KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een technische briefing, gehouden op 24 juni 2026, over jeugdcriminaliteit

2 okt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 28c1d4a5cf5c613d · officiële bron

28741 Jeugdcriminaliteit Nr. 139 VERSLAG VAN EEN TECHNISCHE BRIEFING Vastgesteld 2 oktober 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 24 juni 2026 een gesprek gevoerd over jeugdcriminaliteit. Van dit gesprek brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de commissie, Eerdmans De griffier van de commissie, Van Tilburg Voorzitter: Synhaeve Griffier: Meijer Aanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Bikkers, Hamstra, Synhaeve en Westerveld, alsmede: mevrouw Van den Bosch, programmamanager Preventie met Gezag; mevrouw Duitman, directeur Jeugd en Familie; de heer Gorsse, mt-lid Jeugdcriminaliteit; mevrouw Veldhuis, coördinerend beleidsadviseur team Jeugdcriminaliteit. Aanvang 11.47 uur. De voorzitter: Goedemorgen. We gaan van start met de technische briefing over jeugdcriminaliteit. Van harte welkom iedereen. Welkom aan de gasten. Dat zijn mevrouw Van den Bosch als programmamanager Preventie met Gezag, mevrouw Duitman als directeur Jeugd en Familie, de heer Gorsse als mt-lid Jeugdcriminaliteit, en mevrouw Veldhuis als coördinerend beleidsadviseur van het team Jeugdcriminaliteit. Van harte welkom. Welkom ook aan de mensen op de publieke tribune en aan de mensen die digitaal aanwezig zijn. Aan de zijde van de Kamer zijn aanwezig: de heer Hamstra van het CDA en de heer Bikkers van de VVD. Ik heb begrepen dat mevrouw Westerveld iets verlaat is; zij zal zo dadelijk vanuit PRO aansluiten. Ik fungeer vandaag als uw voorzitter en ben daarnaast ook Kamerlid voor D66. Ik zal straks ook vanuit die rol een aantal vragen stellen. Mijn voorstel is om eerst jullie het woord te geven -- jullie hebben ook een presentatie voorbereid -- en daarna in gesprek te gaan. Gegeven het beperkte aantal mensen vanuit de Tweede Kamer stel ik voor dat we dat steeds in vraag-antwoordvorm doen en dat er geen beperking aan het aantal vragen zit. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Duitman. Mevrouw Duitman: Goedemorgen. Dank u wel. Dank ook voor uw vraag om u in deze briefing mee te nemen in het onderwerp jeugdcriminaliteit. Wij waarderen die behoefte en nemen u graag mee. U heeft ons aan de voorkant een aantal vragen meegegeven, namelijk: "Hoe kan je nou voorkomen dat een jongere in de jeugdcriminaliteit belandt? Als een jongere daar eenmaal in beland is, wat kan je dan doen om recidive te voorkomen? En bij jongeren die meer een veelpleger zijn, wat kan je dan doen met een repressieve aanpak?" Aan de hand van de vragen die u hebt meegegeven, hebben wij een presentatie gemaakt waarin wij u meenemen. U heeft mijn collega's al even voorgesteld, maar misschien toch nog even kort: Inge van den Bosch als programmamanager Preventie met Gezag, Michiel Gorsse naast mij als mt-lid Jeugdcriminaliteit in mijn directie, en Monique Veldhuis als coördinerend beleidsadviseur binnen hetzelfde team Jeugdcriminaliteit. Het is wel mooi om te zeggen dat Monique jaren ervaring heeft in de uitvoering, dus ook echt bij de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. Vanuit die hoedanigheid kent zij het veld ook heel goed. Ik ben zelf nog maar kort werkzaam bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, een kleine drie maanden. Ik heb hiervoor gewerkt als directeur Veiligheid bij de gemeente Rotterdam, dus ik ken de aanpak jeugdcriminaliteit meer vanuit het lokale veld. Ook in die rol heb ik gezien hoe belangrijk het is dat er voor jeugdcriminaliteit een domeinoverstijgende aanpak is, samen met het onderwijs, welzijn en de zorg, die al vroeg wordt ingezet. Ik vind het mooi om in uw vragen te zien dat u daar ook aandacht voor heeft, omdat u nadrukkelijk heeft gevraagd deze briefing te geven in samenwerking met andere departementen. Ik heb dat afgestemd met mijn collega-directeuren van OCW, SZW, VWS, Binnenlandse Zaken en de VNG. Ik heb met hen afgestemd dat wij u meenemen in deze briefing, maar dat, daar waar dat relevant is, wij aangeven waarin die samenwerking zit en hoe die eruitziet. Zoals gezegd, vormen de vragen die u heeft meegegeven de opbouw van onze presentatie. Michiel neemt u zo mee in de context van het speelveld -- dat begint met wat cijfers en trends op het gebied van jeugdcriminaliteit -- en vervolgens in de leefwereld van zo'n jongere en de verschillende domeinen waarin zo'n jongere zich begeeft en beweegt, en waarin die opgroeit. Vervolgens gaan we naar Inge, die u mee zal nemen in welke maatregelen er worden getroffen om te voorkomen dat jongeren in de criminaliteit belanden: wat kunnen we zeggen over die maatregelen en over de effectiviteit ervan? Daarna gaan we naar de vraag welke maatregelen we kunnen treffen als een jongere zich eenmaal in de strafrechtketen begeeft en wat we kunnen zeggen over de effectiviteit daarvan. We zullen afsluiten met de vraag welke uitdagingen en verbeterpunten wij zien. Met uw goedvinden willen we dit als opbouw van de presentatie voorstellen. Wij hopen dat in een halfuur te kunnen doen, waardoor er daarna nog voldoende tijd is om uw vragen te beantwoorden. De voorzitter: Dat lijkt me uitstekend. Mevrouw Duitman: Dan gaan we door naar Michiel. De heer Gorsse: Bedankt. Ik neem u inderdaad even mee in de context van de jeugdcriminaliteit. Ik zal niet een uitvoerig betoog houden over alle cijfers die daarover bekend zijn. Die kent u wellicht al en die staan ook in onderzoeken als de Monitor Jeugdcriminaliteit. Ik zal er wel een korte duiding van geven. Om te beginnen vind ik het belangrijk om even te noemen dat het met de jeugd in Nederland op zich best goed gaat. Als je naar de platte cijfers kijkt, dan zie je dat het ook met de jeugdcriminaliteit best goed gaat, in die zin dat er de afgelopen vijftien jaar meer dan een halvering van de jeugdcriminaliteit heeft plaatsgevonden. U kunt dat ook zien in de tabel die op het scherm staat. Op uw hand-out is die volgens mij niet in kleur. De bovenste donkerblauwe lijn zijn de jongvolwassenen. Daaronder, in de lichtblauwe lijn, ziet u de minderjarigen. U ziet dat er inderdaad meer dan een halvering heeft plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat er zorgen bestaan rond dat deel van de jongeren dat nog in de jeugdcriminaliteit zit of daarin terechtkomt. Dat heeft er vooral mee te maken dat het voor een belangrijk deel gaat over jongeren waar echt wat mee aan de hand is, zal ik maar zeggen. Noem dat bijvoorbeeld "multiproblematiek". Een ander aandachtspunt daarbij is dat het zich in bepaalde wijken meer lijkt te concentreren dan in andere wijken. Daarnaast zijn er zorgen over nieuwe fenomenen die nu zichtbaar lijken te worden. Een belangrijk dilemma daarbij, om het maar zo te noemen, ook voor ons als ambtenaren, is dat deze cijfers op zich wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar dat we toch ook allemaal het gevoel hebben dat er wel iets meer aan de hand is en dat er op z'n minst bijvoorbeeld een verharding en een verjonging plaatsvindt van de jeugdcriminaliteit of dat het vaker de kop opsteekt, bijvoorbeeld in de wijken met die incidenten. Het is allebei waar, zegt mijn gewaardeerde collega naast mij ook altijd tegen mij. Ik bedoel: die cijfers hebben we laten onderzoeken door het WODC, maar alles wat we in de media lezen, wat er in de praktijk gebeurt, is ook waar. We weten helaas nog niet precies hoe dat samenhangt. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, komt er eind dit jaar een nieuwe Monitor Jeugdcriminaliteit uit, met meer algemene cijfers, bijvoorbeeld over de onlinecriminaliteit die al dan niet toeneemt. Ook daarvan is het beeld dat die toeneemt. Uit de cijfers wordt dat veel minder duidelijk dan uit het beeld. Dat kan ook te maken hebben -- dat blijkt ook wel uit onderzoek -- met aangiftebereidheid, met de zichtbaarheid daarvan of met de capaciteit, bijna letterlijk en figuurlijk, zou ik bijna zeggen, van de politie om die daadwerkelijk op te sporen. Wat betreft die verjonging en vooral de verharding hebben we ook een specifieke onderzoeksvraag bij het WODC uitgezet, waarbij de vraag letterlijk is: hoe verhoudt die beeldvorming zich nu tot de cijfers daaromtrent? Dat onderzoek zal in het najaar naar buiten komen. Als je dan verdergaat in de hoofdlijnen van de "context", om dat woord ook maar meteen over te nemen, is preventie natuurlijk het beste als het gaat om jeugdcriminaliteit. Daar kunnen we het, denk ik, met z'n allen over eens zijn. Daarbij is het van belang om je te realiseren dat jeugdcriminaliteit geen losstaand fenomeen is. Dat vindt in een context plaats en heeft te maken met alle domeinen van het leven, met de levensloop en met risicofactoren. Die zul je allemaal in beeld moeten hebben als je die effectief wilt kunnen bestrijden en een aanpak daarop wilt kunnen ontwikkelen. Daarmee hangt het wellicht bekende onderscheid tussen de vormen van preventie samen, of dat nou algemeen, doelgroepgericht of op recidive gericht heet, of primair, secundair of tertiair. Het is ook van belang om dat onderscheid te blijven maken. De primaire, algemene preventie vindt voor een belangrijk deel in het sociaal domein bij de gemeente plaats, met alle betrokkenheid van het departement; dat is net ook door mijn collega Corine benoemd. Op de secundaire preventie komen we zo nog wel even terug, bijvoorbeeld in het verhaal dat Inge straks met u gaat delen. De tertiaire, doelgroepgerichte preventie zit voor een belangrijk deel echt in onze corebusiness, namelijk de recidivegerichte aanpak die daadwerkelijk met het jeugdstrafrecht en de jeugdstrafrechtketen te maken heeft. In beide laatste vormen, secundair en tertiair, zitten ook alle interventies waar we het vaak over hebben. Daarbij gaat het vaak ook over de effectiviteit, waar u vragen over heeft gesteld. Als laatste is het goed om te benoemen dat er na die tertiaire preventie, of na de strafrechtelijke keten, nog nazorg plaatsvindt, ook om recidive te voorkomen. Daarbij hebben we een verplicht kader, vanuit de jeugdstrafrechtketen, en een "vrijwillig kader", zeg ik tussen haakjes, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Alles even samenvattend, zonder dat het mijn bedoeling is om dit volledig met u door te nemen: dit is het veld waarmee we te maken hebben, met alle instanties, organisaties en interventies die erop gericht zijn om al die vormen van preventie met elkaar vorm te geven. Het plaatje op het scherm is wat specifieker gericht op de jeugdstrafrechtketen, de pedagogische aanpak daarvan en het belang van jeugdhulp daarbinnen, maar ik denk dat het als zodanig in ieder geval het inzicht geeft dat het een complex veld is, met veel betrokkenen die je allemaal nodig hebt om dit mogelijk te maken. Maar dat leidt uiteraard -- dan vertel ik u vermoedelijk ook niks nieuws -- ook nog weleens tot afstemmingsproblemen en dergelijke. Dat is wat dat betreft voor mij even de intro en de context. Dan kunnen we doorschakelen naar Inge, die u meeneemt in de vraag: hoe voorkomen we dan daadwerkelijk dat deze jongeren in het jeugdstrafrecht of eigenlijk in de criminaliteit terechtkomen? Mevrouw Van den Bosch: Ja. Allereerst dank voor de uitnodiging. Ik vind het een eer om hier te zijn en ik vind het heel erg leuk om hierover te vertellen, want ik ben al vanaf het begin betrokken bij het programma Preventie met Gezag, samen met mijn collega's. Wij werken heel intensief samen met gemeenten, maar ook met justitiepartners en allerlei andere partners om dit tot een succes te maken. Ik vind het dus heel erg leuk om hierover te vertellen en ook een beetje spannend, dus ik word zo meteen heel erg rood. Dat is enthousiasme en spanning in een soort samenballing. Voordat we gaan beginnen aan deze sheet, wil ik even met jullie het volgende afpellen. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid in hun eigen gemeente. Samen met het lokale gezag vormen zij eigenlijk het gezag in de gemeente. Wij als Justitie en Veiligheid ondersteunen de gemeenten daar eigenlijk bij, onder meer met financiering, kennis en het verbinden van partners. Zoals Michiel en Corine net al aanstipten, zijn wij natuurlijk verantwoordelijk voor de strafrechtketen en de jeugdstrafrechtketen. Voordat ik hiermee begin, wil ik dus even duidelijk hebben gemaakt dat die scheiding er wel echt is. Het gaat inderdaad, zoals Michiel al zei, om een kleine groep jongeren over wie we ons echt zorgen maken. Die zitten in een kwetsbare positie en hebben extra aandacht nodig. Daarom zetten we middelen ook het liefst zo gericht mogelijk in, echt met een aanpak die gefocust is op die jongeren in de context waar de problematiek het meest ernstig en hardnekkig is. Michiel zei net ook al: dat concentreert zich in wijken, maar natuurlijk ook in bepaalde doelgroepen. Dat doen we via verschillende aanpakken, bijvoorbeeld de aanpak van high-impact crimes, de aanpak wapens en jongeren en Preventie met Gezag. Preventie met Gezag is ingezet om te voorkomen dat jongeren van 8 tot en met 27 jaar -- we hebben het dus eigenlijk over kinderen, jongeren en jongvolwassenen -- in aanraking komen met ondermijnende criminaliteit of daarin verder afglijden of doorgroeien. Wij financieren 27 gemeenten structureel en 20 gemeenten incidenteel. De 27 gemeenten die we structureel financieren en de 20 die we incidenteel financieren, zijn ook echt geselecteerd op basis van data van wijken waarvan wij met z'n allen hebben gezien dat het er niet goed gaat. De regie is lokaal. Dat zei ik net ook al. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk, ook inhoudelijk. Wij zijn natuurlijk wel heel erg bezig met hoe wij er op landelijk niveau voor kunnen zorgen dat wat we in die wijken doen, ook echt werkt. Daarom hebben wij Preventie met Gezag ook ingericht als een lerende aanpak. Op basis van wetenschappelijke inzichten en monitoring onderzoeken we eigenlijk continu wat wel werkt, wat niet werkt, voor wie dat werkt en onder welke omstandigheden. Dat zijn allerlei heel grote vragen die wij steeds proberen te beantwoorden. Door de lerende aanpak krijgen we daar steeds meer zicht op. Die inzichten delen we dan ook weer met de gemeenten en de justitiepartners. Daardoor veranderen die aanpakken ook continu, zodat we steeds beter weten wat wel en niet werkt en hoe we dat zo gericht mogelijk kunnen inzetten. Doordat we dit ook buiten de Preventie met Gezag-gemeenten delen, hoeven gemeenten niet telkens opnieuw het wiel uit te vinden en kunnen we ook echt bewezen effectieve interventies ontwikkelen. Dat is dus eigenlijk de basis. Dit doen we langs de levensloop. We weten natuurlijk dat vroeg ingrijpen loont. Hoe eerder we problemen signaleren, hoe beter, en hoe groter de kans dat we ernstigere problematiek kunnen voorkomen. Dat moeten we goed afstemmen op het risiconiveau, want je kunt je ook voorstellen dat het averechts en stigmatiserend kan werken als je meteen al guns blazing op een kind van 9 gaat inzetten, met alles wat je hebt. Je moet dus steeds heel goed bekijken wat er op welk risiconiveau nodig is. Goede risicotaxatie is daarbij belangrijk. Bovendien komt niet iedereen die betrokken is bij een delict meteen in aanmerking voor een interventie. We hebben soms de neiging om te denken -- dat zien we vaak in de media -- dat iedereen een interventie moet krijgen als bijvoorbeeld jongeren betrokken zijn geweest bij een delict of er een grote groep jongeren stond te kijken en te filmen. Wij weten uit de wetenschap dat het echt niet effectief is en juist averechts kan werken als je op basis daarvan al aangemerkt wordt als crimineel. We willen dus juist heel precies weten: wie heeft nu wat nodig? Op basis van risicotaxatie kunnen we inzetten op acht risicodomeinen. Dit zijn eigenlijk acht domeinen waarop risicofactoren zich voordoen. Aan de andere kant van die risicofactoren vinden we natuurlijk de beschermende factoren. Wij proberen dus altijd heel erg in te zetten op deze acht, op de central eight. Ik ga die niet aan u voorlezen, want u heeft die op de hand-out voor u en die staan hier ook op het scherm geprojecteerd. Daarnaast wil ik nog even aanstippen dat wij vanuit JenV natuurlijk maar beperkt invloed hebben op deze jongeren. Wij zien ze eigenlijk alleen als zij in beeld komen als risicovol, terwijl het juist heel erg nodig is. Daarom zijn we inderdaad ook heel blij met jullie vragen over die samenwerking met OCW, SZW, VWS, BZK en allerlei andere organisaties. Wij kunnen dit niet als JenV oplossen. We moeten echt goed investeren in onderwijs, schuldenaanpak en armoedeproblematiek, want als we daar goed in investeren, dan werken we ook aan die risicofactoren. Dat kunnen wij als JenV gewoon niet alleen. Voor sommige jongeren zijn deze reguliere investeringen nog niet genoeg. We investeren als Nederland in goed onderwijs, bestaanszekerheid en leefbare wijken, maar soms is er iets meer nodig. Dit zijn dan de risicofactoren waarin we investeren. Dat gaat van vrij algemeen naar steeds specifieker naarmate je naar beneden gaat. We investeren dus aan de voorkant heel erg in veilig opgroeien, met goede consultatiebureaus en goede informatie aan de voorkant. Dan kom je bij het stapje weerbaarheid, waarbij we bijvoorbeeld inzetten op jongeren die op school goed leren hoe ze nee moeten zeggen. Bij een verhoogd risico zetten we weer allerlei andere interventies in. Uiteindelijk, pas helemaal aan het eind, kom je natuurlijk bij de strafrechtketen terecht. Dat proberen we natuurlijk zo veel mogelijk te voorkomen. De intensiteit en de inzet zijn dus afgestemd op het risico op afglijden. We weten dat losse interventies op zichzelf geen effectieve aanpak vormen. Minstens net zo belangrijk zijn een sterke pedagogische basis, goede samenwerking tussen zorg- en veiligheidspartners en het bereiken van de juiste doelgroep, waar we het net al even over hadden. We hebben het net ook al even over die extra ondersteuning gehad. Er kan extra ondersteuning naast die pedagogische basis nodig zijn. Daarbij proberen we bijvoorbeeld te investeren in prosociale activiteiten. Denk aan vrijetijdsbesteding, extra inzet op school of opvoedhulp voor ouders. Onderzoek laat zien dat deelname aan sport en cultuur kan bijdragen aan het verkleinen van criminaliteitsrisico's, mits deze activiteiten plaatsvinden binnen een positieve pedagogische context. Dat is dus wel belangrijk. Daarbij is het belangrijk dat de ondersteuning aansluit bij de mate waarin er sprake is van een risico; dat heb ik net al even aangestipt. Er zijn verschillende kansrijke en bewezen effectieve gedragsinterventies beschikbaar voor zowel jong als oud. Het is goed om even te benadrukken: het gaat hier over jeugdcriminaliteit, maar we zetten echt in op leeftijden tot 27, omdat we weten dat het brein natuurlijk pas na 25 jaar uitontwikkeld is. Tot die tijd is het dus gewoon belangrijk om ook goed in te zetten op interventies die aansluiten bij zowel de leeftijd van de jongeren als het risico. Voor jongeren zetten we bijvoorbeeld Rots en Water in op school. Dat is een training waarbij ze leren hoe ze met agressie kunnen omgaan. Ook Alleen jij bepaalt wie je bent is een effectief bewezen interventie die is ontwikkeld door mijn collega's bij JenV. Dat is een gedragsinterventie met sport als middel. KansRIJK is een interventie die de jeugdreclassering inzet om te voorkomen dat jongeren verder afglijden. Voor de jongvolwassen zetten we IPTA in. Dat is een interpersoonlijke toeleiding naar arbeid voor 16- tot 27-jarigen. Dat zit een beetje in de overlap. We zetten de re-integratieofficier in wanneer jongeren al vastzitten. Die komt al tijdens de detentie langs bij 18- tot 35-jarigen. Voor de relatief kleine groep jongeren met de hoogste risico's en de minste