Reactie verkenning aanvullende bevoegdheidsgrondslagen Wet publieke gezondheid
Brontekst
Versie 8394cb032cbafdb8 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202525 295InfectieziektenbestrijdingNr. 2226 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 april 2025Naar aanleiding van de coronacrisis heeft mijn ambtsvoorgangermeerdere wijzigingen (tranches) van de Wet publieke gezondheid (Wpg) ingang gezet met als doel het wetgevend kader voor de bestrijding vaninfectieziekten – en in het bijzonder pandemieën – op orde te brengen. DeEerste tranche wijziging Wpg betrof het wettelijk vastleggen van grond-slagen op basis waarvan het kabinet collectieve maatregelen kan nemenom infectieziekten behorend tot groep A1 te bestrijden. Een infectieziektewordt tot de groep A1 aangewezen, indien de ziekte een pandemischpotentieel heeft en het belang van de volksgezondheid dit vordert. Dezewijziging van de Wpg is op 20 juni 2023 in werking getreden.De Raad van State adviseerde destijds positief over het wetsvoorstel,maar gaf daarbij wel aan dat de gereedschapskist met maatregelen in hetwetsvoorstel mogelijk beperkt is in omvang voor de bestrijding vaninfectieziekten met andere kenmerken dan luchtweginfecties zoalsCOVID-19. Daarom is toegezegd dat bij volgende tranches wordtonderzocht of het toevoegen van nieuwe bevoegdheidsgrondslagennoodzakelijk en proportioneel is voor het bestrijden van een toekomstigeepidemie van een A1-infectieziekte. Hiertoe heeft mijn ambtsvoorgangerdiverse adviezen uitgevraagd.Op 28 juni 2024 heeft uw Kamer de adviezen van (1) het MaatschappelijkImpact Team (MIT), de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS)en het College voor de Rechten van de Mens (College), (2) diverseuitvoeringspartners en (3) het vervolgadvies van het RIVM ontvangen.1Deze adviezen betreffen aanbevelingen in het kader van de verkenningnaar aanvullende bevoegdheidsgrondslagen in de Wpg. In diezelfde briefis door de toenmalig Minister voor Medische Zorg aangegeven dat het aldan niet opnemen van aanvullende bevoegdheidsgrondslagen in de Wpg,op basis van nadere analyse van de verschillende adviezen, en de1Kamerstukken II 2023/24, 36 194, nr. 43; Kamerstukken I 2023/24, 36 194, AE. kst-25295-2226ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22261 opvolging van de overige aanbevelingen wordt overgelaten aan hetvolgende kabinet. Met deze brief ontvangt uw Kamer mijn reactie.Daarmee geef ik tevens invulling aan de toezegging aan de Eerste Kamer(T11801).I. Verkenning naar aanvullende bevoegdheidsgrondslagen Wpg Op 25 april 2023 is uw Kamer geïnformeerd over de aanpak van deverkenning naar mogelijke aanvullende bevoegdheidsgrondslagen voorde bestrijding van A1-infectieziekten in de Wpg.2 Er is gekozen voor eenstapsgewijze aanpak en voor een beoordeling vanuit een breedperspectief. In de brief is toegelicht dat in de eerste fase van deverkenning aan epidemiologische experts wordt gevraagd welkebevoegdheidsgrondslagen dienen te worden verkend als aanvulling op degereedschapskist in de Eerste tranche wijziging Wpg. Vervolgens wordtdeze inventarisatie beoordeeld door experts uit verschillende disciplines,zoals medisch-ethische, sociaalmaatschappelijke en economische,juridische en uitvoeringsaspecten. In de brief van 13 oktober 2023 is uwKamer geïnformeerd over het advies van het RIVM ten behoeve van dezeeerste fase. Deze heeft geresulteerd in een inventarisatie van mogelijkeaanvullende bevoegdheidsgrondslagen.3 In de brief van 28 juni 2024 heeftuw Kamer de adviezen van de experts vanuit de verschillende disciplinesontvangen.4 Deze adviezen bevatten een beoordeling van mogelijkeaanvullende bevoegdheidsgrondslagen.Voordat ik inga op de inhoud, wil ik alle partijen die hebben geadviseerdin het kader van de verkenning naar aanvullende bevoegdheidsgrond-slagen voor de Wpg bedanken voor hun waardevolle advisering. Deadviezen dragen bij aan het maken van een weloverwogen keuze of het inde toekomst nodig kan zijn om de Wpg te wijzigen. Omdat het al enige tijdgeleden is dat uw Kamer de adviezen heeft ontvangen, heb ik bij dezebrief een samenvatting van de adviezen toegevoegd. Ik verwijs hiervoornaar Bijlage 1.II. Besluit aanvullende bevoegdheidsgrondslagen Wpg Kern van de uitgebrachte adviezen is dat de noodzaak van specifiekemaatregelen afhankelijk is van de epidemiologische context van deepidemie. Daarom zijn volgens de adviesorganen niet zozeer aanvullendespecifieke grondslagen, maar juist algemene, bredere grondslagen nodigvoor pandemiemaatregelen. Door het hanteren van een brederegrondslag, wordt het eerder mogelijk om een maatregel te treffen dieingepast kan worden in de specifieke context.Kanttekening daarbij is dat het treffen van collectieve maatregelen om eenpandemie te bestrijden zeer ingrijpend kan zijn voor de bevolking, demaatschappij en de economie. Om die reden heeft zowel de Tweede alsde Eerste Kamer bij de behandeling van de Eerste tranche wijziging Wpg– terecht – veel aandacht gehad voor zowel de motivering als de besluit-vormingsprocedure als het kabinet maatregelen wil treffen voor debestrijding van een A1-infectieziekte. Het veralgemeniseren van debevoegdheidsgrondslagen in de Wpg zou weliswaar meer ruimte gevenaan het kabinet om een A1-infectieziekte met gerichte maatregelen tekunnen bestrijden, maar staat ook op gespannen voet met de diversewaarborgen die de Tweede Kamer per amendement in de wet heeftgebracht. Ook de adviesorganen benadrukken dat voldoende rekening2Kamerstukken II 2022/23, 25 295, nr. 2046; Kamerstukken I 2022/23, 25 295, BW.3Kamerstukken II 2023/24, 36 194, nr. 42; Kamerstukken I 2023/24, 36 194, AA.4Kamerstukken II 2023/24, 36 194, nr. 43; Kamerstukken I 2023/24, 36 194, AE.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22262 gehouden dient te worden met de maatschappelijke impact en degevolgen voor mensenrechten bij het nemen van pandemiemaatregelen.Ik ben dan ook niet van plan om bredere, algemene bevoegdheidsgrond-slagen in de Wpg op te nemen.Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat een nieuwe pandemie, wanneer enin welke vorm die dan ook komt, er heel anders uit kan zien dan wat wemeegemaakt hebben in de coronacrisis. Mocht er onverhoopt een nieuwepandemie uitbreken waarbij bepaalde maatregelen nodig zijn waar dehuidige bevoegdheidsgrondslagen in de Wpg niet direct in voorzien, dankan, in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden, gebruikgemaakt worden van de noodbevoegdheid.5 Voor de inzet van denoodbevoegdheid moet, naast de aanvullende vereisten uit artikel 58dWpg, net als bij andere maatregelen op basis van artikel 58b Wpg eenbeoordeling plaatsvinden van de noodzaak, geschiktheid, proportionaliteiten subsidiariteit van de betreffende maatregel. Hieronder valt ook eenafweging of de inzet van de noodbevoegdheid naar de concrete omstan-digheden proportioneel is ten opzichte van de impact op grondrechten enhet maatschappelijk welzijn.Bovendien lopen er op dit moment nog onderzoeken naar de effecten vanmaatregelen, onder andere door ZonMw en TNO. De uitkomsten van hetonderzoek van TNO worden in 2025 verwacht. De onderzoeken viaZonMw over de (middel)lange effecten van maatregelen lopen tot en met2026. De eerste resultaten worden in 2027 verwacht. Daarnaast wordeneventuele relevante nieuwe inzichten betreffende de effectiviteit vanmaatregelen en bevoegdheidsgrondslagen meegenomen in derapportage, die ten minste eens in de vijf jaar wordt uitgevoerd conformeerdere toezegging aan de Eerste Kamerleden Recourt en Janssen.6 Dezerapportage heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd aan uw Kamer tijdensde wetsbehandeling van de Eerste tranche wijziging Wpg. Te zijner tijdwordt bezien in hoeverre de huidige adviezen kunnen worden betrokkenbij de rapportage of dat nieuwe advisering over de bevoegdheidsgrond-slagen gewenst is. Daarnaast wacht ik de uitkomsten van de parlemen-taire enquête af, alvorens ik besluit over het al dan niet opnemen vanaanvullende bevoegdheidsgrondslagen, zoals ik eerder heb toegezegdaan de Eerste Kamer.7In de bijlage vindt uw Kamer een samenvatting van de adviezen en eenreflectie hierop. Deze reflectie dient als nadere toelichting op mijn besluitover aanvullende bevoegdheidsgrondslagen in de Wpg. Daarnaast ga ik inde bijlage in op de opvolging van de overige, meer specifiekeaanbevelingen.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M-F. Agema5Artikel 58d Wpg.6Toezegging Evaluatie effectiviteit maatregelen en bevoegdheidsgrondslagen voor toekomstigeepidemieën (T03605) aan EK tijdens behandeling Eerste tranche Wpg. Vanwege de termijn vanvijf jaar dient de eerstvolgende rapportage in 2028 verzonden te worden aan de Kamer.7Aanhangsel handelingen I 2024/25, 36 194, AF.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22263 SAMENVATTING EN REFLECTIE ADVIEZENDeze bijlage bevat een samenvatting van de adviezen van (1) het MIT, deRVS en het College, (2) diverse uitvoeringspartners en (3) het vervolg-advies van het RIVM. Vervolgens wordt gereflecteerd op de adviezen.Deze reflectie dient als nadere toelichting op mijn besluit om voorlopiggeen aanvullende bevoegdheidsgrondslagen op te nemen in de Wpg. Tenslotte ga ik in op de opvolging van de aanbevelingen over de proceduresin de Wpg en de toegankelijkheid van de zorg.I. Samenvatting adviezen Een beoordeling van mogelijke aanvullende bevoegdheidsgrondslagenvanuit andere disciplines is wenselijk om vanuit een brede afweging tekunnen bepalen of het nodig is om deze op te nemen in de Wpg. Daaromis aan het MIT, de RVS, het College en diverse uitvoeringspartnersgevraagd te reflecteren op de aanvullende bevoegdheidsgrondslagen, diedoor het RIVM zijn benoemd in het advies voor de eerste fase en die nogniet of deels zijn opgenomen in de Wpg.Daarnaast zijn vervolgvragen gesteld aan het RIVM. Gevraagd is tot eenselectie van maatregelen te komen, die noodzakelijk is aan het begin vaneen epidemie en die wordt beschouwd als zeer effectief voor debestrijding van een A1-infectieziekte. Ook is het RIVM gevraagd tereflecteren op de volgende collectieve maatregelen: het instellen van eenverbod op groepsvorming, het instellen van een toegangsbewijs en hetsluiten van scholen en kinderopvanglocaties. Hieronder vindt uw Kamereen samenvatting van de ontvangen adviezen.Advies «Recht doen aan impact en waarden» van het MIT, de RVSen het CollegeHet MIT, de RVS en het College zijn in eerste instantie separaat gevraagdom te reflecteren op de inventarisatie van mogelijk aanvullende bevoegd-heidsgrondslagen, die door het RIVM is opgesteld in het advies voor deeerste fase van de verkenning. De adviesorganen hebben ervoor gekozengezamenlijk op te trekken in de advisering vanwege de verondersteldemeerwaarde en ter voorkoming van mogelijke overlap in de uitwerking.Hun advies «Recht doen aan impact en waarden» kent een overkoepe-lende reflectie en reflecties van de individuele adviesorganen in debijlagen.Overkoepelende reflectieHet MIT, de RVS en het College zijn het eens met het RIVM dat eralgemene grondslagen nodig zijn voor pandemiemaatregelen en dat nietalles tot in detail kan en moet worden geregeld. De adviesorganen kunnengeen rangorde geven van lichte tot zware maatregelen, zoals gevraagd is.Hoe zwaar een maatregel voor mensen en de samenleving is, kan pasgoed worden beoordeeld binnen de context van een pandemie. Deadviesorganen adviseren om ervoor te zorgen dat pandemiemaatregelenalleen worden genomen als daarbij steeds voldoende rekening wordtgehouden met de maatschappelijke impact en de gevolgen voor mensen-rechten. Daarvoor zijn sterke procedures nodig die in de Wpg wordenvastgelegd. Het MIT, de RVS en het College doen daarover de volgendeaanbevelingen:•Zorg voor een volledige proportionaliteitsafweging. Een maatregel ispas proportioneel als de maatschappelijke en mensenrechtelijkeimpact op korte én lange termijn worden meegewogen. Dit moet opeen grondige en expliciete wijze gebeuren. Advies is dit duidelijk teBIJLAGE 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22264 omschrijven in de memorie van toelichting bij de wet. Bij zwaremaatregelen moet vaker een nieuwe afweging worden gemaakt.