Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda Milieuraad d.d. 17 juni 2025 te Luxemburg (Kamerstuk 21501-08-999)
Brontekst
Versie 2cd33fbe78e5a065 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-08MilieuraadNr. 1000 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 juni 2023 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur enWaterstaat over de brief van 2 juni 2025 over de geannoteerde agenda vande Milieuraad op 17 juni 2025 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 999), over de briefvan 29 april 2025 over het verslag van de Milieuraad van 27 maart 2025(Kamerstuk 21 501-08, nr. 994), over de brief van 28 mei 2025 over hetverslag van de informele Milieuraad van 28 en 29 april 2025 (Kamerstuk21 501-08, nr. 998) en over de brief van 28 mei 2025 over het Fiche:Richtlijn Behoud en duurzame gebruik van de mariene biodiversiteit vangebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (BBNJ)(Kamerstuk 22 112, nr. 4072).De vragen en opmerkingen zijn op 11 juni 2025 aan de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 16 juni 2025 zijn devragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,Peter de GrootAdjunct-griffier van de commissie,Coco Martin kst-21501-08-1000ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10001 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Inhoudsopgaveblz.Inleiding2PVV-fractie2GroenLinks-PvdA-fractie3NSC4D665BBB5II Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactievan de bewindspersoon6 InleidingDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voordit schriftelijk overleg en hebben de volgende vragen en opmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de geannoteerde agenda voor de Milieuraad op 17 juni.De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda en hebben daarover nog een aantal vragen.De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda omtrent de Milieuraad op 17 juni aanstaande. Dezeleden hebben nog een aantal vragen. Deze leden benadrukken hierbij hetbelang en de onomkeerbaarheid van schade aangebracht aan het milieuen de natuur.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda van de Milieuraad van 17 juni.Deze leden hebben nog enkele vragen.PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie nemen kennis van de agenda, maar vragentegelijkertijd ook of de Minister rekening houdt met de principes haalbaar,betaalbaar en realistisch.De leden van de PVV-fractie willen weten hoe Nederland bijzondereaandacht voor belangrijke onderwerpen als de verplichte toepassing enherkomst van plastic recyclaat gaat toepassen.De leden van de PVV-fractie willen weten hoe dit uitgevoerd gaat worden,gezien het feit dat Europa wordt overspoeld met zowel nieuw alshergebruikt recyclaat en dat Nederlandse bedrijven die zich bezighoudenmet het recyclen en produceren van recyclaat hier niet tegen op kunnenconcurreren door het goedkopere geïmporteerde plastic.De leden van de PVV-fractie willen weten hoe Nederland het door deEuropese Commissie voorgestelde percentage voor de verplichtetoepassing van plastic recyclaat gaat uitvoeren. Uit het impactassessmenten ervaringen uit de praktijk blijkt dat dit een haalbaar en realistischpercentage is, maar ontbreekt hier het principe betaalbaar?De leden van de PVV-fractie vragen of het Nederlandse standpunt om zichervoor in te zetten om in de uiteindelijke compromistekst vast te houdenaan het percentage plasticrecyclaat rekening houdt met haalbaar,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10002 betaalbaar en realistisch, zeker gezien de risico’s dat dit vanuit hetoogpunt van circulariteit, het versterken van de markt voor recyclaat enhet concurrentievermogen van de Europese plasticrecyclingindustrie zeeronzeker is. Zij vragen ook of dit scenario vanuit alle hoeken is onderzocht.De leden van de PVV-fractie hebben al eerder de waanzinnige tripjesbenoemd in het kader van klimaat en milieu. Vanaf 1995 worden er alsnoepreisjes georganiseerd en betaald door de belastingbetaler naarDubai, Azerbeidzjan, Colombia, Zuid-Korea en binnenkort naar Saudi-Arabië, Thailand, Namibië, Slovenië en Brazilië. Nu wordt er dwars dooreen beschermd deel van de amazone een snelweg aangelegd ten behoevevan de dertigste klimaattop. Of het nog niet genoeg is, wordt de lucht-haven uitgebreid, de haven vergroot voor cruiseschepen en nieuwe hotelsgebouwd allemaal voor een paar dagen kletsen over het klimaat. De ledenvan de PVV-fractie zijn benieuwd of de Minister de mening deelt dat ditsoort gekkigheid, zoals de halve wereld rondvliegen om een paar dagen tekletsen over het klimaat en milieu, niet veel schadelijker is.De leden van de PVV-fractie willen vasthouden aan het principe «meten isweten» en vragen of Nederland zich kan inzetten om af te stappen vancomputermodellen.De leden van de PVV-fractie willen weten of de Groene Overeenkomstdoor de Minister nog steeds wordt gezien als haalbaar, betaalbaar enrealistisch.De leden van de PVV-fractie willen weten of Nederland zich nog blijftinzetten voor het behoud van producten waar PFAS in zit waar nog geenvervangers voor beschikbaar zijn. Zo heeft de nieuwe Duitse regering aleerder op de rem getrapt naar aanleiding van een voorstel van Frankrijkmet betrekking tot het verbod op PFAS. Duitsland wil dat er een goedonderscheid wordt gemaakt in de soorten PFAS die er zijn. Deze ledenwillen weten of Nederland dit ook kan volgen.GroenLinks-PvdA-fractieCirculaire voertuigenverordeningDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over het voorstelvan de Europese Commissie betreffende circulariteitseisen voorvoertuigen, omdat het een goede stap voorwaarts is met betrekking tot deverduurzaming van de industrie. Deze leden vinden het belangrijk dat erambitie wordt getoond met betrekking tot de hoogte van het percentagevoor de verplichte toepassing van plastic recyclaat. Zij vinden het daaromgoed dat Nederland zich blijft vasthouden aan het percentage uit hetCommissievoorstel. Gaat Nederland zich tijdens de Milieuraad actiefverzetten richting lidstaten die afzwakking van het voorstel bepleiten?EU op COP30De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de geannoteerdeagenda dat er tijdens de Milieuraad wordt gesproken over de COP30,maar dat er geen besluitvorming over de inzet voor de COP is voorzien.Wanneer vindt deze