Rapportage Internationale Misdrijven 2024-2025
Brontekst
Versie 471284d3268bc3f4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2026Nr. 132 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VANASIEL EN MIGRATIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 maart 2026Hierbij zenden wij uw Kamer de rapportagebrief over de Nederlandseaanpak van internationale misdrijven in 2024–2025.1 Naast de veleaandacht die er is voor de internationale aanpak van internationalemisdrijven, hebben landen ook een belangrijke rol om binnen de eigenlandgrenzen op te treden. De primaire verantwoordelijkheid vooropsporing en vervolging van internationale misdrijven ligt op grond vanhet complementariteitsbeginsel als vervat in het Statuut van Rome voorhet Internationaal Strafhof namelijk bij nationale overheden. De nationalestrijd tegen straffeloosheid voor deze zeer ernstige misdrijven is dan ooksinds jaar en dag een belangrijk onderwerp voor het kabinet. Nederlandwil geen veilige haven zijn voor plegers van internationale misdrijven.Hier wordt actief op ingezet, met zowel een strafrechtelijke als eenvreemdelingrechtelijke aanpak. Daarmee wordt jaarlijks voorkomen datplegers van internationale misdrijven ten onrechte aanspraak kunnenmaken op bescherming in Nederland. Tegelijkertijd worden verdachtenvan vermeende internationale misdrijven strafrechtelijk vervolgd, somsresulterend in levenslange gevangenisstraffen.De toename van gewapende conflicten wereldwijd is ook in de keten temerken. De inspanningen die door de keten worden verricht zijn intensiefen omvangrijk. In deze brief zullen wij enkele aspecten uitlichten. Daarbijmoet worden opgemerkt dat niet alle inspanningen van de keten directzichtbaar zijn of kunnen worden gemaakt. Zo is de opsporing envervolging van internationale misdrijven complex en tijdrovend en kanvaak pas informatie over een zaak worden gedeeld als er voldoendebewijs voorhanden is voor een aanhouding.1De term «internationale misdrijven» is een verzamelbegrip voor een aantal zeer ernstigeschendingen van het internationale recht die in Nederland strafbaar zijn gesteld in de Wetinternationale misdrijven. Het gaat om genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogs-misdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en het misdrijf agressie. kst-36800-VI-132ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1321 2. De bijdrage van de keten aan het tegengaan van straffe-loosheid 2.1 Verdachten voor de rechter: opsporing en vervolging De afgelopen jaren neemt het aantal strafrechtelijke onderzoeken naarinternationale misdrijven die resulteren in berechting toe. Waar er in 2014slechts één zaak voor de rechter werd gebracht, werden in 2024 en 2025dertien verdachten vervolgd en waren er in totaal achttien lopendestrafrechtelijke onderzoeken.2 In enkele gevallen gaat het om devervolging van verdachten voor misdrijven die nog voor de eeuwwis-seling hebben plaatsgevonden, in Rwanda of in Afghanistan. Hetmerendeel van de vervolgingen ziet echter op recentere situaties, metbetrekking tot Islamitische Staat (IS) of andere strijdende partijen in hetMidden-Oosten. In die zaken is dan ook naast vervolging voor interna-tionale misdrijven soms ook sprake van vervolging voor terroristischemisdrijven.Zo is op 11 december 2024 de verdachte Hasna A. door de rechtbank DenHaag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar voor viermisdrijven.3 Ze is veroordeeld voor aansluiting bij de terroristischeorganisatie IS, deelname en bevordering van terroristische misdrijven vanIS, en voorts voor het in hulpeloze toestand brengen en houden van haartoen 4-jarige zoontje dat ze meenam toen ze begin 2015 afreisde naar hetzogeheten «kalifaat» van IS in Syrië. Het zwaarste misdrijf waar Hasna A.voor is veroordeeld, is het internationale misdrijf slavernij gepleegd tegeneen tot slaaf gemaakte Jezidi-vrouw. Slavernij van gevangengenomenJezidi vrouwen en meisjes was onderdeel van een wijdverbreide enstelselmatige aanval die de IS uitvoerde op de Jezidi’s in Noord-Irak(burgerbevolking). De rechtbank overwoog in het vonnis dat Hasna A. vande aanval afwist en de slavernij als onderdeel daarvan pleegde, zodat diteen misdrijf tegen de menselijkheid oplevert. De rechtbank benoemdenadrukkelijk: «Misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder begrepenslavernij, behoren tot de ernstigste internationale misdrijven en vervullende gehele internationale gemeenschap met zorg. Het verbod op slavernijis een regel die als zo fundamenteel voor de internationale rechtsordewordt beschouwd, dat afwijking van deze regel niet toelaatbaar is. Deaanval van IS op de jezidi gemeenschap waarbij vrouwen en meisjes totslaaf werden gemaakt, heeft op grote schaal internationale verontwaar-diging en verontrusting gewekt.»De behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag zalnaar verwachting in februari 2026 plaatsvinden.In 2024 is ook verdachte Ayada K. aangehouden, na terugkomst uit Syrië.Zij wordt verdacht van deelname aan de terroristische organisatie IS, hetachterlaten van een hulpbehoevende, het treffen van voorbereidingshan-delingen van een misdrijf met een terroristisch oogmerk, het onttrekkenvan haar kinderen aan het gezag van hun vader en als internationaalmisdrijf medeplichtigheid aan het inzetten van haar toen 14-jarige zoonvoor de strijdkrachten van IS. Uniek aan deze zaak is dat voor het eerst inNederland vervolging plaatsvindt voor het inzetten van een kindsoldaatals oorlogsmisdrijf. Het onderzoek naar de feiten loopt en de behandelingbij de rechtbank Den Haag zal plaatsvinden op 27 maart 2026.2Inclusief zaken die lopen in de appel- en cassatiefase.3Rechtbank Den Haag 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20594.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1322 Daarnaast is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een verdachtevoor de rechter gebracht die aan de kant van het Syrische regime stond.4Mustafa A. kreeg in hoger beroep een gevangenisstraf van 13 jaaropgelegd voor het medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheidvan wederrechtelijke vrijheidsberoving en voor medeplichtigheid aan dedaaropvolgende foltering en marteling. Daarnaast werd Mustafa A.veroordeeld voor zijn deelname aan de criminele organisatie Liwaal-Quds, een militie die het Syrische regime steunde, die tot oogmerk hetplegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid heeft.Er is cassatie ingesteld door de verdediging, dus de zaak is nog nietafgerond.De tweede regimezaak die op dit moment loopt, betreft de zaak van deSyriër Rafik A. Hij is op 8 december 2023 aangehouden in Nederland,waar hij reeds enkele jaren woonde. Hij wordt ervan verdacht alsverhoorder werkzaam te zijn geweest in Syrische detentiecentra en zich indie hoedanigheid schuldig te hebben gemaakt aan foltering, marteling alsmisdrijf tegen de menselijkheid en seksuele delicten als misdrijven tegende menselijkheid. Deze verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis ende zaak zal in april 2026 worden behandeld bij de rechtbank Den Haag.Deze zaken geven een beeld van de resultaten van de inspanningen vande strafrechtketen in 2024–2025. Daarnaast tonen ze het belang vanerkenning van de ernst en strafwaardigheid voor de bredere gemeen-schap die te lijden heeft gehad onder de misdrijven waar het om gaat,bijvoorbeeld als het gaat om de misdrijven tegen de Jezidi’s