•Neem bestuurlijke fasering op in de wet. Er is een verschil tussen deacute fase, als er weinig bekend is over de pandemie, en de beheers-fase en nafase, als er meer controle is. In de acute fase moet hetmogelijk zijn dat het kabinet snel kan besluiten over pandemiemaatre-gelen, maar in de beheersfase en nafase moet meer rekening wordengehouden met maatschappelijke impact. Ook moet ruimte zijn voordebat met het parlement en met de samenleving.•Geef onafhankelijke advisering een plek in de wet. Laat het kabinetaltijd advies vragen over zowel de infectieziektebestrijding als over degevolgen hiervan voor de maatschappij en voor mensenrechten, vanonafhankelijke adviesorganen die in lijn met de Kaderwet adviescolle-ges zijn ingesteld. Dit draagt bij aan een goede proportionaliteitsafwe-ging en aan evenwichtige besluitvorming door kabinet en parlement.•Leg in de wet vast dat er integrale besluitvorming plaatsvindt door hetkabinet. Alle ministeries die gevolgen zien van pandemiemaatregelenop hun terrein, moeten worden betrokken in de voorbereiding en debesluitvorming. Dit voorkomt een te eenzijdige aanpak van depandemie gericht op alleen infectieziektebestrijding.•Zorg dat er transparante besluitvorming plaatsvindt over pandemie-maatregelen. Als wordt besloten om een pandemiemaatregel tenemen, moet ook duidelijk worden gemaakt welke afwegingen daarbijzijn gemaakt en welke – lastige – keuzes. Het belang hiervan kanworden beschreven in de memorie van toelichting bij de wet.•Verbeter de parlementaire betrokkenheid in de wet. In de acute fase zalde Minister van VWS wellicht een keer de noodbevoegdheid moetengebruiken. Maar in de beheersfase en nafase moeten de Eerste enTweede Kamer betrokken worden in het debat en de besluitvorming.•Maak differentiatie naar regio’s en groepen in de wet mogelijk. Ditbetekent dat er onderscheid zou kunnen zijn in de aanpak tussenregio’s en groepen. De Minister van VWS houdt daarbij altijd de regie.Daarnaast adviseren het MIT, de RVS en het College om bij pandemie-maatregelen altijd te beoordelen welke (kwetsbare) groepen wordengeraakt door de maatregelen, wat de ernst is van de maatschappelijkeimpact en in welke mate mensenrechten worden geschonden. De ernstvan de impact heeft te maken met de omvang en duur van de gevolgen,maar ook met de onomkeerbaarheid en de mate waarin schade kanworden hersteld. Ook is het belangrijk dat mensen de maatregel alsbegrijpelijk en rechtvaardig kunnen en zullen ervaren. Verder adviseren deadviesorganen goed te bezien hoe de Wpg aansluit op andere crisiswettenen internationale verdragen, en op het Landelijk Crisisplan infectieziekten.Daarbij is steeds aandacht nodig voor de maatschappelijke impact en voormensenrechten. Ten slotte wordt gewezen op de noodzaak om teinvesteren in kennis en onderzoek naar maatschappelijke impact.Reflectie Maatschappelijk Impact TeamHet MIT heeft geïnvesteerd in de ontwikkeling van een afwegingskader,waarbij behalve de effectiviteit ook de maatschappelijk impact vanmaatregelen en de belangrijkste dilemma’s en onderliggende waarden inkaart worden gebracht. Het afwegingskader is een instrument om binnende dan geldende context tot een gewogen advisering en besluitvorming tekomen. Het afwegingskader is opgebouwd in aansluiting op het besluit-vormingsschema van de coronapandemie langs twee kolommen: een«OMT»-kolom en een «MIT»-kolom, leidend tot separate advisering en totintegrale besluitvorming door kabinet en parlement. Het MIT ziet echterook mogelijkheden om in de toekomst tot integrale advisering te komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22265 Het afwegingskader brengt het gehele proces in kaart van voorbereidingvan en advisering en besluitvorming over pandemiemaatregelen. Voor deadvisering over maatschappelijke impact is het afwegingskader verderuitgewerkt. In het afwegingskader worden nu vier fasen onderscheidendie relevant zijn voor de advisering en uiteindelijke besluitvorming overpandemiemaatregelen: de signaleringsfase, voorbereidingsfase,bewakingsfase en vervolgens de pandemische fase, waarin de pandemie-aanpak wordt geëffectueerd.Het MIT geeft verder aan dat het afwegingskader een methode is, die kanworden gebruikt bij de proportionaliteitsafweging. Door het afwegings-kader te hanteren, is de aandacht voor maatschappelijke en mensenrech-telijke impact in de proportionaliteitsafweging verzekerd. Het MIT geeftaan dat hier in de memorie van toelichting bij de Wpg aan kan wordengerefereerd. Ten slotte benadrukt het MIT het belang van parate kennisover de maatschappelijke impact van pandemiemaatregelen en mitige-rende maatregelen. Daarbij noemt het MIT snelle data en modellen omsociaaleconomische prognoses te doen, gelijktijdige informatie oververspreiding van de infectie en maatschappelijke impact en demogelijkheid om ook rekening te houden met effecten op de langeretermijn.Reflectie College voor de Rechten van de MensIn eerdere advisering van het College is een schets gegeven van het kaderwaaraan maatregelen die grondrechten beperken, moeten voldoen. In datadvies geeft het College onder andere aan dat maatregelen bij pandemie-bestrijding in principe worden genomen in een context van «botsende» of«conflicterende» grondrechten, dat beperking van grondrechten altijdgrondig dient te worden gemotiveerd, bijzondere aandacht dient te zijnvoor mensen in een kwetsbare positie en de overheid grondrechten dientte beschermen, maar ook de verplichting heeft om maatregelen te nemenom het recht op leven en het recht op gezondheid te beschermen en tebevorderen.Het College geeft aan dat de meeste grondrechten relatief zijn, watbetekent dat deze onder omstandigheden kunnen worden ingeperkt.Dergelijke beperkingen van grondrechten moeten wel voldoen aan devereisten van legitimiteit, geschiktheid, proportionaliteit en subsidiariteitvan de gekozen maatregel. Beperkende maatregelen dienen bovendiensteeds gepaard te gaan met adequate procedurele