besluitvorming plaats? Wanneer wordt de Kamergeïnformeerd over de Nederlandse inzet voor de COP30? Kan de Ministernader toelichten wat de Nederlandse inzet wordt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10003 PFAS in bestrijdingsmiddelenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben eerder vragen gesteldover de verlening van het middel flutolanil. Dit is een pesticide met dePFAS-stof trifluorazijnzuur (TFA) erin. De Europese Commissie heeftvoorgesteld om deze stof niet te verlengen. Deze leden zijn daar ergpositief over, omdat het spuiten van PFAS over weilanden volgens hen zosnel mogelijk moet stoppen. In de eerdere reactie werd aangegeven datde Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur nog eenstandpunt moest innemen en de Kamer hierover zou worden geïnfor-meerd. Dat is niet gebeurd, maar in de tussentijd schijnt Nederland samenmet elf andere lidstaten het voorstel van de Europese Commissie niétgesteund te hebben zonder het standpunt te verduidelijken. Klopt dezeinformatie? Zo ja, hoe staat dit standpunt in het verhouding tot deNederlandse inzet voor een PFAS-restrictie? Zo nee, wat is nu precies hetstandpunt van het kabinet met betrekking tot flutolanil? Is de Minister hetmet deze leden eens dat PFAS in pesticiden zeer onwenselijk is?NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie vragen in welke verhouding het Zeerecht-verdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1982 (een internationaaljuridisch kader voor internationale wateren, inclusief de InternationaleZeebodemautoriteit (ISA), die over het reguleren van diepzeemijnbouwgaat), met de bijbehorende Overeenkomst inzake het behoud en hetduurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebiedenvoorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (dat besproken wordt bijde Milieuraad) enerzijds, en het Oceaanverdrag uit 2023 anderzijds (dat alsdoel heeft om de mariene biodiversiteit in de volle zee te beschermen), totelkaar staan. Wordt de biodiversiteit in internationale wateren nu effectiefen op sluitende wijze beschermd naar de mening van de Minister? Zet deMinister zich in voor ratificatie in het komende halfjaar van beideverdragen (beide verdragen zijn ondertekend door Nederland, maar noggeen van beide is geratificeerd door de Tweede Kamer)? Hoe zorgt deMinister ervoor dat er tijdig een juridisch kader wordt vastgesteld voordiepzeemijnbouw, gezien de activiteiten die de Verenigde Staten (VS) opdat front willen ondernemen, zonder dat dat regulerende kader er is?De leden van de NSC-fractie lezen voor wat betreft de implementatie vande Richtlijn dat de Minister voornemens is om van de termijn van zesmaanden die de Europese Commissie voorstelt voor nationale implemen-tatie van de Richtlijn, ten minste twee jaar te maken. Wat deze ledenbetreft duldt de (regulering van) bescherming van biodiversiteit ininternationale wateren, inclusief regulering van diepzeemijnbouw, echtergeen vertraging. Zij verzoeken de Minister om zich daarom aan te sluitenbij de door de Europese Commissie voorgestelde implementatietermijnvan zes maanden, inclusief regulering van diepzeemijnbouw door de ISA,gezien de urgente situatie vanwege de plannen van de VS.De leden van de NSC-fractie lezen voorts dat Nederland voorstander isvan de verplichte toepassing van plastic recyclaat in de auto-industrie,maar dat er twijfels zijn of de Wereldhandelsorganisatie (WHO) regel-geving zou dulden die recyclaat met als herkomst de EU normeert. Omredenen van duurzaamheid en gezien de moeilijke situatie waarin (ookNederlandse) bedrijven die plastic recyclen zich bevinden, willen dezeleden de Minister vragen om zich bij de Milieuraad in te zetten voor eenoverleg tussen de Europese Commissie en de WHO om zo’n regeling oververplicht gebruik van recyclaat afkomstig uit de EU (toch) uit te werken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10004 Ten slotte vragen de leden van de NSC-fractie de Minister conform demotie-Erkens (Kamerstuk 31 793, nr. 257) om een stevig uitvoeringspakketom knelpunten in de transitie aan te pakken, zoals netcongestie, doorenergie-infrastructuur te verbeteren en door het harmoniseren van demethodologie van netwerktarieven, het versnellen van vergunningproce-dures en het vergroten van de beschikbaarheid van financiering,duurzame energie en grondstoffen. Deze leden vragen de Minister om bijde Milieuraad na te gaan in hoeverre elektriciteitsinfrastructuur/ hetEuropese stroomnet (dus inclusief dat van Nederland) volgens de Raadonder de infrastructuurgelden zal vallen waarop (na de Milieuraad) bij deNAVO-top zal worden besloten. Zonder een goed functionerend Europeesstroomnet/ elektriciteitsinfrastructuur is het immers moeilijk een effectieveEuropese defensiestructuur op te bouwen.D66-fractiePercentage plastic recyclaat auto’sDe leden van de D66-fractie constateren dat er discussie is omtrent dehoogte van het percentage plastic recyclaat in auto’s. Zij zijn van meningdat Nederland zich moet positioneren als een leider in ontwikkelingenbinnen de circulaire economie. Zij vragen daarom of het percentageplastic recyclaat in auto’s hoger kan worden ingezet.Europese inzet COP30De leden van de D66-fractie zijn van mening dat Nederland ook op hetgebied van klimaat een ambitieuze inzet kan hebben. Wat betreft mitigatie,dat een van de belangrijkste onderwerpen zal zijn, benadrukken dezeleden het belang van de beperking van temperatuurstijging. De gevolgenvoor de aarde bij een stijging van de globale temperatuur van 1,5 gradenCelsius zijn uitgestrekt. Deze leden vragen hoe de Minister de huidigeEuropese wetgeving beoordeelt op de aanpak van knelpunten.BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland bij de CirculaireVoertuigenverordening positief staat jegens dit voorstel, waardoor deRichtlijn betreffende autowrakken en de (Replace, Reduce, and Refine(3R)-richtlijn worden ingetrokken. Deze leden vragen wat de gevolgen zijnvoor onze oldtimers, zodra deze verordening van kracht wordt, en welkeruimte er is om oldtimers in het straatbeeld te houden.Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de eerste gedachtewis-seling over de COP30 zal plaatsvinden, waarbij mitigatie en adaptatiebelangrijke thema’s zullen zijn. Dit jaar nog moet er een besluit genomenworden over indicatoren waarmee de voortgang op adaptatie goedbijgehouden kan worden. Deze leden vragen wat voor indicatorenNederland zal inbrengen en wat voor adviezen daarover zijn binnenge-komen.De leden van de BBB-fractie vragen ook hoeveel draagvlak er is voor eentussendoel van 2040 en of de economische gevolgen in relatie tot hetvestigingsklimaat en toenemende regeldruk goed zijn meegewogen enzullen worden meegenomen in de Milieuraad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10005 II Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon InleidingAgenda MilieuraadHierbij wordt uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zakenrondom de agenda van de Milieuraad. Ten opzichte van de laatste standvan zaken zoals vermeld in de geannoteerde agenda zijn er een aantaldiverse punten toegevoegd aan de agenda. De volgende nieuwe diversepunten zijn aan de agenda toegevoegd: Tsjechië, Slowakije en Litouwenhebben een punt ingebracht over het loodverbod in ammunitie en visserijonder de Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemischestoffen (REACH) verordening. Slovenië heeft een Any Other Business(AOB) punt aangevraagd over de vergadering tussen Milieuministers vanhet «Europa Mediterraan» samenwerkingsverband (MED9). Ook heeft deCommissie een punt aangedragen over de beoordeling van nationaleenergie en klimaatplannen. Daarnaast heeft Frankrijk een AOB puntingediend over «switchgears» in het Ecodesign for Sustainable ProductsRegulation (ESPR)-werkprogramma, en een AOB punt over de resultatenvan de VN Oceanenconferentie. Ook heeft de Commissie een AOB-puntingebracht over de problematiek in de Europese recyclingsector,waaronder hoge energiekosten en de kostprijsverschillen tussen virgin engerecycled plastic. Door de Commissie is een punt ingediend over dewater weerbaarheidstrategie. Als laatste heeft het Poolse voorzitterschapeen AOB-punt aangevraagd over het uitvragen voor nominaties voor deEU wetenschappelijke adviesraad over klimaatverandering. Tevens is ereen ministeriële lunch georganiseerd over de milieuaspecten vansectorale strategische dialogen met de industrie.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonCirculaire voertuigenverordening1.De leden van de PVV-fractie willen weten hoe Nederland bijzondereaandacht voor belangrijke onderwerpen als de verplichte toepassing enherkomst van plastic recyclaat gaat toepassen. De leden van dePVV-fractie willen weten hoe dit uitgevoerd gaat worden, gezien het feitdat Europa wordt overspoeld met zowel nieuw als hergebruikt recyclaaten dat Nederlandse bedrijven die zich bezighouden met het recyclen enproduceren van recyclaat hier niet tegen op kunnen concurreren door hetgoedkopere geïmporteerde plastic.AntwoordEen Europese verplichting om recyclaat toe te passen is belangrijk voor deNederlandse (en Europese) recyclers. Mijn voorganger heeft uw Kamerhierover op 9 april jl. geïnformeerd.1 Dit versterkt de markt voor secun-daire grondstoffen en creëert een vraag naar recyclaat. De sector geeft zelfook aan dat Europese verplichtingen voor de toepassing van recyclaatessentieel zijn voor het versterken van hun positie. Daarom heeftNederland bijzondere aandacht voor dit aspect in Europese regelgeving.Dit doet Nederland door in bijvoorbeeld de onderhandelingen over deCirculaire voertuigen verordening te pleiten voor een doelstelling diehaalbaar, ambitieus en realistisch is. Dat is voor Nederland eenpercentage dat zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke Commissie-1Kamerstuk 32 852, nr. 355Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10006 voorstel ligt: 25%, 6 jaar na inwerkingtreding. In de onderhandelingenonderstreept Nederland het belang van zo’n doelstelling voor hetconcurrentievermogen van de Europese recyclers en trekt daarbij samenop met andere lidstaten. Het is daarbij voor Nederland eveneens vanbelang dat de eisen die gelden voor Europese bedrijven, ook gelden voorbedrijven van buiten Europa. Dit draagt bij aan een mondiaal gelijkspeelveld.Een verplichte toepassing van plastic recyclaat zal de vraag naar plasticrecyclaat doen groeien. Dit zal dus juist recyclers helpen beter teconcurreren met nieuw plastic. De Europese recyclers worden verdertegemoetgekomen door het voorstel voor het opnemen van een bepalingdie soortgelijke eisen stelt aan de productie van recyclaat door recyclerszowel buiten als binnen de EU. Dit versterkt de concurrentiepositie vanEuropese recyclers en draagt bij aan een mondiaal gelijk speelveld.2.De leden van de PVV-fractie willen weten hoe Nederland het door deEuropese Commissie voorgestelde percentage voor de verplichtetoepassing van plastic recyclaat gaat uitvoeren. Uit het impactassessmenten ervaringen uit de praktijk blijkt dat dit een haalbaar en realistischpercentage is, maar ontbreekt hier het principe betaalbaar?AntwoordHet toepassen van plastic recyclaat is een verplichting voor autoprodu-centen, zij moeten over een paar jaar zorgen dat ze een percentage plasticrecyclaat toepassen in hun voertuigen en onderdelen. Het toepassen vanplastic recyclaat kan voor de producenten met name in het begin, doorbijvoorbeeld onderzoek en ontwikkeling, voor meer kosten zorgen. Deeffectenbeoordeling van de Europese Commissie schat in dat dit kanleiden tot een prijsverhoging van 15 – 49 euro per voertuig. Dit is op deprijs van een nieuwe auto een verwaarloosbaar bedrag. Bovendien staatdaar tegenover dat recyclers meer opbrengsten genereren (jaarlijks600–700 miljoen euro2).3.De leden van de PVV-fractie vragen of het Nederlandse standpunt om zichervoor in te zetten om in de uiteindelijke compromistekst vast te houdenaan het percentage plasticrecyclaat rekening houdt met haalbaar,betaalbaar en realistisch, zeker gezien de risico’s dat dit vanuit hetoogpunt van circulariteit, het versterken van de markt voor recyclaat enhet concurrentievermogen van de Europese plasticrecyclingindustrie zeeronzeker is. Zij vragen ook of dit scenario vanuit alle hoeken is onderzocht.AntwoordNederland zal tijdens de Milieuraad pleiten voor een doelstelling die zodicht mogelijk in de buurt blijft van het oorspronkelijke Commissie-voorstel: 25% plastic recyclaat, 6 jaar na inwerkingtreding. In de effecten-beoordeling van de Commissie is dit vanuit verschillende invalshoekenonderzocht. Uit die beoordeling, evenals uit voorbeelden uit de huidigepraktijk blijkt dat deze doelstelling haalbaar, betaalbaar en realistisch is.Bovendien is een dergelijke doelstelling belangrijk om de markt voorrecyclaat te versterken, de concurrentiepositie van Europese recyclers teverbeteren en bijdragen aan een circulaire economie.4.