KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

29 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 12ed496940b32e4d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 924Wijziging van de Wet op het financieel toezicht,Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wethandhaving consumentenbescherming en deOvergangswet nieuw Burgerlijk Wetboek terimplementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225inzake kredietovereenkomsten voorconsumenten (Implementatiewet herzienerichtlijn consumentenkrediet)Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 29 juni 2026 InleidingDe regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor deaandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken, deprioriteit die zij hieraan geeft en voor de door haar daarover gesteldevragen. De vragen worden, mede namens de Staatssecretaris van Justitieen Veiligheid, beantwoord in de exacte volgorde van het door decommissie uitgebrachte verslag.InleidingDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van hetwetsvoorstel herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en deKamerbrief over de bescherming van de consument bij achteraf betalen.Deze leden onderschrijven het belang van een duidelijk beschermings-kader bij krediet, in het bijzonder bij «koop nu, betaal later»-diensten voorconsumenten. Deze leden hebben nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumenten-krediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van goede consu-mentenbescherming en verantwoord kredietgebruik, zeker nu nieuwebetaalvormen zoals «koop nu, betaal later»-diensten en digitale krediet-producten steeds meer onderdeel uitmaken van het dagelijks betalings-verkeer. Tegelijkertijd achten de leden van de VVD-fractie het van belangdat regelgeving proportioneel en uitvoerbaar blijft, met ruimte voorinnovatie en oog voor een goed functionerend Europees speelveld. Dezeleden hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen. kst-36924-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 81 De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelter implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelter implementatie van de CCDII-richtlijn. Deze leden achten het positief datstappen worden gezet om de regelgeving rondom consumentenkrediet temoderniseren en beter aan te laten sluiten op de huidige praktijk, waarinnieuwe kredietvormen en online aanbieders een steeds grotere rol spelen.Tegelijkertijd constateren deze leden dat de implementatie lang op zichheeft laten wachten, terwijl de problematiek van schulden en overkredi-tering de afgelopen jaren juist verder is toegenomen.Daarnaast signaleren de leden van de CDA-fractie dat het voorliggendewetsvoorstel nog verschillende lacunes bevat. Daardoor rijst bij dezeleden de vraag of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn omburgers daadwerkelijk en volledig te beschermen tegen problematischeschulden. Die zorg geldt in het bijzonder voor kwetsbare huishoudens enjongeren, voor wie de verleiding van «kopen op de pof» groot is, terwijlde financiële en maatschappelijke gevolgen van schulden vaak nog veelgroter blijken. Juist in een tijd waarin kredietverlening steeds toeganke-lijker, sneller en minder zichtbaar wordt aangeboden, achten deze ledeneen stevige bescherming van consumenten van groot belang.Onderstaande inbreng behandelt, aan de hand van de indeling van dememorie van toelichting, de verschillende vragen die de leden van deCDA-fractie aan de regering hebben over het voorliggende wetsvoorstel.De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumenten-krediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van consumenten-bescherming en het voorkomen van problematische schulden. Tegelij-kertijd achten deze leden het van belang dat de implementatieproportioneel, uitvoerbaar en voorspelbaar blijft voor aanbieders enconsumenten. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.Deze leden achten het van het groot belang dat diensten als «koop nu,betaal later» gereguleerd worden om (jonge) consumenten te beschermentegen overkreditering en schuldgewenning. Deze leden hebben kennisge-nomen van de memorie van toelichting en zijn van mening dat deze inhaar huidige vorm ongestructureerd is en onvoldoende inzicht biedt in degemaakte keuzes en de onderliggende afwegingen, bijvoorbeeld rond deinhoud en gevolgen van de kredietwaardigheidstoetsing en reikwijdte vanhet wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.Algemeen1. Inleiding De leden van de CDA-fractie constateren dat de oorspronkelijke imple-mentatietermijn van 20 november 2025 inmiddels ruimschoots isoverschreden. Deze leden zijn van mening dat dit onwenselijk is, temeerdaar het hier gaat om regelgeving die direct bijdraagt aan beterebescherming van consumenten en het voorkomen van problematischeschulden. Deze leden benadrukken dat nu maximale inspanning vereist isom verdere vertraging te voorkomen en te waarborgen dat de regelsuiterlijk op 20 november 2026 daadwerkelijk in werking treden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 82 Hoewel deze leden constateren dat er inmiddels voortgang wordtgeboekt, stellen deze leden vast dat de regering eerder onvoldoendevoortvarend heeft gehandeld. Herhaalde oproepen van de leden van deCDA-fractie, zowel via schriftelijke vragen als tijdens debatten, om hetimplementatietraject te versnellen, hebben niet geleid tot het gewensteresultaat. Dit roept bij deze leden vragen op over de prioritering en sturingbinnen de regering.In de beantwoording van schriftelijke vragen uit oktober 2024 gaf deregering nog aan dat het wetsvoorstel in het najaar van 2025 naar deKamer zou worden gestuurd. Deze planning is echter niet gehaald. In deKamerbrief van 2 april 2026 wordt de vertraging verklaard door te wijzenop de omvang en complexiteit van de implementatie van de CCDII. Dezeverklaring voelt te algemeen voor de leden van de CDA-fractie. Deze ledenvragen of de regering concreet kan uiteenzetten wat de belangrijksteoorzaken zijn van de opgelopen vertraging in het implementatietraject.Ook vragen deze leden waarom het niet is gelukt om dit traject teversnellen ondanks de breed erkende noodzaak en het brede politiekedraagvlak voor het voorliggende wetsvoorstel.Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces, dat gemiddeld tenminste twee jaar in beslag neemt en waarin veel partijen een rol hebben.Dit brengt met zich mee brengt dat het tijdig implementeren vanrichtlijnen per definitie heel uitdagend is. Dit geldt des te meer als ersprake is van technisch complexe wet- en regelgeving. De regering enbeide Kamers der Staten-Generaal zijn betrokken als wetgever maar ookdiverse adviescolleges zoals de Raad van State en het Adviescollegetoetsing regeldruk hebben een belangrijke rol. De Autoriteit FinanciëleMarkten (AFM), Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Raad voor deRechtspraak (RvdR) hebben uitvoeringstoetsen dan wel wetgevingsad-viezen uitgebracht. Deze adviezen zijn zorgvuldig beoordeeld en verwerkt.De Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: deimplementatiewet) is op 10 november 2025 aanhangig gemaakt bij deRaad van State. Het advies van de Raad van State is ontvangen op28 januari 2026. In de twee maanden die daarop volgden is het naderrapport opgemaakt en is de laatste hand gelegd aan de implementatiewet.Gedurende het proces is er veelvuldig contact geweest met belangheb-benden als marktpartijen, Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) entoezichthouders.Naast het uitdagende proces, hebben andere factoren ervoor gezorgd datde implementatiewet niet eerder aan de Tweede Kamer kon wordengestuurd. Allereerst de 23 lidstaatopties die per stuk zorgvuldig zijngeanalyseerd, beoordeeld, en waar nodig besproken met belangheb-benden om een goed beeld te krijgen van de impact en gevolgen.Daarnaast is bekeken welke ruimte er is om buiten deze lidstaatoptiesregelgeving in te voeren en te handhaven. Zo is onder meer een nadereanalyse uitgevoerd naar de mogelijkheden van aanvullende reguleringvan «koop nu, betaal later»-diensten, naar aanleiding van het politiekedraagvlak voor strengere regels. De wensen van de Kamer zijn waaruitvoerbaar verwerkt in de implementatiewet. Ook dit bracht uitdagingenmet zich mee, bijvoorbeeld waar het de afbakening betrof van overeen-komsten van krediet in de vorm van uitgestelde betaling. Een nadereuiteenzetting over aanvullende regulering is gedaan in de brief diegelijktijdig met de implementatiewet is verzonden aan de Kamer op 2 april2026. Een ander complicerende factor is de samenhang met hetWetsvoorstel stelsel kredietregistratie.11Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, te raadplegen via: https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025409.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 83 Er is in de voorbereiding van de implementatiewet contact geweest metandere lidstaten over de keuzes die nationaal gemaakt werden, onderandere via implementatieworkshops. In die fase waren andere lidstatenminder ver in het implementatieproces waardoor tijdens het schrijfprocesnog geen gebruik kon worden gemaakt van de keuzes en ervaring vanandere lidstaten. Enkele andere lidstaten hebben ook de implementatie-datum van 20 november 2025 niet gehaald. Zo heeft Duitsland deimplementatie in mei 2026 afgerond en is in België het wetsvoorstel inmei 2026 naar het parlement gestuurd en het wetgevingsproces ook noggaande.Deze vertraging leidt er tevens toe dat de parlementaire behandelingonder toenemende tijdsdruk komt te staan, zo merken de leden van deCDA-fractie op. Daarnaast betekent dit dat marktpartijen de implementatievan de richtlijn binnen een zeer korte termijn moeten realiseren. In datlicht vragen deze leden of het implementatierisico voldoende in beeld isgebracht. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten welkerisico’s het voorziet voor zowel de uitvoerbaarheid voor marktpartijen alsde handhaafbaarheid door toezichthouders bij een dergelijke verkorteimplementatieperiode. Ook willen deze leden weten in hoeverre deregering partijen die nu onder tijdsdruk moeten gaan handelen gaatondersteunen.Gedurende (de voorbereiding van) het wetgevingstraject is veelvuldigcontact geweest met marktpartijen om hen op de hoogte te houden vanhet proces. De financiële sector kon reeds aan de slag met de implemen-tatie van de richtlijn na publicatie daarvan, maar heeft weinig voorberei-dingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee samenhan-gende verplichtingen. Na inwerkingtreding van de nieuwe regels is deAFM bevoegd om handhavend optreden. Waar het gaat om het aanvragenvan een vergunning of registratie kan deze voorafgaand aan de inwerking-treding worden aangevraagd. De richtlijn biedt geen ruimte voor eenalternatieve inwerkingtredingsdatum. De regering heeft wel ruimte gezienvoor een uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaartenmet uitgestelde debitering. Deze ondernemingen kunnen zich zodoendebeter voorbereiden op de nieuwe regels. Die uitgestelde termijn isopgenomen in de implementatiewet.De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de korte implementatie-termijn van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de richtlijn uiterlijk op20 november 2026 moet zijn geïmplementeerd. Tegelijkertijd constaterendeze leden dat de regering het wetsvoorstel pas laat bij de Kamer heeftingediend, waardoor de feitelijke voorbereidingstijd voor aanbieders,toezichthouders en uitvoerende partijen aanzienlijk korter wordt danoorspronkelijk door de Europese Commissie lijkt te zijn beoogd. Dezeleden vragen de regering hoe zij haar eigen handelen als wetgeverbeoordeelt in het licht van een zorgvuldige implementatie. Acht deregering het redelijk dat ondernemers, aanbieders en consumentenmogelijk de gevolgen dragen van een krap tijdpad dat mede door hettempo van de wetgever is ontstaan?Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces dat gemiddeld twee jaarin beslag neemt en waarin meerdere partijen een rol hebben. Decomplexiteit van het traject heeft ervoor gezorgd dat het traject langerheeft geduurd, onder andere door onderzoek naar en weging van de23 lidstaatopties en aanvullende nationale regulering van «koop nu, betaallater»-diensten. In de voorbereiding van de implementatiewet isveelvuldig contact geweest met marktpartijen, het BKR en toezicht-houders. De financiële sector kon reeds aan de slag met de implementatievan de richtlijn na publicatie daarvan, maar heeft weinig voorberei-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 84 dingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee samenhan-gende verplichtingen. Waar het gaat om het aanvragen van eenvergunning of registratie kan deze voorafgaand aan de inwerkingtredingworden aangevraagd. Hoewel het onwenselijk is dat de sector enconsumenten nu geconfronteerd worden met een krap tijdspad, is het nietmogelijk om af te wijken van de datum voor toepassing van de richtlijn.De regering heeft wel ruimte gezien voor een uitgestelde implementatie-termijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, zodat zijlanger de tijd krijgen om zich voor te bereiden. Die uitgestelde termijn isopgenomen in de implementatiewet.De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de regering zietom een zorgvuldige overgang naar het nieuwe regime te faciliteren. Is deregering bereid om te voorzien in een overgangstermijn, transitieperiodeof tijdelijke terughoudendheid in de handhaving na de invoeringsdatum?Kan de regering daarbij ook ingaan op de mogelijkheid om het uitstel vanzes maanden dat geldt voor aanbieders van kaarten met uitgesteldedebitering breder van toepassing te verklaren op andere aanbieders dieaantoonbaar tijdig stappen zetten om aan de nieuwe regels te voldoen?De richtlijn biedt geen ruimte om af te wijken van de datum voortoepassing van de richtlijn. Waar de regering wel ruimte heeft gezien enook noodzakelijk heeft geacht is de uitgestelde implementatietermijn vooraanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, zoals opgenomen inde implementatiewet. Het is voorts niet mogelijk en niet doenlijk om eenregel of set regels later voor te schrijven voor welwillende aanbieders.Waar het gaat om handhaving is het aan de AFM om te beoordelen of zijvanaf inwerkingtreding handhaaft en met welk handhavingsinstrument.Daarbij kan zij de omstandigheden betrekken en tevens kan zij in overlegtreden met marktpartijen.2. Inhoud richtlijn De leden van de VVD-fractie lezen dat de memorie van toelichtingbeschrijft dat «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgesteldedebitering onder het toepassingsbereik van de wet worden gebrachtomdat zij vergelijkbare risico’s voor consumenten zouden kennen. Daarbijwordt gewezen op het risico van overkreditering en impulsief koopgedrag.Welke concrete empirische gegevens tonen aan dat kaarten met uitge-stelde debitering vergelijkbare risico’s opleveren als «koop nu, betaallater»-diensten, en waarom rechtvaardigt dit een gelijke intensiteit watbetreft regulering?De aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering hebben toegelichtdat er zich weinig betalingsproblemen voordoen met deze kaarten. Dezekaarten worden echter niet gereguleerd vanwege bestaande betalingspro-blemen, maar om consumenten met een kaart met uitgestelde debiteringdezelfde manier bescherming te bieden als consumenten van anderesoorten consumptief krediet. Ook wordt voorkomen dat aanbieders van«koop nu, betaal later»-diensten de regels kunnen ontwijken door hetuitbrengen van een dergelijke kaart.De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering stelt dat regulering van«koop nu, betaal later»-diensten kan leiden tot hogere kosten en mogelijkeen beperkter aanbod, maar acht dit aanvaardbaar gelet op de versterkingvan consumentenbescherming. Daarbij wordt erkend dat kortlopendekredietvormen ook kunnen bijdragen aan budgetbeheer. Hoe weegt deregering het risico dat huishoudens met een smalle beurs door dezeregulering juist minder toegang krijgen tot tijdelijk betalingsgemak enwelke mitigerende maatregelen worden overwogen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 85 Aan het samenstel van regels ligt een weging ten grondslag tussenbescherming van de consument enerzijds en toegang van de consumenttot krediet en proportionaliteit voor de sector en de consument anderzijds.Zolang een consument een (kortlopend) krediet kan dragen, kan hij of zijdat krediet ook krijgen. Wel vindt de regering het van belang omoverkreditering en schuldgewenning tegen te gaan.Op de meeste punten schrijft de richtlijn dwingend regels voor en is deregering dus verplicht deze te implementeren. Zo schrijft de richtlijn ondermeer voor dat een kredietwaardigheidsbeoordeling dient te wordenuitgevoerd, die proportioneel mag zijn. Op welke wijze deze wordtuitgevoerd, wordt nader uitgewerkt door aanbieders van krediet enbinnen de leennormen van de Vereniging van Financieringsonderne-mingen in Nederland (VFN) voor de aanbieders die daarbij zijn aange-sloten. De regering heeft binnen de richtlijn ruimte gezien om voor kleinekredieten slechts een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling voor teschrijven, zonder verplichte verificatie van bijvoorbeeld inkomsten. Dit isonderdeel van het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumenten-krediet (hierna: het implementatiebesluit) dat recent aan uw Kamer isaangeboden in het kader van een voorhangprocedure.De leden van de VVD-fractie constateren dat meerdere Europese lidstatengebruikmaken van de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debiteringuit te zonderen van de richtlijn. Nederland kiest ervoor deze producten welonder het toepassingsbereik te brengen. Kan de regering toelichtenwaarom voor deze strengere implementatie is gekozen? Welke gevolgenverwacht de regering hiervan voor de concurrentiepositie van Neder-landse aanbieders en de werking van de Europese interne markt? Hoeweegt de regering daarbij het feit mee dat producten met uitgesteldedebitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek kennen?Een lidstaatoptie in een Europese richtlijn of verordening heeft altijd eenrisico op fragmentatie tot gevolg. Het is denkbaar dat Nederlandseaanbieders worden geconfronteerd met zwaardere lasten dan aanbiedersvan deze kaarten in andere lidstaten, ervan uitgaande dat Nederland eengrotere afzetmarkt is voor Nederlandse aanbieders in vergelijking metdeze buitenlandse aanbieders en daarmee een groter aandeel van dedienstverlening wordt gereguleerd. Het gelijk speelveld tussen Neder-landse en buitenlandse aanbieders wordt echter zoveel mogelijkbehouden. Het is niet mogelijk voor aanbieders uit een andere lidstaat,zonder vergunning in Nederland krediet aan te bieden. Daarvoor zal deaanbieder eerst een vergunning van de AFM moeten krijgen of in het bezitmoeten zijn van een vergunning in een andere lidstaat op grond waarvanhet toegestaan is (grensoverschrijdend) krediet aan te bieden inNederland, bijvoorbeeld een bankvergunning in een andere lidstaat. Heefteen aanbieder in de lidstaat van herkomst wel een vergunning, dangelden in beginsel op grond van artikel 4:1 Wft de kredietregels uit de Wetop het financieel toezicht (Wft) en is de AFM bevoegd om op toezicht tehouden op naleving van deze regels. Dit waarborgt een gelijk speelveldtussen Nederlandse en buitenlandse aanbieders.Als kaarten met uitgestelde debitering niet worden gereguleerd, dan kaner sprake zijn van onvoldoende en ongelijkwaardige consumentenbe-scherming. Bij zowel «koop nu, betaal later»-diensten, als bij kaarten metuitgestelde debitering is immers sprake van kopen op afbetaling. Deregering heeft ervoor gekozen om beide dan ook gelijkwaardig tereguleren. Deze kaarten niet reguleren zou leiden tot een ongelijkspeelveld tussen verschillende aanbieders van consumptief krediet. Eenuitzondering voor kaarten met uitgestelde debitering kan ook betekenendat regulering ontweken wordt, indien aanbieders van bijvoorbeeld «koopnu, betaal later»-diensten een kaart met uitgestelde debitering uitbrengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 86 Deze kaart met «koop nu, betaal later»-functionaliteit zou dan niet onderde kredietregels vallen. Dat vindt de regering niet wenselijk. Van éénbestaande aanbieder van «koop nu, betaal later»-krediet is reeds bekenddat deze een dergelijke kaart heeft uitgebracht. Hoewel het dus juist is datkaarten met uitgestelde debitering historisch gezien beperkte betalings-problematiek kennen, heeft de regering, mede gezien dit risico vanontwijking van regulering de afweging gemaakt om kaarten met uitge-stelde debitering niet uit te zonderen. Om de lastendruk te beperken,worden in lagere regelgeving (het Besluit kredietvergoeding) wijzigingenvoorgesteld die het mogelijk moeten maken voor aanbieders om hunhuidige kostenmodel zoveel mogelijk in stand te houden.Creditcards en andere producten met uitgestelde debitering kennenmaandelijkse volledige aflossing zonder rente en zeer lage wanbetalings-percentages en verschillen daarmee wezenlijk van «koop nu, betaallater»-diensten, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Desondanksworden deze producten in de implementatie grotendeels gelijk behandeld.Acht de regering het proportioneel om producten met uitgesteldedebitering onder vrijwel hetzelfde regime te brengen als «koop nu, betaallater»-diensten en hoe wordt voorkomen dat goed functionerendebetaalmiddelen hierdoor minder toegankelijk worden?Net als «koop nu, betaal later»-diensten zijn creditcards en andereproducten met uitgestelde debitering een vorm van krediet. De regeringvindt het daarom proportioneel om deze kaarten te reguleren. Indien dezeproducten niet worden gereguleerd ontstaat een ongelijk speelveld tussenaanbieders van krediet. Daarnaast bestaat de verwachting, die inmiddelsal is gematerialiseerd, dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-dienstenkaarten met uitgestelde debitering gaan uitgeven, waardoor reguleringontweken wordt. In lagere regelgeving worden wijzigingen in de huidigekredietregels doorgevoerd, zodat aanbieders van kaarten met uitgesteldedebitering zoveel mogelijk hun bedrijfsmodel kunnen hanteren endaarmee het product betaalbaar en toegankelijk kunnen houden. Het gaatom onder meer de kosten die zij maandelijks in rekening mogen brengenvoor de kaart en de opname- en transactievergoeding. Daarnaast mogenkosten voor extra diensten die niet onder krediet vallen, zoals toegang totlobby’s op vliegvelden, ook in rekening worden gebracht. Voorts is tenaanzien van de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling een zekeremate van proportionaliteit mogelijk. De individuele aanbieder kan dieproportionaliteit invullen of daarin de nieuwe LeennormenmethodiekConsumptief Krediet van de Vereniging van Financieringsondernemingen(VFN) volgen, die op dit moment in ontwikkeling zijn. De regering heeftzich beperkt tot het stellen van enkele algemene kaders voor de krediet-waardigheidsbeoordeling. Er moet altijd een kredietwaardigheidsbeoor-deling worden uitgevoerd (conform de eisen van richtlijn). Daarbij israadpleging verplicht van het BKR op openstaande kredieten en achter-standen en van het Centraal curatele- en bewindregister (CCBR).Daarnaast is, in lijn met de richtlijn, opgenomen dat verificatie dient plaatste vinden van lasten en inkomen indien informatie daarover isopgevraagd in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat vrijweliedere betaal- of serviceoptie die leidt tot hogere conversie of omzet voorondernemers in zekere zin een financieel voordeel oplevert. Hoe voorkomtde regering dat daarmee een te brede interpretatie van het begrip«financiële beloning» ontstaat?Het begrip financiële beloning is van belang om te bepalen of er sprake isvan bemiddelen in krediet. Het aanbieden van andere betaal- of service-opties kan in zekere zin een financieel voordeel opleveren, maar dit is nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 87 relevant, zolang het gaat op betaal- of serviceopties die niet leiden tot hetaangaan van een kredietovereenkomst. «Koop nu, betaal later» alsbetaaloptie leidt tot een krediet, maar het aanbieden van bijvoorbeeld eenonline bankoverschrijving als betaaloptie niet.De leden van de VVD-fractie steunen het verbod op «koop nu, betaallater»-diensten voor minderjarigen en onderschrijven het belang vanleeftijdsverificatie. Deze leden vragen wel welke vormen van leeftijdsveri-ficatie volgens de regering als proportioneel en uitvoerbaar wordenbeschouwd. Hoe wordt voorkomen dat hierbij onnodig veel persoonsge-gevens worden verwerkt?Aanbieders van krediet verzamelen, afhankelijk van de omvang van dekredietwaardigheidsbeoordeling in mindere of meerdere mate persoons-gegevens. Leeftijdsverificatie is daarvan slechts een onderdeel. Marktpar-tijen zijn zelf verantwoordelijk voor naleving van Verordening(EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met deverwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer vandie gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG), zoals hetbeginsel van minimale gegevensverwerking: persoonsgegevens moetenop grond van artikel 5, lid 1, onderdeel c AVG toereikend zijn, ter zakedienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoorzij worden verwerkt. De implementatiewet schrijft de wijze van leeftijdsve-rificatie, bovenop de reeds geldende privacynormen, op dit moment nietnader voor, anders dan dat dit aan de hand van een betrouwbare brondient plaats te vinden, bijvoorbeeld een kopie paspoort of via eenkoppeling met een bank.De regering geeft aan dat aanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hetkiezen van een passende methode van leeftijdsverificatie en dat geenspecifieke methode wettelijk wordt voorgeschreven. Tegelijkertijd wordteen delegatiegrondslag opgenomen om later nadere eisen te stellen.Daarom vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen datverschillen in leeftijdsverificatiemethoden leiden tot rechtsongelijkheid ofhandhavingsproblemen en op welk moment de regering het noodzakelijkacht om gebruik te maken van de delegatiegrondslag.Het is aan de aanbieder om te kiezen met welke bron zij wenst te werken,mits deze betrouwbaar is. Dat kan bijvoorbeeld een kopie paspoort zijn ofeen koppeling met een bank. In het kader van handhaving worden geenproblemen verwacht, nu aanbieders over beleid moeten beschikken terverificatie van de leeftijd van de consument en moeten kunnen aantonendat zij leeftijdsverificatie hebben uitgevoerd. Er kan gebruik wordengemaakt van de delegatiegrondslag indien blijkt dat vanuit Europese ofnationale wetgeving specifieke sectoroverstijgende eisen worden gestelddie ook op deze doelgroep van toepassing verklaard zouden moetenworden. Er wordt nu geen aanleiding gezien om gebruik te maken vandeze grondslag, vanuit het beschermingskarakter van de AVG en hetkarakter van de overeenkomst waarbinnen reeds persoonsgegevensworden verwerkt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling enhet «ken uw klant»-proces.Voor andere vormen van consumptief krediet blijft het mogelijk datminderjarigen, met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger ensoms de kantonrechter, krediet aangaan. De regering stelt dat hiervoorgeen aanleiding bestaat voor een totaalverbod. Hoe beoordeelt deregering het risico dat minderjarigen via deze route alsnog schuldenopbouwen en acht de regering het huidige civielrechtelijke beschermings-kader hiervoor voldoende robuust?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 88 Met de implementatiewet wordt geregeld dat krediet in de vorm vanuitstel van betaling nooit zelfstandig door minderjarige consumenten kanworden aangegaan (de voorgestelde artikelen 3:34b Wft en artikel 7:75BW). De regering vindt het niet nodig om een om een totaalverbod voorregulier krediet voor minderjarigen in te voeren. Er zijn immers redenendenkbaar op grond waarvan het voor (ondernemende) minderjarigennuttig en bovendien leerzaam kan zijn om een regulier krediet af tesluiten. De noodzaak en aanleiding voor een verbod om elke vorm vankrediet aan minderjarigen aan te bieden ontbreken op dit moment. In depraktijk hebben zich voor de komst van nieuwe vormen van uitgesteldebetaling geen problemen voorgedaan en is ook niet bekend dat minderja-rigen hierdoor schulden opbouwen. Handelingsbekwaamheid is een vande kernbeginselen van het civiele recht. Het is dan ook voldoende robuustvoor het aangaan van regulier krediet. Jongeren zijn en blijven hierbijbeschermd, want voor het aangaan van deze kredietovereenkomsten zalaltijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger van dejongere en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijkbevestigende handeling vereisen. De rechtshandeling is vernietigbaarwanneer die wordt aangegaan door een handelingsonbekwaam persoon.De leden van de VVD-fractie lezen dat uitsluitend «onder toezicht staandeinstellingen» toegang mogen hebben tot databanken zoals het BKR. Hoevoorkomt de regering dat nieuwe kredietaanbieders of buitenlandsepartijen buiten effectief Nederlands toezicht toch toegang verkrijgen totdeze gevoelige consumentengegevens?Artikel 19, eerste lid, van de richtlijn schrijft voor dat elke lidstaat ervoorzorgt dat kredietgevers uit andere lidstaten toegang hebben tot dedatabanken die in de betrokken lidstaat worden gebruikt om de krediet-waardigheid van consumenten te beoordelen. De voorwaarden voortoegang tot dergelijke databanken mogen daarnaast op grond van dit lidniet discriminerend zijn. Vanuit het beginsel van de interne markt is hetniet mogelijk om toegang te beperken voor buitenlandse aanbieders.Uiteraard moeten deze partijen wel onder toezicht staan van een nationalebevoegde autoriteit, dus een toezichthouder in een andere lidstaat.De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn en het wetsvoorstel eenuitgebreidere kredietwaardigheidsbeoordeling voorschrijven, waarbij deproportionaliteit wordt gekoppeld aan aard, duur, waarde en risico’s vanhet krediet. Tegelijkertijd blijft sprake van een open norm. Hoe wordt in depraktijk geborgd dat kredietaanbieders de proportionaliteitstoets op eenuniforme en voorspelbare wijze toepassen zodat rechtszekerheid voorzowel aanbieders als consumenten ontstaat?De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordelingvoor. Daarmee zal de beoordeling in de Europese Unie per definitie nietuniform worden uitgevoerd. De huidige Nederlandse praktijk is dataanbieders zich conformeren aan de Leennormenmethodiek ConsumptiefKrediet van de VFN. Deze methodiek wordt jaarlijks geactualiseerd, onderandere op basis van cijfers van het Nationaal Instituut voor Budgetvoor-lichting (Nibud). De VFN werkt op dit moment aan nieuwe leennormen,onder de nieuwe regels, in samenspraak met de sector, de AFM en hetMinisterie van Financiën. Dit zal de proportionaliteit inkleuren en daarmeeduidelijkheid bieden aan aanbieders over de omvang van de uit te voerenkredietwaardigheidsbeoordeling. Het staat aanbieders vrij om zich niet teconformeren aan deze leennormen en een eigen beleid hierop te voeren.De AFM ziet ook dan uiteraard toe op het naleven van de verplichting tothet uitvoeren van een passende kredietwaardigheidsbeoordeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 89 De leden van de VVD-fractie lezen dat wordt erkend dat kredietwaardig-heidsbeoordelingen kunnen leiden tot extra administratieve lasten voorconsumenten, bijvoorbeeld door het aanleveren van financiële gegevens.Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit het doenvermogen niet wezenlijkaantast. Waarop baseert de regering de aanname dat het doenvermogenvan consumenten hierdoor niet significant wordt belast, met name bijlaagdrempelige en kortlopende kredietvormen?Het is juist dat consumenten vaker, bijvoorbeeld bij «koop nu, betaallater»-krediet en kaarten met uitgestelde debitering, een kredietwaardig-heidsbeoordeling krijgen. Die kredietwaardigheidsbeoordeling is zwaardernaar gelang de risico’s groter zijn voor de consument en waarbij dusinformatie zal moeten worden opgevraagd. Daarvoor zullen consumenten– in hun eigen belang – inspanningen moeten verrichten door hetaanleveren van financiële gegevens. Dit gaat om dezelfde inspanningenvoor een kredietwaardigheidsbeoordeling als bij andere, reeds geregu-leerde vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat consumenten degevraagde handelingen onvoldoende begrijpen of niet kunnen uitvoeren.Daarom is het niet de verwachting dat het doenvermogen van deconsument significant zal worden belast. Dit onderwerp is ook aangestiptop blz. 23 van de memorie van toelichting.Hoewel het wetsvoorstel expliciet spreekt over een proportionelekredietwaardigheidsbeoordeling, signaleren marktpartijen dat in depraktijk alsnog wordt uitgegaan van het verplicht verzamelen en mogelijkverifiëren van inkomens- en uitgavengegevens bij alle transacties,ongeacht bedrag of risico. De leden van de VVD-fractie vragen hoe deregering borgt dat kredietverstrekkers daadwerkelijk ruimte krijgen om dekredietwaardigheidsbeoordeling proportioneel in te richten, en nietverplicht worden tot een uniforme en zware toets bij laag-bedrag enlaag-risico kredieten?De eisen aan de kredietwaardigheidsbeoordeling worden niet bij ofkrachtens wet voorgeschreven, behalve de minimumverplichting dat inalle gevallen het BKR geraadpleegd dient te worden en de grens van€ 100 waaronder een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling volstaat.Beide elementen zijn onderdeel van het implementatiebesluit. Deproportionaliteit is verder aan de aanbieder om toe te passen, daardoorgesteund door de richtlijn. Daarnaast wordt die proportionaliteit op ditmoment nader uitgewerkt in nieuwe Leennormenmethodiek ConsumptiefKrediet van de VFN, specifiek voor kleine kredieten. Waar informatie wordtopgevraagd dient deze geverifieerd te worden, zo is verduidelijkt in hetimplementatiebesluit.De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat perverse prikkels bijkredietverlening moeten worden voorkomen, maar vragen de regeringhoe wordt gewaarborgd dat nieuwe regels over beloningsbeleid nietleiden tot onnodige administratieve lasten of beperking van gezondecommerciële prikkels binnen de sector.De regels omtrent het beloningsbeleid volgen uit artikel 32 van derichtlijn. Een voorbeeld is dat het beloningsbeleid in overeenstemmingmoet zijn met en bijdraagt aan de risicobeheerstrategie van de aanbiederen maatregelen omvat ter voorkoming van belangenconflicten, door metname te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of hetpercentage aanvaarde kredietaanvragen. Lidstaten hebben geen ruimteom af te wijken van de normen uit deze bepaling. De richtlijn spreekt van«beginselen» en vereist ook dat aanbieders deze beginselen naleven.Aanbieders gaan zelf over het beloningsbeleid en moeten zelf risico’sinschatten op onder andere langetermijnbelangen en belangenverstren-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 810 geling. Dat zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van hetgeval, zoals de diensten die de aanbieder verleent. Omdat de eisen volgenuit de richtlijn heeft de regering geen invloed op deze regels en eventueleadministratieve lasten die gepaard gaan met de naleving hiervan. Deaanbieder heeft voorts zelf in de hand hoe het beleid wordt vormgegeven,mits daarbij de genoemde beginselen worden nageleefd.De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het principe van maximumhar-monisatie voordelen oplevert voor de uniformering van de interne markt.Echter constateren deze leden ook dat onder andere België en Spanjeadditionele maatregelen nemen bovenop de CCDII. Deze leden vragen hoede regering deze ontwikkelingen duidt in het licht van het uitgangspuntvan maximumharmonisatie. Daarnaast vragen deze leden welke juridischeruimte de CCDII biedt om, bovenop de bestaande lidstaatopties, aanvul-lende nationale maatregelen te treffen. Deze leden vragen of de regeringdeze juridische ruimte inzichtelijk kan maken. Ten slotte vragen deze ledenop dit punt hoe beoordeeld wordt of afwijkingen binnen deproportionaliteits- en harmonisatiekaders van het Unierecht blijven, metname omdat de wet op onderdelen werkt met open normenkaderswaardoor interpretatieruimte ontstaat.De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie, maar bevattegelijkertijd 23 lidstaatopties en diverse open normen of onbepaaldebegrippen. Dit is een keuze geweest in het Europese wetgevingsproces.Het risico is dat dit divergentie in de hand werkt, ofwel in het toezicht,ofwel in regelgeving. Bevordering van de interne markt is een van dehoofddoelen van de richtlijn, maar vervolmaking van de interne krediet-markt onder volledig dezelfde spelregels zal hierdoor mogelijk moeilijkblijken. Voor de ruimte die de richtlijn biedt voor aanvullende nationalemaatregelen wordt verwezen naar de Kamerbrief van 2 april 2026.2 Overhet algemeen geldt dat de regering bij de omzetting van de richtlijn ookde richtlijntekst volgt. Hier en daar is echter een vertaalslag nodig naar deNederlandse situatie of is nadere invulling noodzakelijk. Voor de krediet-waardigheidsbeoordeling heeft de regering zich beperkt tot het stellen vanenkele algemene kaders. Er moet altijd een kredietwaardigheidsbeoor-deling worden uitgevoerd (conform de richtlijn), raadpleging is verplichtvan het BKR op lopende kredieten en langdurige achterstanden (inovereenstemming met artikel 18, elfde lid, van de richtlijn) en raadplegingis verplicht van het CCBR (in overeenstemming met civielrechtelijkbeginsel van handelingsbekwaamheid). Daarnaast is de proportionaliteitnader ingevuld door een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling voorte schrijven voor kredieten tot € 100,–.De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de samenloopmet aanbieders uit andere Europese lidstaten die weliswaar onder deCCDII vallen, maar gebruikmaken van andere lidstaatopties, bijvoorbeelddoordat zij geen verbod op BNPL voor minderjarigen hanteren. Dezeleden maken zich zorgen dat strengere Nederlandse regelgeving op dezewijze in de praktijk kan worden omzeild doordat aanbieders vanuit eenandere lidstaat, met een vergunning uit dat land, alsnog actief dienstenaanbieden aan Nederlandse consumenten.Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe het bijvoorbeeldwerkt als een 16-jarige online een spijkerbroek door middel van BNPLkoopt via een aanbieder uit respectievelijk Duitsland, België of Frankrijk.Ook vragen deze leden wat de gang van zaken is als een Nederlandse16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel een spijkerbroek koopt2Kamerstukken II, 2025–2026, 36 924, nr. 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 811 met BNPL. Deze leden vragen of dit valt onder het respectievelijkebuitenlandse regime of onder het Nederlandse regime.Voor aanbieders uit andere lidstaten geldt artikel 4:1 Wft. De gedrags-normen uit Deel 4 van de Wft zijn van toepassing op aanbieders waaraanhet ingevolge hoofdstuk 2.2 Wft is toegestaan in Nederland financiëlediensten te verlenen. Dit is bijvoorbeeld het geval als aanbieders uitandere lidstaten een vergunning hebben in die lidstaat waaronder hettoegestaan is krediet aan te bieden in Nederland of een verklaring vanondertoezichtstelling hebben van De Nederlandsche Bank (DNB). Heefteen aanbieder een vergunning in Nederland, dan gelden de gedrags-regels, waaronder leeftijdsverificatie bij het aangaan van een kredietover-eenkomst. Die gelden dus ook in de situatie van een vergunning in eenandere lidstaat of een verklaring van ondertoezichtstelling, bijvoorbeeldindien een aanbieder met een bankvergunning krediet aanbiedt inNederland en als zodanig staat geregistreerd. Ook dan gelden deNederlandse verplichtingen.Voor aanbieders uit andere lidstaten die niet over een vergunningbeschikken in een andere lidstaat, waaronder het toegestaan is krediet aante bieden in Nederland, of verklaring van ondertoezichtstelling van DNB,geldt in beginsel dat op een kredietovereenkomst met een in Nederlandwoonachtige consument Nederlands civiel recht van toepassing is, opgrond van artikel 6 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het EuropeesParlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat vantoepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Dat is zo inhet geval de aanbieder zich kort gezegd richt op de Nederlandse markt(artikel 6 Rome I).Ook op dit moment, nog voor inwerkingtreding van de Implementatiewetherziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de implementatiewet), isartikel 1:234 BW van toepassing, waaruit volgt dat een minderjarigeslechts handelingsbekwaam is als hij toestemming heeft van de wettelijkevertegenwoordiger, waarbij toestemming wordt geacht te zijn verleendvoor «maatschappelijk gebruikelijke» handelingen. Als hier geen sprakevan is, is de rechtshandeling vernietigbaar, ook als het krediet is aange-boden door een aanbieder uit een andere lidstaat.Voor de situatie waarin een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in eenfysieke winkel een spijkerbroek koopt met «koop nu, betaal later» geldt inbeginsel het recht van de EU-lidstaat in kwestie, inclusief de toezichtsrech-telijke (gedrags)normen. In dit kader is wel relevant of er al voorafgaandaan de aankoop in de lidstaat een kredietovereenkomst in Nederland isaangegaan, bijvoorbeeld met een limiet voor besteding met uitgesteldebetaling. In dat laatste geval zal eerder het Nederlandse recht vantoepassing zijn, dus artikel 1:234 BW.Over het algemeen geldt wel dat handelingsbekwaamheid een verge-lijkbare benadering kent in EU-lidstaten waarbij in beginsel de leeftijds-grens van 18 jaar geldt, met enkele uitzonderingen voor aankopen dievoor een minderjarige normaal worden geacht, zoals het kopen van eenijsje of een bioscoopkaartje.Daarnaast geldt dat uitgestelde betaling, onder het toepassingsbereik vande richtlijn is komen te vallen. Dat betekent dat het in alle nationalestelsels is geïmplementeerd. Daarmee is ook de kredietwaardigheidsbe-oordeling voor uitgesteld betalen in alle lidstaten verplicht gesteld, dieproportioneel dient te worden uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 812 Tot slot bevat de implementatiewet de mogelijkheid voor de AFM om inuiterste gevallen productinterventiebevoegdheden in te zetten endaarmee bijvoorbeeld een product of marktpraktijk ten aanzien vanconsumentenkrediet te beperken of verbieden.De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragsinzichten, zoalstoegelicht in de memorie van toelichting, ten grondslag liggen aan deaanscherping van de precontractuele informatie. Op welke wijze zijninzichten uit de gedragswetenschappen betrokken bij de vormgeving vandeze informatieverplichtingen.De aanscherping van de precontractuele informatieverplichtingen volgt uitde richtlijn. In een consumentenuitvraag in het kader van de evaluatie vande oude richtlijn (CCDI)3 kwam naar voren dat niet iedereen hetstandaardinformatieformulier nuttig vond. In uitvragen en gesprekken metstakeholders kwam daarnaast naar voren dat de lengte en complexiteitvan precontractuele informatie soms het daadwerkelijk begrijpen van deinhoud van de overeenkomst kan bemoeilijken.4 In de preambule van derichtlijn staat niet expliciet welke inzichten uit de gedragswetenschappenzijn betrokken bij de vormgeving van de informatieverplichtingen, maaruit de formulering blijkt wel wat belangrijk is bevonden. Dat is bijvoor-beeld dat consumenten alle essentiële informatie in één oogopslagmoeten kunnen zien, ook indien zij die op het scherm van een mobieletelefoon bekijken.5Daarnaast vragen deze leden welke onderdelen van het ESIC-formulier deregering aanmerkt als «noodzakelijke informatie» voor consumenten.Deze leden vragen of de regering dit concreet kan specificeren. Daarnaastvragen deze leden hoe deze informatieverplichting specifiek bijBNPL-aanbieders wordt geïmplementeerd. Deze leden vragen op welkewijze wordt gecontroleerd of BNPL-aanbieders daadwerkelijk voldoen aande informatie- en wachttijdvereisten en welke sancties er op niet-nalevingstaan.De verplichting om precontractuele informatie te verschaffen via hetEuropees standaardformulier inzake consumentenkrediet staatopgenomen in artikel 112 van het Besluit Gedragstoezicht financiëleondernemingen (BGfo). Het Europees standaardformulier inzakeconsumentenkrediet is een bijlage bij het BGfo, namelijk bijlage D. HetEuropees standaardformulier inzake consumentenkrediet wordt gewijzigdin het implementatiebesluit, dat recent aan uw Kamer is aangeboden inhet kader van een voorhangprocedure. De regering heeft bij hetvoorschrijven van deze standaardinformatie de richtlijn gevolgd. Op hetformulier staat duidelijk welke noodzakelijke informatie op de eerstepagina vermeld moet worden tijdens de precontractuele fase. Het gaat omde identiteit van de aanbieder van krediet en indien van toepassing deidentiteit van de kredietbemiddelaar. Daarnaast gaat het om het totalekredietbedrag, de duur van de kredietovereenkomst, de (verschillende)debetrentevoet(en), het jaarlijks kostenpercentage, het totaal door deconsument te betalen bedrag, indien van toepassing de naam van hetgoed/de dienst en de contante prijs daarvan en de kosten in geval van eenbetalingsachterstand.3Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzakekredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.4Europese Commissie, Evaluatie van Richtlijn 2008/48/EC inzake kredietovereenkomstenvoorconsumenten, 5 november 2020 (WD(2020)254), https://ec.Europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/1844-Evaluation-of-the-Consumer-Credit-Directive.nl, p. 32.5Overweging 33 van de preambule van de richtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 813 Daarnaast moet na de precontractuele fase in de kredietovereenkomst induidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie wordenopgenomen. In artikel 7:61 BW staat om welke informatie dit gaat. Hetgaat onder meer om de hiervoor genoemde informatie op het Europeesstandaardformulier inzake consumentenkrediet. Deze precontractueleinformatie dient ook door «koop nu, betaal later»-aanbieders verstrekt teworden via het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet.De AFM houdt hier toezicht op en op andere vereisten rondom hetaangaan van een kredietovereenkomst. De AFM kan op grond van artikel10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) eenbestuurlijke boete opleggen in de tweede categorie bij overtreding vanartikel 112 BGfo.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de gedragsregels uitCCDII interpreteert met betrekking tot beloningsbeleid. Deze leden vragenwelke vormen van variabele beloning, commerciële targets of provisies deregering verenigbaar acht met de verplichting om in het belang van deconsument te handelen en overkreditering te voorkomen. Breed geldt datveel van de gedragsregels relatief open normen zijn zoals «eerlijkhandelen», «voldoende toelichting», «passend» en «rekening houden metbelangen van consumenten». Daardoor krijgen toezichthouders enbeleidsmakers aanzienlijke interpretatieruimte. Deze leden vragenwaarom de regering van mening is dat dit passend is bij de voorliggendewetgeving.Hoewel de gedragsregels uit de richtlijn ten aanzien van de omgang metconsumenten relatief open normen betreffen, zijn de beloningsregels uitartikel 32 van de richtlijn voor een gedeelte specifieker. Zo wordtbijvoorbeeld voorgeschreven dat het beloningsbeleid in overeen-stemming is met en bijdraagt aan de risicobeheerstrategie van deaanbieder en maatregelen omvat ter voorkoming van belangenconflicten,door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van hetaantal of het percentage aanvaarde kredietaanvragen. Ook mogenaanbieders en bemiddelaars die adviseren de beloningsstructuur nietzodanig inrichten dat ze afdoet aan het vermogen van de betrokkenpersoneelsleden om in het belang van de consument te handelen. Debeloningsstructuur mag ook niet afhangen van het behalen van verkoop-doelen. De richtlijn spreekt daarnaast van «beginselen» en vereist ook dataanbieders deze beginselen naleven. Aanbieders gaan zelf over hetbeloningsbeleid en moeten zelf risico’s inschatten op o.a. langetermijnbe-langen en belangenverstrengeling. Dat zal immers afhankelijk zijn van deomstandigheden van het geval, zoals de diensten die de aanbiederverleent. Het is aan aanbieders en bemiddelaars om te beoordelen welkevormen van beloningen in lijn zijn met de voorgeschreven normen uit derichtlijn. Waar het gaat om provisies, gelden de provisieregels uitartikel 4:74 Wft en 155 BGfo.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan debepalingen in CCDII inzake financiële educatie en financiële geletterdheid.Deze leden vragen of de regering aanvullende nationale initiatievennoodzakelijk acht om consumenten, en in het bijzonder jongeren, beterbewust te maken van de risico’s van consumentenkrediet enBNPL-diensten. Ook vragen deze leden of hierbij bestaande en succesvolleinitiatieven, zoals de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid enSchuldenlabNL, actief worden betrokken.Zoals vermeld continueert de regering (in aanvulling op de implementa-tiewet) de maatregelen die zij heeft genomen ter ondersteuning van deeducatie van consumenten met betrekking tot het verantwoordelijk lenenvan geld en beheren van schulden. Dit doet zij onder meer via hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 814 platform Wijzer in geldzaken en de publieke campagnes en de lespak-ketten die in dat kader worden verstrekt. Zo is er tijdens de jaarlijkse Weekvan het geld structureel aandacht voor leren omgaan met geld. Tijdensgastlessen en bij gebruik van themapakketten worden docenten aange-moedigd om specifiek in te gaan op de risico’s van financiële producten,zoals achteraf betalen.Tot slot adresseren specifieke campagnes de gevolgen van risicogedragonder jongeren, zoals de campagne «Je geld de baas – Hoe voorkom jijeen Betaal Later Kater?», die is opgezet door Wijzer in geldzaken en hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze campagne omvatonder meer praktische tips, sociale mediacontent (Instagram, YouTube,Snapchat) en wordt ondersteund door influencers, met als doel jongerenhandelingsperspectief te bieden en risicovol betaalgedrag te voorkomen.Nederland behoort op basis van internationaal onderzoek tot de koplopersop het gebied van financiële geletterdheid onder jongeren. Meer dan dehelft van de Nederlandse 15-jarigen heeft op school les gekregen overomgaan met geld, en uit onderzoek blijkt dat jongeren in Nederlandrelatief goed op de hoogte zijn van financiële risico’s en belang hechtenaan verstandig financieel gedrag. Tegelijkertijd haalt bijna een vijfde vande Nederlandse leerlingen het basisniveau financiële geletterdheid niet.Daarom vindt de regering het van belang om blijvende aandacht teschenken aan actuele risico’s, zoals het gebruik van «koop nu, betaallater». Het onderwerp krijgt jaarlijks aandacht tijdens de Week van hetgeld en via gerichte campagnes. Continue bewustwording en educatie zijnessentieel om te voorkomen dat jongeren ongewenste schuldenopbouwen door ondoordacht gebruik van consumentenkrediet of «koopnu, betaal later»-diensten.Bestaande en succesvolle initiatieven worden nadrukkelijk betrokken eningezet. Zo werkt Wijzer in geldzaken samen met de Stichting FinancieelGezond Nederland (SFGN), de opvolger van SchuldenlabNL en deNationale Coalitie Financiële Gezondheid. Dankzij deze samenwerking,waaraan overheid en financiële sector gezamenlijk bijdragen, kunnenkrachten op het gebied van financiële educatie en bewustwordingoptimaal worden gebundeld.Een voorbeeld is het delen van campagnes als de «Betaal Later Kater»over de risico’s van achteraf betalen via banken en andere partners. Ookzetten SFGN en Wijzer in geldzaken een campagne op om Nederlandersaan te moedigen een minimale spaarbuffer op te bouwen.Deze leden lezen daarnaast dat de kredietgever verplicht is om eenredelijke mate van respijt te geven voordat hij overgaat tot het innen vankrediet. Deze leden vragen hoe geborgd wordt dat de maatregelenbeschreven in artikel 7:70 BW ook worden nageleefd. Deze leden vragenwat het toezicht hierop is.De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgtuit de Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raadvan 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en totwijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (richtlijn kredietser-vicers en kredietkopers). Dit is reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a Wften artikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzi-gingen ten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers enkredietkopers. Omdat de verplichting om artikel 7:70a BW na te levenexpliciet staat opgenomen in de bepaling van de Wft, samen met deverplichting om hier beleid op te voeren, kan de AFM toezicht houden opde naleving van deze verplichting bij de kredietaanbieders en kan, indiennodig, gebruikmaken van diverse maatregelen in haar toezichtsinstrumen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 815 tarium. De AFM kan in het zwaarste geval een boete opleggen van dederde categorie, op grond van artikel 10 van het Bbbfs, dat wordtgewijzigd met het implementatiebesluit.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de zorg- en respijtver-plichtingen uit CCDII zich verhouden tot de bestaande verplichtingenonder de Wet kwaliteit incassodienstverlening. Deze leden vragen of ersprake is van overlap, aanvullende normering of een verschillendtoetsingskader. Deze leden vragen of de regering kan toelichten welketoezichthouder verantwoordelijk is voor handhaving indien zowelkredietverleningsnormen als incassonormen in het geding zijn.Er kan sprake zijn van samenloop vanuit de richtlijn met de Wet kwaliteitincassodienstverlening (Wki) wanneer een aanbieder van krediet ookberoepsmatig buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht vooreen derde of na overdracht van een vordering bij een natuurlijk persoon inNederland. Aanbieders die in het kader van hun activiteiten ook incasso-werkzaamheden verrichten of aanbieden, en die voldoen aan de daarvoorin de Wki gestelde voorwaarden, dienen zich in te schrijven in het daartoegehouden openbaar register. De wettelijke verplichtingen die voortvloeienuit de Wki gelden naast de verplichtingen die de richtlijn voorschrijft.Er is sprake van overlap of samenloop, in de zin dat aanbieders dievolgens de reikwijdte van de Wki actief zijn zowel een vergunning bij deAFM voor het aanbieden van krediet nodig hebben, en ook een registratiebij Dienst Justis onder de Wki en onder toezicht van de Inspectie Justitieen Veiligheid staan. Ook geldt zowel als gevolg van de richtlijn als de Wkidat partijen een klachtenprocedure moeten hebben, aan bepaaldekwaliteitseisen moeten voldoen, zoals vakbekwaamheidseisen vanpersoneel. Deze eisen komen met elkaar overeen en vullen elkaar aan.Beide toezichthouders hebben hun eigen bevoegdheid tot handhaving bijovertreding van onder hun bevoegdheid vallende gestelde regels. De Wkibevat in artikel 19 een samenwerkingsbepaling tussen de toezichthouderswaaruit volgt dat de toezichthouders met elkaar een samenwerkingspro-tocol opstellen.6In het verleden is gebleken dat een BNPL-aanbieder feitelijk incassoactivi-teiten verrichtte zonder onder het daarvoor bedoelde toezichtregime tevallen. De leden van de CDA-fractie vragen welke lessen de regering heeftgetrokken uit deze casus. Deze leden vragen of naar aanleiding daarvanaanvullende maatregelen, verduidelijkingen of toezicht instrumentenontwikkeld zijn om herhaling te voorkomen.Het is de verantwoordelijkheid van een incassodienstverlener om tevoldoen aan de wettelijke eisen. Op de naleving van deze wettelijke eisenwordt toezicht gehouden door de Inspectie JenV op grond van de Wki en,voor zover sprake is van activiteiten die onder de Wft vallen, door de AFM.Bij overtredingen kunnen deze toezichthouders handhavend optreden.Daarnaast is het verrichten van buitengerechtelijke incassowerkzaam-heden onder de reikwijdte van de Wki zonder registratie of met eengeschorste registratie een economisch delict. Hierop kan strafrechtelijkworden gesanctioneerd op basis van de Wet op de economische delicten.De leden van de CDA-fractie merken op dat bij BNPL-aanbieders incasso-en aanmaningskosten in korte tijd relatief hoog kunnen oplopen, metname door het wettelijke minimum van 40 euro. Bij kleinere bedragenleidt dit tot een hoge kostenratio. Deze leden wijzen erop dat bij reguliere6Het samenwerkingsprotocol is gepubliceerd in de Staatscourant van 3 februari 2023,nummer 4000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 816 leningen doorgaans wordt gewerkt met een systematiek van vertragings-rente, die proportioneel als percentage van de openstaande schuldoploopt. De leden vragen in hoeverre het gerechtvaardigd is om bij BNPLin plaats daarvan of hierboven vaste incassokosten in rekening tebrengen. Deze leden vragen of het mogelijk is om primair aan te sluitenbij een systematiek van vertragingsrente in plaats van vaste incassokos-tencomponenten.Voor «koop nu, betaal later» geldt vanaf inwerkingtreding van deimplementatiewet een maximale vertragingsvergoeding van EUR 20,– peraanmaning tot een maximum van EUR 60,– per kalenderjaar. Hiermeewordt voorkomen dat consumenten in de toekomst worden geconfron-teerd met hoge niet-nakomingskosten bij een aanvankelijk kleineopenstaande schuld. Het berekenen van dubbele incassokosten, dus een«kredietvergoeding» voor incassoactiviteiten én incassokosten op grondvan het Besluit buitengerechtelijke incassokosten (BIK) is niet toegestaan.De vertragingsrente gaat uit van krediet waarbij rente wordt gerekend.Deze reguliere systematiek past minder goed bij de incassokosten die eenaanbieder bij «koop nu, betaal later»-diensten in rekening brengt.Daarnaast uiten deze leden de zorg dat het toestaan van incassokosteneen prikkel kan vormen voor aanbieders om krediet te verstrekken aanhoog-risicoklanten, omdat kosten bij wanbetaling kunnen wordendoorbelast. Deze leden vragen of de regering deze zorgen herkent enwelke maatregelen worden overwogen om dit te voorkomen.De regering is bekend met deze zorgen over het rekenen van incasso-kosten als onderdeel van het verdienmodel bij «koop nu, betaal later»-diensten. Als gevolg van de richtlijn dienen aanbieders van «koop nu,betaal later»-diensten onder andere een kredietwaardigheidsbeoordelinguit te voeren en het BKR te raadplegen. Ook hebben zij een vergunningnodig van de AFM en komen zij onder toezicht te staan. Deze eisen gaanoverkreditering van financieel kwetsbare consumenten tegen.De leden van de CDA-fractie lezen dat er met het voorliggendewetsvoorstel mede wordt ingezet op vroegsignalering. Deze leden vragenof er een beeld is van hoeveel extra signalen hierdoor naar gemeentenzullen gaan en of er overleg met gemeenten heeft plaatsgevonden over deeventuele extra werkdruk die dit met zich mee gaat brengen en ofgemeenten dit ook aankunnen/waar kunnen maken.De aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ook na hetsluiten van de overeenkomst alert te zijn op terugbetalingsproblemen vande consument. De aanbieder is verplicht de consument bij terugbetalings-problemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. In de praktijkbetekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en deconsument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woont.Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen metde schuldhulpverlening voor hulp.De gemeente is op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening(Wgs) verantwoordelijk voor schuldhulpverlening. Het is niet mogelijk omeen inschatting te maken tot hoeveel extra aanmeldingen of hulpvragendit leidt bij gemeenten. Niet alle consumenten in financiële moeilijkhedenzullen zich immers voor hulp wenden tot de gemeente en soms zijnconsumenten al gebaat bij (kortstondige) lichte hulp.Het beleid rondom het oplossen van problematische schulden is er delaatste jaren steeds meer op gericht om te zorgen dat mensen met(mogelijk) problematische schulden sneller in beeld zijn bij gemeenten. InTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 817 2024 is door het kabinet, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG) en de branchevereniging voor schuldhulp en financiële hulpver-lening (NVVK) de «basisdienstverlening schuldhulpverlening»afgesproken. Invoering van de basisdienstverlening moet ervoor zorgendat mensen kwalitatieve hulpverlening krijgen en sneller perspectiefhebben op een schuldenvrije toekomst. Het Rijk stelt sinds 2024 struc-tureel € 40 miljoen extra beschikbaar aan gemeenten om onder andere debasisdienstverlening te implementeren. De mogelijke extra toestroom aansignalen kan er juist aan bijdragen dat het bereik van schuldhulpverleningwordt verbeterd en meer mensen met problematische schulden geholpenworden. Het is dan ook niet de verwachting dat gemeenten deze poten-tiële extra toestroom niet zouden aankunnen. Het Ministerie van SZWspreekt op periodieke basis met de NVVK en de VNG over de implemen-tatie van de afspraken basisdienstverlening en mogelijke knelpuntendaarbij.Deze leden vragen of de regering aanbieders van BNPL kan oproepen om,aanvullend op de wettelijke vereisten, een vrijwillig koopstopregister in testellen voor consumenten die zichzelf willen beschermen. Deze ledenvragen of de regering hierover in gesprek is met BNPL-aanbieders en watde actuele stand van zaken is.Binnen de sector zijn al initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting vanachteraf betalen mogelijk te maken en dit wordt door de betrokkenministeries besproken met de aanbieders. Zo beschikt de «koop nu, betaallater»-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden PreventieRegister», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting,zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener.«Koop nu, betaal later»-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebbenaangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijnhierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast al over eeneigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-appkunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten«Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaalnu» mogelijk blijft. De regering heeft uw Kamer hierover geïnformeerd inde brief van 2 april 2026. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen sindsdien.3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel De leden van D66-fractie steunen het verbod op het aanbieden van uitstelvan betaling aan minderjarigen. Deze leden lezen in de memorie vantoelichting dat aanbieders over adequate processen dienen te beschikkenom de leeftijd van de consument vast te stellen. Welke verificatieme-thoden volstaan als adequaat proces? Hoe wordt voorkomen, enomgegaan met, gevallen waarbij een minderjarige gebruik maakt van eenaccount op naam van een meerderjarige? Kan hier een bepaaldeaansprakelijkheid af worden gedwongen bij de aanbieder?Het is aan marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM tekiezen voor een geschikte methode van leeftijdsverificatie. De verificatie-methode wordt niet wettelijk voorgeschreven. Verificatie van de leeftijddient in ieder geval plaats te vinden aan de hand van documenten,gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bronnen,bijvoorbeeld een kopie paspoort of een koppeling met een bank. De AFMhoudt toezicht en kan in geval van niet-naleving handhavend optreden. Inde situatie waarin een minderjarige een account gebruikt op naam vaneen meerderjarige geldt dat het de verantwoordelijkheid is van debetrokken meerderjarige om zijn accountgegevens te beschermen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 818 De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 7:68a BW de verplichtingwordt opgenomen voor de kredietgever om consumenten in financiëlemoeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Deze ledenzijn benieuwd of hier verdere eisen aan worden gesteld, dan wel kunnenworden gesteld. Onder welke omstandigheden moet een kredietgeverovergaan tot verwijzing en aan welke eisen dient een dergelijke verwijzingte voldoen?Op grond van de richtlijn dienen kredietgevers de consument bijfinanciële moeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Datkan een bericht zijn, gericht aan de consument, om bij financiële moeilijk-heden aan te kloppen bij de gemeente. Er worden geen verdere eisengesteld. Wel volgt uit de bepaling dat de consument dient te wordenbenaderd op het moment van signalering van financiële moeilijkheden.Algemene communicatie op het moment van aangaan van de kredietover-eenkomst volstaat niet. In de memorie van toelichting is daaromverduidelijkt dat de kredietgever in de praktijk contact op moet nemen metde consument en deze moet doorverwijzen naar de gemeente waar deconsument woont. De gemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijkvoor schuldhulpverlening.Er is bewust aangesloten bij de brede term financiële moeilijkheden. Zo ishet aan de aanbieder om signalen te duiden die hierop kunnen wijzen.Bijvoorbeeld als een consument ook na herinneringen een achterstandblijft houden, of als een consument vraagt om een limietverhoging terwijlde betaalhistorie achterstanden kent. Dit zijn slechts enkele voorbeeldendie tot doorverwijzing kunnen leiden.De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe bij de implementatievan de herziene richtlijn consumentenkrediet rekening is gehouden metde samenhang met andere Europese richtlijnen op het terrein van deenergietransitie, waaronder de Energy Efficiency Directive (EED) en deEnergy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze leden wijzen eropdat in Europees verband expliciet wordt opgeroepen juridische obstakelsvoor energieprestatiecontracten weg te nemen teneinde investeringen inwoningverduurzaming mogelijk te maken.Artikel 17 van de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD)bepaalt dat lidstaten moeten voorzien in passende financiering, onder-steunende maatregelen en andere instrumenten waarmee marktbelem-meringen kunnen worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de nodigeinvesteringen worden gedaan met het oog op de transformatie van hetnationale gebouwenbestand tot emissievrije gebouwen tegen 2050. DeEPBD schrijft niet een bepaalde financieringsvorm of instrument voor ominvesteringen in verduurzaming te stimuleren. Op dit moment kunnenconsumenten op verschillende manieren verduurzamingsmaatregelenfinancieren. Bijvoorbeeld door het verhogen van de hypotheek. Op grondvan de Tijdelijke Regeling hypothecair krediet kan voor het verduurzamenvan een woning en voor het treffen van energiebesparende maatregelenmeer worden geleend. Verder kan de consument verduurzamingsmaatre-gelen financieren via een consumptief krediet, een lening bij het NationaalWarmtefonds of via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandsegemeenten (SVn). Daarnaast zijn gemeentelijke of nationale subsidiesbeschikbaar. Derhalve zijn er reeds meerdere financieringsmogelijkhedenvoor consumenten om hun woning te verduurzamen.Deze leden constateren dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten enenergieprestatiecontracten in Nederland momenteel nauwelijks van degrond komen doordat de AFM dergelijke constructies interpreteert alspersoonsgebonden consumentenkrediet onder de Wet op het financieelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 819 toezicht (Wft). Deze leden vragen of de regering onderschrijft dat hierdooronzekerheid ontstaat voor investeerders, aanbieders en woningeigenaren,waardoor innovatieve verduurzamingsconstructies worden belemmerd.Gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontractenwaarbij energiebesparende maatregelen worden betaald uit de teverwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief kredietaangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan deconsument voor het genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepa-nelen) tegen een of meer betalingen. Derhalve dient altijd een krediet-waardigheidstoets te worden uitgevoerd. Innovatieve verduurzamings-constructies zouden hierdoor niet hoeven te worden belemmerd omdatduidelijk is dat voor bovengenoemde verduurzamingsdiensten enenergieprestatiecontracten een vergunning bij de AFM dient te wordenaangevraagd.De leden van de D66-fractie wijzen erop dat gebouwgebonden energie-prestatiecontracten zich juist onderscheiden van reguliere consumptievekredietvormen doordat kosten, verantwoordelijkheden en prestatiesgekoppeld zijn aan de woning in plaats van uitsluitend aan de persoonvan de eigenaar. Bij verkoop van de woning gaan de afspraken over op devolgende eigenaar, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een warmteaansluitingof verplichtingen binnen een VvE. Kan de regering reflecteren op dezevergelijking en uiteenzetten in hoeverre deze kenmerken volgens henaanleiding geven tot een andere juridische beoordeling dan regulierconsumentenkrediet?Bij gebouwgebonden verduurzamingsdiensten/financiering gaat de leningbij verkoop van de woning in principe over op de volgende woningei-genaar. De volgende woningeigenaar dient wel de lasten van hypotheeken de gebouwgebonden financiering te kunnen dragen. Verkoper en koperkunnen ook overeenkomen dat de verkoper de openstaande lening aflostof dat de koper deze lening herfinanciert met de hypotheek. In het laatstegeval zal een hypotheekverstrekker een kredietwaardigheidstoetsuitvoeren en beoordelen of de hypotheek verantwoord is voor deconsument.Deze leden vragen de regering voorts of is onderzocht of binnen deimplementatieruimte van Richtlijn (EU) 2023/2225 expliciet kan wordenverduidelijkt dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten, mits voldaanwordt aan vooraf vastgelegde voorwaarden rondom transparantie enconsumentenbescherming, buiten de reikwijdte van de Wft en titel 2A vanBoek 7 van het BW kunnen vallen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht,verzoeken deze leden de regering om uiteen te zetten welke juridischebelemmeringen daarvoor bestaan.Bij brief van 18 november 2022 heeft de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening toegezegd om gebouwgebonden financieringmogelijk te maken via een juridische constructie die gebruikmaakt van eenuitzondering beschreven in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, van deWft.7 Om van de uitzondering in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a,gebruik te maken, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden:(1) het krediet dient krachtens een wettelijke bepaling te worden aange-boden aan een beperkt publiek, (2) met een doelstelling van algemeenbelang, (3) tegen een lagere rente dan op de markt gebruikelijk of eenrente die niet hoger is dan de marktrente en onder gunstigerevoorwaarden. In de brief aan de Tweede Kamer is daarnaast aangegevendat de financiering dient plaats te vinden op basis van een woonlastenim-7Kamerstukken II, 2022–2023, 32 847 en 32 813, nr. 980.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 820 pacttoets en de consumentenbescherming gelijkwaardig dient te zijn aande bescherming bij reguliere kredietverlening. Adviesbureau KPMG isgevraagd om een adviesrapport op te stellen dat de uitgangspuntenuitwerkt voor gebouwgebonden financiering. Dit rapport zal voor dezomer gedeeld worden met de Tweede Kamer. Een reactie op dit rapportzal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de regering voorkomtdat de implementatie van de herziene richtlijn consumentenkredietonbedoeld leidt tot extra barrières voor verduurzaming van particulierewoningen. Deze leden wijzen erop dat gebouwgebonden verduurzamings-diensten juist kansen kunnen bieden voor huishoudens die onvoldoendemiddelen hebben om zelf grote investeringen in isolatie of warmte-pompen te financieren en daarmee tevens kunnen bijdragen aan hetverminderen van energiearmoede.Met de nieuwe regels wil de regering overkreditering als gevolg vanconsumptief krediet voorkomen. Dit is ook van belang als eenconsumptief krediet wordt gebruikt voor verduurzaming van de woning.Daarnaast zijn er buiten (de regels voor) consumptief krediet verschillendemogelijkheden voor consumenten om verduurzamingsmaatregelen tefinancieren, zoals het verhogen van de hypotheek, een lening via hetNationaal Warmtefonds (ook voor consumenten die op grond van deleennormen niet in aanmerking komen voor een lening) en verschillendesubsidies.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op dit punt of de regeringbereid is om gezamenlijk met de Ministeries van Klimaat en Groene Groeien Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening nader te bezien of aanvul-lende wettelijke verduidelijking noodzakelijk is om gebouwgebondenfinanciering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te maken.De regering zal bezien of verduidelijking noodzakelijk is om gebouwge-bonden financiering en energieprestatiecontracten beter mogelijk temaken. Het eerdergenoemde rapport van KPMG over de gebouwge-bonden financiering zal hierbij worden betrokken. Een reactie op ditrapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd.De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van maatregelentegen overkreditering en problematische schulden. Deze leden consta-teren echter dat het wetsvoorstel verschillende kredietvormen onderhetzelfde regime brengt, terwijl de risico’s tussen producten aanzienlijkkunnen verschillen. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgddat onderscheid blijft bestaan tussen langlopende kredieten met eenhoger risicoprofiel en kortlopende betaalfaciliteiten met een beperktrisico? Op welke wijze wordt voorkomen dat de regelgeving disproporti-oneel uitwerkt voor kleine en alledaagse transacties?De richtlijn voorziet in een proportionaliteitstoets die toegepast dient teworden door de aanbieder van krediet waarbij de omvang van de toetsafhangt van onder andere de omvang en duur van de overeenkomst. Dezeproportionaliteit is ook ingebed in de open norm die geldt voor hetuitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling in de implementa-tiewet. Het is aan aanbieders om deze norm passend in te vullen,waardoor er wel degelijk onderscheid gemaakt kan worden in de omvangvan de beoordeling afhankelijk van het type krediet. Daarbij kunnenaanbieders zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek ConsumptiefKrediet van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn wordenherzien in samenspraak met de AFM en het Ministerie van Financiën. Inhet kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 821 € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeftplaats te vinden.Ook voor kleine, kortlopende kredieten in de vorm van uitgesteldebetaling geldt dat aanbieders ruimte hebben voor inrichting van eenproportionele kredietwaardigheidsbeoordeling om zo de balans te vindentussen het voorkomen van overkreditering en bescherming van deconsument, zonder dat dit gepaard gaat met disproportionele (administra-tieve) belemmeringen.De leden van de VVD-fractie maken zich dan ook zorgen over de bredereikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat mogelijk ooktelecomdiensten, parkeerapps, mobiliteitsdiensten en andere vormen vandagelijks uitgesteld betalen geraakt kunnen worden door de nieuweregelgeving. Kan de regering verduidelijken welke diensten precies onderhet toepassingsbereik vallen? Hoe wordt voorkomen dat gebruikelijkemaandfacturatie of praktische betaaloplossingen onbedoeld onder zwarekredietregelgeving komen te vallen?Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betalinggereguleerd als krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. Uitoverweging 17 van de preambule van de richtlijn volgt dat het niet debedoeling is geweest in het Europese wetgevingsproces om alle vormenvan uitstel van betaling onder het toepassingsbereik van de richtlijn teplaatsen. Denk hierbij aan gangbare handelspraktijken die ook gunstig zijnvoor de consument. Dit zijn gevallen, waarbij de leverancier van roerendezaken of de dienstverlener, zonder een derde partij die krediet aanbiedt ofoverkoopt, de consument tijd geeft om voor een goed of dienst te betalen,de betaling volledig moet worden verricht binnen een beperkte termijnvan 14 of 50 dagen na de levering van de roerende zaak of de verleningvan de dienst, zonder rente of andere kosten, met uitzondering vanbeperkte kosten voor betalingsachterstand overeenkomstig het nationalerecht.8 Deze uitzondering volgt dwingend uit artikel 2, tweede lid,onderdeel h, van de richtlijn.Het gaat bijvoorbeeld om een meubelzaak, waarbij na levering wordtgefactureerd en een loodgieter waarbij na het verrichten van de diensteneen factuur wordt gestuurd waarbij de consument veelal binnen 14 of30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur geschiedt momenteel opgrote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. Deregering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waargeen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematischeschulden. Daarom wordt op dit punt aangesloten bij het toepassings-bereik zoals voorgeschreven door de richtlijn.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstelnieuwe uitzonderingen toevoegt voor «koop nu, betaal later»-diensten.Een eerste uitzondering betreft MKB-ondernemingen die uit wordengezonderd van het toepassingsgebied van de Wft als de leverancier ofdienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betalingverleent. Deze leden vragen of de regering nader kan duiden welkeMKB-ondernemingen nu zelf uitstel van betaling verlenen, op welkeschaal dit gebeurt en of de regering op de hoogte is van misstandenbinnen deze praktijk. Kan deze uitzondering leiden tot een verschuivingvan «koop nu, betaal later»-diensten? Waarom wordt er niet gekozen voor8De termijn van 14 dagen geldt voor grote online webshops, de termijn van 50 dagen geldt vooralle fysieke winkels (ongeacht de omvang) en alle mkb-ondernemingen (zowel fysiek alsonline).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 822 het harmoniseren door alle aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder de Wft te brengen?Mkb-ondernemingen die zelf uitstel van betaling verlenen zijn bijvoor-beeld de hierboven genoemde meubelzaak, waarbij na levering wordtgefactureerd en een loodgieter waarbij na het verrichten van de diensteneen factuur wordt gestuurd waarbij de consument veelal binnen 14 of30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur geschiedt momenteel opgrote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. Deregering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waargeen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematischeschulden. Daarom wordt op dit punt aangesloten bij het toepassings-bereik zoals voorgeschreven door de richtlijn. Een mogelijke verschuivingvan «koop nu, betaal later»-diensten wordt in beperkte mate verwacht,namelijk dat ondernemingen mogelijk hun betalingstermijn naar 14 dageninkorten, om zo binnen de uitzondering te blijven.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Afdeling advisering van deRaad van State opmerkt dat bij onderdelen zoals het verbod op kredietaan minderjarigen onvoldoende blijkt hoe deze zich verhouden tot deCCDII. Kan de regering per onderdeel dat niet direct voortvloeit uit derichtlijn – zoals het specifieke verbod op uitstel van betaling voorminderjarigen – expliciet motiveren waarom dit noodzakelijk wordtgeacht, terwijl de Raad van State vraagtekens zet bij de juridische basishiervan?Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raadvan State is in de memorie van toelichting verduidelijkt hoe het verbod opkrediet aan minderjarigen zich verhoudt tot de richtlijn en dat dit isgegrond op artikel 6 van de richtlijn. Dit artikel maakt het mogelijk omonderscheid te maken bij toegang tot krediet, indien de verschillendevoorwaarden voor toegang tot krediet (zoals het hebben van een bepaaldeleeftijd) door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. In het advies vande Afdeling advisering van de Raad van State zet zij geen (verdere)vraagtekens bij de juridische basis van onderdelen van de implementa-tiewet. In de implementatiewet staan ook geen onderdelen zonder basis inde richtlijn.Naar aanleiding van het verslag van het gesprek dat de wetgevingsrappor-teurs hebben gevoerd met de AFM, merken de leden van de PVV-fractieop dat de regering heeft besloten betaalkaarten met uitgestelde debiteringniet buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te plaatsen. Kan deregering toelichten waarom hier niet is gekozen voor de lidstaatoptie omdeze buiten de scope te laten, aangezien de AFM zelf aangeeft dat dezekredietvorm momenteel niet tot veel problemen leidt? Ziet de regering indat dit wederom een verzwaring van de regeldruk is die niet striktnoodzakelijk is vanuit de richtlijn?Het uitzonderen van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden totonvoldoende en ongelijke consumentenbescherming. Daarnaast wordt erin dat geval een ongelijk speelveld gecreëerd tussen aanbieders vanvergelijkbare kortlopende kredietproducten. Een uitzondering voor kaartenmet uitgestelde debitering kan tot gevolg hebben dat regulering ontwekenwordt indien aanbieders van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensteneen kaart met uitgestelde debitering uitbrengen.De leden van de CDA-fractie waarderen dat aanbieders worden verplichtom vroegtijdig betalingsproblemen bij consumenten te signaleren en datdit wordt verankerd in artikel 4:35b Wft. Tegelijkertijd vragen deze ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 823 hoe deze verplichting in de praktijk concreet wordt ingevuld dooraanbieders.Enerzijds dient de aanbieder beleid en processen te hebben inzake hetdoorverwijzen naar schuldadviesdiensten. Daarnaast is er de plicht totdoorverwijzing naar schuldadviesdiensten. Op beide elementen kan deAFM toezicht houden.Daarnaast vragen deze leden in hoeverre wordt voorkomen dat dezesignaleringsverplichting verwordt tot louter «afvinkgedrag» dooraanbieders. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat signalering vanbetalingsproblemen niet slechts formeel wordt ingericht, maar daadwer-kelijk leidt tot tijdige interventie richting consumenten. Ook vragen zij opwelke wijze de toezichthouder toezicht houdt op de effectiviteit van dezeverplichting in plaats van uitsluitend op de procedurele naleving.Op grond van overweging 81 van de preambule van de richtlijn hebbenkredietgevers een rol te spelen bij het voorkomen van overmatigeschuldenlast door consumenten die financiële moeilijkheden onder-vinden, vroegtijdig op te sporen en te ondersteunen. Die ondersteuningwordt nader ingevuld door de richtlijn en behelst onder andere doorver-wijzing naar schuldadviesdiensten en het treffen van respijtmaatregelen.Een aanbieder dient processen in te richten voor vroegtijdige signaleringvan consumenten die financiële moeilijkheden ondervinden, ook wel«preventief beheer» genoemd, en daarvoor beleid op te stellen. Dit betreftde fase voordat er sprake is van een betalingsachterstand en hierbij dientde aanbieder zich in te spannen om zoveel mogelijk betalingsachter-standen te voorkomen of beperken. Als een aanbieder problemensignaleert, zal hij ook actie moeten ondernemen om achterstanden tevoorkomen, door bijvoorbeeld contact op te nemen en/of respijtmaatre-gelen aan te bieden afhankelijk van het beleid. Samen met de consumentmoet de aanbieder dus eerst op zoek naar een oplossing. Ook is doorver-wijzing naar schuldadviesdiensten aan de orde. De AFM houdt toezicht opdeze verplichtingen en heeft haar verwachtingen ten aanzien vanachterstandsbeheer en preventief beheer al eerder kenbaar gemaakt in deLeidraad Consumenten en Incassotrajecten. Deze nieuwe verplichtinggeeft de AFM een extra waarborg om eisen te stellen aan vroegsigna-lering door aanbieders. De AFM kan deze verplichting betrekken in haartoezicht en onderzoek en waar nodig toezichtmaatregelen nemen, indiende vroegsignalering te beperkt is ingericht.De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de proportionaliteit vande gekozen reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat deherziene richtlijn beoogt consumenten beter te beschermen tegenproblematische schulden, maar vragen of de gekozen implementatievoldoende onderscheid maakt tussen wezenlijk verschillende vormen vankredietverlening. Doorlopende consumptief kredieten, creditcards, kaartenmet uitgestelde debitering, achteraf-betalingen bij een webshop en kortebetalingstermijnen bij een dienstverlener kennen niet hetzelfde risico-profiel. Kan de regering toelichten of en hoe bij de implementatie perkredietvorm en per maatregel is gewogen of de verplichting proportioneelis?De richtlijn voorziet in geharmoniseerde regels over krediet en bevatslechts zeer beperkt bepalingen die toegespitst zijn op de verschillendevormen van kredietverlening. In de implementatiewet is dan ook beperkteruimte om onderscheid te maken tussen de verschillende vormen vankredietverlening. Wel is bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een aantallidstaatopties om zo proportionaliteit toe te passen waar mogelijk. Eenvoorbeeld is de lidstaatoptie uit artikel 2, vierde lid, aanhef en b, van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 824 richtlijn, die lidstaten de ruimte biedt om kredietovereenkomsten in devorm van overschrijding9 uit te zonderen van de verplichte kredietwaar-digheidsbeoordeling. Ook is gebruik gemaakt van de lidstaatoptie uitartikel 2, achtste lid, van de richtlijn waardoor een aantal precontractueleinformatieverplichtingen niet gelden voor i) kredietovereenkomsten vooreen totaal kredietbedrag van minder dan € 200, (ii) kredietovereen-komsten waarbij krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend of(iii) kredietovereenkomsten waarbij krediet binnen drie maanden moetworden afgelost en waarbij slechts onbetekenende kosten verschuldigdzijn. Verschillende vormen van krediet die nu voor het eerst onder derichtlijn zijn gebracht kennen inderdaad een ander risicoprofiel danbijvoorbeeld een persoonlijke lening. Het belangrijkste thema waarin derichtlijn en dus ook de implementatiewet differentieert is de kredietwaar-digheidsbeoordeling. Deze is immers afhankelijk van onder andere deomvang en duur van de overeenkomst. Er geldt een open norm voor hetuitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Er geldt geen door dewetgever vastgesteld regime voor elke kredietsoort. Aanbieders kunnenzich aansluiten bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van deVFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden herzien voornieuwe kortlopende kredietvormen, in samenspraak met de AFM en hetMinisterie van Financiën.Deze leden vragen in het bijzonder aandacht voor achteraf-betalingsconstructies bij derden. Kan de regering bevestigen of devoorgestelde reikwijdte ook situaties kan raken waarin geen sprake is vaneen klassiek kredietproduct, maar van een praktische betaaltermijn ofbetaalregeling, zoals bij parkeerapps, facturen voor onverzekerde zorg ofandere dienstverlening waarbij betaling achteraf plaatsvindt? Acht deregering het wenselijk dat dergelijke situaties onder hetzelfde regimekunnen vallen als commerciële kredietverlening? Zo nee, hoe wordt dit inde wet of lagere regelgeving uitgesloten?Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betalinggereguleerd als krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. Derichtlijntekst is uiteindelijk leidend. Uit overweging 17 van de preambulevan de richtlijn volgt dat het niet de bedoeling is geweest in het Europesewetgevingsproces om alle vormen van uitstel van betaling onder hettoepassingsbereik van de richtlijn te plaatsen. De regering vindt het ookonwenselijk dat deze situaties onder hetzelfde regime vallen vancommerciële kredietverlening. Denk hierbij aan gangbare handelsprak-tijken die ook gunstig zijn voor de consument. Dit zijn gevallen waarbij deleverancier van de goederen of de dienstverlener de consument tijd geeftom voor een goed of dienst te betalen zonder rente of andere kosten, metuitzondering van beperkte kosten voor betalingsachterstand overeen-komstig het nationale recht. Deze gevallen zijn uitgezonderd indien ergeen derde partij is, zoals bij «koop nu, betaal later»-regelingen, diekrediet aanbiedt voor het goed of de dienst en de betaling volledig moetworden verricht binnen een beperkte termijn van 14 of 50 dagen na delevering van het goed of de verlening van de dienst. Het is de verantwoor-delijkheid van de aanbieder om te controleren of de producten of dienstenonder het toepassingsbereik vallen.De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat Duitsland kennelijk eenpragmatische benadering hanteert waarbij betalingstermijnen korter dan14 dagen niet als krediet, maar als betaalregeling worden beschouwd. Isde regering bereid een vergelijkbare benadering te hanteren, zodatkortlopende betaaltermijnen met een beperkt risico niet onnodig onder9Hierbij laat bijvoorbeeld een bank toe dat tijdelijk de nulstand van een betaalrekening wordtoverschreden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 825 een zwaar regime komen te vallen terwijl dat in omringende landen niethoeft? Hoe weegt de regering dit in het licht van het gelijke speelveldbinnen de interne markt?In Nederland geldt hetzelfde regime als in Duitsland wat betreft uitge-stelde betaling met een termijn van korter dan veertien dagen, omdat ditvolgt uit de richtlijn. In de richtlijn worden bepaalde vormen van uitstelvan betaling uitgezonderd van het toepassingsbereik. Het gaat onderandere om uitstel van betaling verleend door een mkb-onderneming ofdoor een grootbedrijf met een fysieke winkel onder de voorwaarden datbinnen 50 dagen de betaling volledig moet zijn verricht en er geen renteof andere kosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kostenbij niet-nakoming). Een andere uitzondering is uitstel van betalingverleend door een grote webwinkel onder de voorwaarden dat binnen14 dagen de betaling volledig moet zijn verricht, er geen rente of anderekosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kosten bijniet-nakoming) en er geen factoring plaatsvindt, dat wil zeggen dat debetalingsvordering niet wordt overgedragen aan een derde partij. Degenoemde uitzondering voor kredieten korter dan 14 dagen volgt dus uitde richtlijn en is ook zo opgenomen in de implementatiewet, waarbij welde genoemde voorwaarden gelden om buiten het toepassingsbereik tevallen. Op dit punt is sprake van een gelijk speelveld. In de implementa-tiewet is wel, aanvullend op de richtlijn, krediet in de vorm van uitgesteldebetaling binnen het toepassingsbereik van de wetgeving gebracht waarhet gaat om uitstel van betaling verstrekt door een platform, zoals eengrote online webshop die zelf uitstel van betaling aanbiedt voor eigenproducten, maar ook voor derde leveranciers. Voor de platforms geldtdezelfde uitzondering voor kredieten korter dan 14 dagen. Dit is ookschematisch weergegeven op blz. 66 van de memorie van toelichting enconform de richtlijn.Deze leden vragen of de regering voldoende onderscheid maakt tussenBNPL-producten enerzijds en creditcards en andere betaalproductenanderzijds. Kan de regering toelichten waarom producten metaantoonbaar verschillende risicoprofielen op onderdelen toch gelijkworden behandeld? Acht de regering het proportioneel dat betaalpro-ducten waarbij de consument doorgaans iedere maand volledig afrekentof waarbij reeds bestaande waarborgen gelden onder dezelfde verplich-tingen komen te vallen?In de implementatiewet is geen onderscheid gemaakt tussen «koop nu,betaal later»-producten en kaarten met uitgestelde debitering. De tweeproducten kennen op dit moment andere achterstandcijfers. Dat komtwaarschijnlijk doordat aanbieders van kaarten met uitgestelde debiteringeen strenger afwijzingsbeleid voeren en online betalen met «koop nu,betaal later» in recente jaren een opmars heeft gemaakt. Dat betekent nietdat het risicoprofiel in alle gevallen anders is. In beide gevallen gaat hetimmers om uitstel van betaling voor de aankoop van producten ofdiensten. Het is de verwachting dat het onderscheid tussen dezeaanbieders zal gaan vervagen en dat ook huidige «koop nu, betaallater»-aanbieders kaarten met uitgestelde debitering gaan aanbieden. Deregering vindt het daarom niet gewenst om een onderscheid tussen diekredietvormen te maken, zowel vanuit het belang van een gelijk speelveldals voor de bescherming van de consument.De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de wijze waarop dekredietwaardigheidsbeoordeling in het wetsvoorstel wordt ingevuld. Dezeleden juichen toe dat in het wetsvoorstel een proportionaliteitsvereiste isopgenomen, maar vragen of de concrete uitwerking daar voldoende bijaansluit. Kan de regering toelichten hoe het proportionaliteitsvereiste inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 826 de praktijk moet worden toegepast bij verschillende kredietbedragen,looptijden en producttypen?De concrete uitwerking is aan de aanbieder zelf en vindt daarnaast plaatsin nieuwe Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. Op ditmoment worden de leennormen herzien om ook nieuwe vormen vankrediet, zoals kortlopende kredieten daarin op te nemen. De leennormenkomen tot stand in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerievan Financiën. De AFM houdt toezicht op de toepassing van het proportio-naliteitsvereiste. De AFM communiceert aan de sector wat de randvoor-waarden zijn om een proportionele krediettoets in te richten. De randvoor-waarden zijn afhankelijk van nadere regels die zijn gesteld in lagereregelgeving.Deze leden lezen dat kredietaanbieders inkomsten- en uitgavengegevensmoeten betrekken bij iedere kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze ledenvragen of dit betekent dat bij iedere transactie, ongeacht het bedrag of hetrisico, gegevens over inkomsten en uitgaven moeten worden verzameld.Acht de regering het proportioneel dat een consument voor een beperktebetaalfaciliteit of een kleine aankoop gevoelige financiële gegevens moetdelen, terwijl het risico voor consument en kredietgever beperkt kan zijn?De richtlijn schrijft voor dat voorafgaand aan elk krediet een kredietwaar-digheidsbeoordeling wordt uitgevoerd op basis van relevante ennauwkeurige informatie over het inkomen en de uitgaven van deconsument en andere financiële en economische omstandigheden, dienoodzakelijk is en evenredig met de aard, duur, waarde en risico’s van hetkrediet voor de consument. Het is dan ook onvermijdelijk dat gegevensvan de consument ook voor kleine kredieten worden opgevraagd. Het isechter voor aanbieders op basis van deze norm wel mogelijk omproportionaliteit toe te passen in de omvang van deze kredietwaardig-heidsbeoordeling. Bij een klein krediet met een relatief laag risico betekentdit, dat volstaan kan worden met minder gegevens. Indien het passend isnaar de omstandigheden, hoeven voor een kredietwaardigheidsbeoor-deling dus niet altijd inkomsten- of uitgaveninformatie te wordenopgevraagd. Bij hele kleine kredieten in de vorm van uitgestelde betalingis dat voorstelbaar. Indien informatie over inkomsten en lasten van deconsument wel noodzakelijk is om een passende kredietwaardigheidsbe-oordeling uit te voeren, dient dit wel te worden opgevraagd en geveri-fieerd. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit een€ 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeftplaats te vinden.De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is om meerruimte te bieden voor een risicogebaseerde invulling van de kredietwaar-digheidsbeoordeling zonder afbreuk te doen aan effectieve beschermingtegen overkreditering, met name bij kwetsbare consumenten en jongeren.Kan de regering ingaan op een model waarbij voor lage kredietbedrageneen klantverklaring kan volstaan, voor een middencategorie beperkteverificatie kan plaatsvinden, bijvoorbeeld met een recente loonstrook, enpas bij hogere bedragen of verhoogde risico’s een volledige beoordelingop basis van inkomsten- en uitgavengegevens noodzakelijk is? Is deregering bereid een dergelijke differentiatie in te passen?De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordelingvoor, juist omdat daarmee in de praktijk een balans kan worden gevondentussen de bescherming van de consument tegen overkreditering en eendoenlijke beoordeling. De risicogebaseerde invulling zal in de praktijkdoor de aanbieder zelf dan wel in de Leennormenmethodiek ConsumptiefKrediet van de VFN worden uitgewerkt. In het kader van proportionaliteitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 827 is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronderslechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.Deze leden vragen voorts of in kaart is gebracht wat het effect is opconsumenten die vanwege privacyzorgen afzien van een aankoop ofbetaalfaciliteit wanneer zij voor relatief beperkte transacties inkomens- enuitgavengegevens moeten delen. Is onderzocht of deze verplichtingenzullen leiden tot minder gebruik van gereguleerde betaalfaciliteiten ofuitwijk naar minder transparante alternatieven?Met de proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling dient er een balansgevonden te worden tussen de bescherming van de consument tegenoverkreditering en dataminimalisatie. Indien een consument dit punt vanprivacy bezwaarlijk vindt, bijvoorbeeld in het kader van een aankoop vankleding door middel van «koop nu, betaal later», dan staat het deconsument vrij om via een andere wijze de aankoop te voltooien,bijvoorbeeld door middel van een directe overboeking. Een mogelijkeffect is dat consumenten in mindere mate gebruik zullen maken van ditsoort diensten. Op dit moment is er nog geen uitwijkrisico in beeld, in dezin van ongereguleerde alternatieven voor deze gereguleerde producten.De leden van de JA21-fractie vragen hoe volledig geautomatiseerdebesluitvorming binnen de kredietwaardigheidsbeoordeling wordtbeoordeeld. In hoeverre staat het wetsvoorstel toe dat kredietaanvragenvolledig geautomatiseerd worden goedgekeurd of afgewezen? Welkewaarborgen gelden voor consumenten bij een negatieve uitkomst enwanneer bestaat recht op menselijke tussenkomst, uitleg of herbeoor-deling?De regels voor geautomatiseerde besluitvorming volgen uit de AVG en deVerordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffendeartificiële intelligentie (AI-verordening) en vallen dus buiten het regel-gevend kader van de richtlijn en de implementatiewet.Wel volgt uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn dat het aanbieders vankrediet is toegestaan dat de kredietwaardigheidsbeoordeling het gebruikvan geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens omvat. Als dekredietaanvraag wordt afgewezen, dient de aanbieder van krediet deconsument onverwijld in kennis te stellen van de afwijzing en, indien vantoepassing, de consument door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.De aanbieder moet de consument onverwijld in kennis stellen van het feitdat de beoordeling van de kredietwaardigheid is gebaseerd op geautoma-tiseerde verwerking van gegevens, van het recht van de consument opeen menselijke beoordeling en van de procedure om de beslissing aan tevechten. Het recht op menselijke tussenkomst, uitleg en herbeoordelingbestaat in alle gevallen. De richtlijn schrijft voor dat een consumentdaarbij het recht heeft op een zinvolle, begrijpelijke toelichting van deverrichte beoordeling en van de werking van de gebruikte geautomati-seerde verwerking, met inbegrip van de belangrijkste variabelen, de logicaen de risico’s die daarbij komen kijken, en het recht om hun standpuntkenbaar te maken en om herziening te vragen van de kredietwaardig-heidsbeoordeling en van het besluit om al dan niet krediet te verlenen.Ook moet de consument geïnformeerd worden over de rechten die hijheeft nadat hij naar behoren informatie heeft ontvangen over de te volgenprocedure.Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde kredietwaardigheidsbeoor-deling kan leiden tot meer verzameling en verwerking van gevoeligefinanciële gegevens. Gelet op de recente zorgen over datalekken vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 828 deze leden welke aanvullende waarborgen gelden voor de beveiliging vandeze gegevens. Hoe voorkomt de regering dat wetgeving die aanbiedersverplicht tot meer gegevensverzameling, tegelijkertijd het risico vergrootdat consumenten slachtoffer worden van datalekken of misbruik vanfinanciële persoonsgegevens?Door de in de wet ingebedde proportionaliteitsnorm bij de kredietwaar-digheidsbeoordeling zullen aanbieders van krediet naar verwachting nietmeer informatie opvragen van de consument dan nodig is. Daarbij heeftde AP op grond van de AVG de taak om toezicht te houden op de nalevingvan de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens. Uit derichtlijn volgen geen specifieke waarborgen ten aanzien van de bevei-liging van deze gegevens.De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Nederlandse invulling van dekredietwaardigheidsbeoordeling zich verhoudt tot de implementatie inomringende landen. Kan de regering toelichten of Nederland op dit puntstrenger implementeert dan Duitsland en België? Is de regering bereid zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij ons omringende landen, mede methet oog op het gelijke speelveld en het Nederlandse investeringsklimaat?Elke lidstaat zal de richtlijn inpassen in de bestaande nationale syste-matiek van regels die consumenten onder meer moeten beschermentegen overkreditering, het voorkomen van schuldenproblematiek enonevenredige incassokosten. Deze regels zijn breder dan enkel de regelsdie deze richtlijn voorschrijft, waardoor ook verschillen mogelijk zijntussen lidstaten. De regering maakt steeds de afweging tussen de nodigemate van consumentenbescherming enerzijds en proportionaliteit tenaanzien van aanbieders anderzijds. Wel geldt voor alle lidstaten eenproportionaliteitsnorm ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoor-deling.Ten opzichte van onze buurlanden zijn er enkele overeenkomsten enverschillen ten aanzien van de implementatie van de regels voor dekredietwaardigheidsbeoordeling. In Duitsland en in Zweden is, net zoals inNederland, verificatie van de opgevraagde informatie in het kader van dekredietwaardigheidsbeoordeling verplicht en deze vindt in Duitsland enZweden «op een passende wijze» plaats. Niet duidelijk is hoe in Duitsland«op een passende wijze» wordt ingevuld, maar dit zal op grond van derichtlijntekst ook proportioneel zijn. In Zweden is voor de passende wijzevan doorslaggevend beland dat de informatie actueel en nauwkeurig is. InBelgië is het implementatiewetsvoorstel in mei jl. aangeboden aan hetparlement en is dus nog niet definitief. In het voorstel staat in het kadervan de kredietwaardigheidsbeoordeling dat de informatie wordtverkregen uit relevante interne of externe bronnen, met inbegrip van deconsument. De consument is ertoe gehouden daarop juist en volledig teantwoorden. Hier lijkt een zelfverklaring van de consument voldoende tekunnen zijn in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.Daarnaast is raadpleging van een databank in België ook voorgeschreven(de Centrale voor Kredieten aan Particulieren). In Duitsland is geen sprakevan een verplichte raadpleging van een stelsel van kredietregistratie. InNederland is en blijft raadpleging bij het BKR verplicht. Het BKR iswaardevol bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van eenconsument om betalingsproblemen te voorkomen.De leden van de JA21-fractie lezen dat volledige harmonisatie hetuitgangspunt van de richtlijn is en dat lidstaten daar niet van mogenafwijken. In dat kader hebben deze leden een vraag over de uitleg enimplementatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Kan de regeringbevestigen dat artikel 18 van de richtlijn voorschrijft dat een kredietwaar-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 829 digheidsbeoordeling louter plaats mag vinden bij het sluiten van dekredietovereenkomst en bij een significante verhoging van het totalekredietbedrag? Zo ja, kan de regering dan verduidelijken of de voorlig-gende wet ruimte biedt om een periodieke herbeoordeling van doorlo-pende kredieten in lagere wetgeving te verankeren?Op basis van een nadere analyse van de richtlijn is de verplichting tot eenjaarlijkse herbeoordeling in het implementatiebesluit geschrapt. Degrondslag voor een dergelijke verplichting ontbreekt namelijk in derichtlijn. In plaats daarvan is de verplichting opgenomen voor deaanbieder om een doorlopend krediet opnieuw te beoordelen indien ditvolgt uit zijn actualisatiebeleid. In dit beleid staat in welke situaties,bijvoorbeeld bij bepaalde signalen, de aanbieder opnieuw dient vast testellen of het krediet nog aansluit bij de financiële situatie van deconsument. Dit is een uitwerking van de verplichtingen uit artikel 36 vande richtlijn.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Wet stelsel kredietregis-tratie gelijktijdig met het voorliggende wetsvoorstel in voorbereiding is.Kan de regering toelichten wat de inhoud van dit voorstel zal zijn, inhoeverre dat wetsvoorstel samenhangt met voorliggend wetsvoorstel enwat de planning van indiening, behandeling en beoogde inwerkingtredingvan het wetsvoorstel is?Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie maakt het beheer van het stelselvan kredietregistratie een wettelijke taak, toe te wijzen aan de stichtingBKR. Het legt daarmee voorwaarden vast voor een bestendig,hoogwaardig en objectief stelsel van kredietregistratie. In het wetsvoorstelworden onder meer de eisen opgenomen die aan het BKR zullen wordengesteld en worden regels opgenomen ten aanzien van de verwerking van(persoons)gegevens (welke gegevens worden geregistreerd, de registra-tietermijnen en wie er toegang heeft tot de gegevens en de wijze waaropbetrokkenen kunnen verzoeken de gegevens te verwijderen). Wegensinhoudelijke wijzigingen naar aanleiding van de consultatie is hetwetsvoorstel voor een tweede keer bij de AP voor advies voorgelegd. Ditadvies is recent ontvangen en wordt bestudeerd. Hierna wordt adviesgevraagd aan de Raad van State. De verwachting is dat het wetsvoorstelbegin volgend jaar bij de Tweede Kamer wordt ingediend.Deze leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat veel van de detailsvan de wet zullen worden neergelegd in lagere regelgeving. Deze ledenvragen de regering een overzicht te verschaffen van de inhoud van lagereregelgeving en de planning hiervan.Naast de implementatiewet wordt gewerkt aan een implementatiebesluiten een implementatieregeling. Het implementatiebesluit wijzigt het BGfo,het Besluit Kredietvergoeding, het Besluit bestuurlijke boetes financiëlesector en het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen. Ditimplementatiebesluit is recentelijk aan beide Kamers der Staten-Generaalaangeboden in het kader van een voorhangprocedure. Nadat uw Kamerheeft ingestemd met de implementatiewet, zal het implementatiebesluitworden voorgelegd aan de Raad van State ter advisering.Belangrijkste onderdeel van de implementatieregeling is de wijziging vande Vrijstellingsregeling Wft, waarmee mkb-bemiddelaars die bemiddelenin uitstel van betaling worden vrijgesteld van de vergunningplicht. Dezeregeling is momenteel in voorbereiding. De lagere regelgeving zal tegelijkmet de implementatiewet in werking treden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 830 De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de gekozenreikwijdte van het implementatiewetsvoorstel. Deze leden vragen deregering duidelijker uiteen te zetten wat de exacte reikwijdte van hetwetsvoorstel is. Deze leden vragen de regering om te bevestigen dat deimplementatiewet in de reikwijdte van het kredietbegrip geen explicietmaterieel onderscheid maakt tussen traditioneel consumptief kredietenerzijds en kortlopend renteloos betalingsuitstel anderzijds en dat ook bijrenteloos en kosteloos betalingsuitstel sprake kan zijn van consumenten-krediet wanneer een derde partij de betaling voorschiet, het uitstelfaciliteert of de vordering overneemt en dat het ontbreken van rente ofeen kredietvergoeding op zichzelf onvoldoende is om buiten de reikwijdtevan CCDII te blijven.De implementatiewet is van toepassing op alle kredietovereenkomsten diezijn gesloten met een consument, tenzij er sprake is van een uitzonderingzoals volgt uit artikel 2 van de richtlijn en artikel 1:20 Wft en 7:58 BW. Erwordt noch door de richtlijn, noch in de implementatiewet onderscheidgemaakt in verschillende soorten krediet. Het klopt verder dat hetontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf niet voldoendeis om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn te vallen. Het is slechtseen van de cumulatieve voorwaarden voor toepassing van een uitzon-dering. Factoring – het overdragen of verkopen van de betalingsvorderingaan een derde partij – door mkb of grootbedrijven die leverancier zijn vangoederen en diensten en deze aanbieden in een fysieke winkel, isuitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Het gaatbijvoorbeeld om het doorverkopen van een vordering door een tandarts.Is de vordering echter doorverkocht door een grote online leverancier vangoederen of diensten, dan is de dienst niet uitgezonderd van hettoepassingsbereik. Zie voor deze uitzondering ook artikel 2, tweede lid,onderdeel h, van de richtlijn en overweging 17 van de preambule.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar deoverwegingen om kortlopende renteloze betalingsuitstellen binnen dereikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen. In hoeverre signaleert deregering betalingsproblemen bij dergelijke producten die aanleiding zijnom dergelijke producten onder de reikwijdte van de implementatiewet telaten vallen? Kan de regering uitleggen op grond van welke lidstaatoptiedergelijke producten (geheel of gedeeltelijk) buiten de reikwijdte van deimplementatie wet kan laten vallen?Welke typen uitstel van betaling binnen de reikwijdte van de implementa-tiewet vallen volgt niet uit een lidstaatoptie, maar uit de geharmoniseerdebepalingen uit artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn. Deregering kan er niet voor kiezen om bepaalde onder de richtlijn vallendevormen van uitstel van betaling van het toepassingsbereik uit tezonderen.10 Kortlopende renteloze betalingsuitstellen vallen niet onder hettoepassingsbereik van de implementatiewet, behalve als uitstel vanbetaling door een derde wordt verleend of uitstel van betaling langer dan50 (bij mkb of niet online leveranciers) of 14 dagen (bij grote onlineleveranciers) wordt verleend. Het is dus niet zo dat alle kortlopenderenteloze betalingsuitstellen onder het toepassingsbereik vallen.«Koop nu, betaal later»-krediet is een vorm van kortlopende rentelozevormen van uitstel van betaling. De problematiek bij deze producten isbekend, onder meer uit onderzoek van de AFM. Over andere kortlopende10Wel biedt de richtlijn ruimte om de regels van toepassing te verklaren op kredietovereen-komsten die zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van de richtlijn. Voor kredietovereen-komsten in de vorm van uitgestelde betaling is dit voorgesteld voor kredietovereenkomsten inde vorm van uitstel van betaling verleend via platforms.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 831 renteloze vormen van uitstel van betaling, bijvoorbeeld door eenmkb-onderneming zonder betrokkenheid van een derde partij met eenmaximale betalingstermijn van 50 dagen, zijn geen misstanden bekend.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de afbakeningvan de implementatiewet. Deze leden zijn ervan overtuigd dat reguleringvan «koop nu, betaal later»-diensten zeer noodzakelijk is (inclusiefkredietwaardigheidstoetsing en registratie), omdat bekend is datdergelijke producten leiden tot schuldenproblematiek en schuldge-wenning. Deze leden hebben echter begrepen dat met de implementa-tiewet ook gekozen is om andere producten die gebruikmaken vanautomatische incassomachtiging of het voorschieten van bijvoorbeeldparkeerkosten door een derde partij aan de consument onder dereikwijdte van de implementatiewet vallen. Deze leden vragen in hoeverreer met de implementatie van de richtlijn onderscheid behouden en ofgemaakt is tussen kredietovereenkomsten die aan te merken zijn als«koop nu, betaal later»-diensten en producten die met een automatischeincassomachtiging worden betaald, zoals parkeerapps of ongecontrac-teerde zorg? In hoeverre geldt er voor deze partijen een vergunningsplichtop grond van artikel 2:60 van de Wft? Acht de regering dit proportioneelen doelmatig?Er is niet expliciet een onderscheid tussen verschillende soorten dienstenopgenomen in de implementatiewet. Op blz. 47 van de memorie vantoelichting staat wel opgenomen dat bepaalde vormen van uitstel vanbetaling, die gangbare handelspraktijken zijn, niet onder het toepassings-bereik van de richtlijn vallen. In overweging 17 van de preambule van derichtlijn wordt dit genoemd en in artikel 2, tweede lid, onderdeel h van derichtlijn staan de voorwaarden. Indien aan de voorwaarden is voldaan (i.e.aangeboden zonder derde, zonder rente of andere kosten en eenbetaaltermijn binnen 14 of 50 dagen, afhankelijk van de omvang en hettype dienstverlener), dan vallen producten niet onder het toepassings-bereik. Indien er geen sprake is van het aanbieden van krediet, geldt voordeze partijen ook geen vergunningsplicht op grond van artikel 2:60 Wft.De voorwaarden zijn dwingend voorgeschreven in de richtlijn. Daar kanniet van af worden geweken in de omzetting van de richtlijn.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de regeringinzichtelijk heeft welke betaalvormen en sectoren met voorliggendwetsvoorstel onder de reikwijdte van de CCDII komen te vallen. Inhoeverre acht de regering het proportioneel en wenselijk wanneerproducten als parkeerapps, ongecontracteerde zorg of het automatischopladen van de OV-kaart onder de reikwijdte van het wetsvoorstel(inclusief kredietwaardigheidstoetsing en kredietregistratie) vallen? Wat isde omvang van het aantal dagelijkse betaalmomenten van dit soortproducten? Zijn aanbieders van deze producten geïnformeerd over demogelijke gevolgen van de CCDII voor hun producten? Zo ja, wat was hunreactie? Zo nee, is de regering dit voornemens te gaan doen?Met de implementatiewet komen ten opzichte van de oude richtlijnkredietovereenkomsten tot € 200 ook onder de reikwijdte van de richtlijnte vallen. Daarnaast komen huur- of leasingovereenkomsten met een optietot koop, kredietovereenkomsten die in de vorm van een geoorloofdedebetstand op een rekening worden verleend en die binnen een maandmoeten worden afgelost, kredietovereenkomsten waarover geen rente ofandere kosten moeten worden betaald en kredietovereenkomsten waarbijhet krediet binnen drie maanden moet worden terugbetaald en waarvoorslechts onbeduidende kosten worden gerekend onder de reikwijdte van derichtlijn te vallen. Hiermee vallen nieuwe kredietproducten, waartoeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 832 bijvoorbeeld ook «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten metuitgestelde debitering behoren, onder het toepassingsgebied.Betaling op factuur geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geenmisstanden binnen deze praktijk bekend. De regering wil zo veel mogelijkhet normale handelsverkeer ontlasten waar geen of slechts een beperktrisico is op het ontstaan van problematische schulden. Op dit punt wordtaangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven door derichtlijn. Een mogelijke verschuiving van «koop nu, betaal later»-dienstenwordt in beperkte mate verwacht; mogelijk wijzigen ondernemingen hunbetalingstermijn van bijvoorbeeld 60 dagen naar 14 dagen, om zo binnende uitzondering te blijven. Het is niet bekend hoeveel facturatie- ofbetalingsvormen in de praktijk onder de implementatiewet zullen vallen,omdat dit afhankelijk is van de wijze waarop de betaling in de praktijkwordt vormgegeven.Zowel de implementatiewet als het bijbehorende implementatiebesluitzijn openbaar geconsulteerd, waardoor marktpartijen in de gelegenheidzijn gesteld om te reageren. Daarnaast is gedurende het wetgevings-proces doorlopend met marktpartijen en brancheorganisaties gesproken,waarbij de gevolgen van de implementatiewet ter sprake zijn gekomen.Het blijft de verantwoordelijkheid van marktpartijen zelf om te voldoenaan de eisen van de wet en een inschatting te maken van de gevolgendaarvan.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om duidelijk temaken in hoeverre de gekozen reikwijdte, waarbij ook renteloze enkosteloze betalingsuitstellen onder de reikwijdte van de CCDII komen tevallen, overeenkomt met de gekozen reikwijdte van de door ons omlig-gende landen. In hoeverre kunnen Nederlandse consumenten en/ofNederlandse bedrijven de bepalingen uit de wet omzeilen door goederenaan te schaffen in andere lidstaten of hun bedrijfsactiviteiten teverplaatsen naar andere lidstaten?Er is geen sprake van een door Nederland of een andere lidstaat gekozenreikwijdte, maar van een door de richtlijn voorgeschreven reikwijdte. Derichtlijn bepaalt in artikel 2, tweede lid welke kredietovereenkomsten zijnuitgezonderd van het toepassingsbereik. In het artikel 2, tweede lidonder h en j staat welke vormen van kredietovereenkomsten, waarbijkosteloos uitstel van betaling wordt verleend zijn uitgezonderd. Dit geldtvoor alle lidstaten. Wel geldt dat in de implementatiewet platforms die zelfkrediet aanbieden in de vorm van uitgestelde betaling onder het toepas-singsbereik zijn gebracht, alsmede kaarten met uitgestelde debitering.Voor de beweegredenen hiervoor wordt verwezen naar de memorie vantoelichting en de eerdere beantwoording van vragen hierboven. Derichtlijn biedt expliciet ruimte om bepalingen van de richtlijn toe te passenop gebieden die er niet onder vallen (overweging 14 van de preambulevan de richtlijn). Als een aanbieder vanuit het buitenland een kredietover-eenkomst aan een Nederlandse consument aanbiedt die in Nederland welis gereguleerd, geldt het Nederlands recht op grond van artikel 6 van deRome I-verordening, waarin is geregeld welk recht van toepassing is opconsumentenovereenkomsten. Daarmee zijn ook de Nederlandsekredietregels in het BW van toepassing. Daarnaast zijn de bepalingen uitDeel 4 van de Wft van toepassing op aanbieders indien sprake is van eensituatie genoemd in artikel 4:1 Wft. Is geen sprake van een situatiegenoemd in artikel 4:1 Wft en is sprake van diensten van de informatie-maatschappij, dan geldt artikel 1:16 Wft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 833 Artikel 2:81 van de Wft introduceert een verplichting voor aanbieders omeen kredietbemiddelaar aan te melden bij de AFM, zo constateren dezeleden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering eennadere duiding, dan wel een voorbeeld, te geven van situaties wanneerdeze verplichting van toepassing is.Bedrijven die niet kwalificeren als micro-, kleine of middelgrote onder-neming, als bedoeld in Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie11,vallen onder een licht registratieregime als die grootbedrijven alsnevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelen in kredieto-vereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste driemaanden na de levering van de roerende zaak of dienst. Men kan denkenaan grote woonwinkels of elektronicawinkels die gebruik maken vanderde partijen die krediet aanbieden. Bemiddelen in krediet is niet dehoofdactiviteit, dat is de verkoop van producten en diensten. Koop opafbetaling langer dan drie maanden valt buiten dit lichte registratieregime.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kanuitleggen, bijvoorbeeld aan de hand van een voorbeeld, wat devoorwaarde uit de richtlijn betekent dat er ook sprake is van bemiddelenin krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar economischvoordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geenvergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat.Een voorbeeld van economisch voordeel zonder het vragen van eenfinanciële vergoeding door de kredietbemiddelaar volgt bijvoorbeeld uithet Rapport Buy Now, Pay Later van de AFM12, waaruit blijkt dat hetaanbieden van «koop nu, betaal later» als betaaloptie de omzet vanwinkels kan verhogen en daarmee een economisch voordeel met zichbrengt.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichtingdat een tweetal uitzonderingen worden toegevoegd aan artikel 1:20,eerste lid, onderdeel e, van de Wft. Deze leden vragen of deze uitzonde-ringen de bedoelde bedrijven voldoende duidelijkheid biedt over of hundiensten voldoen aan de uitzondering? Is hierover overleg gepleegd methet midden- en kleinbedrijf? Kan de regering nader uiteenzetten voor watvoor soort diensten de uitzondering is bedoeld, dan wel kan de regeringhier voorbeelden bij geven?In de memorie van toelichting is bij de artikelsgewijze toelichting nadereduiding gegeven in overeenstemming met overweging 17 van depreambule van de richtlijn. Ter illustratie is met een aantal voorbeeldeninzichtelijk gemaakt welke vormen van uitgestelde betaling in ieder gevalonder het toepassingsbereik vallen van de Wft en welke vormen mogelijkonder een uitzondering vallen. Het gaat bijvoorbeeld om een fietsenmakerdie de optie biedt om de factuur binnen 50 dagen te betalen of eentandarts die zijn vorderingen verkoopt aan een derde partij waarbij debetaling na 30 dagen moet zijn verricht. Daarnaast is er in het kader vande implementatie onder andere met brancheorganisaties van de detail-handelsector gesproken, alsmede met meerdere platforms.Deze leden vragen aanvullend ook hoe de situatie voor deze bedrijvenwas onder de oude richtlijn. Hoe verandert de situatie als gevolg van deimplementatiewet van de nieuwe richtlijn?11Aanbeveling van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)v an de Commissie van 6 mei 2003 betreffende dedefinitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.12https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/lenen/achteraf-betalenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 834 Onder de oude richtlijn was uitstel van betaling van drie maandenuitgezonderd. Dit betekent dat bedrijven drie maanden uitstel van betalingkonden aanbieden, zonder onder de kredietregels te vallen. De uitzon-dering is door de nieuwe richtlijn beperkt. Bedrijven die niet meer onderde uitzondering vallen zullen onder andere de gedragsbepalingen uitDeel 4 van de Wft moeten naleven en de AFM zal toezicht houden op denaleving. Voor grootbedrijven die «koop nu, betaal later» van een derdepartij als betaaloptie aanbieden geldt daarbij dat zij geregistreerd moetenworden als bemiddelaar in krediet bij de AFM. De aanbieder van krediet(de «koop nu, betaal later»-aanbieder) dient de registratie te verzorgenvoor de bemiddelaar.De leden van de ChristenUnie-fractie achten het verstandig dat deregering een bepaling voorstelt om een verbod op om kredietovereen-komsten met een minderjarige consument aan te gaan. Deze leden vragende regering naar de huidige wettelijke situatie rond het aangaan van eenkredietovereenkomst met een minderjarige. Was dit in alle gevallenvolstrekt legaal of via andere bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek inbeginsel nietig?Een minderjarige kan op grond van artikel 1:234 BW in beginsel geenrechtsgeldige overeenkomst aangaan, tenzij sprake is van toestemmingvan een wettelijke vertegenwoordiger of van een rechtshandeling diegebruikelijk is in het maatschappelijk verkeer. Voor kredietovereen-komsten wordt over het algemeen aangenomen dat deze niet als zodanigworden beschouwd. In recente jaren hebben minderjarigen echter opgrote schaal gebruik gemaakt van «koop nu, betaal later»-diensten. In depraktijk zijn deze overeenkomsten vernietigbaar op grond van artikel 3:40BW. Een minderjarige of wettelijke vertegenwoordiger van die minder-jarige dient hierop dan een beroep te doen en de aanbieder hierop aan tespreken.In de memorie van toelichting wordt door de leden van de ChristenUnie-fractie en uitgebreide uitleg van de vereisten en overwegingen over degemaakte keuzes rond kredietregistratie gemist. Deze leden vragen deregering om dit alsnog toe te lichten.Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie enis dus geen onderdeel van de richtlijn die door middel van ditwetsvoorstel geïmplementeerd wordt. Totdat deze wet gaat gelden, geldtde huidige praktijk van registraties. Deze is als volgt. Overeenkomsten meteen kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maandworden geregistreerd bij het BKR (positieve registratie). Daarnaastworden betalingsachterstanden bij BKR geregistreerd in het geval vanmeerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie).Voorts vragen deze leden naar het verwachte effect van voorliggendwetsvoorstel. Deze leden verwachten een verschuiving van veel kortlo-pende kredietfaciliteiten (zoals «koop nu, betaal later») naar doorlopendekredietfaciliteiten. Is dit ook de verwachting van de regering? Kan deregering dit nader toelichten of onderbouwen?Er is geen onderzoek gedaan naar de verwachte effecten, maar het is deverwachting dat er een gedeeltelijke verschuiving zal plaatsvinden vankortlopende kredieten (die nu nog ongereguleerd zijn) naar doorlopendkrediet. Anders moet immers op het niveau van elke transactie aan alleverplichtingen, bijvoorbeeld de kredietwaardigheidsbeoordeling, maarook de verstrekking van precontractuele informatie, te worden voldaan.Eén aanbieder van «koop nu, betaal later»-diensten heeft echter aange-geven niet over te stappen naar het aanbieden van doorlopend krediet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 835 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te bevestigendat een consument onder de huidige leennormen meerdere kortlopendekredietfaciliteiten naast elkaar kan aanhouden en benutten zolang detoetslasten binnen de toepasselijke normen blijven? Is de aanname vandeze leden dan terecht dat voorliggend wetsvoorstel een stapeling vankredietruimte mogelijkerwijs maar beperkt voorkomt?Het klopt dat onder de huidige leennormen meerdere kleine kredietennaast elkaar kunnen worden aangeboden als dit past binnen de totaleleenruimte. Kleine kredieten onder de € 250,– met een looptijd van meerdan een maand worden niet geregistreerd bij het BKR, tenzij sprake is vaneen langdurige achterstand. Die kleine kortlopende kredieten waar geenachterstand op is zijn daarmee niet zichtbaar voor andere kredietaan-bieders en worden dus niet als maandlast meegenomen in de berekeningvan de leenruimte.De huidige Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFNworden op dit moment herzien om ook kortlopende kredieten daaronderte vatten. De normen dienen zo opgesteld te worden dat overkrediteringzo goed mogelijk wordt voorkomen, maar tegelijkertijd met ruimte voorproportionaliteit. Stapeling van kortlopende kredieten is een omstan-digheid die in de leennormen zal worden meegewogen.De leden van de ChristenUnie-fractie achten het huidig systeem vankredietregistratie niet optimaal. Registratie van betaalfaciliteiten signaleertnamelijk daadwerkelijke betalingsproblemen niet eerder omdat negatievesignalen pas ontstaan nadat een consument al betalingsachterstandenheeft opgebouwd. Deze leden zien graag een reactie van de regering opdeze stellingname.Het is juist dat betalingsachterstanden niet direct zichtbaar zijn in hethuidige systeem van kredietregistratie. Betalingsachterstanden worden bijBKR geregistreerd in het geval van meerdere achterstallige termijnen(negatieve registratie). Dit komt onder meer omdat de consument eerst,met aanmaningen van de aanbieder, alsnog in de gelegenheid wordtgesteld om de achterstand in te lopen.De leden van de ChristenUnie-fractie zien, naast registratie van verschil-lende openstaande kredieten, een meerwaarde in een systeem dat actueleproblematische betalingsachterstanden signaleert op basis waarvankredietaanbieders zien of iemand een betalingsachterstand heeft («ja» of«nee») zodat zij kunnen beoordelen of zij een consument een kredietkunnen verstrekken. Hoe ziet de regering dit? Is de regering bereid om eendergelijk systeem vlot te trekken? Zo nee, waarom niet?Het BKR registreert betalingsachterstanden in het geval van meerdereachterstallige termijnen (negatieve registratie). De registratietermijn wordtbij of krachtens het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geregeld en kaneventueel in dat kader worden herzien. Over het algemeen is het wenselijkals er door middel van een actuele negatieve registratie zo snel mogelijkinzicht is in een achterstand. Tegelijkertijd is het zo dat het missen van eenbetalingstermijn of zelfs een betalingsherinnering niet meteen betekentdat sprake is van een problematische achterstand. In een eventueleaanpassing van het registratiemoment – die in het kader van ditwetsvoorstel dus niet aan de orde is – moet dit daarom zorgvuldig wordenafgewogen.De leden van de ChristenUnie-fractie zien het risico dat met de implemen-tatie van voorliggend wetsvoorstel wat zal leiden tot een enorme toenameaan kredietregistraties en A-coderingen, ook voor relatief lage vorde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 836 ringen die een consument te laat heeft betaald. Wanneer een consumenteen bestelling bij een kledingwinkel ter waarde van 100 euro te laat heeftbetaald, staat de consument voor vijf jaar geregistreerd bij BKR. Dezeconsument zou dan vijf jaar lang geen hypotheek kunnen afsluiten. Deleden van de ChristenUnie-fractie zien dit als een onaanvaardbaardisproportioneel gevolg. Hoe ziet de regering dit? Acht de regering het,net als de leden van de ChristenUnie-fractie, noodzakelijk dat de huidigehandelingspraktijk van BKR wordt aangepast als gevolg van het voorlig-gende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?De registratie van achterstandsbetalingen is onderdeel van hetwetsvoorstel stelsel kredietregistratie. Een achterstand wordt op basis vande huidige praktijk geregistreerd in het geval van meerdere achterstalligetermijnen (negatieve registratie). Een negatieve registratie kan inderdaadgevolgen hebben voor andere kredietaanvragen. Het hoeft echter nietmeteen te leiden tot afwijzing van een aanvraag. Dit is ook verboden opgrond van het voorgestelde artikel 4:34 Wft, eerste lid, dat ook vantoepassing is op hypothecair krediet. Zeker waar het gaat om eenaanvraag van een hypothecaire lening, zal breder de financiële positie vande aanvrager in beeld worden gebracht. De coderingen van het BKRkunnen daarin worden meegenomen, maar hebben geen doorslagge-vende rol.In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat artikel 4:34 van deWft wordt aangevuld met een uitzondering op de verplichting van dekredietwaardigheidsbeoordeling. De leden van de ChristenUnie-fractieachten de frase op pagina 11 van de memorie van toelichting onduidelijk.Kan de regering deze tekst verhelderen?De uitzondering op de kredietwaardigheidsbeoordeling zoals met deimplementatiewet wordt toegevoegd in artikel 4:34, vierde lid, Wft volgtdirect uit artikel 35, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn. De uitzon-dering speelt in de situatie waarin de kredietaanbieder respijtmaatregelentreft en daarbij een nieuwe kredietovereenkomst tot stand zou komen.Deze overeenkomst kan dan voor de consument gunstigere voorwaardenbevatten. Strikt genomen zou dan op grond van artikel 4:34, eerste lid,opnieuw een kredietwaardigheidsbeoordeling moeten worden uitgevoerd.Dit is echter niet logisch en niet de bedoeling geweest in het Europesewetgevingsproces. De kredietwaardigheidsbeoordeling hoeft in dat gevaldus niet uitgevoerd te worden, onder de voorwaarde dat geen sprake isvan een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel van de somvan de bedragen die aan de consument ter beschikking zijn gesteld. Voornadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bijartikel I, onderdeel K.De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie vantoelichting een uiteenzetting van wat de nieuwe kredietwaardigheidsbe-oordeling inhoudt, wat de overwegingen zijn voor de keuzes die deregering heeft gemaakt en wat de gevolgen van de kredietwaardigheids-beoordelingen zijn voor zowel consumenten als bedrijven. Deze ledenvragen de regering om dit alsnog (uitgebreid) toe te lichten.De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordelingvoor die in de implementatiewet in de vorm van een open norm isverwerkt. Deze open norm schrijft alleen de verplichting voor om eenkredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren. In het implementatiebesluitis enkel bepaald dat opgevraagde informatie in het kader van de krediet-waardigheidsbeoordeling geverifieerd moet worden, dat de aanbiedervoorafgaand aan het verstrekken van een krediet altijd het BKR dient teraadplegen en dat voor hele kleine kredieten een beperkte kredietwaardig-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 837 heidsbeoordeling geldt. Voor kredieten met een som kleiner dan € 100wordt namelijk bepaald dat raadpleging volstaat van het BKR en van hetCCBR. Daarboven mogen aanbieders de proportionaliteit zelf invullen.Daarbij kunnen aanbieders zich aansluiten bij de LeennormenmethodiekConsumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader van derichtlijn worden herzien in samenspraak met de AFM en het Ministerie vanFinanciën. De uitwerking van de kredietwaardigheidsbeoordeling vindtdus grotendeels plaats in de praktijk. Hierdoor zijn de gevolgen van dekredietwaardigheidsbeoordeling niet verder te specificeren.Met artikel 4:35b van de Wft worden aanbieders verplicht om betalings-problemen bij een consument vroegtijdig te signaleren. De leden van deChristenUnie-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarheenaanbieders deze signalen moeten zenden en of de ontvangende partij(en)voorbereid zijn op mogelijke toestroom van dergelijke signalen.Als gevolg van vroegsignaleren kan een aanbieder van krediet bijvoor-beeld overgaan tot verlaging van de kredietfaciliteit of met de consumentin gesprek gaan over het treffen van eventuele respijtmaatregelen,alvorens een incasso- of invorderingsprocedure in te leiden. Ook geldt eenverplichting om de consument door te verwijzen naar schuldadvies-diensten. Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op tenemen met de gemeente voor hulp. Aanbieders van schuldadviesdienstenzullen geen rechtstreekse signalen van kredietverstrekkers ontvangen,want kredietverstrekkers wijzen de consument op de schuldadvies-diensten in de gemeente waar de consument woont. De mogelijke extratoestroom aan signalen kan er juist aan bijdragen dat het bereik vanschuldhulpverlening wordt verbeterd en meer mensen met problema-tische schulden geholpen worden. Het is niet de verwachting datgemeenten deze potentiële extra toestroom niet aankunnen.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een nieuwe definitiekomt van gebundelde verkoop en koppelverkoop. Kan de regeringduidelijk uiteenzetten wat er materieel gaat veranderen met de koppelver-koopbepaling ten opzichte van de huidige wetgeving? Wat was eerst weltoegestaan en straks niet meer?In de huidige wetgeving is al een koppelverkoopbepaling opgenomen inTitel 2a, afdeling 2, van Boek 7 BW, maar ter implementatie van de richtlijnis een specifiekere koppelverkoopbepaling opgenomen die vantoepassing is op consumentenkrediet in de zin van Titel 2a, afdeling 1, vanBoek 7 BW. Het uitgangspunt in de wet blijft dat koppelverkoop inbeginsel is verboden. Koppelverkoop van een betaal- of spaarrekening isslechts toegestaan in de in artikel 7:60a, tweede lid BW genoemdegevallen, bijvoorbeeld indien de rekening wordt gebruikt ter aflossing vanhet krediet of ter verschaffing van bijkomende zekerheden. Dit is groten-deels in lijn met de huidige wetgeving, alleen zijn de gebruiksdoelen vande rekening nauwer omschreven.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre, danwel in welke vormen ongevraagde kredietverlening nu voorkomt, met hetoog op het expliciete verbod uit artikel 7:58a BW.Artikel 7:58a BW implementeert artikel 15 en 17 van de richtlijn en betreftzuivere implementatie. Op dit moment zijn er geen signalen bekend datongevraagde kredietverlening door gereguleerde kredietaanbieders ofbemiddelaars plaatsvindt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 838 Het voorliggende wetsvoorstel introduceert bredere reclameregels tenaanzien van kredietovereenkomsten met consumenten. De leden van deChristenUnie-fractie juichen dit toe. Echter wordt uit de memorie vantoelichting geenszins duidelijk wat deze bredere reclameregels behelzen.Kan de regering dit toelichten?De bredere reclameregels worden onder meer opgenomen in artikel 7:59BW. Daarin is bepaald dat reclame- en marketingcommunicatie nietmisleidend, onduidelijk of oneerlijk mag zijn. Dat is het geval wanneerreclame valse verwachtingen schept over de beschikbaarheid van hetkrediet, de kosten van een krediet of het totale door de consument tebetalen bedrag. Daarnaast gelden de reclameverboden en reclamever-plichtingen die staan opgenomen en worden uitgebreid in artikel 53 BGfo.Deze wordt met het implementatiebesluit gewijzigd. Daarnaast worden erverplichtingen gesteld ten aanzien van de waarschuwing en standaardin-formatie die bij reclame voor krediet moet worden opgenomen, waarineen rentevoet of cijfers over de kredietkosten worden vermeld. Krediet-aanbieders moeten in reclame voor krediet een duidelijke waarschuwingopnemen: «Let op! Geld lenen kost geld». Dit volgt uit artikel 2:2 Nadereregeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo).De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over degewijzigde bepaling ten aanzien van geoorloofde debetstand. Wat is nu determijn waarbinnen het opgenomen bedrag moet worden terugbetaaldvoordat een procedure van incasso of invordering wordt gestart? Of wasdit in de huidige wetgeving niet geregeld? De wet introduceert eenverplichting om een «ruime» termijn te hanteren. Wat is volgens deregering «ruim»? Deze leden vragen de regering of de wetgever hier eenopen norm laat of dit wel nader invult?Wanneer een aanbieder de geoorloofde debetstand (roodstandlimiet) opeen rekening verlaagt of beëindigt, moet de aanbieder de consument degelegenheid geven om het opgenomen bedragen binnen 12 maandenterug te betalen, voordat de aanbieder een incasso- of invorderingspro-cedure inleidt. De richtlijn schrijft dit voor in artikel 24, vierde lid, van derichtlijn, welke wordt geïmplementeerd in artikel 7:63, vijfde lid (nieuw)BW. In de huidige wetgeving is deze twaalfmaandentermijn niet voorge-schreven.Alvorens invordering op te starten en daarvoor kosten in rekening tebrengen is de kredietverlener verplicht om de consument eerst in kenniste stellen van een verhoging van de debetrentevoet of kosten, geruime tijdvoordat deze wordt doorgevoerd. Dit volgt uit artikel 7:60, tweede lid BW.In de memorie van toelichting bij de implementatiewet wordt verwezennaar de wetshistorie bij artikel 7:60 BW, waar deze term «geruime tijd»ook terugkomt. Daaruit volgt dat van geval tot geval moet wordenuitgemaakt wat hier precies onder moet worden verstaan. De regeringvult deze norm niet nader in. De termijn van 14 dagen uit artikel 6:96 lid 5BW is niet van toepassing. In een gerechtelijke procedure kan de rechteraan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen of errauwelijks gedagvaard is. Indien de rechter van mening is dat daar sprakevan is kan de kredietverlener veroordeeld worden in de kosten van deprocedure.4. Mate van harmonisatie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of er naderin kan worden gegaan op de keuze om kaarten met uitgestelde debiteringonder het toepassingsbereik van de richtlijn te scharen. Wat zijn degevolgen voor de Nederlandse consument op dit punt? Is er bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 839 sprake van hogere kosten voor consumenten die dergelijke kaartenaanhouden? Waarom is er gekozen om juist op dit punt geen gebruik temaken van de uitzondering, daar waar voor MKB-aanbieders van «koopnu, betaal later»-diensten juist wel een uitzondering wordt gemaakt? Kande regering toelichten in hoeverre kaarten met uitgestelde betaling eensoortgelijke of andere werking hebben op consumentengedrag dan «koopnu, betaal later»-diensten zoals Klarna? Met name als het gaat om debeschikbaarheid onder jongeren?In de implementatiewet worden kaarten met uitgestelde debitering onderhet toepassingsbereik van de kredietregels gebracht. Hiervoor is voorna-melijk gekozen om de consument te beschermen. Indien deze kaartenbuiten het toepassingsbereik worden gelaten van de regels, betekent ditdat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten naar deze danongereguleerde diensten kunnen uitwijken. De consument wordt dan nietbeschermd bij het aangaan van krediet in de vorm van een kaart metuitgestelde debitering, waar deze bij andere vormen van krediet wel wordtbeschermd. Bovendien leidt het uitzonderen van deze kaarten van hettoepassingsbereik tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders vanconsumptief krediet. De keuze om kaarten met uitgestelde debitering nietuit te zonderen, is een nationale keuze. De uitzondering voormkb-aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten daarentegen, zoalsgenoemd in het verslag is geen nationale keuze, maar volgt dwingend uitde richtlijn. In de richtlijn staat in artikel 2, tweede lid, onder h dat uitstelvan betaling verleend door MKB-aanbieders (onder de in dat artikelgenoemde voorwaarden) uitgezonderd is van de richtlijn.Op dit moment worden «koop nu, betaal later»-diensten niet op dezelfdemanier gebruikt als kaarten met uitgestelde debitering. Dit heeft ermee temaken dat «koop nu, betaal later»-diensten op dit moment makkelijkbeschikbaar zijn voor jongeren boven de 18 jaar dan kaarten metuitgestelde debitering. «Koop nu, betaal later»-diensten kunnen, zekerwaar het gaat om het eerste gebruik, op dit moment vaak zonder enigekredietwaardigheidstoets worden afgenomen. De oorspronkelijkeaanbieders van kaarten met uitgestelde debitering voeren op dit momental een vorm van kredietwaardigheidsbeoordeling uit voorafgaand aan hetverstrekken van een kaart, waardoor deze producten minder makkelijktoegankelijk zijn. Dit ongelijke speelveld gaat met de nieuwe regelsveranderen en de regels voor beide producten worden gelijkgetrokken. Degevolgen voor de consument zullen zijn dat zij dezelfde beschermingkrijgen bij een kaart met uitgestelde debitering als bij andere vormen vanconsumptief krediet. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst is deaanbieder van een kaart net als andere aanbieders verplicht om tebeoordelen of het verantwoord is het krediet te verstrekken. De nieuweregels kunnen tot gevolg hebben dat de kaart met uitgestelde debiteringduurder wordt en minder toegankelijk wordt voor de consument. Dekosten die in rekening mogen worden gebracht aan de consumentworden gemaximeerd, maar de regering heeft wel ruimte gelaten voor hetzo veel mogelijk in stand houden van het huidige bedrijfsmodel.De leden van de PVV-fractie vragen waarom aan de AFM een nieuwe«productinterventiebevoegdheid» wordt toegekend die verder gaat danwat de CCDII minimaal vereist. In hoeverre leidt dit type bevoegdhedentot rechtsonzekerheid bij bedrijven en een verstikkend werkklimaat?De richtlijn bevat een lidstaatoptie om een productinterventiebevoegdheidtoe te kennen aan de nationale toezichthouder. De richtlijn vult dit nietnader in maar laat dit aan lidstaten om nader in te vullen. De voorwaardenzijn in de implementatiewet en het implementatiebesluit nader uitgewerkt.De verwachting is dat de productinterventiebevoegdheid van de AFM nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 840 zal leiden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven. Deze bevoegdheid magimmers uitsluitend worden uitgeoefend indien aan strenge voorwaardenwordt voldaan. Ook mag de AFM in het geval van een significante redentot bezorgdheid de bevoegdheid pas uitoefenen als andere bevoegdhedenuit haar instrumentarium niet toereikend zijn. In lagere regelgeving wordtdeze bevoegdheid verder uitgewerkt, namelijk in het BGfo. Daarin wordteen niet limitatieve opsomming van factoren opgesomd die de AFM inaanmerking kan nemen om te bepalen of er sprake is van een significantereden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.Deze voorwaarden worden gesteld om schadelijke marktpraktijken aan tepakken die anders niet kunnen worden tegengegaan. De bevoegdheid istoegekend aan de AFM, omdat de markt van kredietproducten zich snelontwikkelt. Daarom is het wenselijk dat de AFM ook voor bepaaldekredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde marktpraktijkenbij krediet, kan beoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer tedenken aan producten die voor schuldenproblematiek zorgen, zoalsflitskredieten of marktpraktijken waarbij het gemak waarmee het kredietwordt aangegaan reden tot bezorgdheid voor bescherming van deconsument vormen.De leden van de CDA-fractie lezen dat kaarten met uitgestelde betalingenonder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. Deze ledenvragen of dit betekent dat alle kaarten met een bepaalde vorm vanuitgestelde betaling hieronder komen te vallen of dat er uitzonderingenzijn.Alle kaarten met uitgestelde debitering komen onder het toepassings-bereik te vallen. Daarop zijn geen uitzonderingen. In de praktijk wordenook reguliere betaalpassen uitgegeven met mogelijkheden om bedragente laten reserveren op het banksaldo. Dit kwalificeert niet als kredietomdat de betaling niet later plaatsvindt. Het bedrag (bijvoorbeeld borgvoor een huurauto) wordt direct van het saldo afgehaald. De bestedings-ruimte op de betaalrekening moet dus toereikend zijn. Het bedrag kanzolang het is gereserveerd niet ergens anders voor worden gebruikt.Indien het bestede bedrag lager uitvalt, valt dat deel vrij op het saldo. Ditis een ander product dan geoorloofde debetstand (roodstand). Hierbijwordt immers wel krediet verstrekt. De consument krijgt de mogelijkheidom geleend geld te besteden, waarbij het saldo negatief kan worden.De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering gebruikmaakt van delidstaatoptie om de richtlijnbepalingen ten aanzien van standaardinfor-matie, reclame en precontractuele informatie niet van toepassing te latenzijn op bepaalde kredietovereenkomsten, zijnde kredietovereenkomstenvan minder dan 200 euro, zonder rente en korter lopend dan driemaanden. BNPL-diensten vallen de facto onder deze uitzonderingscate-gorie. Deze leden vragen of de regering inhoudelijk inzichtelijk kan maken,bij voorkeur in tabelvorm, welke informatieverplichtingen in deze situatiesnog wel van toepassing blijven en welke verplichtingen door het gebruikvan deze lidstaatoptie komen te vervallen.In het voorgestelde artikel 7:60, zesde lid (nieuw) BW staat welkeverplichtingen vervallen door gebruik van de lidstaatoptie. Het gaat om deverplichtingen uit artikel 10, vijfde lid, van de richtlijn. Voor het overigedienen «koop nu, betaal later»-aanbieders aan al de verplichtingen tenaanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele informatiete voldoen.Deze leden vragen daarnaast of de regering kan verduidelijken of dezeinformatieverplichtingen op transactieniveau of op accountniveau gelden.Met andere woorden: wordt de betreffende informatie bij iedere afzonder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 841 lijke transactie verstrekt of uitsluitend bij het aanmaken van een accountof het aangaan van een eerste kredietrelatie met de aanbieder.De informatieverplichtingen gelden bij het aangaan van iedere kredieto-vereenkomst. Indien sprake is van een doorlopend krediet, gelden bijtransacties binnen de limiet niet opnieuw deze informatieverplichtingen.Het is aan de aanbieder om daarin een afweging te maken.Daarnaast lezen deze leden dat de regering stelt dat het verstrekken vanprecontractuele informatie niet het belangrijkste element ter voorkomingvan overkreditering is. Deze leden ontvangen graag een toelichting op degrondslag van deze uitspraak, alsmede welke elementen volgens deregering wel als de belangrijkste worden beschouwd en welke maatre-gelen vervolgens specifiek op die belangrijkste elementen wordengenomen.Precontractuele informatie is belangrijk. Tegelijkertijd is niet deverwachting dat alle consumenten bij bijvoorbeeld «koop nu, betaallater»-kredieten deze informatie tot zich gaan nemen. Het belangrijksteelement ter voorkoming van overkreditering is de verplichte kredietwaar-digheidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register bij het aangaanvan de kredietovereenkomst. Hierdoor wordt voorkomen dat eenonverantwoord krediet wordt aangegaan. Gezien het voorgaande en dedaarbij behorende lastendruk voor de kredietaanbieder en kredietbemid-delaar om deze informatie te verstrekken, is gekozen voor deze specifiekeuitzondering op deze verplichtingen.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe deze uitzondering opde reclamevoorschriften zich verhoudt tot de breed aangenomen motievan het Lid Welzijn (Kamerstuk 24 515, nr. 810), waarin juist wordtopgeroepen om reclame voor BNPL-diensten te verbieden. Deze ledenvragen waarom er desondanks voor wordt gekozen om BNPL (deels) uit tezonderen van de reclamevoorschriften. Deze leden vragen hoe deregering deze keuze weegt in het licht van de duidelijke wens van deKamer om reclame voor deze diensten juist te beperken of te verbieden.De uitzondering ziet op enkele precontractuele informatieverplichtingenbij reclame en niet op reclameverboden. De reclameverboden die geldenvoor consumptief krediet, gelden ook voor «koop nu, betaal later»-diensten. Nederland maakt voor wat betreft de reclameverboden juistgebruik van de lidstaatoptie om extra strenge verboden te regelen en diegelden ook ten aanzien van «koop nu, betaal later»-aanbieders en gaatdaarmee zo ver als de richtlijn toelaat.Bij de lidstaatoptie om bepaalde kredieten uit te zonderen van precontrac-tuele informatieverplichtingen gaat het om de standaardinformatie diemoet worden opgenomen bij reclame voor krediet. Bij reclame voorkrediet dient bijvoorbeeld informatie te worden gegeven over het totalekredietbedrag en het jaarlijkse kostenpercentage. Door de uitzonderinghoeft bij drie typen kredietovereenkomst een deel van de standaardinfor-matie niet te worden verschaft bij het maken van reclame. Het gaatbijvoorbeeld om de duur van de kredietovereenkomst. Dit geldt alleenvoor het maken van reclame; indien een kredietovereenkomst wordtaangeboden dient deze informatie wel te worden verschaft. Ratio achterdeze lidstaatoptie is dat voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt datdeze overeenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten. Het is nietde verwachting dat de consument in die situaties de genoemde aanvul-lende precontractuele informatie tot zich zal nemen en de extrahoeveelheid informatie kan bovendien de kans vergroten dat deconsument de kernelementen van de overeenkomst over het hoofd ziet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 842 Voorts vragen deze leden of de regering alsnog wil inzetten op een(verdergaand) verbod op reclame voor BNPL-diensten mogelijk is. Zo nee,waarom niet.De richtlijn bevat specifieke en gedetailleerde bepalingen over reclamevoor krediet, waaronder «koop nu, betaal later»-diensten voor zover dezeonder de richtlijn vallen. In de artikelen 7 en 8 van de richtlijn zijn zowelinhoudelijke eisen aan kredietreclame opgenomen als explicieteverboden, bijvoorbeeld ten aanzien van misleidende of agressievereclame en reclame die suggereert dat krediet de financiële situatie van deconsument zal verbeteren. Hiermee beoogt de richtlijn consumenten tebeschermen tegen onverantwoorde kredietprikkels, terwijl ruimte blijftvoor feitelijke en evenwichtige informatievoorziening. De richtlijn heefthet karakter van een maximumharmonisatierichtlijn. Dit betekent datlidstaten in beginsel geen verdergaande of strengere nationale regelsmogen stellen dan de richtlijn toestaat. De richtlijn biedt geen ruimte omalle reclame voor kredietproducten zoals «koop nu, betaal later» volledigte verbieden. Een algeheel reclameverbod zou verder gaan dan hetEuropese kader toestaat en is daarmee juridisch niet toegestaan voor«koop nu, betaal later»-diensten die onder de reikwijdte van de richtlijnvallen. Wel biedt de richtlijn een lidstaatoptie om extra reclameregels in testellen. Nederland heeft gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie, waardoorhet verboden is reclame te maken voor krediet, waaronder «koop nu,betaal later», waarin bijvoorbeeld de snelheid of het gemak waarmeekrediet kan worden verkregen wordt benadrukt of wordt vermeld dat eenkorting alleen maar geldig is indien er een krediet wordt opgenomen.De leden van de CDA-fractie lezen dat gebruik is gemaakt van delidstaatoptie om micro-, kleine en middelgrote bemiddelaars die alsnevenactiviteit bemiddelen in krediet, vrij te stellen van de vergunnings-of registratieplicht. Deze leden vragen allereerst wat de precieze definitieis van «micro, kleine en middelgrote bemiddelaars» in dit kader.Daarnaast constateren deze leden dat (web)winkels die BNPL-dienstenaanbieden via een derde partij op deze wijze buiten de registratieplichtkunnen vallen. Deze leden vragen wat de verwachte impact zou zijn indiendeze bemiddelaars wél onder een registratieplicht zouden vallen.Voor deze definitie verwijst de richtlijn naar de Aanbeveling van deEuropese Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen. Van een micro-onderneming is sprake als erminder dan 10 medewerkers zijn en in het geval van een balanstotaal ofjaaromzet van maximaal EUR 2 mln. Van een kleine onderneming issprake als er minder dan 50 medewerkers zijn en in het geval van eenbalanstotaal of jaaromzet van maximaal EUR 10 mln. Van een middelgroteonderneming is sprake als er minder dan 250 medewerkers zijn en bij eenbalanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of jaaromzet van maximaalEUR 50 mln.Materieel zou het voorschrijven van een registratieplicht voor dezebemiddelaars weinig uitmaken. Het ontbreken van een registratieplichtontslaat ook kleine winkels nu niet van naleving van de gedragsregels uitDeel 4 Wft en toezicht door de AFM. Dit betekent bijvoorbeeld datreclameregels over achteraf betalen onverminderd van toepassing zijn ende AFM toezicht op naleving kan houden. De consument is op dezelfdewijze beschermd. De impact op de bemiddelaar, bij een eventueleverbreding van de registratieplicht, is dus klein en voor de consumenten-bescherming of vanuit toezichtsperspectief maakt het weinig verschil.