaties naar toepassing in depraktijk. Het centrum brengt partijen uit de gehele ontwikkelingsketensamen, waardoor proefdiervrije innovaties beter hun weg vinden naar depraktijk. Daarnaast worden er waardevolle inzichten opgedaan over deknelpunten die bestaan bij de validatie, kwalificatie, acceptatie enimplementatie van proefdiervrije innovaties. Partijen uit de keten wordengeadviseerd en getraind. Ik verwacht dat dit centrum, zowel nationaal alsEuropees een toonaangevende positie gaat innemen. Een belangrijkeinvestering ook voor de voortrekkersrol die Nederland, binnen Europa, inde versnelling van de transitie naar proefdiervrije innovaties inneemt.Daarnaast doe ik samen met de Ministers van OCW en IenW extrainvesteringen van een bedrag van totaal € 1,8 miljoen voor het indienenvan een oproep binnen de Nationale WetenschapsAgenda (NWA). NWOzal bij goedkeuring van ons gezamenlijke plan het totaalbedrag verdub-belen. Met deze financiering wordt er opnieuw een impuls gegeven aanvalidatie en implementatie van bestaande proefdiervrije innovaties. Hetplan dat voor de NWA hebben ingediend is gericht op proefdiervrijeinnovaties in veiligheidsbeoordelingen van chemische stoffen. Samenmet de investering in het Groeifondsproject CPBT geef ik hiermeeuitvoering aan de motie van de leden Graus en Wassenberg (Kamerstuk32 336, nr. 132), waarmee de regering wordt verzocht om in het kader vande transitie naar proefdiervrije innovaties Nederlandse initiatieven diebijdragen aan een onmiddellijke daling van het aantal dierproevenvoorrang te geven bij het verstrekken van de benodigde financiering.Bij de vaststelling van de begrotingsstaten van LVVN is met de motie vande leden Kostic´, Graus, Grinwis en Beckerman de regering verzocht teonderzoeken hoe de ontwikkeling van proefdiervrije methoden meer kanworden gestimuleerd, bijvoorbeeld door overheidssubsidies stapsgewijsover te hevelen (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53). In deze brief zet ik uiteenwat ik en andere partijen reeds doen om de ontwikkeling en toepassingvan proefdiervrije innovaties te stimuleren. Ter uitvoering van deze motiezal ik onderzoek laten doen naar wat er aanvullend, op wat er reedsallemaal al gedaan wordt, nog meer mogelijk en effectief zou kunnen zijnom de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije innovaties nog meerte stimuleren. Specifiek zal ik de onderzoekers vragen de (on)mogelijk-heden van overheveling van overheidssubsidies daarbij te betrekken. Opd.d. 5 november 2020 is het toenmalig rapport «Studie naar de financiënvan proefdieronderzoek en dierproefvrij innovaties» van TechnopolisGroup aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 32 336, nr. 110). Dit rapportzal ik als basis voor het onderzoek meegeven.Overigens heb ik in lijn met de motie recent aan ZonMw gevraagd omvanuit het Meer Kennis met Minder Dieren-programma middelenbeschikbaar te stellen om onderzoekers te stimuleren hun onderzoeks-vraag proefdiervrij in te steken. Als onderzoekers subsidie aanvragen vooreen bepaald onderzoek, komen ze in aanmerking voor extra budget als zehet onderzoek proefdiervrij gaan uitvoeren. Het doel is om op deze maniereen bredere groep onderzoekers te verleiden om proefdiervrij te gaanwerken.3https://www.nationaalgroeifonds.nl/overzicht-lopende-projecten/thema-gezondheid-en-zorg/cpbtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1546 Kamervragen Onderzoeks- en WetenschapsbeleidIn het commissiedebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid van 3 oktoberjl. (Kamerstuk 29 338, nr. 279). Is door de Minister van OCW toegezegd omschriftelijk antwoord te bieden op vragen van het lid Kostic´ (PvdD) dietijdens dat debat zijn gesteld. Deze zijn beantwoord in de Kamerbrief van24 oktober jl. (Kamerstuk 31 288, nr. 1157), en daarin is ook aangekondigdom in deze voortgangsbrief TPI een reactie te geven op de aanbevelingenvan Stichting Proefdiervrij over kansen om mensgericht onderzoek testimuleren.Het betreft