zoals dewereldwijde aandacht vanuit de Jezidi gemeenschap voor de zaak tegenHasna A. laat zien.Naast de vervolgingen die in 2024–2025 hebben plaatsgevonden, wordener diverse andere opsporingsonderzoeken verricht. Ook worden veleaangiften, meldingen en andere indicaties over internationale misdrijvenwaarover Nederland rechtsmacht heeft onderzocht, zowel met betrekkingtot oudere als recentere situaties. De afgelopen jaren is sprake van eentoename van aangiftes met betrekking tot internationale misdrijvengepleegd in Gaza. Deze aangiftes worden door het Landelijk Parket vanhet Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld volgens de Instructieafdoening aangiften Wet Internationale Misdrijven.2.2 Voorkomen van een veilige haven: het 1F beleid in de praktijk De bescherming die het Nederlandse asielbeleid biedt, kent een duidelijkegrens: een vreemdeling die zelf betrokken is bij ernstige misdrijven, zoalsoorlogsmisdrijven, foltering, maar ook zware geweldsdelicten, kan hiergeen bescherming krijgen. Dat is verankerd in artikel 1F van het Vluchte-lingenverdrag (Vlv).Wanneer tijdens of na de asielprocedure signalen naar voren komen dateen vreemdeling mogelijk betrokken is bij dergelijke misdrijven (bijvoor-beeld uit eigen verklaringen of andere aanwijzingen) neemt de gespeciali-seerde Unit 1F het onderzoek over. De Unit 1F gaat daarbij zorgvuldig tewerk: openbare bronnen worden geraadpleegd, sociale media geanaly-seerd en indien nodig worden aanvullende gehoren gehouden.Indien wordt geconcludeerd dat artikel 1F Vlv van toepassing is, volgtgeen verblijfsrecht. De bewijslast ligt bij de IND: er moeten serieuzeaanwijzingen zijn dat de vreemdeling bewust heeft deelgenomen aan een4Rechtbank Den Haag 22 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:575; Gerechtshof Den Haag27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1323 ernstig misdrijf. Dit criterium is lichter dan in het strafrecht, maar wordtzorgvuldig toegepast.Een vreemdeling kan zo’n besluit altijd voorleggen aan de rechter. Wordtartikel 1F Vlv tegengeworpen, dan volgt meestal ook een terugkeerbesluit(de plicht om de Europese Unie te verlaten), een inreisverbod (tien jaarlang geen toegang tot de Europese Unie) en een signalering in hetSchengen Informatiesysteem, zodat andere lidstaten weten dat dezevreemdeling het grondgebied van de Europese Unie niet mag inreizen opgrond van openbare orde (inreisverbod).In de Rapportagebrief Internationale Misdrijven 2023 werd uw Kamerreeds bericht dat het Europees Hof van Justitie in juli 2023 heeft bepaalddat een terugkeerbesluit niet mag worden opgelegd als iemand vanwegehet verbod op foltering of onmenselijke behandeling zoals neergelegd inartikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)niet kan worden uitgezet.5 In dat geval kan er dus ook geen inreisverbodvolgen, al blijft signalering in het Schengen-systeem wel mogelijk. Daarbijis destijds aangegeven dat bij de bestudering van de gevolgen van ditarrest voor de uitvoering de IND tijdelijk zaken heeft aangehouden.Hieronder bevonden zich ook 1F-zaken. De destijds verwachte toename inde 1F-cijfers van 2024 heeft zich gerealiseerd.Verder zijn in 2024–2025 meerdere rechterlijke uitspraken geweest inzaken waarin de IND artikel 1F Vlv heeft tegengeworpen vanwegeseksuele handelingen tussen meerderjarige Syrische mannen enminderjarige meisjes binnen zogenoemde kindhuwelijken (ook welaangeduid met traditionele huwelijken). Hierbij gaat het nadrukkelijk nietom het huwelijk zelf, maar om de seksuele handelingen met een minder-jarige, die zowel in Syrië als in Nederland strafbaar zijn en internationaalals ernstig misdrijf worden aangemerkt.Zo oordeelden de rechtbanken Haarlem6 