rechten. Daarbij isfasering van pandemiemaatregelen en een standaard beperkte duur vanmaatregelen en de noodzaak om de proportionaliteitstoets te herhalenvan belang.Daarnaast geldt als uitgangspunt bij de afweging om een maatregel in tevoeren: hoe sterker de inperking, hoe urgenter de maatregel dient te zijnom een inperking te kunnen rechtvaardigen. Daarbij dient telkens voor deminst ingrijpende adequate maatregelen te worden gekozen. Het Collegegeeft aan dat, hoewel er begrip is voor de behoefte bij het bevoegd gezagaan een duidelijke categorisering in zware en minder zware concretemaatregelen, de afwegingscriteria maken dat de zwaarte alleen in het lichtvan de concrete situatie kan worden bepaald. De daadwerkelijke impactvan een maatregel op specifieke grondrechten vergt juridisch gezien altijdeen weging van de context. De concrete vormgeving van een maatregel,de duur van een maatregel, de reikwijdte ervan of de mate waarin inuitzonderingen of ontheffingen is voorzien, is bepalend voor de feitelijkeimpact van de maatregel. Ook moet duidelijk zijn onder welke concretemodaliteiten en voorwaarden deze maatregelen worden ingevoerd. Naarhet oordeel van het College is het dus niet mogelijk om los van de contextTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22266 een algemene rangschikking van potentiële pandemiemaatregelen op testellen naar de zwaarte van grondrechtelijke impact. Wel adviseert hetCollege om maatregelen waarvan wordt vastgesteld dat zij grondrechteninperken, langs de volgende criteria te leggen:•De omvang van de geraakte groepen (waarbij oog dient te zijn voorverschillen van impact op verschillende groepen, zoals jongeren);•De (specifieke) kwetsbaarheid van de geraakte groepen;•De ernst van de impact, die nader kan worden uitgesplitst in:CDe omvang van de impact;CDe onomkeerbaarheid van gevolgen;CDe mate waarin de schade kan worden hersteld;CDe duur van de maatregelen en de mate waarin effecten na-ijlen;CDe mate waarin neveneffecten ontstaan.Reflectie Raad voor Volksgezondheid en SamenlevingDe RVS schetst een aantal mogelijke effecten van maatregelen vanuitgezondheidsperspectief en sociaal perspectief. Verder gaat de RVS in ophet proces van belangen- en waardenafwegingen die ook bij toekomstigepandemieën gemaakt moeten worden. De RVS adviseert vooral de nadrukte leggen op de inrichting van een zorgvuldig besluitvormingsproces. Tenslotte reflecteert de RVS op maatregelen om de zorg toegankelijk tehouden.Ten aanzien van het gezondheidsperspectief geeft de RVS aan dat hetprimaire gezondheidsdoel van maatregelen zal zijn om verspreiding vaneen A1-infectieziekte – en de gevolgen van die ziekte – tegen te gaan. Inalgemene termen zullen maatregelen die het aantal contacten vermin-deren effect hebben op de verspreiding van een infectie, en de daarmeegepaard gaande ziektelast op korte en lange termijn. Een bijkomendpositief effect van maatregelen kan zijn dat deze indirect helpen om (optermijn) weer meer ruimte te creëren voor niet-infectieziekte-gerelateerdezorgvragen. Maatregelen beïnvloeden ook andere aspecten vangezondheid. De mentale gevolgen van crisissituaties kunnen bijvoorbeeldlang doorwerken. Maatregelen, zoals de avondklok, schoolsluiting,toegangsbewijzen en een bezoekverbod in zorginstellingen, beperkenmogelijkheden voor sociaal contact en versterken daardoor de gevoelensvan eenzaamheid. Verder is de kans groot dat het beweeggedrag onderNederlanders – in ieder geval op korte termijn – zonder nevenmaatregelenverslechtert bij zware maatregelen die de ruimte om te bewegenbeperken. De gevolgen voor de mentale gezondheid en kwaliteit van levenhoeven niet alleen maar negatief te zijn. In sommige gezinnen leken deonderlinge banden te verbeteren tijdens lockdowns, bijvoorbeeld tussenthuiswonende tieners. Ook kunnen maatregelen een gevoel van rust ofveiligheid geven voor mensen met een hoog risico op overlijden ofernstige ziekte als gevolg van besmetting.Vanuit sociaal perspectief bezien geeft de RVS aan dat de kans groot is datook tijdens een nieuwe pandemie maatregelen getroffen moeten wordendie niet iedereen op dezelfde manier raken. Maatregelen leggenverschillen bloot, maar kunnen onderscheid en ongelijkheid tussengroepen nog verder vergroten. Maatregelen brengen ook frictie tussenverschillende waarden naar boven en doen een beroep op onze solida-riteit. Bij het nemen van maatregelen staat solidariteit vaak tegenover dewaarde van individuele (keuze)vrijheid. Collectieve maatregelen grijpenvaak sterk in op de individuele vrijheid van burgers. Een belangrijke vraagis dan ook hoe zorgvuldig met de verschillende perspectieven kan wordenomgegaan ten tijde van crisis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22267 De RVS adviseert daarom vooral in te zetten op een zorgvuldig besluitvor-mingsproces. Het is niet mogelijk om vanuit gezondheids- en welzijnsper-spectief een volgorde in specifieke maatregelen aan te brengen. Deimpact van een eventuele nieuwe A1-infectieziekte – en bijbehorendemaatregelen – is daarvoor te afhankelijk van de kenmerken van de ziekteen wie hierdoor op welke wijze wordt geraakt. Ook spelen de sociaalmaat-schappelijke omstandigheden op het moment zelf een belangrijke rol. DeRVS geeft aan dat een zorgvuldig proces en een duidelijke verantwoorde-lijkheidsverdeling bijdragen aan het borgen van het zorgvuldig maken vanbrede maatschappelijke afwegingen. De maatregelen, die centraal staan indit advies, vragen daarnaast om medisch-ethische afwegingen. Dit zijnafwegingen waarbij rekening wordt gehouden met verschillende waardenen behoeften. Ten slotte vraagt de RVS aandacht voor een duidelijkeverantwoordelijkheidsverdeling. De overheid kan zorgen voor transpa-rantie over hoe verschillende waarden, belangen en opvattingen zijnafgewogen en openheid tonen over de onzekerheid bij het nemen vanmaatregelen. Daarbij is ook de inbreng vanuit burgers en sectorencruciaal, met een extra verantwoordelijkheid om groepen (kwetsbare)mensen die zich normaal moeilijk kunnen organiseren te horen.De