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over het voorstelvan de Europese Commissie betreffende circulariteitseisen voor2SWD(2023) 256 finalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10007 voertuigen, omdat het een goede stap voorwaarts is met betrekking tot deverduurzaming van de industrie. Deze leden vinden het belangrijk dat erambitie wordt getoond met betrekking tot de hoogte van het percentagevoor de verplichte toepassing van plastic recyclaat. Zij vinden het daaromgoed dat Nederland zich blijft vasthouden aan het percentage uit hetCommissievoorstel. Gaat Nederland zich tijdens de Milieuraad actiefverzetten richting lidstaten die afzwakking van het voorstel bepleiten?AntwoordNederland heeft tijdens de onderhandelingen consistent en actief gepleitvoor een doelstelling die zo dicht mogelijk bij het Commissievoorstel ligten zal dit ook uitdragen in de Milieuraad, waarbij Nederland nauw zaloptrekken met andere lidstaten.5.De leden van de NSC-fractie lezen voorts dat Nederland voorstander isvan de verplichte toepassing van plastic recyclaat in de auto-industrie,maar dat er twijfels zijn of de Wereldhandelsorganisatie (WHO) regel-geving zou dulden die recyclaat met als herkomst de EU normeert. Omredenen van duurzaamheid en gezien de moeilijke situatie waarin (ookNederlandse) bedrijven die plastic recyclen zich bevinden, willen dezeleden de Minister vragen om zich bij de Milieuraad in te zetten voor eenoverleg tussen de Europese Commissie en de WHO om zo’n regeling oververplicht gebruik van recyclaat afkomstig uit de EU (toch) uit te werken.AntwoordIn de compromistekst die voorligt in de Milieuraad is een artikelopgenomen dat soortgelijke productiestandaarden oplegt aan zowelEuropese als niet-Europese recyclers. Dit versterkt de concurrentiepositievan Europese recyclers en draagt bij aan een mondiaal gelijk speelveld.Op grond van het artikel moeten er audits worden uitgevoerd om tecontroleren of aan deze eisen wordt voldaan. De juridische dienst van deRaad heeft aangegeven dat deze bepaling conform WHO (WereldHandelsorganisatie)-recht is en daardoor verdedigbaar is. Een overlegtussen de Europese Commissie en de WHO wordt niet noodzakelijkgeacht. Het is voor het kabinet belangrijk dat een open en op regelsgebaseerd internationaal handelssysteem in stand gehouden wordt, daarzijn de regels van de WHO de basis voor. Indien een eindresultaat vanonderhandelingen mogelijk handelseffecten kan hebben, moet deEuropese Commissie de verordening bij de WHO-landen notificeren. Hetkabinet heeft het belang van WHO-conformiteit van de bovengenoemdebepaling bij de Commissie onderstreept.6.De leden van de D66-fractie constateren dat er discussie is omtrent dehoogte van het percentage plastic recyclaat in auto’s. Zij zijn van meningdat Nederland zich moet positioneren als een leider in ontwikkelingenbinnen de circulaire economie. Zij vragen daarom of het percentageplastic recyclaat in auto’s hoger kan worden ingezet.AntwoordEen hoger percentage is in het huidige krachtenveld niet haalbaar.Nederland trekt op met een groep gelijkgestemde lidstaten om het doel zodicht mogelijk bij het oorspronkelijke voorstel van de Commissie tehouden. Hiermee behoort Nederland dus al tot de kopgroep.7.De leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland bij de CirculaireVoertuigenverordening positief staat jegens dit voorstel, waardoor deRichtlijn betreffende autowrakken en de (Replace, Reduce, and RefineTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10008 (3R)-richtlijn worden ingetrokken. Deze leden vragen wat de gevolgen zijnvoor onze oldtimers, zodra deze verordening van kracht wordt, en welkeruimte er is om oldtimers in het straatbeeld te houden.AntwoordTijdens de onderhandelingen over de Circulaire Voertuigen Verordening iser speciale aandacht geweest voor oldtimers. Dit heeft ertoe geleid datoldtimers uitgezonderd zijn van de definitie «autowrak». Alleen wanneerde eigenaar zich «ontdoet» van de oldtimer is de verordening vantoepassing op het afvalbeheer ervan. De verordening heeft dus geeneffect op oldtimers die onderdeel zijn van het straatbeeld.COP308.De leden van de PVV-fractie hebben al eerder de waanzinnige tripjesbenoemd in het kader van klimaat en milieu. Vanaf 1995 worden er alsnoepreisjes georganiseerd en betaald door de belastingbetaler naarDubai, Azerbeidzjan, Colombia, Zuid-Korea en binnenkort naar Saudi-Arabië, Thailand, Namibië, Slovenië en Brazilië. Nu wordt er dwars dooreen beschermd deel van de amazone een snelweg aangelegd ten behoevevan de dertigste klimaattop. Of het nog niet genoeg is, wordt de lucht-haven uitgebreid, de haven vergroot voor cruiseschepen en nieuwe hotelsgebouwd allemaal voor een paar dagen kletsen over het klimaat. De ledenvan de PVV-fractie zijn benieuwd of de Minister de mening deelt dat ditsoort gekkigheid, zoals de halve wereld rondvliegen om een paar dagen tekletsen over het klimaat en milieu, niet veel schadelijker is.AntwoordNee. Klimaatverandering is een wereldwijd probleem. Alleen door samente werken kunnen we het toekomstig welzijn van burgers en het duurzaamverdienvermogen van bedrijven zeker stellen. Internationale klimaatonder-handelingen zorgen ervoor dat álle landen actie ondernemen, en dragenzo bij aan een wereldwijd gelijk speelveld.Zonder de COPs was de Overeenkomst van Parijs er niet gekomen, warener geen internationale afspraken over het uitfaseren van vervuilendefossiele brandstoffen, over de versnelde uitrol van hernieuwbare energie,en over de wereldwijde reactie op de toenemende impact van extreemweer. De opeenvolgende conferenties hebben bovendien extra druk gezetop grote uitstoters zoals China, de Verenigde Staten, Saudi-Arabië, enIndia, om – net als de EU – hun klimaatplannen aan te scherpen en het1,5-gradendoel binnen bereik te brengen.Tot slot: internationale samenwerking vraagt om aanwezigheid. De kostenvan geen actie nemen tegen klimaatverandering, ook voor Nederland, zijnvele malen hoger dan die van een conferentie.9.