en Den Bosch7 dat de betrokkenvreemdelingen wisten of hadden moeten weten dat zij een ernstig misdrijfpleegden. De beoordeling werd uitgevoerd aan de hand van de factorenuit het handboek van de United Nations High Commissioner for Refugees(UNHCR) en de Vreemdelingencirculaire, waaronder de aard en gevolgenvan het misdrijf, de strafmaat, internationale consensus en de gevolgdestrafprocedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statezal naar verwachting begin 2026 uitspraak doen in het hoger beroep indeze zaken, van belang is voor de verdere interpretatie en toepassing vanartikel 1F Vlv.Vreemdelingen aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen zijn verplicht deEuropese Unie en dus ook Nederland te verlaten. De DTenV zet zich actiefin om dit te realiseren. In 2024–2025 zijn er 54 1F-ers aantoonbaarvertrokken.In de praktijk blijkt terugkeer vaak complex door factoren zoals een3 EVRM-beletsel, medische omstandigheden of beperkte medewerkingvan het land van herkomst bij gedwongen terugkeer. De DTenV blijft zichook onder deze omstandigheden voortdurend inzetten om vertrek terealiseren, om zo te waarborgen dat Nederland geen veilige haven biedtaan personen die met ernstige misdrijven in verband worden gebracht.5Kamerstuk II, 2023–2024, 36 410 VI, nr. 106.6Rechtbank Haarlem 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18369.7Rechtbank Den Bosch 22 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14784.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1324 2.3 Internationale samenwerking als sleutel Nederland is uiteraard niet het enige land dat zich inzet om te voorkomendat plegers van internationale misdrijven ten onrechte een beroep kunnendoen op bescherming en opsporing en vervolging proberen te ontlopen.Internationale samenwerkingen met landen die onze doelstellingen delenis van grote toegevoegde waarde, zowel om van elkaar te kunnen lerenals ten behoeve van concrete casussen.De keten heeft daarom ook in 2024 deelgenomen aan gremia die zichhierop richten, zoals het European Union Agency for Asylum (het «EUExclusion Network»), het European Network for investigation andprosecution of genocide, crimes against humanity and war crimes (het«Genocide Prosecution Network»), en het Analysis Project – CoreInternational Crimes bij Europol (AP-CIC). Dat dergelijke samenwerkingentot concrete resultaten kunnen leiden wordt goed geïllustreerd door deresultaten van voormeld AP-CIC. Mede dankzij de door het TeamInternationale Misdrijven van de politie gedeelde kennis, expertise enoperationele inzet in dit gremium, konden namelijk acht ontvoerdeOekraïense kinderen worden gelokaliseerd achter de frontlinie van deRussische Federatie. Er wordt bovendien actief aansluiting gezocht bijgremia die zich richten op het tegengaan van straffeloosheid vanmisdrijven in concrete situaties. Dit gebeurt bijvoorbeeld middels hetJoint Investigation Team (JIT) inzake misdrijven tegen de Jezidi’s in Syriëen Irak en de – recentelijk met een jaar verlengde – OSINT OperationalTaskfore (OTF) Ukraine, waarover uw Kamer al eerder werd geïnfor-meerd.8Ter verdere bevordering van nationale opsporing en vervolging heeftNederland zich de afgelopen jaren ingespannen voor de totstandkomingvan het Verdrag van Ljubljana-Den Haag.9 Dit multilaterale Verdragvoorziet in een kader voor onder meer rechtshulp en uitlevering voorinternationale misdrijven. Het zal landen de mogelijkheid bieden omelkaar assistentie te verlenen bij deze vaak complexe strafzaken. UwKamer is de afgelopen jaren meermalen geïnformeerd over dit Verdrag. Infebruari 2024 is het verdrag door Nederland en 34 andere landenondertekend en thans staat de teller op 40. Na ondertekening is