Monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking
Brontekst
Versie 9def2646ecd5faa6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleidNr. 357 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 15 december 2025In de afgelopen jaren hebben achtereenvolgende kabinetten veelmaatregelen genomen tegen belastingontwijking door multinationals. Hetkabinet vindt het belangrijk om de effecten van deze maatregelen zo goedmogelijk inzichtelijk te maken. Het kabinet informeert uw Kamer daaromin deze jaarlijkse brief over de effecten van de genomen maatregelen.Een aantal belangrijke maatregelen blijkt effectief te zijn in de aanpak vanbelastingontwijking. Uit deze editie van de monitoringsbrief blijkt dat debronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royalty-stromen, al is er weinig effect zichtbaar in de dividendstromen naarlaagbelastende jurisdicties. Dit jaar is voor het eerst het effect van demaatregel tegen mismatches bij toepassing van het zakelijkheidsbeginselonderzocht. Deze maatregel blijkt effectief in het tegengaan van dubbeleniet-heffing. De gegevens over directe buitenlandse investeringen duidenook op een effectieve nationale en internationale aanpak van belastingont-wijking.Paragrafen 1, 2 en 3 bevatten de effectmonitoring van de maatregelen dieworden gemeten. Paragraaf 4 beschrijft enkele inzichten vanuit destatistiek van de directe buitenlandse investeringen. Paragraaf 5 beschrijftde ontwikkelingen in de Europese en internationale wet- en regelgevingop het vlak van belastingontwijking.In onderstaande tabel zijn de oordelen samengevat over de effectiviteitvan de maatregelen tegen belastingontwijking die gemonitord worden. Inde monitoringsbrief van vorig jaar1 zijn de effectanalyses van ATAD1 enATAD2 gepresenteerd. Hieruit bleek dat de earningsstrippingmaatregel(ATAD1) en de aanpak van hybridemismatches (ATAD2) effectief belasting-ontwijking tegengaan. Dit sterkt het kabinet in de overtuiging dat deaanpak van belastingontwijking ons belastingstelsel robuuster heeftgemaakt tegen belastingontwijking.1Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 343. kst-25087-357ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3571 MaatregelDoelOordeeleffectiviteitBronbelasting op renten en royalty’sVoorkomen belastingontwijkingEffectiefBronbelasting op dividendenVoorkomen belastingontwijkingGeen duidelijkeffect zichtbaarEarningsstripping (ATAD1)Voorkomen belastingontwijkingEffectiefEarningsstripping (ATAD1)Stimuleren financiering met eigenvermogenBeperkt effectiefAanvullende CFC-maatregel (ATAD1)Voorkomen belastingontwijkingNiet te bepalenAanpak hybride mismatches: cv/bv(ATAD2)Voorkomen belastingontwijkingEffectiefBeperking liquidatie- en stakings-verliesregelingEvenwichtige heffing vanmultinationalsEffectiefTegengaan mismatches zakelijk-heidsbeginselHet voorkomen van dubbeleniet-heffingEffectief 1. Bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden Op 1 januari 2021 is de Wet bronbelasting 2021 in werking getreden. Debronbelasting heeft tot doel Nederland minder aantrekkelijk te makenvoor doorstroomstructuren naar laagbelastende jurisdicties (LBJ’s) en hetrisico van belastingontwijking door het verschuiven van (Nederlandse)belastinggrondslag naar LBJ’s te verkleinen. Op basis van deze wet wordtin bepaalde gevallen bronbelasting ingehouden. Het gaat om renten,royalty’s en sinds 2024 ook dividenden, die een in Nederland gevestigdlichaam betaalt aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een LBJ en inmisbruiksituaties. Met de uitbreiding van de bronbelasting naardividenden per 2024 werd beoogd om twee specifieke situaties waaringeen dividendbelasting werd geheven aan bronbelasting te onder-werpen.2 Het bronbelastingtarief is gelijk aan het hoogste tarief in devennootschapsbelasting (momenteel 25,8%).Om het effect van de bronbelasting te monitoren is in 2020 aangekondigddat de inkomensstromen van Nederland naar LBJ’s gemonitord zullenworden met behulp van statistieken van DNB.3 Dit is de vierde keer dat ditis gedaan. Tabel 1 laat de Nederlandse inkomende en uitgaandeinkomensstromen vanuit respectievelijk naar LBJ’s zien, uitgesplitst naarrenten, royalty’s en dividenden en ingehouden winsten. Tevens laattabel 1 de totale Nederlandse inkomende en uitgaande inkomensstromenzien. Voor de verdere specificatie naar geografie verwijs ik naar degegevens van DNB.4Tabel 1: Inkomensstromen van en naar laagbelastende jurisdicties waaronder verdragslanden1 en totaal alle landen (miljard €,bron: DNB)22015201620172018201920202021202220232024InkomendDividend en ingehouden winst11,511,310,011,69,64,710,65,99,213,7Renten1,41,21,01,01,81,00,40,41,40,7Royalty’s1,01,42,21,01,10,40,50,60,70,4Overig inkomen0,10,10,10,10,10,00,00,00,00,0Totaal LBJ’s14,014,013,213,712,66,111,56,911,314,9Wv. verdragslanden3,42,23,22,42,92,23,04,73,30,3Totaal alle landen2692592963123002142853553693482Kamerstukken II 2020/21, 35 779, nr. 3.3Kamerstukken II, 2019/20, 25 087, nr. 259.4Te vinden als tabel 12.21 op de website van DNB: https://www.dnb.nl/statistieken/data-zoeken/#/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3572 2015201620172018201920202021202220232024UitgaandDividend en ingehouden winst3,38,28,53,01,11,55,67,06,35,2Renten4,94,13,94,93,82,41,61,01,00,6Royalty’s17,717,625,428,132,11,50,80,80,70,7Overig inkomen0,50,70,80,00,10,1––0,00,0Totaal LBJ’s26,330,538,536,037,15,48,08,88,06,5Wv. verdragslanden0,71,05,64,94,91,92,82,82,30,3Totaal alle landen2792492812902822082333273273171 Landen onder de LBJ’s waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Per 2024 zijn dat Bahrein, Barbados en Panama. De VAE zijn per2024 niet langer aangewezen als laagbelastende jurisdictie.2 