Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie 450bfb7d9392fbfc · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 744Wijziging van de Werkloosheidswet en enigeandere wetten vanwege aanpassing van deRegeling dienstverlening aan huis (Wetaanpassing Regeling dienstverlening aan huis).Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 8 september 2025 De regering is de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgele-genheid erkentelijk voor de aandacht die zij aan het onderhavigewetsvoorstel heeft geschonken en voor de door haar daarover gesteldevragen. De vragen worden mede namens de Minister van Financiën en inovereenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport, zo veel mogelijk beantwoord in de volgorde van het verslag.Voor zover vragen, vanwege overeenkomst in onderwerp, gezamenlijkbeantwoord zijn, is dit vermeld.InhoudsopgaveIAlgemeen11.Inleiding12.Hoofdlijnen van het voorstel103.Verhouding tot ander recht124.Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt,regeldruk, en Caribisch Nederland125.Financiële gevolgen voor het Rijk176.Consultatie, adviezen en uitvoering197.Evaluatie22IIArtikelsgewijze toelichting22 I Algemeen 1. Inleiding De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering heeftoverwogen om het huidige systeem van de Rdah te schrappen en tevervangen met een alternatief. Daarbij vragen deze leden naar deopvolging en appreciatie van het Sociaal-Economische Raad (SER)-adviesuit 2020 over de markt voor persoonlijke dienstverlening en de variantenuit de brief van Minister Koolmees uit 2021. Zij vragen hoe dit zichverhoudt tot de voorliggende wetswijziging. kst-36744-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 61 Met onderhavig wetsvoorstel wordt de Regeling dienstverlening aan huis(Rdah) voor zorgverleners die betaald worden uit een persoonsgebondenbudget (pgb) in lijn gebracht met de uitspraak van de Centrale Raad vanBeroep van maart 20231.De Centrale Raad oordeelt dat de uitzonderingsbepaling in de WW voorpgb-zorgverleners onder de Rdah verboden indirecte discriminatie vanvrouwen oplevert. De Centrale Raad overweegt daartoe onder meer2:(i)de particuliere werkgever wordt via het pgb geheel of gedeeltelijkgecompenseerd voor de werkgeverslasten, zoals de kosten voor depremies werknemersverzekeringen;(ii)gelet op de rol die de SVB kan vervullen bij de salarisadministratie,blijven de administratieve lasten voor de particuliere werkgeverbeperkt;(iii)bij dienstverlening die plaatsvindt met een pgb heeft de particuliergeen reële keuze om de werkzaamheden zelf te verrichten en;(iv)het risico op een zwart circuit en achterblijvende werkgelegenheid isin het publiek gefinancierde deel van de markt nagenoeg nihil.De uitspraak van de Centrale Raad heeft betrekking op pgb-gefinancierdezorgverlening. De omstandigheden in de privaat gefinancierde markt vandienstverlening zijn anders.De redenen die de Rdah voor de private markt noodzakelijk maken, zijnnog steeds aan de orde. De hoge prijs van arbeid weerhoudt particulierenervan om schoonmaakwerk en dergelijke uit te besteden op de formeleprivate markt.De analyse in het rapport van de Commissie Kalsbeek uit 20143, is in datkader nog altijd relevant. Als de kosten te hoog worden of de werkgevers-verplichtingen te veel en te ingewikkeld, wijken particulieren uit naareenvoudige alternatieven. Doorgaans kan een particulier de werkzaam-heden dan net zo goed zelf uitvoeren. Bovendien ontstaat er gemakkelijkeen informele markt, omdat controle en handhaving achter de voordeurniet goed mogelijk is.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 29 april 20214op de motie van de leden Smeulders en Bruins5 van 19 november 2020met betrekking tot de positie van huishoudelijke hulpen gereageerd. Indeze reactie is ingegaan op een aantal varianten om de positie vanhuishoudelijk werkers te verbeteren onder meer aan de hand van deaangehaalde SER-verkenning van juni 2020.6 Zoals in de kabinetsreactieaangegeven, bevatten al deze varianten nadelen die de keuze beperkt omgrote wijzigingen aan te brengen. Afschaffing van de Rdah zonderalternatief levert in de praktijk naar verwachting geen verbetering op vande rechtspositie van werknemers in de deels publiek gefinancierde enprivate markt. De regering heeft daarom het standpunt ingenomen dat deRdah voor deze groepen werknemers in stand wordt gehouden.1Centrale Raad van Beroep 30 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:481.2De Centrale Raad haalt onder meer het Rapport «Dienstverlening aan huis: wie betaalt derekening?» van de Adviescommissie Dienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek) van maart2014 aan. In dit rapport is geconcludeerd dat de uitzonderingsbepaling in geval vanpgb-zorgverlening noodzakelijk noch geschikt is om de doelstellingen van de Rdah te behalen.3Rapport «Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening?» van de AdviescommissieDienstverlening aan huis (commissie Kalsbeek) van maart 2014.4Kamerstukken II 2020/21, 29 544 nr. 1047, bijlage te raadplegen via www.tweedekamer.nl.5Kamerstukken II 2020/21, 35 570-XV, nr. 37.6SER, «Markt voor persoonlijke dienstverlening in internationaal perspectief. Varianten endenkrichtingen», advies 20/6, juni 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 62 Werknemers onder de Rdah hebben bovendien de mogelijkheid om zichbij UWV vrijwillig te verzekeren voor de werknemersverzekeringen enzodoende in sociale zekerheid te voorzien. Ook dit maakt dat er naar hetoordeel van de regering een objectieve rechtvaardigingsgrond voor deindirecte discriminatie in de private markt van dienstverlening aan huisbestaat. Zoals verderop bij de beantwoording van vragen van deGroenLinks-PvdA- en SP-fractie toegelicht, geldt dit ook voor de deelspubliek gefinancierde diensten door gastouders aan huis.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering specifiekin te gaan op een systeem op basis van dienstencheques, zoals in hetbuitenland bestaat. Deze leden vragen de regering systematisch in te gaanop de voor- en nadelen ten opzichte van de huidige gekozen oplossing. Zijwillen graag weten wat de appreciatie van de vakbonden hierover is.De regering gaat ervan uit dat wordt gedoeld op de invoering van eensysteem waarmee huishoudelijke diensten in de private markt doorparticulieren kunnen worden ingekocht in combinatie met een publiekesubsidieregeling, fiscale aftrekpost en/of de overname van werkgevers-lasten. In bijvoorbeeld België bestaat een systeem van dienstenchequesvoor huishoudelijk werk.Ook in geval van een systeem van dienstencheques is verbetering van depositie van huishoudelijke hulpen niet mogelijk zonder substantiëleoverheidssubsidie. De voordelen die een dergelijk systeem zou kunnenhebben voor huishoudelijke hulpen zouden anders volledig voor rekeningvan de particuliere werkgever komen. De lasten voor hen nemen toe in devorm van afdrachten van heffingen en sociale premies. Ook een eventueleverlengde periode van loondoorbetaling bij ziekte zou een forse toenamevan het financiële risico voor particuliere werkgevers inhouden. Dat wordtniet wenselijk geacht. Een systeem van dienstencheques is daarom nietmogelijk zonder dat dit gepaard zou gaan met hoge overheidskosten. Eendergelijk systeem is bovendien inherent fraudegevoelig.Recente uitvraag bij de vakbonden op een systeem van dienstenchequesheeft niet plaatsgevonden. In 2012 heeft de FNV samen met Onderne-mersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB) een werkgroepingesteld waarin is gekeken naar verbetering van de regelgeving en deorganisatie van huishoudelijke en persoonlijke dienstverlening inNederland.7 Het systeem van dienstencheques wordt als mogelijkalternatief voor de Rdah genoemd, waarmee de rechtsbescherming vanhuishoudelijk personeel wordt verbeterd. Het rapport van de CommissieKalsbeek, waarin ook wordt ingegaan op het systeem van diensten-cheques, is destijds ook aangeboden aan de Stichting van de Arbeid.