gestartmet het proces voor ratificatie en er wordt momenteel hard gewerkt aanuitvoeringswetgeving. Deze zal op termijn aan uw Kamer wordenaangeboden.3. Innovatie en ontwikkelingen 3.1 Technologische innovatie In de strafrechtelijke onderzoeken naar misdrijven die decennia geledenzijn gepleegd, wordt het bewijsmateriaal voornamelijk gezocht engevonden in de vorm van getuigenverklaringen. In de strafrechtelijkeonderzoeken naar meer recent gepleegde misdrijven spelen daarentegenandere categorieën van bewijsmateriaal een steeds grotere rol. Daarbijkan worden gedacht aan bijvoorbeeld video’s die op social media wordengepost. Onderzoeksmethoden zoals Open Source Intelligence (OSINT)worden daarom steeds belangrijker. Binnen de politie is hier de afgelopenjaren de nodige expertise op verkregen. Die expertise wordt aangewendten behoeve van de eigen nationale onderzoeken. Gezien de schaarse8Kamerstuk II, 2023–2024, 36 410 VI, nr. 106.9Verdrag van Ljubljana – Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing envervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en andere internationalemisdrijven, Ljubljana, 26 mei 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1325 OSINT-capaciteit en expertise bundelt de Nederlandse politie de krachtenook op Europees niveau, bijvoorbeeld via het hiervoor genoemde AP-CIC.In de reeds genoemde zaak jegens Mustafa A. werd veel door OSINT-onderzoek verkregen informatie als bewijsmateriaal gepresenteerd. Derechtbank Den Haag accepteerde dit als bewijs en verdachte werd ondermeer op basis van dit OSINT-bewijs veroordeeld. Daarnaast heeft in 2024een zogenoemde Hackathon plaatsgevonden, uitgevoerd door het TeamInternationale Misdrijven in nauwe samenwerking met onder andereEuropol, waarbij uiteindelijk succesvol een aantal vermiste Oekraïensekinderen zijn gelokaliseerd in de Russische Federatie en Belarus.10 Hierbijis gebruik gemaakt van verschillende digitale opsporingsmethoden.Wegens dit succes is er ook in 2025 een Hackathon georganiseerd, ditmaalmet als doel om voormalige functionarissen van het Assad-regime telokaliseren die verdacht worden van betrokkenheid bij internationalemisdrijven.Ook bij de IND kan in voorkomend geval, in aanvulling op dossieron-derzoek en gehoren, online-onderzoek een rol spelen. Verdergaandevormen van OSINT-activiteiten passen niet bij de opdracht en debevoegdheden van deze organisatie. Dit betekent dat naast eigenverklaringen van de betrokken persoon, rapporten van internationaleorganisaties, ambtsberichten, soms ook diepgaand online-onderzoekwordt gebruikt ter onderbouwing van een 1F-tegenwerping. Dit wordtalleen gedaan in de gevallen dat de zaak daar aanleiding toe geeft enwordt ook door de vreemdelingenrechter geaccepteerd.3.2 Juridische ontwikkelingen De opsporing en vervolging van internationale misdrijven is zeer complex:het bewijs van de strafbare feiten bevindt zich geregeld in het buitenland,er is specialistische kennis nodig voor het verkrijgen en analyseren van ditsoort bewijs en rechtshulp met deze landen waar de internationalemisdrijven hebben plaatsgevonden is niet altijd mogelijk. Vanwege dezecomplicerende factoren en de ernst van de internationale misdrijven,komt het steeds vaker voor dat de VN onderzoeksorganisaties instelt voor(onder andere) het verzamelen, analyseren, bewaren en verstrekken vanbewijsmateriaal van internationale misdrijven ten behoeve van opsporingen vervolging door staten of internationale gerechten. Deze worden veelalaangeduid als bewijsvergaringsmechanismen. Om de mogelijkheden totstrafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en dergelijke bewijsver-garingsmechanismen te verbeteren wordt op dit moment gewerkt aan eenwettelijke