RVS heeft in het laatste deel van zijn advies aandacht besteed aanmaatregelen om de zorg toegankelijk te houden in het geval van eenpandemie. De RVS merkt op dat in de voorgenomen aanpassingen van denationale crisisstructuur in geval van een (dreigende) pandemievooralsnog geen maatregelen zijn voorzien om de toegankelijkheid van dezorg te borgen, door zorgmedewerkers (beter) te beschermen en doorvoorzieningen te treffen om de zorg – in de volle breedte – op te kunnenschalen. De RVS geeft aan dat het (staats)noodrecht reeds een regeling inde Noodwet geneeskundigen bevat die de grondslag kan vormen voorcompenserende maatregelen voor zorgmedewerkers die post-covidhebben opgelopen. Daarnaast pleit de RVS ervoor zorgmedewerkers beterte beschermen en te behouden voor de zorg. Want de Noodwet genees-kundigen bepaalt ook dat bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur regels kunnen worden gesteld voor het toekennen van eenvergoeding aan zorgverleners door de staat. Daarnaast biedt hetstaatsnoodrecht mogelijkheden om bijvoorbeeld persoonlijke bescher-mingsmiddelen en geneesmiddelen te vorderen in geval van eenpandemie. De RVS adviseert deze noties te betrekken bij de verdereuitwerking van de strategie voor pandemische paraatheid. Ten slotte gaatde RVS in op maatregelen om de afschaling van reguliere zorg ten tijdevan een pandemie te beperken. Volgens de RVS is het verstandig om inons zorgstelsel reservecapaciteit in te bouwen, bijvoorbeeld door perprovincie of regio een calamiteiteninstelling te organiseren. Ook kan eenbestand van ex-zorgpersoneel opgesteld worden waarbij een eventueelverlopen BIG-registratie geen beletsel mag vormen. Verder kan hetstaatsnoodrecht uitkomst bieden. De Noodwet geneeskundigen zoukunnen worden uitgebreid met een regeling van de calamiteiteninstelling,zodat deze een vaste plaats krijgt in de crisisstructuur.Vervolgadvies m.b.t. Wpg van het RIVMNaar aanleiding van het advies van het RIVM in de eerste fase van deverkenning zijn vervolgvragen gesteld aan het RIVM. Hen is gevraagd omtot een selectie van maatregelen te komen, die noodzakelijk is aan hetbegin van een epidemie en die wordt beschouwd als zeer effectief voor debestrijding van een A1-infectieziekte. Ook is het RIVM gevraagd tereflecteren op een aantal collectieve maatregelen, namelijk: het instellenvan een verbod op groepsvorming, het instellen van een toegangsbewijsen het sluiten van scholen en kinderopvanglocaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22268 Het RIVM geeft aan dat de noodzaak van specifieke maatregelen afhangtvan de epidemiologische fase waarin een epidemie zich bevindt, en ookvan de karakteristieken van de betreffende ziekteverwekker, welkedoelgroepen deze treft en het beoogde effect van een te treffen maatregel.Het RIVM geeft aan dat het van tevoren niet precies is te bepalen in welkesituatie we zullen verkeren. Daarom is het advies om de maatregelen zogeneriek en breed mogelijk te definiëren in de Wpg om op maat oplos-singen mogelijk te maken. Dit om een eventuele noodwet ten tijde vaneen volgende pandemie te voorkomen. Het RIVM adviseert om in iedergeval de mogelijkheid om isolatie en quarantaine op collectief niveau opte nemen in de wet. Het instellen van een verbod op groepsvormingbeschouwt het RIVM als een afgeleide, uiterste vorm van een restrictie opgroepsgrootte. Dit is een maatregel die het RIVM aanhaalde als voorbeeldvan een sociaalmaatschappelijke maatregel in het advies voor de eerstefase van de verkenning. Een sociaalmaatschappelijke maatregel is eenmaatregel, die impact heeft op de samenleving. Dit zijn bijvoorbeeld ookmaatregelen zoals restricties voor evenementen of een horecasluiting.Verder stelt het RIVM dat het sluiten van scholen en kinderopvanglocatieseen specificering van doelgroepgerichte maatregelen is. Volgens het RIVMis deze maatregel te specifiek, omdat vooraf niet bekend is welkedoelgroep het meeste risico loopt op ziekte, op een ernstig beloop of hetmeeste bijdraagt aan de transmissie. Het RIVM adviseert daarom geenspecifieke tekst op te nemen over scholen of kinderopvang, maar om degenerieke tekst over groepsgrootte en de sociaalmaatschappelijkemaatregelen aan te vullen met de mogelijkheid tot specificering vandoelgroepen. Ten slotte adviseert het RIVM om het instellen van eentoegangsbewijs niet concreet op te nemen in de wettekst, gelet op hetspecifieke en contextafhankelijke karakter van de maatregel.Advies diverse uitvoeringspartnersOok zijn diverse uitvoeringspartners gevraagd om te adviseren over demogelijk aanvullende bevoegdheidsgrondslagen. Van de volgendepartijen is een advies ontvangen: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd(IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de NationalePolitie, de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio(RCDV) en GGD GHOR Nederland.Een aantal van de uitvoeringspartners onderschrijft het belang van eenrobuuste Wpg, die toepasbaar is op alle ziekteverwekkers en voldoendetoegerust moet zijn om de Minister in staat te stellen adequate maatre-gelen te nemen. Daarnaast wordt opgemerkt dat niet alle maatregelen entoekomstige situaties voorspelbaar zijn en kunnen worden vastgelegd inde Wpg. Er worden daarom vraagtekens geplaatst bij het opnemen vanaanvullende bevoegdheidsgrondslagen. Eén van de uitvoeringspartnersgeeft bijvoorbeeld aan dat dit kan leiden tot meer discussie, en dat debeschikbare mogelijkheden tot tijdelijke wetgeving voldoende vangnetbieden.De uitvoeringspartners geven verschillende aandachtspunten mee. Eénvan die aandachtspunten betreft het belang van uitlegbaarheid vanmaatregelen. Uitlegbaarheid en consistentie van maatregelen dragen bijaan het draagvlak, naleving en geloofwaardige handhaving. Daarnaastvragen de uitvoeringspartners aandacht voor de handhaafbaarheid enuitvoerbaarheid van maatregelen. Verder wordt aangegeven rekening tehouden met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Risico- encrisiscommunicatie zijn daarom van belang, om maatschappelijke onrustte