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de geannoteerdeagenda dat er tijdens de Milieuraad wordt gesproken over de COP30,maar dat er geen besluitvorming over de inzet voor de COP is voorzien.Wanneer vindt deze besluitvorming plaats? Wanneer wordt de Kamergeïnformeerd over de Nederlandse inzet voor de COP30? Kan de Ministernader toelichten wat de Nederlandse inzet wordt?AntwoordDe discussie tijdens de aankomende Milieuraad zal zich, zoals inmiddelsook is gebleken uit de informatie die het EU-voorzitterschap heeftgedeeld, concentreren op de zogeheten nationaal bepaalde bijdrageTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 10009 (NDC) van de EU. Alle partijen bij de Overeenkomst van Parijs dienen voorCOP30 een NDC in te dienen waarin ze hun klimaatinzet tot aan 2035beschrijven.De EU-inzet voor de multilaterale onderhandelingen tijdens COP30 wordtvastgesteld tijdens de Milieuraad van oktober. Deze Raad staat nu geplandop 21 oktober. Na de zomer wordt uw Kamer via de gebruikelijke weggeïnformeerd over de voorgenomen Nederlandse positie voor dezeMilieuraad. Daarnaast wordt uw Kamer, net als voorgaande jaren,voorafgaand aan COP30 geïnformeerd over de brede Nederlandse inzetvoor deze COP. Deze Kamerbrief bevat een beschrijving van de aandachts-gebieden en eventuele initiatieven die Nederland heeft buiten demultilaterale onderhandelingen.10.De leden van de D66-fractie zijn van mening dat Nederland ook op hetgebied van klimaat een ambitieuze inzet kan hebben. Wat betreft mitigatie,dat een van de belangrijkste onderwerpen zal zijn, benadrukken dezeleden het belang van de beperking van temperatuurstijging. De gevolgenvoor de aarde bij een stijging van de globale temperatuur van 1,5 gradenCelsius zijn uitgestrekt. Deze leden vragen hoe de Minister de huidigeEuropese wetgeving beoordeelt op de aanpak van knelpunten.AntwoordDe EU-klimaatwetgeving die tot op heden is aangenomen, is gebaseerdop de benodigde Europese bijdrage aan de wereldwijde inzet om deopwarming te beperken tot 1,5 graad Celsius. Uit analyses van bestaandbeleid in de EU blijkt dat de EU op koers ligt om het 2030-klimaatdoel tehalen – namelijk 54% vermindering t.o.v. 1990 (het EU-doel is ten minste55%). Verwacht wordt dat de Europese Commissie het wetsvoorstel omeen 2040-tussendoel richting klimaatneutraliteit in 2050 op 2 juli zalpubliceren.Tegelijkertijd, om de klimaat- en energiedoelstellingen daadwerkelijk tebehalen moeten grote knelpunten in de uitvoering, ook in Nederland,opgelost worden. Om deze knelpunten aan te pakken heeft de EU inrecente mededelingen zoals de Clean Industrial Deal (CID) en hetActieplan voor Betaalbare Energieprijzen, verschillende korte en langetermijn maatregelen aangekondigd (o.a. het grid package, circulareconomy act, industrial decarbonisation accelerator act). Het kabinet zetzich, in de uitwerking van deze Europese maatregelen, in voor een steviguitvoeringspakket conform de Motie Erkens3, omwille van het versterkenvan onze concurrentiepositie, groene groei en energieonafhankelijkheid.Hierin is met name belangrijk dat we de energietransitie faciliteren doornetcongestie tegen te gaan, de interconnectie van infrastructuur verbe-teren, vergunningverlening versnellen en stroomlijnen, en netwerkta-rieven harmoniseren om een EU-intern gelijk speelveld te creëren.11.Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de eerste gedachtewis-seling over de COP30 zal plaatsvinden, waarbij mitigatie en adaptatiebelangrijke thema’s zullen zijn. Dit jaar nog moet er een besluit genomenworden over indicatoren waarmee de voortgang op adaptatie goedbijgehouden kan worden. Deze leden vragen wat voor indicatorenNederland zal inbrengen en wat voor adviezen daarover zijn binnenge-komen.3Kamerstuk 31 793, nr. 257.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100010 AntwoordMet de indicatoren zullen landen gericht data kunnen verzamelen en delenover thema’s die cruciaal zijn voor adaptatie. Het gaat dan bijvoorbeeldom water(beheer), voedselzekerheid, en gezondheid. Deze doelen zijnafgesproken, mede op inbreng van Nederland, tijdens de COP28 inDubai.4 Zo ontstaat een wereldwijd beeld over de voortgang op adaptatie-beleid, en kunnen trends worden geïdentificeerd aan de hand van dezedata. Bijvoorbeeld op welke van de eerdergenoemde doelen en in welkeeconomische sectoren adaptatie op koers ligt, waar meer inzet nodig is,en op welke manier adaptatiemaatregelen het best kunnen wordeningevoerd. Op dit moment is dit beeld incompleet, en is mede daardoorniet goed inzichtelijk of voldoende actie wordt genomen om voor tebereiden op de gevolgen van klimaatverandering.De voorselectie en ontwikkeling van de indicatoren wordt gedaan dooreen groep vooraanstaande adaptatie-experts en -wetenschappers vanover de hele wereld. Zij selecteren de meest relevante, bestaandeindicatoren op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten en kijkendaarbij onder andere naar beschikbaarheid van data, relevantie van deindicator, en de samenhang tussen de indicatoren. Tijdens COP30 zullende landen besluiten over de definitieve set. Nederland draagt zelf geenindicatoren aan, maar is onder andere via een expert van de Universiteitvan Wageningen wel nauw betrokken bij het voorproces. In algemene zinis er een goede afstemming tussen de betrokken Nederlandse departe-menten en relevante kennisinstellingen over adaptatie en monitoring.12.De leden van de BBB-fractie vragen ook hoeveel draagvlak er is voor eentussendoel van 2040 en of de economische gevolgen in relatie tot hetvestigingsklimaat en toenemende regeldruk goed zijn meegewogen enzullen worden meegenomen in de Milieuraad.AntwoordDe Europese Commissie stelt dat een tussendoel een logische ennoodzakelijke stap is richting klimaatneutraliteit in 2050. Een doel vannetto-90% reductie in 2040 ten opzichte van 1990 is daarbij in lijn met dewetenschap en afspraken uit het Parijsakkoord. Het wetsvoorstel om het2040 tussendoel te borgen zal 2 juli worden gepubliceerd door deCommissie, waarna uit Europese besluitvorming zal blijken of hetEuropees Parlement en de Raad het voorstel steunen.In de Milieuraad van december 2024 bleek het krachtenveld verdeeld.Verschillende lidstaten spraken steun uit voor het door de Commissieaanbevolen tussendoel van netto-90%, waar andere lidstaten eenambitieus doel steunen zonder een exact getal te noemen