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering ook tereflecteren op ILO conventie 189, waarin volwaardige werknemersrechtenvoor huishoudelijk werkers zijn opgenomen.Deze leden vragen of Nederland deze conventie volledig heeft geratifi-ceerd en uit welke wetsartikelen dat blijkt.Op 16 juni 2011 is door de ILO-conventie 189 het Verdrag betreffendewaardig werk voor het huispersoneel aangenomen. In dit verdrag staatonder meer aangegeven dat er geen verschillen mogen zijn in rechtspo-sitie – inclusief recht op sociale zekerheid – tussen huishoudelijk werkersen andere werknemers. De Rdah, die al langer bestaat dan het verdrag, ishiermee niet in overeenstemming. Het verdrag is dan ook niet geratifi-ceerd. Tegen deze achtergrond hebben het kabinet en sociale partners7Rechtsposities van huishoudelijk werkers visiedocument van 18 december 2013, FNV-OSB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 63 destijds afgesproken een commissie te laten adviseren over een mogelijkeverbetering van de positie van huishoudelijk werkers en de gevolgen vanmogelijke ratificatie van het verdrag in relatie tot de Rdah. De hieropingestelde Commissie Kalsbeek heeft op 27 maart 2014 haar adviesaangeboden. Na bestudering van het rapport van de Commissie was hetkabinet van mening dat een slechtere rechtspositie van huishoudelijkwerkers in beginsel onwenselijk is. Tegelijk constateerde de regering dater geen goed alternatief is voor dienstverlening aan huis in de privatemarkt.8De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering erkentdat de Rdah oorspronkelijk bedoeld was voor particulieren en niet voortussenkomst van commerciële platforms. Zij vragen of de regering deeltdat het niet wenselijk is dat deze regeling als schijnconstructie wordtgebruikt. Zo ja, vragen deze leden de regering hoe zij hierop handelt enhoe de regering schijnzelfstandigheid via platforms gaat voorkomen.De regering acht het niet wenselijk dat werkgevers gebruikmaken van deregeling als schijnconstructie. Het doel van de Rdah is onder meerstimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening doorwerkgeverslasten te verminderen. Daartoe is overwogen dat «Particuliereopdrachtgevers zich door de regeling dienstverlening aan huis geenzorgen hoeven te maken over administratieve of financiële lasten die doorde overheid kunnen worden opgelegd.»9Onlangs heeft de Hoge Raad zich in de Helpling zaak10 uitgelaten over devraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst onder de Rdah of vaneen uitzendovereenkomst. Helpling is een online platform waar schoon-makers en huishoudens afspraken konden maken over het uitvoeren vanhuishoudelijke werkzaamheden. De vraag die in deze zaak voorlag waswie de werkgever van de schoonmakers was, Helpling of het huishouden.Helpling bepleitte dat de schoonmakers een arbeidsovereenkomstgebaseerd op de Rdah met de huishoudens hadden. FNV bepleitte dat ersprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoon-makers. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat sprake is van eenuitzendovereenkomst tussen het online platform en de huishoudelijkehulp.De uitspraak van de Hoge Raad draagt bij aan een toetsingskader voor hetkwalificeren van de arbeidsrelatie in driehoeksverhoudingen en hettegengaan van schijnconstructies via online platforms. Daarnaast wordtonder meer met het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsre-laties en rechtsvermoeden (Vbar) gewerkt aan verdere verduidelijking vanhet toetsingskader om schijnzelfstandigheid tegen te gaan.11De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regeringbovendien of zij erkent dat een van de oorspronkelijk doelen van de Rdah,namelijk het tegengaan van zwartwerk, nauwelijks wordt gerealiseerd.Deze leden vragen de regering dit cijfermatig te onderbouwen. Ookvragen de leden om een onderbouwing van hoe alle oorspronkelijkedoelen worden bereikt.Het is de regering bekend dat de Rdah in de praktijk niet door allewerkgevers wordt nageleefd. Dit blijkt onder andere uit het rapport van deCommissie Kalsbeek uit 2014. Uit een recenter empirisch onderzoek van8Kamerstukken II 2014/15, 29 427, nr. 100.9Belastingplan 2007, Kamerstukken II 2007/08, 30 804 nr. 3.10HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:543.11Kamerstukken II 2024/25, 36783.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 64 het Utrechtse Future of Work Platform (Universiteit Utrecht) blijkteveneens dat de bescherming die de Rdah moet bieden aan huishoude-lijke werkers, niet altijd wordt behaald.12 Uit dit onderzoek blijkt dat 10%van de huishoudens de huishoudelijke hulp doorbetaalt als deze tweeweken ziek is en 7% de hulp doorbetaalt als deze een paar weken metvakantie is.Als werkgevers zelf op vakantie gaan, kiest meer dan 50% ervoor om dehuishoudelijke hulp af te zeggen en niet door te betalen.13 Veelwerkgevers zijn onbekend met de Rdah. Het onderzoek van het Future ofWork Platform heeft daarom geresulteerd in de campagne Help de hulp14,die in december 2024 van start is gegaan.De regering is van oordeel dat afschaffing van de Rdah (voor nietpgb-gefinancierde dienstverlening) als zodanig niet bijdraagt aan hetverbeteren van de rechtspositie van werknemers onder de Rdah. Deanalyse in het rapport van de Commissie Kalsbeek uit 2014 dat de hogeprijs van arbeid particulieren ervan weerhoudt om schoonmaakwerk endergelijke uit te besteden op de formele private markt, is in dat kader nogaltijd relevant. Als de kosten te hoog worden of de werkgeversverplich-tingen te veel en te ingewikkeld, wijken particulieren uit naar eenvoudigealternatieven, zoals het zelf uitvoeren van de werkzaamheden. Bovendienontstaat er gemakkelijk een informele markt, omdat controle enhandhaving achter de voordeur niet goed mogelijk zijn. De regering blijftechter aandacht houden voor de rechtspositie van deze groepwerknemers en voor de gastouders aan huis.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering hetoordeel van de CRvB deelt dat werk dat gefinancierd wordt met publiekgeld gepaard moet gaan met volwaardige toegang tot sociale zekerheid.Deze leden vragen of dit niet een voldoende argument is om er bijgastouderopvang aan huis ook voor te zorgen dat er sprake is vanwerknemersrechten. Ook vragen zij of de regering de opvatting deelt dater met de instandhouding van de huidige vorm van gastouderopvang aanhuis sprake is van onderbetaling en onderverzekering ten opzichte vangastouderopvang die op een andere manier is geregeld.De regering is van oordeel dat afschaffing van de Rdah (voor nietpgb-gefinancierde dienstverlening) als zodanig niet bijdraagt aan hetverbeteren van de rechtspositie van werknemers onder de Rdah. Deanalyse in het rapport van de Commissie Kalsbeek uit 2014 dat de hogeprijs van arbeid particulieren ervan weerhoudt om schoonmaakwerk endergelijke uit te besteden op de formele private markt, is in dat kader nogaltijd relevant. Als de kosten te hoog worden of de werkgeversverplich-tingen te veel en te ingewikkeld, wijken particulieren uit naar eenvoudigealternatieven, zoals het zelf uitvoeren van de werkzaamheden. Bovendienontstaat er gemakkelijk een informele markt, omdat controle enhandhaving achter de voordeur niet goed mogelijk zijn. De regering blijftechter aandacht houden voor de rechtspositie van deze groepwerknemers en voor de gastouders aan huis.Als vraagouders werkgeverslasten moeten dragen en bijvoorbeeld deverantwoordelijkheid krijgen om een gastouder bij ziekte het loon tot 104weken door te betalen, verwacht de regering – en de sector zelf ook – datde vraag naar gastouderopvang bij de vraagouder thuis verdwijnt. Hetalternatief is dat deze vorm van opvang informeel aangeboden wordt12Centerdata 9 november 2023, Determinanten van goed werkgeverschap onder huishoudensdie een huishoudelijke hulp inhuren, LISS panel 2023.13TRA 2025/11, Prof. dr. S. Bekker, Help de hulp.14Help de Hulp, dec. 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 65 buiten het bereik en de (kwaliteits)eisen van de Wet kinderopvang. Ditheeft negatieve gevolgen voor de arbeidspositie van de gastouder. Ookheeft dit mogelijk negatieve gevolgen voor de kinderen die wordenopgevangen, aangezien er dan geen kwaliteitscontrole meer is op deopvang. Met dit dilemma kiest de regering ervoor de Rdah voor dezegroep in stand te houden. De arbeidspositie voor de gastouderopvang aanhuis is kwetsbaar, maar het alternatief is nog minder aantrekkelijk.Daarmee blijft er voor deze groep werknemers sprake van een objectieverechtvaardiging voor de (mogelijke) indirecte discriminatie die bestaat bijhet werken onder de Rdah.De regering deelt niet de opvatting dat sprake is van onderbetaling enonderverzekering ten opzichte van gastouderopvang die op een anderemanier is geregeld. Gastouders bepalen zelf hun tarief. Ouders krijgen eentegemoetkoming in de kosten voor gastouderopvang in de vorm vankinderopvangtoeslag. Er wordt geen onderscheid gemaakt in de hoogtevan de maximum uurprijs of het percentage toeslag dat ouders krijgen bijgastouders die in hun eigen woning werken of bij de vraagouder thuis.Voor gastouders die werken als zelfstandige en gastouders die werkenonder de Rdah, geldt dat zij er zelf verantwoordelijk voor zijn om zichpassend te verzekeren. Werknemers onder de Rdah hebben demogelijkheid om zich bij UWV vrijwillig te verzekeren voor dewerknemersverzekeringen en zodoende in sociale zekerheid te voorzien.Dit geldt ook voor gastouders aan huis.De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft in de Kamerbrief van10 april jl. maatregelen aangekondigd om de gastouderopvang teversterken.15 Eén van de maatregelen is om gastouders te ondersteunenbij het bepalen van een passend tarief. Met de brancheorganisaties vangastouderbureaus en gastouders is afgesproken dat zij deze rol op zichnemen. Het gaat er hier onder meer om dat gastouders bij het bepalenvan hun tarief rekening houden met de kosten die zij maken, zoals voorverzekeringen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen om een reactie op derecente uitspraak van de rechter in 2025 in een zaak aangespannen doorBureau Clara Wichmann en de Vereniging Vrouw en Recht. De ledenvragen of de wet niet verder aangepast zou moeten worden zodat deze inlijn komt met de rechtspraak.De regering gaat ervan uit dat wordt gedoeld op de uitspraak van derechtbank Noord-Holland van april 202516 over huishoudelijk werk dat nietbetaald wordt uit een pgb. De zaak betreft een huishoudelijke hulp diegemiddeld op vijf dagen per week en gemiddeld 27,5 uur per weekwerkzaam was voor zeven verschillende huishoudens. De werkneemstervalt uit wegens ziekte en UWV heeft haar uitkeringsaanvraag voor de ZWgeweigerd vanwege de uitzonderingsbepaling in de ZW, welke op grondvan de Rdah huishoudelijke hulpen uitzondert voor de verzekeringsplichtvan werknemersregelingen. De rechtbank Noord-Holland oordeelt dat nietgebleken is dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor de indirectediscriminatie van vrouwen door de Rdah. Dit heeft tot gevolg dat dewerkzaamheden die de werkneemster bij de particuliere huishoudensheeft verricht, verzekerde arbeid is geweest in de zin van de werknemers-verzekeringswetten.15Kamerbrief 10 april 2025 «Versterken van de gastouderopvang».16Rechtbank Noord-Holland 17 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:4135.