bestrijden en opvolging van maatregelen te vergroten. Ten aanzien vancommunicatie kan ook meer ingezet worden op gedragsbeïnvloeding alsspecialisme. Overige aandachtspunten zijn om de verhouding tussentijdelijke wetgeving en bestaande wetgeving helder te hebben, oog tehebben voor hoe de Nederlandse wetgeving zich verhoudt tot die vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 22269 andere landen, aandacht te hebben voor de democratische legitimiteit envoor een juiste balans tussen de algemene crisisbeheersingsketen en defunctionele zorgketen. Ten slotte is het belangrijk ruimte te behouden ombij conflicterende belangen, waarbij kwaliteit en veiligheid van de zorg inhet geding is, een afweging te kunnen maken om bij deze uitzonderlijkesituaties af te kunnen wijken van procedures.Ten aanzien van de categorie individuele maatregelen wordt aangegevendat isolatie en quarantaine niet controleerbaar en daarom niethandhaafbaar zijn. Daarnaast heeft het mogelijk psychische klachten totgevolg. Voor thuiswerken geldt dat het de binding met werk en collega’svermindert. Ook kan een deel van het werk niet thuis worden verricht.Daarom wordt voorgesteld een uitzondering te maken op thuiswerken enop de avondklok voor essentiële beroepen. Een deel van de uitvoerings-partners geeft aan dat sociaalmaatschappelijke maatregelen, zoals deavondklok mogelijke (financiële) gevolgen heeft voor bedrijven. Ook kanhet onrust en onvrede oproepen binnen de samenleving. Daarnaast wordtaangegeven dat voor handhaving van de avondklok onder andere helderecommunicatie over nut en noodzaak van de maatregel en een hogestrafdreiging van belang is. Over het sluiten van scholen en kinderop-vanglocaties geeft één van de uitvoeringspartners aan dat dit gevolgenheeft voor werkende ouders, zoals verminderde carrièremogelijkheden,maar ook voor collega’s zonder kinderen, namelijk een mogelijk hogerewerkdruk. Over de categorie omgevingsmaatregelen, zoals het wegnemenvan een besmette omgevingsbron, geeft één van de uitvoeringspartnersaan dat afhankelijk van welke omgevingsbron het betreft, het wegnemenervan ingewikkeld of niet uitvoerbaar kan zijn. Ten aanzien van decategorie (inter)nationale reis- en handelsmaatregelen stelt een uitvoe-ringspartner dat dit gevolgen heeft voor bedrijven, beschikbaarheid vanessentiële goederen en diensten en voor arbeidsmigranten en expats.II. Reflectie en opvolging adviezen Door de adviezen van experts vanuit verschillende disciplines samen tebrengen, kan een aantal verbanden gelegd worden. Voor een overzichtvan de maatregelen die reeds genomen kunnen worden op grond van deEerste tranche wordt verwezen naar Tabel 2 van het advies «Recht doenaan impact en waarden» van het MIT, de RVS en het College. Daarnaast ishet advies van het MIT, de RVS en het College in bredere contextgeplaatst. Die bredere aanbevelingen, over procedures en over detoegankelijkheid van de zorg, bevatten zeer waardevolle aspecten.Allereerst ga ik in op de aanbevelingen over aanvullende bevoegdheids-grondslagen voor de Wpg. Dit splits ik op in de overkoepelende reflectiesvan de verschillende experts en de reflecties op de (categorieën van)maatregelen. De reflectie op de aanbevelingen over aanvullendebevoegdheidsgrondslagen dient als nadere toelichting op mijn besluithieromtrent. Vervolgens reflecteer ik op de aanbevelingen over deprocedures in de Wpg en de toegankelijkheid van de zorg. Daarbij zal iknader ingaan op de opvolging van de desbetreffende aanbevelingen.Aanvullende bevoegdheidsgrondslagen WpgOverkoepelende reflectieDe noodzaak van specifieke maatregelen hangt af van de epidemiolo-gische fase waarin een epidemie zich bevindt, van de karakteristieken vande betreffende ziekteverwekker, welke groepen mensen deze treft, en hetbeoogde effect van een te treffen maatregel. Het MIT, de RVS en hetCollege geven daarom aan dat er algemene grondslagen nodig zijn voorpandemiemaatregelen, en dat niet alles dus tot in detail kan, en moet,worden geregeld. Ook het RIVM adviseert om de maatregelen zo generiekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 222610 en breed mogelijk te definiëren in de Wpg om oplossingen op maatmogelijk te maken. Om die algemene grondslagen te rechtvaardigen, zijnvolgens het MIT, de RVS en het College sterke procedures nodig die in deWpg worden vastgelegd. Ook geven deze adviesorganen aan dat het nietmogelijk is om een rangorde aan te geven van lichte tot zware maatre-gelen, waar in de adviesaanvraag om is gevraagd. Hoe zwaar eenmaatregel voor mensen en de samenleving is, kan pas goed wordenbeoordeeld binnen de context van een volgende pandemie. Ook deuitvoeringspartners sluiten zich bij het voorgaande aan. Wel worden doorde verschillende betrokken partijen aandachtspunten meegegeven. Zodient rekening gehouden te worden met de maatschappelijke impact ende gevolgen voor mensenrechten, de handhaafbaarheid en uitvoer-baarheid, communicatie en draagvlak. Het MIT geeft een afwegingskader,dat kan worden ingezet om behalve de effectiviteit ook de maatschappelijkimpact van maatregelen en de belangrijkste dilemma’s en onderliggendewaarden in kaart te brengen. Daarnaast adviseert het College ommaatregelen, waarvan wordt vastgesteld dat zij grondrechten inperken,langs een aantal criteria te leggen. De RVS adviseert met name de nadrukte leggen op de inrichting van een zorgvuldig besluitvormingsproces.Reflectie categorieën van maatregelenTen aanzien van de sociaalmaatschappelijke maatregelen vragen het MIT,de RVS en het College in het bijzonder aandacht voor de proportionaliteitvan maatregelen waarbij een hoog risico bestaat op (zeer) ernstigemaatschappelijke impact, beperking van mensenrechten en schendingvan waarden. Dit zijn volgens deze adviesorganen de collectieve maatre-gelen die de bevolking in volle omvang treffen en/of kwetsbare groepenhard raken, waarbij zich onomkeerbare effecten voordoen of onher-stelbare schade optreedt, oftewel maatregelen in de «buitencategorie». Inhet advies van het MIT, de RVS en het College worden de volgendemaatregelen in elk geval geschaard onder de «buitencategorie»:•schoolsluiting, het bezoekverbod aan zorginstellingen en toegangsbe-wijzen worden genoemd als voorbeelden van coronamaatregelen in de«buitencategorie».