Inkomen volgens definitie DNB, bestaande uit totale winst (uitgekeerd dividend en ingehouden winst), gerekende kosten voor IP (royalty’s), renteen overig inkomen. In de afgelopen jaren werd reeds gerapporteerd dat de totale inkomens-stroom naar LBJ’s sinds 2019 fors gedaald is. Dat is in 2024 nog steeds zo:de totale inkomensstroom bedroeg in 2024 € 6,5 miljard waar dit in 2019nog € 37 miljard was.De overblijvende inkomensstroom naar LBJ’s blijkt vooral te bestaan uitdividenden en ingehouden winsten, namelijk voor € 5,2 miljard. Er is geenscherpe daling zichtbaar sinds de invoering van de conditionele bronbe-lasting op dividenden per 2024. De verklaring hiervoor is gezocht door eenvergelijking te maken met de aangiftegegevens van de bronbelasting. Datwordt hieronder toegelicht.Vergelijking met aangiftegegevens bronbelastingDe ontwikkeling van de inkomensstromen kan vergeleken worden met degegevens uit de aangiften voor de bronbelasting bij de Belastingdienst. In2021 ging het om 555 aangiften met een grondslag van € 0,24 miljard aanrente- en royaltybetalingen, in 2022 om 360 aangiften met een grondslagvan € 0,23 miljard en in 2023 om 340 aangiften met een grondslag van€ 0,47 miljard. Voor 2024 blijkt nu dat het gaat om 177 aangiften met eentotale grondslag van € 0,45 miljard. Hiervan betreft het grootste deel(€ 0,38 miljard) renten en royalty’s. Het aandeel dividend in de grondslagwas in 2024 € 0,07 miljard.De bedragen uit de aangiften zijn dus aanmerkelijk lager dan deinkomensstromen naar LBJ’s in de DNB-statistieken zoals weergegeven inTabel 1. Een vergelijkbaar verschil voor rente- en royaltystromen is algeconstateerd en beschreven in de vorige monitoringsbrieven.5 Dit jaarwordt ook een verschil in de gegevens met betrekking tot dividenden eningehouden winsten zichtbaar. Het deel van de inkomensstroom datbetrekking heeft op dividenden en ingehouden winsten bedraagt in decijfers van DNB over 2024 € 5,2 miljard, terwijl bij de Belastingdienstslechts € 0,07 miljard wordt aangegeven.Voor wat betreft de renten en royalty’s zijn in de vorige monitoringsbrieftwee inhoudelijke verklaringen voor het verschil aangevoerd. Ten eerstedat een deel van de inkomensstromen naar staten gaat waar Nederlandgeen bronbelasting kan heffen vanwege een belastingverdrag. Voor 2024lijkt dit minder het geval te zijn aangezien het bedrag dat naar verdrags-landen gaat fors verminderd is. Dit hangt waarschijnlijk samen met hetfeit dat de Verenigde Arabische Emiraten per 2024 geen laagbelastendejurisdictie voor de bronbelasting meer is. Een tweede verklaring was dat5Kamerstukken II, 2024/25, 25 087, nr. 343.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3573 in een deel van de gevallen de ontvangende entiteit in de laagbelastendejurisdictie fiscaal transparant is (zowel vanuit Nederlands perspectief alsvanuit het perspectief van het achterliggende land). Dit betekent dat debetalingen in de belastingheffing worden betrokken bij de achterliggersc.q. participanten in het achterliggende land. Als dat land geen laagbelas-tende jurisdictie is, worden de betalingen voldoende in de heffingbetrokken. Om deze reden wordt geen bronbelasting geheven. Destatistieken van DNB houden geen rekening met het concept van fiscaletransparantie, waardoor wel een betaling aan een laagbelastendejurisdictie wordt geconstateerd.Voor het geconstateerde verschil ten aanzien van dividenden eningehouden winsten geldt ten eerste dat over ingehouden winsten geenbronbelasting wordt geheven, omdat de conditionele bronbelasting opdividenden aangrijpt op het moment dat dividenden worden uitgekeerd.Volgens DNB betreft circa een derde van de over 2024 gerapporteerdewaarde van € 5,2 miljard ingehouden winsten. Het is binnen de inkomens-definities die DNB gebruikt helaas niet mogelijk deze inkomensstroom uitte splitsen naar ingehouden winsten en dividenden volgens de fiscalebetekenis. Voor een toelichting hierbij verwijs ik naar de monitoringsbriefuit 2020.6 Voor het restant van het verschil geldt grotendeels dezelfdeverklaring als voor rente en royalty’s. Ook dividendstromen naar LBJ’s inde DNB-statistieken zoals weergegeven in Tabel 1 lopen naar verwachtingvoor een belangrijk deel via transparante entiteiten in laagbelastendejurisdicties. Als een dividend bij de achterliggers c.q. participanten in deheffing wordt betrokken is er bezien vanuit de voorwaarden endoelstelling van de conditionele bronbelasting op dividenden ook geenreden om hierover bronbelasting te heffen.2. Beperking van de liquidatie- en stakingsverliesregeling De liquidatie- en stakingsverliesregeling maakt liquidatie- en stakingsver-liezen van binnenlandse en buitenlandse dochterondernemingen enbuitenlandse vaste inrichtingen onder voorwaarden aftrekbaar op hetniveau van een Nederlandse vennootschapsbelastingplichtige. Vanaf1 januari 2021 is de reikwijdte van de liquidatie- en stakingsverliesregelingversoberd. Daarmee wordt uitholling van de Nederlandse belasting-grondslag tegengegaan. Voor toepassing van de liquidatieverliesregelingis zowel een temporele als territoriale en een materiële voorwaardeaangebracht, waarbij voor de laatste twee voorwaarden een franchisegeldt. Door de temporele voorwaarde kunnen liquidatieverliezen alleen inaanmerking worden genomen als de liquidatie plaatsvindt binnen eentermijn van drie jaar na het kalenderjaar waarin de onderneming isgestaakt. Deze driejaarstermijn geldt vanaf eind 2020. Dit betekent datondernemingen die eerder dan 2020 gestopt waren, in beginsel tot 2024gebruik konden maken van de liquidatie- of stakingsverliesregeling.Door de ingevoerde franchise kan een liquidatieverlies van meer dan€ 5 miljoen alleen in aanmerking worden genomen wanneer aan