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 843 De impact op aanbieders en de AFM is echter wel groot, indien dezekleine bemiddelaars wel onder de registratieplicht zouden vallen. Hetgevolg zou zijn dat elke winkelier in Nederland (dus ook een kleine boetiekmet één medewerker) die achteraf betalen aanbiedt als betaaloptie zichals kredietbemiddelaar zou moeten registreren bij de AFM. De aanbiedermoet deze registraties verzorgen. De AFM dient vervolgens alle regis-traties te verwerken.De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dateen dergelijke verplichting leidt tot een afname van het aanbod vanBNPL-diensten in de winkelstraat. Ook vragen deze leden hoe de regeringdit effect weegt ten opzichte van het belang van consumentenbe-scherming en toezicht op deze vorm van kredietverlening.Indien ook kleinere winkels onder het zwaardere registratieregimegebracht zouden worden, zal dit naar verwachting niet leiden tot eenafname van «koop nu, betaal later»-diensten. In theorie zou een aanbiedermet minder winkeliers willen samenwerken, omdat zij dan elke winkeliermoeten registreren als bemiddelaar. Of die afweging zo wordt gemaakt isniet te voorspellen. Zoals eerder toegelicht is de materiële impact verderbeperkt, maar zullen de lasten stijgen voor aanbieders en de AFM alsgevolg van de extra registraties van bemiddelaars zonder dat daarnoemenswaardige voordelen tegenover staan.De leden van de CDA-fractie waarderen dat het instrumentarium van deAFM wordt uitgebreid met betrekking tot productinterventie. Tegelijkertijdlezen deze leden dat, alvorens direct ingrijpen mogelijk is, eerst hetoverige handhavingsinstrumentarium moet worden doorlopen. Dezeaanvullende waarborg lijkt op gespannen voet te staan met de benodigdesnelheid van optreden. Deze leden vragen hoe de regering borgt dat deAFM, indien nodig, tijdig en doelgericht kan ingrijpen. Daarnaast vragendeze leden of de regering bereid is om te bezien of het handhavingsinstru-mentarium zodanig kan worden ingericht dat de AFM in urgente situatiessneller kan handelen, zonder onnodige procedurele vertragingen.De productinterventiebevoegdheid wordt aan de AFM toegekend voorsituaties waarin de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikendzijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormen totbezorgdheid over de consumentenbescherming. De gesteldevoorwaarden aan een voor de AFM bij dit product nieuwe bevoegdheidborgen dat het reguliere toezicht via het reguliere handhavingsinstrumen-tarium wordt uitgeoefend. Er is geen aanleiding om te veronderstellen datde AFM door de waarborgen die er zijn niet tijdig en doelgericht kanoptreden. Integendeel, deze bevoegdheid geeft de AFM meer mogelijk-heden, met behoud van waarborgen in het gebruikmaken van hettoezichtsinstrumentarium. De regering ziet dus ook geen aanleiding omhet instrumentarium van de AFM anders in te richten.De leden van de JA21-fractie constateren dat CCDII-lidstaten ruimte biedtom bepaalde kredietvormen uit te zonderen of lichter te behandelen. Dezeleden vragen waarom Nederland niet kiest voor een ruimere benuttingvan die mogelijkheden, bijvoorbeeld voor creditcards of andere vormenvan kredietverlening waarbij het risico op problematische schuldenbeperkter of anders van aard is. Kan de regering toelichten waarom zij opdeze punten niet aansluit bij lidstaten die wel gebruikmaken van dergelijkeuitzonderingen? Ziet de regering het risico dat Nederland door eenstrengere implementatie afwijkt van andere lidstaten, met mogelijkegevolgen voor het vestigingsklimaat en de beschikbaarheid van betaalpro-ducten voor Nederlandse consumenten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 844 Alleen voor de kredietvorm van kaarten met uitgestelde betaling biedt derichtlijn expliciet de mogelijkheid om deze vorm uit te zonderen van hetnationale toepassingsbereik. Andere vormen die de richtlijn onder hettoepassingsbereik brengt kunnen lidstaten niet uitsluiten. De keuze omkaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen is bovenal gemaaktter bescherming van de consument. Indien deze kaarten buiten hettoepassingsbereik worden gelaten van de regels, betekent dit dataanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten naar deze dan ongeregu-leerde diensten kunnen uitwijken. De consument wordt dan nietbeschermd bij het aangaan van krediet in de vorm van een kaart metuitgestelde debitering, waar deze bij andere vormen van krediet wel wordtbeschermd. Bovendien leidt het uitzonderen van deze kaarten van hettoepassingsbereik tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders vanconsumptief krediet.De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de beschik-baarheid van kaarten met uitgestelde debitering voor Nederlandseconsumenten, omdat Nederlandse partijen voornamelijk de Nederlandsemarkt zullen bedienen en daarmee aan meer regels moeten voldoen danpartijen die consumenten uit andere lidstaten bedienen. Tegelijkertijdvindt de regering het risico dat de kaart met uitgestelde debitering denieuwe vorm van ongereguleerde «koop nu, betaal later» wordt zwaarderwegen. De regering heeft in het implementatiebesluit wel wijzigingenvoorgesteld om de impact op de creditcardbranche te verzachten. Er iszoveel mogelijk rekening gehouden met het producttype van de kaart metuitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hunbedrijfsmodel kunnen blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoedingwordt bijvoorbeeld gewijzigd zodat bepaalde kosten (zoals kosten vooreen additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag bij transacties invreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en dus inrekening mogen worden blijven gebracht aan consument.Deze leden vragen of de regering heeft onderzocht welke onbedoeldeneveneffecten kunnen ontstaan als relatief laagrisico-betaalproductenonder een zwaarder regime worden gebracht. Bestaat het risico dataanbieders bepaalde producten staken, kosten doorberekenen aanconsumenten of de toegang tot betaalfaciliteiten beperken? Is in kaartgebracht of consumenten daardoor zullen uitwijken naar mindergereguleerde of minder transparante vormen van krediet?De richtlijn schrijft dwingend voor dat bepaalde kredietovereenkomstenonder het toepassingsbereik van de kredietregels vallen. Waar het kredietin de vorm van uitgestelde debitering betreft en dus een nationale keuze,is door aanbieders daarvan gewezen op eventuele effecten op de markt.De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de kosten ende beschikbaarheid van kaarten met uitgestelde debitering voor Neder-landse consumenten alsmede de toegang daartoe. Tegelijkertijd vindt deregering het risico dat de kaart met uitgestelde debitering de nieuwe vormvan ongereguleerde «koop nu, betaal later» wordt zwaarder wegen. Deregering heeft in het implementatiebesluit wijzigingen voorgesteld om deimpact op de creditcardbranche te verzachten. Er is zoveel mogelijkgeprobeerd rekening te houden met het producttype van de kaart metuitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hunbedrijfsmodel kunnen blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoedingwordt bijvoorbeeld gewijzigd zodat bepaalde kosten (zoals kosten vooreen additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag bij transacties invreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en dus inrekening mogen worden blijven gebracht aan consument. De regering zietop dit moment geen evident ontwijkingsrisico naar ongereguleerdekredietvormen als alternatief voor de kaart met uitgestelde debitering. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 845 is de vraag of de gemiddelde consument die bijvoorbeeld de kaart metuitgestelde debitering gebruikt voor vakanties, voor dergelijk gebruik zichgaat wenden tot ongereguleerde kredietvormen.De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat het noodzakelijk is omhet onwenselijk onderscheid tussen wanneer een consument iets van eenplatform zelf koopt of via een aangesloten partij op te heffen. Deze ledenvragen de regering welke keuzes omliggende landen hier maken? Makendeze landen ook deze keuze? Kan de regering toelichten waarom hier doorde Richtlijn de mogelijkheid is geboden om hier onderscheid te kunnenmaken?Overweging 14 van de preambule van de richtlijn biedt aan lidstaten deruimte om het toepassingsbereik van de richtlijn uit te breiden. Van dezemogelijkheid is in de implementatiewet gebruik gemaakt door ookkredietovereenkomsten in de vorm van uitgestelde betaling doorplatforms onder het toepassingsbereik te brengen. De regering heefthiertoe besloten omdat anders de vreemde situatie kan ontstaan dat eenconsument die via een platform producten koopt, soms wel en soms nietwordt beschermd. Duitsland en Frankrijk reguleren platforms nietexpliciet.De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de keuze om creditcardsonder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten vallen. Welke keuzemaken de ons omringende landen? Kunnen Nederlandse consumentendan een creditcard krijgen via een andere lidstaat om de wettelijkevoorwaarden te kunnen omzeilen? Zo ja, wat zijn hiervan de mogelijkegevolgen en risico’s?De richtlijn brengt krediet in de vorm van kaarten met uitgesteldedebitering onder het toepassingsbereik. Lidstaten hebben de mogelijkheidom deze kaarten uit te zonderen op grond van artikel 2, vijfde lid, van derichtlijn. Zweden reguleert kaarten met uitgestelde debitering wel, maarschrijft geen verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling voor. Duitsland,Frankrijk en België reguleren de kaarten met uitgestelde debitering niet.Zij zonderen de kaarten uit van het toepassingsbereik van de richtlijn. Inde implementatiewet worden deze kaarten in Nederland wel gereguleerd.Nu de richtlijn expliciet uitgaat van de mogelijkheid van regulering vandeze kaarten door lidstaten, dienen aanbieders van deze kaarten die dezeaanbieden op de Nederlandse markt de Nederlandse regels na te leven.Indien een aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering dus kredietin de vorm van een kaart met uitgestelde debitering aanbiedt aanconsumenten in Nederland, valt dit onder de Nederlandse kredietregels inhet BW en de Wft. De risico’s voor omzeiling worden daarom beperktingeschat.De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen niet goed waarom kaartenmet uitgestelde debitering via een lidstaatoptie onder toepassingsbereikvan de Richtlijn kunnen worden gebracht. Deze leden achten het gezien deargumenten van de regering (onvoldoende en ongelijke consumentenbe-scherming en een ongelijk speelveld) onwenselijk wanneer hieroverbinnen de Unie verschillen ontstaan. Hoe ziet de regering dit?Het is inderdaad onwenselijk als verschillen ontstaan tussen lidstaten alsgevolg van de keuze om wel of niet gebruik te maken van de lidstaatoptie.De regering had liever gezien dat kaarten met uitgestelde debitering in dehele Europese Unie verplicht onder het toepassingsbereik van de richtlijnwerden gebracht. Maar nu het een optie is, vindt de regering het zoalseerder en in de memorie van toelichting toegelicht van belang datNederland gebruik hiervan maakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 846 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de exacteinvulling van de wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering. Klopthet dat de wet (en/of lagere regelgeving) voorschrijft dat aanbieders vankaarten met uitgestelde debitering jaarlijks een controle moeten doen opkredietwaardigheid? In hoeverre acht de regering dit proportioneel geziende huidige beperkte omvang van consumenten die betalingsachter-standen oplopen via hun kaart met uitgestelde debitering?De wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering is hetzelfde als voorandere kredietvormen. Net als voor andere vormen van consumptiefkrediet gaat een verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling met eenraadpleging bij het BKR gelden bij het aangaan van een kredietovereen-komst. Daarnaast zullen de regels met betrekking tot reclame, inclusief dereclameverboden, de precontractuele informatieverplichtingen en destandaardinformatie gelden. Ook gaat het besluit kredietvergoedinggelden voor kaarten met uitgestelde debitering. Hierin is geregeld dat deaanbieders van kaarten met uitgestelde debitering bij een regelmatigeafwikkeling jaarlijks maximaal € 60 aan kosten in rekening mogenbrengen, bijvoorbeeld in de vorm van kaartkosten. Daarnaast mag eenoverboekings- en opnamevergoeding in rekening worden gebracht, maardie mag niet meer bedragen dan 2 of 3% van het opgenomen of overge-boekte bedrag. Bij niet nakoming geldt een ten hoogste toegelatenvertragingsvergoeding van € 20 tot een maximum van € 60 per kalen-derjaar per kredietnemer.In de consultatieversie van het implementatiebesluit stond opgenomendat kredietaanbieders van consumptief krediet, waaronder de aanbiedersvan kaarten met uitgestelde debitering, jaarlijks een controle moeten doenop kredietwaardigheid. Dit is inmiddels aangepast naar aanleiding van deconsultatie. In plaats van een jaarlijkse verplichte kredietwaardigheidsbe-oordeling wordt een actualisatiebeleid verplicht voor aanbieders vandoorlopend krediet. Uit het beleid volgt in welke situaties er opnieuw eenkredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er gebruik gemaakt wordtvan een lidstaatoptie om enkele precontractuele informatieverplichtingenniet van toepassing te verklaren op kaarten met uitgestelde debitering,«koop nu, betaal later»-diensten en kleine kredieten tot 200 euro. De ledenvan de ChristenUnie-fractie vragen de regering om deze keuze nader temotiveren.Er is gekozen voor deze lidstaatoptie met een uitzondering op deinformatieverplichtingen, omdat dit volgens de regering vanuit hetoogpunt van proportionaliteit en lastendruk toelaatbaar is. Voor kaartenmet uitgestelde debitering geldt dat er op dit moment in de praktijk geensprake is van grote achterstanden op deze kredietovereenkomsten. Ditgeeft aanleiding voor een verlicht regime van precontractuele informatie-verplichtingen. Voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat dezeovereenkomsten online en in korte tijd worden afgesloten, zodat het nietde verwachting is dat de consument in deze situaties de genoemdeaanvullende precontractuele informatie zal lezen. De extra hoeveelheidinformatie kan bovendien zelfs de kans vergroten dat de consument dekernelementen van de kredietovereenkomst over het hoofd ziet. Dit laatstegeldt ook voor kleine kredieten tot een bedrag van € 200. Daarnaast is hetontvangen van precontractuele informatie niet het belangrijkste elementter voorkoming van overkreditering, maar de verplichte kredietwaardig-heidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register bij het aangaanvan de kredietovereenkomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 847 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorbeelden teschetsen van micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die alsnevenactiviteit krediet aanbieden waarvoor de regering regelt dat zij eenuitzondering krijgen van de verplichting om een vergunning aan te vragenbij de AFM? Wat is de schaal van een middelgrote aanbieder? Wat is eennevenactiviteit? Hoe klein moet deze nevenactiviteit zijn om tot nevenacti-viteit te behoren?Het gaat bijvoorbeeld om een kledingboetiek die uitstel van betaling viaeen «koop nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie aanbiedt in dewinkel of webshop. Van een middelgrote onderneming is sprake als erminder dan 250 medewerkers zijn en bij een balanstotaal van maximaalEUR 43 mln. of jaaromzet van maximaal EUR 50 mln. Het begrip «neven-activiteit» wordt niet gedefinieerd in de richtlijn. Het uitgangspunt bij eennevenactiviteit zoals beschreven in de memorie van toelichting is dat hetverrichten van de activiteit niet de hoofdactiviteit is van de bemiddelaar inkrediet en meer het karakter heeft van een ondersteunende activiteit. Eenvoorbeeld is een winkel die als hoofdactiviteit zich bezighoudt met hetverkopen van kleding of andere goederen. De nevenactiviteit in het kadervan bemiddelen in krediet is dan het aanbieden van achteraf betalen viaeen «koop nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie in de winkel.De uitwerking van de nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaatsin lagere regelgeving, zo lezen de leden van de ChristenUnie-fractie. Inwelke regelgeving wordt dit uitgewerkt? Wat voor soort zaken wordenneergelegd in de lagere regelgeving om de productinterventiebe-voegdheid nader in te vullen en waarom heeft de regering gekozen ditniet op wetsniveau te doen?In de implementatiewet is bepaald dat voor de uitoefening van deproductinterventiebevoegdheid onder meer sprake moet zijn van eensignificante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Inhet implementatiebesluit wordt vervolgens een (niet-limitatieve)opsomming van factoren opgenomen die de AFM in aanmerking kannemen bij het bepalen of er sprake is van een significante reden totbezorgdheid over de consumentenbescherming. Voorbeelden vanfactoren zijn de omvang van potentieel nadelige gevolgen voor deconsument, het soort consument dat bij een gedraging of beleidbetrokken is en aan wie het krediet wordt aangeboden. De uitwerking vandeze nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in een nieuwartikel in het BGfo (in artikel 115ad BGfo) dat wordt voorgesteld in hetimplementatiebesluit. De reden voor uitwerking in lagere regelgeving isdat eventuele wijzigingen in de nadere regels – indien noodzakelijk –sneller kunnen worden doorgevoerd. De hoofdvoorwaarden volgen echteruit de wet.5. Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationalerecht De leden van de D66-fractie begrijpen dat andere Europese landen ervoorkiezen om minder aanvullende maatregelen te treffen. Verwacht deregering dat dit negatieve effecten heeft voor de uitvoering van demaatregelen in Nederland?De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie. Hierdoor zijn deregels in de lidstaten voor het overgrote deel gelijk en kan daarop toezichtworden gehouden. Tegelijkertijd biedt de richtlijn soms ruimte om anderekeuzes te maken. Het is niet uit te sluiten dat regels tussen lidstaten alsgevolg hiervan kunnen verschillen. Tegelijkertijd acht de regering degemaakte keuzes uitvoerbaar voor de sector en ook de toezichthoudersTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 848 hebben dit bevestigd. Hierdoor verwacht de regering dat eventuelenegatieve effecten beperkt zijn. Verder zullen verschillen in nationaleimplementatie in de contacten tussen de sector en toezichthouder aan deorde komen. De verschillen zullen ook, zoals genoemd in artikel 46, derdelid, van de richtlijn, onderwerp zijn van de evaluatie van de richtlijn doorde Europese Commissie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat er eindelijk eenwettelijk verbod komt op uitstel van betalingen voor jongeren. Deze ledenvragen de regering hoe de regering effectief het verbod zal handhaven enhoe de sanctionering eruit ziet voor overtreders.Het voorgestelde artikel 4:34b, waarin het publiekrechtelijk verbod staatopgenomen en de verplichting tot leeftijdsverificatie, wordt in artikel 10Bbbfs beboetbaar gesteld met een boete van de derde categorie. Tevensstaan de AFM andere minder zware handhavingsinstrumenten terbeschikking. Het Bbbfs wordt gewijzigd met het implementatiebesluit datrecent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangpro-cedure.De leden van de CDA-fractie stellen vast dat aanbieders op grond van derichtlijn verplicht zijn deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie(in Nederland het BKR). De nadere voorwaarden voor registratie in hetBKR worden echter geregeld in het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie,dat nog in behandeling moet worden genomen in het parlement. In datlicht vragen deze leden wat de voorgenomen inzet van de regering is tenaanzien van BKR-registraties in het kader van de implementatie van deCCDII. Deze leden vragen wanneer krediet precies wordt geregistreerd enof hierbij een minumumdrempelwaarde geldt en zo ja, welke. Daarnaastvragen deze leden hoe lang deze kredieten geregistreerd blijven. Ookvragen deze leden of bij deze registratie gekeken wordt naar het effect vanstapeling van verschillende kleine kredieten. Als laatste vragen deze ledenof elke vorm van krediet ongeacht de hoogte van het krediet wordtgetoetst.Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, enis dus geen onderdeel van de richtlijn die door middel van de implemen-tatiewet geïmplementeerd wordt. Totdat de wet stelsel kredietregistratiegaat gelden, blijft de huidige werkwijze van het BKR van kracht, zoalsvastgelegd in het algemeen reglement van het BKR. Overeenkomsten meteen kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maandworden geregistreerd bij het BKR (positieve registratie). Daarnaastworden betalingsachterstanden in het geval van meerdere achterstalligetermijnen geregistreerd (negatieve registratie). De gegevens metbetrekking tot overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 meteen looptijd van meer dan één maand worden vijf jaar geregistreerd naafloop van de kredietovereenkomst. De gegevens met betrekking totbetalingsachterstanden worden vijf geregistreerd na het aflossen van deachterstand.Het gevolg van de drempelwaarde is dat kleine kortlopende kredieten nietin alle gevallen worden geregistreerd in het BKR, omdat een consumentbij meerdere aanbieders kredieten onder de € 250 kan aanvragen waarnadeze niet positief worden geregistreerd bij het BKR. Daar kan dusstapeling optreden. Tegelijkertijd kan niet bij dezelfde aanbieder wordengestapeld en worden achterstanden wel vanaf € 0 geregistreerd.Voor raadpleging van het BKR geldt dat in het implementatiebesluit, viawijziging van artikel 114 BGfo, wordt bepaald dat een kredietaanbieder bijieder te verstrekken krediet het BKR dient te raadplegen. Eerst bestond erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 849 een grens voor raadpleging van kredieten vanaf € 250, maar deze komt tevervallen.Naast mogelijke onduidelijkheid voor kredietnemers voorzien de ledenvan de CDA-fractie ook implementatieproblemen voor kredietverstrekkersindien deze parameters bij inwerkingtreding van de CCDII nog nietvolledig zijn uitgekristalliseerd. Deze leden vragen op welke wijze dezesamenloop tussen beide trajecten wordt gemitigeerd en hoe geborgdwordt dat dit niet leidt tot uitvoeringsproblemen of inconsistenties in depraktijk.De implementatiewet heeft een toepassingsdatum die niet kan wordenuitgesteld. Ondertussen wordt verder gewerkt aan het wetsvoorstel stelselkredietregistratie, waarop recent een tweede wetgevingstoets van de APis ontvangen. Totdat de wet stelsel kredietregistratie in werking isgetreden geldt de huidige situatie. Hiermee wordt voorkomen dat beidewetsvoorstellen door elkaar heen gaan lopen.De leden van de CDA-fractie staan achter een verbod op BNPL-dienstenaan minderjarigen. Alleen wanneer er sprake is van toestemming van dewettelijke vertegenwoordiger (ouders, voogd) is er een uitzondering. Dezeleden vragen echter op welke wijze wordt geborgd dat een dergelijketoestemmingsverklaring daadwerkelijk ondubbelzinnig, expliciet enverifieerbaar door de ouder zelf wordt afgegeven en niet kan wordenomzeild of gefingeerd.Een toestemmingsverklaring volstaat niet voor krediet in de vorm vanuitstel van betaling van roerende zaken of diensten. Minderjarigen kunnendeze overeenkomsten dus niet gebruiken, ook niet met toestemming.Deze leden benadrukken dat een wettelijk verbod op BNPL voor minderja-rigen uiteindelijk staat of valt met effectieve handhaving en naleving in depraktijk. Hoewel verankering in de Wft en het BW hierbij een belangrijkebasis vormt, achten deze leden het van belang dat ook de platforms zelfeen actieve en controleerbare rol vervullen in de naleving. Deze ledenvragen op welke wijze hier concreet op ingezet wordt. Deze leden vragenook welke eisen gesteld worden aan de verificatie van ouderlijketoestemming en hoe gecontroleerd wordt dat aanbieders deze verplich-tingen niet slechts formeel, maar ook materieel naleven.Het voorgestelde artikel 4:34b Wft, waarin het publiekrechtelijk verbodstaat opgenomen en de verplichting tot leeftijdsverificatie bij «koop nu,betaal later», wordt in artikel 10 Besluit bestuurlijke boetes beboetbaargesteld met een boete van de derde categorie. Tevens staan de AFMandere, minder zware handhavingsinstrumenten ter beschikking.Toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger is bij krediet in devorm van uitgestelde betaling uitgesloten. Ook met die toestemming ishet aangaan van een dergelijk krediet met een minderjarige niet toege-staan. Waar het gaat om andere vormen van krediet is dit wel toegestaan.Artikel 4:34b Wft vereist als lex specialis een ondubbelzinnige enduidelijke bevestigende handeling. Dit is een zwaar vereiste en legt hetrisico van onvolledige controle van de leeftijd bij de aanbieder.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er nog recenter onderzoekbeschikbaar is over hoeveel transacties er zijn gedaan via rekeningen opnaam van een minderjarige aan BNPL-aanbieders dan het onderzoek uit2023 wat genoemd wordt in de memorie van toelichting? Is bekend of degedragscode materieel effect heeft gehad? Aanvullend vragen deze ledenof er ook cijfers beschikbaar zijn over het gebruik door minderjarigen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 850 «koop nu, betaal later»-diensten via platforms die uitgestelde betalingaanbieden?Voor zover bekend is er geen recenter openbaar onderzoek beschikbaardat opnieuw heeft gemeten hoeveel transacties via rekeningen op naamvan minderjarigen zijn gedaan bij «koop nu, betaal later»-aanbieders. Demeest recente gepubliceerde meting is het onderzoek van de AFM,gepubliceerd in april 2024.De AFM heeft in haar Buy Now, Pay Later Marktupdate 202513 geennieuwe cijfers gepubliceerd over het aantal transacties door minderja-rigen. Wel verwijst zij daarin opnieuw naar de eerder vastgestelde circa600.000 mogelijke «koop nu, betaal later»-transacties door minderjarigenin 2023 en constateert zij dat aanbieders inmiddels aanvullende maatre-gelen hebben genomen om minderjarigen uit te sluiten. Voor zoverbekend zijn geen afzonderlijke cijfers beschikbaar over het gebruik vanuitgestelde betaalmogelijkheden door minderjarigen via e-commerce-platforms die zelf achteraf betalen aanbieden. De AFM heeft welonderzoek gepubliceerd naar het gebruik van «koop nu, betaal later» doorminderjarigen bij «koop nu, betaal later»-aanbieders en heeft daarnaast inhaar Buy Now, Pay Later Marktupdate 2025 gerapporteerd over hetgebruik van achteraf betalen via grote e-commerceplatforms. De AFMheeft daarbij echter geen uitsplitsing naar minderjarige gebruikers vandeze platformdiensten gepubliceerd.Er zijn aanwijzingen dat de Gedragscode BNPL effect heeft gehad. Uit dejaarlijkse zelfevaluatie van de bij de gedragscode aangesloten aanbiedersblijkt onder meer dat het aandeel transacties waarbij incassokosten inrekening zijn gebracht is gedaald van 4,0% naar 2,59% en dat het aandeeltransacties dat is doorgezet naar een incassobureau is afgenomen van0,84% naar 0,75%. Daarnaast is het aantal afgewezen transacties vanconsumenten die eerder een ingebrekestelling hebben ontvangengestegen van circa 0,9 miljoen naar circa 1,8 miljoen. Dit laatste hangtsamen met de in de gedragscode opgenomen afspraak dat aan dezeconsumenten geen nieuwe «koop nu, betaal later»-diensten wordenverleend.Op basis van deze cijfers lijkt de gedragscode bij te dragen aan hetterugdringen van betalingsachterstanden en incassotrajecten. Tegelij-kertijd kan niet vastgesteld worden in welke mate de waargenomenverbeteringen rechtstreeks aan de gedragscode zijn toe te schrijven omdatgeen onafhankelijke evaluatie is uitgevoerd.De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat een overeenkomst diegesloten is met een minderjarige die niet voldoet aan artikel 7:75,vierde lid, van het BW vernietigbaar is. Deze leden vragen in hoeverredeze vernietigbaarheid ook geldt voor de andere wettelijke voorwaardendie aan kredietovereenkomsten worden gesteld, bijvoorbeeld rondkredietwaardigheidsbeoordelingen?De verplichtingen in de Wft zijn in beginsel toezichtrechtelijk van aard enzijn via die weg gesanctioneerd. De rechter moet op grond van recht-spraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie toetsen of bij detotstandkoming van de kredietovereenkomsten aan bepalingen inzakevoorkomen van overkreditering is voldaan. Als blijkt dat sprake is vanschending van informatieplichten of de kredietwaardigheidstoets, dan kandit leiden tot vernietiging van de kredietovereenkomsten. In de recht-13https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2025/juli/pb-marktupdate-BNPL-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 851 spraak heeft in individuele gevallen een ontoereikende kredietwaardig-heidsbeoordeling geleid tot vernietiging van de rechtshandeling.6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat de kredietwaardigheidstoets verderwordt uitgebreid. Deze leden begrijpen het belang van een zorgvuldigetoetsing, maar vragen tegelijkertijd aandacht voor proportionaliteit enprivacy. Kan de regering verduidelijken of bij iedere kleine transactieinkomens- en uitgavengegevens moeten worden verzameld? Hoeverhoudt dit zich tot het principe van dataminimalisatie en het beperkenvan administratieve lasten voor consumenten en ondernemers? Is deregering bereid om ruimte te bieden voor een risico-gebaseerde enproportionele benadering bij laag-risico kredieten?Er wordt niet voorgeschreven om bij iedere kleine transactie inkomens- enuitgavengegevens te verzamelen. Indien het passend is naar de omstan-digheden, hoeven voor een kredietwaardigheidsbeoordeling geeninkomsten of uitgaveninformatie te worden opgevraagd. Bij hele kleinekredieten in de vorm van uitgestelde betaling is dat voorstelbaar. Indieninformatie over inkomsten en lasten van de consument wel noodzakelijk isom een passende kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, dient ditwel te worden opgevraagd en geverifieerd. In het implementatiebesluit isdaarnaast opgenomen dat bij kredieten onder de € 100 een kredietwaar-digheidsbeoordeling volstaat waarbij het BKR wordt geraadpleegd en hetCCBR.De ruimte die de richtlijn en de implementatiewet geeft voor hettoepassen van proportionaliteit bij de kredietwaardigheidsbeoordeling,maakt dat aanbieders, samen met de toezichthouder, kunnen beoordelenwelke gegevens van de consument nodig zijn per soort krediet. Daarbij zaleen aanbieder de afweging maken tussen informatie die daadwerkelijkbijdraagt aan de risicobeoordeling en informatie geeft over de krediet-waardigheid van de consument versus de administratieve lasten diedaarmee gepaard gaan voor zowel de aanbieder zelf als de consument.In diverse position papers wordt breed gewaarschuwd dat standaardexterne verificatie van financiële gegevens leidt tot grootschaligeverwerking van gevoelige persoonsgegevens, terwijl het merendeel vandeze kredieten probleemloos wordt terugbetaald. Dit raakt volgens deleden van de VVD-fractie aan het AVG-beginsel van dataminimalisatie.Hoe verhoudt de verplichte gegevensverzameling en -verificatie zich tothet beginsel van dataminimalisatie onder de AVG en is overwogen deAutoriteit Persoonsgegevens hierover expliciet te betrekken?De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd op de implementatiewet. DeAP heeft in haar advies op de implementatiewet geschreven dat hetbeginsel van dataminimalisatie geldt in het kader van de kredietwaardig-heidsbeoordeling. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoor-deling zal de aanbieder dan ook dit beginsel moeten wegen, naast deweging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegenbeoordeling te komen over de kredietwaardigheid van de consument.De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel toestaat datbijzondere categorieën van persoonsgegevens tijdelijk worden verwerktom deze te «lakken» voordat zij worden gebruikt voor de kredietwaardig-heidsbeoordeling. Dit wordt gerechtvaardigd vanuit een zwaarwegendalgemeen belang. Hoe wordt voorkomen dat deze tijdelijke verwerking inde praktijk leidt tot ruimere gegevensverzameling dan strikt noodzakelijken hoe wordt hier effectief toezicht op gehouden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 852 De richtlijn verbiedt in artikel 18, derde lid dat de kredietwaardigheidsbe-oordeling wordt uitgevoerd met informatie die bestaat uit bijzonderecategorieën van persoonsgegevens en wordt geïmplementeerd met eenvoorgesteld nieuw artikel 4:34a Wft. Het artikel schrijft verder voor dat hetlakken van deze gegevens dient te gebeuren door een aparte afdeling vande aanbieder van krediet of een derde die niet betrokken is bij detotstandkoming van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Voor de partij ofafdeling die de informatie opvraagt geldt, ook in het kader van dekredietwaardigheidsbeoordeling, het beginsel van dataminimalisatie. Dehierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder striktevoorwaarden. De verwerking mag er alleen toe dienen om de van deconsument voor de kredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatiete controleren op de aanwezigheid van bijzondere categorieën vanpersoonsgegevens en deze, waar aanwezig, te verwijderen. Dezeverwerking moet bovendien als doel hebben dat de geschoonde infor-matie uiteindelijk wordt gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling(de informatie mag dus niet ergens anders voor worden gebruikt). DeAFM houdt toezicht op de norm voor verantwoorde kredietverstrekking inde Wft en de AP is de bevoegde toezichthouder wat betreft de verwerkingvan persoonsgegevens conform de AVG.De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde gegevensverza-meling zich verhoudt tot het beginsel van gegevensminimalisatie onderde AVG. Kan de regering toelichten welke gegevens minimaal noodza-kelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en welke gegevensaanbieders juist niet zouden moeten opvragen? Hoe wordt voorkomen dataanbieders uit toezichtsvrees meer persoonsgegevens verzamelen dannoodzakelijk?De AP heeft in haar advies op de implementatiewet geschreven dat hetbeginsel van dataminimalisatie geldt in het kader van de kredietwaardig-heidsbeoordeling. Bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoor-deling zal de aanbieder dan ook dit beginsel moeten wegen, naast deweging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegenbeoordeling te komen over de kredietwaardigheid van de consument. Debepaling in zowel de richtlijn als implementatiewet ten aanzien van dekredietwaardigheidsbeoordeling betreft een open norm. Uit deze normvolgt enkel dat de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt uitgevoerd opbasis van relevante en nauwkeurige informatie inzake het inkomen en deuitgaven van de consument en andere financiële en economischeomstandigheden, die noodzakelijk is en evenredig met de aard, duur,waarde en risico’s van het krediet voor de consument. Welke gegevensminimaal noodzakelijk zijn is aan de aanbieder van krediet om te bepalen,eventueel samen met de toezichthouder. In dat kader worden op ditmoment door de VFN nieuwe leennormen ontwikkeld, in overleg met deAFM en het Ministerie van Financiën. De leennormen worden in beginselsectorbreed gedragen, maar het staat aanbieders die niet zijn aangeslotenbij de VFN om een eigen beleid over leennormen te voeren. Er dient eenbalans te worden gevonden tussen enerzijds het beginsel van datamini-malisatie en anderzijds een zinvolle kredietwaardigheidsbeoordeling. Diebalans kan worden gevonden in de open norm van een proportionelekredietwaardigheidsbeoordeling. Zowel de AFM als de AP zijn bevoegdals toezichthouder om toe te zien op het naleven van deze normen. Ditverkleint het risico dat de balans naar één kant doorslaat. Tot slot hebbenaanbieders ook een commercieel belang om niet meer informatie bij deconsument op te vragen dan noodzakelijk. Bijvoorbeeld omdat consu-menten kiezen om niet over te gaan tot het sluiten van het kredietwanneer te veel informatie versterkt moet worden of het verstrekken vanhet krediet door de hoeveelheid informatie niet snel genoeg kan wordengedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 853 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatiebekend is over het aantal transacties en de omvang daarvan van de10 aanbieders van krediet in de subcategorie «koop nu, betaal later»-diensten? Voorts vragen deze leden of het doel van deze implementa-tiewet is om de omvang hiervan terug te dringen?In de memorie van toelichting wordt gesproken van tien aanbieders dieactief zijn in Nederland, waarvan drie platforms. Deze aantallen zijn aanverandering onderhevig gezien de concurrentie op de markt. Er isinformatie bekend over het aantal transacties en de omvang daarvan vanvier aanbieders van krediet in de categorie «koop nu, betaal later»-diensten. Deze informatie komt uit de Buy Now Pay Later Marktupdate2025 van de AFM. Deze marktupdate is gebaseerd op vier aanbieders diezich hebben gecommitteerd aan de Gedragscode BNPL, te weten Billink,in3, Klarna en Riverty. Bekend is dat er in 2024 zo’n 53 miljoen «koop nu,betaal later»-transacties plaatsvonden met een gemiddelde waarde van€ 96,60. Deze vier kredietaanbieders hadden zo’n 5,5 miljoen gebruikers in2024. In dezelfde marktupdate is ook aandacht besteed aan drie grotee-commerce platforms die achteraf betalen aanbieden: Amazon, Bol enZalando. De drie e-commerceplatforms hadden in 2024 zo’n 4,4 miljoen(niet unieke) gebruikers, waardoor de AFM concludeerde dat in termenvan gebruikersaantallen de drie e-commerceplatforms op het gebied vanachteraf betalen bijna even groot zijn als de «koop nu, betaal later»-sector.Het doel van de implementatiewet is niet om de omvang van het aantalpartijen, aantal transacties of omvang van transacties terug te dringen.Het doel van de implementatiewet is het waarborgen van een hoogniveau van consumentenbescherming en het bevorderen van de internemarkt.De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat aanbieders die bekend staanom hun «koop nu, betaal later»-diensten andere wegen zoeken om hunproducten aan de man te brengen, waaronder kaarten met uitgesteldedebitering (ofwel creditcards). Deze leden vragen de regering uiteen tezetten in hoeverre de kosten en de wettelijke vereisten overeenkomen danwel verschillen voor het te laat betalen van het tegoed op de creditcardten opzichte van de kosten voor het te laat betalen van de «koop nu,betaal later»-vordering?Met het implementatiebesluit wordt het Besluit kredietvergoedinggewijzigd zodat aanbieders die krediet aanbieden zonder rentevastekredietkosten mogen rekenen, inclusief vaste kosten voor niet-nakoming.Voor aanbieders die krediet aanbieden en daarbij rente rekenen blijven debestaande regels van de maximale kredietvergoeding uitgedrukt in eenrentepercentage van toepassing. Aanbieders kunnen afhankelijk van dekredietvorm (mét of zonder rente) kiezen voor één van deze twee regimes.Met deze wijziging is beoogd het voor aanbieders van kaarten metuitgestelde debitering mogelijk te maken zowel de gebruikelijke kaart-kosten, als de transactiegerelateerde kosten (gedefinieerd als deoverboekings- of opnamevergoeding) te blijven rekenen. Wel worden dekaartkosten gemaximeerd op een totaal van € 60 per jaar, en deoverboekings- of opnamevergoeding op 3% per overboeking of opname.Deze regels gaan ook gelden voor «koop nu, betaal later»-krediet,waardoor aanbieders hiervan deze kosten ook in rekening mogenbrengen.Voor uitstel van betaling (dus zowel kaarten met uitgestelde debitering als«koop nu, betaal later»-diensten), waarbij geen rente in rekening wordtgebracht, is in het Besluit Kredietvergoeding een maximumvertragings-vergoeding in de vorm van (i) een maximumbedrag van € 20 per keer datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 854 een kredietnemer niet nakomt en in gebreke is gesteld en (ii) eenmaximumbedrag van € 60 dat een kredietgever in totaal per jaar perkredietnemer in rekening mag brengen opgenomen. Een vertragingsver-goeding mag bovendien pas in rekening worden gebracht als debetalingstermijn is verstreken en de kredietnemer schriftelijk is aange-maand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen na aanmaning.Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers derStaten-Generaal in het kader van een voorhangprocedure.De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat consumenten gebruikmaken van het leasen van witgoed. Deze leden achten dat onverstandigen onwenselijk. Hoe beschouwt de regering dit? Wat is de verwachtingvan de regering over het gebruik van deze huur- en leasingsovereen-komsten nu zij onder toepassingsgebied van de richtlijn worden gebracht?Private lease voor witgoed betreft veelal operational lease, oftewel, eensoort huurovereenkomst waarbij het goed niet in eigendom komt van deconsument na afloop van de overeenkomst. Operational lease of financiallease zijn geen termen in de wet. Het verschil zit erin dat bij financial leasede eigendomsoverdracht aan het einde van de overeenkomst plaatsvindten bij operational lease in beginsel niet. Operational lease zonder optie totkoop is en blijft uitgezonderd van de Wft op grond van de richtlijn. In derichtlijn is het toepassingsgebied wel uitgebreid in die zin dat operationallease met optie tot koop daaronder is gebracht. Naar verwachting zal hetgebruik van de huur- en leasingovereenkomsten met betrekking totwitgoed niet sterk beïnvloed worden door de implementatie van derichtlijn, omdat die dus veelal operational lease zonder optie tot koopbehelst en dus uitgezonderd blijft van het toepassingsbereik van de wet.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat huur- ofleasingsovereenkomsten zonder optie tot koop al onder toepassingsbereikvan de richtlijn waren gebracht? Deze leden vragen aanvullend wat deredenering is achter het onderscheid tussen een optie met of zonderkoop?Alleen financial lease (leasingovereenkomst met verplichting tot koop) vielal onder het toepassingsbereik van de vorige richtlijn en valt onder dehuidige kredietregels. Operational lease werd in zijn geheel niet geregu-leerd door de richtlijn. Met de nieuwe richtlijn is het toepassingsbereikuitbreid naar operational lease indien sprake is van een optie tot koop. Alsook geen sprake is van optie tot koop, is er sprake van een huurovereen-komst. Huurovereenkomsten kwalificeren niet als krediet in de zin van derichtlijn en de Wft.Wat zijn de huidige wettelijke vereisten aan aanbieders van autolease enop welke belangrijke punten gaat de wetgeving voor hen veranderen?Voor autolease waarbij sprake is van financial lease (dus eigendomsover-dracht) geldt reeds op grond van de oude richtlijn dat de dienst kwalifi-ceert als krediet en de Wft van toepassing is op aanbieders van dezeleasevorm. Als gevolg van de implementatiewet is de Wft straks ook vantoepassing op operational autoleaseovereenkomsten met intentie of optietot koop. Dit betekent onder meer dat aanbieders van dit type overeen-komsten een vergunning moeten aanvragen bij de AFM en onder toezichtkomen te staan. Verder zijn onder andere diverse informatieverplichtingenen reclameregels van toepassing, is een BKR-check verplicht en eenkredietwaardigheidsbeoordeling. Waar geen optie tot koop wordtgeboden en geen sprake is van een intentie van de aanbieder dat deconsument op enig moment het object in eigendom verkrijgt, valt deovereenkomst buiten het toepassingsbereik van de kredietregels en zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 855 deze dus niet van toepassing. Overigens geldt momenteel wel voor 98%van de Nederlandse autoleasemaatschappijen dat zij zijn aangesloten bijhet Keurmerk private lease (zelfregulering). Dit keurmerk mag alleen doordeze maatschappijen worden gedragen als zij enkele consumentenbe-schermende maatregelen nemen, zoals het aanbieden van uniforme,redelijke algemene voorwaarden en het opnemen van een bedenktijd vanveertien dagen.Nieuwe en bestaande aanbieders van krediet worden met de implementa-tiewet verplicht een mate van respijt aan te houden alvorens eentenuitvoerleggingsprocedure te beginnen. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd wat de huidige wettelijke bepalingen hieromtrentzijn? Zijn bestaande aanbieders nu in het geheel niet wettelijk verplichteen mate van respijt aan te houden? Welke eisen worden gesteld aan deze«mate van respijt»?De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgtuit de Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raadvan 24 november 2021 betreffende kredietservicers en kredietkopers entot wijziging van Richtlijn 2008/48/EG (richtlijn kredietservicers enkredietkopers). Deze zijn reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a, Wft enartikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzigingenten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers en krediet-kopers. Ten aanzien van consumentenkrediet golden voor de inwerking-treding van de richtlijn kredietservicers en kredietkopers geen specifiekeverplichtingen tot respijtmaatregelen. Wel gold de algemene zorgplichtvoor financiële dienstverleners uit de Wft op grond van artikel 4:24a Wften een algemene, contractuele zorgplicht op grond van artikel 7:401 BW.Uit de Wft-zorgplicht volgt de verplichting om de consument op eeneerlijke, billijke en professionele wijze te behandelen en het belang van deconsument of de begunstigde bij die dienst centraal te stellen. Het biedenvan respijtmaatregelen bij betalingsproblemen kan volgen uit dezezorgplicht. De mate van respijt die wordt geboden aan de consumenthangt af van de individuele omstandigheden van de consument, zoals debelangen en rechten van de consument, zijn of haar vermogen om hetkrediet af te lossen en redelijke kosten van levensonderhoud van deconsument. De aanbieder van krediet moet de kosten voor consumentenbij niet-nakoming beperken. De respijtmaatregelen die geboden kunnenworden zijn bijvoorbeeld: een totale of gedeeltelijke herfinanciering vaneen kredietovereenkomst, of een wijziging van de bestaande voorwaardenvan een kredietovereenkomst, die bijvoorbeeld betrekking hebben opverlenging van de duur van de kredietovereenkomst, wijziging van hetsoort kredietovereenkomst, uitstel van betaling voor de volledige of eendeel van de aflossing van krediettermijnen gedurende een bepaaldeperiode, verlaging van de debetrentevoet, het aanbieden van eenbetalingsvrije periode, gedeeltelijke aflossingen, valutaomrekeningen,gedeeltelijke kwijtschelding en schuldconsolidatie.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of aanbieders voor elketransactie die via «koop nu, betaal later»-diensten worden gedaan eentoets moet doen bij BKR en het krediet moet registreren bij BKR?Bij elk aangaan van een kredietovereenkomst, waaronder een «koop nu,betaal later»-krediet dient een BKR-toets plaats te vinden. Indien dekredietaanbieders van «koop nu, betaal later»-krediet een doorlopendkrediet aanbieden waarbij sprake is van een kredietlimiet, dan is alleen bijhet aangaan of een verhoging van het kredietbedrag raadpleging van hetBKR verplicht omdat dan een nieuwe kredietovereenkomst tot stand komt.Registratie van een krediet vindt pas plaats bij kredieten met een looptijdlanger dan een maand en met een som van meer dan € 250. De registratieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 856 van krediet volgt echter niet uit de richtlijn, maar is al de huidige praktijken wordt onderdeel van het wetsvoorstel stelstel kredietregistratie.Deze leden missen in de memorie van toelichting een naderebeschouwing op de rol van BKR in het licht van dit wetsvoorstel. Zeverzoeken de regering de rol van het BKR nader toe te lichten. Wat is detotale verwachte toename van het gebruik van BKR? In hoeverre is BKRhierop voorbereid en in staat om aan de verwachte vraagtoename tekunnen voldoen?Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geeft wettelijke waarborgenvoor de huidige praktijk van kredietregistratie door van het beheer van hetstelsel van kredietregistratie een wettelijke taak te maken. Dit wetsvoorstelbeoogt de wettelijke taak van het beheer van het stelsel van kredietregis-tratie te beleggen bij het BKR, zodat het BKR de kredietregistratie blijftuitvoeren. De kaders waarbinnen BKR deze werkzaamheden kan uitvoerenen de voorwaarden waaronder een krediet geregistreerd moet worden,komen in dit wetsvoorstel aan de orde.De implementatiewet leidt mogelijk tot een toename van de raadplegingvan het register door aanbieders van krediet. Het is op dit moment nietmogelijk om een meer kwantitatieve duiding te geven voor een toenamevan het gebruik van het BKR. Dat hangt samen met verschillende factoren,zoals het feit dat de Nederlandse implementatiewet inclusief de lagereregelgeving nog niet definitief is vastgesteld. De precieze Nederlandseinvulling bepaalt uiteindelijk in belangrijke mate welke producten,aanbieders en raadpleegmomenten daadwerkelijk onder de verplichtingengaan vallen en of daarbij sprake zal zijn van een transitieperiode vooraanbieders van kaarten met uitgestelde debitering. Daarnaast strevensommige aanbieders van uitgesteld betalen mogelijk naar impactminima-lisatie door in de dienstverlening een doorlopend krediet aan te biedenmet een bestedingslimiet en andere niet. Het BKR houdt daarom mederekening met een initiële piek in het aantal raadplegingen op hetkredietregister ten behoeve van de acceptatiebeoordelingen.Op basis van dit samenstel van factoren en ontwikkelingen werkt het BKRvooralsnog met scenario’s en bandbreedtes in plaats van met éénvastomlijnd eindbeeld. Tot op heden heeft het BKR nog geen formeleverzoeken ontvangen van nieuwe partijen om zich aan te sluiten bij hetkredietregister. Het BKR geeft aan voorbereid te zijn en blijft zich tijdensde verdere implementatieperiode adequaat voorbereiden op een toenamevan het gebruik van het kredietregister.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt datonder de huidige Wft conform artikel 4:32, eerste lid, en artikel 11, vierdelid, van de BGfo kredietaanbieders enkel verplicht zijn deel te nemen aaneen stelsel van kredietregistratie? Klopt het dat de wet Stichting BKR nietbij naam aanwijst, noch een wettelijke taak toekent? Deze leden vragen deregering om een nadere beschouwing van de taak en rol van StichtingBKR in het licht van voorliggend wetsvoorstel. Klopt het tevens dat deHoge Raad in 2021 expliciet heeft geoordeeld dat registratie door BKRberust op zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijkeplicht?Onder de huidige Wft zijn kredietaanbieders van consumptief kredietverplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. In depraktijk is er één stelsel van kredietregistratie in Nederland, namelijk hetBKR. In de Wft en het BGfo wordt het BKR niet bij naam aangewezen. HetBKR is in 1965 opgericht door de banken en financiële dienstverleners inNederland. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 december 2021Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 857 inderdaad geoordeeld dat het Centraal Krediet Informatie Systeem vanhet BKR, waarin de betalingsachterstanden bij kredietovereenkomstenworden vermeld, berust op zelfregulering door de financiële sector en nietop een wettelijke plicht.14 In het wetsvoorstel stelsel kredietregistratiewordt van het beheer van een stelsel van kredietregistratie een wettelijketaak gemaakt. Het legt de voorwaarden voor een bestendig, hoogwaardigen objectief stelsel van kredietregistratie vast. De wettelijke taak zal meteen aanwijzingsbesluit worden toegewezen aan het BKR.7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat voor mkb-ondernemingenverschillende uitzonderingen en lichtere regimes worden gehanteerd, metname bij bemiddeling in krediet als nevenactiviteit. Tegelijkertijd wordengrote online aanbieders strenger gereguleerd. Hoe wordt voorkomen datde grens tussen mkb en grootbedrijf leidt tot strategisch gedrag ofontwijkconstructies?De richtlijn verwijst naar de definities in de Aanbeveling van 6 mei 2003van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote enmicro-ondernemingen. De grens om tot mkb in de zin van de richtlijn tebehoren is duidelijk. Het gaat om ondernemingen met maximaal250 medewerkers en een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. ofEUR 50 mln. omzet. Pas boven die grenzen kwalificeert een ondernemingtot het grootbedrijf. Er zullen dus veel ondernemingen onder lichteregimes vallen. Waar het gaat om aanbieders is de grootte relevant in hetkader van de uitzondering van artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, van deWft. Waar het gaat om mkb-bemiddelaars zijn zij uitgezonderd van eenvergunningplicht en waar zij kwalificeren als grootbedrijf, dienen zijgeregistreerd te zijn als bemiddelaar. De aanbieder is verantwoordelijkvoor de registratie van deze bemiddelaar. Het is niet mogelijk om in hetkader van de registratieplicht of vrijstelling van bemiddelaars van dezedefinities van mkb-ondernemingen af te wijken.Deze leden lezen voorts dat de AFM met het voorliggende wetsvoorsteleen nieuwe productinterventiebevoegdheid krijgt om kredietproducten ofmarktpraktijken te verbieden of te beperken. De regering benadrukt datdeze bevoegdheid terughoudend zal worden ingezet. Welke concretewaarborgen bestaan er om te voorkomen dat deze bevoegdheid leidt totrechtsonzekerheid of een rem op innovatie?De concrete waarborgen zijn de voorwaarden die staan opgesomd in hetwetsartikel voor uitoefening van de productinterventiebevoegdheid. Dezebevoegdheid mag uitsluitend worden uitgeoefend indien aan dievoorwaarden is voldaan. Dit betekent dat ingrijpen slechts mogelijk isindien, naar het redelijke oordeel van de AFM, de bestaande handhavings-mogelijkheden niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk eensignificante reden vormt tot bezorgdheid over de consumentenbe-scherming.De AFM heeft aangegeven dat de verwachte toezichtpopulatie aanzienlijkgroter is dan waarmee in het kostenkader rekening is gehouden, zoconstateren de leden van de VVD-fractie. Dit kan gevolgen hebben voor deuitvoerbaarheid van het toezicht. Hoe borgt de regering dat de AFM overvoldoende capaciteit beschikt zonder dat dit leidt tot onevenredigekostenstijgingen voor marktpartijen?14HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 858 De kosten voor doorlopend toezicht zullen worden gedekt door demarktpartijen waarop toezicht wordt ingesteld. Indien meer capaciteitnodig is om toezichttaken uit te voeren dan is toegewezen, zal de AFMeerst nagaan of de benodigde capaciteit kan worden opgevangen binnenhaar begroting en bijbehorend kostenkader. Als dit niet mogelijk is, zal deregering in gesprek gaan met de AFM om een passende oplossing tevinden.De leden van de VVD-fractie lezen dat kredietgevers consumenten metfinanciële moeilijkheden vroegtijdig moeten opsporen en ondersteunen,maar dat hiervoor geen aanvullende wettelijke grondslag voor verwerkingvan persoonsgegevens noodzakelijk wordt geacht. Kan de regering nadertoelichten op welke bestaande wettelijke grondslag kredietgevers dezepersoonsgegevens verwerken?De verplichting voor aanbieders van krediet om financiële moeilijkhedenvroegtijdig op te sporen volgt uit artikel 36 van de richtlijn en wordtgeïmplementeerd in het voorgestelde artikel 4:35b Wft. Mogelijk geeftdeze richtlijnbepaling onvoldoende grondslag om persoonsgegevens teverwerken. De regering onderzoekt momenteel of het nodig is om eengrondslag alsnog toe te voegen.De leden van de PVV-fractie wijzen op de nalevingskosten voor nieuweaanbieders, die volgens de regering kunnen oplopen tot 368.986 euro peraanbieder. Is de regering niet bang dat door deze enorme kostenstijginghet aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verschralen ofonbetaalbaar wordt voor de gewone burger?Kleine kortlopende kredieten zoals «koop nu, betaal later»-diensten komenvoor het eerst onder het toepassingsbereik te vallen. Het klopt datdaarmee lasten gepaard gaan voor aanbieders. Deze kosten wordengemaakt om de consumenten te beschermen die nu het risico lopen bijdeze diensten schulden op te bouwen. Het is de verwachting dat dekosten in ieder geval deels zullen worden doorberekend. Tegelijkertijd zijnde kosten die aan de consument in rekening mogen worden gebrachtgemaximeerd. De kostenstijging zou kunnen leiden tot meer concurrentieen eventueel marktconsolidatie, maar de regering verwacht niet datdaarmee het aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verdwijnen.Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de nieuwe processen voorkredietwaardigheidsbeoordeling – inclusief de complexe regels rondomhet lakken van persoonsgegevens – leiden tot extra kosten die uiteindelijkdoor de consument betaald moeten worden.In de memorie van toelichting is in de paragraaf over de financiëlegevolgen van de implementatiewet ingegaan op de nalevingskosten diezullen ontstaan door naleving van de verplichtingen die volgen uit deimplementatiewet. De kredietwaardigheidsbeoordeling zal voor nieuweaanbieders eenmalige en structurele nalevingskosten opleveren. Peraanbieder worden de eenmalige nalevingskosten voor het inrichten vanprocessen en het opstellen van beleid geschat op € 25.000 tot € 250.000.De structurele nalevingskosten per aanbieder, bestaande uit hetonderhoud van de relevante ICT-systemen en het in stand houden van hetbeleid en de processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoor-deling, bedragen naar schatting tussen € 15.000 en € 100.000 opjaarbasis. Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling niet geautomati-seerd kan worden uitgevoerd, zal dit handmatig moeten gebeuren. Voorwelk percentage van de beoordelingen dit geldt, hangt voornamelijk afvan de kredietsoort die de aanbieder doorgaans verstrekt en het bedrijfs-model van de aanbieder. Alles afwegende gaat de implementatiewet uitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 859 van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen per aanbieder. Verwachtwordt dat een administratief medewerker (uurloon € 39) per beoordelinggemiddeld een halfuur bezig is, waardoor de additionele, geschatte,structurele nalevingskosten voor nieuwe aanbieders op dit punt uitkomenop jaarlijks € 292.500. De kosten voor raadpleging van het BKR, eenverplichting die volgt het implementatiebesluit, worden nader gespecifi-ceerd in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie. De regels rondom hetlakken leiden ook tot kosten en zijn tegelijkertijd niet te voorkomen omdatde richtlijn verbiedt dat bijzondere persoonsgegevens worden gebruikt inde kredietwaardigheidsbeoordeling en tegelijkertijd deze gegevensmogelijk staan op informatie die wordt opgevraagd in het kader van dekredietwaardigheidsbeoordeling. Mogelijk zal het afschermen (het lakken)deels geautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd. De structurele kostenvoor het onderhouden van een dergelijk systeem of het uitbesteden vande gegevensverwerking worden geschat op € 10.000 tot € 50.000 peraanbieder per jaar. Daarnaast wordt geschat dat een aanbieder gemiddeld1,5 fte administratief medewerkers voor één jaar nodig heeft ter controleen aanvulling van de geautomatiseerde gegevensverwerking, waarvan dekosten uitkomen op (1,5*1.840 uur*39=) € 107.640. De extra kosten zullendoor de kredietaanbieder worden gedragen en mogelijk ook doorconsumenten en de winkeliers die deze diensten willen aanbieden alsbetaaloptie.8. Uitvoering De leden van de VVD-fractie begrijpen het belang van kredietregistratie tervoorkoming van overkreditering. Tegelijkertijd constateren deze leden datde uitbreiding van verplichte BKR-raadplegingen naar grote aantallenkleine transacties aanzienlijke gevolgen kan hebben voor betaalprocessenen systemen. Kan de regering aangeven of het BKR technisch enoperationeel volledig gereed is voor real-time raadplegingen op groteschaal? Welke risico’s ziet de regering voor vertragingen of verstoringenin betaalprocessen? Acht de regering een gefaseerde invoering ofovergangsperiode wenselijk om uitvoeringsproblemen te voorkomen?Het BKR heeft aangegeven dat zij technisch en operationeel gereed is voorreal-time raadplegingen op grote schaal. Tegelijkertijd zullen onder deregelgeving nieuwe aanbieders van krediet voor het eerst gebruikmakenvan de systemen. Het is niet ondenkbaar dat de eerste periode nog enkeleopstartproblemen naar voren komen. Een gefaseerde invoering ofovergangsperiode wordt echter niet mogelijk geacht. De richtlijnbepa-lingen dienen op 26 november 2026 in werking te treden. Onderdeeldaarvan is de raadpleging bij het BKR. Een gefaseerde invoering ofovergangsperiode staat ook haaks op de breed gedeelde wens omoverkreditering te voorkomen bij kortlopende kredieten die voor het eerstonder de kredietregels gaan vallen.De leden van de PVV-fractie benadrukken dat iedere burger die hande-lingsbekwaam is (18 jaar en ouder) zelfstandig over zijn financiën moetkunnen beschikken. Kan de regering garanderen dat de voorgesteldeverplichtingen voor leeftijdsverificatie de toegang tot kredietmogelijk-heden, zoals «koop nu, betaal later» oftwel BNPL, voor volwassen burgersop geen enkele wijze zal belemmeren of vertragen?Een betrouwbare leeftijdsverificatie is van groot belang voor debescherming van minderjarigen. Het is de verantwoordelijkheid van deaanbieder om de wettelijke verplichtingen daaromtrent na te leven. Daarinzijn wel keuzes te maken over de verificatiemethode die wordt gebruikt enhet moment waarop de verificatie wordt uitgevoerd, waardoor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 860 aanbieder vertraging of belemmering voor volwassenen mogelijk kanbeperken of voorkomen.Met betrekking tot de rol van retailers (niet-MKB) die bemiddelen inBNPL-diensten, heeft de AFM aangegeven dat de verantwoordelijkheidvoor het toezicht in eerste instantie bij de BNPL-aanbieders moet komente liggen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering in de lagereregelgeving gaat waarborgen dat retailers niet worden opgezadeld metdisproportionele administratieve lasten of directe toezichtverplichtingenvan de AFM?De voorstellen die de regering doet om winkeliers die niet zelf kredietaanbieden, waar mogelijk op grond van de richtlijn, zo veel mogelijk teontzien, zijn reeds onderdeel van de implementatiewet en het implemen-tatiebesluit dat recentelijk aan uw Kamer is aangeboden in het kader vaneen voorhangprocedure. Verder zal de uitzondering voor registratie bij deAFM voor mkb-bemiddelaars in krediet worden opgenomen in deVrijstellingsregeling Wft, die bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.De leden van de JA21-fractie vragen of de AFM in staat is om binnen ditkorte tijdsbestek alle noodzakelijke vergunningsaanvragen zorgvuldig tebehandelen. Hoeveel nieuwe of gewijzigde vergunningsaanvragenverwacht de regering als gevolg van dit wetsvoorstel, hoeveel capaciteit isdaarvoor beschikbaar bij de AFM en wat gebeurt er met aanbieders dietijdig een aanvraag indienen maar op de invoeringsdatum nog geenbesluit hebben ontvangen?De AFM heeft eerder dit jaar besloten om, vooruitlopend op devaststelling en publicatie van de implementatiewet, open te staan voor deontvangst van vergunningaanvragen van aanbieders van krediet onder denieuwe regelgeving. Op deze manier wil de AFM zoveel als mogelijk insamenwerking met marktpartijen bijdragen aan een tijdige beoordelingvan de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de richtlijn op20 november 2026. Daarbij is de AFM echter sterk afhankelijk van tijdigevergunningaanvragen. De AFM heeft hiervoor capaciteit vrijgemaakt,maar door de beperkte tijd tussen implementatie en inwerkingtreding kanhier wel een knelpunt ontstaan. Partijen die bij inwerkingtreding niet overde juiste vergunning beschikken is het niet toegestaan krediet aan tebieden. De AFM heeft verschillende aanvragen in behandeling vanpartijen, maar kan nog geen concrete inschatting maken. In de memorievan toelichting wordt uitgegaan van 64 nieuwe aanbieders.Deze leden vragen voorts of de systemen voor kredietregistratie tijdiggereed zijn voor de verwachte toename van realtime raadplegingen. Isonderzocht of de systemen van BKR de extra belasting vanaf 20 november2026 aankan? Is hiervoor een stresstest uitgevoerd, en zo ja, wat warendaarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?Het BKR is voorbereid en blijft zich tijdens de verdere implementatiepe-riode adequaat voorbereiden op de verwachte uitbreiding van het gebruikvan het kredietregister. Dit geldt niet alleen voor de toename van hetaantal raadplegingen van het kredietregister, maar ook voor deverwerking van nieuwe registraties van nieuwe aanbieders die onder dewetgeving komen te vallen. Die voorbereiding richt zich zowel optechnische capaciteit als op operationele, juridische en ketenmatigegereedheid. Daarbij hoort onder meer het analyseren van verschillendegroeiscenario’s, het aanpassen van processen waar nodig, en het ingesprek blijven met overheid, toezichthouders en marktpartijen over depraktische gevolgen van de nieuwe regels.