•Ook de avondklok, de sluiting van sportmogelijkheden en hetonmogelijk maken van samenkomsten door beperking van degroepsgrootte zijn genoemd als maatregelen met grote impact opkorte en lange termijn voor de fysieke en mentale gezondheid, deontwikkeling en kansen van kinderen en jongeren, en het vertrouwenin de overheid.Het RIVM stelt dat het instellen van een toegangsbewijs en het sluiten vanscholen en kinderopvanglocaties te specifieke maatregelen zijn om in dewet op te nemen. Wel kan in relatie tot laatstgenoemde maatregel –beperking groepsgrootte – een specificering van doelgroepen opgenomenworden in de Wpg. Vanuit uitvoeringsperspectief wordt benoemd dat deavondklok kan leiden tot onrust en onvrede in de samenleving. Dit heeftimpact op de uitvoering door handhavers. Uitlegbaarheid en consistentievan maatregelen is van belang.Procedures in de WpgVolgens het MIT, de RVS en het College zijn sterke procedures in de Wpgnodig om ervoor te zorgen dat pandemiemaatregelen alleen wordengenomen, als daarbij steeds voldoende rekening wordt gehouden met demaatschappelijke impact en de gevolgen voor mensenrechten. Voor deaanbevelingen ten aanzien van de procedures in de Wpg wordt afgewachttot de bredere herziening van het (staats)nood- en crisisrecht is afgerond,zodat kan worden bezien of en, zo ja, welke aanpassingen van de WpgTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 222611 nodig zijn om de consistentie daarmee te bewaken. Voor een naderetoelichting op de voortgang van de modernisering van het staatsnood-recht wordt verwezen naar de brief van 13 februari 2025.8•De adviesorganen adviseren om te zorgen voor een volledigeproportionaliteitsafweging. Een maatregel is volgens hen pasproportioneel als de maatschappelijke en mensenrechtelijke impact opkorte én lange termijn worden meegewogen. Dit moet op eengrondige en expliciete wijze gebeuren. Advies is dit duidelijk teomschrijven in de memorie van toelichting bij de wet.Bij zware maatregelen moet volgens de adviesorganen vaker eennieuwe afweging worden gemaakt. Om te zorgen voor een volledigeproportionaliteitsafweging, is daarom met de Eerste tranche artikel 58bWpg toegevoegd in de Wpg. In dit artikel wordt expliciet aangegevendat bij de toepassing van de bevoegdheidsgrondslagen die zijnopgenomen in de Wpg, onder meer de noodzakelijkheid en proportio-naliteit moeten worden beoordeeld. Daarnaast is in de memorie vantoelichting bij de Eerste tranche opgenomen dat, indien (collectieve)maatregelen worden getroffen, een brede belangenafweging plaats-vindt, waaraan een brede advisering vanuit zowel epidemiologischperspectief, alsook bredere maatschappelijke en sociaaleconomischeoverwegingen ten grondslag liggen.•Daarnaast adviseren de adviesorganen om bestuurlijke fasering op tenemen in de wet. De adviesorganen wijzen op het verschil tussen deacute fase, als er weinig bekend is over de pandemie, en de beheerfaseen nafase, als er meer controle is. In de acute fase moet het volgens deadviesorganen mogelijk zijn dat het kabinet snel kan besluiten overpandemiemaatregelen, maar in de beheerfase en nafase moet meerrekening worden gehouden met maatschappelijke impact en moetruimte zijn voor debat met het parlement en met de samenleving. In deacute fase van een nationale gezondheidscrisis kan gebruik wordengemaakt van de spoedprocedure, zoals omschreven in de Wpg.9 Dezeprocedure behelst onder meer een nahangprocedure. Dit houdt in datde Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een maatregel kantreffen ter bestrijding van een nationale gezondheidscrisis, voordat deKamer is ingelicht. De ministeriële regeling met de getroffen maatrege-len en het toepassen van de spoedprocedure dient binnen twee dagenna vaststelling met beide Kamers te worden gedeeld. De Kamersworden vervolgens in de gelegenheid gesteld om tot een week na depublicatie van de maatregelen te reageren. Wanneer geen sprake isvan de spoedprocedure dient de reguliere procedure met eenvoorhang van één week gevolgd te worden.10 Indien maatregelenworden genomen, dient daarnaast te worden vastgesteld voor welke(zware) maatregelen een vervaltermijn van acht weken geldt, dezevervaltermijn kan met de benodigde parlementaire betrokkenheidworden verlengd.•Verder werd geadviseerd onafhankelijke advisering een plek in de wette geven en het kabinet altijd advies te laten vragen over zowel deinfectieziektebestrijding als over de gevolgen hiervan voor demaatschappij en voor mensenrechten, van onafhankelijke adviesorga-nen die in lijn met de Kaderwet adviescolleges zijn ingesteld. Ditdraagt volgens de adviesorganen bij aan een goede proportionaliteits-afweging en aan evenwichtige besluitvorming door kabinet enparlement. Onafhankelijke advisering is inderdaad van groot belang.Daarom is in de memorie van toelichting bij de Eerste trancheopgenomen dat, indien maatregelen getroffen worden, er een bredebelangenafweging zal plaatsvinden waaraan een brede advisering8Kamerstukken II 2024/25, 29 668 en 26 956, nr. 71.9Artikel 58ca Wpg (de bijzondere procedure).10Artikel 58c Wpg (de reguliere procedure).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 222612 vanuit zowel epidemiologisch perspectief, alsook bredere maatschap-pelijke en sociaaleconomische overwegingen ten grondslag liggen. Deonafhankelijkheid van het OMT is geborgd in het reglement voor hetOutbreak Management Team (OMT).11 Het MIT was per 1 september2022 opgericht middels een instellingsbesluit voor de duur van tweejaar. In dit instellingsbesluit is de onafhankelijkheid van de leden vanhet MIT geborgd.12 In het voorjaar van 2024 heeft de voormaligMinister van SZW besloten om het MIT hierna in waakstand tebrengen. De verdere uitwerking daarvan vindt momenteel plaats.