de volgende aanbevelingen:1.Stimuleren van validatie en standaardisatie van bestaande proefdier-vrije modellen;2.Faciliteren van ontwikkeling en gebruik van biobanken;3.Informeren van regelgevende autoriteiten en toezichthoudendeinstanties over mensgerichte onderzoeksmodellen;4.Promoten van Open Science en het publiceren van negatieve ofneutrale experimenten;5.Het verschuiven van financiering van proefdieronderzoek naarfinanciering voor de ontwikkeling van proefdiervrije, mensgerichteonderzoeksmodellen.Proefdiervrij is een partner van het TPI-partnerprogramma en ik waardeerhun constructieve inzet en aanbevelingen. Aanbevelingen 1 en 3 wordenfeitelijk al opgepakt in de in deze brief beschreven aanpak en acties.Specifiek is voor deze aanbevelingen de eerder beschreven NWA-oproeprelevant, omdat die oproep daar over gaat. Ook de oprichting van hetCPBT past hierbij, net als de inzet die ik samen met de Minister van OCWpleeg op de European Research Area (ERA-voorstel, zie paragraaf«Europese inzet»). Aanbeveling 2 sluit aan bij recente ontwikkelingenrondom de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl)4. Daarnaast wordtmet VitalTissue al langer gewerkt aan het beschikbaar maken van vitaalmenselijk weefsel voor wetenschappelijk onderzoek. Dit initiatief wordtmede gefinancierd door de Ministers van OCW, VWS, ZonMw, StichtingProefdiervrij en mijzelf.Aanbeveling 4 gaat in op het open science beleid en de kabinetsaanpakdaarop wordt zowel in deze brief beschreven, als in de separate voort-gangsbrief Dierproeven.Tot slot sluit aanbeveling 5 aan op de motie Kostic´, Graus, Grinwis enBeckerman die is ingediend bij de begrotingsstaten van LVVN, waar ikhierboven op ben ingegaan. Ook sluit deze aan bij de feitelijke vragen diezijn gesteld bij de begroting van OCW, die worden beantwoord in de briefaangaande de vaststelling van de begrotingsstaten van OCW.Europese inzetIn de Kamerbrief d.d. 20 december 2023 (Kamerstuk 32 336, nr. 151) istoegezegd de Kamer regelmatig te blijven informeren over de gesprekkenmet andere Europese lidstaten over inzet op de transitie naar proefdier-vrije innovatie. Zoals in paragraaf I onder doelstelling 2 beschreven heeftde Europese Commissie ambitieuze plannen voor het afbouwen vandierproeven, onder andere door een stappenplan op te stellen. Ditstappenplan moet begin 2026 gereed zijn, en zal stappen en mijlpalenbeschrijven die nodig zijn om toe te werken naar een gefaseerde afbouwvan dierproeven voor chemische veiligheidstests. Dit is een belangrijkekans om Europees stappen te zetten en ik draag dan ook zeer actief bij aandit initiatief als onderdeel van mijn inzet op afbouw van dierproeven. Ikwerk hierbij samen met de Commissie om te borgen dat er voldoende4Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 17Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1547 input van experts en belanghebbenden vanuit Nederland en anderelidstaten gedeeld kan worden, en dat het stappenplan voldoende ambitieheeft waarmee daadwerkelijk het aantal dierproeven op Europees niveauverminderd gaat worden. Ik heb de Commissie dan ook aangeboden omeen gezamenlijke inspraak te organiseren met een aantal voorloperlidstaten over de invulling van de roadmap. Hier staat de Commissiepositief tegenover. Naar verwachting zal een dergelijke bijeenkomst in heteerste kwartaal van 2025 plaatsvinden.Het andere Europese initiatief dat ik in paragraaf I noemde is het voorstelvoor een specifieke actie binnen de European Research Area (ERA). Hetvoorstel voor op de ERA-beleidsagenda, zet onder andere in op harmoni-satie van onderzoeks- en innovatiebeleid van de Europese lidstaten. Eengoede samenwerking en informatieuitwisseling over welke proeven inEuropa worden uitgevoerd is van groot belang voor het zo effectiefmogelijke inzet van dierproeven. Het voorstel dat ik samen met deMinister van OCW heb aangedragen draagt de titel «Accelerating NewApproach Methodologies (NAMs) to advance biomedical research andtesting of