KamerkringInloggen
Kamerbrief

Periodieke rapportage Omgevingsveiligheid en Milieurisico's 2018-2024

15 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e06415bdcbc8878b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202628 089Gezondheid en milieuNr. 351 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 15 april 2026Hierbij bied ik u mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur enWaterstaat de periodieke rapportage van beleidsartikel 22 Omgevingsvei-ligheid en Milieurisico’s van hoofdstuk XII Infrastructuur en Waterstaatvan de Rijksbegroting aan. Dit is in navolging op mijn brief van23 september 2024, waarin ik uw Kamer heb geïnformeerd over hetvoornemen, de opzet en de afbakening van deze periodieke rapportage.1Met deze brief, het bijbehorende rapport van onderzoeksbureau Decisioen de externe beoordelingen van twee onafhankelijk deskundigen geef ikhier opvolging aan.De periodieke rapportage is een sluitstuk van de Strategische Evaluatie-agenda (SEA). Het betreft een syntheseonderzoek dat is gebaseerd opbestaande evaluaties en andere relevante bronnen, zoals voortgangsrap-portages en interviews. Het doel van de rapportage is om inzicht te biedenin de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid bij hetbetreffende beleidsthema en de voorwaarden daarvoor Bij het opstellenvan de periodieke rapportage zijn de criteria uit de Regeling periodiekevaluatieonderzoek 2022 (RPE) gevolgd. Daarbij is ook rekening gehoudenmet de aandachtspunten die door de Kamer zijn meegegeven.2Onafhankelijk deskundigen prof. dr. Carl Koopmans (SEO EconomischOnderzoek) en dr. Edwin van der Werf (Planbureau voor de Leefomgeving)hebben een oordeel opgesteld over de validiteit en betrouwbaarheid vande bevindingen van de periodieke rapportage. Deze reviews vindt u alsbijlagen bij deze brief.In deze brief worden de conclusies en aanbevelingen uit de periodiekerapportage genoemd. Daarbij wordt aangeven hoe opvolging wordtgegeven aan de aanbevelingen.1Kamerstukken II 2024–2025, 32 861, nr. 852Brief commissie aan bewindspersoon, 2024Z15398, 9 oktober 2024 kst-28089-351ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3511 Conclusies en aanbevelingen van de periodieke rapportageConclusiesDe onderzoekers trekken de volgende conclusies:1.De structuur van de begroting sluit onvoldoende aan op de inhoude-lijke organisatie en de doelenbomen van de directie.2.Het beschikbare evaluatiemateriaal toont aan dat de beleidsinzet in hetalgemeen als doeltreffend kan worden beschouwd. Wel constateren deonderzoekers dat de beschikbare indicatoren en monitors beperktinzicht geven in het bereiken van de hoofddoelen, de outcome, en zichvooral richten op de output (activiteiten, inspecties, meldingen). Ook isde effectiviteit en efficiëntie van samenwerkingsprogramma’s enconvenanten wisselend.3.De belangrijkste thema’s waar het ministerie de afgelopen jaren inzetop heeft gepleegd zijn geëvalueerd. De publieke verantwoording overde inzet van agentschappen en informatie over de veiligheidsbelevingvan inwoners is beperkt beschikbaar.4.Een fictieve besparing van 20% op de budgettaire grondslag van hetbeleid – die conform de RPE in beeld moet worden gebracht – ismogelijk, maar tegelijkertijd lastig inhoudelijk te onderbouwen. Datkomt doordat de inhoudelijke inzet van de beleidsdirectie niet goed iste koppelen aan de inzet van middelen, die vervolgens verspreid zijnover de verschillende posten op de begroting. De voorgesteldebesparingsvarianten zijn niet zonder consequentie. Wanneer gekekenwordt naar de besparingsvariant «bijdrage aan agentschappen», danzal dit vooral gevolgen hebben voor de kennispositie van het ministe-rie en de uitvoeringskracht op een aantal programma’s zal omlaaggaan. Voor een deel zal dat weer «in huis» gehaald moeten worden. Debesparingsvariant