beschermende factoren is alleen intensieve langdurige begeleiding nog inzetbaar, waarbij de verschillende problemen gelijktijdig worden aangepakt. Uit onderzoek blijkt ook dat juist persoonlijke begeleiding en mentoring voor deze doelgroep vaak werkzame elementen zijn. Daar kom ik zo nog op terug bij het kwaliteitskader. Dat is echt mijn laatste sheet; dat beloof ik. Voor deze zware groep is het vaak nodig om individuele gedragsinterventie in te zetten. Hierbij kan worden gedacht aan de aanpak van gedragsproblemen, trauma's of agressie. Binnen de forensische setting worden alleen erkende gedragsinterventies ingezet die deze problemen aanpakken, zoals multisysteemtherapie, agressieregulatietherapie of traumabehandeling. Voor jongeren met verhoogde risico's zijn die gerichte interventies echt nodig. Voor de kleine groep met de zwaarste problematiek is langdurige integrale en intensieve begeleiding uiterst noodzakelijk. Dan komen we bij het landelijke kwaliteitskader. Hoe weet je nou wat werkt? Toen we Preventie met Gezag opstartten, vonden wij het lastig om gemeenten en justitiepartners daarin te begeleiden. Wij hebben toen aan twee wetenschappers gevraagd om een kwaliteitskader voor ons te maken om ons te helpen houvast te bieden aan gemeenten in de wirwar aan interventies die beschikbaar zijn. Zij hebben toen een lijst gemaakt met werkzame bestanddelen, die in 2024 is ontwikkeld. Centraal staat dat interventies goed onderbouwd zijn, professioneel worden uitgevoerd en aansluiten bij de risico's, behoeften en ontwikkeling van de jongeren. Daar heb ik net al uitvoerig over gesproken. Het kwaliteitskader onderstreept een belangrijke les uit de wetenschap, namelijk: less is more. Dat kwam ook in de Zembla-uitzending aan de orde. Het is beter om te investeren in een klein aantal interventies waarvan zeker is dat ze werken. Aan de andere kant hebben we te maken met een interventieaanbod dat niet dekkend is op dit moment. We hebben nu gewoon niet voor iedere jongere met ieder type problematiek een goede interventie. Er is dus ruimte nodig om te experimenteren en te innoveren. Dat doen we op basis van de werkzame bestanddelen die in dat kwaliteitskader zitten. Als er wordt geïnnoveerd, doen we dat dus altijd met zo veel mogelijk wetenschappelijke onderbouwing, maar er is echt ruimte nodig om nieuwe interventies te ontwikkelen. Voor bijvoorbeeld de hardekerngroep hebben we nu eigenlijk heel weinig als zij uitstromen uit detentie of een andere vorm van toezicht. Het zou dan van de zotte zijn als we zeiden "we houden vast aan deze interventies", want we hebben dat nu gewoon nog niet. Er is geen dekkend aanbod en dus ook geen quick fix. Bovendien hebben we ook ruimte nodig voor het gegeven dat iets in bijvoorbeeld Amsterdam anders werkt dan in Leeuwarden. We moeten ook echt rekening houden met de expertise van de gemeenten en de mensen die daar werken en weten wat er in hun wijk werkt. In Amsterdam-Zuid is echt een andere aanpak nodig dan in Leeuwarden-Oost. Daarmee sluit ik het af en geef ik het door aan mijn collega. De heer Gorsse: Even kort over de volgende stap. Mocht dat voorkómen in de zin van preventie nou niet lukken, dan zullen jongeren in de strafrechtketen terechtkomen. Dat ligt ook in het verlengde van uw vraag wat we doen met first offenders en met veelplegers. Voordat we op de verschillende interventies ingaan, is het van belang om nog even de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht te onderstrepen. De kern daarvan is dat het een pedagogisch karakter heeft, dus met het doel, de hoop en de verwachting om jongeren daadwerkelijk zover te krijgen dat ze leren om het anders te doen, zal ik maar zeggen. Daarbij is maatwerk uiteraard van groot belang. Daar wordt weleens de uitdrukking "licht waar het kan, zwaar waar het moet" bij gebruikt. Misschien is het nog wel beter dat het een passende, effectieve interventie moet zijn, waarbij in ieder geval centraal staat dat detentie het laatste redmiddel is. Ten slotte is het, denk ik, goed om, voordat we met Monique naar de echte strafrechtelijke interventies gaan kijken, te zeggen dat er ook een voorkeur is om zo veel mogelijk buitenstrafrechtelijk af te doen, onder andere om te voorkomen dat een jongere een strafblad heeft en geen vog kan krijgen, wat natuurlijk heel erg kan belemmeren in de ontwikkeling. Die buitenstrafrechtelijke afdoeningen zijn er in de kern twee. Overigens komt er kort na de zomer een beleidsreactie van de staatssecretaris naar aanleiding van het RSJ-advies hierover, waarin naar het hele stelsel wordt gekeken. Die komt dus via de staatssecretaris ook naar uw Kamer. Die twee vormen zijn de reprimande. Dat is een formele politiewaarschuwing in het bijzijn van de ouder, waarvan wel een registratie plaatsvindt in de politiesystemen maar niet in het strafdossier, zal ik maar zeggen. Daarnaast is er de natuurlijk de al wat langer bestaande, ongetwijfeld bekende Halt-interventie: een lichte, kortdurende interventie, van maximaal twintig weken, die gericht is op bewustwording en herstel. Overigens vindt er nu al een tijdje een nogal fundamenteel WODC-onderzoek naar de effectiviteit daarvan plaats. Dat zal in 2028 verschijnen. Nou, Monique, dan ben jij eindelijk. Mevrouw Veldhuis: Dank je wel. We komen aan bij de strafrechtelijke afdoeningen. Het gaat dan echt om de tertiaire preventie binnen de jeugdstrafrechtketen, dus het voorkomen dat een jongere daadwerkelijk nog een keer recidive pleegt. In dit overzicht op de sheet ziet u alle mogelijkheden van die strafrechtelijke afdoeningen. In het groen ziet u de mogelijkheden om af te doen binnen het jeugdstrafrecht. In de gele cellen staan de mogelijkheden om af te doen binnen het volwassenenstrafrecht. Die zijn tevens beschikbaar binnen het adolescentenstrafrecht. U ziet dat de afdoeningen binnen het jeugdstrafrecht variëren van een geldboete tot een taakstraf, met uiteindelijk detentie en een PIJ-maatregel als de zwaarste maatregelen. In het jeugdstrafrecht dienen interventies altijd gericht te zijn op gedragsverandering om recidive te voorkomen. Wat betreft jeugddetentie en een PIJ zien we dat interventies en behandelingen worden ingezet die aansluiten bij diverse kenmerken van de jongeren. Daarvan is een aantal goed onderbouwd of effectief bewezen, bijvoorbeeld de socialevaardigheidstraining en de agressieregulatietraining die daar gegeven worden, maar ook de gezinstherapie. Naast de straffen en maatregelen kan een rechter ook een voorwaardelijke straf opleggen. Dit betekent dat een jongere vaak een onvoorwaardelijk deel in zo'n vonnis opgelegd krijgt. Dat