of zich juistsceptisch uitten tegenover het doel. Sommige lidstaten, waaronderNederland, steunen het doel en willen daarbij ook graag duidelijkestappen op EU-niveau zien over hoe het 2040 doel kan worden behaald. Inaanloop naar het wetgevend voorstel pleit het kabinet cf. motie Erkens5voor een stevig uitvoeringspakket om knelpunten in de transitie aan tepakken, zoals netcongestie door energie-infrastructuur te verbeteren, hetharmoniseren van de methodologie van netwerktarieven, het versnellenvan vergunningprocedures en het vergroten van de beschikbaarheid vanfinanciering, duurzame energie en grondstoffen. Om deze knelpunten aante pakken heeft de EU in recente mededelingen zoals de Clean IndustrialDeal (CID) en het Actieplan voor Betaalbare Energieprijzen, verschillende4Kamerstuk 31 793, nr. 255 en Kamerstuk 31 793, nr. 2565Kamerstuk 31 793, nr. 257Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100011 korte en lange termijn maatregelen aangekondigd (o.a. het grid package,circular economy act, industrial decarbonisation accelerator act).De economische gevolgen voor bedrijven van het door de Commissieaanbevolen EU 2040-doel zijn beheersbaar. Dit blijkt uit het ImpactAssessment van de Europese Commissie6, en uit het Impact Assessmentvan CE Delft7 die de gevolgen van de Europese analyse doorrekent voorNederland. Meer klimaatbeleid in 2040 zal volgens deze studies leiden toteen verschuiving in uitgaven: kapitaalsinvesteringen (CAPEX) nemen toe,bijvoorbeeld voor duurzame energie-infrastructuur, elektrische voertuigenen woningverduurzaming. Operationele kosten (OPEX), zoals uitgavenaan fossiele brandstoffen, dalen echter na verloop van tijd. Voor bedrijvenkan dit op termijn de voorspelbaarheid en stabiliteit van energiekostenverbeteren, wat aantrekkelijk is voor investeringsbeslissingen.Na publicatie van het wetgevend voorstel over het tussendoel zalNederland volgens de gebruikelijke BNC-procedure het voorstel beoor-delen, waarbij ook de gevolgen voor bedrijven, regeldruk en concurrentie-vermogen worden meegenomen.Nederland zal tijdens de Milieuraad uitdragen dat concurrentievermogenop lange termijn alleen behouden kan blijven als de Europese industrieverduurzaamt. Een 2040 tussendoel biedt langetermijnperspectief watbijdraagt aan een stabiel en sterk investeringsklimaat. Omwille vangroene groei onderstreept Nederland dat een stevig uitvoeringspakketprioriteit heeft boven het creëren van flexibiliteiten die investeringen naarbuiten de EU verplaatsen.PFAS13.De leden van de PVV-fractie willen weten of Nederland zich nog blijftinzetten voor het behoud van producten waar PFAS in zit waar nog geenvervangers voor beschikbaar zijn. Zo heeft de nieuwe Duitse regering aleerder op de rem getrapt naar aanleiding van een voorstel van Frankrijkmet betrekking tot het verbod op PFAS. Duitsland wil dat er een goedonderscheid wordt gemaakt in de soorten PFAS die er zijn. Deze ledenwillen weten of Nederland dit ook kan volgen.AntwoordOp dit moment wordt het PFAS restrictievoorstel beoordeeld door het EUagentschap voor chemische stoffen (ECHA). Daarbij wordt naast verbodenook gekeken naar alternatieve opties om emissies van PFAS naar hetmilieu te voorkomen. De beschikbaarheid van alternatieven wordt in ditdossier ook meegewogen. Op grond van de wetenschappelijke opiniesvan het agentschap zal er Europees breed politieke besluitvormingplaatsvinden over PFAS. Nederland zet zich in om de emissies naar hetmilieu op EU-niveau zo ver mogelijk terug te dringen.14.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben eerder vragen gesteldover de verlening van het middel flutolanil. Dit is een pesticide met dePFAS-stof trifluorazijnzuur (TFA) erin. De Europese Commissie heeftvoorgesteld om deze stof niet te verlengen. Deze leden zijn daar ergpositief over, omdat het spuiten van PFAS over weilanden volgens hen zosnel mogelijk moet stoppen. In de eerdere reactie werd aangegeven datde Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur nog een6EUR-Lex - 52024SC0063 - EN - EUR-Lex7CE Delft (2024). Impactanalyse Klimaatplan 2025-2035.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100012 standpunt moest innemen en de Kamer hierover zou worden geïnfor-meerd. Dat is niet gebeurd, maar in de tussentijd schijnt Nederland samenmet elf andere lidstaten het voorstel van de Europese Commissie niétgesteund te hebben zonder het standpunt te verduidelijken. Klopt dezeinformatie? Zo ja, hoe staat dit standpunt in het verhouding tot deNederlandse inzet voor een PFAS-restrictie? Zo nee, wat is nu precies hetstandpunt van het kabinet met betrekking tot flutolanil? Is de Minister hetmet deze leden eens dat PFAS in pesticiden zeer onwenselijk is?AntwoordIn de vergadering van de Standing Committee on Plants, Animals, Foodand Feed (SCoPAFF) van afgelopen mei is een conceptvoorstel van deEuropese Commissie besproken om de goedkeuring van de stof flutolanilniet te verlengen. Nederland heeft bij de Europese Commissie aange-geven dat het in de basis positief staat tegenover dit voorstel, maar dateen definitief standpunt pas zal worden ingenomen als er een definitiefvoorstel ter stemming wordt gebracht, omdat het conceptvoorstel in dezefase van besluitvorming nog kan wijzigen. Op het moment dat er eendefinitief voorstel van de Europese Commissie ter stemming komt, zal hetdemissionaire kabinet, na advies van het College voor de toelating vangewasbeschermingsmiddelen en biociden, een standpunt innemen en deKamer hierover informeren.Richtlijn Behoud en duurzame gebruik van de mariene biodiver-siteit van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechts-macht (BBNJ)15.De leden van de NSC-fractie vragen in welke verhouding het Zeerecht-verdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1982 (een internationaaljuridisch kader voor internationale wateren, inclusief de InternationaleZeebodemautoriteit (ISA), die over het reguleren van diepzeemijnbouwgaat), met de bijbehorende Overeenkomst inzake het behoud en hetduurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit van gebiedenvoorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (dat besproken wordt bijde Milieuraad) enerzijds, en het Oceaanverdrag uit 2023 anderzijds (dat alsdoel heeft om de mariene biodiversiteit in de volle zee te beschermen), totelkaar staan. Wordt de