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 66 De zaak bij de rechtbank Noord-Holland ziet niet op dienstverlening uitpgb, maar op dienstverlening aan particulieren in de private markt. Deuitspraak van de rechtbank is dan ook anders gemotiveerd dan deuitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2023, waar de Raad heeftgeoordeeld over de publiek gefinancierde dienstverlening.UWV heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbankNoord-Holland. De zaak in hoger beroep loopt nog en er is geen sprakevan een onherroepelijke uitspraak. Daarom zijn de potentiële gevolgenhiervan niet betrokken in onderhavig wetsvoorstel. De uitspraak van derechtbank Noord-Holland moet dan ook los van dit wetsvoorstel wordengezien.Tegelijkertijd is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep metbetrekking tot pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst onherroe-pelijk en dient deze met urgentie in wetgeving te worden verwerkt. Opdeze wijze wordt zo veel mogelijk duidelijkheid gegeven aan zowelbudgethouders als hun zorgverleners.Zoals hieronder uitgewerkt, voorziet het wetsvoorstel erin dat de Rdah instand blijft voor niet uit een pgb betaalde huishoudelijke hulpen diedoorgaans minder dan vier dagen per week werken in het huishouden vaneen natuurlijk persoon.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of familieleden diepgb-zorg verlenen ook niet onder de reikwijdte van deze wet moet vallen,of dat zij op een andere manier werknemersrechten moeten opbouwen.Deze leden vragen de regering of zij het ermee eens is dat dit eenonwenselijke situatie is en of een wettelijke aanpassing nodig is om ookdeze werkenden bescherming te bieden.De regering staat achter het pgb als instrument om onder eigenvoorwaarden en eigen regie zorg in te kopen. Hierbij staat de zorgbe-hoefte van de budgethouder centraal. De budgethouder bepaalt zelf wiede zorg of begeleiding verleent, en op welk moment dit het beste past inhet leven van de budgethouder. Met deze leveringsvorm is het mogelijkom zorg of begeleiding te ontvangen van gediplomeerde zorgverleners,maar ook van buren, bekenden of (directe) familieleden. Mensen die zorgen hulp verlenen vanuit het pgb zijn dus zeer verschillend: ouders die voorkinderen zorgen, mensen uit de omgeving die hulp verlenen, en professi-onele zorgverleners met een BIG-registratie.De omstandigheden van het geval bepalen wat voor soort zorgovereen-komst van toepassing is. Dat kan een arbeidsovereenkomst zijn, maar ookeen overeenkomst van opdracht. Afhankelijk van het type overeenkomstgelden bepaalde regels. Als sprake is van een arbeidsovereenkomst, is dezorgverlener werknemer en kan deze aanspraak maken op werknemers-verzekeringen zoals de WW, ZW en Wet WIA. In veel familieverbandenontbreekt een gezagsverhouding waardoor geen sprake is van eenarbeidsovereenkomst.In die gevallen kan de pgb-zorgverlener geen aanspraak maken opwerknemersverzekeringen. Dit is gelegen in de informele wijze waarop dewerkzaamheden binnen familierelaties doorgaans verricht worden en hetontbreken van instructies of afspraken en geldt uiteraard niet alleen voorhet pgb.De regering is niet voornemens het socialezekerheidsrecht aan te passenof een uitzondering te creëren voor de situaties dat geen sprake is van eenarbeidsovereenkomst. De situaties van familieleden die voor hun naastenzorgen past minder goed bij de formele regels van een gezagsrelatie in dezin van een arbeidsovereenkomst, eventuele re-integratie bij ziekte en hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 67 informele karakter van de hulp, die juist zeer waardevol is. Tegelijkertijdheeft de regering begrip voor de aandacht die de leden van de Groenlinks-PvdA-fractie hebben voor deze familieleden die met veel toewijdingzorgen voor hun naasten. De regering vindt inzet op voorlichtingbelangrijk zodat budgethouder en zorgverlener goed geïnformeerd zijnover de rechten en plichten bij het aangaan van een overeenkomst en degevolgen van deze keuzes.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen naar aanvullendeonderbouwing over dat het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV) toegerust is op de extra instroom in de regelingen.Deze leden vragen om cijfermatig te onderbouwen waaruit dit blijkt.UWV heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat het wetsvoorstel per1 januari 2026 uitvoerbaar is. De gevolgen van de uitspraak zijn reedsgrotendeels in kaart gebracht en geïmplementeerd. Uitkeringsaanvragenkunnen reeds worden ingediend. Er is op basis van ramingen rekeninggehouden met 2840 extra aanvragen. Deze aanvragen worden handmatigafgehandeld, omdat er geen maandloongegevens beschikbaar zijn in dePolisadministratie. De uitkeringsaanvragen zijn dus extra werk, maar UWVheeft voldoende mensen in dienst om deze aanvragen af te handelen.Tevens vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op welkemanier de regering voornemens is om een informatiecampagne te startenrichting pgb-houders over hun rechten en plichten, en de hulp die zijkunnen krijgen vanuit bijvoorbeeld de Sociale Verzekeringsbank (SVB).De leden van de D66-fractie vragen of de regering kan toelichten opwelke wijze gewaarborgd zal worden dat zorgverleners en budgethoudersvoldoende informatie ontvangen over de nieuwe rechten en plichten diezij krijgen bij overgang naar de nieuwe situatie.De vraag van de D66-fractie staat in paragraaf 4 van het verslag, maarwordt hier samen met de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie beant-woord.Budgethouders worden uitgebreid geïnformeerd over hun rechten enplichten. Dit gebeurt gericht aan de mensen op wie deze wetswijzigingimpact heeft en in brede zin. Dit doet de rijksoverheid in samenwerkingmet alle verstrekkers en ketenpartners van het pgb. Dit betreft onderandere de Sociale Verzekeringsbank (SVB), Zorgverzekeraars Nederland(ZN), Zorgkantoren, Zorgverzekeraars, Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG), UWV, Belastingdienst, Per Saldo (de landelijkevereniging voor mensen met een pgb) en Branchevereniging voorKleinschalige Zorg (BVKZ). Middels algemene (nieuws)berichten wordenook zorgverleners geïnformeerd. Zo informeert UWV bijvoorbeeldpgb-zorgverleners op haar website over mogelijke uitkeringsrechten.17Daarnaast worden budgethouders opgeroepen door de actoren in de pgbketen om ook de zorgverleners te informeren. Daarbij richt de algemenecommunicatie op onder andere de website van de rijksoverheid zich opbudgethouders en zorgverleners.De betrokken budgethouders worden geïnformeerd aan de hand van eeninformatiefolder met een begeleidende brief. De folder en de brief zijnafgestemd op de situatie en de wetgeving waaronder de budgethoudervalt, onder voorbehoud van instemming van het parlement met dezewetswijziging. De eerste reeks brieven is eind juni jl. verzonden. Tevenswordt er door de SVB een nieuwsbericht op de website gezet over de17Als pgb-zorgverlener recht op een WW-uitkering | UWV.