is bijvoorbeeld een taakstraf die hij moet uitvoeren of een stuk detentie. Maar als resterende straf krijgt hij ook vaak een stuk voorwaardelijk opgelegd. Die is vaak verbonden aan een proeftijd en toezicht. Dat wordt uitgevoerd door de jeugdreclassering. Naast dat toezicht worden ook vaak een aantal bijzondere voorwaarden aan de jongere opgelegd. Denk aan je houden aan een gebiedsverbod, maar ook aan het meewerken aan jeugdhulp of het meewerken aan een vorm van behandeling. De verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid en de financiering van zowel de jeugdreclassering als die jeugdhulp of die behandeling valt sinds de Jeugdwet van 2015 onder de gemeente. U vroeg wat er beter kan. We hebben hier eigenlijk meteen een complex probleem te pakken. De complexiteit van dit stelsel maakt dat we tegen problemen aanlopen in de uitvoering van deze voorwaarden, bijvoorbeeld als we kijken naar de jeugdreclassering. Dat is een werksoort die valt onder de gecertificeerde instellingen. Deze zijn decentraal belegd binnen het stelsel. Daarmee heeft JenV geen directe sturingsrelatie met de jeugdreclassering, terwijl het wel een jeugdstrafrechtpartner is. We zijn afhankelijk van de keuzes die gemeentes hierin maken. Een voorbeeld hiervan is de methodiek Jeugdreclassering in Verbinding. Daar is het onlangs in het debat Justitiële jeugd natuurlijk ook over gegaan. Met subsidie van JenV is deze methodiek voor de jeugdreclassering in 2025 opgeleverd. Die is wetenschappelijk onderbouwd en uniform, zodat de hele jeugdreclassering in Nederland daarmee kan werken. Maar de nieuwe methodiek vraagt ook een intensievere vorm van begeleiding van de jongeren. Dat betekent voor jeugdreclasseerders eigenlijk het verlagen van de caseloadnorm. Het verlagen van de caseloadnorm vraagt een andere kostprijs. Daarvoor is helaas binnen de gemeente geen geld beschikbaar. Daarmee kan deze nieuwe methodiek niet geïmplementeerd worden. Een ander voorbeeld hiervan is jeugdhulp in strafrechtelijk kader. We zien al jarenlang dat er een tekort is aan beschikbaarheid van passende forensische jeugdhulp voor deze doelgroep. Naast dat we zien dat er überhaupt een gebrek is aan dit aanbod, zien we dat dit heel vaak een dure vorm van aanbod is, waardoor dit vaak niet wordt ingekocht door gemeenten. Ook hierin hebben wij geen primaire rol, maar wij proberen wel echt de noodzaak van de beschikbaarheid van noodzakelijke hulp zo veel mogelijk te agenderen en urgenderen, bijvoorbeeld bij een onderwerp als de Hervormingsagenda Jeugd. De effectiviteit van de jeugdstrafrechtketen kunnen we eigenlijk ruwweg in twee delen opsplitsen: het inzetten van een passende aanpak en vervolgens ook het toetsen van die bestaande aanpak. Voor het inzetten van die passende aanpak gebruiken wij het Landelijk Instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. Dat wordt door alle jeugdstrafpartners gebruikt en omarmd. Dat helpt bij het uniform analyseren en beoordelen van de beschermende factoren en de risicofactoren van jongeren, maar het draagt ook bij aan het op een rechtsgelijke manier tot deze analyse komen. Het LIJ bestaat uit een aantal wetenschappelijk onderbouwde taxatie-instrumenten, die inderdaad de beschermende factoren en risicofactoren van deze jongeren in kaart brengen. Het doel van het LIJ is het adviseren over de juiste invulling van de afdoening. Het LIJ gaat niet over de strafmaat. Daar zijn wetten voor. Het OM en de kinderrechter bepalen de strafmaat uiteindelijk. Het LIJ wordt door ons ook periodiek geëvalueerd door de validiteit en de betrouwbaarheid te blijven onderzoeken en monitoren. Wij toetsen de effectiviteit, om daar even op door te gaan, zelf regelmatig, maar we worden ook regelmatig gevraagd en ongevraagd getoetst door bijvoorbeeld het WODC of de Algemene Rekenkamer. We vragen bijvoorbeeld zelf ook advies aan de RSJ. De resultaten daarvan worden altijd door ons met u gedeeld. De Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie heeft hier een heel belangrijke rol in. Deze commissie is onafhankelijk, multidisciplinair ingericht en wordt vaak ondersteund door diverse kennisinstituten, zoals het NJi. Deze toetsing is een planmatige en doelgerichte aanpak, die heel goed is uitgewerkt en moet kunnen leiden tot een mooie praktijk waarin we echt zo veel mogelijk effectieve interventies tot onze beschikking hebben. De commissie begeleidt en coördineert de erkenningstrajecten die worden aangevraagd door de ontwikkelaars, maar dit is soms ook wel ingewikkeld, want het is vaak een lang traject. Dat moet dus ook echt volledig uitgezet worden. Ook het aanvragen en doorlopen van zo'n erkenning is gewoon een intensief en kostbaar traject. Daardoor lukt het ontwikkelaars ook niet altijd om uiteindelijk tot zo'n erkende interventie te komen. Dan mag ik volgens mij hierna weer het woord doorgeven aan Corine. De voorzitter: Ik zou u willen vragen om te kijken of dat … Mevrouw Duitman: Ja, ik ga het heel kort doen, want eigenlijk is dit de samenvatting. De voorzitter: Dan houden we voldoende ruimte voor de gesprekken. Mevrouw Duitman: Ja, zeker. Dat had ik me al gerealiseerd. U vroeg of wij nog uitdagingen of verbeterpunten zien. Volgens mij hebben we daar in de verschillende toelichtingen al aandacht voor gevraagd. Ik licht de belangrijkste punten er heel kort uit. Het is vooral van belang om zowel op lokaal niveau als op rijksniveau strafbaar gedrag van een jongere niet op zichzelf te bezien. Dat begint echt in het voorveld, dus het is van belang dat er wordt geïnvesteerd in het onderwijs, in de gezinnen en in bijvoorbeeld de schuldhulpverlening. We hebben ook iets gezegd over de ingewikkeldheid van effectiviteitsonderzoek. Daar zal ik niet verder bij stilstaan. Ik denk dat het ook belangrijk is -- maar dat is voldoende aan bod gekomen -- dat het niet one-size-fits-all is maar echt maatwerk, en dat het ook lokale invulling vraagt. Bij de afhankelijkheid van verschillende partners heeft Monique al stilgestaan. We hebben daarbij te maken met de beschikbaarheid van bijvoorbeeld jeugdhulp of specialistische jeugdhulp die er niet altijd is, maar ook met tekorten, bijvoorbeeld in de jji's. Monique heeft ook al Jeugdreclassering in Verbinding genoemd, waarvoor de structurele middelen er niet zijn. Dat zijn wat mij betreft de belangrijkste punten als het gaat over de uitdagingen die wij zien. De voorzitter: Veel dank. Veel dank voor deze toelichting. Wij hebben tot 12.45 uur de tijd, dus ik wil het volgende doen, en ik kijk daarbij naar de zijde van de Kamer. Ik wil de leden telkens één vraag laten stellen, die niet-politiek