zowel deterritoriale als de materiële voorwaarde wordt voldaan. De territorialevoorwaarde is dat het verlies opkomt binnen de Europese Unie, deEuropese Economische Ruimte of een staat waarmee de EU een speci-fieke associatieovereenkomst heeft gesloten. Door de materiëlevoorwaarde is het vereiste belang voor toepassing van de liquidatiever-liesregeling verhoogd naar een zogenoemd kwalificerend belang(namelijk dat een zodanige invloed op de besluiten van dat lichaam kanworden uitgeoefend dat de activiteiten van dat lichaam kunnen wordenbepaald). Voor de toepassing van de stakingsverliesregeling gelden6Kamerstukken II, 2019/20, 25 087, nr. 259, bijlage 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3574 territoriale en temporele voorwaarden die op vergelijkbare wijzeuitwerken als de territoriale en temporele voorwaarden in de liquidatiever-liesregeling.In onderstaand overzicht is het gebruik van de liquidatie- en stakingsver-liesregeling weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt naar het landwaar de verliezen vandaan komen, en in hoeverre het bedrag boven ofonder de € 5 miljoen was bij landen buiten de EU/EER. Met name dezelaatste categorie is door de aanpassing van de liquidatie- en stakingsver-liesregeling per 2021 in aftrek beperkt.Uit de gegevens blijkt dat de versobering van de reikwijdte van deliquidatie- en stakingsverliesregeling tot een aanzienlijke daling van de inaftrek genomen liquidatie- en stakingsverliezen heeft geleid. Ook tonen decijfers anticiperend fiscaal gedreven gedrag, waarbij in 2020 extraverliezen in aftrek werden gebracht. Dit anticiperend fiscaal gedrevengedrag bestond eruit dat moedermaatschappijen in Nederland oudebedrijven, waarvan de activiteiten al gestopt waren, daadwerkelijk zijngaan liquideren in 2020 om het verlies nog onder de oude regeling inaanmerking te kunnen nemen. Dankzij de ingevoerde driejaarstermijn isdergelijke planning niet meer mogelijk.Gebruik liquidatie- en stakingsverliesregeling naar landengroep en bedrag (x mln)Belasting-jaarNederlandBinnenEU/EURBuiten-EU/EURen bedragonder 5 miljoenBedrag boven5 mln buitenEU/EERTotaal20181.6151.4753032.2645.65720191.9951.5863381.5955.51420202.3751.3504953.6597.87920211.0551.0883014442.88820221.6332.8533002275.013 Het bedrag aan verliezen in de EU/EER-landen is gedaald van € 1,5 miljardin 2018 naar € 1,1 miljard in 2021. Hier is vrijwel geen anticipatie-effectzichtbaar. Het bedrag aan liquidatieverliezen in 2022 is wel hoger dan in2021, wat samenhangt met een aantal zeer grote bedragen aan liquidatie-verliezen in dat jaar. Het is de verwachting dat dit bedrag in 2023 weerlager zal zijn. Bij de bedragen onder de € 5 miljoen bij niet-EU/EER-landenis in 2020 een anticipatie-effect aanwezig. Daarna is het bedrag redelijk inlijn met eerdere jaren.Het belangrijkste verschil is de behandeling van de verliezen buiten deEU/EER-landen die groter zijn dan € 5 miljoen. Waar in 2018 en 2019 ernog € 2,2 miljard respectievelijk € 2,6 miljard in aftrek werd gebracht, isook hier in 2020 een anticipatie-effect te zien. Daarna is het bedrag in 2021gedaald tot € 0,4 miljard en tot € 0,2 miljard in 2022. Het is deverwachting dat dit bedrag na 2022 verder zal dalen, omdat steeds mindergebruik zal kunnen worden gemaakt van het overgangsregime. Vanaf2024 zal het bedrag naar verwachting vervolgens nihil zijn door detoepassing van de temporele voorwaarde.De ontwikkeling van de liquidatieverliezen is in lijn met de verwachting enzal in de komende jaren verder gemonitord worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3575 3. Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheids-beginsel Het zakelijkheidsbeginsel7 verplicht belastingplichtigen in Nederland omtransacties met gelieerde partijen voor Nederlandse fiscale doeleindentegen zakelijke prijzen te verantwoorden. Dit kan leiden tot neerwaartse(en opwaartse) correcties van de Nederlandse fiscale winst in combinatiemet een informele kapitaalstoring of een verkapte dividenduitkering.Andere landen gaan hier soms anders mee om. Dat heeft dan bijgrensoverschrijdende transacties tot gevolg dat het land van de partijwaarmee de transactie wordt aangegaan geen corresponderendecorrectie toepast. Er bestaat dan een mismatch (verrekenprijsverschil) bijde toepassing van het zakelijkheidsbeginsel. Dit kan leiden tot dubbelebelasting (als in Nederland de winst opwaarts wordt aangepast en in hetandere land niet neerwaarts wordt aangepast) of dubbele niet-belasting(als in Nederland de winst neerwaarts wordt aangepast en in het andereland niet opwaarts wordt aangepast).Sinds 1 juli 2019 is de rulingpraktijk van de Belastingdienst aangescherpt.Vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf was niet langer mogelijkbij een neerwaartse correctie zonder een gelijke opwaartse correctie in hetandere land. Vervolgens is op 1 januari 2022 de Wet tegengaanmismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden voorboekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2022.8 Deze wet is eropgericht om mismatches te voorkomen die, in voornamelijk internationalesituaties, ontstaan door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel en dieleiden tot dubbele niet-heffing. Deze wet beperkt de mogelijkheid voorbelastingplichtigen om een neerwaartse aanpassing van de winst opgrond van het zakelijkheidsbeginsel in aanmerking te nemen voor zoverbij een ander gelieerd lichaam dat bij de transactie betrokken is geen ofeen lagere corresponderende opwaartse aanpassing in de belasting-grondslag wordt betrokken. De maatregelen bewerkstelligen daardoor datde winst in die gevallen ten minste eenmaal ergens wordt belast.Op het aangifteformulier wordt sinds 2016 aan