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 68 wetswijziging en de huidige stand van zaken. Deze verwijzen naar eenpagina op de website van de rijksoverheid met alle basisinformatie overdeze wetswijziging. Naar deze pagina zal ook door de andere keten-partners worden verwezen bij het informeren van hun cliënten. Tevenswordt er gewerkt aan q&a’s en telefoon-/mailingslijnen, ter ondersteuningvan de verschillende ketenpartijen, als ze benaderd worden doorbudgethouders. Ook worden er meldingen in het PGB Portaal gebouwdom mensen op de wetswijziging te attenderen en te stimuleren enondersteunen bij eventuele acties die hieruit voortvloeien. Tenslotte zal ervia sociale media ook de nodige aandacht aan deze wetswijziging wordengegeven.De leden van de SP-fractie begrijpen niet waarom, gezien de uitspraakvan de CRvB, er niet is gekozen voor de afschaffing van de volledigeRdah. Er is binnen deze regeling toch voor meer groepen sprake vandiscriminatie en achterstelling?De Rdah blijft in stand voor niet uit een pgb betaalde huishoudelijkehulpen die doorgaans minder dan vier dagen per week werken in hethuishouden van een natuurlijk persoon. Daaronder vallen alle huishoude-lijke hulpen in de private sector en gastouders aan huis. De regering isvan oordeel dat de Rdah voor deze groep werknemers een passend ennoodzakelijk middel is om de doelstellingen van de Rdah te bereiken endat er voor deze groep rechtvaardiging bestaat voor de indirectediscriminatie. Voor gastouders aan huis is dit hierboven bij vragen vanGroenLinks-PvdA-fractie uiteengezet. Ten aanzien van de private sector iseveneens bij vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie beargumenteerdwaarom afschaffing van de Rdah niet bijdraagt aan het verbeteren van derechtspositie van deze groep werknemers. Samengenomen met deconstatering dat er voor deze doelgroep geen reëel alternatief beschikbaaris én werknemers onder de Rdah de mogelijkheid hebben om zichvrijwillig te verzekeren voor de werknemersverzekeringen, is de regeringvan oordeel dat er voor deze groep voldoende rechtvaardiging bestaat omde Rdah van toepassing te laten zijn. De regering blijft aandacht houdenvoor de rechtspositie van deze groep werknemers in de private markt envoor de gastouders aan huis.De leden van de SP-fractie lezen dat er gekozen is om de Rdah voorgastouders aan huis in stand te houden. Is dit in lijn met de uitspraak vande CRvB die stelt dat het bestaan van de Rdah niet gegrond is voorgroepen die publiek gefinancierd zijn, tevens het uitgangspunt voor dezewetswijziging? Binnen de wetswijziging wordt er op de keuze voor het instand houden van de Rdah voor gastouders aan huis ingegaan, maar nietspecifiek op het argument van publieke financiering. Kan de regeringexpliciet ingaan op dit argument betreffende de jurisprudentie van deuitspraak van de CRvB?De Centrale Raad van Beroep refereert in haar uitspraak van 2023 (diespecifiek de pgb-sector betrof) aan het rapport van de CommissieKalsbeek uit 2014. Zij stelt dat het risico op een zwart circuit in het publiekgefinancierde deel van de markt nagenoeg nihil is. Onderscheid tussengastouders aan huis en pgb’ers is dat pgb volledig publiek gefinancierd is,waar gastouderopvang deels publiek gefinancierd is. Ouders ontvangeneen tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang middels dekinderopvangtoeslag. Daarnaast betalen zij altijd een eigen bijdrage. Eenander onderscheid is dat bij een pgb de uitvoerder, de SVB, een deel vande administratieve lasten op zich kan nemen en financieel risico kandragen bij bijvoorbeeld langdurige ziekte. Dat is anders bij gastouders aanhuis, waar deze verantwoordelijkheden en lasten bij de vraagouder komente liggen als de Rdah niet langer van toepassing zou zijn. Het is daaromTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 69 zeer aannemelijk dat zij geen gastouder aan huis meer zullen inzetten. Deopvang van de kinderen kan wel in het zwarte (informele) circuit wordenvoortgezet, waarbij er geen kwaliteitscontrole is en degene die de opvangverzorgt nog minder bescherming geniet dan een gastouder onder deRdah. Er is dan geen sprake meer van gastouderopvang, maar de dienstkan wel andersoortig worden voortgezet.2. Hoofdlijnen van het voorstel De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de verschillendediensten die de SVB biedt, worden ervaren door mensen. Deze ledenvragen de regering hierbij specifiek in te gaan op de verschillende soortenondersteuning die de SVB biedt.Over het algemeen wordt de dienstverlening van de SVB als goed ervarendoor budgethouders en zorgverleners. In 2024 wordt de dienstverleningvan de SVB beoordeeld met het cijfer 8,4 door budgethouders envertegenwoordigers. Zorgverleners beoordelen de dienstverlening van deSVB met een 8,6.De SVB heeft verschillende diensten ingekocht voor budgethouders,namelijk een arbodienstverlener, een rechtsbijstandverzekering, eenaansprakelijkheidsverzekering en een schadeverzekering. Bij dezediensten wordt de budgethouder zoveel mogelijk in zijn werkgeverstakenontlast door de aanbieders hiervan en/of de SVB. De SVB houdt geenaparte cijfers bij hoe budgethouders de ingekochte diensten beoordelen.Echter ontvangen zowel de SVB als de aanbieders van de verschillendediensten weinig tot geen klachten over de geboden ondersteuning. Uit ditsignaal kan opgemaakt worden dat de ondersteuning als goed wordtbeoordeeld door budgethouders.Ook hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een vraag overontslag. Deze leden lezen dat het in enkele gevallen tot een procedurekomt en dat als er nog vergoedingen verschuldigd zijn, deze dan voorrekening komen van de budgethouder. Ook lezen deze leden dat dit in depraktijk zoveel mogelijk beperkt wordt. Zij vragen wat deze laatstezinsnede precies betekent.De SVB biedt een schade-, aansprakelijkheids- en rechtsbijstandverze-kering aan voor budgethouders. Bij ontslag ondersteunt deSVB-budgethouders onder andere door middel van arbeidsrechtelijkadvies en kan door de budgethouder ondersteuning gevraagd worden aande door de SVB ingekochte rechtsbijstandsverzekering. Indien eenzorgverlener recht heeft op een verschuldigde transitievergoeding bijontslag dan compenseert en vergoedt de SVB deze kosten. In het gevaldat een budgethouder voor andere onvoorziene kosten komt te staan,wordt door de SVB maatwerk toegepast. De SVB bekijkt of deze verschul-digde vergoedingen uit het budget of aangewezen fondsen betaaldkunnen worden. Zowel de SVB als de door de SVB ingehuurde rechtsbij-standverzekering doen er alles aan om de kosten voor de budgethouderzo beperkt mogelijk te houden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom ervoor isgekozen om de regelingen voor publieke financiering waarbij de Rdah nietvan toepassing is aan te wijzen in een ministeriële regeling, in plaats vanvia hogere wetgeving.In dit verband vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aanwelke regelingen de regering denkt als zij schrijft dat er regelingen bijkunnen komen of kunnen stoppen waarbij steeds gekeken moet wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 610 of dit gevolgen moet hebben voor de Rdah. Deze leden vragen welkemogelijke regelingen er nog bij kunnen komen naast de regelingengenoemd in de artikelsgewijze toelichting, namelijk waarbij sprake is vanpublieke financiering door een pgb.Ten slotte vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wanneer deregering voornemens is de ministeriële regeling op te stellen.Bovenstaande drie vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie wordengezamenlijk beantwoord.Bij de aanwijzing van regelingen voor publieke financiering in eenministeriële regeling waarbij de Rdah niet van toepassing is, gaat het omde (technische) uitwerking van hetgeen in de wet wordt voorgesteld teregelen, namelijk dat de Rdah niet van toepassing is bij arbeidsovereen-komsten die geheel of gedeeltelijk worden betaald uit aangewezenregelingen voor publieke financiering. De ministeriële regeling zal nietmeer bevatten dan de opsomming van de wettelijke bepalingen waarin deregelingen staan die worden aangewezen. Naar de mening van deregering is een ministeriële regeling daarvoor het aangewezen niveau vanwetgeving.In de ministeriële regeling zullen de bepalingen opgenomen wordenwaarin een persoonsgebonden budget is geregeld: dat betreft artikel 8.1.1van de Jeugdwet, artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg, artikel 2.3.6van de Wet maatschappelijke ondersteuning en artikel 13a van deZorgverzekeringswet. Er zijn op dit moment geen andere regelingen voorpublieke financiering van huishoudelijke diensten die aangewezen zullenworden. Mochten in de toekomst andere regelingen voor publiekefinanciering, wel of niet onder de noemer van het persoonsgebondenbudget, uitgezonderd worden van de Rdah, dan kan dit door toevoegingaan de ministeriële regeling eenvoudig gerealiseerd worden. Overigenszal deze regeling voor publieke financiering als zodanig veelal in wettenzijn of worden neergelegd. De mogelijke aanwijzing in de ministeriëleregeling is dan de uitwerking hiervan voor de Rdah. De ministeriëleregeling zal gelijktijdig met de wet worden gepubliceerd.De leden van de SGP-fractie vragen naar de invoeringsdatum van1 januari 2026. In hoeverre acht het kabinet dit haalbaar, en wat betekentdit concreet voor de uitvoering?De regering acht invoering van deze wetswijziging per 1 januari 2026haalbaar, onder voorbehoud van spoedige plenaire behandeling van hetwetsvoorstel.De regering is in nauw overleg met de betrokken uitvoeringsorganisaties,waaronder de SVB en UWV. Zij hebben in de uitgebrachte uitvoerings-toetsen op dit wetsvoorstel eveneens aangegeven dat dit wetsvoorstel,onder voorwaarden, per 1 januari 