van aard is. Ik stel voor dat zij het benoemen als de vraag specifiek aan één persoon gericht is. Als dat niet zo is, is het aan de gasten om te bepalen wie de vraag het beste kan beantwoorden. Eerst de heer Bikkers. De heer Bikkers (VVD): Dit onderwerp leidt heel snel tot politiek, dus het is goed dat u ons daarop wijst, voorzitter. Ik zou ook zeggen: hou ons scherp op het moment dat we die grens toch overgaan. Dank aan de sprekers voor hun verhaal en voor hun komst. Ik denk dat het zeer waardevol is om het verhaal op deze manier te horen. Laat ik van voor af aan beginnen, en ik hoop dat we nog een paar rondjes krijgen. Ik begin dus bij de trends in jeugdcriminaliteit. Ik denk dat u terecht zegt: wij zien een dalende trend en tegelijkertijd voelt dat in de samenleving niet zo. Ik merk het zelf ook dagelijks. Als ik ergens met mijn zoon van 14 loop en een aantal jongeren wil aanspreken die zich misdragen, zegt hij: doe maar niet, want ik weet zeker dat ze een mes bij zich hebben. En als ik meeloop met de politie bij het preventief fouilleren, zie ik dat ook. Mijn vraag is of die jongeren voldoende in beeld zijn. We hebben het hier namelijk over criminaliteitscijfers, maar daar gaat ook iets achter schuil wat we niet weten, dus wat niet leidt tot criminaliteit. Mijn overtuiging is wel dat je, op het moment dat je een mes bij je draagt, ook bereid bent om dat te gebruiken. Dat zien we in de praktijk ook. Is daar dus een beeld van te schetsen? De voorzitter: Ik vermoed dat de heer Gorsse daar een antwoord op kan geven. De heer Gorsse: Ja, die voelde ik aankomen. Wellicht kan Inge me waar nodig aanvullen. Op lokaal niveau is daar een beeld van, ongetwijfeld wisselend per gemeente. In abstracto, of in de cijfers, weten wij via dat LIJ, waar net over gesproken is, over dit soort risicofactoren, en uit het wetenschappelijk onderzoek van het WODC hebben we daar in abstracto zicht op. Maar ik vrees dat het meest juiste antwoord is dat het, zoals ik al zei, per gemeente nogal verschilt hoe zichtbaar dat bijvoorbeeld is in de relatie tussen jongerenwerk, politie en alle andere betrokkenen, dus op dat niveau. Ik denk dat dat heel erg verschilt. Ik kijk voor een aanvulling wellicht ook even naar Corine, vanuit haar andere ervaring, maar in ieder geval naar Inge. Mevrouw Van den Bosch: Dit klopt. Een dark number is een dark number, hè, dus we weten niet wat we niet weten. Daar kun je allerlei onderzoeken tegenaan gooien en dan weten we het eigenlijk nog niet goed. Wat we wel terugkrijgen van partners is dat het met de meeste jongeren goed gaat, zoals we al zeiden, en dat de jeugdcriminaliteit afneemt. Maar zoals Michiel al zei, zien we wel dat jongeren op sommige plekken op een jongere leeftijd, dus eerder, overgaan tot het plegen van een ernstiger delict. Dat is wat we kunnen terugzien in de data, maar de data zijn natuurlijk beperkt. Zeg ik het zo goed, Michiel? De heer Hamstra (CDA): Ik denk dat mijn vraag voor mevrouw Veldhuis is. U had het net over de complexiteit van het stelsel -- dat is overigens heel herkenbaar -- en u zei dat de jeugdbescherming per gemeente anders ingericht kan zijn omdat het decentraal is geregeld, waardoor jullie geen directe sturing hebben. Mijn vraag is tweeledig. Eén. Hoe kan dat anders? Zou u dat op een andere manier ingericht willen hebben? Ik hoor graag hoe u dat ziet. Dan een vraag in het verlengde daarvan. U gaf ook aan dat u ziet dat er te weinig forensische plekken voor jeugdhulp zijn en dat dit een duurdere vorm is, terwijl tegelijkertijd in de Jeugdwet staat dat elke gemeente een passend aanbod moet hebben. Hoe is dat met elkaar te rijmen? Kunt u daar wat over aangeven? Mevrouw Veldhuis: De vraag hoe ik het graag voor me zie, is wat ingewikkeld om te beantwoorden, maar uiteindelijk willen we allemaal dat deze zorg beter beschikbaar is binnen de gemeenten. Wat vooral helpt, is inzichtelijk maken, per gemeente, welke hulp er nu ontbreekt en waar die hulp eventueel wel ingekocht kan worden. Binnen de hervormingsagenda zijn we natuurlijk ook aan het kijken of we dit soort hulp meer bovenregionaal en landelijk kunnen inkopen. Dat helpt ook. Het is beetje gechargeerd gezegd en dit leent zich snel voor voorbeelden, maar de regio Amsterdam of de regio Rotterdam zal vaker jongeren tegenkomen die echt deze hoogforensische zorg nodig hebben dan de gemeente Elst in Gelderland. Kleinere gemeentes zullen dus ook echt naar grotere gemeentes moeten kunnen kijken, van: hebben jullie dit aanbod en kunnen wij hiervan gebruikmaken? Daar zitten, denk ik, in het hier en nu goede aanknopingspunten om dat beter geregeld te krijgen middels de afspraken binnen de hervormingsagenda. Het heeft ook geholpen om dit überhaupt beter in beeld te krijgen. JenV heeft onder andere een aantal keren aan een extern bureau gevraagd om de beschikbaarheid van dit type jeugdhulp eens in beeld te brengen. Wij hebben daar vorige week nog weer een mooi rapport over gekregen, dat ook openbaar is gemaakt. Dat is een rapport van EHdK; u kunt dat zelf ook nazoeken. Dat geeft ons weer heel veel aanknopingspunten om hierin met VWS en de VNG stapjes verder te komen. De voorzitter: Dank u wel. Met het oog op de tijd vraag ik u om waar dat kan bondig te antwoorden. Dat zou fijn zijn, want dat geeft ons de ruimte om nog nét een extra rondje vragen te doen. Mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Dank voor de heldere presentatie. Ik heb een vraag over jongeren met een lichte verstandelijke beperking of een verstandelijke beperking, omdat die groep sneller vatbaar is voor beïnvloeding en soms moeilijker informatie tot zich kan nemen. Ook hun toekomstperspectief speelt vaak een rol. Ze gaan misschien vaker een klusje doen omdat ze dan meer aanzien krijgen. Ik hoor ook van docenten die met deze groep werken dat het ontbreken van toekomstperspectief voor deze jongeren een reden kan zijn waarom ze vatbaarder zijn om in de armen te vallen van criminelen. Mijn vraag is in hoeverre deze groep nou specifiek terugkomt in het beleid en of deze jongeren en jongvolwassenen wel altijd goed genoeg in beeld zijn. Je ziet vaak natuurlijk aan de buitenkant niet dat iemand een lichte verstandelijke beperking heeft. Mevrouw Van den Bosch: Over het ronselen kan ik iets zeggen. Ik denk dat mijn collega Michiel iets kan zeggen over het aandeel lvb in detentie -- ik weet dat dat hoog is -- en wat we daarmee doen. We zien inderdaad dat jongeren die een lichte verstandelijke beperking hebben gevoeliger zijn voor ronselen. We zien ook dat criminelen daar gebruik van maken. We hebben van scholen voor jongeren