medicinal products and medical devices». Een van de doelenvan dit voorstel is om tot Europese afspraken te komen waar NAMs aanmoeten voldoen voor breed gebruik voor veiligheidstesten van genees-middelen, fundamenteel- en toegepaste biomedische wetenschap. Dezeafspraken zijn van groot belang om stevig in te zetten op de daadwerke-lijke toepassing van proefdiervrije innovaties. De huidige onduidelijkheidover de voorwaarde belemmert immers de toepassing van proefdiervrijeinnovaties. De voorgestelde ERA-actie heeft ook als doel om op Europeesniveau prioriteiten te stellen voor de ontwikkeling van nieuwe proefdier-vrije methoden. In dit voorstel wordt gericht op twee concrete domeinen,het biomedische onderzoek en farmaceutische producten, chemischestoffen zitten namelijk al in het stappenplan van de Commissie. DitERA-voorstel wordt bij aanname een belangrijke aanjager van (door)ont-wikkeling en implementatie van proefdiervrije innovaties, zowel internati-onaal als nationaal. Op dit moment staat het voorstel nog op de lijst metmogelijke onderwerpen voor de ERA-beleidsagenda 2025–2028 en in dekomende maanden wordt duidelijk of dit onderwerp er definitief op komt.Het kabinet zet hier nadrukkelijk op in. Zodra er duidelijkheid over is zal ikde Kamer daarover bij een eerstvolgende gelegenheid informeren.(III) Voortgang TPI-partnerprogramma In deze paragraaf informeer ik de Kamer over de voortgang van hetTPI-partnerprogramma als onderdeel van mijn TPI-beleid. Dezerapportage is tweeledig: als eerste bied ik een overzicht van de diverseontwikkelingen en activiteiten die de partners afgelopen jaar in het kadervan de transitie, zowel individueel als gezamenlijk, ondernomen hebben.Ook geef ik een vooruitblik op de initiatieven die de partners komend jaarverwachten te ondernemen. Dit biedt overzicht in hoe we als partnersgezamenlijk naar het behalen van de zes doelstellingen toewerken. Alstweede heb ik de partners gevraagd in bredere zin te reflecteren op devoortgang van de transitie. Ik ga daarbij in op de impactvolle ontwikke-lingen die de partners zien, maar ook de kansen en bedreigingen voor dedoorontwikkeling komen aan de orde. Hieronder geef ik een aantalvoorbeelden van deze bevindingen en (aankomende) activiteiten, devolledige voortgangsrapportage is als bijlage 1 aan deze brief bijgevoegd.De partners zien twee grote impactvolle ontwikkelingen. Nationaal is datde toekenning voor het Centrum Proefdiervrije Biomedische translatie(CPBT) door het Nationaal Groeifonds, en internationaal is dat detoegenomen aandacht in Europa voor proefdiervrije innovatie als gevolgvan de plannen voor afbouw van dierproeven vanuit de EuropeseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1548 Commissie. Hier kunnen we gezamenlijk vanuit Nederland goed opinspelen, het RIVM is bijvoorbeeld ook nauw betrokken bij hetstappenplan dat de Commissie aan het opstellen is.Waar het om de acceptatie van proefdiervrije innovaties gaat, zien departners veel kansen in het betrekken van bedrijven en regelgevendeinstanties. Partners zetten daar dan ook vol op in, onder andere metsubsidieoproepen waarin samenwerking met bedrijven een vereiste is,zoals de nieuwe subsidieronde binnen het programma Humane Meetmo-dellen en van Create2Solve binnen het Meer Kennis met Minder Dierenprogramma van ZonMw. Terwijl andere subsidies zich richten op devalidatie van modellen aan de hand van internationale richtlijnen.Samenwerking met bedrijven en validatie komen ook naar voren in hetCPBT. Ook zien de partners kansen binnen open science en in hetonderwijs. Verschillende partners zetten hierop in, onder andere dooruitvoering van het streefbeeld onderwijs of veranderingen in de subsidie-voorwaarden van onderzoeksfinanciers om transparantie van onderzoekte bevorderen.De partners zien ook bedreigingen voor de transitie, met name toene-mende polarisatie en weerstand noemen ze daarbij. Ze wijzen daarom ophet belang van het blijven voeren van een brede dialoog om daarmee tebewerkstelligen dat diverse groepen aangehaakt blijven. Een voorbeeldhiervan is de internationale conferentie die ik samen met NCad, 3R centrevan de Universiteit Utrecht en TPI Utrecht georganiseerd heb op 19 juni jl.De hiervoor genoemde signalen en activiteiten van partners vormen eenbelangrijke basis voor de doelstellingen van mijn eerder beschreven planvan aanpak en geven mede richting aan mijn TPI-beleid.