belastingplichtigengevraagd of er sprake is van een informele kapitaalstorting of verkaptedividenduitkering en, zo ja, voor welk bedrag. Vanaf 2022 zijn hier de extravoorwaarden uit de nieuwe artikelen 8bb t/m 8bd van de Wet op devennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) aan toegevoegd, zodatinformele kapitaalstortingen en verkapte dividenduitkeringen die eenneerwaartse aanpassing van de winst tot gevolg hebben alleen nog alszodanig worden opgegeven in de aangifte wanneer er elders eenopwaartse aanpassing die wordt betrokken in een winstbelastingtegenover staat. Onderstaande figuren tonen de aantallen en de bedragentot en met 2023 voor buitenlandse situaties.97Ook wel aangeduid als arm’s-lengthbeginsel.8Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel, Stb. 2021, 654.9In de vorige monitoringsbrief zijn gegevens tot en met 2021 getoond voor alle informelekapitaalstortingen en verkapte dividenduitkeringen, ook in binnenlandse situaties. Omdat demaatregelen a priori niet aangrijpen in binnenlandse situaties, zijn deze hier weggelaten. Insommige gevallen is de aangifte incompleet, waardoor onduidelijk is of het een informelekapitaalstorting of verkapte dividenduitkering van een binnenlandse of een buitenlandsegelieerde partij betreft. Ook deze gevallen zijn in de figuren weggelaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3576 De gevallen waarbij sprake is van dubbele niet-heffing zouden vanaf 2019moeten dalen en vanaf 2022 moeten verdwijnen uit de cijfers: ofwelomdat er geen mismatch meer is, ofwel omdat de winst niet naarbeneden mag worden aangepast. Dit is inderdaad duidelijk zichtbaar in defiguren: de aantallen laten een duidelijke daling zien vanaf 2019, met meer* Gegevens over 2023 betreffen voorlopige cijfers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3577 dan een halvering van 2021 op 2022. De bedragen zijn volatieler, metname bij de verkapte dividenduitkeringen, omdat deze gedreven wordendoor een klein aantal gevallen waar het om grote bedragen gaat. Wel is bijde informele kapitaalstortingen een forse daling van de bedragenzichtbaar vanaf 2019, van een piek van € 17,4 miljard in 2019 tot€ 8,3 miljard in 2021 en € 2,8 miljard in 2022. In 2023 lijkt de daling doorte zetten, al betreft het daar nog voorlopige cijfers.Uit deze gegevens concludeer ik dat de maatregelen tegen mismatches bijtoepassing van het zakelijkheidsbeginsel effectief dubbele niet-heffingtegengaan. De cijfers laten ook zien dat in het verleden deze dubbeleniet-heffing vermoedelijk wel heeft plaatsgevonden en dat hier bijinformele kapitaalstortingen grote bedragen mee gemoeid waren.4. Directe buitenlandse investeringen De resultaten uit deze en afgelopen monitoringsbrieven laten zien dat demaatregelen tegen belastingontwijking door multinationals bijzondereffectief zijn geweest.De gevolgen van het internationale en nationale beleid tegen interna-tionale belastingontwijking komen ook tot uitdrukking in de cijfers overdirecte buitenlandse investeringen (dbi). Dit blijkt uit recente publicatiesvan het CBS en DNB.10, 11 Directe investeringen zijn investeringen dooreen ingezetene van een economie in een andere (buitenlandse) economiemet als doel een duurzaam belang te verwerven in de ondernemingwaarin wordt geïnvesteerd.12 Het kan dan bijvoorbeeld gaan ominvesteringen van bedrijven, investeringsfondsen, pensioenfondsen ofprivate-equitypartijen. Vanaf 2018 is een duidelijke trendbreuk zichtbaar.Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directe buitenlandseinvesteringen ten opzichte van het bbp aanzienlijk gedaald. De aanpak vanbelastingontwijking is daar de vermoedelijke oorzaak van. Dat wordthieronder toegelicht.Directe buitenlandse investeringen in Nederland beperken zich niet tot«reële» investeringen in de Nederlandse economie. Stel bijvoorbeeld dateen grote Amerikaanse multinational besluit om het Europese hoofd-kantoor van de onderneming in Nederland te vestigen. De reële inves-tering in Nederland is in dat geval beperkt tot investeringen die te makenhebben met de Nederlandse hoofdkantoorfunctie, zoals kantoorruimte.Toch telt dit op de Nederlandse betalingsbalans als een directe buiten-landse investering in Nederland ter waarde van het gehele Europese deelvan de multinational. Dat kan al snel om tientallen miljarden euro’s gaan.Tegelijkertijd wordt een overeenkomstige directe buitenlandse investeringingeboekt vanuit Nederland in al die andere landen die onder hetEuropese hoofdkantoor vallen. Zowel de inkomende als de uitgaandeinvesteringen worden dan met ongeveer hetzelfde bedrag fors verhoogd.Hetzelfde effect treedt op in gevallen waarbij een multinational eendoorstroomvennootschap in Nederland vestigt, al dan niet met het doelom belasting te ontwijken.10CBS (2025), Nederland Handelsland, p. 147–151.11DNB (2024), Internationale verwevenheid scherper in beeld, p. 20–21.12Een duurzaam belang impliceert dat sprake is van (i) een langetermijnrelatie tussen deinvesteerder en de onderneming waarin geïnvesteerd wordt en (ii) een mate van inspraak vande investeerder op het gevoerde beleid. Concreet betekent dit dat er sprake is van eenonderlinge buitenlandse directe investeringsrelatie als een investeerder (de «moeder») eenbelang heeft van meer dan tien procent in de onderneming waarin is geïnvesteerd (de«dochter»). Effecten, zoals aandelen in een beursgenoteerde onderneming, tellen niet alsdirecte buitenlandse investeringen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3578 De onderstaande figuren13 illustreren dit. Gegevens van het IMF laten ziendat de nieuwe directe buitenlandse investeringen14 door en in Nederlandlang onder de 10% van het bbp per jaar zaten, maar vanaf de