met een beperking ook signalen gekregen dat criminelen daar posten. We zien dus dat criminelen daar handig gebruik van maken. De heer Gorsse: Aanvullend daarop, over als we eenmaal in het strafrecht zitten. Alle ketens in het strafrecht zijn zich bewust van deze problematiek en hebben daar ook een aanpak voor. Ik verwijs naar wat Inge zei over detentie. Grofweg heeft de helft van de populatie in de jji's een verstandelijke beperking. Daar is in algemene zin aandacht voor, en voor als het wat heftiger is, zijn er zelfs speciale behandelingen en afdelingen. Ik kijk even naar Monique. Misschien wil zij nog iets aanvullen. Anders moeten we misschien maar door. Mevrouw Veldhuis: Ja, misschien nog een korte aanvulling over bijvoorbeeld toezicht en begeleiding in de jeugdreclassering. Als bij aanvang van het toezicht al bekend is dat een jongere een lvb-problematiek heeft, zal deze zaak eigenlijk altijd naar een specifieke GI verwezen worden, namelijk de William Schrikker Groep, die gespecialiseerd is in het begeleiden van deze doelgroep. Op het moment dat we dat weten, wordt een jongere dus eigenlijk meteen al toebedeeld aan de begeleiding van de William Schrikker Groep. De voorzitter: Dank u wel. Ik zet nu even de pet op van vraagsteller; daarna ga ik weer verder in de rol van voorzitter. Ik wil even stilstaan bij Preventie met Gezag en de berichtgeving daarover. Jullie raakten er net ook al even kort aan, maar wat zou jullie reflectie daarop zijn? Ik heb ook goed gehoord dat je ruimte voor innovatie nodig hebt. Terzelfder tijd hebben we ook deze berichtgeving. Mevrouw Van den Bosch: Ik vind het lastig om dit niet als politieke vraag ... Zou je misschien iets specifieker kunnen zijn? De voorzitter: Volgens mij zijn we met z'n allen bij dit onderdeel even op zoek. Laten we even deze berichtgeving vergeten en kijken naar een andere berichtgeving van het CCV. Dat geeft aan: op het gebied van jeugdcriminaliteit zien we dat drie interventies effectief zijn. Er worden meerdere interventies gefinancierd. Misschien kunnen jullie ons even meenemen in het afwegingskader dat er ligt en in de vraag hoe je tijdig bijstuurt als je merkt dat het ene gewoon effectiever zal zijn dan het andere. Mevrouw Van den Bosch: Ja. In principe hebben wij, zoals ik al heb genoemd, een lerende aanpak binnen Preventie met Gezag. Wij leren iedere dag meer over wat er wel en niet werkt. We gebruiken ook echt de laatste wetenschappelijke inzichten. Het is inderdaad, zoals wij al zeiden, heel erg ingewikkeld om een interventie bewezen effectief te krijgen. Om die reden hebben wij dus dat rapport opgevraagd, het Landelijk kwaliteitskader. Ik kijk even wat mijn collega's mij aan het appen zijn, want ik heb één collega die hier echt helemaal in zit en die mij op dit moment van informatie voorziet. Excuus hiervoor. De voorzitter: En dat zou zomaar de collega kunnen zijn die ... Mevrouw Van den Bosch: Ja, dat is die collega, absoluut. (Hilariteit) Mevrouw Van den Bosch: Nieuwe projecten proberen wij zo veel mogelijk op wetenschappelijke kennis en praktijkkennis te stoelen. Wij leren daar iedere dag over bij. Nu kom ik in een soort politiek grijs gebied. Het is voor mij ook een beetje lastig om hier heel goed antwoord op te geven zonder dat het politiek wordt. De voorzitter: Wat ik ermee bedoel is eigenlijk: hoe ziet de cyclus eruit? Ik hoef geen oordeel over wat wel en niet werkt en wat we daarvan vinden, maar hoe ziet de cyclus eruit? Er komen nieuwe dingen in en oude gaan eruit; hoe gaat dat proces? Mevrouw Van den Bosch: Wij hebben een monitoring die jaarlijks uitkomt en waarin wij bijhouden welke interventies allemaal gepleegd worden. Er komen steeds nieuwe wetenschappelijke inzichten bij. Daar besteden we aandacht aan binnen onze lerende netwerken. Vervolgens verwachten wij ook van gemeenten en justitiepartners dat zij de interventies die daar nu nog niet aan voldoen, daarop aanpassen. We zijn dus steeds in een lerende cyclus met elkaar. Wij merken ook echt dat gemeenten en justitiepartners zich daar hard voor maken. Ze luisteren daar goed naar en kijken goed met ons mee. Tegelijkertijd is het wel weer aan gemeenten en justitiepartners om dat daadwerkelijk uit te voeren. Wij kunnen hun dat niet opleggen. Bij de nieuwe aanvraagronde Preventie met Gezag hebben we echter wel naar alle plannen van de gemeenten gekeken. Daar hebben we dan het kwaliteitskader naast gelegd. Ook voeren we wel gesprekken met de gemeenten, van: oké, voldoet dit nu wel aan de eisen? De twintig incidentele gemeenten zijn volledig langs het kwaliteitskader gegaan. Daarmee hebben we ook echt het gesprek gehad: dit wel, dit niet. Bij de structurele gemeenten kan dat niet, omdat het gemeentebeleid is, maar daarmee voeren we wel adviserende gesprekken. We kijken echt samen met hen hoe we dit nu steeds beter kunnen krijgen. De voorzitter: Helder, dank je wel. Dan zet ik nu weer de pet van voorzitter op. Ik denk dat we nog ruimte hebben voor één vragenrondje. Meneer Bikkers. De heer Bikkers (VVD): Dan ga ik kiezen. Ik denk dat dit een vraag aan mevrouw Veldhuis is. Wat betreft de strafrechtelijke afdoening hoor ik u zeggen: eigenlijk is alles erop gericht om recidive te voorkomen. Ik snap dat, want uiteindelijk wil je ervoor zorgen dat deze jongeren gewoon weer op het rechte pad komen en meedoen in de samenleving. Ik denk dat dat een heel mooi uitgangspunt is. Tegelijkertijd vraag ik me af: in hoeverre zit er in de strafrechtelijke afdoening een element van vergelding, een afschrikwekkende werking en bescherming van de samenleving? Of is echt alles gericht op het voorkomen van recidive? Mevrouw Veldhuis: Dat zit in de strafmaat, die natuurlijk binnen wetgeving geregeld is. Maar bovenal is het jeugdstrafrecht inderdaad gericht op het onrijpe brein van minderjarige jongeren en kinderen, waardoor we hen nog niet volledig verantwoordelijk kunnen houden voor de consequenties van hun daden. Het jeugdstrafrecht moet dus zo veel mogelijk in het teken staan van het weer op gang brengen van de ontwikkeling. De strafmaat zegt iets over vergelding. Daar is op die manier ruimte voor. De heer Hamstra (CDA): Helemaal in het begin werd erover gesproken dat het plegen van een strafbaar feit vaak geen geïsoleerd fenomeen is. Aan de hand van drie stappen en domeinen wordt dat opgelost. Het ging om risicofactoren, preventie en het voorkomen van recidive. Laten we het hebben over de risicofactoren. Wordt er in de aanpak ook rekening gehouden met beschermende factoren? Zo ja, op welke manier doen jullie dat dan en wat zouden beschermde factoren kunnen zijn? Mevrouw