•De adviesorganen adviseren ook om in de wet vast te leggen dat erintegrale besluitvorming plaatsvindt door het kabinet. Alle ministeriesdie gevolgen zien van pandemiemaatregelen op hun terrein, moetenworden betrokken in de voorbereiding en de besluitvorming. Ditvoorkomt volgens de adviesorganen een te eenzijdige aanpak van depandemie gericht op alleen infectieziektebestrijding. Integralebesluitvorming is geborgd via de nationale crisisstructuur. Als bij eenuitbraak van een A-infectieziekte collectieve maatregelen moetenworden genomen, wordt de nationale crisisstructuur geactiveerd.Daarin is via de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing(ICCb) en de Ministeriele Commissie Crisisbeheersing (MCCb) integralebesluitvorming besloten. In deze commissies zijn de inhoudelijkbetrokken ministeries vertegenwoordigd. Dit wordt momenteelvastgelegd in het Landelijk Crisisplan Infectieziekten (LCP-I). Daarnaastworden maatregelen vastgesteld bij ministeriële regeling. Dit gebeurtin lijn met het gevoelen van de ministerraad.13•Volgens de adviesorganen is het verder van belang dat er transparantebesluitvorming plaatsvindt over pandemiemaatregelen. Als wordtbesloten om een pandemiemaatregel te nemen, moet ook duidelijkworden gemaakt welke afwegingen daarbij zijn gemaakt en welke– lastige – keuzes. Het belang hiervan kan worden beschreven in dememorie van toelichting bij de wet. Ook ik onderschrijf het belang vantransparante besluitvorming. Bij toekomstige besluitvorming overmaatregelen ter bestrijding van een A1-infectieziekte spelen risico- encrisiscommunicatie dan ook een belangrijke rol. De doelen vancommunicatie bij infectieziektebestrijding, de uitdagingen en de rol- entaakverdeling krijgen een plek in het Landelijk Crisisplan Infectieziekten(LCP-I).•Ook wordt geadviseerd de parlementaire betrokkenheid te verbeterenin de wet. De adviesorganen geven aan dat de Minister van VWS in deacute fase wellicht een keer de noodbevoegdheid zal moeten gebrui-ken, maar in de beheersfase en nafase moeten de Eerste en TweedeKamer betrokken worden in het debat en de besluitvorming. Nuvoorziet de Eerste tranche op verschillende manieren in zeggenschapvan de Tweede en Eerste Kamer. Allereerst heeft het parlement een rolbij de aanwijzing van een A1-infectieziekte als behorend tot groep A1.Daarbij is het parlement betrokken bij het in werking stellen vanbevoegdheden voor verplichtende collectieve maatregelen en bij hetbuiten werking stellen van deze bevoegdheden, na aanwijzing alsA1-infectieziekte. Daarnaast is een rol weggelegd voor het parlementbij de controle op de uitoefening van de bevoegdheden. Daarbij geldteen voor- of nahangprocedure bij beide Kamers, afhankelijk van desituatie. Ten slotte is sprake van betrokkenheid van het parlement in deprocedure tot vaststelling van de wet die is vereist bij de eventueleinzet van de noodbevoegdheid (artikel 58d Wpg).11https://www.rivm.nl/documenten/reglement-voor-outbreak-management-team-omt.12https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/08/19/instelling-maatschappelijk-impact-team.13Artikel 58c, eerste lid, Wpg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 222613 •Ten slotte adviseren de adviesorganen om differentiatie naar regio’s engroepen in de wet mogelijk te maken. Dit betekent dat er onderscheidzou kunnen zijn in de aanpak tussen regio’s en groepen. De adviesor-ganen geven daarbij aan dat de Minister van VWS daarbij altijd deregie houdt. De mogelijkheid tot differentiatie is reeds geregeld inartikel 58e Wpg. Met dit artikel kunnen maatregelen gericht wordenvastgesteld per gebied, groep van personen, plaats of activiteit, waardat nodig is voor de bestrijding van A1-infectieziekten. Dit voorkomtdat andere gebieden, groepen van personen, plaatsen of activiteitenniet meer beperkingen dan noodzakelijk ondervinden.Toegankelijkheid van de zorgNaast de aanbevelingen over mogelijke aanvullende bevoegdheidsgrond-slagen in de Wpg, gaat de RVS verder in op de blijvende toegankelijkheidvan de zorg in het geval van een pandemie. De RVS stelt dat met devooralsnog voorgenomen aanpassingen van de nationale crisisstructuurin geval van een (dreigende) pandemie vooralsnog geen zekerheid wordtgeboden bij het toegankelijk houden van de zorg. De RVS vraagt hierinbijzonder aandacht voor het beter beschermen en behouden vanzorgpersoneel. De RVS wijst onder andere op de regeling in het(staats)noodrecht die een grondslag kan vormen voor compenserendemaatregelen voor zorgmedewerkers en het vorderen van persoonlijkebeschermingsmiddelen en geneesmiddelen in geval van een pandemie,alsook de mogelijkheid tot het stellen van regels bij of krachtensalgemene maatregel van bestuur voor het toekennen van een vergoedingaan zorgverleners.Daarnaast, in het kader van opschaling, vraagt de RVS aandacht vooropschalingsmogelijkheden door meer reservecapaciteit. Hierbij noemt deRVS verschillende voorbeelden, zoals een bestand van ex-zorgpersoneel,waarbij een eventueel verlopen BIG-registratie geen beletsel mag vormen.Hiervoor is in Nederland de Nationale Zorgreserve (NZR) opgericht, eenstrategische reserve van ex-zorgprofessionals die in tijden van crisis eenrol kan spelen in het vergroten van de zorgcapaciteit. Daarmee kan deNZR als crisisfaciliteit additioneel voorzien aan tijdelijke en snel inzetbarepersonele zorgcapaciteit. De NZR heeft regionale uitvoeringskernen,bestaande uit voormalig zorgmedewerkers, zoals gepensioneerden meteen zorgachtergrond en oud zorgmedewerkers werkend in een anderesector. Daarnaast noemt de RVS het opzetten van calamiteiteninstellingenper regio of provincie. De Noodwet geneeskundigen zou daarbij kunnenworden uitgebreid met een regeling van de calamiteiteninstelling, zodatdeze een vaste plaats krijgt in de crisisstructuur. Het streven is om in deloop van 2025 te starten met de voorbereiding van een wetsvoorstelwaarbij de Noodwet Geneeskundigen wordt gemoderniseerd. Te zijner tijdwordt beoordeeld of deze aanbeveling overgenomen wordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 25 295, nr. 222614
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.