op het VTH-stelsel zal met name de sturende rol vanhet ministerie in het stelsel voor het milieudomein ondermijnen. Hetvoorstel voor de besparing op alle begrotingsonderdelen zal eenaanzienlijk lagere «productie» van instrumenten opleveren (wetten enregels, programma’s, subsidieregelingen, etc.).Reactie op de conclusies en aanbevelingenHet ministerie herkent de conclusies van de onderzoekers en ziet hierineen bevestiging van het ingezette spoor om de doelmatigheid endoeltreffendheid van het beleid verder te versterken, voort te zetten. Deaanbevelingen van de onderzoekers zijn daarbij zeer behulpzaam en neemik dan ook ter harte.Hieronder wordt aangegeven op welke wijze aan de vijf aanbevelingenopvolging is of wordt gegeven.1. Herzie de begrotingsstructuur De onderzoekers bevelen aan om de indeling van de begroting beter telaten aansluiten op de inhoudelijke organisatie. Dit moet ertoe leiden datde doelen, instrumenten en middelen uit de begroting beter te koppelenzijn aan de financiële inzet op de begroting.Aan het begrotingsartikel is in 2025 een overzicht toegevoegd waarmeemeer inzicht is gegeven in de beleidsmatige doelen van de beleidsdirectie.Deze ontwikkeling sluit aan bij de aanbeveling. In aanvulling daarop zalworden bezien of de indeling van het begrotingsartikel kan wordenaangescherpt om beter aan te sluiten op de doelen van de beleidsdirectie.Verder wordt in samenwerking met de directie Financieel-EconomischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3512 Zaken (FEZ) jaarlijks beoordeeld of en op welke manier de informatie-waarde van de begroting verder kan worden vergroot2. Maak doelen en indicatoren SMART De onderzoekers bevelen aan om per taakveld en voor de gehelebeleidsdirectie, duidelijke, meer meetbare indicatoren te ontwikkelen.De meetbare gegevens en indicatoren van de beleidsdirectie wordenvooral geleverd door uitvoeringsdiensten, zoals omgevingsdiensten,ANVS, ILT en RIVM. De beleidsdirectie staat immers als verantwoordelijkevoor de kaderstelling, aan het begin van de veiligheidsketen. Er wordt alactief gewerkt aan het meer meetbaar maken van de resultaten, waarmeeinzicht wordt gegenereerd in de impact van het beleid. Dit gebeurt onderandere door het aantal vergunningsaanvragen en REACH-dossiers bij tehouden. Daarnaast wordt gekeken naar het meetbaar maken van deoutput van de uitvoeringsdiensten. Zo wordt blijvend ingezet op hetzoveel mogelijk SMART formuleren van doelen en indicatoren. Daarbijmoet worden opgemerkt dat een te grote nadruk op het (lage) aantalincidenten effect kan hebben op de beleving van inwoners, waardoor debeleidsdirectie dus een delicate balans moet bewaken. In lijn met detoezeggingen in de begroting 2026, wordt voor de komende begrotingbezien in hoeverre de veiligheidsbeleving van inwoners kan wordenmeegenomen.3. Verbeter inzicht in doelbereik De onderzoekers bevelen aan om inzicht te krijgen in de mate waarin hethoofddoel van de beleidsdirectie daadwerkelijk wordt bereikt, doorbeschikbare gegevens als inspecties en incidenten meer in perspectief teplaatsen.In de afgelopen jaren heeft de beleidsdirectie al de nodige stappen gezetom dit inzicht te verkrijgen en dat zal worden voortgezet door o.a. debeleidstheorie verder uit te werken en waar mogelijk bij de uitvoering vanbeleidsevaluaties onderscheid te maken tussen output, outcome enimpact. Doel is om zoveel mogelijk inzicht te bieden in de bijdrage van hetbeleid aan het realiseren van een veilige, schone en gezonde leefom-geving. De inherent preventieve aard van het beleid van de directie ishierbij wel een factor om rekening mee te houden.Verder evalueert de beleidsdirectie sinds 2021 haar inzet waarbij deStrategische Evaluatie Agenda (SEA) van toegevoegde waarde is. De SEAwordt jaarlijks opgesteld als verplicht