Van den Bosch: Dat zijn natuurlijk twee kanten van dezelfde medaille. De hele aanpak en een groot deel van de interventies zijn juist ingericht op het mitigeren van risicofactoren, dus eigenlijk het versterken van beschermde factoren. Je kunt je voorstellen dat een interventie zoals Alleen jij bepaalt wie je bent inzet op de risicofactor dat er soms geen goed rolmodel is voor een jongere, om dat dan op te plussen met de beschermde factor van het invoegen van een positief rolmodel, met sport als middel. Dit is misschien heel plastisch, maar het is dus steeds een soort schaal, waarbij je probeert te schuiven. Een jongere mist iets in zijn leven en daardoor is hij mogelijk later in zijn leven vatbaarder voor criminaliteit of allerlei andere vervelende dingen, waarvan criminaliteit er natuurlijk een is. Wij kijken wat er mist en proberen dat eigenlijk op te plussen; zo moet je het zien. Alleen jij bepaalt wie je bent is het invoegen van een positief rolmodel en waar nodig een beetje coaching. Dat kan een onderdeel zijn van Alleen jij bepaalt wie je bent wanneer dat nodig is, maar daar wordt steeds per jongere heel goed naar gekeken. Daarom is een goede risicotaxatie nodig, zodat je goed kijkt: wat heeft deze jongere nu nodig? Vervolgens plus je op met een beschermde factor. Het is een soort som. Mevrouw Westerveld (PRO): Ongeveer een jaar geleden presenteerde de inspectie het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk, waarin ze wees op de wachttijden die er vaak zijn, waardoor dat pedagogische uitgangspunt dus niet tot uiting komt zoals het wel bedoeld is in de keten. Daarbij gaf zij aan dat daardoor ketensturing door de bewindspersoon onvoldoende of eigenlijk gewoon niet goed mogelijk is. Het rapport bevatte destijds heel veel aanbevelingen, hoor, maar ik vraag mij af wat wij als Kamer misschien zouden kunnen doen om ervoor te zorgen dat de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht, van de hele keten, beter tot uiting komen. We hoorden net al een aantal suggesties over de inkoop van gespecialiseerde hulp aan jongeren, maar er zijn vast nog wel meer zaken die u aan ons zou kunnen meegeven. De heer Gorsse: Ik zit even te denken. Ik denk dat het heel erg aansluit bij het antwoord dat Monique net gaf over de knelpunten rond jeugdhulp en de jeugdreclassering. Ik vond dat je best knap de politieke gelaagdheid ontweek, Monique, maar ik zit zelf ook even te zoeken wat ik hier nu kan zeggen. Kijk, voor een belangrijk deel, zeker rond de onderwerpen waar Monique het over had, heeft het ook gewoon te maken met de beschikbaarheid van budgetten daarvoor. Dat zijn natuurlijk ook politieke keuzes, maar dat is in ieder geval waar wij in de praktijk, zeker bij deze twee onderwerpen, tegen aanlopen. Ik denk dat ik het daar ambtelijk even bij moet laten. De voorzitter: Dank u wel. Dan zet ik weer even een andere pet op. We begonnen met meer dan een halvering van de jeugdcriminaliteit in de afgelopen vijftien jaar. Met heel veel jongeren gaat het gelukkig heel erg goed. Hebben we er ook beelden bij hoe dat ten opzichte van andere landen is? Hoe scoren we dan? Zitten we dan relatief laag, gemiddeld, relatief hoog? De heer Gorsse: Ik heb dat niet heel concreet en specifiek paraat. Daar zijn wel WODC-onderzoeken over beschikbaar, maar in alle eerlijkheid moet ik zeggen dat de daling van jeugdcriminaliteit een vrij universele ontwikkeling is, in ieder geval in de westerse wereld, omdat dat ook gewoon met allerlei omstandigheden te maken heeft die bijvoorbeeld sociaal-economisch zijn. Dat geldt wel voor meer van dit soort dingen. Dit is dus niet een soort unieke prestatie van Nederland of van het beleid, om het maar zo te noemen, ook al helpt het natuurlijk wel, want volgens mij is het wel zo, maar dat moet u even een beetje tegoed houden, dat de mate van daling hier ten opzichte van sommige andere landen echt wel scherper is. De daling is echter vrij universeel. De voorzitter: We hebben nog drie minuten, dus als iemand nog één laatste vraag heeft, dan geef ik daar de ruimte voor. De heer Bikkers (VVD): Ik ga proberen het heel kort te formuleren. Er werd net aangegeven: als omstanders staan te kijken of staan te filmen bij iets wat er gebeurt, dan moeten we die mensen niet gelijk als crimineel bestempelen. Dat snap ik heel goed. Tegelijkertijd is dit wel een doelgroep, denk ik, die net een verhoogd risico heeft om uiteindelijk de criminaliteit in te glijden, omdat men daar een rolmodel ziet staan, groepsdruk voelt et cetera et cetera. Hoe gaan we met die groep om? Misschien is dat een vraag aan mevrouw Van den Bosch in het kader van Preventie met Gezag. Hoe pakken we die groep mensen nou echt aan om te zorgen dat zij niet afglijden? De voorzitter: Dan vraag ik de heer Gorsse om zijn microfoon uit te zetten en geef ik mevrouw Van den Bosch het woord. Mevrouw Van den Bosch: Het is dus heel erg afhankelijk van de context en van de gemeente en het lokale gezag. Het komt ook weer op maatwerk aan. In sommige gevallen registreert de politie of wordt er ... Laat ik het zo zeggen. Er wordt vaak samengewerkt tussen de politie, jongerenwerk en de gemeente. Dan wordt er samen gekeken: wat is nu de beste aanpak voor deze groep? Het kan zo zijn dat sommige jongeren inderdaad een verhoogd risico hebben, omdat er al meer over hen bekend is. Het kan ook zo zijn dat sommige jongeren een puberend brein hebben waardoor ze denken: oeh, sensatie! Op zichzelf is het filmen van zoiets natuurlijk niet goed, maar een reprimandegesprek door de ouder of de school kan vaak al genoeg zijn. Dat is vaak veel effectiever dan dat je dat heel groot gaat maken. Het is dus gewoon heel erg afhankelijk van de context van de jongere, van de achtergrond van de jongere, van eigenlijk alle risicofactoren die we net hebben genoemd. Als daar verder niets in te zien is, dan zegt de gemeente vaak -- dat is mijn ervaring, maar N=1 -- dat een gesprek met school of met de ouders voldoende is. De voorzitter: Dan gaan we naar een afronding van deze technische briefing. Ik dank alle genodigden voor hun bijdrage. Ik denk dat het voor ons allen heel waardevol is geweest. Dank aan de leden van de Kamer dat zij hierbij aanwezig zijn geweest. Fijne dag gewenst. Sluiting 12.45 uur.

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · e9bf64eb6828e4fc

14 okt 2026 · fa188264789a70dc

13 okt 2026 · dd2e96c5d6204bee

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingJeugdcriminaliteit
    Verslag van een technische briefing, gehouden op 24 juni 2026, over jeugdcriminaliteit

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.