regeling. Uw kamer zal hier te zijner tijd verder over wordengeïnformeerd.Ook het eerder al genoemde Verdrag van Ljubljana-Den Haag is uiteraardeen belangrijke juridische ontwikkeling.Voor wat betreft belangrijke juridische ontwikkelingen in het vreemdelin-genrecht wordt onder meer verwezen naar de gevolgen van de hiervoorgenoemde uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 22 juli 2023,aangaande inreisverboden.3.3 Versterking ketensamenwerking Binnen de strafrechtketen wordt vanuit het Team Internationale Misdrijvenvan de politie en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie ingezetop een versterkte samenwerking met andere onderdelen van de politie en10Tijdens een Hackathon proberen verschillende specialisten in een kort tijdsbestek, middelsOSINT-onderzoek, een probleem te «hacken».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1326 het Openbaar Ministerie. Zo wordt met meer aandacht gekeken naar hetterrein van financieel-economische misdrijven, omdat bedrijven ofondernemers zich ook kunnen gedragen als facilitators van internationalemisdrijven en daarmee de internationale rechtsorde ondermijnen. Ookbestaat er samenhang en raakvlak tussen het aandachtsgebied Interna-tionale Misdrijven en het aandachtsgebied Contraterrorisme, Extremismeen Radicalisering (CTER). Nauwere samenwerking tussen deze aandachts-gebieden leidt tot een sterkere informatiepositie en succesvollereopsporing en vervolging, zoals ook de zaken tegen Hasna A. en Ayada K.tonen.Die samenhang tussen enerzijds CTER en anderzijds internationalemisdrijven is ook te zien in de vreemdelingenketen. Dit signaal wordtherkend bij de doelgroep nationale veiligheid waarbij ook sprake is van 1FVlv in combinatie met een strafrechtelijke veroordeling voor een terroris-tisch misdrijf gepleegd in o.a. het land van herkomst.3.4 Overige ontwikkelingen In de voorgaande Rapportagebrief Internationale Misdrijven is aandachtbesteed aan de inzet van het Openbaar Ministerie en de politie ten aanzienvan de positie van slachtoffers van internationale misdrijven in hetstrafproces.11 Inmiddels is een slachtofferprotocol ontwikkeld en is binnenhet Team internationale misdrijven van de politie een Victim Support Unit(VSU), specifiek gericht op slachtoffers van internationale misdrijven,operationeel. In het slachtofferprotocol, dat is opgesteld ten behoeve vanhet werk van het Team Internationale Misdrijven, staat beschreven welkespecifieke rechten slachtoffers van internationale misdrijven hebben enwaar rekening mee moet worden gehouden in strafrechtelijke onder-zoeken waarin deze slachtoffers een rol spelen. Het gaat dan bijvoorbeeldom het periodiek informeren van slachtoffers over de voortgang van een(vaak langdurig) strafrechtelijk onderzoek waarin zij een verklaring hebbenafgelegd. Een en ander wordt gecoördineerd en periodiek geëvalueerddoor medewerkers van de VSU.4. Uitdagingen en toekomstperspectief 4.1 Huidige uitdagingen Hoewel de opsporing en vervolging van internationale misdrijvencomplex en tijdrovend is, moet berechting plaatsvinden om recht te doenaan het leed dat veroorzaakt is bij de vele slachtoffers.Nederland hanteert over het algemeen het uitgangspunt dat opsporing envervolging van deze misdrijven zo veel mogelijk moet plaatsvinden in hetland waar deze misdrijven zijn gepleegd: hier bevindt zich het meestebewijsmateriaal en zijn de procesdeelnemers ingevoerd in de taal, cultuuren achtergronden van de gebeurtenissen. Echter, indien een verdachtezich op Nederlands grondgebied bevindt en niet kan worden uitgeleverdaan het land waar de misdrijven zijn gepleegd, kan worden gekeken ofopsporing en vervolging in Nederland opportuun is. Hierbij bestaanechter