(IV) (Advies)rapporten Evaluatie transitieadvies NCadOnlangs heb ik de evaluatie ontvangen van het NCad van het «Transitienaar proefdiervrij onderzoek» advies uit 2016 en dit rapport wordt bij dezebrief aan uw Kamer aangeboden (bijlage 2). Mede op basis van deaanbevelingen uit dat advies uit 2016 is het programma TransitieProefdiervrije Innovatie (TPI) opgericht. Deze terugblik van het NCad iseen eerste aanzet voor een nieuw transitieadvies, dat het NCad voor dezomer van 2025 verwacht af te ronden. Deze evaluatie geeft daarom noggeen aanleiding tot eventuele aanvulling(en) op mijn beleid, daarvoorwacht ik het nieuwe adviesrapport af. Wel ga ik hieronder alvast kort in openkele signalen uit de evaluatie, en geef ik daarmee invulling aan detoezegging (TZ202305–018) om uw Kamer te informeren over de evaluatie«Transitie naar proefdiervrije innovatie» van het NCad.Ik dank het NCad voor deze overzichtelijke evaluatie. Het doet me deugdte lezen dat er wordt gesignaleerd dat de transitie gestaag vordert, zowelnationaal als internationaal. Het NCad signaleert ook dat proefdiervrijonderzoek een prominentere positie heeft ingenomen binnen het bredeonderzoekslandschap. In de landen om mij heen signaleer ik dat ook enontvang ik tevens positieve signalen over de manier waarop Nederlandzich met TPI inzet voor de transitie.Het NCad signaleert dat de aanpak van TPI tot nu toe voornamelijk gerichtis op het stimuleren van innovatie en minder op afbouw van dierproeven.Ik ben het met NCad eens dat de voortgang van een transitie gebaat is bijzowel het stimuleren van innovatie als het afremmen van de conventi-onele methodes, in dit geval de dierproeven. Daarom is er naast hetborgen van dierenwelzijn van dierproeven (pijler 1), het TPI-beleid (pijler2) ook een derde beleidspijler ontwikkeld gericht op afbouw vandierproeven en heb ik ter invulling daarvan doelstelling 6 in mijn beleidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1549 opgenomen. Zoals eerder toegelicht zijn er echter geen eenvoudigeoplossingen om te sturen op afbouw. Ik hoop dan ook dat het NCad in hetnieuwe Transitieadvies dat volgend jaar verschijnt, ook op dit onderdeelmet adviezen komt om dit beleid verder te versterken.Het NCad signaleert ook dat de transitie gebaat zou zijn bij transitiedoel-stellingen per onderzoeksdomein, met een nadrukkelijkere regierol vanuitde overheid en de behoefte aan monitoring. Ik vind het belangrijk dat deexperts vanuit die diverse onderzoeksdomeinen zich uitspreken over huneigen haalbare doelen en daar ook zelf eigenaarschap overnemen. In 2016heeft het NCad voor het fundamenteel onderzoek hiervoor een goedinstrument ontwikkeld om te zorgen dat dit daadwerkelijk gedaan wordt,het zogenoemde streefbeeld. Dit is een door een wetenschapsveldgeformuleerde ambitie waarin beschreven is wat er nodig is om totproefdiervrij onderzoek te komen en wat de mogelijkheden en barrièreszijn om dat doel te bereiken. Het NCad stimuleert en adviseert dewetenschapsvelden om met ambitieuze en tegelijk realistische transitie-doelen te formuleren, inmiddels zijn er diverse streefbeelden opgeleverd.Waaronder het streefbeeld cardiovasculair, immunologie en het streef-beeld onderwijs. Regie voer ik via het TPI-programma, waar overkoepe-lende organisaties, zoals de «Universiteiten van Nederland», als partneraan verbonden zijn. De diverse wetenschapsvelden maken daardoor ookdeel uit van het TPI-programma. Onderdeel van de regie die ik voer is datik met de trekkers van de streefbeelden in gesprek ga om te onderzoekenof en waar ik een rol kan spelen om de