biodiversiteit in internationale wateren nu effectiefen op sluitende wijze beschermd naar de mening van de Minister? Zet deMinister zich in voor ratificatie in het komende halfjaar van beideverdragen (beide verdragen zijn ondertekend door Nederland, maar noggeen van beide is geratificeerd door de Tweede Kamer)?AntwoordHet Verdrag van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee (hierna:VN-Zeerechtverdrag) dat geldt voor het gehele Koninkrijk, geeft hetalomvattend juridisch kader voor het gebruik en beheer van de zeeën enoceaan, met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan. In hetVN-Zeerechtverdrag zijn echter niet alle onderwerpen tot in detailuitgewerkt. Daarom zijn er aanvullende overeenkomsten ontwikkeld voorsommige onderwerpen. Dit zijn zogenoemde «uitvoeringsovereen-komsten bij het VN Zeerechtverdrag». Op dit moment zijn er drie van dezeuitvoeringsovereenkomsten: 1) de Visbestandenovereenkomst (1995)8;8Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Natiesinzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhoudingen het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden(Visbestandenovereenkomst; 1995).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100013 2) de 1994-overeenkomst9; en nu 3) de BBNJ-overeenkomst (2023). Delaatste is nog niet in werking getreden.De BBNJ-overeenkomst wordt ook wel het Oceaanverdrag genoemd. Deofficiële titel van de BBNJ-overeenkomst is «de Overeenkomst inzake hetbehoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteitvan gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht». Dezewordt voor het gemak afgekort tot BBNJ vanwege de Engelse titel:Biodiversity Beyond National Jurisdiction Agreement.De BBNJ-overeenkomst wordt door Nederland en de internationalegemeenschap gezien als een noodzakelijke toevoeging aan hetVN-Zeerechtverdrag om activiteiten in gebieden voorbij de grenzen vande nationale rechtsmacht van staten te reguleren en het mariene milieu ende mariene biodiversiteit te beschermen. De overeenkomst stelt aanvul-lende regels voor het behoud en duurzaam gebruik van de volle zee enhet Gebied10: de delen van de zee voorbij de grenzen van nationalerechtsmacht van landen. Dit betreft ongeveer twee derde van de zeeën enoceaan. De BBNJ-overeenkomst treedt daarbij niet in de plaats van albestaande bestuurlijke arrangementen of afspraken; bijvoorbeeld hetbeheer van visserijactiviteiten, scheepvaart en diepzeemijnbouw. Dezeactiviteiten blijven onder de bevoegdheid van respectievelijk bestaanderegionale visserijbeheerorganisaties, de Internationale MaritiemeOrganisatie (IMO) en de Internationale Zeebodemautoriteit (hierna:Autoriteit).Het Koninkrijk der Nederlanden is sinds het begin van de onderhande-lingen voor deze overeenkomst nauw en zeer actief betrokken geweest.De bescherming van het mariene milieu en het reguleren van activiteitenop zee zijn doelen waar het Koninkrijk zich zowel nationaal als internati-onaal voor inzet. Zo ook binnen de regionale zeeconventies OSPAR11 ende Cartagenaconventie12. En in het kader van andere organisaties enverdragen, zoals de IMO, de Autoriteit en het Londenverdrag en -protocolinzake het voorkomen van dumpen op zee.13Middels dit nieuwe verdrag kunnen we deze doelen nu ook op de volle zeeintegraal invulling geven: de BBNJ-overeenkomst zal helpen om van deNoordzee en de Caribische Zee tot aan de oceaan de samenwerking vanorganisaties met mandaten op regionaal, internationaal en sectoraalniveau te versterken. Betere samenwerking in het zee- en oceaanbeheerzal bijdragen aan de effectieve bescherming van de biodiversiteit, onzevoedselzekerheid, het klimaat, ons leefmilieu en de positie van onzemaritieme sector.Nederland werkt sinds de ondertekening van de BBNJ-overeenkomst inseptember 2023 aan de nationale wetgeving ter uitvoering van deovereenkomst en ter voorbereiding op de aanvaarding daarvan voor9Overeenkomst betreffende de uitvoering van Deel XI van het Verdrag van de Verenigde Natiesinzake het recht van de zee van 10 december 1982 (1994-Overeenkomst; 1994). Dit is de verdereuitwerking van regels voor (diepzeemijnbouw onder) de Internationale Zeebodemautoriteit.10Met «het Gebied» wordt bedoeld de oceaanbodem en de ondergrond van de gebieden buitennationale rechtsmacht, zoals bedoeld in het VN-Zeerechtverdrag.11Het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van hetmariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR; 1992).12Het op 5 juni 1992 te Cartagena tot stand gekomen Verdrag inzake biologische diversiteit(Cartagenaconventie; 1992).13Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten vanafval en ander stoffen (Londen, 1972); Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkomingvan verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en ander stoffen van1972 (Londen, 1996).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100014 Nederland. Conform de toezegging van de Staatssecretaris vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in het Commissie-debat Tuinbouw, visserij en biotechnologie van 3 oktober jl. wordt deKamer nog deze maand separaat geïnformeerd over dit proces.De BBNJ-overeenkomst reguleert in principe alleen activiteiten ingebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht als dezeactiviteiten niet al door andere organisaties worden gereguleerd. Omdatdiepzeemijnbouw al wordt gereguleerd door de Autoriteit, zijn de regelsvan de Autoriteit de basis en niet de regels van de BBNJ-overeenkomst. Eris wel een verplichting om de samenwerking tussen de organisaties enverdragen te versterken. Hiervoor zet Nederland zich zowel binnen deBBNJ-overeenkomst als in de Autoriteit voor in.16.NSC: Hoe zorgt de Minister ervoor dat er tijdig een juridisch kader wordtvastgesteld voor diepzeemijnbouw, gezien de activiteiten die de VerenigdeStaten (VS) op dat front willen ondernemen, zonder dat dat regulerendekader er is?AntwoordHet Koninkrijk der Nederlanden heeft als lid van de Raad van de Autoriteittijdens de Raadsvergadering van 28 maart 2025 nadrukkelijk opgeroepentot tijdige vaststelling van een adequaat regelgevend kader voor exploita-tieactiviteiten, mede met het oog op het huidige krachtenveld. In dit kadermoeten volgens Nederland ten minste duidelijke en strikte milieuvoor-waarden zijn opgenomen.14 De Autoriteit spant zich momenteel