verschillende complicerende factoren voor het vervolgen vaninternationale misdrijven, zoals de gebrekkige mogelijkheden voor hetvergaren van bewijsmateriaal in diverse conflictgebieden. Zoals eerder indeze brief uiteen is gezet is daarom de afgelopen jaren het belang vanVN-bewijsvergaringsmechanismen toegenomen. Zo is er de afgelopenjaren in diverse strafzaken, onder meer in voornoemde zaak tegen HasnaA., gebruik gemaakt van bewijsmateriaal dat is vergaard door het United11Kamerstuk II, 2023–2024, 36 410 VI, nr. 106Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1327 Nations Investigative Team to Promote Accountability for CrimesCommitted by Da’esh/ISIL (UNITAD). In september 2024 is echter hetmandaat van UNITAD tot een einde gekomen. Het bewijsmateriaal datjarenlang door UNITAD is verzameld en geanalyseerd is daardoor nietlanger beschikbaar. Nederland spant zich samen met gelijkgezinde landenin om ervoor te zorgen dat het bewijsmateriaal weer beschikbaar wordtvoor nationale en internationale berechting.Indien bij het tegenwerpen van artikel 1F Vlv ook wordt aangenomen dater sprake is van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM bij terugkeernaar het land van herkomst, kan de DTenV de vreemdeling nietgedwongen uitzetten. In deze gevallen is de ketensamenwerking vangroot belang, zodat er geen sprake is van straffeloosheid, indien en voorzover er daar aanleiding toe is. Tegenover het aantal 1F-tegenwerpingenstaat echter een (veel) lager aantal strafrechtelijke onderzoeken, laat staanstrafrechtelijke uitspraken door een rechter. Dat komt onder meer omdatde veronderstelling dat artikel 1F Vlv van toepassing is niet bewezen hoeftte worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf.Daarnaast geldt dat veel 1F-zaken betrekking hebben op internationalemisdrijven die lange tijd geleden zijn gepleegd, waarbij in sommigegevallen nog geen sprake was van strafbaarstelling in Nederland.12Strafrechtelijke vervolging is in die gevallen dan ook niet mogelijk, terwijleen 1F-tegenwerping door de IND wel kan.Dat neemt niet weg dat de informatie die de IND heeft over de vreem-deling in veel gevallen van grote waarde kan zijn voor de opsporing envervolging van internationale misdrijven. Het Openbaar Ministerie kan –mits er sprake is van een verdachte, en dus een op bekende concretefeiten en omstandigheden gestoelde verdenking – IND-dossiers vorderenmet een machtiging van de rechter-commissaris. De informatie uitdergelijke dossiers kan het Openbaar Ministerie en de politie helpen omeen goed beeld te vormen van waar een verdachte op welk momentgeweest is, of waar diegene werkzaam is geweest, en in welke rol. Dit kanbelangrijke aanknopingspunten opleveren voor verder strafrechtelijkeonderzoek. Zonder concrete verdenking bestaat er momenteel echter geengrondslag voor deze informatiedeling. Het is van groot belang dat ditmogelijk wordt, ter verbetering van de informatiepositie van het OpenbaarMinisterie en de politie en gelet op positieve verdragsrechtelijke verplich-tingen. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd loopt er om die reden eenwetgevingstraject om te realiseren dat relevante informatie uit 1F-dossierszonder machtiging van de rechter-commissaris kunnen worden gedeeldmet het Openbaar Ministerie.4.2 Vooruitblik Nederland zal haar strijd tegen het voorkomen van straffeloosheid voorinternationale misdrijven voortzetten door de Nederlandse strafrecht- envreemdelingenketen daar waar nodig is in te zetten. Juist in de huidigetijd, waar er sprake is van vele conflicten wereldwijd, is een krachtigenationale aanpak van essentieel belang.Eén van de ontwikkelingen op het internationale podium, die het belangvan een sterke