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 861 Het uitgangspunt is volgens het BKR dat de systemen tijdig gereedmoeten zijn om de verwachte toename van raadplegingen te kunnenondersteunen op de wijze die men van het BKR mag verwachten. Het BKRonderzoekt in het kader van de voorbereiding op de richtlijnimplementatiedoorlopend de gevolgen van verschillende gebruiksscenario’s voorcapaciteit, prestaties en operationele continuïteit. Daaronder vallen ookanalyses van verwachte piekbelasting en de technische inpasbaarheid vaneen stijgend aantal raadplegingen. Het BKR verwerkt nu zo’n 16 miljoenraadplegingen op het kredietregister per jaar en op de drukste dag warendat er wel 5 per seconde. Recente testen wijzen uit dat het BKR in hetnieuwe systeem tot 100 raadplegingen per seconde kan verwerken en zo’n3 miljard raadplegingen op jaarbasis.9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn sancties niet harmoni-seert, maar wel voorschrijft dat sancties doeltreffend, evenredig enafschrikkend moeten zijn. De richtlijn geeft aan dat geldboetes verplichtworden ingevoerd. Hoe wordt gewaarborgd dat sancties proportioneelblijven, met name voor kleinere aanbieders en bemiddelaars?Er zijn voor bemiddelaars slechts enkele verplichtingen opgenomen deimplementatiewet. Het merendeel van de verplichtingen berust bij deaanbieders van krediet.De boetecategorieën die zijn opgenomen in het implementatiebesluit zijnhoog, om hier een afschrikkende werking vanuit te laten gaan, zoals ookvereist op grond van de richtlijn. De boetecategorieën betreffenmaximumboetes. De AFM dient op grond van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) en artikel 1b, eerste lid Bbbfs onder andere rekening tehouden met de omstandigheden van het geval. De lijst genoemd inartikel 1b is niet limitatief.Deze leden lezen dat de regering kiest voor een combinatie van civielrech-telijke en bestuursrechtelijke handhaving, waarbij de AFM ook via de Wethandhaving consumentenbescherming kan optreden. Leidt deze dubbelehandhavingsstructuur niet tot overlap of onduidelijkheid voor marktpar-tijen en hoe wordt dit in de praktijk voorkomen?Er is gekozen voor uitbreiding van handhavingsmogelijkheden via desystematiek van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc),omdat de richtlijn, net als zijn voorganger, wordt geïmplementeerd inzowel de Wft als het BW. Dit is niet anders dan voorheen, zij het dat hetaantal bepalingen waarop kan worden gehandhaafd is uitgebreid.De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de proportionaliteit bijhet verifiëren van informatie. De AFM geeft aan dat de richtlijn bepaalt datingewonnen informatie ook gecheckt moet worden, wat spanningoplevert met dataminimalisatie. Kan de regering bevestigen dat in delagere regelgeving wordt vastgelegd dat de proportionaliteitstoets alleengeldt voor het inwinnen van informatie en niet voor het verplichtverifiëren van álle opgevraagde informatie, om zo onnodige bureaucreatieen privacyinbreuken te voorkomen?In de nota van toelichting van het implementatiebesluit staat opgenomendat ingewonnen informatie ook geverifieerd dient te worden. Een eigenopgave van inkomsten door de consument volstaat niet in het kader vande kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit betekent tegelijkertijd niet dat inalle gevallen informatie opgevraagd dient te worden. Daarin kanproportionaliteit worden toegepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 862 De leden van de CDA-fractie vragen of het uitgangspunt dat de krediet-waardigheidstoets proportioneel moet zijn aan aard, duur, omvang enrisico van het krediet ook geldt voor de mate waarin door consumentenopgegeven financiële gegevens moeten worden geverifieerd metonafhankelijk controleerbare documenten. Deze leden vragen of verificatievan gegevens meer risicogestuurd kan plaatsvinden, bijvoorbeeld opbasis van signalen van betalingsachterstanden, waarbij een balans wordtgezocht tussen verantwoorde kredietverstrekking, dataminimalisatie enbeperking van administratieve lasten. Deze leden vragen of de AFMhiermee rekening dient te houden.Het uitgangspunt van de richtlijn en van de implementatieregelgeving iseen open norm voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. In de krediet-waardigheidsbeoordeling moeten de inkomsten en lasten en anderefinanciële en economische omstandigheden van de consument wordengetoetst indien dit noodzakelijk en evenredig is met de aard, duur, waardeen risico’s van het krediet voor de consument. In de nota van toelichtingvan het implementatiebesluit staat opgenomen dat ingewonnen infor-matie ook geverifieerd dient te worden. Die verificatie dient op grond vande richtlijn plaats te vinden, indien nodig aan de hand van onafhankelijkeverifieerbare bronnen. Waar een krediet zwaardere lasten oplevert voor deconsument zal een zwaardere kredietwaardigheidsbeoordeling noodza-kelijk zijn met verificatie van inkomsten en lasten. Het is dan ook nietnodig om een consument die een krediet aanvraagt van bijvoorbeeld€ 200 aan dezelfde kredietwaardigheidsbeoordeling te onderwerpen alseen krediet van € 10.000. De regering biedt daarnaast ook expliciet deruimte voor aanbieders om inkomsten en lasten bij zeer kleine kredietenniet op te vragen. In het kader van proportionaliteit is in het implementa-tiebesluit daarom een € 100-grens opgenomen waaronder slechts eenbeperkte toets hoeft plaats te vinden. Hoe proportionaliteit daarbovenwordt toegepast is aan de aanbieder en wordt tevens uitgewerkt in deLeennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. De AFM dient detekst en het doel van regelgeving in aanmerking te nemen en dus ook oogte hebben voor de balans die moet worden gevonden in de afbakening inde kredietwaardigheidsbeoordeling.Ook vragen deze leden of de huidige vrijstelling voor bemiddeling ingoederenkrediet als nevenactiviteit gehandhaafd wordt, ook voorondernemingen die kwalificeren als grootbedrijf. Zo nee, waarom niet.Deze leden vragen ook of deze ondernemingen dan ook in aanmerkingvoor het verlichte registratieregime van artikel 2:81, vierde lid, van de Wftkomen.De implementatiewet wijzigt de bestaande regels voor goederenkredietniet. Het registratieregime voor «koop nu, betaal later»-bemiddelaars diekwalificeren als grootbedrijf zal naast de bestaande regels over goederen-krediet gelden. Het is aan marktpartijen om te beoordelen welke eisen vande wet zij moeten naleven.10. Evaluatie De leden van de CDA-fractie constateren dat in de evaluatieparagraafgeen expliciete aandacht wordt besteed aan de effecten van consumen-tenkrediet, en in het bijzonder BNPL-diensten, op het ontstaan vanproblematische schulden bij kwetsbare groepen.Deze leden vragen of de regering bereid is om deze effecten van consu-mentenkrediet en BNPL expliciet en structureel mee te nemen in demonitoring en evaluatie van de wet. Deze leden vragen of de regering kantoezeggen dat hierbij wordt gewerkt met concrete en toetsbare indica-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 863 toren, zoals het aantal gebruikers met betalingsachterstanden, het aandeeljongeren en andere kwetsbare groepen met consumentenkrediet en BNPLgerelateerde schulden, het aantal doorverwijzingen naar schuldhulpver-lening en het aandeel incassotrajecten dat voortvloeit uit consumenten-krediet.Het kabinet vindt het van belang om de effecten te monitoren van deimplementatie van de richtlijn op consumenten en de markt voorconsumentenkrediet, waaronder «koop nu, betaal later»-diensten. Deregering onderschrijft het belang van kwantitatieve en toetsbare indica-toren bij de monitoring van de effecten van de richtlijn. Bij de monitoringzal daarom onder meer aandacht worden besteed aan signalen overbetalingsachterstanden, incassotrajecten en de mate waarin de nieuweregels bijdragen aan een betere consumentenbescherming. Tegelijkertijdwordt de precieze set indicatoren nog nader uitgewerkt. De regering wilzich daarbij niet op voorhand vastleggen op een limitatieve lijst, maarstreeft ernaar om in de evaluatie zoveel mogelijk gebruik te maken vanbeschikbare data om de effecten op consumenten en de markt inzichtelijkte maken.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast onder welke omstandig-heden de regering voornemens is gebruik te maken van de delegatie-grondslag in het geval dat blijkt dat de huidige eisen ten aanzien vanleeftijdsverificatie onvoldoende effectief zijn. Deze leden vragen welkeconcrete en bindende voorschriften de regering op basis van dezedelegatiegrondslag kan vaststellen. Deze leden vragen of de regeringdaarbij kan specificeren aan welk typen maatregelen wordt gedacht,bijvoorbeeld ten aanzien van verificatiemethoden of technischestandaarden.De voorschriften die de regering op basis van deze delegatiegrondslagkan vaststellen kunnen betrekking hebben op de wijze van leeftijdsverifi-catie alsmede de veiligheids- en betrouwbaarheidsnormen ten aanzienvan die verificatie. Op dit moment wordt het nog niet noodzakelijk geachtom nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting dat de normtoereikend is. Met het oog op te verwachten ontwikkelingen op Europeesen nationaal niveau op het thema van leeftijdsverificatie is een delegatie-grondslag opgenomen, om op die ontwikkelingen te kunnen inspelen,indien nodig.Voorts vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om dergelijkevoorschriften reeds in de wet zelf op te nemen, in plaats van te wachtenop mogelijke nadere regelgeving. Deze leden vragen welke afweging deregering hierbij heeft gemaakt en of de regering het risico aanvaardbaaracht dat in de tussentijd onvoldoende effectieve leeftijdsverificatieplaatsvindt.De wettelijke norm schrijft al voor dat de aanbieder dient te beschikkenover adequate processen om de door de consument opgegeven geboorte-datum te verifiëren aan de hand van een betrouwbare bron. De AFMhoudt toezicht op deze norm. Op dit moment wordt het nog niet noodza-kelijk geacht om nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting datde norm toereikend is voor effectieve leeftijdsverificatie. Daarnaast zijnmarktpartijen verantwoordelijk voor naleving van de AVG, zoals hetbeginsel van minimale gegevensverwerking ingevolge artikel 5, lid 1,onderdeel c, van de AVG.Uit de Europese en nationale inzet op betrouwbare en privacyvriendelijkeleeftijdsverificatie kunnen nieuwe ontwikkelingen volgen die maken datspecifieke eisen dienen te worden gesteld, indien nodig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 864 11. Advies en consultatie De leden van de PVV-fractie constateren dat de AFM nauw betrokken is bijhet opstellen van de concepten voor de relevante lagere regelgeving. Kande regering toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over devoortgang van deze lagere regelgeving, aangezien de AFM aangeeft datdeze cruciaal is voor de inrichting van het toezicht en IT-aanpassingen bijaanbieders?Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers derStaten-Generaal in het kader van een voorhangprocedure. Wanneer uwKamer instemt met de implementatiewet kan het besluit wordenaangeboden aan de Raad van State voor advies. Op de website van deRaad van State wordt gepubliceerd wanneer het implementatiebesluit inbehandeling is genomen. Ook wordt daar het advies gepubliceerd. Daarnazal het nader rapport worden opgemaakt en aangeboden aan de Koning.Na vaststelling kan het besluit worden gepubliceerd. Verder wordt alleennog een ministeriële regeling opgesteld. Beoogd is om de implementa-tiewet, het implementatiebesluit en de ministeriële regeling op hetzelfdemoment in werking te laten treden.Er lopen initiatieven voor woningeigenaren die de energieprestatie vanhun woning willen verbeteren. Woningeigenaren met een slechtenergielabel kunnen met gebouwgebonden financiering en ontzorging inde vorm van een gebouwgebonden energieprestatiecontract hun labelverbeteren. Belanghebbenden geven aan dat door deze contractvormvanwege de interpretatie van de Wft door de AFM e.e.a. nog niet van degrond komt. De AFM ziet deze innovatieve contractvormen als eenpersoonsgebonden krediet binnen de reikwijdte van de Wft en herkentniet dat dergelijke gebouwgebonden contractvormen andere eigen-schappen en zekerheden hebben. De initiatiefnemers geven aan dat alleeneen verduidelijking van de Wft de huidige belemmeringen kan wegnemenen de zekerheid kan bieden die nodig is. De leden van de CDA-fractievragen of de regering deze discussie herkent en hoe de regering dezeweegt in het kader van het doel van het voorliggende wetsvoorstel.De regering herkent deze discussie, maar volgt de AFM in haar berede-nering dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energiepresta-tiecontracten waarbij energiebesparende maatregelen worden betaald uitde te verwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief krediet,aangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan deconsument voor het genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepa-nelen) tegen een of meer betalingen. Daarom dient altijd een kredietwaar-digheidstoets te worden uitgevoerd. Bij brief van 18 november 2022 heeftde Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toegezegd omgebouwgebonden financiering mogelijk te maken via een juridischeconstructie die gebruikmaakt van een uitzondering beschreven in artikel1:20, eerste lid, onderdeel a, Wft. Om van de uitzondering in artikel 1:20,eerste lid, onderdeel a, gebruik te maken, dient te worden voldaan aan devolgende voorwaarden: (1) het krediet dient krachtens een wettelijkebepaling te worden aangeboden aan een beperkt publiek, (2) met eendoelstelling van algemeen belang, (3) tegen een lagere rente dan op demarkt gebruikelijk of een rente die niet hoger is dan de marktrente enonder gunstigere voorwaarden. In de brief aan de Tweede Kamer isdaarnaast aangegeven dat de financiering dient plaats te vinden op basisvan een woonlastenimpacttoets en de consumentenbescherminggelijkwaardig dient te zijn aan de bescherming bij reguliere kredietver-lening. Adviesbureau KPMG is gevraagd om een adviesrapport op testellen dat de uitgangspunten uitwerkt voor gebouwgebonden finan-ciering. Dit rapport zal voor de zomer gedeeld worden met de TweedeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 865 Kamer. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamerworden gestuurd. Een eventuele wijziging van de Wft zal moetenplaatsvinden in een separaat wetsvoorstel.12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens De leden van de D66-fractie lezen dat de kredietwaardigheidsbeoordelingevenredig moet zijn naar aard, duur, waarde en risico’s van het krediet endat verdere invulling door middel van een gedragscode wordt bevorderd.Kan de regering de huidige stand van zaken en planning van dezegedragscode schetsen?De Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN zijn inontwikkeling in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerie vanFinanciën. In gezamenlijk overleg wordt getracht zo veel mogelijk over enweer elkaar te betrekken in de zienswijze vanuit ieders rol, om nog vóórinwerkingtreding nieuwe leennormen te kunnen publiceren.De Autoriteit Persoonsgegevens heeft gewezen op de ingrijpende risico’svan het gebruik van volledige rekeningafschriften en heeft alternatievengesuggereerd, zoals gestandaardiseerde rapportages. De regering geeftaan dat deze alternatieven technisch nog niet haalbaar zijn. Welke stappenzet de regering om dergelijke privacyvriendelijkere alternatieven alsnog teontwikkelen en op termijn verplicht te stellen, zo vragen de leden van deVVD-fractie.Dergelijke private initiatieven zijn in ontwikkeling maar omdat deze nogniet naar volledigheid werken, heeft de sector het nog niet aangedurfd omdaarnaar over te stappen. De regering moedigt de doorontwikkeling vanzulke initiatieven aan en blijft hierover met de sector in gesprek.13. Overgangsrecht en inwerkingtreding De leden van de D66-fractie lezen dat de deadline voor implementatie20 november 2026 is. Wat is er ondertussen gedaan, en wordt er gedaan,om BNPL-aanbieders ondertussen aan te sporen om consumenten tebeschermen in lijn met de CCDII? Is de Gedragscode BNPL daarvoorvoldoende?Sinds 30 oktober 2023 is de Gedragscode BNPL in werking getreden, diedoor vier aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten is ondertekend.Vooruitlopend op de implementatie van de richtlijn hebben dezeaanbieders zich door middel van de gedragscode gebonden aan bepaaldegedragsnormen om consumenten beter te beschermen tegen de risico’svan achteraf betalen, waaronder het verstrekken van duidelijke informatieover kosten en voorwaarden, het toepassen van strengere acceptatie- enleeftijdscontroles en het beperken van incasso- en aanmaningskosten.Daarnaast bevat de gedragscode maatregelen om problematischeschulden en overkreditering bij financieel kwetsbare consumenten tevoorkomen. Het kabinet blijft er bij de «koop nu, betaal later»-aanbiedersop aandringen om de gedragscode, in aanloop naar de implementatie vande richtlijn, aan te scherpen naar een beschermingsniveau dat verder inlijn komt met de regelgeving uit de richtlijn.Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een overgangstermijn vanzes maanden gehanteerd vanwege de impact op bestaande bedrijfsmo-dellen en de benodigde aanpassingen. Tegelijkertijd geldt voor anderenieuw gereguleerde kredietvormen deze overgangstermijn niet consta-teren de leden van de VVD-fractie. Waarom is uitsluitend voor kaarten metuitgestelde debitering een overgangstermijn opgenomen en acht deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 866 regering deze termijn voldoende om ingrijpende aanpassingen insystemen en processen te realiseren?Alleen voor kaarten met uitgestelde debitering wordt ruimte gezien in derichtlijn voor uitgestelde inwerkingtreding. Er wordt daarom gebruikgemaakt van deze ruimte die de lidstaatoptie biedt om een latereinwerkingtredingsdatum voor te schrijven voor dit type krediet. Voor decreditcardbranche gelden voorts bijzondere omstandigheden. Als gevolgvan de lidstaatoptie voor kaarten met uitgestelde debitering blijft langetijd onzeker of, en in hoeverre deze branche onder de kredietregels gaanvallen. Pas na instemming van beide Kamers der Staten-Generaal ishierover duidelijkheid bij marktpartijen. Dit, tezamen met de niet tijdigeimplementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie die de branchewel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar envoorzienbaar is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden.Als gevolg hiervan wordt een aanvullende aanpassingstermijn van zesmaanden redelijk geacht. In de termijn is een balans gezocht tussen de tijddie de creditcardbranche nodig heeft om voor te bereiden enerzijds engelijk speelveld en consumentenbescherming anderzijds. Vanuit hetstreven naar een gelijk speelveld in de kredietmarkt, en gezien het belangvan consumentenbescherming bij uitgestelde betaling, waaronder ook«koop nu, betaal later» in de vorm van een kaart, vindt de regering eenlangere termijn onwenselijk. De uitzonderingsmogelijkheid ziet immersniet alleen op de creditcardbranche maar ook op andere aanbieders vanuitgesteld betalen die besluiten om kaarten aan te bieden.De leden van de VVD-fractie constateren dat nadere regelgeving nog nietvolledig is uitgewerkt, terwijl de implementatiedeadline snel nadert.Ondernemers moeten systemen, processen en klantreizen aanpassen entesten. Kan de regering toelichten hoe zij de uitvoerbaarheid binnen debeschikbare termijn beoordeelt? Is de regering bereid te kijken naar eengefaseerde invoering, overgangsperiode of terughoudendheid in dehandhaving om onnodige uitvoeringsproblemen te voorkomen?Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in het kadervan een voorhangprocedure wordt getracht zo veel mogelijk duidelijkheidte geven over de regels die gaan gelden. Enkele onderwerpen landen nogin een ministeriële regeling, die na consultatie direct kan wordengepubliceerd. Inwerkingtreding van de regeling zal gelijktijdig zijn met deimplementatiewet en het implementatiebesluit. Het is niet mogelijk omeen gefaseerde invoering of overgangsperiode voor te schrijven. Dit zouwaar het gaat om richtlijnverplichtingen neerkomen op gebrekkige ofvertraagde omzetting, en kan in het uiterste geval leiden tot eendwangsom of boete voor de Nederlandse staat.De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de invoeringsdatumsamenvalt met de aanloop naar de feestdagen en daarmee met eenpiekperiode voor online retail en digitaal betalingsverkeer. Welke risico’sziet de regering op verstoringen in het online betalingsverkeer als gevolgvan een abrupte invoering? Is in kaart gebracht welke gevolgen dit kanhebben voor consumenten, webwinkels en betaaldienstverleners indiensystemen, vergunningverlening of kredietwaardigheidsprocessen op datmoment nog niet volledig zijn ingericht?Er is een risico is dat volledige kredietwaardigheidsbeoordelingen wellichtniet in korte tijdspanne verricht kunnen worden. Als alsnog krediet wordtverstrekt zonder een proportioneel kwalitatieve kredietwaardigheidsbeoor-deling of zonder te voldoen aan andere geldende verplichtingen, vormtdat een business- of compliance risico voor de kredietaanbieder en in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 867 enkel geval de kredietbemiddelaar (winkel) waar verplichtingen zichrichten tot bemiddelaars.Indien het krediet in de vorm van uitgestelde betaling niet in kortetijdspanne kan worden verstrekt, kan dit betekenen voor winkels enconsumenten dat deze betaaloptie van krediet niet kan worden gebruikt inhet betaalproces. Dit kan eventueel invloed hebben op de omzet vanbetrokken ondernemingen. Tegelijkertijd is het niet wenselijk als, juist ineen piekperiode, voorschriften omtrent kredietverlening ter beschermingvan de consument niet in acht worden genomen.Deze leden vragen tevens hoe aanbieders zich tijdig kunnen voorbereidenzolang onderdelen van het regime nog nader moeten worden uitgewerktbij algemene maatregel van bestuur. Kan de regering garanderen dat allelagere regelgeving, soft law via de toezichthouder en technische uitvoe-ringsvereisten ruim voor de invoeringsdatum beschikbaar zijn? Zo nee,acht de regering het dan verantwoord om aanbieders wel volledig aan denieuwe verplichtingen te houden vanaf 20 november 2026?Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in juni wordtgetracht zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaangelden. Aanbieders hebben zich voor een gedeelte reeds voor kunnenbereiden op de nieuwe verplichtingen. Voor zover het richtlijnimplemen-tatie betreft is duidelijk wat de verplichtingen worden. Waar het nationalekeuzes en invulling betreft, is dit later bekend. Aanbieders dienen zovermogelijk te voldoen aan de verplichtingen. Er is doorlopend contact metde sector over de gevolgen van de implementatie. Daarmee wordtgeprobeerd zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen. De AFM is tervoorbereiding op de implementatie van de regelgeving afgelopen periodeveelvuldig in gesprek gegaan met de sector over de invulling van de opennorm voor verantwoorde kredietverstrekking voor de nieuwe aanbiedersvan krediet. Daarbij heeft de AFM de verwachtingen van de AFMuitgesproken voor de kredietwaardigheidstoets van aanbieders, die eerderniet onder kredietregelgeving vielen, zodat zij tijdig een kredietwaardig-heidstoets kunnen inrichten.De wet bevat ook nieuwe regels voor achterstandsbeheer en vroegsigna-lering. De AFM heeft aangegeven de Leidraad Consumenten en Incasso-trajecten aan te passen, maar dit zal na de inwerkingtreding zijn.Aanbieders dienen zich tot die tijd te houden aan de wetsbepalingen ende eerdere soft law van de toezichthouder op dit onderwerp. Op ditmoment is niet bekend dat gewerkt wordt aan andere soft law van detoezichthouder op dit onderwerp.De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie vantoelichting een erkenning van het feit dat veel cruciale informatie voorzowel toezichthouder als aanbieders om te kunnen voldoen aan de wetwordt neergelegd in lagere regelgeving. Deze lagere regelgeving is op ditmoment grotendeels nog onbekend. Deze leden vragen de regering omeen reflectie hieromtrent. Wanneer verwacht de regering de lagereregelgeving te kunnen vaststellen? Is er dan voldoende tijd over voorimplementatie in processen en systemen? Hoe denkt de regering degevolgen van te late vaststelling van lagere regelgeving en onvoldoendetijd voor adequate implementatie te kunnen mitigeren? Tot slot vragen deleden van de ChristenUnie-fractie hoe de Kamer nog democratischinvloed kan uitoefenen op de inhoud van de lagere regelgeving.De onderdelen die bij besluit worden uitgewerkt zijn dermate belangrijkvoor het bedrijfsmodel van meerdere typen ondernemingen dat zorgvul-digheid is betracht in het opstellen van deze lagere regelgeving. WanneerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 868 vaststelling kan plaatsvinden van lagere regelgeving is afhankelijk van hetverloop van de voorhangprocedure bij beide Kamers der Staten-Generaal.Met de aanbieding van het implementatiebesluit dat recent aan uw Kameris aangeboden in het kader van een voorhangprocedure, is getracht zoveel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden.Indien uw Kamer met de implementatiewet heeft ingestemd en devoorhangprocedure bij beide Kamers is afgerond, kan het implementatie-besluit voor advies worden aangeboden aan de Raad van State. Vooradvisering door de Raad van State staat een termijn van drie maanden. Ikzal de Raad van State vragen dit besluit met voorrang te behandelen eneen spoedadvies vragen. Na ontvangst van het advies van de Raad vanState wordt zo snel mogelijk een nader rapport opgesteld, zodat dit naderrapport samen met het besluit spoedig daarna kan worden vastgesteld engepubliceerd en op hetzelfde moment als de implementatiewet in werkingkan treden. De ministeriële regeling kan direct na consultatie wordengepubliceerd en zal gelijktijdig met de implementatiewet en het imple-mentatiebesluit in werking treden. De regering zet zich in om hetimplementatietraject zo spoedig mogelijk af te ronden. Er is doorlopendcontact tussen mijn ministerie en de sector over de gevolgen van deimplementatie en ook de AFM zet zich samen met de sector in om zich zogoed mogelijk voor te bereiden op de inwerkingtreding van de wet,wanneer de regels zullen gaan gelden.Artikelsgewijze toelichtingKan de regering middels een tabel uiteenzetten welke aanvullendeverplichtingen wel en niet van toepassing zijn op het aan de Nederlandseconsument aanbieden van «koop nu, betaal later»-diensten door zowel ineen andere lidstaat gevestigde aanbieders als buiten de Europese Uniegevestigde aanbieders? Zijn er juridische voordelen voor aanbieders van«koop nu, betaal later»-diensten om zich te vestigen in een lidstaat metminder regels en van daaruit Nederlandse consumenten te bedienen?De keuzes omtrent vestiging en dienstverlening in andere lidstaten zijnaan marktpartijen zelf. Voor aanbieders buiten de Europese Unie geldt deNederlandse wet onverkort. Voor aanbieders uit andere lidstaten die zichtot Nederlandse consumenten richten geldt ook het Nederlandse recht.Het kan echter in uitzonderingsgevallen zo zijn dat bepaalde beperkingenaan het vrije handelsverkeer niet effectief gehandhaafd kunnen worden opgrond van de Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raadvan 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de dienstenvan de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in deinterne markt (Richtlijn inzake elektronische handel), zoals geïmplemen-teerd in artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronischehandel. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en deuiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de beperking ofhandhavingsmaatregel is aan de rechter om te beoordelen. Voor diesituaties wijzigt de implementatiewet daarom artikel 1:16 Wft, met alsgevolg dat buitenlandse online-aanbieders als zij krediet aanbieden aanconsumenten in Nederland alsnog (i) verplicht zijn zich aan te sluiten bijhet BKR, (ii) verplicht een kredietwaardigheidsbeoordeling dienen uit tevoeren op basis van de Nederlandse regels en (iii) onderhevig zijn aan deNederlandse maximumkredietvergoeding zoals vastgelegd in het Besluitkredietvergoeding. Ook kan de AFM in het geval van schadelijke markt-praktijken en onder de in de implementatiewet genoemde voorwaardenproductinterventiebevoegdheden inzetten.De Minister van Financiën,E. HeinenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 869

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a3eb773262567539

14 okt 2026 · e143d50fecd0f140

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.