eeuwwis-seling enorm opliepen. De internationalisering en de aantrekkelijke positievan Nederland zorgden ervoor dat veel bedrijven in Nederland een(regionaal) hoofdkantoor oprichtten of geldstromen via doorstroomven-nootschappen door Nederland lieten lopen. Sindsdien vertonen de cijfersgrote pieken en dalen tot meer dan 70% van het bbp per jaar, waarbijopvalt dat de lijnen van de inkomende en de uitgaande nieuwe investe-ringen bijzonder gelijk op en af gaan. Gezien de omvang van de jaarlijksinkomende investeringen kan het niet uitsluitend om reële investeringenin de Nederlandse economie zijn gegaan. Het is eveneens moeilijkvoorstelbaar dat Nederland 70% van al het in een jaar verdiende inkomenin datzelfde jaar zou kunnen investeren in het buitenland. De cijfers voorDuitsland illustreren dat het in Nederland grotendeels niet om reëleinvesteringen in de Nederlandse economie moet zijn gegaan: daarbedroegen de inkomende en uitgaande nieuwe directe buitenlandseinvesteringen jaarlijks tussen de –1% en de 5% van het bbp, op een piekjein 2000 na. Uit cijfers van DNB blijkt dan ook dat doorstroomvennoot-schappen de afgelopen jaren verantwoordelijk zijn voor het grootstegedeelte van de totale voorraad aan Nederlandse directe buitenlandseinvesteringen (zie tweede figuur).Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat Nederland mid jaren ’10 inabsolute bedragen de grootste voorraden aan directe investeringen terwereld had; in euro’s zelfs meer dan de Verenigde Staten. Uit gegevensvan DNB en CBS in de tweede figuur hieronder blijkt dat de voorraad aaninkomende directe buitenlandse investeringen op het hoogtepunt 559%van het bbp bedroeg. Ter vergelijking: in Duitsland lagen de voorradenaan directe investeringen tussen de 23% en de 27% van het bbp volgensIMF-cijfers.Het is belangrijk om te benadrukken dat de totale voorraad aan dbi inNederland ook reële investeringen en structuren bevat die niet hoofdza-kelijk door fiscale motieven zijn ingegeven. Het is dan ook geen goedeindicator om belastingontwijking te meten of monitoren, zoals ook deCommissie Doorstroomvennootschappen heeft geconcludeerd.15Dat neemt niet weg dat een belangrijk gedeelte van de dbi wel met fiscalemotieven te maken heeft. Zo blijkt uit onderzoek van het CPB dat een deelvan de dbi werd verklaard door treaty-shopping-structuren waarbijbedrijven gebruikmaken van het grote aantal bilaterale belastingver-dragen dat Nederland heeft gesloten.16 Sommige bedrijven kiezen demeest gunstige route om hun winsten van A naar B te krijgen, enNederland lag vaak op de route. De monitoringsresultaten in deze brief envorige edities laten per maatregel effecten zien op geldstromen in de ordevan grootte van miljarden of zelfs tientallen miljarden euro’s. Bovendienbevatten de meeste Nederlandse belastingverdragen inmiddels eenalgemene antimisbruikbepaling die treaty-shopping-structuren tegengaat.De verwachting is daarom dat de aanpak van belastingontwijkingzichtbare gevolgen moet hebben voor de voorraad dbi in Nederland.13In beide figuren gaat het om zogenoemde «directionele» cijfers voor directe buitenlandseinvesteringen. Dat wil zeggen dat investeringen van een moederbedrijf in een dochterbedrijfzijn gesaldeerd met investeringen van de dochter in de moeder.14Het gaat om de stromen per jaar, dat is inclusief prijs- en wisselkoersmutaties.15Zie p. 58 van het rapport van de Commissie Doorstroomvennootschappen (Kamerstukken II2021/22, 25 087, nr. 286, blg-1007733).16Van ’t Riet en Lejour (2017), Optimal tax routing: Network Analysis of FDI DiversionTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3579 In beide figuren is inderdaad vanaf 2018 een duidelijke trendbreukzichtbaar. Tussen 2017 en 2024 is de Nederlandse voorraad aan directebuitenlandse investeringen aanzienlijk gedaald, in lijn met de desinveste-ringen die vanaf 2018 bij de nieuwe investeringen zichtbaar worden. DNBen CBS hebben de inkomende investeringen uitgesplitst naar doorstroom-vennootschappen en overige vennootschappen17. Daaruit blijkt dat dezedesinvesteringen en overeenkomstige daling van de voorraad alléénplaatsvond bij doorstroomvennootschappen, die steeds vaker wordenontmanteld. Bij de overige vennootschappen, waar reële investeringen inNederland een groter aandeel vormen, is juist geen daling van de dbiwaargenomen, maar een gestage toename.18 Zowel DNB als CBSbenoemen daarom de aanpak van belastingontwijking als de vermoede-lijke oorzaak van de daling van de totale voorraad aan dbi.17Doorstroomvennootschappen in deze statistiek zijn volgens het CBS «holdings binnenmultinationale ondernemingsgroepen die winststromen zoals dividend en rente doorgeleidenbinnen het concern». Een deel van deze doorstroomvennootschappen kan ook een beperktemate van reële activiteiten ontplooien. Aan de andere kant vindt er ook doorstroom plaats vianiet-doorstroomvennootschappen.18CBS (2025), Nederland Handelsland, p. 147–151.Bron: IMFTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35710 Hoewel duidelijk dalende, blijft de voorraad van de dbi in Nederland welrelatief hoog ten opzichte van andere landen. Dit hoeft echter niet metbelastingontwijking te maken te hebben. Zoals eerder benoemd zorgenook veel investeringen met andere motieven dan fiscale motieven vooreen hoge dbi. Daarnaast zullen sommige structuren die oorspronkelijk eenbelastingbesparing ten doel hadden zijn blijven bestaan, ondanks dat dezedoor de aanpak van belastingontwijking niet langer leiden tot eenbelastingbesparing.5. Europese en internationale ontwikkelingen Evenals in vorige monitoringsbrieven volgt in deze paragraaf eenoverzicht van de lopende Europese en internationale ontwikkelingen ophet gebied van de aanpak van