nationale aanpak onderstreept, is de val van het regimevan Bashar al-Assad in Syrië op 8 december 2024. Jarenlang zijn Syrischeburgers onderworpen geweest aan een schrikbewind, jihadistischegroeperingen oorlog. De val van het Assad-regime met zich dat getuigen,die eerder uit angst niet bereid waren om te getuigen tegen in Nederlandverblijvende verdachten van internationale misdrijven, nu wellicht wel12Zo zijn misdrijven tegen de menselijkheid pas sinds 2003 strafbaar gesteld in Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1328 hiertoe bereid zullen zijn. Een bijkomend obstakel is echter dat getuigen,die al hebben verklaard, kunnen terugkeren naar Syrië. Dit kan een effecthebben op het verloop van het strafproces. Een andere uitdaging betreftbewijsvergaring in Syrië. Bewijs van internationale misdrijven is door deval van het regime toegankelijker geworden, maar dient ook zorgvuldig engoed gecoördineerd verzameld te worden. Voor het succes van deNederlandse opsporing en vervolging van Syrische regime-aanhangers enIS-strijders is de effectiviteit van bewijs vergarende internationaleorganisaties van groot belang. De Nederlandse strafrechtketen zal zich inde aankomende jaren onder andere bezighouden met deze ontwikke-lingen.De val van het Assad-regime brengt ook ontwikkelingen voor de vreemde-lingenketen met zich mee. De verwachting is dat personen, die eerder deeluitmaakten van of steun gaven aan het Assad-regime, uit Syrië zullenvluchten, nu er een nieuwe regering is ingesteld. Er zal daarom dekomende jaren aandacht worden besteed aan de mogelijkheid dat dezepersonen een asielaanvraag zouden kunnen indienen in Nederland.Hierdoor kan de IM-keten op tijd ingrijpen. Ook hebben deze ontwikke-lingen gevolgen voor de mogelijkheden van zelfstandig vertrek vanSyrische vreemdelingen naar hun land van herkomst. Dit geldt ook voorSyriërs aan wie artikel 1F Vlv is tegengeworpen.DTenV kan ook deze doelgroep faciliteren in vertrek indien zij duurzaamwillen terugkeren naar Syrië. Daarnaast kan de inzet om over te gaan tothet beoordelen van aanvragen en het herbeoordelen van al afgegevenverblijfsvergunningen aan Syriërs zodra dat kan, eveneens gevolgenhebben voor een eerder aangenomen 3 EVRM beletsel in Syrische1F-zaken.Onder meer op deze wijze blijft Nederland zich sterk maken voor de strijdtegen straffeloosheid en voorkomt zij dat Nederland een veilige haven zalworden voor misdadigers van internationale misdrijven.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van WeelDe Minister van Asiel en Migratie,G. van den BrinkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1329 STRAFRECHTELIJKE CIJFERSStrafrechtelijke onderzoeken20242025In de onderzoeksfase35Onder de rechter– in eerste aanleg76– in hoger beroep23– in cassatie44Totaal1618 Uitleveringsprocedures20242025Onder de uitleveringsrechter– in eerste aanleg00– in cassatie00Onder de Minister van Justitie en Veiligheid (om tebeschikken)00Onder de civiele rechter– in eerste aanleg00– In hoger beroep00– in cassatie20Afgerond– uitgeleverd00– afgewezen02Totaal22 BIJLAGE 1:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 13210 VREEMDELINGRECHTELIJKE CIJFERS1F Vlv onderzoeken (IND)202420251F Vlv tegengengeworpen38381F Vlv niet tegengeworpen11264Totaal150102 1F Vlv dossiers (DT&V)202420251F Vlv dossiers met artikel 3 EVRM beletsel79691F Vlv dossiers zonder artikel 3 EVRM beletsel3260Totaal111129 Uitstroom 1F Vlv vreemdelingen (DT&V)20242025Gedwongen vertrek11Zelfstandig vertrek– zelfstandig vertrek met toezicht411– zelfstandig vertrek zonder toezicht2017Totaal2529 BIJLAGE 2:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 13211
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.