2026 uitvoerbaar is. Ook de VNG enBelastingdienst achten invoering per 1 januari 2026 mogelijk. De regeringblijft in nauw contact met de betrokken organisaties over de implemen-tatie van de wijzigingen.UWV heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat de gevolgen van dewetswijziging reeds grotendeels in kaart zijn gebracht en geïmplemen-teerd bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De rechten voorde pgb-zorgverleners zijn grotendeels gelijkgetrokken met die vanreguliere werknemers. Uitkeringsaanvragen kunnen momenteel al wordeningediend. Bij een uitkeringsaanvraag blijven vooralsnog extra gegevensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 611 uitgevraagd worden bij de werknemer en de SVB, ook na inwerking-treding van de wet.Door de SVB wordt invoering van het wetsvoorstel eveneens per 1 januari2026 uitvoerbaar geacht, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaanonder meer met betrekking tot prioritering in het ICT domein. Ook wijst deSVB op het belang van tijdige informatieverstrekking aan budgethouders.De Belastingdienst heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat invoeringper 1 januari 2026 uitvoerbaar is. In de Uitvoeringstoets DecentraleOverheden geeft VNG aan dat de gevolgen van het wetsvoorstel voorgemeenten beperkt en uitvoerbaar zijn.3. Verhouding tot ander recht 4. Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt,regeldruk, en Caribisch Nederland De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de gevolgen zijnvoor de arbeidsvoorwaarden, specifiek de hoogte van het inkomen en dearbeidsomstandigheden voor werknemers. Deze leden vragen of deverwachting is dat het inkomen zal stijgen of dat er ook negatievegevolgen kunnen zijn voor het inkomen.Met het wetsvoorstel worden de rechten van alle pgb-zorgverleners meteen arbeidsovereenkomst in lijn gebracht met de rechten van werknemersdie niet onder de Rdah vallen. Zowel in het kader van de sociale zekerheidals in het kader van de overige rechten (te weten: loondoorbetalingingeval van ziekte, verlofregelingen, scholing, ontslag en de Wet flexibelwerken (Wfw)). De arbeidsvoorwaarden en sommige arbeidsomstandig-heden voor pgb-zorgverleners onder de Rdah worden daarmee versterkt.Of en op welke wijze dit doorwerkt in het inkomen van pgb-zorgverlenersmet een arbeidsovereenkomst is mede afhankelijk van hoe de budget-houder zijn budget beheert. De budgethouder maakt zelf met de zorgver-lener afspraken over de hoogte van het loon. Het wetsvoorstel kan ertoeleiden dat partijen nieuwe afspraken maken over het loon of dearbeidsduur. Dat de zorgverlener een lager netto uurloon zal ontvangen,dan wel de budgethouder minder ondersteuning of zorg zal kunneninkopen, staat echter geenszins vast. Zoals de Centrale Raad van Beroepook aangeeft (r.o. 4.5.) wordt er in dat geval voorbij gegaan aan hetgegeven dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn. In dit kaderwordt ook verwezen naar de antwoorden hierna.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over definanciële gevolgen voor pgb-houders als de compensatie via de pgbonvoldoende blijkt. Deze leden vragen of de regering deze zorgen deelt.Ook vragen deze leden of de regering de garantie kan geven dat mensenhierdoor niet door het ijs zakken. Tevens vragen zij om aan te geven welkecontrolemechanismen de regering heeft ingebouwd om te voorkomen datde pgb van mensen niet toereikend is.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie wijzen er terecht op dat dewerknemersrechten voor de pgb-zorgverleners net zozeer van belang zijnals de mogelijkheden om voldoende zorg in te kopen voor de budget-houders. Ook de regering vindt het belangrijk dat de mensen «niet doorhet ijs zakken» en de inkoop van nodige zorg niet in het geding komt.Daarom wordt samen met de pgb-uitvoerders gewerkt aan oplossingen.Zo wordt met de pgb-verstrekkers (gemeente of zorgkantoor) gekekennaar de toereikendheid van het budget en op welke manier een budget-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 612 houder kan bijsturen in het budgetbeheer. De verantwoordelijkheid voorhet budget en de inkoop van zorg ligt uiteindelijk bij de budgethouder.Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie naar desituatie dat het maximumtarief ontoereikend is of als het budget uitgeputis. Deze leden vragen hoe deze situatie er precies uitziet voor allebetrokkenen.Voor budgethouders die alles hebben geprobeerd om de zorgvraag tefinancieren met het beschikbare budget wordt gewerkt aan een oplossing.Hierin krijgen de pgb-verstrekkers ruimte en/of middelen om indien nodigte helpen, binnen de mogelijkheden van de verschillende zorgwetten, alshet budget uitgeput is.In dit verband vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ooknaar de zinnen «Wanneer in de loop van 2026 blijkt dat budgettenontoereikend (dreigen) te worden, wordt op individuele basis gekeken hoeervoor kan worden gezorgd dat toch voldoende kwalitatieve zorg kanworden ingekocht.» Deze leden vragen hoe dit precies in zijn werking gaaten welke acties precies door wie worden ondernomen.De budgethouders die op dit moment werknemers in dienst hebben dieonder de Rdah vallen, worden dit jaar nog geïnformeerd over devoorgestelde wetswijziging. Op die manier kunnen budgethouders al ditjaar een plan maken over hoe ze volgend jaar de benodigde zorg inkunnen gaan kopen. Wanneer de budgethouder vragen heeft over hetbudget, kan de budgethouder contact opnemen met de pgb-verstrekker.Daarnaast wordt gewerkt aan een oplossing voor budgethouders die alleshebben geprobeerd om de zorgvraag te financieren met het beschikbarepgb, maar waarbij het pgb voor het eind van het jaar uitgeput is. Hiervoorkrijgen de Wmo, Jeugdwet en de Wlz verstrekkers extra financiëlemiddelen. De Zvw biedt geen juridische grondslag om een dergelijke extrafinanciering te faciliteren.In relatie tot dit vraagstuk vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook in te gaan op de cijfers die de SVB noemt en wordenaangehaald op pagina 52 van de memorie van toelichting, onder anderedat het budget van de helft van de budgethouders niet toereikend is.De cijfers van de SVB laten zien welk effect de gerechtelijke uitspraakpotentieel heeft op budgethouders. De regering vindt deze aantallenonwenselijk. Daarom werkt zij, sinds de SVB deze cijfers heeft gedeeld inhaar uitvoeringstoets, samen met de pgb- verstrekkers aan oplossingen.Zo wordt met de pgb verstrekkers gekeken naar de toereikendheid van hetbudget en op welke manier een budgethouder kan bijsturen.Tevens vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waarom devrijwillige keuze voor de SVB voor pgb uit de Zorgverzekeringswet (Zvw)niet verplicht is gesteld, zoals bij de andere groepen. Zij vragen deregering specifiek in te gaan op het beschermen van kwetsbaren.Het belang van autonomie en keuzevrijheid voor budgethouders met eenpgb op basis van de Zvw is al sinds de start van het instrument pgb eenbelangrijk uitgangspunt. Het pgb is bij uitstek een instrument dat mensenin staat stelt om de regie over hun zorg in eigen hand te nemen. Hetkunnen voeren van eigen regie draagt wezenlijk bij aan hun zelfstan-digheid en gevoel van controle. Omdat het pgb Zvw privaatrechtelijk vanaard is, geldt hier bovendien geen verplicht trekkingsrecht. Wel is er altijdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 613 ruimte geweest om – op vrijwillige basis – ondersteuning in te schakelenvia de SVB.Tegelijkertijd zijn er ook duidelijke voordelen verbonden aan eenverplichtstelling van deze ondersteuning. Zo vermindert een centraleuitvoering de kans op administratieve fouten, wat met de wet aanpassingRdah voor pgb-budgethouders nog relevanter is geworden. Daaromwordt momenteel verkend of – en zo ja, hoe – een verplichtstelling vansalarisadministratie via de SVB voor de Zvw groep op verantwoorde wijzekan worden ingevoerd. Daarbij staat voorop dat recht wordt gedaan aande uitgangspunten van de Zvw en het pgb: eigen regie waar dat kan,bescherming waar dat nodig is.Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie bij wie definanciële verplichting ligt als er sprake is van een loonsanctie.In principe ligt de financiële verplichting van een loonsanctie bij debudgethouder. De budgethouder blijft namelijk als werkgever eindverant-woordelijk en dient zich te houden aan alle wettelijke verplichtingen die bijhet werkgeverschap komen kijken.De SVB zet zich in om het risico op een loonsanctie zoveel mogelijk temitigeren door ondersteuning bij de werkgeverstaken te bieden. Indien ertoch een loonsanctie wordt opgelegd, past de SVB maatwerk toe om definanciële gevolgen voor de budgethouder te beperken. Zo kan de SVBbesluiten de kosten te vergoeden indien het niet aan de budgethouder tewijten is dat de loonsanctie is opgelegd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat voor gevolgen ditwetsvoorstel heeft voor schijnzelfstandigheid. Deze leden vragen deregering te reflecteren op mogelijke waterbedeffecten en de gevolgen diedit kan hebben voor mensen in een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Ookvragen deze leden wat voor gevolgen dit heeft voor zowel de werknemerals werkgever als achteraf blijkt dat er sprake is van schijnzelfstandigheid.Zij horen graag van de regering op welke manier dit wordt voorkomen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de uitzonderingsre-geling binnen het pgb niet het risico op schijnconstructies vergroot. Dezeleden vragen de regering of zij kan toelichten op welke manier wordtgewaarborgd dat deze regeling niet oneigenlijk wordt benut, bijvoorbeelddoor platforms of andere tussenpersonen. Deze vraag staat in paragraaf 1van het verslag maar is vanwege de samenhang met andere vragen hierbeantwoord.De leden van de VVD-fractie merken op dat de regering erkent dat detoegenomen verplichtingen budgethouders ertoe kunnen aanzetten omover te stappen naar constructies via overeenkomsten van opdracht. Kande regering aangeven in hoeverre dit risico op verdringing wordtgemitigeerd?Deze vragen van de VVD-fractie staan op een andere plek in paragraaf 5van het verslag, maar zijn gezamenlijk met de vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie beantwoord.Er worden, zoals aangegeven in paragraaf 4.3 van de memorie vantoelichting bij het wetsvoorstel, weinig gevolgen van het wetsvoorstelvoor de arbeidsmarkt verwacht. Sinds de uitspraak van de Centrale Raadvan Beroep is al uitvoering gegeven aan de verplichte verzekering voorwerknemersverzekeringen. Daarmee hebben pgb-zorgverleners diekwalificeren als werknemers een sociaal vangnet. Het is niet deverwachting dat het type overeenkomst als gevolg van dit wetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 614 komt te veranderen, evenmin wordt een vlucht naar (schijn)zelfstan-digheid verwacht. De omstandigheden van het geval in de praktijkbepalen immers welk type overeenkomst van toepassing is: een arbeids-overeenkomst of een overeenkomst van opdracht. Een beperkte toenamevan (schijn)zelfstandigheid is echter niet volledig uit te sluiten. Verderop indit verslag wordt toegelicht op welke wijze controle op schijnzelfstan-digheid en handhaving daarop door de Belastingdienst zijn vormgegeven.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering tevens teonderbouwen welk deel van het werk zal verplaatsen naar het zwartecircuit.De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven of dehandhavingscapaciteiten afdoende zijn om een groei in zwartwerken tevoorkomen? Is er concreet zicht op hoeveel er wordt zwart gewerkt inpgb-verband op dit moment? Hoe vaak vinden op dit moment controlesplaats op zwart werken bij werkzaamheden waar pgb-budget voor wordtingezet?De vragen van de BBB-fractie staan op een andere plek in paragraaf 4 vanhet verslag, maar zijn gezamenlijk met de vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie beantwoord.De regering verwacht niet dat als gevolg van onderhavig wetsvoorstelwerk zal verplaatsen naar het zwarte (informele) circuit. Het voorstel zietimmers op dienstverlening uit pgb. Dit betreft publiek gefinancierdedienstverlening, waarbij het risico op zwart werken vanwege hetregulerende karakter nagenoeg nihil is. Hier wordt ook door de CentraleRaad van Beroep op gewezen in de uitspraak van 2023 waarbij de Raadverwijst naar het rapport van de Commissie Kalsbeek van maart 2014. Deregering onderschrijft de overwegingen van de Raad hieromtrent.De leden van de NSC-fractie vragen of de regering kan aangeven of enin hoeverre pgb-houders door dit wetsvoorstel werkgeverspremiesmoeten betalen en daardoor onder de streep minder geld overhouden omvan te leven. Deelt de regering de mening van deze leden dat dit eenongewenst neveneffect zou zijn van deze regeling en hoe wil de regeringdit effect tegengaan?De premielasten voor werkgevers worden uit het pgb betaald. De regeringwijst erop dat het pgb bedoeld is om zorg in te kopen en niet om inandere levensbehoeften te voorzien. Het wetsvoorstel zorgt er dan ookniet voor dat budgethouders minder geld over houden om van te leven.In onder andere het antwoord op de vragen van de leden van deGroenLinks-PvdA fractie hiervoor zet de regering uiteen wat aangewezenis in gevallen waarbij het budget toch ontoereikend blijkt.De leden van de VVD-fractie vragen of de budgethouder – veelal eenzorgbehoevende of mantelzorger – wordt gepositioneerd als volwaardigewerkgever?Ja, de budgethouder wordt gepositioneerd als een volwaardigewerkgever. Dat is nu ook al het geval voor budgethouders die zorgver-leners in dienst hebben buiten de Rdah (meer dan 4 dagen per weekwerkzaam zijn voor dezelfde budgethouder). Zoals in de memorie vantoelichting en bovenstaand uiteen is gezet, zal de SVB de budgethouderondersteunen in de werkgeverstaken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 615 De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe zijvoorkomt dat deze vergroting van werkgeversverplichtingen leidt totoverbelasting van deze kwetsbare groep burgers. In hoeverre strookt hetopleggen van administratieve, financiële en re-integratieverplichtingenmet het doel van het pgb, namelijk het bieden van maximale keuzevrijheiden regie aan de zorgvrager?Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of het wenselijk is dat ernu aanzienlijk meer gevraagd wordt van de budgethouders door dezewetswijziging.De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de administratieveen regeldrukgevolgen van dit wetsvoorstel voor pgb-houders, aangezienals gevolg van dit voorstel meer pgb-houders worden beschouwd alswerkgever met de bijbehorende plichten en verantwoordelijkheden. Hoebeoordeelt het kabinet deze gevolgen, en welke mogelijkheden ziet hij omdeze zorgbehoevende mensen op dit punt te ontlasten en de regels teversoepelen?Voorts vragen de leden van de NSC-fractie de regering om een reactieop de stelling van de SVB, dat onderhavige regelgeving ertoe kan leidendat meer pgb-houders beschouwd gaan worden als werkgever, waardoorzij ook te maken krijgen met extra plichten en administratieve taken,terwijl pgb-houders mensen zijn die zelf zorg nodig hebben. Hoe ziet deregering dit en hoe gaat de regering voorkomen dat pgb-houders dooronderhavige wetgeving opgezadeld worden met extra (administratieve)lasten? Graag een reactie.De vragen van de D66-, SGP en NSC-fractie staan op een andere plek inparagraaf 4 (D66 en SGP) en paragraaf 6 (NSC) van het verslag, maar zijngezamenlijk met de vraag van de VVD-fractie beantwoord.De regering komt budgethouders zoveel mogelijk tegemoet dooruitgebreide ondersteuning bij werkgeverstaken te bieden door de SVB.Die ondersteuning ziet op veel werkgeverstaken en is, zoals hierboven enin de memorie van toelichting uiteengezet, zeer uitgebreid. Hiermee wil deregering overbelasting van de budgethouders voorkomen. Zo zal (eningeval van budgethouders die via de Zvw pgb ontvangen is dat eenkeuze) de SVB de volledige salarisadministratie voor de budgethouderuitvoeren. De SVB zal namens de budgethouder loonaangifte doen bij deBelastingdienst en de ingehouden loonheffing en werkgeverslasten(premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrageZvw) afdragen aan de Belastingdienst. Daarmee wordt voorkomen dat debudgethouder hiermee wordt belast, maar wordt er wel voor gezorgd datpremies worden afgedragen. De wijziging ten aanzien van de scholings-plicht zal naar verwachting een beperkte impact hebben voor eenbudgethouder, maar als het wel aan de orde is, kan de SVB ook daarbijondersteunen.De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast in hoeverre het opleggenvan extra werkgeversverplichtingen strookt met het bieden van maximalekeuzevrijheid en regie aan de zorgvrager. Het blijft te allen tijde een vrijekeuze van de zorgbehoevende om ervoor te kiezen om op deze manierzorg in te kopen (via pgb) en daarmee werkgever te worden. Daarmeebehoudt de zorgbehoevende in beginsel de keuzevrijheid en regie overhet inrichten van de zorg. Als echter sprake is van werkgeverschapmiddels pgb, is de budgethouder wel eindverantwoordelijk voor hetuitvoeren van de werkgeverstaken. Dat is nu ook al het geval voorbudgethouders die zorgverleners in dienst hebben die niet onder de RdahTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 616 vallen en daarmee worden de rechten van alle pgb-zorgverleners diewerkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst gelijk getrokken.De vraag van de NSC-fractie lijkt ervan uit te gaan dat onderhavigeregelgeving ertoe kan leiden dat meer budgethouders beschouwd gaanworden als werkgever. Dat is geen gevolg van dit wetsvoorstel. Alsbudgethouders op dit moment een arbeidsovereenkomst hebben geslotenonder de Rdah, dan zijn zij al werkgever. Het wetsvoorstel leidt er wel toedat zij meer werkgeversverplichtingen krijgen, waarbij de SVB debudgethouders zal ondersteunen.De leden van de VVD-fractie vragen of voor de verplichting tot scholing,het toepassen van het reguliere ontslagrecht en het uitbreiden vanverlofrechten professionele