internationale belastingontwijking.5.1 Pijler 1 en 2 In het OESO/G20 Inclusive Framework on Base Erosion and Profit Shifting(IF) is de afgelopen jaren gewerkt aan een herziening van het interna-tionale belastingsysteem. De aanleiding hiervoor is gelegen in deuitdagingen die de globaliserende en digitaliserende economie met zichmeebrengt voor de belastingheffing van multinationals. De herziening vanhet internationale belastingsysteem bestaat uit Pijler 1 en Pijler 2.In januari dit jaar heeft de Verenigde Staten (VS) aangegeven dattoezeggingen die door de vorige regering van de VS zijn gedaan metbetrekking tot de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) niet meer vankracht zijn zolang (elementen uit) de wereldwijde minimumbelasting nietdoor het Congres zijn aangenomen.19 Sindsdien is in het IF opnieuwonderhandeld over Pijler 2 en hoe het Amerikaanse belastingsysteemhiernaast kan bestaan («Side-by-Side»), mede omdat de VS al langer eeneigen vorm van een minimumbelasting kent, met het streven om voor heteinde van het jaar overeenstemming te bereiken. Daarbij is in lijn met deverklaring van de Ministers van Financiën van de G7-landen van 28 juni19Zie https://www.whitehouse.gov/presidential-actions/2025/01/the-organization-for-economic-co-operation-and-development-oecd-global-tax-deal-global-tax-deal/ waarin wordt verwezennaar de «OECD Global Tax Deal». De wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) is daaronderdeel van.Bron: DNBTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35711 202520 door de leden van het IF ook gekeken naar mogelijkheden om deminimumbelasting te vereenvoudigen en naar de behandeling vanniet-restitueerbare belastingtegoeden. Ik hoop de Tweede Kamer zospoedig mogelijk over de uitkomsten van de onderhandelingen teinformeren.Pijler 1 is met name gericht op een herverdeling van een deel van dewinsten van de grootste en meest winstgevende multinationals. Op basisvan Pijler 1 zouden landen waar bedrijven veel afnemers of gebruikershebben (extra) heffingsrechten krijgen toebedeeld en zouden anderelanden heffingsrechten moeten inleveren om dubbele belasting tevoorkomen. Het IF heeft op 11 april 2025 in een verklaring aangegeven datde onderhandelingen over Pijler 1 nog gaande zijn.21 Nederland blijftvoorstander van Pijler 1 en steunt deze onderhandelingen. Er is echtergeen nieuwe termijn voor afronding van de onderhandelingen in deverklaring opgenomen. Gelet op het ontbreken van consensus op ditmoment is een akkoord op korte termijn niet realistisch. De discussie overeen mogelijk alternatief voor Pijler 1, zoals een digitaledienstenbelasting(DST), wordt daarom gevoerd in meerdere landen. Op 23 september 2025is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over relevante overwegingendie bij de invoering van een DST aan de orde kunnen komen.225.2 Richtlijnvoorstel Unshell Zoals aangegeven in het BNC-fiche23, is het kabinet groot voorstander vande beleidsdoelen van het EU-richtlijnvoorstel om misbruik vandoorstroomvennootschappen aan te pakken («Unshell»). De richtlijn bevatmaatregelen om informatie over doorstroomvennootschappen uit tewisselen tussen lidstaten en om bepaalde fiscale voordelen aandoorstroomvennootschappen te weigeren. Nederland heeft zich bij derichtlijnonderhandelingen actief en constructief ingezet. Belastingont-wijking stopt niet bij de landsgrenzen, en de effectiviteit van maatregelentegen belastingontwijking is beperkt indien bedrijven belastingontwij-kende structuren naar andere landen kunnen verschuiven. Met eeninternationale aanpak kan misbruik van doorstroomvennootschappen opeen effectieve en uniforme wijze worden aangepakt.In de raadswerkgroepen zijn zorgen geuit over de mogelijke onbalanstussen het effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen en deadministratieve lasten die daarmee gemoeid zijn voor de uitvoering en hetbedrijfsleven. Hierbij kwam de wens van de lidstaten op om beter gebruikte maken van de bestaande informatie uitwisselingsafspraken in plaatsvan de opzet van een nieuw op zichzelf staand informatie uitwisselings-systeem. De Commissie heeft deze wens ter harte genomen en werkt aanhet opstellen van een hernieuwd initiatief waarbij de uitwisseling vaninformatie over doorstroomvennootschappen, gebruik makend van dehuidige Richtlijn administratieve samenwerking op belastinggebied24, opeen efficiëntere wijze kan plaatsvinden. Naar verwachting zal dit nieuwevoorstel onderdeel zijn van de bredere herziening Richtlijn administratieve20Zie https://www.canada.ca/en/department-finance/news/2025/06/g7-statement-on-global-minimum-taxes.html. De G7 bestaat uit Canada (tevens huidige voorzitter van de G7), de VS,het VK, Duitsland, Frankrijk, Italië en Japan.21https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-issues/beps/statement-oecd-g20-inclusive-framework-on-beps-april-2025.pdf.22Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 277.23BNC fiche Richtlijn met het oog op het tegengaan van misbruik door doorstroomvennoot-schappen op het gebied van belastingen en de aanpassing van Richtlijn 2011/16/EU (adminis-tratieve samenwerkingsrichtlijn), COM(2021)565, 21 februari 2022, Kamerstuk 22 112, nr. 3349.24Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratievesamenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35712 samenwerking wat in de eerste helft van 2026 worden gepubliceerd. Napublicatie zal het kabinet een BNC-fiche over dit voorstel naar de Kamerversturen. In samenhang hiermee heeft de Europese Commissie hetrichtlijnvoorstel Unshell ingetrokken.5.3 FASTER Op 10 december 2024 heeft de Raad van de Europese Unie een akkoordbereikt over de richtlijn van de Raad voor een snellere en