onderdeel van de begroting en biedteen overzicht van evaluaties naar de doelmatigheid en doeltreffendheidvan het beleid van de directie.Ten slotte is de beleidsdirectie recent aangesloten op het OnderzoekBeleving Woonomgeving dat wordt uitgevoerd door het Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid enMilieu (RIVM). In dit onderzoek zijn vragen opgenomen die raken aan deveiligheidsbeleving van inwoners, met als doel om hierover meer inzichtte krijgen en dit mee te kunnen nemen in beleidsvorming.4. Verhoog transparantie over agentschappen De onderzoekers bevelen aan om publiekelijk inzichtelijk te maken welkeinzet en resultaten agentschappen leveren voor de ontvangen middelen.Agentschappen zijn intern verzelfstandigde organisaties van ministeries.Dat betekent dat zij officieel onderdeel zijn van een ministerie, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3513 werken als zelfstandige organisaties. Zij leveren tegen betaling productenof diensten aan organisaties binnen het Rijk. Publicatie daarvan, bijvoor-beeld van (bestaande) jaarlijkse rapportages of aanvullende evaluaties,kunnen volgens de onderzoekers bijdragen aan de publieke inzichte-lijkheid.In lijn met de aanbeveling wordt onderzocht op welke manier de publiekeinzichtelijkheid kan worden vergroot, bijvoorbeeld door bestaanderapportages openbaar beschikbaar te stellen.5. Versterk de evaluatiemethodiek De onderzoekers bevelen aan om de evaluatiemethodiek te versterkendoor te streven naar meer kwantitatieve evaluaties en door evaluatiesexplicieter te richten op het meten van doeltreffendheid en doelmatigheidvan beleidsinstrumenten.Het beschikbare evaluatiemateriaal bevat meer kwalitatieve dan kwantita-tieve onderzoeksmethoden. Dit ligt in lijn met de preventieve aard van hetbeleid. Dit wordt beaamd door de onderzoekers. Er zal worden onderzochthoe meer kwantitatief onderzoek kan worden geïntegreerd in toekomstigebeleidsevaluaties, specifiek ten behoeve van een oordeel over doeltref-fendheid en doelmatigheid.Het oordeel van de onafhankelijk deskundigenDe onafhankelijk deskundigen stellen vast dat de periodieke rapportageover het algemeen goed is uitgevoerd en de resultaten naar hun meningvalide en betrouwbaar zijn. Het rapport is helder geschreven, genuan-ceerd verwoord en bevat heldere conclusies. Ook constateren zij dat hetonderzoeksbureau het onderzoek onafhankelijk kon uitvoeren en zelf deconclusies kon bepalen. Die conclusies worden herkend, maar er wordtaangegeven voorzichtig te zijn met te stevige conclusies over de doeltref-fendheid en doelmatigheid. Die kunnen niet altijd hard gemaakt wordenvanwege het veelal kwalitatief en weinig kwantitatief beschikbaarevaluatiemateriaal en het verschil in gebruikte evaluatiemethoden. Ookgeven de onafhankelijk deskundigen het advies om de beleidstheorieënvan de beleidsdirectie te verstevigen. Dit advies nemen we over.Tot slotHet kabinet dankt onderzoeksbureau Decisio voor de gedegen periodiekerapportage en onafhankelijk deskundigen prof. dr. Carl Koopmans en dr.Edwin van der Werff voor hun oordeel. Ik hecht er veel waarde aan om dedoelmatigheid en doeltreffendheid van beleid periodiek te onderzoeken endaar verantwoording over af te leggen aan de Kamer. Met deze periodiekerapportage en het oordeel van de onafhankelijk deskundigen wordt hierinvulling aan gegeven. De waardevolle aanbevelingen die in dezeperiodieke rapportage worden gedaan zijn van belang om ons beleidsteeds te verbeteren ten behoeve van een veilige, schone en gezondeleefomgeving.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G. KarremansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3514

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8427a0d06900c7f8

14 okt 2026 · 7e1e5d2fe05e8809

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.