HR-capaciteit nodig is?Zo ja, kan dit van een individuele budgethouder verwacht worden? Kan deregering nader toelichten hoe zij deze verantwoordelijkheid uitvoerbaaracht voor mensen zonder juridische of personele ondersteuning?Het wetsvoorstel heeft een toename van het aantal werkgeversverplich-tingen voor budgethouders tot gevolg. Waar het pgb uit de Wmo, Wetlangdurige zorg of Jeugdwet betreft worden, zoals eerder in dit verslagtoegelicht, budgethouders ondersteund door de SVB in de uitvoering vanwerkgeverstaken. Ingeval van financiering uit de Zvw hebben budget-houders de keuze om zich bij de uitvoering van hun werkgeverstaken telaten bijstaan door de SVB. Zoals in de beantwoording van de vragen vande leden van de VVD-fractie is uiteengezet, is de ondersteuning vanuit deSVB uitgebreid. De ondersteuning kan ook bestaan uit hulp bij hetaanvragen van wettelijk verlof en hulp via de ingekochte rechtsbijstand-verzekering in geval van ontslag. Het wetsvoorstel brengt slechts beperktextra verplichtingen voor de budgethouder met zich mee waar hetscholingsverplichtingen betreft. De budgethouder kan zich ook metvragen hieromtrent wenden tot de SVB. De regering meent al met al datbudgethouders voldoende ondersteuning wordt geboden bij de uitvoeringvan hun werkgeverstaken.5. Financiële gevolgen voor het Rijk De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vraag over depremieheffing. De leden vragen op welke manier de werknemersrege-lingen voor deze doelgroep op dit moment worden gefinancierd.UWV verstrekt met terugwerkende kracht tot de uitspraak van derechtbank Rotterdam (16 december 2021) uitkeringen aan pgb-zorg-verleners die een arbeidsovereenkomst hadden waar nog geen premie-grondslag voor is. Voor de WW worden deze uitkeringen ten lastegebracht van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Voor de Ziekteweten de Wet WIA komen de uitkeringen ten laste van het Arbeidsongeschikt-heidsfonds (Aof).Ook vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie naar een naderespecificatie van de kosten voor werkgevers/pgb-houders, voor elk van degenoemde wijzigingen in het wetsvoorstel. Deze leden vragen op welkemanier er wordt gezorgd dat pgb-houders kunnen voldoen aan deverplichtingen die worden gesteld op basis van deze wet en op welkemanier zij daar ondersteuning bij krijgen, bijvoorbeeld van de SVB. Zijvragen dit systematisch uiteen te zetten.De wijzigingen in het wetsvoorstel zorgen ervoor dat alle werknemersbetaald uit een pgb gelijk behandeld worden en recht op sociale zekerheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 617 hebben. Onderstaand wordt per wijziging ingegaan op het kostenaspecten de ondersteuning.•De verzekeringsplicht voor werknemersverzekeringen zorgt ervoordat werknemers verzekerd zijn voor de WW, ZW en Wet WIA. Hierte-genover staat dat voor deze verzekeringen premies moeten wordenbetaald. De premies worden door de budgethouders, betaald conformgeldend arbeidsrecht en mogen uit het pgb betaald worden.•De periode waarover het loon van een werknemer doorbetaaldwordt bij ziekte gaat van maximaal 6 weken naar 104 weken. Erwordt dus nu al voor een beperkte periode loon doorbetaald onder deRdah. Voor de langere periode waarin de zorgverlener ziek is en wordtdoorbetaald, wordt het pgb gecompenseerd door de SVB. Op dezemanier komt de levering van zorg nooit onder druk te staan en kan debudgethouder -indien nodig- vervangende zorg inkopen.•Ook als een budgethouder een andere loondoorbetalingsverplichtingheeft door wettelijk verlof van een zorgverlener vult de SVB het pgbaan, zodat de budgethouder vervangende zorg kan inkopen voor deperiode van het verlof. Bij recht op andere verloven (bijv. WAZO)ondersteunt de SVB de budgethouder om de administratie hierop aante passen en vraagt de SVB de uitkering namens de budgethouder aan,zodat de zorgverlener direct een uitkering ontvangt van UWV.•Bepaalde typen van scholing mogen betaald worden uit het pgb,afhankelijk van het beleid van de verstrekker. Vanuit een Zvw-pgbwordt scholing niet vergoed. Scholingsverzoeken worden op indivi-duele basis beoordeeld. Scholingsverzoeken voor budgethouders meteen Wlz-pgb worden beoordeeld aan de hand van de vergoedingenlijstpgb Wlz.•Bij ontslag ondersteunt de SVB budgethouders onder andere doormiddel van arbeidsrechtelijk advies. In bepaalde situaties wordtondersteuning gevraagd door de budgethouder aan de collectiefingekochte rechtsbijstandsverzekering van de SVB. Bij betalingsver-plichtingen die uit het ontslag ontstaan, wordt door de SVB beoor-deeld of deze uit het pgb of aangewezen fondsen betaald mogenworden. Kosten en gevolgen voor de budgethouder zelf worden zoveelmogelijk beperkt.•Wet flexibel werken; onvoorspelbare arbeidstijden zijn inherent aande inzet van zorg uit het pgb. Indien hier nadere afspraken overgemaakt dienen te worden, ondersteunt de SVB budgethoudershierbij, door bijvoorbeeld te adviseren over gevolgen van vastearbeidsvoorwaarden. Ook kan de SVB budgethouders ondersteunenom gezamenlijk met de zorgverlener afspraken te maken over dearbeidsvoorwaarden en in te zetten op het voorkomen van geschillen.De SVB ondersteunt vanuit haar wettelijke taak budgethouders bij allewerkgeverstaken. Dit doet de SVB door de volledige salarisadministratiete voeren voor de budgethouder, maar ook door dagelijks advies te gevenbij alle voorkomende werkgeverstaken, bijvoorbeeld bij ziekte. Hiervoorheeft de SVB een team van arbeidsspecialisten werken. Dit team wordtnaar aanleiding van deze wetswijziging aangevuld met extra collega’s.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen tevens om eenuiteenzetting van de kosten die worden gedekt op de begroting vanSociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en op die van Volksgezondheid,Welzijn en Sport (VWS).Hieronder worden de uitgaven van de Ministeries SZW en VWS als gevolgvan de wetswijziging uiteen gezet, zoals ook genoemd in de financiëleparagraaf van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. In delaatste kolom van elke tabel wordt aangegeven of de uitgaven wordengedekt op de begroting van het Ministerie van SZW of VWS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 618 Tabel: Geraamde Uitkeringslasten werknemersverzekeringenUitkeringslasten (€ x mln.)202420252026202720282029Struc-tureelMinisterieUitkeringslasten werknemers-verzekeringen0,61,52,73,84,24,58,41SZWMeerkosten pgb t.b.v. toename werkge-verslasten en loondoorbetalingsperiode0010,810,810,810,810,8VWSUitvoeringskosten UWV2,03,02,22,22,22,22,2SZWUitvoeringskosten SVB03,44,64,64,64,64,6VWSCompensatie gemeenten001,81,81,81,81,8VWSTotaal2,67,922,123,223,623,927,81 Alle uitkeringslasten werknemersverzekeringen zijn structureel per 2029 met uitzondering van de uitgaven aan de WIA en Toeslagenwet. Dezeuitgaven zijn structureel per 2060. Doordat mensen zeer lang in de WIA kunnen verblijven, duurt het voor die regeling langer voor de bedragen hunstructurele niveau hebben bereikt. 6. Consultatie, adviezen en uitvoering De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke afweging er isgemaakt in de prioritering en uitvoerbaarheid van verschillende trajectendie capaciteit van de SVB vragen, die door dit wetsvoorstel mogelijk(tijdelijk) geen doorgang vinden.De SVB heeft in haar uitvoeringstoets geconstateerd dat de implementatievan het wetsvoorstel een zodanig beroep op de (IT-)ontwikkelcapaciteitdoet dat er zich verdringingseffecten voor zouden doen op anderetrajecten. Voldoen aan wet- en regelgeving heeft in de uitvoering pgb dehoogste prioriteit wanneer er afwegingen worden gemaakt tussenverschillende trajecten. Dit omdat de rechtszekerheid van budgethoudersen zorgverleners belangrijk is. Daarom is dit traject, in overleg tussen deSVB en de Ministeries van SZW en VWS, met de hoogste prioriteitopgepakt.Ook vragen deze leden de regering per aanbeveling uiteen te zetten opwelke manier de aanbeveling is opgevolgd.In de uitvoeringstoets heeft de SVB als aandachtspunt meegegeven dathet aantal no-shows (ziekgemelde zorgverleners komen niet op deafspraken met de arbodienstverlener) in de verzuimbegeleiding bovenge-middeld hoog is.Om het aantal no-shows te verkleinen, richt de SVB haar informatievoor-ziening hier goed op in, door onder andere gerichte informatie aanbudgethouders te sturen over de rechten en plichten rondom de verzuim-begeleiding. Dit zal de SVB voorafgaand aan de inwerkingtreding van hetwetsvoorstel doen, als ook tijdens het verzuim. Daarbij is de SVB continubezig met het verbeteren van de informatievoorziening en deze aan tepassen aan de behoeften van budgethouders.Ten tweede heeft de SVB aangegeven dat een functionaliteit in hetPGB2.0-systeem benodigd is voor het stopzetten van betalingen. Dit kan,net zoals al wordt toegepast binnen het PGB1.0-systeem, werken alsdrukmiddel wanneer de budgethouder en zorgverlener niet meewerkenaan de verzuimbegeleiding. De wijziging die hiervoor nodig is in hetPGB2.0-systeem is geprioriteerd en wordt tijdig opgeleverd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het UWV deuitspraak reeds toepast. Deze leden vragen of dit geldt voor alle onder-delen waarvoor de rechten van pgb-zorgverleners op basis van deze wetwordt uitgebreid. Ook vragen zij wanneer de Kamer hierover is geïnfor-meerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 619 De uitspraak wordt toegepast met terugwerkende kracht, vanaf16 december 2021 (datum uitspraak rechtbank). UWV beoordeelt bij eenuitkeringsaanvraag per dienstverband of een pgb-zorgverlener verzekerdis en of deze mogelijk recht heeft op een WW-, ZW-, WIA- ofWAZO-uitkering. Daarbij wordt naar de voorwaarden van het uitkerings-recht gekeken. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd in de Standvan de uitvoering sociale zekerheid van december 2023. De overigerechten en plichten die met het wetsvoorstel aan pgb-zorgverleners meteen arbeidsovereenkomst worden toegekend (inhoudingsplicht, premie-heffing, langere periode loondoorbetaling bij ziekte, scholing, ontslag ende Wet flexibel werken) gaan pas gelden na ingang van het wetsvoorstel.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op welke wijze deBelastingdienst gaat handhaven op schijnzelfstandigheid bij werkzaam-heden aan huis. Deze leden willen weten of de Belastingdienst dit kanuitvoeren. Zij vragen specifiek hoe de handhaving op platforms die debemiddeling op zich kunnen gaan nemen van de dienstverleninggecontroleerd worden op schijnzelfstandigheid. Zij willen weten of deBelastingdienst dit kan uitvoeren.Voor de handhaving op schijnzelfstandigheid bij werkzaamheden aan huisgeldt dezelfde handhavingsstrategie als voor andere sectoren. DeBelastingdienst handhaaft op basis van zijn handhavingsstrategierisicogericht en niet sectorgericht. Voor de keuze van de posten waar eenbedrijfsbezoek of boekenonderzoek wordt ingesteld maakt de Belasting-dienst onder andere gebruik van steekproeven en een detectiemodule. Erwordt niet geselecteerd op basis van sectoren.Verder krijgen arbeidsbemiddelaars in 2025, zoals is opgenomen in hetHandhavingsplan arbeidsrelaties 2025, extra aandacht. De Belastingdienststart in 2025 in principe met een bedrijfsbezoek. Bij een bedrijfsbezoekgaat de inspecteur in gesprek over de inhuur van zelfstandigen. In ditstadium is nog niet vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van schijnzelf-standigheid. De opdrachtgever wordt er zo nodig op gewezen dat vanhem wordt verwacht dat schijnzelfstandigheid wordt voorkomen in diensorganisatie.De Belastingdienst kan de handhaving net als bij andere sectorenuitvoeren. Met ingang van 1 januari 2025 gelden voor de Belastingdienstbij de handhaving op de kwalificatie arbeidsrelatie de normale regels voorhet opleggen van correctieverplichtingen en naheffingsaanslagenloonheffingen. De Belastingdienst houdt daarbij rekening met het eerderehandhavingsmoratorium en zal alleen met terugwerkende krachtcorrigeren tot de datum van de opheffing, te weten 1 januari 2025. Dit isalleen anders indien de Belastingdienst voor 1 januari 2025 ook correctieskon opleggen, bijvoorbeeld omdat sprake is van kwaadwillendheid ofomdat een eerder gegeven aanwijzing niet is opgevolgd. Daarnaast zal deBelastingdienst over 2025 geen boetes opleggen.Evenals in voorgaande jaren zet de Belastingdienst 80 FTE in voor dehandhaving op arbeidsrelaties. De Belastingdienst zorgt voor een zachtelanding. Dit betekent dat de Belastingdienst in 2025 het risicogerichtetoezicht op schijnzelfstandigheid in beginsel met een bedrijfsbezoek start.De Belastingdienst kan overgaan tot het instellen van een boekenon-derzoek als ingeschat wordt dat er sprake is van grote risico’s opschijnzelfstandigheid of het risico dat de opdrachtgever blijft werken metschijnzelfstandigen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie vantoelichting dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 620 aangegeven dat de gemeenten de aanvullende lasten voortkomend uit ditwetsvoorstel niet zelfstandig kunnen dragen.Deze leden vragen of dit klopt en welke overwegingen hierbij een rolspelen. Ook vragen zij om per jaar aan te geven wat de aanvullendekosten zijn voor gemeenten.Gemeenten zijn per voorjaarsnota voor de extra kosten die deze wetswij-ziging met zich meebrengt gecompenseerd door een (structurele) stortingin het gemeentefonds. Dit is afgestemd met de VNG.De leden van de NSC-fractie vragen of de regering bij benadering kanaangeven hoeveel extra aanvragen voor respectievelijk de WW, ZW en deWIA worden verwacht en in hoeverre dit uitvoerbaar is voor het UWV,mede in het licht van de voorgenomen hersteloperatie? Graag eenuitgebreide toelichting.Ten tijde van de uitvoeringstoets op de uitspraak van de Centrale Raadvan Beroep heeft UWV op basis van ramingen een inschatting gemaaktvan de benodigde capaciteit. UWV is daarbij uitgegaan van de gemid-delde instroompercentages. Op basis van de gemiddelde instroom enuitgaande van een toename van 30.000 verplicht verzekerden, verwachtteUWV 4.380 nieuwe uitkeringsaanvragen per jaar. Het aantal personen datals gevolg van het wetsvoorstel verplicht verzekerd raakte is achteraf naarbeneden bijgesteld. In de uitvoeringstoets op dit wetsvoorstel isuitgegaan van 2.840 aanvragen (WW, ZW, WAZO en Wet WIA samen).In de praktijk is het aantal vragen en aanvragen lager dan verwacht. Het isnog niet duidelijk of dat te maken heeft met onbekendheid van demogelijkheid een uitkering aan te vragen of met een lager instroomrisico.Dit laatste kan pas over een langere periode worden beoordeeld. Bij deinwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal de mogelijkheid om eenuitkering aan te vragen opnieuw onder de aandacht van zorgverlenersworden gebracht. UWV houdt daarom rekening met een toename van deaantallen vragen en aanvragen bij de inwerkingtreding van deze wet,maar verwacht niet dat de aantallen hoger zullen zijn dan geraamd in deuitvoeringstoets.De totale aantallen lijken beperkt, maar een aanvraag voor een uitkeringdoor een pgb-zorgverlener is meer werk dan een normale uitkeringsvast-stelling. Dit komt doordat voor deze werknemers op dit moment geenvolledige dienstverbandgegevens en geen loongegevens per maandworden aangeleverd aan de Polisadministratie, zoals bij anderewerknemers het geval is. Dit betekent dat voor de berekening van deuitkering informatie moet worden uitgevraagd bij de zorgverlener, debudgethouder en de SVB. Deze informatie wordt vervolgens handmatigverwerkt in de uitkeringssystemen. UWV heeft hier een tijdelijk procesvoor ingericht waarin intensief wordt samengewerkt met de SVB om deadministratieve last voor de zorgverlener en de budgethouder tebeperken. Deze handmatige werkwijze is bewerkelijker en foutgevoeliger,maar zal nodig blijven zolang de fiscale regelgeving bepaalt dat slechtsjaarlijks (in plaats van maandelijks of vierwekelijks) aangifte moet wordengedaan. Voor aanpassing naar maandaangifte is een wijziging in eenfiscale ministeriële regeling nodig. Uit een analyse van de uitvoeringsge-volgen van deze wijziging is echter gebleken dat deze wijziging groteimpact zou hebben voor alle loonadministraties van pgb-budgethouders,waaronder de pgb-administratie van de SVB. Vanwege deze grote impactis besloten deze wijziging daarom niet in dit wetsvoorstel mee te nemen.De geraamde capaciteit houdt daarom nog rekening met voortzetting vanhet handmatige proces. Omdat voor pgb-zorgverleners een aangepastewerkwijze geldt, handelt een gespecialiseerd team bij UWV de aanvragenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 621 af. Dit team blijft deze werkzaamheden uitvoeren zolang nodig.Vooralsnog zal deze handmatige werkwijze nog enige jaren nodig zijn.7. Evaluatie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het mogelijk is omeen tussentijdse evaluatie te doen, bijvoorbeeld van de reikwijdte van dewet, de financiële positie van pgb-houders of die van gemeenten.Het wetsvoorstel wordt vijf jaar na de inwerkingtreding in zijn geheelgeëvalueerd. In beginsel vindt geen tussentijdse evaluatie van hetwetsvoorstel plaats.Het Ministerie van VWS krijgt, zoals nu ook het geval is, zowel van de SVBals van verstrekkers gevraagd en ongevraagd signalen binnen over deuitvoering van het pgb. Als er voor de geplande evaluatie signalen zijn dieaanleiding geven voor nadere acties (zoals problemen rondom definanciële positie van budgethouders of een uitspraak van de CentraleRaad van Beroep), zullen deze eerder worden opgepaktDe leden van de D66-fractie vragen of de regering kan toelichten of bijde evaluatie ook gemonitord zal worden of deze wetswijziging daadwer-kelijk leidt tot meer zekerheid en een betere sociale voorziening voorvrouwen?De regering neemt als suggestie voor de verdere vormgeving van hetevaluatiekader mee dat gekeken wordt of de wetswijziging leidt tot meerzekerheid en een betere sociale voorziening voor vrouwen.II Artikelsgewijze toelichting De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 744, nr. 622
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.