uitvoering van de streefbeelden teondersteunen.Monitoring van de voortgang is ook een belangrijk facet om regie tekunnen voeren, dat maakt namelijk inzichtelijk wat goed gaat en waarextra inzet nodig is. Ik onderzoek daarom hoe ik een monitoringstool (deBeyond Animal Testing Index) kan laten door ontwikkelen, zodat dezetoepasbaar wordt op organisatieniveau en landelijk niveau. Deze toolkomt dan algemeen beschikbaar, zodat het ook de diverse onderzoeksdo-meinen helpt om inzicht te krijgen in hun voortgang.Verkennend onderzoek naar motieven en drijfveren bij methodologischekeuzes binnen cardiovasculair onderzoekHet «Verkennend onderzoek naar motieven en drijfveren bij methodolo-gische keuzes binnen cardiovasculair onderzoek» is als één van deachtergronddocumenten5 bij de NCad evaluatie «Transitie naar Proef-diervrij Onderzoek» opgeleverd. Met dit onderzoek naar motieven endrijfveren voer ik de motie van het lid Tjeerd de Groot (Kamerstuk 32 336,nr. 138) uit. Met deze motie van lid de Groot, verzoekt uw Kamer deregering om werk te maken van het OMA-model (Onderzoeksvraagcentraal stellen, selecteren van best passende Methode en vervolgensAnalyseren), waarbij niet de onderzoeksmethode, maar de onderzoeks-vraag centraal staat. Het verkennende onderzoek naar motieven endrijfveren bij methodologische keuzes binnen cardiovasculair onderzoek»(bijlage 3) draagt daaraan bij en wordt met deze brief aan uw Kameraangeboden. Ook mijn inzet op systematic reviews en een specialezoekmachine voor het vinden van proefdiervrije innovaties draagt bij aande uitvoering van deze motie, door de beschikbare methoden voor eenonderzoeksvraag vindbaarder te maken (paragraaf I).De gedachte van het OMA-model is dat de onderzoeksvraag centraal staatin de keuze voor het beste onderzoeksmodel, dat wil zeggen er wordtgekozen voor het model dat de onderzoeksvraag het beste kan beant-woorden. Dit kan bijdragen aan het verminderen van het aantaldierproeven omdat een dierproef lang niet altijd het beste model voor eenbepaalde onderzoeksvraag blijkt te zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 15410 In het onderzoek dat het NCad heeft laten uitvoeren is een eersteverkenning gedaan naar gedragswetenschappelijke inzichten, aankno-pingspunten voor verandering en zijn drempels genoemd die de keuzevoor een onderzoeksmodel met of zonder dieren zouden beïnvloeden.Deze inzichten dragen bij aan de bewustwording van de verschillendeelementen die bepalend zijn voor de wijze waarop uiteindelijk een keuzewordt gemaakt voor een specifiek onderzoeksmodel.Deze keuzes zijn niet enkel gebaseerd op rationaliteit maar ook opculturele aspecten, financiële beperkingen, hiërarchie, tijdsdruk, mogelijk-heden door profilering zoals publicatiemogelijkheden en senioriteit. Hoemee senioriteit onderzoekers hebben, des te meer autonomie ze hebben.De belangrijkste aanknopingspunten die uit dit onderzoek naar vorenkomen om bewuster voor een bepaald onderzoeksmodel te kiezen, zijn:kennisverrijking, verhoging competentie voor multidisciplinair werken, terbeschikking stellen van financiële middelen voor innovatie, stimulerenvan het werken in consortia en multidisciplinaire teams en van validatie-onderzoek. Ik vind het belangrijk dat onderzoekers toegang krijgen tot dejuiste expertise om voor het beste onderzoeksmodel te kunnen kiezen. Ditdoe ik onder andere door de haalbaarheid van een zogenoemde NAMshelpdesk te onderzoeken, zoals ik in de volgende paragraaf nader toelicht.Verder ontwikkelt ZonMw een NAMs samenwerkingssubsidie. Dezesubsidie maakt het mogelijk om kennis van, ervaring met en toegang toteen proefdiervrij model mogelijk te maken voor derden. Een dergelijkeuitwisseling van kennis en ervaring namelijk brengt kosten met zich mee,met deze subsidie kan daarin voor zowel de leverende als ontvangendepartij in tegemoet gekomen worden. De drempel om technologie enkennis te delen wordt hiermee verkleind. Ook de andere aanknopings-punten hebben mijn aandacht en inzet