actief invoor spoedige vaststelling van een volledige en adequate regeling voorexploitatie, die het kader zal vormen voor besluitvorming over aanvragenvoor exploitatieactiviteiten. Het streven van de Autoriteit is om dieexploitatieregeling dit jaar af te hebben. De voorzitter van de Raad heefthiertoe een procesvoorstel gedaan, waar de Raadsleden zich tijdens devergadering in juli as. over zullen uitlaten. Daarnaast vinden verschillendediscussies plaats over de voorwaarden op basis waarvan zal wordenbeoordeeld of toekomstige aanvragen voor exploitatieactiviteiten kunnenworden goedgekeurd of moeten worden afgewezen; Nederland neemthier actief aan deel.Over eventuele activiteiten die de VS op de internationale zeebodemwillen ondernemen, heeft Nederland zich tijdens de vergadering van deAutoriteit dit voorjaar eveneens uitgesproken dat deze activiteiten dienenplaats te vinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag enonder beheer en toezicht van de Autoriteit als de exclusief bevoegdeinstantie hiervoor. Ook heeft Nederland, en met ons een meerderheid vanstaten, opnieuw aangegeven dat exploitatieactiviteiten in ieder geval nietzouden moeten worden toegestaan totdat de exploitatieregeling tot standis gekomen, en erop gewezen dat de Raad van de Autoriteit dat ook inmeerdere besluiten heeft uitgedragen.17.De leden van de NSC-fractie lezen voor wat betreft de implementatie vande Richtlijn dat de Minister voornemens is om van de termijn van zesmaanden die de Europese Commissie voorstelt voor nationale implemen-tatie van de Richtlijn, ten minste twee jaar te maken. Wat deze ledenbetreft duldt de (regulering van) bescherming van biodiversiteit ininternationale wateren, inclusief regulering van diepzeemijnbouw, echtergeen vertraging. Zij verzoeken de Minister om zich daarom aan te sluitenbij de door de Europese Commissie voorgestelde implementatietermijn14Kamerstuk 32 849, 231.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100015 van zes maanden, inclusief regulering van diepzeemijnbouw door de ISA,gezien de urgente situatie vanwege de plannen van de VS.AntwoordDe Europese Commissie wil de BBNJ Richtlijn gebruiken om deBBNJ-overeenkomst om te zetten naar EU-regelgeving. De BBNJ Richtlijnstaat daarbij geheel los van de regulering van diepzeemijnbouw door deAutoriteit.Bij de onderhandelingen met betrekking tot de BBNJ Richtlijn binnen deEuropese Unie zal Nederland zich inzetten conform de positie in hetBNC-fiche.15 Gezien de gemiddelde duur van twee jaar voor het Neder-landse wetgevingstraject, inclusief zorgvuldige Parlementaire behan-deling, is de door de Europese Commissie voorgestelde termijn van zesmaanden voor omzetting van de BBNJ Richtlijn voor Nederland niethaalbaar. Het kabinet zal zich er daarom voor blijven inzetten de termijnvoor omzetting van de richtlijn te verruimen naar twee jaar. Enkele anderelidstaten van de EU kennen eenzelfde langdurig wetgevingstraject.Nederland staat dus niet alleen in dit streven.Energietransitie18.Ten slotte vragen de leden van de NSC-fractie de Minister conform demotie-Erkens (Kamerstuk 31 793, nr. 257) om een stevig uitvoeringspakketom knelpunten in de transitie aan te pakken, zoals netcongestie, doorenergie-infrastructuur te verbeteren en door het harmoniseren van demethodologie van netwerktarieven, het versnellen van vergunningproce-dures en het vergroten van de beschikbaarheid van financiering,duurzame energie en grondstoffen. Deze leden vragen de Minister om bijde Milieuraad na te gaan in hoeverre elektriciteitsinfrastructuur/ hetEuropese stroomnet (dus inclusief dat van Nederland) volgens de Raadonder de infrastructuurgelden zal vallen waarop (na de Milieuraad) bij deNAVO-top zal worden besloten. Zonder een goed functionerend Europeesstroomnet/ elektriciteitsinfrastructuur is het immers moeilijk een effectieveEuropese defensiestructuur op te bouwen.AntwoordHet kabinet zet zich al langere tijd in voor een Europees uitvoeringspakketconform motie Erkens. Zoals ook in de Kamerbrief met reactie op demotie is aangegeven heeft Nederland zich in verschillende onderhande-lingen en samenwerkingsverbanden ingezet om de Europese Commissieop te roepen tot het ontwikkelen van een uitvoeringsagenda om lidstatente ondersteunen om elektriciteitsinfrastructuur beter te benutten en verderte ontwikkelen.16 Het kabinet verwelkomt dan ook dat de EuropeseCommissie het Actieplan Betaalbare Energieprijzen heeft gepresenteerden verwelkomt de aangekondigde initiatieven mb.t. nettarieven, terbevordering van een sterker grensoverschrijdende geïntegreerde planningen uitvoering van projecten, ontwikkeling van een effectief kostenverde-lingsmechanisme voor (onder andere grensoverschrijdende) projecten enversnelling van vergunningverlening.17Momenteel wordt in NAVO-verband het gesprek gevoerd over de vorm eninvulling van een nieuwe NAVO-norm. De focus ligt hierbij op bredereuitgaven om de uitvoering van defensie en weerbaarheid mogelijk temaken. Investeringen in vitale energie-infrastructuur die bijdragen aan de15Kamerstuk 22 112, 4072.16Kamerstuk 31 793, nr. 25717Kamerstuk 22 112, nr. 4021Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100016 weerbaarheid van Nederland en Defensie zijn onderwerpen waarvooraandacht nodig is in deze discussie. Het kabinet zal de komende tijd deNederlandse inzet voor een nieuwe Defence Investment Pledge naderformuleren. Versnelling van vergunningverlening kan vooral wordengezocht in het voortraject.Overig19.De leden van de PVV-fractie nemen kennis van de agenda, maar vragentegelijkertijd ook of de Minister rekening houdt met de principes haalbaar,betaalbaar en realistisch.AntwoordJa.20.De leden van de PVV-fractie willen vasthouden aan het principe «meten isweten» en vragen of Nederland zich kan inzetten om af te stappen vancomputermodellen.AntwoordNee. Het demissionaire kabinet hecht waarde aan het principe «meten isweten», waarbij computermodellen een toevoeging kunnen zijn opbestaande meetmethodes.21.De leden van de PVV-fractie willen weten of de Groene Overeenkomstdoor de Minister nog steeds wordt gezien als haalbaar, betaalbaar enrealistisch.AntwoordJa, dat wordt nog steeds gezien als haalbaar, betaalbaar en realistisch.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 100017
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.