veiligerevermindering van te veel ingehouden bronbelasting (FASTER). De richtlijnmoet op 31 december 2028 geïmplementeerd zijn en treedt op 1 januari2030 in werking.FASTER heeft als doel teruggaafprocedures en procedures voor eenvrijstelling aan de bron in de dividendbelasting te harmoniseren, teversnellen en daarnaast om deze bestendiger te maken tegen misbruik.De soepele werking van deze procedures zijn van groot belang voor dekapitaalmarktunie. Momenteel kunnen deze procedures belemmerendwerken omdat deze omslachtig, duur en langdurig zijn en beleggersdaarmee hun rechten in de kapitaalmarktunie niet kunnen effectueren.Ook zijn de huidige procedures in de afzonderlijke EU-lidstaten fraudege-voelig.De reikwijdte van de procedures zijn, ten opzichte van het originelerichtlijnvoorstel, uitgebreid zodat meer beleggers toegang hebben,waaronder contractuele beleggingsfondsen zoals Nederlandse fondsenvoor gemene rekening. Voor lidstaten met een kleinere aandelenbeurs éneen goedwerkend systeem voor vrijstelling aan de bron zijn de proce-dures optioneel, mits beleggers dezelfde rechten behouden en niet méérinformatie hoeven te verstrekken dan onder FASTER.Om misbruik te voorkomen biedt de richtlijn lidstaten mogelijkheden omFASTER-procedures te weigeren, bijvoorbeeld bij verkrijging van aandelenkort voor de ex-dividenddatum. Financiële intermediairs moetendaarnaast, onder de reikwijdte van de FASTER-richtlijn, meer gegevensover dividend en beleggers rapporteren, wat mogelijk nieuwe informatieoplevert ten behoeve van de opsporing van dividendstripping. Debestaande handhavingsmogelijkheden van belastingdiensten blijvenhiernaast onverminderd van kracht.5.4 Richtlijnvoorstel Verrekenprijzen Op 12 september 2023 is het richtlijnvoorstel Verrekenprijzen gepubli-ceerd. Het voorstel heeft als doel om de regels rondom de toepassing vanhet arm’s-Lengthbeginsel uit de OESO-guidelines binnen de EuropeseUnie te harmoniseren. De Tweede Kamer heeft de kabinetsappreciatie vandit richtlijnvoorstel door middel van een BNC-fiche ontvangen.25Gedurende de onderhandelingen heeft Nederland, conform het BNC-fiche,uitgedragen de algemene doelstellingen achter het richtlijnvoorstel, zoalshet bieden van meer zekerheid aan multinationale ondernemingen, testeunen. Daartoe is ingezet op het opnemen van het arm’s-lengthbeginselin Europese wetgeving en tegelijkertijd gepleit voor het voorkomen vaneen separate Europese standaard ten aanzien van de interpretatie van deOESO-richtlijnen inzake verrekenprijzen. Verschillende lidstaten hebbenechter aangegeven geen voorstander te zijn van een Europese richtlijn ophet terrein van verrekenprijzen. Vervolgens is onderzocht of onder delidstaten voldoende animo bestond voor andere, niet-wetgevende,mogelijkheden om in Europees verband beter samen te werken aan25Kamerstukken II, 2023/24, 22 112, nr. 3820.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35713 praktijkverbeteringen op het terrein van verrekenprijzen. Nederland heeftaangegeven open te staan voor een dergelijke samenwerking, omdatbetere samenwerking kan bijdragen aan meer zekerheid voor belasting-plichtigen. Verschillende lidstaten stonden open voor bijvoorbeeld hetopzetten van een Transfer Pricing Forum maar de standpunten over hetmandaat van een dergelijk forum liepen uiteen. De Ecofin Raad heeft op20 juni 2025 daarom geconcludeerd dat er geen overeenstemming isbereikt.26 De Europese Commissie heeft het richtlijnvoorstel ingetrokken.5.5 Richtlijnvoorstel BEFIT Op 12 september 2023 is het richtlijnvoorstel Business in Europe:Framework for Income Taxation (BEFIT) gepresenteerd. Het voorstel bevateen gemeenschappelijke grondslag voor de winstbelasting en eenwinsttoerekeningsmechanisme. De Tweede Kamer heeft de appreciatievan het kabinet door middel van het BNC-fiche ontvangen.27 Bij debehandeling van het voorstel in de Tweede Kamer is de motie Tony vanDijck aangenomen,28 die de regering verzoekt niet in te stemmen metBEFIT en dat ook onomwonden kenbaar te maken aan de EuropeseCommissie in Brussel. Dit is op hoogambtelijk niveau besproken met deEuropese Commissie. In de Raad is momenteel weinig steun voor hetBEFIT-voorstel. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat er opkorte termijn overeenstemming wordt bereikt.5.6 Gegevensuitwisseling Nederland blijft zich inzetten voor de uitwisseling van informatie ingrensoverschrijdende situaties. Het doel daarvan is eveneens hettegengaan van belastingontduiking en -ontwijking. In de monitoringsbriefvan vorig jaar29 is mijn ambtsvoorganger ingegaan op de juridischeinstrumenten daarvoor, zijnde het Verdrag inzake wederzijdse administra-tieve bijstand in belastingzaken (het WABB-verdrag) in OESO-verband,bilaterale belastingverdragen en de administratieve bijstandsrichtlijn –Directive on Administrative Cooperation (DAC) in EU-verband. Voor debelastingheffing relevante informatie kan automatisch, spontaan of opverzoek worden uitgewisseld.Nederland blijft hechten aan de inzet voor automatische inlichtingenuit-wisseling en is voorstander van het verder uitbreiden van die uitwisselingnaar andere informatiecategorieën, waar dat zinvol en uitvoerbaar is.Nederland is dan ook positief over de ontwikkeling van het nieuwemultilaterale raamwerk voor de uitwissing van beschikbare informatieover onroerend goed door de OESO. Dit is een belangrijke stap onderandere richting het beter in kaart brengen van vermogen van zeervermogende personen. Bezien wordt op welke termijn en op welke wijzeNederland in de toekomst kan deelnemen.3026https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10611-2025-INIT/en/pdf27BNC-fiche COM(2023)53228Kamerstukken II, 2023/24, 21 501-07, nr. 