zoals eerder beschreven inparagraaf I.Pilot onderzoek naar een helpdesk of commissie NAMsOm te zorgen dat NAMs gebruikt worden moeten onderzoekers ze welweten te vinden. Ik heb daarom Universiteit Utrecht (3Rcentre Utrecht)opdracht gegeven om een inventariserend onderzoek uit te voeren waarinde toegang tot en behoefte aan expertise op het gebied van proefdiervrijeinnovaties wordt onderzocht. Het rapport «Toegang tot NAMs expertiseeen inventariserend onderzoek» (bijlage 4) wordt bij deze brief aan deKamer aangeboden.In het pilotonderzoek is geconcludeerd dat er inderdaad een behoeftebestaat bij onderzoekers naar aanvullende informatie over proefdiervrijeinnovaties. Ook is onderzocht hoe vaak onderzoekers die behoefte aanmeer kennis over een NAM hebben en dan blijkt dat die behoefte bij eendeel van de onderzoekers vrij geregeld bestaat, namelijk tot wel tweemaalper maand.De eerste aanbeveling is dan ook om de haalbaarheid te onderzoeken vaneen helpdesk waarmee vragende partijen verbonden kunnen worden metNAMs experts en hoe die koppeling en vormgeving er in de praktijk uitzou moeten zien. De haalbaarheidsstudie moet niet alleen de praktischekant bekijken, maar ook de financiële haalbaarheid onderzoeken. Idealitermaakt ook een pilot, op basis van een casus uit de praktijk, daarvanonderdeel uit. Als tweede adviseert de Universiteit Utrecht de behoeftenvan verschillende subgroepen van gebruikers van NAMs verder uit tevragen. Deze helpdesk of commissie zou namelijk niet alleen eenvraagbaak kunnen worden voor individuele onderzoekers, maar kan datook zijn voor bijvoorbeeld dier ethische commissies, Instanties voorDierenwelzijn of subsidiebeoordelingscommissies. De derde aanbevelingis te onderzoeken of TPI kan bijdragen aan het vergroten van de zicht-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 15411 baarheid van diverse al bestaande NAMs-databases. De databases zijnniet bij iedereen bekend en een toename in bekendheid kan ertoe leidendat ze meer gebruikt gaan worden. De laatste aanbeveling is om geennieuwe database met informatie over NAMs te (laten) ontwikkelen.Ik neem alle aanbevelingen uit het rapport over, ik heb dan ook reeds eenopdracht gegeven aan de Universiteit Utrecht (3Rcentre Utrecht) voor eenvervolgonderzoek voortbouwend op de genoemde aanbevelingen enconclusies uit het pilotonderzoek. Dit aanvullende onderzoek loopt tot1 augustus 2025. Ik zal ondertussen kijken hoe ik meer aandacht kangenereren voor een aantal grotere bestaande NAMs-databases, uiteraardin goed overleg en overeenstemming met de eigenaren van dezedatabases. Ook de laatste aanbeveling neem ik over, ik ga niet inzetten opnieuwe databases aangezien er al diverse NAMs databases beschikbaarzijn. Deze worden in de praktijk niet goed bezocht, zijn moeilijk tot nietup-to-date zijn te houden en kostbaar in onderhoud. Zodra de resultatenvan het aanvullende onderzoek beschikbaar zijn zal ik deze met de Kamerdelen.AfsluitingProefdiervrij onderzoek heeft een prominentere positie ingenomen binnenhet brede onderzoekslandschap, de transitie vordert dus gestaag, zowelnationaal als internationaal. Desalniettemin is er risico op polarisatie enblijft samenwerking en dialoog voeren belangrijk om voortgang tehouden. Dat samenwerking loont blijkt onder meer uit de toekenning vansubsidie uit het Nationale Groeifonds voor het CPBT. Mijn TPI-beleid en dederde pijler gericht op afbouw van dierproeven heb ik geconcretiseerdaan de hand van zes doelstellingen. Ook de huidige kansen binnen Europazijn daarin meegenomen en samen met de partners en het bredere veldblijf ik dan ook vol inzetten op de versnelling van de (inter)nationaledoorontwikkeling naar proefdiervrije innovatie.De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,J.F. RummenieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 15412

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 49e4a664e14ffc2e

14 okt 2026 · 48a300e991f6138f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.