1981.29Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 343.30Op 4 december jl. is door 26 landen een joint statement gepubliceerd ten aanzien van hetnieuwe multilaterale raamwerk voor de automatische uitwisseling van beschikbare informatieover onroerend goed (IPI MCAA). Het statement betreft een politieke toezegging om deel tenemen aan de IPI MCAA per 2029 of 2030. Nederland is positief over het initiatief. Omdat deuitvoeringsgevolgen nader in kaart moeten worden gebracht om te bepalen per wanneer enop welke wijze Nederland kan deelnemen, heeft Nederland het statement nog niet onder-tekend. Nederland streeft ernaar om zich in de toekomst hierbij aan te sluiten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35714 Met andere EU-lidstaten wisselt Nederland al op automatische basis enigeinformatie uit over onroerend goed. In EU-verband vinden deze en andereautomatische inlichtingenuitwisseling plaats op grond van de opeenvol-gende wijzigingen van de DAC, welke wijzigingen in de Wet op deinternationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen zijngeïmplementeerd.DAC8Sinds de monitoringsbrief van vorig jaar is het implementatiewetsvoorstelvan de DAC8-richtlijn bij de Tweede Kamer ingediend.31 Deze wijzigingregelt de automatische uitwisseling van gegevens over transacties metcryptoactiva die voor gebruikers van cryptoactiva door aanbieders vancryptoactivadiensten zijn verricht. De nota naar aanleiding van het verslagis in oktober naar de Tweede Kamer verstuurd. Zoals in de monitorings-brief van vorig jaar aangegeven behelst deze wijziging ook de actuali-sering op bepaalde punten van DAC2 (rapporterende financiële instel-lingen) en DAC3 (rulings).DAC9De meest recente wijziging van de DAC – de achtste wijziging (DAC9) – isde op 14 april 2025 aangenomen wijziging waarmee de automatischeinlichtingenuitwisseling ten aanzien van de bijheffing-informatieaangiftein het kader van de wereldwijde minimumbelasting voor multinationalegroepen (Pijler 2) wordt geregeld. De implementatiewet voor deze laatstewijziging is onderdeel van het Belastingplanpakket 2026 en is door deTweede Kamer aangenomen.32 Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit vanhet Belastingplanpakket 2026.Anders dan eerdergenoemde DAC’s is deze wijziging bedoeld om deadministratieve last voor multinationale groepen die onder de reikwijdtevan de Wet minimumbelasting 2024 vallen te verminderen, door hetregelen van automatische uitwisseling van gegevens en inlichtingen uitde bijheffing-informatieaangifte die in een lidstaat wordt ingediend, metandere lidstaten. Deze wijziging heeft dus niet direct tot doel hettegengaan van belastingontwijking- en ontduiking. DAC9 vormt wel eenonderdeel van het geheel aan maatregelen in het kader van Pijler 2, diebedoeld zijn om uitholling van belastinggrondslagen op de interne markten de verschuiving van winsten uit de interne markt tegen te gaan, endraagt op die manier bij om belastingontwijking- en ontduiking tebestrijden.Hieronder treft u een overzicht van de wijzigingen van de DAC-richtlijnaan.DAC1Specifieke inkomens- en vermogenscategoriëen (o.a. arbeidsinkomen en pensioen)DAC2Financiële rekeninggegevensDAC3RulingsDAC4Landenrapporten van multinationals (country-by-country reporting)DAC5Uiteindelijk gerechtigdeDAC6Grensoverschrijdende fiscale constructiesDAC7Verkoopinkomsten via digitale platformenDAC8Gegevens over transacties met cryptoactiva door klanten van aanbieders vancryptoactivadienstenDAC9Bijheffing-informatieaangifte minimumbelasting (Pijler 2) 31Kamerstuk 36 782.32Kamerstuk 36 818.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35715 Om de praktijk rondom de automatische uitwisseling van gegevens teverbeteren, wordt in Europees verband gekeken naar de effectiviteit vande implementatie en werking van verschillende internationale fiscalegegevensuitwisselingen. Hierover wordt in het tweede kwartaal van 2026een richtlijnvoorstel verwacht, DAC10. Daarbij wordt ook gedacht aan hetopnemen van specifieke begrippen om mismatches tussen lidstaten tevoorkomen, en versimpelingen van specifieke DAC’s om de effectiviteitvan de gegevensuitwisseling te verbeteren.De wet voorziet in een ruim geformuleerde bevoegdheid tot het instellenvan een onderzoek ten behoeve van het verstrekken van inlichtingen dieonder de DAC-richtlijn en de verschillende wijzigingen worden gerappor-teerd en uitgewisseld. Die onderzoeksbevoegdheid strekt aldus onderandere tot het bevorderen van de kwaliteit van die gegevensuitwisseling.Een daartoe aangewezen ambtenaar van de rijksbelastingdienst kan terzake van de verplichtingen die rusten op administratie- en rapportage-plichtigen onder de WIB een onderzoek instellen en uitvoeren. Debetreffende bepalingen uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijnvan overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde bevoegdheden zijnmitsdien de bevoegdheden uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen.6. Afrondend Een aantal belangrijke maatregelen blijkt effectief te zijn in de aanpak vanbelastingontwijking. Uit deze editie van de monitoringsbrief blijkt dat debronbelasting zeer effectief is in de bestrijding van rente- en royalty-stromen, al is weinig effect zichtbaar in de dividendstromen naarlaagbelastende jurisdicties. De maatregelen om mismatches bijtoepassing zakelijkheidsbeginsel tegen te gaan zijn eveneens effectief. Degegevens over directe buitenlandse investeringen duiden ook op eeneffectieve internationale aanpak van belastingontwijking.Het kabinet zal de monitoring van de maatregelen tegen belastingont-wijking jaarlijks blijven voortzetten.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35716
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.